Ontwerp Conceptnota Implementatie PVF: trap 2 Inhoudsopgave 1 Inleiding... 2 2 Trap 2: een persoonsvolgend budget voor nrth... 2 2.1 Toekennen van een persoonsvolgend budget trap 2... 2 2.2 Inzetten van een persoonsvolgend budget... 14 2.3 Budgetverantwoording... 15 2.4 Bijstand aan budgethouders... 16 2.5 Organisatie van het nieuwe financieringssysteem... 16 2.6 Prioritering... 17 2.7 Stapsgewijze invoering... 18 1 van 18
Ontwerp Conceptnota Implementatie PVF: trap 2 1 Inleiding De Conceptnota Perspectief 2020 (17/02/2012) introduceert de persoonsvolgende financiering als één van de belangrijke pijlers van het nieuwe ondersteuningsbeleid voor personen met een handicap. Ingegeven door de paradigmashift van het VN-verdrag betreffende de rechten van personen met een handicap zijn inclusie en de regie over het eigen leven centrale elementen in het perspectiefplan 2020. De verschuiving van de visie op personen met een handicap en hun plaats in de samenleving impliceert een verandering van de organisatie en de financiering van de gehandicaptensector. Het invoeren van het nieuwe, persoonsvolgende financieringssysteem zal in belangrijke mate bijdragen aan het realiseren van zorggarantie en vraaggestuurde zorg, twee ambities die in perspectief 2020 naar voor worden geschoven. Het kader voor het nieuwe financieringssysteem werd voorbereid in de Conceptnota Persoonsvolgende financiering en het decreet persoonsvolgende financiering werd op 25 april 2014 bekrachtigd door de Vlaamse regering. De conceptnota implementatie PVF fungeert als leidraad voor de invoering van de persoonsvolgende financiering. De nota geeft een voorstel tot operationalisering van trap 1 en trap 2. Deze operationaliseringen met de eerder bewandelde pistes dienen herbekeken te worden in het kader van het nieuwe Vlaamse regeerakkoord. In het regeerakkoord van de nieuwe Vlaamse Regering gelden klantgerichtheid, transparantie, eenvoud en ex post controle als basisprincipes. Responsabilisering en vertrouwen in de persoon met een handicap, verwijzende instanties en zorgverstrekkers zijn hierbij belangrijke uitgangspunten. De focus van deze nota ligt op de implementatie van trap 2. Eerst wordt ingegaan op het proces tot het toekennen van een persoonsvolgend budget. Daarna wordt de budgetbesteding en verantwoording behandeld. Vervolgens wordt gefocust op de bijstandsorganisaties en de organisatie van het nieuwe financieringssysteem. Ter afsluiting wordt ingegaan op de prioritering. 2 Trap 2: een persoonsvolgend budget voor nrth 2.1 Toekennen van een persoonsvolgend budget trap 2 Op de Taskforce van 13/05 werd het globale procesverloop voor het toekennen van een persoonsvolgend budget trap 2 goedgekeurd. Daarop volgend werd het procesverloop meer in detail uitgewerkt. In het proces worden er verschillende fases onderscheiden (zie figuur 1): vraagverheldering, objectiveren van de ondersteuningsnood, beoordelen van de informatie door het VAPH, budgetbepaling, toekenning van de prioriteit en het toekennen van het persoonsvolgend budget. Hieronder wordt er ingegaan op elk van deze fasen. 2 van 18
Vraagverheldering Opstellen OP Inschatting prioriteit Budgetbepaling Objectiveren van de ondersteuningsnood Vaststellen handicap Beoordeling door VAPH Toekennen prioriteit Toekennen PVB Objectiveren ondersteuningsnood Beoordelen prioriteitscriteria Figuur 1. Proces voor het toekennen van een persoonsvolgend budget. 3 van 18
2.1.1 Vraagverheldering & opstellen van een ondersteuningsplan Noot vooraf: Onderstaande uitwerking betreft voorlopig enkel meerderjarige personen met een handicap. Ook voor minderjarige PmH moeten bij indicatiestelling van de benodigde handicapspecifieke zorg en ondersteuning eerst de mogelijkheden van de verschillende ondersteuningsbronnen worden verkend. Hiertoe wordt de nodige afstemming met IJH en de Intersectorale Toegangspoort gezocht. Het doel van de fase van vraagverheldering is het leren kennen van de wants. In deze fase wordt in de eerste plaats de brede zorgvraag in kaart gebracht. Wanneer dit gebeurd is kan een ondersteuningsplan opgesteld worden. In het ondersteuningsplan wordt concreet vermeld op welke ondersteuningsbronnen uit de vijf cirkels de persoon (en zijn gezin) een beroep wenst (wensen) te doen, voor welk soort ondersteuning en hoeveel. Vanuit deze verkenning wordt een inschatting gemaakt van de ondersteuning die vanuit het VAPH gefinancierd zou moeten worden. De keuzevrijheid van de persoon met een handicap staat centraal. Bij de ondersteuningsplanning geeft de persoon met een handicap zelf aan hoe hij/zij de zorg en ondersteuning wenst te organiseren. In het ondersteuningsplan wordt nog geen uitspraak gedaan over de zorgzwaarte. Uitspraak over de zorgzwaarte vraagt een geobjectiveerde inschatting vanuit een multidisciplinair onderzoek (MDO) (zie 2.1.2). Aan het einde van de fase van vraagverheldering wordt nog geen link gelegd met het budget dat de persoon precies vraagt aan het VAPH. Dit om het scheppen van valse verwachtingen te vermijden. De 5 concentrische cirkels van ondersteuning worden doorlopen waarbij nagegaan wordt Cirkel 1: o In welke mate er vandaag sprake is van zelfzorg; (actuele situatie); o welke (potentiële) mogelijkheden tot zelfzorg er zijn en welke faciliterende rol IMB hierbij kan spelen; (toekomstige/ wenselijke situatie); Cirkel 2: o in welke mate gebruikelijke zorg geboden wordt en in welke mate sprake is van bovengebruikelijke zorg ; (actuele situatie) o indien sprake is van bovengebruikelijke zorg wordt bekeken welke aanvullende of vervangende ondersteuning voorzien moet worden om de draagkracht 1 te herstellen of te vermijden dat de draagkracht overschreden wordt; (toekomstige/ wenselijke situatie) Cirkel 3: o in welke mate vrijwillige ondersteuning van buren, familieleden, vrienden, vrijwilligers geboden wordt; (actuele situatie) o in welke mate de persoon met een handicap en zijn gezin in de toekomst vrijwillige ondersteuning van buren, familieleden, vrienden, vrijwilligers wil inschakelen; (toekomstige/ wenselijke situatie) Cirkel 4: o in welke mate vandaag gebruik gemaakt wordt van reguliere diensten; (actuele situatie) o in welke mate de persoon met een handicap rekening houdend met de concrete situatie en het lokaal beschikbare aanbod- beroep kan en wil doen op reguliere diensten; (toekomstige/ wenselijke situatie) Randvoorwaarde: komende legislatuur wordt geïnvesteerd in het ruimer beschikbaar (capaciteit) en toegankelijk (flexibiliteit, knowhow en expertise) maken van reguliere dienstverlening voor personen met een handicap. Cirkel 5: 1Eventueel kan overwogen worden om het Prisma-instrument te hanteren bij de beoordeling van de draagkracht. 4 van 18
o o in welke mate er vandaag al ondersteuning vanuit VAPH is voorzien; (actuele situatie) waar en hoe in de toekomst ondersteuning vanuit VAPH voorzien (gefinancierd) moet worden. (toekomstige/ wenselijke situatie) Het basisformat van het ondersteuningsplan werd uitgewerkt door vzw Lus, de mentororganisatie van de DOP s. Dit format is bruikbaar als sjabloon voor het opstellen van een goed ondersteuningsplan. Het gebruik van een vast sjabloon is noodzakelijk om te garanderen dat het plan alle relevante elementen bevat en de ondersteuningsplannen ook effectief benut kunnen worden bij de verdere administratieve afhandeling. In het (format van) ondersteuningsplan wordt de mogelijkheid voorzien om indien relevant aan te geven op welke punten er nog gewerkt zal worden (bijvoorbeeld verder versterken van het netwerk, verder versterken van de rol van de ondersteuningsgroep). Aan het einde van het proces dat doorlopen wordt om een ondersteuningsplan op te stellen, wordt aangegeven welke ondersteuningsfuncties nodig zijn en vanuit welke ondersteuningsbronnen (lees: door wie) ze opgenomen zullen worden. Er wordt ook een globale inschatting gemaakt van wat de persoon met een handicap vraagt aan het VAPH (vraaggerichte zorg en ondersteuning). In de omschrijving van de ondersteuningsfuncties vatten we een aantal componenten die toelaten om een budget op maat te kunnen toekennen. De vraag van de cliënt wordt geformuleerd in termen van: Dagondersteuning: ondersteuning die gedurende de dag wordt geboden. De geleverde ondersteuning is moeilijk tot niet individueel planbaar en/of toewijsbaar. De ondersteuning heeft per definitie voor een deel een niet-instrumenteel karakter en bestaat uit begeleiding en permanentie. Woonondersteuning: ondersteuning die tot doel heeft de persoon met een handicap tijdens de week te ondersteunen bij het wonen. De geleverde uren ondersteuning zijn moeilijk tot niet individueel planbaar en/of toewijsbaar. De ondersteuning heeft per definitie voor een deel een niet-instrumenteel karakter en bestaat uit begeleiding en permanentie. Individuele ondersteuning wat kan bestaan uit individuele psychosociale begeleiding, individuele praktische hulp, globale individuele ondersteuning, oproepbare permanentie o o o o Individuele psychosociale begeleiding: één-op-één begeleiding die tot doel heeft de persoon met een handicap te ondersteunen in zijn dagbesteding of wonen. Individuele praktische hulp: ondersteuning bij algemeen dagelijkse activiteiten van het leven in een één-op-één relatie. Individueel praktische hulp is hoofdzakelijk instrumenteel van aard. Globale individuele ondersteuning: combinatie van individuele begeleiding en praktische hulp. Oproepbare permanentie: beschikbaarheid van de begeleiding om na oproep binnen een bepaalde tijd niet-planbare één-op-één ondersteuning aan te bieden. Om het ondersteuningsplan te kunnen realiseren zijn de functies ondersteuning bij mobiliteit en huisvesting en beschikken over de nodige hulpmiddelen belangrijke randvoorwaarden: Mobiliteit: ondersteuning bij het zich verplaatsen met een al of niet aangepast vervoermiddel. Hulpmiddelen en aanpassingen. 5 van 18
Huisvesting: beschikken over een aangepaste woning, afgestemd op de specifieke noden van de persoon met handicap. Voor de laatste functie zal bekeken moeten worden of, en in welke mate, het VAPH hier een opdracht heeft. De dagondersteuning en woonondersteuning worden uitgedrukt in dagdelen per week. Individuele ondersteuning wordt uitgedrukt in uren per week (zie tabel 1). De verschillende ondersteuningsfuncties met respectievelijke eenheden zijn schematisch terug te vinden in onderstaande tabel 1. Resultaat Ondersteuningsplan - vraagstelling aan VAPH Typering ondersteuning dagondersteuning Eenheid [dagdelen/week] woonondersteuning individuele ondersteuning individuele psychosociale begeleiding individuele praktische hulp globale individuele ondersteuning Oproepbare permanentie [dagdelen/week] [uren/week] [uren/week] [uren/week] [ja/neen] Tabel 1. Output ondersteuningsplan: ondersteuningsfuncties. Het verhelderen van de vraag en het opstellen van een ondersteuningsplan kan opgenomen worden door: - de aanvrager zelf - een dienst ondersteuningsplan (DOP) - een andere instantie (bv. een Dienst Maatschappelijk Werk, een CAW ) De aanvrager kan kiezen of en door wie hij zich laat bijstaan bij het opstellen van een ondersteuningsplan. In het kader van functiescheiding zal het VAPH erover waken dat het opstellen van het ondersteuningsplan en het objectiveren van de ondersteuningsnood door twee aparte personen worden opgenomen (het betreft hier dus twee aparte functies). Het BVR mbt de DOP s moet op korte termijn herbekeken worden zodat alle personen die een ondersteuningsplan wensen op te stellen met de hulp van een DOP én alle personen die verplicht doorverwezen worden naar een DOP omwille van onvoldoende kwaliteit van een eerder opgesteld ondersteuningsplan- hier ook werkelijk terecht kunnen. Tegelijkertijd moet voorzien worden in een voldoende capaciteit voor de DOP s zodat een scherpe doorlooptijd kan gerealiseerd worden. Dit impliceert een aanpassing van het BVR mbt de programmatie van de DOP s. 6 van 18
2.1.2 Objectiveren van de ondersteuningsnood Het doel van de fase van het objectiveren van de ondersteuningsnood is het in kaart brengen van de needs. Om een PVB toegekend te krijgen is er altijd een objectivering nodig. Om in aanmerking te komen voor de toekenning van een budget trap 2 moet - aangetoond worden dat de vastgestelde nood aan door het VAPH gefinancierde zorg en ondersteuning de duur, intensiteit en frequentie van de rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning overschrijdt (decreet persoonsvolgende financiering); - deze nood aan ondersteuning geobjectiveerd worden; - en als de nood aan zorg en ondersteuning een door de Vlaamse Regering vastgestelde grens overschrijdt, moet de nood aan zorg en ondersteuning bijkomend met een instrument voor de inschaling van de zorgzwaarte vastgesteld worden. De verwijzing naar de afbakening ten opzichte van de rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning (RTH) impliceert wel dat een voldoende aanbod RTH beschikbaar is. Vanuit de werkgroep vaststellen ondersteuningsvraag werd berekend dat de bovengrens RTH mits mogelijkheid tot flexibele inzet ervan, los van de onderscheiden soorten RTH die we vandaag kennenligt op een budget van ongeveer 6.700. Er wordt gesuggereerd om het huidige systeem RTH te evalueren, om eventueel een flexibeler inzet dan vandaag toe te laten (bijvoorbeeld het maximale puntenpakket van RTH soepel inzetten over de verschillende functies) en eventueel uit te breiden (zodat de druk op trap 2 nog verder verminderd zou kunnen worden). In deze fase voert een door het VAPH of de Intersectorale Toegangspoort erkend MDT een multidisciplinair onderzoek uit dat resulteert in een multidisciplinair verslag (MDV). Het MDV bevat in de eerste plaats informatie die toelaat de handicap vast te stellen: - informatie mbt de stoornis, - informatie mbt de aanwezigheid van beperkingen op de levensdomeinen, - informatie mbt de aanwezigheid van maatschappelijke participatieproblemen, - én informatie die de ernst en langdurigheid van de stoornis, de beperkingen en de participatieproblemen aantoont. Het MDT formuleert een advies m.b.t. het al dan niet erkennen van handicap. Dit advies wordt beoordeeld door het VAPH (zie 2.1.3.2). Het MDT verzamelt vervolgens informatie die toelaat de ondersteuningsnood te objectiveren. Deze objectivering kan gebeuren aan de hand van een beschrijving of aan de hand van instrumenten (bv. zorgzwaarte-instrument). De verantwoordelijkheid voor de objectivering van de ondersteuningsnood ligt ten volle bij het door het VAPH erkende MDT. De MDT s beschikken over de professionaliteit en deskundigheid om deze taak op zich te nemen en dienen te voldoen aan vooropgestelde kwaliteitseisen. Dit impliceert bijvoorbeeld het volgen van door het VAPH opgestelde protocollen en het gebruiken van de hiertoe ter beschikking gestelde instrumenten. Bij de objectivering van de ondersteuningsnood kan er een onderscheid gemaakt worden tussen de objectivering van de vraag naar (1) woonondersteuning, (2) dagondersteuning en (3) individuele ondersteuning. Voor de vraag naar dagondersteuning dient geobjectiveerd te worden dat er dagelijks ondersteuning nodig is. De objectivering van de vraag naar dagondersteuning kan op verschillende manieren gebeuren, aan de hand van een beschrijvende motivering ( waarom is dagondersteuning nodig? ) of aan de hand van het zorgzwaarte-instrument. De wijze van objectivering is afhankelijk van hoe intensief er ondersteuning nodig is. Wanneer het MDT oordeelt dat er indicaties zijn voor nood aan intensieve dagelijkse ondersteuning gebeurt de objectivering aan de hand van het ZZI. Wanneer er voor het MDT geen indicaties zijn dat er nood is aan intensieve dagelijkse ondersteuning volstaat een beschrijvende objectivering. 7 van 18
De wijze van objectivering voor de vraag naar dagondersteuning is hieronder nog eens schematisch weergegeven. Vraag naar dagondersteuning Zijn er indicaties voor dagelijkse ondersteuningsnood? Neen Ja Geen verdere objectivering Zijn er indicaties voor nood aan intensieve dagondersteuning? Neen Ja Objectivering: beschrijvend Objectivering: ZZI Figuur 2. Wijze van objectivering voor de vraag naar dagondersteuning. Voor wat betreft de vraag naar woonondersteuning dient er, net zoals voor de vraag naar dagondersteuning, geobjectiveerd te worden dat er een dagelijkse ondersteuningsnood is. Daar bovenop dient er eveneens geobjectiveerd te worden dat er nood is aan continue permanentie. De objectivering voor de vraag naar woonondersteuning gebeurt steeds aan de hand van het ZZI (zie onderstaande figuur). Vraag naar woonondersteuning neen Zijn er indicaties voor nood aan dagelijkse ondersteuning én continue permanentie? Ja Geen verdere objectivering Objectivering: ZZI 8 van 18
Figuur 3. Wijze van objectivering voor de vraag naar woonondersteuning. Voor de vraag naar individuele ondersteuning verschilt de wijze van objectivering naargelang hoe intensief er individuele ondersteuning nodig is (zie figuur 4). Wanneer het MDT oordeelt dat er geen intensieve individuele ondersteuning nodig is volstaat een beperkte beschrijvende motivering. In geval van nood aan intensieve individuele ondersteuning wordt een omvangrijkere motivering verwacht, wat beschrijvend kan gebeuren of aan de hand van de afname van instrumenten 2. Wanneer er bijkomend ook indicaties zijn dat er nood is aan continue permanentie dient de objectivering te gebeuren aan de hand van de afname van het ZZI. Vraag naar individuele ondersteuning Zijn er indicaties voor nood aan individuele ondersteuning? Neen Ja Geen verdere objectivering Zijn er indicaties voor nood aan intensieve individuele ondersteuning? Ja Neen Beperkte objectivering: beschrijvend Zijn er indicaties voor nood aan continue permanentie? Neen Ja Omvangrijke objectivering (beschrijvend, instrumenten) Objectivering: ZZI Figuur 4. Wijze van objectivering voor de vraag naar individuele ondersteuning. 2 Er zullen voor de MDT s richtlijnen worden uitgewerkt waarbij aangegeven wordt wanneer het bijvoorbeeld aangewezen kan zijn om een bepaald instrument te gaan afnemen. 9 van 18
2.1.3 Beoordeling van de informatie door het VAPH Noot vooraf: Onderstaande uitwerking betreft voorlopig enkel meerderjarige personen met een handicap. Voor minderjarige personen dienen de processen van de Intersectorale Toegangspoort te worden gevolgd. 2.1.3.1 Ondersteuningsplan Het VAPH ontvangt het ondersteuningsplan, wat de vraag van de persoon bevat: Dagondersteuning, uitgedrukt in dagdelen per week Woonondersteuning, uitgedrukt in dagdelen per week Individuele ondersteuning, uitgedrukt als o Uren individuele psychosociale begeleiding per week Uren praktische hulp per week o Uren globale intensieve ondersteuning per week o Al dan niet oproepbare permanentie Het VAPH checkt het ondersteuningsplan op volledigheid en vraagt indien nodig de ontbrekende informatie op. Indien het ondersteuningsplan opgesteld is door een DOP, aanvaardt het VAPH de gestelde vraag. Indien het ondersteuningsplan niet is opgesteld door een DOP, voert het VAPH een kwaliteitscontrole uit m.b.t. de wijze waarop het ondersteuningsplan tot stand is gekomen. Met behulp van kwaliteitsindicatoren wordt nagegaan of het ondersteuningsplan tot stand kwam via een proces waarbij de 5 concentrische cirkels van ondersteuning werden doorlopen. Beoordeelt het VAPH de kwaliteitscontrole als onvoldoende, dan wordt de persoon gevraagd om naar een DOP te gaan en een nieuw ondersteuningsplan te laten opstellen/ het ondersteuningsplan te laten bijstellen. Opdat ook andere organisaties aan de vooropgestelde kwaliteitsindicatoren kunnen voldoen, wordt voorzien in een opleidings- of begeleidingstraject. De kwaliteitsindicatoren worden onder de vorm van richtlijnen ook ter beschikking gesteld van personen met een handicap die zelf een ondersteuningsplan willen opstellen. Bij goede beoordelingen door individuele andere organisaties dan de DOP s kunnen deze organisaties na verloop van tijd een gelijkaardig statuut toegekend krijgen zoals de DOP (motiverende werking). 2.1.3.2 Objectivering van de ondersteuningsnood Het VAPH ontvangt (de synthese van) het MDV met enerzijds het advies van het MDT omtrent de handicap en anderzijds de objectivering van de ondersteuningsnood en de zorgzwaarte. M.b.t. handicap beoordeelt het VAPH het advies van het MDT. De dossiers waarbij er een negatief advies werd geformuleerd of waarbij het VAPH twijfels heeft bij het geformuleerde advies worden voorgelegd aan de PEC. Op termijn evolueren we naar gemachtigde indicatiestelling. Het VAPH aanvaardt de objectivering van de ondersteuningsnood en de zorgzwaarte zoals bepaald door het MDT. Deze objectivering wordt verder niet in vraag gesteld. Er wordt voorzien in steekproefsgewijze ex post controles waarbij maatregelen genomen kunnen worden wanneer er teveel afwijkingen van de vooropgestelde normen worden vastgesteld. 10 van 18
2.1.4 Budgetbepaling 2.1.4.1 Bepalen van de budgethoogte o.b.v. zorggebonden punten De budgetcategorie wordt bepaald aan de hand van een eenvoudig algoritme. Er wordt rekening gehouden met de gevraagde frequentie van ondersteuning (bv. 5 dagen dagondersteuning, 3u individuele praktische hulp per week) en elementen van zorggradatie.er wordt gezorgd voor voldoende ruime budgetcategorieën (brede range tussen minimale en maximale score binnen de budgetcategorie) en voldoende differentiatie tussen de categorieën. Belangrijk is dat de vooropgestelde budgetcategorieën voldoende middelen genereren om er de benodigde ondersteuning mee te kunnen realiseren (zowel bij het zelf aanwerven van assistenten als bij inkoop bij vergunde zorgaanbieder) en dat de macro-budgettaire kost niet hoger ligt dan het huidige budget van zorg en ondersteuning (ZIN) en PAB. 2.1.4.2 Impact van keuze cash/ voucher op de budgethoogte De budgethouder aan wie een PVB trap 2 werd toegekend, kan kiezen hoe hij zijn budget wil inzetten: als cash en/of als voucher. Voor elke categorie dient bepaald te worden hoeveel personeelspunten of euro s. Om budgetten in de cash-formule in euro s te kunnen uitdrukken, zal een omslagsleutel of rekensleutel moeten bepaald worden die zegt hoe men personeelspunten kan omzetten in euro s. Het VAPH zal op een eenduidige wijze communiceren over de wijze waarop de waarde van een personeelspunt wordt berekend. 2.1.4.3 Onderscheid zorggebonden en organisatiegebonden punten De memorie van toelichting bij het decreet PVF verduidelijkt wat precies verstaan moet worden onder zorggebonden en organisatiegebonden personeelspunten. Zorggebonden punten betreffen de (personele) middelen, noodzakelijk om de zorg en ondersteuning ten aanzien van de individuele persoon met een handicap te kunnen invullen, overeenkomstig het individuele ondersteuningsplan en de objectief vastgestelde zorgzwaarte. Bij organisatiegebonden punten gaat het over de middelen die de aanbieder van zorg en ondersteuning nodig heeft om ten aanzien van de collectiviteit van de zorgvragers zo efficiënt mogelijk te kunnen organiseren. Voor de bepaling van het totale budget wordt er een onderscheid gemaakt tussen de situatie waarbij de persoon met een handicap een relatie aangaat met een door het VAPH vergunde zorgaanbieder en de situatie waarbij de persoon met een handicap zelf de zorg organiseert zonder beroep te doen op een vergunde zorgaanbieder. Wanneer de persoon met een handicap beroep doet op een door het VAPH vergunde zorgaanbieder ontvangt de vergunde zorgaanbieder bovenop de zorggebonden middelen een welbepaald percentage (van de toegekende personeelspunten) organisatiegebonden middelen. De organisatiegebonden financiële middelen moeten de vergunde zorgaanbieders in staat stellen om te voldoen aan de verplichtingen (vanuit verschillende overheidswetgeving) in het kader van de toegekende vergunning 3. De extra toegekende middelen stellen de vergunde zorgaanbieders in staat om aan de personen met een handicap duidelijk welbepaalde kwaliteitsgaranties te bieden. Personen met een handicap die de zorg en ondersteuning cash organiseren zonder inkoop bij een vergunde zorgaanbieder ontvangen bovenop de toegekende zorggebonden middelen eveneens een bepaald percentage financiële middelen voor de administratieve regeling en opvolging van hun budget. Het betreft hier een lager percentage financiële middelen dan het percentage 3 De vergunningscriteria dienen verder te worden uitgewerkt. 11 van 18
organisatiegebonden middelen die de vergunde zorgaanbieders bovenop de zorggebonden middelen ontvangen. De hoogte van het percentage organisatiegebonden middelen en het percentage beheersmiddelen dient nog te worden bepaald. 2.1.5 Toekennen van een PVB Het VAPH brengt de PmH en zijn gezin op de hoogte van de genomen beslissing. De beslissingsbrief vermeldt: - Of de persoon erkend wordt als persoon met een handicap; - Of de persoon recht heeft op een persoonsvolgend budget trap 2; - Tot welke prioriteitengroep de persoon met een handicap behoort (zie 2.6); - Bij toekenning van een PVB trap 2 vermeldt de beslissing ook de budgethoogte. De persoon wordt geïnformeerd over: - de mogelijkheid om in beroep te gaan tegen de beslissing; - (na verloop van tijd) een herziening aan te vragen van de toegekende budgetcategorie en de voorwaarden waaronder dat kan gebeuren; - de keuze tussen cash en/of voucher en de periode waarbinnen hij met het PVB aan de slag dient te gaan. Indien er problemen zijn om een gepast aanbod te vinden kan zorgbemiddeling ingeschakeld worden. 2.1.6 Verhaalmogelijkheden Voor elk van de beslissingen die het VAPH neemt, wordt een verhaalmogelijkheid voorzien: - Beoordelen kwaliteit ondersteuningsplan - Erkennen handicap, vaststellen en objectiveren ondersteuningsnood, bepalen budgethoogte - Prioriteitsbepaling Na het nemen van een VAPH-beslissing en de budgetbepaling kan de aanvrager de inschrijfbaarheid en/ of de ondersteuningsfuncties waarvoor een budget zal worden toegekend en/ of de hoogte van het toegekende budget betwisten. In die gevallen wordt voorzien in de HOCberoepsprocedure, en daarna kan de aanvrager nog de beroepsprocedure bij de arbeidsrechtbank doorlopen. Tot slot kan de persoon met handicap ook na de fase van prioritering in beroep gaan. Hiervoor wordt een interne beroepsprocedure uitgewerkt. Daarna kan de persoon met handicap naar de Raad van State voor hoger beroep. Het is van sterk belang om voor elke beslissing te beschikken over duidelijke, objectieve criteria op basis waarvan de beslissing werd genomen. 2.1.7 Herevaluatie van de budgetcategorie Herevaluatie dient voorzien te worden op scharniermomenten. Bij de overgang van zorg en ondersteuning voor minderjarigen naar zorg en ondersteuning voor meerderjarigen is een herevaluatie verplicht. Herevaluatie kan op initiatief van de PmH en zijn netwerk op basis van een significante wijziging in de situatie. Herevaluatie is tevens aan de orde wanneer een tijdelijke beslissing werd genomen mbt de erkenning van handicap en/of het toekennen van een budgetcategorie PVB trap 2. 12 van 18
2.1.8 Keuze tussen cash en/ of voucher De PmH moet zijn keuze voor cash/voucher of een combinatie van beide pas maken nadat hij een positieve beslissing heeft gekregen van het VAPH en zicht heeft op de hoogte van het budget (de budgetcategorie)waarop hij recht heeft. 2.1.9 Opstart De budgethouder krijgt 6 maanden tijd om een keuze te maken en effectief van start te gaan met het toegekende PVB. Dit zou betrokkene en zijn gezin voldoende tijd moeten geven om uit te zoeken welke mogelijkheden het budget biedt en welke beperkingen het inhoudt. 13 van 18
2.2 Inzetten van een persoonsvolgend budget 2.2.1 Besteding van het PVB 2.2.1.1 Besteding cash-budget De hoogte van de cash-budgetten wordt vastgesteld op basis van een kalenderjaar. Indexatie wordt voorzien. De bestedingsmogelijkheden van het cashbudget zijn vergelijkbaar met deze van het huidige PAB en PGB. Met een PVB cashformule, zal het bijgevolg mogelijk zijn om dezelfde ondersteuning in te kopen als met een PAB of PGB. We gebruiken de ervaringen en inzichten die hierover de voorbije jaren werden opgedaan om, in overleg met gebruikers, budgethoudersverenigingen, beleid en administratie, te optimaliseren en bij te sturen waar nodig en wenselijk. De richtlijnen voor de besteding van het PVB worden gebaseerd op de richtlijnen PGB en PAB, die worden omgevormd conform de principes van PVF. Met een PVB zal het mogelijk zijn om de kosten te vergoeden die voortvloeien uit overeenkomsten die worden afgesloten met persoonlijke assistenten, interimkantoren, zelfstandigen, diensten die met PWA- of dienstencheques werken, zelfstandigen, organisaties die vrijwilligers ter beschikking stellen, reguliere diensten (remgelden) en door het VAPH vergunde zorgaanbieders. Daarnaast kunnen ook vervoerskosten worden vergoed en andere kosten die budgethouders bijkomend hebben ten gevolge van hun budgethouderschap bv. treinticket van persoonlijke assistent voor verplaatsingen tijdens de werkuren, bankkosten van de aparte rekening, telefoonkosten, (cf. indirecte kosten). Voor een beperkt soepel inzetbaar gedeelte van het PVB (vergelijkbaar met bedrag van BOB op jaarbasis) hoeft slechts minimale verantwoording te worden afgelegd. Hiermee willen we continuïteit garanderen in de overgang van trap1 naar trap 2. Aandachtspunt bij de besteding vormen de inspanningen die mensen leveren om te steunen op de binnenste cirkels (bv. ondersteuning lange tijd hoofdzakelijk opgenomen door het sociaal netwerk). Meer concreet is een scenario denkbaar waarbij incentives worden ingebouwd om personen die langdurig meer dan gebruikelijke en vrijwillige zorg en ondersteuning opnemen, te erkennen en aan te moedigen. Een incentive zou kunnen zijn om naargelang de hoeveelheid georganiseerde ondersteuning in cirkels 2, 3 en 4 het soepel inzetbaar bedrag van cirkel 5 te verhogen. Dit betekent dat de beleidsmakers de nodige inspanningen dienen te leveren zodat aan de persoon met een handicap gegarandeerd kan worden dat, op het ogenblik dat de draagkracht van de binnenste cirkels overschreden wordt, er naadloos overgeschakeld kan worden naar (aanvullende en faciliterende) VAPH-specifieke zorg en ondersteuning uit cirkel 5. 2.2.1.2 Ondersteuning bij door het VAPH vergunde zorgaanbieders Wanneer er door de budgethouder beroep wordt gedaan op een door het VAPH vergunde zorgaanbieder, wordt een contract opgesteld dat door beide partijen wordt ondertekend. De overeenkomst dient te worden opgesteld in een taal die voor alle partijen begrijpelijk is, en moet de juridisch en administratief noodzakelijke elementen bevatten. Er zullen door de overheid minimale voorwaarden worden opgelegd waaraan het contract dient te voldoen. Het gaat hier bijvoorbeeld over het verplicht opnemen van: - de geboden ondersteuningsfunctie met vermelding van de intensiteit, frequentie en prijs/ personeelspunten - de inhoud van de ondersteuning - de termijn van het contract, opzegtermijnen en redenen van beëindiging - de wijze waarop de overeenkomst gewijzigd of stopgezet kan worden - beroepsmogelijkheden - geschillenregeling - regelingen en/ of sanctionering indien de budgethouder zijn betalingsverplichtingen niet nakomt 14 van 18
- betaalwijze - Naast de minimale voorwaarden kan men ook bijzondere voorwaarden (bv. klachtenprocedure met meldpunt) vermelden, die in bijlage bij het contract worden opgenomen. Het contract met bijlagen vervangt dan de bestaande protocollen, charters, Er wordt een modelovereenkomst opgesteld die als leidraad kan worden gebruikt. De kerngegevens van het opgestelde contract worden overgemaakt aan het VAPH. Indien de budgethouder de voorziening cash vergoedt, is hij zelf verantwoordelijk om het VAPH de nodige gegevens te bezorgen. Als er voor een voucher wordt geopteerd, zal de zorgaanbieder dit voor haar rekening nemen. De budgethouders kunnen zich bij het onderhandelen van het contract laten begeleiden. Er dient een systeem te worden ontwikkeld dat garandeert dat zorgaanbieders niet geconfronteerd kunnen worden met ontoereikende saldi van budgethouders die zich bij hen aanmelden. 2.2.2 Combinatie cash en voucher Binnen de grenzen van de toegekende budgetcategorie zijn er geen beperkingen in combinatiemogelijkheden cash en voucher. Indien de persoon met een handicap dit wenst, zal het mogelijk zijn om binnen een beperkte tijd en met een minimale administratieve inspanning over te stappen tussen cash en voucher of de verhouding tussen beide te wijzigen. Hierbij is het belangrijk om budgethouders correct en transparant te informeren over de mogelijke impact van dergelijke wijzigingen op de ondersteuning die in de feiten gerealiseerd zal kunnen worden. 2.3 Budgetverantwoording Het VAPH controleert niet op detailniveau of het ingediende ondersteuningsplan ook effectief gerealiseerd wordt zoals vooropgesteld bij de opmaak ervan. Er dient verantwoording te worden afgelegd over de inzet van de toegekende financiële middelen, met aandacht voor de administratieve last en beheerskost voor alle betrokkenen. Indien wenselijk kunnen begeleidende maatregelen worden opgenomen om te waarborgen dat het PVB adequaat wordt gebruikt namelijk voor het organiseren van de ondersteuning en zorg die in kaart werd gebracht, om zo de kwaliteit van leven van de persoon met een handicap te vergroten. 2.3.1 Verantwoording door de persoon met een handicap in cash-formule Bij het cashbudget legt de persoon met een handicap verantwoording af over de besteding. Deze verantwoording gebeurt aan de hand van de loonkosten van de persoonlijke assistenten, onkostennota s en facturen van ingehuurde diensten en organisaties. De huidige richtlijnen m.b.t. de verantwoording van PAB en PGB worden als vertrekbasis genomen en waar mogelijk vereenvoudigd. Naar administratieve vereenvoudiging toe worden er door het VAPH steekproefsgewijs gerichte controles uitgevoerd. Bij het inkopen van zorg en ondersteuning met cash bij een door het VAPH vergunde zorgaanbieder dient men ter verantwoording de overeenkomst in die werd afgesloten tussen de zorgaanbieder en de budgethouder. Indien men cash betaalt, is de budgethouder zelf verantwoordelijk voor de verantwoording. 2.3.2 Verantwoording door VAPH vergunde zorgaanbieder bij voucher Bij het inkopen van zorg bij een door het VAPH vergunde zorgaanbieder met een voucher, legt de zorgaanbieder verantwoording af over de inzet van de middelen. 15 van 18
De zorgaanbieder verantwoordt aan de individuele budgethouder, op een eenvoudige, transparante en eenduidige wijze, hoe de middelen vanuit het PVB besteed worden om zijn ondersteuning te realiseren. Aan het VAPH wordt verantwoording afgelegd op basis van de totaliteit van de overeenkomsten met personen met een handicap. In de overeenkomsten staan de geboden ondersteuningsfuncties met frequentie en intensiteit. De budgethouder kan hierop controle uitoefenen en klacht indienen wanneer de aanbieder zich niet aan de afspraken houdt. In de overeenkomst moet ook de mogelijkheid opgenomen worden om de overeenkomst te beëindigen als één van de partijen zich niet aan de afspraken houdt. De voorziening houdt voor zichzelf een registratie bij van de gerealiseerde ondersteuningsfuncties. De zorgaanbieder verantwoordt op het niveau van de totaliteit van de organisatie de besteding van de organisatiegebonden middelen. Deze middelen kunnen worden ingezet via personeelspunten of kunnen worden omgezet in cash. 2.4 Bijstand aan budgethouders Voor de besteding van het cashbudget, de aanwending van de voucher, de organisatie van de zorg en ondersteuning, de onderhandelingen met zorgaanbieders en het opnemen van de rol als werkgever kunnen budgethouders zich laten bijstaan door een bijstandsorganisatie die daarvoor een vergunning heeft gekregen van het VAPH. Vandaag zijn er twee erkende budgethoudersverenigingen die hoofdzakelijk personen met een PAB bijstaan in hun rol als budgethouder. Met de invoering van de persoonsvolgende financiering wordt de potentiële groep budgethouders veel ruimer dan vandaag, en worden de mogelijkheden qua inzet van budget veel uitgebreider. De invulling van budgethoudersvereniging evenals de wijze waarop deze organisaties vergoed zullen worden, dient verder bekeken te worden. De nieuwe/vernieuwde budgethoudersverenigingen moeten voldoen aan vooropgestelde kwaliteitseisen en kunnen geïnspecteerd worden vanuit IVA Zorginspectie. 2.5 Organisatie van het nieuwe financieringssysteem 2.5.1 Vergunnen van zorgaanbieders Het VAPH vergunt organisaties die zorg en ondersteuning wensen te leveren aan personen met een handicap. Een vergunning kan enkel afgeleverd worden mits engagement van de zorgaanbieder: - om de door het VAPH opgelegde kwaliteitsvoorwaarden (kwaliteit van dienstverlening, kwaliteit van zorg en ondersteuning, kwaliteit van bestaan) na te leven; - om verantwoording af te leggen aan het VAPH m.b.t. de ter beschikking gestelde middelen via de voucher; - om verantwoording af te leggen aan de individuele budgethouder m.b.t. de gerealiseerde zorg en ondersteuning en de kostprijs ervan. De juridische persoonlijkheid van een vergunde zorgaanbieder is deze van een organisatie met sociaal oogmerk (cvba) of een vereniging zonder winstoogmerk. 4 2.5.2 Inzet van zorggebonden en organisatiegebonden kosten Met de zorggebonden punten of het budget dat hier tegenover staat, moet de directe en handicapspecifieke zorg en ondersteuning gerealiseerd en gefinancierd worden, alsook de organisatie en coördinatie van deze zorg en ondersteuning (indirecte zorg). 4Vanuit de juridische dienst wordt gecheckt of de uitsluiting van commerciële organisaties voor de voucher conform de Europese regelgeving is. 16 van 18
Met de organisatiegebonden punten worden middelen gegenereerd die ingezet kunnen worden om opdrachten te vervullen in functie van de organisatie. We denken hierbij aan logistiek personeel (dat niet ingezet wordt i.f.v. de directe zorg en ondersteuning van de personen met een handicap), administratief personeel en directie. Organisatiegebonden punten kunnen omgezet worden in/aangewend worden als werkingsmiddelen. Wanneer de persoon met een handicap kiest voor een contract met een door het VAPH vergunde zorgaanbieder bepaalt het VAPH, op basis van de inhoud van het contract, de zorggebonden en organisatiegebonden kosten die de voucher genereert. De organisatiegebonden middelen worden rechtstreeks ter beschikking gesteld aan de zorgaanbieder, onafhankelijk van het feit of de ondersteuning cash of met voucher wordt vergoed. De door het VAPH vergunde zorgaanbieders houden via het vernieuwde personeelsregistratiesysteem bij welke personeelsleden ze tewerk stellen (gegevens m.b.t. functie, anciënniteit, tewerkstellingsbreuk, ). Wanneer de persoon met een handicap kiest voor de cashformule worden de toegekende middelen (in euro s) conform het systeem van werkkapitaal op een aparte rekening ter beschikking gesteld van de budgethouder. Combinaties van bovenstaande formules zijn mogelijk. 2.5.3 Eigen bijdrage regeling/woon- en leefkosten Binnen PVF wordt het basisprincipe gehanteerd dat de meerderjarige persoon met een handicap zelf instaat voor de woon- en leefkosten. Er dient bekeken te worden of dit financieel haalbaar is. In realiteit beschikken een aantal personen met een handicap mogelijk over onvoldoende middelen om de woon- en leefkosten zelf te betalen 5. Het VAPH is niet verantwoordelijk voor de compensatie van het tekort aan inkomen van personen met een handicap. Bij het invoeren van PVF zullen er zowel vanuit de cliënt als de vergunde zorgaanbieders een aantal randvoorwaarden en overgangsmaatregelen geformuleerd moeten worden. 2.5.4 Inbouwen van kwaliteitsgaranties In de organisatie van de zorg en ondersteuning voor personen met een handicap moeten er kwaliteitsgaranties ingebouwd worden. Een geactualiseerd kwaliteitskader, toegepast op de gewijzigde context naar aanleiding van de invoering van PVF, zal moeten worden uitgewerkt. 2.6 Prioritering Binnen de bestaande schaarste zal prioritering in de overgangsfase naar persoonsvolgende financiering een belangrijke taak blijven. In onderstaand voorstel wordt de procedure voor prioriteitstelling afgestemd op het huidig uitgewerkte voorstel/proces voor de toekenning van het PVB (zie figuur 1). In het proces tot het toekennen van een PVB gebeurt er zowel in de fase van vraagverheldering als in de fase van objectivering een prioriteitsbeoordeling. Tijdens de fase van vraagverheldering wordt er naast het in kaart brengen van de gevraagde ondersteuning een inschatting gemaakt van de prioriteit. De persoon (al dan niet bijgestaan door een DOP of andere dienst) schat in hoe prioritair zijn vraag is. Om deze inschatting goed te kunnen uitvoeren zal er een vragenlijst/checklist ter beschikking worden gesteld. 5Dit is mee afhankelijk van de hoogte van de Inkomensvervangende Tegemoetkoming en Integratietegemoetkoming zoals vastgesteld door de FOD Sociale Zekerheid. 17 van 18
Ook in de fase van objectivering wordt er door het MDT een inschatting gemaakt van de prioriteit van de nood aan zorg en ondersteuning. Aan de hand van een door het VAPH opgestelde vragenlijst (cfr checklist zorgregie) geeft het MDT een beoordeling van de onderscheiden criteria van prioriteit (zoals bijvoorbeeld draagkracht van het netwerk, kloof tussen de huidige ondersteuning en de noodzakelijke ondersteuning). Conform het eerder geformuleerde basisprincipe van vertrouwen in de deskundigheid en ervaring van de MDT s wordt de beoordeling van de criteria zoals aangeleverd door het MDT niet in vraag gesteld. Let wel: het MDT doet geen uitspraak over de prioriteitengroep (1,2,3) waartoe de persoon met een handicap zou kunnen behoren. Dit vereist een onderlinge afweging van de dossiers t.o.v. elkaar door de regionale prioriteitencommissie (RPC). Als laatste stap in het proces wordt de prioriteitsbeoordeling van het MDT dus voorgelegd aan de RPC. De RPC weegt de dossiers af ten opzichte van elkaar. Op basis van de intersubjectieve beoordeling gebeurt er een opdeling van de dossiers in drie prioriteitengroepen. Personen met een handicap in prioriteitengroep 1 dienen steeds vlot een PVB te krijgen, voor prioriteitengroep 2 wordt gestreefd naar een opstart na middellange termijn, voor prioriteitengroep 3 op langere termijn. 2.7 Stapsgewijze invoering Zie projectplan 18 van 18