Het Multipilot project op CSG Dingstede Drie jaar onderwijsontwikkeling in de bètavakken. Inleiding Het Multipilot project is een landelijk project rondom de vernieuwingen in de bètavakken op havo/vwo scholen. Het project was door het ministerie van onderwijs geïnitieerd en liep van augustus 2008 tot en met juli 2011. Er deden acht scholen aan mee. Twee vragen stonden bij dit project centraal. 1. In hoeverre is het voor een school haalbaar om meerdere vernieuwde examenprogramma s tegelijkertijd in te voeren? 2. In hoeverre kunnen de docenten met de vernieuwde examenprogramma s meer samenhang in het onderwijs tussen de verschillende vakken aanbrengen? Het project werd op de scholen begeleid door Rupert Genseberger (voorgedragen door de vakvernieuwingscommissies) en facilitair ondersteund vanuit de SLO. Algemene informatie over de school. De CSG Dingstede is een Christelijke Schoolgemeenschap voor stad en regio met afdelingen vwo, havo, mavo in Meppel. De school telt ongeveer 1200 leerlingen. De leerlingen vanaf het begin in voornoemde schooltypes, de klassen zijn in principe homogeen. De klassen zijn in principe homogeen. In klas 1 worden altijd twee combinatieklassen M1/H1 en H1/V1 (dakpanklassen) geformeerd. Er zijn wel overstapmogelijkheden. Naar aanleiding van behaalde resultaten wordt er tijdens rapportenvergaderingen / resultatenbesprekingen door de lesgevenden gesproken over upstreaming dan wel downstreaming. Op bepaalde momenten zijn deze adviezen bindend. Ook niet bindende adviezen worden soms opgevolgd. In de bovenbouw havo/vwo kunnen de vier profielen NG, NT, CM en EM worden gekozen. Vrije keuze uit profielkeuzevakken: CM: ak-ec-fa-du-kunst (te of mu) EM: fa-du-ak-mo NG: na-ak NT: bi-wid Alle examenvakken zijn in het vrije deel te kiezen. De docenten zijn primair georganiseerd in teams. Er zijn ongeveer zes teamvergaderingen per jaar. Incidenteel is er verticaal overleg (VWO: bovenbouw met onderbouw, HAVO: bovenbouw met onderbouw). Ook incidenteel is er horizontaal overleg (HAVO en VWO bovenbouw docenten) Sectieoverleg is ondergeschikt aan de teamstructuur en heeft alleen incidenteel plaats. Er is een lesrooster met lessen van 50 minuten. Er zijn geen profielmiddagen. In de loop van het jaar zijn er enkele projectdagen (Taaldorp, Wiskundedag, Middeleeuwendag, ) De enige projectweek van de bovenbouw is het veldwerk van VWO5. 1
Vakken en docenten in het Multipilot project De CSG Dingstede heeft drie jaar met de volgende vakken en docenten aan het project deelgenomen: Havo vak biologie natuurkunde Vwo vak biologie natuurkunde docenten Peter Visser Jan Huurnink Berend Tiesinga docenten Henk van Netten Jan Huurnink Berend Tiesinga De school kreeg faciliteiten om met de Havo twee jaar en met het Vwo drie jaar aan het project mee te doen. De school besloot echter om ook met de Havo drie jaar mee te doen. Beginsituatie en ambitie van de school binnen het Multipilot project: Samenvatting volgens de Pilotbeschrijving van Coornhert (december 2008): Ervaring afstemming en/of samenhang De bètasecties hebben de volgende ervaringen in het afstemmen van vak inhouden: - Via de intensieve samenwerking binnen het vak anw - Al 25 jaar vakoverstijgend veldwerk in VWO5. Begonnen met ak/bio/na, is het nu: ak/anw/bio/na/sk/wi - Er is geen ervaring met samenhangend bètaonderwijs - Er is ruime ervaring in het ontwikkelen van lesmaterialen. Bij biologie bijvoorbeeld binnen het SPIN-project, het SIBCO-project. Bij biologie als BOS-school, bij natuurkunde binnen het project NiNa. Ambities organisatie Binnen de school gaat alles via de teams. De vaksecties zijn ondergeschikt. Als we iets willen, moet dat altijd uitgaan van de individuele docent die iets in het eigen team inbrengt. Er zijn geen concrete zaken die wij op korte termijn aan de schoolorganisatie willen veranderen. Facilitering geeft stimulans om vaker te overleggen en te zoeken naar afstem mogelijkheden. Ambities afstemming en samenhang In de eerste plaats streven wij naar een betere aansluiting tussen de vakken. Uitgaande van het credo voorzichtig en met beleid is er geen concreet plan gemaakt over wat we in samenhang willen gaan doen. Ieder volgt eerst de eigen modules, kijkt wat er is en wat daar in zit. Intussen bekijken we welke mogelijkheden voor afstemming we in de onderwerpen zien zitten. Dat heeft al 2
wel de nodige interessante feiten opgeleverd. Mogelijke thema s voor afstemming en samenwerking zijn: sprot/beweging en medische beeldvorming. Hoe vervolgens de afstemming tot stand komt, is nog niet geheel duidelijk. We spreken elkaar geregeld, zolang het rooster het toelaat is er op maandag (11-12 uur) een overlegmoment voor drie van de vier docenten. Een vast overlegmoment voor alle vier valt niet te claimen bij de roostermaker. Een wisselend overlegmoment per duo (HAVO of VWO) lijkt wel mogelijk, maar structureel zou beter zijn. Ontwikkeling van het onderwijs op de school gedurende de Multipilot We kijken hierna terug op het proces vanuit de twee vragen die centraal stonden: 1. In hoeverre is het voor een school haalbaar om meerdere vernieuwde examenprogramma s tegelijkertijd in te voeren? 2. In hoeverre kunnen de docenten met de vernieuwde examenprogramma s meer samenhang in het onderwijs tussen de verschillende vakken aanbrengen? Voor de hiernavolgende terugblik is de begeleider uitgegaan van de verslagen die hij in de loop van de drie jaar geschreven heeft, na afloop van ieder schoolbezoek. Die verslagen heeft hij ook steeds naar de school gestuurd. Wat de eerste vraag betreft: de docenten zien het samen aan de vernieuwde examenprogramma s werken met vertrouwen tegemoet. Dat in het Multipilotproject alleen biologie en natuurkunde meedoen, heeft alleen pragmatische redenen. De scheikundedocent is nieuw en nog aan het promoveren, de wiskundedocenten vonden de landelijke situatie nog te onzeker om in te stappen. Ze staan wel allemaal achter het project, willen t.z.t. ook graag meedoen. Op school is een cultuur van experimenteren met nieuwe lesmaterialen en samenwerken, waar de docenten elkaar in vinden en plezier uit putten. Men wil wel graag de zaken beheersbaar en kwalitatief goed houden en plezier blijven hebben in het werk. De biologiedocenten en de natuurkundedocenten hebben ook vanaf het begin meegedaan met de examenexperimenten. Ze zijn dus ook vertrouwd met nieuwe modules. De docenten hebben voldoende zelfvertrouwen dat zij hun klus aankunnen, dat ook het examen wel in orde zal komen ook al hebben ze nog geen overzicht over alle materialen. Als het nodig is stellen ze zelf wel de zaken bij, daar zijn ze vakmensen voor. Volgens hen is dat zelfvertrouwen ook essentieel naar de leerlingen, als je naar hen toe aangeeft dat je er wel voor zult zorgen dat het met de stof en het programma wel in orde zal komen, kun je hen gemakkelijker enthousiast maken voor iets nieuws. Aan het einde van het eerste jaar heeft de havo-groep al meegedaan aan het nieuwe examen. De school was namelijk al pilotschool voor h/v voor de vakken biologie en natuurkunde. De docenten zijn nogal teleurgesteld dat er zo weinig van de nieuwe manier van werken in de examens terecht is gekomen. Zij zien het als een aanmoediging voor docenten die alles bij het oude willen laten en gewoon op de klassieke manier uit het boek willen blijven werken. 3
De ontwikkeling in de school die deelname aan de vernieuwde examens meebracht, beschrijven we hierna bij de beantwoording van de tweede vraag, integraal met de beschrijving over de vorderingen betreffende de samenhang. Voortgang onderwijsontwikkeling en samenhang tussen de vakken In het begin willen de docenten wat samenhang betreft, voorzichtig en met beleid werken. Ze hebben nog geen plan hiervoor. Ieder volgt eerst de eigen modules, daarna gaan ze pas kijken welke mogelijkheden voor samenhang ze in de onderwerpen zien zitten. De docenten denken dat ze geen begeleiding nodig hebben om tot die afstemming te komen. (verslag 1 e bezoek 1 e jaar.) Na enkele maanden proberen de docenten, geprikkeld door het aanstaande bezoek van de begeleider, tot inhoudelijke afstemming te komen in lessen biologie en natuurkunde voor havo en vwo, rondom medische beeldvorming, het menselijk lichaam en sport. Ze lopen daarbij tegen problemen op wat betreft klassensamenstelling. Samen met de begeleider wordt naar een oplossing hiervoor gezocht. In de bespreking komt naar voren dat bij het werken aan samenhang rond onderwerpen diverse fasen zijn te onderscheiden: 1. Uitzoeken van een onderwerp waarmee aan samenhang gewerkt zal worden. Dat is doorgaans een activiteit van individuele docenten, die al lezend of werkend met boek of module ideeën krijgen over waar linken liggen met andere vakken. 2. Nagaan hoe bij een onderwerp in verschillende vakken aan afstemming gewerkt kan worden. Hierbij moet vaak met programma s of onderdelen daarvan geschoven worden. Dit is een afstemmingsactiviteit van collega s. Hierbij is de bereidheid tot onderlinge samenwerking in het geding. 3. De samenstelling van de profielgroepen qua leerlingen en de vakken die ze mogen kiezen, kan voor problemen zorgen. B.v. biologie en natuurkunde willen samen iets aan sport doen, maar misschien hebben niet alle leerlingen beide vakken. Hier ligt een probleem waar gedurende het jaar niets aan gedaan kan worden. De schoolleiding kan besluiten in een volgend jaar de keuzemogelijkheden te veranderen. 4. Bij het werken aan samenhangend onderwijs worden de mogelijkheden in de klas voor een deel bepaald door de manier waarop de docent les geeft. Wil een docent alles zelf uitleggen en in handen houden, dan moeten alle leerlingen met hetzelfde bezig zijn. Als ook uitgegaan wordt van zelfwerkzaamheid in de les, zoals leerlingen die elkaar iets uitleggen of zelfstandig iets bestuderen, dan kan aan verschillende onderwerpen tegelijk gewerkt worden. 5. Afsluiting: toetsen en beoordelen. Hoe dit kan gebeuren zal, naast het onderwerp, ook afgestemd moeten zijn op de manier waarop in de les gewerkt is. De docenten realiseren zich dat ze de begeleiding nodig hebben om hen te stimuleren plannen te maken en die ook werkelijk uit te voeren. (verslag 2 e bezoek 1 e jaar.) Aan het einde van het jaar constateren de docenten dat van de geplande inhoudelijke samenhang in de les niet zoveel is terecht gekomen, vooral vanwege problemen met de klassensamenstelling. Uit het schema van hierboven waren wel de punten 1 en 2 doorlopen, maar het bleef steken bij punt 3. De docenten hebben dus al naar afstemming gezocht. Er is meer samenhang op gang gekomen rondom vaardigheden die in verschillende vakken gebruikt kunnen worden. Probleem hierbij blijkt te zijn dat de docenten de samenhang wel zien, maar dat de leerlingen die veel minder ervaren. 4
Een ander punt betreft het gebruiken van rubrics bij de beoordeling. De kennismaking hiermee op de Multipilot bijeenkomst vonden de docenten verrassend. De ervaring die ze er nu mee hebben opgedaan, is hen erg goed bevallen. (verslag 3 e bezoek 1 e jaar.) In het tweede jaar wordt gewerkt aan de volgende samenhangactiviteiten: - het onderwerp Sport wordt door biologie en natuurkunde samenhangend opgezet. - Er wordt meer afgestemd bij het ontwikkelen van vaardigheden; - Alle vakken gebruiken rubrics bij beoordeling van vaardigheden. - Er is een science-uur voor de leerlingen ingevoerd De docenten zijn zich steeds beter gaan realiseren dat de transfer van concepten van de ene context naar de andere heel moeilijk is voor veel leerlingen, ook met de nieuwe modules die daar juist iets aan wilden doen. De transfer vindt niet eens plaats binnen biologische contexten, laat staan tussen de vakken. De grote winst is dat de docenten zich van het probleem bewust zijn geworden, vijf jaar geleden bijvoorbeeld realiseerden ze zich dat niet eens. Nu we dit probleem zien, kunnen we ook gaan nadenken over wat we hier nog meer aan zouden kunnen doen. (verslag 1 e bezoek 2 e jaar) De landelijk Multipilot bijeenkomst in november over vaardigheden heeft de docenten van Dingstede geïnspireerd om te gaan werken aan het afstemmen rond vaardigheden. In de loop van het jaar blijkt echter dat het afstemmen van vaardigheden minder goed verloopt dan verwacht. Het plan ontstaat om hierover een studieochtend te organiseren, onder voorzitterschap van de begeleider. (verslag 2 e bezoek 2 e jaar.) De studieochtend wordt als zeer succesvol ervaren. Er zijn twee doelen bereikt: 1. Iedere docent heeft meer kijk gekregen op waar zijn werkwijze verbeterd kan worden. 2. Er is een concreet plan om afstemming van vaardigheden aan te pakken, niet alleen voor de bovenbouw maar ook voor de onderbouw. Het werd duidelijk dat de docenten het werken aan vaardigheden niet alleen inhoudelijk moeten uitlijnen, maar dat er ook een vorm voor moet komen (b.v. een vaste studiemiddag, of tijdens de lessen, of allebei, of nog anders) die gefaciliteerd kan worden. (verslag 3 e bezoek 2 e jaar.) In de herfst van het derde jaar constateren de docenten dat ze zeer tevreden op de studiedag terugkijken. Ze vinden dat ze toen echt de diepte zijn ingegaan. Het zou heel eenvoudig moeten zijn om daar nu de vruchten van te plukken. Helaas lukte het door de waan van de dag weer niet om de voornemens samen te concretiseren, het vervolg werkelijk in gang te zetten. Als centrale punten voor de ontwikkeling in dit jaar formuleren de docenten: 1. We zetten de lijn door dat we mikken op het ontwikkelen van vaardigheden door de jaren heen (van 1 t/m 6) en bij alle vakken, waarbij we meer samenhang gaan aanbrengen; 2. De opbouw van vaardigheden kan vanaf de onderbouw in kleine stukjes, die steeds weer terug komen, bij alle vakken en opklimmend in complexiteit door de jaren; 3. De beoordeling achteraf van door de leerlingen geleverde prestaties, zou vervangen moeten worden door iets dat meer recht doet aan begeleiding van de ontwikkeling van de vaardigheden. Dat kan door als docent meer feedback te geven tijdens het werk en de leerlingen tevens zelf laten reflecteren op hun voortgang. Men wil op basis hiervan de secties apart de voornemens per vak laten concretiseren. Het gaat er daarbij niet in de eerste plaats om wat de leerlingen in de verschillende jaren moeten kunnen, maar om wat de docenten de leerlingen willen leren. 5
Ook de aanzet tot meer inhoudelijke samenhang wil men doortrekken. Daarbij zal ook aan presentatie en beoordeling moeten worden gewerkt. De scheikundedocent, die niet met het MP project meedoet, heeft ook interesse gekregen voor het werken aan inhoudelijke samenhang. (verslag 1 e bezoek 3 e jaar.) Aan het einde van het jaar constateren de docenten dat ze heel tevreden over een aantal dingen die het MP project op gang heeft gebracht. Er zijn samenhang projecten gestart, zoals een sportproject door natuurkunde en biologie en een project over wijn maken door biologie en scheikunde. Ook over de studiedag betreffende het ontwikkelen van vaardigheden, waren ze heel tevreden, helaas is de uitwerking daarvan nog steeds niet tot stand gekomen. In feite blijkt het bij de docenten ver te zijn weggezakt. De wil is er wel, maar zonder een organisatie daarvoor lukt het kennelijk niet. Je kunt daarbij aan kleine dingen denken, bijvoorbeeld een vaste coördinator die door de directe collega s als zodanig geaccepteerd wordt en door de schoolleiding gesteund. Ook een vast ingeroosterd overlegmoment werkt ondersteunend. Voor een succesvol onderwijs ontwikkelingsproces, moeten onderwijs en organisatie elkaar ondersteunen. Dat inzicht is tijdens dit MP project duidelijk ontstaan. (verslag 2 e bezoek 3 e jaar.) 6