Servicedocument Basisexamen Infrastructuur Datum: oktober 2013 Alle rechten voorbehouden Niets uit deze uitgave mag worden openbaar gemaakt of verveelvoudigd, opgeslagen in een dataverwerkend systeem of uitgezonden in enige vorm door middel van druk, fotokopie of welke andere vorm dan ook zonder toestemming van Associatie/Exin. Associatie/Exin, 2013 p. 1 van 14
INHOUD 1. Leeswijzer... 3 2. Beschrijving van het examen... 5 Naam examen... 5 Inleiding... 5 Plaats in het iea raamwerk... 5 Globale inhoud... 5 Doelgroep... 5 Voorkennis/niveau... 5 Vervolg... 6 Competenties... 6 Toetsvorm... 6 Indicatie studielast... 6 3. Examenspecificaties... 7 Examenonderwerpen... 7 Eindtermen en examenspecificaties... 7 Toelichting op eindtermen en examenspecificaties... 10 4. Bronnen... 12 Boeken... 12 Artikelen... 12 Samenhang bronnen en eindtermen... 12 5. Toetsmatrijs... 13 Examengegevens... 13 Matrijs... 13 Bijlagen: - Gebruikte termen volgens de gereviseerde versie van Bloom Associatie/Exin, 2013 p. 2 van 14
1. Leeswijzer Elk examen heeft een servicedocument. Een servicedocument beschrijft welke onderwerpen worden getoetst en op welke wijze het examen is opgebouwd. Het document biedt daarmee voor opleiders een handvat bij de voorbereiding van haar studenten op het examen. Voor studenten is een apart voorbereidingsdocument beschikbaar. Het servicedocument bevat de volgende onderwerpen: een beschrijving van het examen; een overzicht van de onderwerpen en een beschrijving van de exameneisen en specificaties; de onderliggende bronnen; de toetsmatrijs. Beschrijving van het examen In de beschrijving van het examen komen aan de orde: Inleiding; Plaats in het iea raamwerk: de plaats van het examen in het iea raamwerk en de relevantie van het examen in de beroepspraktijk; Globale inhoud: een korte beschrijving van de onderwerpen waaruit het examen bestaat; Doelgroep: voor wie het examen is bedoeld; Voorkennis: welke kennis vooraf als bekend wordt verondersteld; Vervolg: welk examen kan aansluitend op dit examen gedaan worden; Competenties: welke competenties worden getoetst bij dit examen. Dit zal plaatsvinden aan de hand van het Europese Competence Framework (e-cf); Toetsvorm: met welk type vragen de toetsing plaatsvindt; Studielast: een indicatie van het aantal studiebelastingsuren. Examenspecificaties In dit hoofdstuk worden de onderwerpen, eindtermen en de nadere examenspecificaties weergegeven. Het examen is geconcentreerd rondom een aantal hoofdonderwerpen. Deze worden vervolgens vertaald in eindtermen c.q. exameneisen. De eindtermen geven op hoofdlijnen aan wat een kandidaat moet kennen en kunnen. De examenspecificaties zijn een gedetailleerde beschrijving van deze termen. Gebruikmakend van de taxonomie van Bloom zijn er drie soorten specificaties: 1. specificaties waarbij een kandidaat iets moet kennen met als doel zaken te reproduceren, op te sommen, te beschrijven, te herkennen, verbanden te leggen en/of te definiëren. Dit leidt tot kennisvragen. 2. specificaties waarbij een kandidaat inzicht dient te hebben in zaken met als doel te selecteren en samen te vatten, te verklaren, te onderbouwen, uit te leggen (in eigen woorden), verschillen te duiden en/of voorbeelden te geven. Dit leidt tot begripsvragen. 3. specificaties waarbij een kandidaat zaken toe moet kunnen passen met als doel oplossingen voor te stellen, een situatie met kennis van zaken aan te pakken, een test uit te voeren en/of concrete gevallen te toetsen aan abstracte definities. Dit leidt tot toepassingsvragen. Bronnen In het bronnenoverzicht worden de bronnen opgesomd die geacht worden bekend te zijn bij het examen. Hiermee wordt wederom een nadere specificatie van de onderwerpen aangebracht. Per exameneis wordt aangegeven welke literatuur en andere bronnen hieraan gekoppeld zijn. Uiteraard zijn het daarmee niet de enige bronnen die geschikt zijn om zich voor te bereiden op het examen, maar ze bieden een gezamenlijk kader en zullen daarom ook door de examenopstellers gebruikt worden als referentie. Associatie/Exin, 2013 p. 3 van 14
Toetsmatrijs Tot slot geeft de toetsmatrijs de opbouw van het examen weer. In de toetsmatrijs wordt aan de hand van het belang van elke exameneis aangegeven welk deel van de toets hierop betrekking heeft. Daarbij kent elk onderdeel een minimaal en een maximaal aantal vragen. Bijlagen In de bijlage wordt de terminologie zoals gebruikt bij de examenspecificaties toegelicht. Daarnaast is het iea raamwerk opgenomen om het bredere kader van het examen te schetsen. Associatie/Exin, 2013 p. 4 van 14
2. Beschrijving van het examen Naam examen Basisexamen Infrastructuur Inleiding Bij iedere functie in de IT is een bepaalde hoeveelheid basiskennis nodig. Het begrijpen van de business, het kunnen herontwerpen van organisaties en de vertaling naar de applicaties en IT-infrastructuur zijn competenties die van een IT er gevraagd worden. Hierbij moet aangesloten worden bij internationale IT competenties en beroepsprofielen. Binnen het iea raamwerk heeft zich dit vertaald in een drietal basisexamens die zich ieder richten op steeds een ander systeem waarmee een IT er te maken krijgt. Het derde is het basisexamen infrastructuur. Plaats in het iea raamwerk Dit examen is het derde basisexamen in het iea raamwerk. In het onderstaande raamwerk is de positie van dit examen weergegeven: Globale inhoud Als eerste wordt in dit examen de basiskennis over het concept IT-infrastructuur getoetst. Vervolgens wordt ingegaan op netwerken, internet en datacommunicatie. Daarna komen de principes van beheer & exploitatie en beveiliging van de IT-IT-infrastructuur aan de orde evenals IT-auditing. Tenslotte wordt ingegaan op de aspecten die komen kijken bij het documenteren. Doelgroep Deze module is bedoeld als basiskennis voor mensen die meer inzicht willen krijgen in de ITinfrastructuur. Voorkennis/niveau De kennis van de basisexamens bedrijfsprocessen en informatiesystemen wordt bekend verondersteld. Het betreft een examen op EQF 5 niveau en op e-cf 2 niveau. Associatie/Exin, 2013 p. 5 van 14
Vervolg Na dit examen kan worden vervolgd met één van de drie kernexamens uit de volgende rij in het raamwerk, te weten examens met betrekking tot beheer & exploitatie. Welke van de drie wordt gedaan hangt af of de kandidaat het accent wenst te leggen op het business, informatie of infrastructuur systeem. In ieder geval moet minstens één van deze drie examens zijn behaald voordat aan examens in de volgende rij mag worden deelgenomen. Competenties In dit examen worden verschillende elementen van competenties van het e-cf getoetst. Bij een basisexamen betreffen dit voornamelijk kenniselementen. Hiermee wordt dus nog niet de competentie compleet afgetoetst, maar wordt een bijdrage geleverd aan het in een later stadium kunnen behalen van de betreffende competentie. Het betreft de volgende competenties uit het e-cf: A6 Ontwerp van applicaties B1 Ontwerp en ontwikkeling C1 Gebruikersondersteuning C2 Ondersteunen van wijzigingen C3 Dienstverlening C4 Probleemmanagement D10 Informatie- en kennismanagement Toetsvorm De toetsing bestaat uit een examen met automatisch te corrigeren vragen. Indicatie studielast De gemiddelde studielast voor dit examen is 280 uur. Associatie/Exin, 2013 p. 6 van 14
3. Examenspecificaties Examenonderwerpen In het examen komen de volgende hoofdonderwerpen aan de orde: 1. Het infrastructureel systeem 2. Netwerken, internet en datacommunicatie 3. Gebruik van de data infrastructuur 4. Beheer en exploitatie 5. Documentatie Eindtermen en examenspecificaties 3.1 De kandidaat heeft inzicht in de functie en constructie van de infrastructuur K B T 3.1.1 De kandidaat kent en heeft inzicht in het concept infrastructuur 3.1.1.1 De kandidaat kan het begrip IT-infrastructuur beschrijven. 3.1.1.2 De kandidaat kan concepten benoemen en beschrijven die met het begrip IT-infrastructuur samenhangen. 3.1.1.3 De kandidaat kan de systeemsoort die gerelateerd is aan infrastructuur beschrijven aan de hand van relevante actor en informatie aspect.* 3.1.1.4 De kandidaat kan een voorbeeld geven van een functie en een constructie oriëntatie van de infrastructuur. 3.1.1.5 De kandidaat kan verschillende stadia in de evolutie van de ITinfrastructuur benoemen, beschrijven en herkennen.* 3.1.1.6 De kandidaat kan herkennen of een beschrijving gaat over de ITinfrastructuur. 3.1.1.7 De kandidaat kan de elementen van de IT-infrastructuur benoemen, beschrijven en herkennen. 3.1.1.8 De kandidaat kan de relatie tussen elementen van de IT-infrastructuur beschrijven. 3.1.1.9 De kandidaat kan een voorbeeld geven van IT-infrastructuur. 3.1.2 De kandidaat kent de elementen van de IT-infrastructuur en kan gegeven een situatie een geschikte computer, configuratie en randapparatuur aangeven 3.1.2.1 De kandidaat kan de opbouw van een computer en de samenhang en werking van de componenten beschrijven. 3.1.2.2 De kandidaat kan hardwarecomponenten, hulpmiddelen en hardwarearchitectuur benoemen en beschrijven. 3.1.2.3 De kandidaat kan IT-apparatuur en IT- en overige hulpmiddelen geschikt voor het opslaan, transporteren, terugvinden en kopiëren van gegevens benoemen en beschrijven. 3.1.2.4 De kandidaat kan de functionaliteit van de verschillende soorten computers beschrijven.* 3.1.2.5 De kandidaat kan de voor -en nadelen van het gebruik van de verschillende soorten computers aangeven. 3.1.2.6 De kandidaat kan aangeven wat in een gegeven situatie een geschikte computer en een geschikte configuratie is. 3.1.2.7 De kandidaat kan de werkingsprincipes van randapparatuur en de gevolgen daarvan voor de bruikbaarheid beschrijven. 3.1.2.8 De kandidaat kan onderbouwd aangeven wat in een gegeven situatie Associatie/Exin, 2013 p. 7 van 14
geschikte randapparatuur is. 3.1.2.9 De kandidaat kan technieken, infrastructuur en hulpmiddelen ten behoeve van het testproces benoemen en beschrijven. 3.2 De kandidaat kent begrippen met betrekking tot netwerken, internet en datacommunicatie 3.2.1 De kandidaat kent het begrip netwerken en kan aangeven aan de hand van functionele eisen uit welke componenten een netwerk moet bestaan 3.2.1.1 De kandidaat kan de functie van netwerken beschrijven. 3.2.1.2 De kandidaat kan netwerktopologieën benoemen, beschrijven en herkennen.* 3.2.1.3 De kandidaat kan netwerkcomponenten benoemen en de functionaliteit beschrijven.* 3.2.1.4 De kandidaat kan aan de hand van functionele eisen aangeven uit welke componenten een netwerk moet bestaan. 3.2.1.5 De kandidaat kan het begrip client/server-architectuur beschrijven en de voor-en nadelen aangeven. 3.2.2 De kandidaat kent de begrippen internet, virtualisatie en cloud 3.2.2.1 De kandidaat kan de geschiedenis, de ontwikkeling, status en toekomst van internet beschrijven. 3.2.2.2 De kandidaat kan het begrip internet en de hiermee samenhangende aspecten benoemen en beschrijven.* 3.2.2.3 De kandidaat kan het begrip virtualisatie beschrijven. 3.2.2.4 De kandidaat kan het begrip cloud beschrijven. 3.2.2.5 De kandidaat kan de voor- en nadelen van het werken in de cloud aangeven. 3.2.3 De kandidaat kent begrippen die samenhangen met datacommunicatie 3.2.3.1 De kandidaat kan het begrip datacommunicatie en hiermee samenhangende concepten benoemen en beschrijven.* 3.2.3.2 De kandidaat kan het begrip communicatielaag en hiermee samenhangende begrippen benoemen en beschrijven.* 3.2.3.3 De kandidaat kan het begrip transmissiemedia beschrijven. 3.2.3.4 De kandidaat kan de eigenschappen beschrijven van verschillende transmissiemedia.* 3.2.3.5 De kandidaat kan de begrippen compressie, encryptie en conversie beschrijven. 3.2.3.6 De kandidaat kan situaties aangeven wanneer compressie, encryptie en conversie zinvol zijn om toe te passen. 3.2.3.7 De kandidaat kan diverse toepassingen van mobiele communicatie benoemen en beschrijven. 3.3 De kandidaat kent principes van de data infrastructuur en kan eenvoudige bevragingen van een dataset uitvoeren 3.3.1 De kandidaat kan het relationeel model en de basisbegrippen daarvan benoemen en beschrijven.* 3.3.2 De kandidaat kan de onderdelen van het relationeel model herkennen in een gegeven model. 3.3.3 De kandidaat kan het doel en de werking van een relationeel DBMS beschrijven. 3.3.4 De kandidaat kan het doel en de werking van een relationeel DBMS, Data Warehouse, DSS beschrijven. 3.3.5 De kandidaat kan databasestructuren en de organisatie van de content Associatie/Exin, 2013 p. 8 van 14
benoemen en beschrijven. 3.3.6 De kandidaat kan vraagtalen toepassen, zodat hij/zij eenvoudige bevragingen van een dataset kan uitvoeren. 3.4 De kandidaat kent principes van beheer & exploitatie en beveiliging 3.4.1 De kandidaat kent principes van beheer en exploitatie en kan methoden om dienstverlening te monitoren toepassen en aangeven wanneer een escalatieprocedure toegepast moet worden 3.4.1.1 De kandidaat kan het belang aangeven van beheer. 3.4.1.2 De kandidaat kan het begrip operationeel beheer in relatie tot infrastructuur beschrijven. 3.4.1.3 De kandidaat kan het functioneel en technisch beheer van de infrastructuur beschrijven. 3.4.1.4 De kandidaat kan maatregelen, middelen en personeel benoemen voor het functioneel en technisch beheer van de infrastructuur. 3.4.1.5 De kandidaat kan de taken en verantwoordelijkheden van beheer benoemen en beschrijven. 3.4.1.6 De kandidaat kan doel, functie en taken van gegevensbeheer en bestandsbeheer benoemen en beschrijven. 3.4.1.7 De kandidaat kan methoden van beheer benoemen en beschrijven.* 3.4.1.8 De kandidaat kan de verschillen aangeven tussen het beheer en gebruik van zelf ontwikkelde systemen en het beheer en gebruik van applicatiepakketten van derden. 3.4.1.9 De kandidaat kan het begrip wijzigingsbeheer beschrijven. 3.4.1.10 De kandidaat kan de hulpmiddelen en technieken bij wijzigingsbeheer benoemen en beschrijven. 3.4.1.11 De kandidaat kan methoden om activiteiten inzake dienstverlening schriftelijk vast te leggen benoemen en beschrijven. 3.4.1.12 De kandidaat kan fouten identificeren. 3.4.1.13 kandidaat kan onder begeleiding gegevens over de betrouwbaarheid registreren en bijhouden. 3.4.1.14 De kandidaat kan het begrip escalatieprocedure beschrijven. 3.4.1.15 De kandidaat kan aangeven wanneer een escalatieprocedure toegepast moet worden. 3.4.1.16 De kandidaat kan diagnostische hulpmiddelen bij probleemmanagement beschrijven en hun toepassing aangeven. 3.4.2 De kandidaat kent principes van beveiliging 3.4.2.1 De kandidaat kan factoren en bedreigingen voor de beveiliging van informatiesystemen, gegevens en datacommunicatie benoemen en beschrijven.* 3.4.2.2 De kandidaat kan maatregelen voor de beveiliging van informatiesystemen, gegevens en datacommunicatie benoemen en beschrijven.* 3.4.2.3 De kandidaat kan de functionarissen betrokken bij de beveiliging van informatiesystemen, gegevens en datacommunicatie benoemen. 3.4.2.4 De kandidaat kan het begrip security onderzoek beschrijven. 3.4.2.5 De kandidaat kan aangeven wanneer een security onderzoek opgestart moet worden. 3.4.2.6 De kandidaat kan de opzet van en aandachtspunten bij een beveiligingsaudit beschrijven. 3.5 De kandidaat kent principes van IT documentatie en kan een Associatie/Exin, 2013 p. 9 van 14
documentstructuur vaststellen 3.5.1 De kandidaat kan de verschillende typen documentatie die nodig zijn voor het ontwerpen, ontwikkelen en inzetten van producten, applicaties en diensten, benoemen, kort beschrijven en het doel en belang ervan aangeven. 3.5.2 De kandidaat kan hulpmiddelen voor het vervaardigen, bewerken en distribueren van professionele documenten benoemen en beschrijven. 3.5.3 De kandidaat kan bedrijfsnormen voor publicaties toepassen, zodat hij/zij deze normen kan gebruiken om de documentstructuur vast te stellen. Toelichting op eindtermen en examenspecificaties In deze toelichting wordt met name aangegeven welke begrippen, concepten, definities etc. bekend worden verondersteld bij de specificaties. 3.1.1.3 De kandidaat weet dat infrastructuur behoort tot systeemsoort: D-systeem (Document & Data); actor: formele actor; informatie aspect: forma. 3.1.1.5 De kandidaat kent de concepten mainframe/minicomputer, personal computer, client/server, enterprise-computing, cloud computing. 3.2.1.2 De kandidaat kent netwerktopologieën: ster, maas, ring, bus, boom, point-topoint. 3.2.1.3 De kandidaat kent netwerkcomponenten: terminal, host, werkstation, gateway, router, bridge, switch, hub, multiplexer, repeater, ISDN-controller, modem. 3.2.2.2 De kandidaat kent de aspecten die samenhangen met internet: opbouw, toegepaste systemen, protocollen, adressering. 3.2.3.1 De kandidaat kent begrippen die samenhangen met datacommunicatie: telecommunicatie, datacommunicatie, telematica. 3.2.3.2 De kandidaat kent begrippen die samenhangen met communicatielaag: verbindingsloze -en verbindingsgerichte communicatie routering, end-to-end transport en datalinktransport/ zender, ontvanger, simplex, (full/half-) duplex, echoplex, analoog, digitaal, synchrone en asynchrone transmissie, foutcontrole, modulatie en multiplexing/ netwerkprotocollen TCP, IP,.25, ATM/ datalinkprotocollen: PPP, HDLC en Ethernet/ V.24, Ethernet. 3.2.3.4 De kandidaat kent verschillende transmissiemedia: galvanische media (twisted pair, coax), optische media (glasvezel), draadloze media (radiotransmissie, infrarood) en hun eigenschappen m.b.t. transmissiecapaciteit, demping, storingsgevoeligheid en afluistergevoeligheid. 3.3.1 De kandidaat kent de basisbegrippen van het relationeel model: relatie, attribuut, tupel, domein, extensie, intensie, kandidaatsleutel, primaire sleutel, vreemde sleutel, entiteitsintegriteit, referentiële integriteit, cardinaliteit. 3.4.1.7 De kandidaat kent de begrippen: ITIL, ASL, BiSL. 3.4.2.1 De kandidaat kent factoren en bedreigingen voor de beveiliging van informatiesystemen, gegevens en datacommunicatie: malware (computervirus, wormen, Trojaanse paarden), spoofing, sniffer, denial-of-service-(dos)-aanval, distributed denial-of-service-(ddos)-aanval, identity theft, phishing, evil twins, pharming, klikfraude, social engineering, bugs. 3.4.2.2 De kandidaat kent maatregelen voor de beveiliging van informatiesystemen, gegevens en datacommunicatie: algemene maatregelen (m.b.t. programmatuur, apparatuur, exploitatie, gegevensbeveiliging, procedures bij de implementatie, administratieve organisatie) en beschermingsmaatregelen specifiek op applicaties gericht (invoerprocedures (autorisatie, dataconversie, gegevensbewerking, foutenafhandeling), verwerkingsprocedures, uitvoerprocedures). Toegangscontrole; firewalls, inbraakdetectiesystemen, antivirussoftware, Unified Associatie/Exin, 2013 p. 10 van 14
threat management (UTM) systemen; WEP; encryptie, SSL, S-http, digitale certificaten, Public key infrastructure, geautomatiseerde transactieverwerking, fouttolerante computersystemen, load balancing, recovery-oriented computing; Deep Packet Inspection (DPI), Managed Security Service Providers (MSSP s). Associatie/Exin, 2013 p. 11 van 14
4. Bronnen Voor het verkrijgen van de benodigde informatie, kan gebruik gemaakt worden van verschillende bronnen. In dit deel wordt aangegeven van welke bronnen is uitgegaan bij het vaststellen van de eindtermen en specificaties. Ook de opstellers van het examen maken gebruik van deze bronnen. Het is daarmee echter geen verplichte literatuur, maar een nadere specificering van de exameneisen. Het is de expertise van de opleider op welke wijze de kandidaten deze kennis tot zich nemen. Boeken a. Laudon, K.C. en J.P. Laudon, Bedrijfsinformatiesystemen, Amsterdam: Pearson Education, 2010, isbn: 9789043095112 b. Derksen, T. en Crins, H., AIV, informatiekunde voor het Hbo, Academic service, 2011, ISBN 9789039526514 c. Gubbels, F (red.), ICT-Infrastructuur en Datacommunicatie, Academic service, 2012, ISBN 9789039526590 Artikelen e. Dietz, J.L.G., L_Paso the passage to professionalism; het raamwerk versie 2, 2001 f. Berg, M. van den & Ommeren, E. van, Cloud computing: waar begin je aan? In: Informatie april 2011, Den Haag: BIM Media. Samenhang bronnen en eindtermen 3.1 1 a.h4, b. H5, c. H3, e 2 a. H4, b. H5 3.2 1 b.h7, c. H5, H8 2 a. H4,H6, b. H7, c. H5 3 a. H4, b. H4, c. H4 3.3 a. H5, b. H6 3.4 1 b. H17, c. H14 2 a. H7, c. H15,H16 3.5 b. H11, H17 Associatie/Exin, 2013 p. 12 van 14
5. Toetsmatrijs Examengegevens Examenvorm: Automatisch te corrigeren vragen Aantal vragen: 50 Examentijd: 150 min. Matrijs De toetsmatrijs geeft een overzicht van het minimaal en maximaal aantal vragen per eindterm en per vraagsoort in zowel percentage als feitelijk aantal vragen. Eindterm Specificatie Puntenverdeling in % Aantal vragen soort min max min max K B T 3.1.1 1,2,3,4,5,6,7,8 15% 25% 8 13 3.1.2 1,2,3,4,5,7,9 3.1.1 9 2% 5% 1 3 3.1.2 6,8 2% 5% 1 3 3.2.1 1,2,3,5 15% 25% 8 13 3.2.2 1,2,3,4,5 3.2.3 1,2,3,4,5,6,7 3.2.1 4 2% 5% 1 3 3.3 1,2,3,4,5 5% 10% 3 5 3.3 6 5% 10% 3 5 3.4.1 1,2,3,4,5,6,7,8,9,10,11,14 15% 25% 8 13,16 3.4.2 1,2,3,4,5,6 3.4.3 1,2 3.4.1 12,13,15 2% 5% 1 3 3.5 1,2 5% 10% 3 5 3.5 3 2% 5% 1 3 Kennisvragen 65% 85% 32 42 Begripsvragen 2% 5% 1 3 Toepassingsvragen 13% 30% 7 15 Totaal 100% 50 Associatie/Exin, 2013 p. 13 van 14
Bijlage: Gebruikte termen volgens de gereviseerde versie van Bloom 1 Kennis Inzicht Toepassen Term Beschrijven Samenhangende concepten beschrijven Essentie beschrijven Relatie of invloed beschrijven Benoemen Samenhangende concepten benoemen Herkennen Op een tijdlijn plaatsen Belang aangeven Voor- en nadelen aangeven Verklaren Voorbeeld geven Verschillen aangeven Schema lezen Zaken toepassen Passend middel selecteren Invulling geven Iets beoordelen Een plan opstellen Toelichting Een juiste beschrijving of definitie van het gevraagde aangeven. Aan de hand van een gegeven concept een juiste beschrijving van daaraan gerelateerde concepten aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave de essentie van het gevraagde aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave de onderlinge relatie tussen of invloed van gevraagde concepten aangeven. Een uitputtende en juiste opsomming van bij elkaar horende termen aangeven (bijv. soorten, typen van iets). Aan de hand van een gegeven concept een juiste opsomming van daaraan gerelateerde concepten aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave het gevraagde herkennen. De chronologische volgorde van gevraagde concepten aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave het belang van het gevraagde aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave de vooren nadelen van het gevraagde aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave een verklaring van het gevraagde aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave een voorbeeld van het gevraagde aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave de verschillen tussen gevraagde concepten aangeven. Een juiste interpretatie van een schema aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave de juiste handelwijze aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave het juiste passende middel aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave een juiste invulling aangeven. Aan de hand van een beschrijving of een andersoortige weergave een juiste beoordeling van het gevraagde aangeven. Gegeven een bepaalde situatie een plan opstellen voor het gevraagde. 1 F. Resink, Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO), Checklist vraagstellingen volgens de gereviseerde taxonomie van Bloom. Associatie/Exin, 2013 p. 14 van 14