RIS080392a_14-06-2001 RAMPENPLAN Gemeente Den Haag 2000 CRISISPLAN VOOR DE GEMEENTELIJKE ORGANISATIE EN RAMPENPLAN IN DE ZIN VAN DE WET RAMPEN EN ZWARE ONGEVALLEN. Op basis van het regionale model rampenplan in samenwerking met INTERGEMEENTELIJKE GESPREKSGROEP AMBTENAREN RAMPENBESTRIJDING HAAGLANDEN (IGAR) Brandweer Den Haag; Stafbureau Korpsleiding Hiermede vervalt het rampenplan van juni 1996 najaar 2000
Rampenplan gemeente Den Haag INHOUD PAGINA 1. Algemeen 1.1. Rampenplan 4 1.1.1. Begripsomschrijving 4 1.1.2. Wettelijke plicht 4 1.1.3. Doel rampenplan 4 1.1.4. Uitgangspunten 4 1.1.5. Uitwerkingen 6 1.1.5.1. Draaiboeken 6 1.1.5.2. Operationeel Basisplan 6 1.1.5.3. Rampbestrijdingsplannen 6 1.1.6. Oefenen 6 1.2. Ramptypen 7 2. Leiding- en coördinatiestructuren 2.1. Inleiding 8 2.2. Uitgangspunten voor de leiding- en coördinatiestructuur 8 2.3. De onderdelen van de rampenbestrijdingsorganisatie (RBO) 9 2.4. Bevoegdheden, verantwoordelijkheden en taken 9 2.4.1. De burgemeester (BGM) 10 2.4.2. De coördinerend burgemeester 11 2.4.3. De Gemeentelijke Crisisstaf (GCS) 11 2.4.4. Het Regionaal Beleidsteam (RBT) 12 2.4.5. De wethouders 13 2.4.6. De Operationeel Leider (OL) 14 2.4.7. De hoofden van gemeentelijke afdelingen 14 2.4.8. Het actiecentrum 15 2.4.9. Het Regionaal Coördinatiecentrum (RCC) 15 2.4.10. De actiecentra van in te zetten/ingezette andere disciplines ( derden ) 16 2.4.11. Het Coördinatie Team Plaats Incident (CTPI) 16 2.4.12. Specifieke gemeentelijke eenheden 17 2.5. Schematisch overzicht samenhang leiding en coördinatie 18 3. Randvoorwaarden voor het functioneren van de RBO 3.1. Alarmering 20 3.2. Verbindingen 20 3.3. Faciliteiten 22 3.3.1. Minimale eisen 22 3.3.2. (Hulp)middelen 22 3.3.3. Registratie 22 3.3.4. Ondersteuning 23 3.3.5. Uitwerking / uitvoering 23 4. Processen 4.1. Inleiding 24 4.2. Algemene uitgangspunten 24 4.3. De afwikkeling: nazorg 24 4.4. Procesbeschrijvingen 25 2
proces 1: Alarmering van bestuur en uitvoerenden 26 proces 2: Brand en ongevalsbestrijding 27 proces 3: Voorlichting 28 proces 4: Waarschuwen bevolking 29 proces 5: Ontruimen/verplaatsen bevolking 30 proces 6: Afzetten/afschermen 31 proces 7: Verkeer regelen 32 proces 8: Ordehandhaving 33 proces 9: Ontsmetten van mensen 34 proces 10: Ontsmetten van voertuigen/infrastructuur 35 proces 11: Inzamelen van besmette waren 36 proces 12: Preventieve volksgezondheid/medisch-hygiënische maatregelen 37 proces 13: Geneeskundige hulpverleningsketen 38 proces 14: Opvangen 39 proces 15: Registreren 40 proces 16: Identificeren van slachtoffers 41 proces 17: Uitvaartverzorging 42 proces 18: Waarnemen/meten 43 proces 19: Begidsen 44 proces 20: Toegankelijk/begaanbaar maken, opruimen 45 proces 21: Verzorging/logistiek rampbestrijdingspotentieel 46 proces 22: Voorzien in primaire levensbehoeften van slachtoffers 47 proces 23: Strafrechtelijk onderzoek 48 proces 24: Geestelijke verzorging 49 proces 25: Schade-afhandeling 50 4.5. Overzicht verantwoordelijken processen 51 5. Afkortingen en begrippen 5.1. Afkortingen 52 5.2. Begrippen 54 6. Verzendlijst 61 Bijlagen 1. Toelichting op het rampenplan 62 2. Model draaiboek (opzet) 78 3. Model besluit vaststelling rampenplan 80 4. Besluit inzake intergemeentelijke samenwerking 81 rampenbestrijding in de regio Haaglanden 3
1. Algemeen 1.1. Rampenplan 1.1.1. Begripsomschrijving De Wet rampen en zware ongevallen (Wrzo)geldt voor zowel rampen als zware ongevallen. Met het consequent vermelden van ramp en/of zwaar ongeval is niet altijd de leesbaarheid gediend. In het bijzonder valt daarbij te denken aan samengestelde woorden, zoals rampenplan, rampenbestrijding, ramptypen, rampenvoorlichting etc. Waar in dit plan wordt gesproken over ramp of hiermee samengestelde woorden, moet tevens gelezen worden dat dit geldt voor een zwaar ongeval als bedoeld in de Wet rampen en zware ongevallen. 1.1.2. Wettelijke plicht De Wet rampen en zware ongevallen verplicht de gemeente zich voor te bereiden op de bestrijding van zware ongevallen en rampen op haar grondgebied. De wijze waarop invulling gegeven wordt aan deze wettelijke plicht, dient te worden vastgelegd in een rampenplan. 1.1.3. Doel rampenplan Met en op grond van het rampenplan moeten zodanige voorbereidingen zijn getroffen, dat de oorzaak van een zwaar ongeval of een ramp zo adequaat mogelijk kan worden bestreden, de slachtoffers zo snel en effectief mogelijk hulp kan worden geboden en de gevolgen voor personen, dieren en/of goederen zo veel mogelijk beperkt kunnen worden. Deze voorbereidingen moeten ook zodanig zijn, dat zij zijn geënt op de bestrijding van een dagelijks incident, niet zijnde een zwaar ongeval of ramp. Met andere woorden: zij moeten aansluiten op en in het verlengde liggen van de dagelijkse taken. Meer specifiek moet met het rampenplan het volgende worden bereikt: S bevoegdheden, verantwoordelijkheden en taken worden toegewezen aan alle (onderdelen van) organisaties en disciplines, die betrokken (kunnen) zijn bij de rampenbestrijding; S het voorbereiden op en het organiseren van de rampenbestrijding moeten worden uitgevoerd in de geest en binnen het kader van dit rampenplan; S de rampenbestrijdingsorganisatie (RBO) moet concreet worden uitgewerkt in operationele draaiboeken en plannen; S dit rampenplan moet bij die verdere uitwerking en invulling steeds worden gebruikt als vertrekpunt en toetsinstrument. 1.1.4. Uitgangspunten S De basis voor dit rampenplan is altijd de vigerende wetgeving. Alle wetten, besluiten, regelingen, voorschriften, e.d., worden, al of niet in dit plan vermeld of opgenomen, als bekend verondersteld en geacht deel uit te maken van dit plan. S Primair dient de gemeente voor een adequate rampenbestrijding op het eigen grondgebied te zorgen. De burgemeester is bestuurlijk verantwoordelijk voor de daadwerkelijke bestrijding. Het college van burgemeester en wethouders is verantwoordelijk voor een goede voorbereiding. S Een zwaar ongeval of ramp is te zien als een zodanige verstoring van de maatschappelijke orde in een gemeente, dat het opheffen van deze verstoring en zijn gevolgen de capaciteit van de normale gemeentelijke organisatie te boven gaat. Naast bundeling van alle kennis en kunde van de gemeentelijke organisatie op zowel het bestuurlijke als het uitvoerende vlak (crisisbeheersing), moet de gemeente in de benodigde capaciteit voorzien door samenwerking met andere gemeenten. Daartoe dienen in regionaal verband de nodige afspraken te zijn gemaakt en in faciliteiten te zijn voorzien. S Een (grootschalig) incident, calamiteit, ramp of zwaar ongeval vormt een extra boven de normale dagelijkse taakuitvoering van de gemeente. De dagelijkse taakuitvoering dient steeds te worden gecontinueerd en te worden geprojecteerd in de rampenbestrijdingsorganisatie. Er dient derhalve te worden gezorgd voor een verantwoord evenwicht naar gewicht van de 4
5 rampenplan Den Haag najaar 2000 dagelijkse taken versus het extra werk, onder het stellen van prioriteiten. Dit vereist een crisisorganisatie, die een afspiegeling is van de normale organisatie. Dit houdt in: geen bijzondere taken/werkpatronen/structuren creëren, maar in omstandigheden van een ramp of een zwaar ongeval op dezelfde wijze te werk gaan als bij de dagelijkse taakuitvoering. Er mag, behoudens andere/meer bevoegdheden van de burgemeester, geen sprake zijn van een andere stijl van werken, er is geen kantelpunt. S Er worden twee aandachtsgebieden, ofwel hoofdstromen aan activiteiten voor de rampenbestrijding, onderscheiden: S bron- en effectbestrijding: het opheffen van de oorzaak en van de directe gevolgen van een zelfde aard, van een verstoring van de maatschappelijke orde. Ofwel: alle (acuut) te verrichten activiteiten ter directe bestrijding en stabilisatie van een incident en het terugdringen van gevaar. Dit is de verantwoordelijkheid van de (regionaal georganiseerde) parate hulpverleningsdiensten, al of niet in een gezamenlijk optreden, zo nodig en waar mogelijk ondersteund door niet-parate diensten; S gevolgbestrijding: de bestrijding van de gevolgen van een andere aard van de verstoring van de maatschappelijke orde. Ofwel: alle activiteiten ter verdere afhandeling van het incident en van de directe en indirecte gevolgen, de terugkeer naar de normale situatie en het gehele nazorgtraject. Dit is de verantwoordelijkheid van de gemeente(n) (de civiele gemeentelijke afdelingen), zo nodig en waar mogelijk -in het verlengde van de bron- en effectbestrijdingfacilitair ondersteund door de (regionaal georganiseerde) parate hulpverleningsdiensten. S In het rampenplan worden bevoegdheden, verantwoordelijkheden en taken toegewezen aan alle organisaties/diensten die betrokken (kunnen) zijn bij de bestrijding van een zwaar ongeval of ramp. Het toegewezene dient dan ook zo veel mogelijk in de lijn te liggen van de bestaande verantwoordelijkheden, bevoegdheden en taken van een organisatie/afdeling. Uitvoering ervan gebeurt ook in het kader, in de geest en in het verlengde van de normale dagelijkse taakstelling. De basis voor de (mogelijkheid tot) samenwerking met andere gemeenten wordt gelegd in het rampenplan. Voor een optimale samenwerking moeten de rampenplannen van de samenwerkende gemeenten daarom eenduidig zijn. Dit plan volgt daartoe het voor die eenduidigheid regionaal ontwikkelde modelplan. Bij de parate hulpverleningsorganisaties zijn het grootschalig optreden en de bijstand per organisatie via separate regelingen verzekerd. Voor de onderlinge hulpverlening van de andere onderdelen van de organisaties voor de rampenbestrijding dienen soortgelijke regelingen te worden getroffen. Bijlage 4 van dit model voorziet in zo n regeling. S De bestrijding van zware ongevallen en rampen bestaat uit een aanéénschakeling van activiteiten, waarvan de samenstelling afhankelijk is van het soort ongeval of ramp. Voor de toedeling van taken in het kader van de rampenbestrijding zijn alle denkbare activiteiten geclusterd in processen (series van samenhangende activiteiten). Op deze manier is de rampenbestrijdingsorganisatie voor te bereiden op de bestrijding van elk soort zwaar ongeval of ramp. S Nadrukkelijk zij vermeld dat omvang van de in te zetten organisatie en het gedeeltelijk dan wel volledig gebruik maken van de structuur, afhankelijk is van het zich voordoende incident/ ramptype. Al naar gelang de zich voordoende situatie dient evenwel in de geest van dit raamwerk dynamisch te worden opgetreden, waarbij verschuivingen in de posities van de diverse organisatie-onderdelen mogelijk (moeten) zijn. 1.1.5. Uitwerkingen 1.1.5.1. Draaiboeken
De in het rampenplan genoemde organisaties/diensten werken hun bevoegdheden, verantwoordelijkheden en taken uit in een draaiboek per organisatie/dienst. Deze draaiboeken dienen minimaal te zijn samengesteld volgens het in bijlage 2 opgenomen model. 1.1.5.2. Operationeel Basisplan Rampenbestrijding vereist een planmatige aanpak. Ten behoeve van het gezamenlijke optreden van de hulpverleningsdiensten is hiertoe een Operationeel Basisplan noodzakelijk, waarvan het opstellen een zorg is van de brandweer. Omdat verwacht mag worden dat de bron-/effectbestrijding al snel een intergemeentelijke aangelegenheid is en de hulpverleningsdiensten regionaal georganiseerd zijn, stelt de brandweer in regionaal verband een Operationeel Basisplan op voor het gehele regionale gebied. 1.1.5.3. Rampbestrijdingsplannen Voor elk redelijkerwijs mogelijk te achten zwaar ongeval of ramp waarvan plaats, aard en gevolgen voorzienbaar zijn, wordt een rampbestrijdingsplan opgesteld. Als zodanig is het een verbijzondering van het Operationeel Basisplan ten aanzien van een bepaald gevaarzettend object of activiteit. De brandweer stelt deze rampbestrijdingsplannen in regionaal verband op, voor het gehele regionale gebied. 1.1.6. Oefenen Het oefenen is een deel van de voorbereiding van de gemeente op haar taken in het kader van de rampenbestrijding. Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat de (onderdelen van de) gemeentelijke rampenbestrijdingsorganisatie zich door regelmatig oefenen voorbereidt op de rampenbestrijding. 6
1.2. Ramptypen In het kader van de rampenbestrijding worden zeventien ramptypen onderscheiden: 1. kernongeval; 2. lucht-/ruimtevaartongeval; 3. ongeval op zee; 4. overstroming; 5. ongeval met giftig of biologisch materiaal; 6. besmetting van drinkwater; 7. voedselvergiftiging/epidemie; 8. ongeval met brandbare/explosieve stoffen; 9. brand in stedelijk gebied; 10. natuurbrand; 11. instorting groot gebouw; 12. paniek in menigten; 13. vervoerongeval; 14. stormbuien, windhozen, extreme hagelbuien, ijzel en sneeuwval; 15. overige extreme weersomstandigheden; 16. uitval infrastructuur; 17. aardbevingen. Hiermee is slechts een ruwe indeling gegeven. De feitelijke situatie tijdens een ramp of zwaar ongeval hangt immers af van vele factoren. Bovendien is het aantal mogelijkheden binnen een zelfde ramptype groot, onder andere doordat een combinatie van verschijnselen (c.q. typen ramp of zwaar ongeval) kan optreden. De risico s van het vóórkomen van deze ramptypen in de gemeente, zowel van algemene aard als locatiegebonden, dienen in beeld te worden gebracht. Op basis van deze inventarisatie moet vervolgens worden nagegaan voor welke gebeurtenissen c.q. locaties/objecten een rampbestrijdingsplan moet worden opgesteld. Daarbij is de gemeente verplicht om zowel de bevolking als de bij de rampenbestrijding betrokken personen, op passende wijze te informeren over deze risico's en over de hieraan verbonden gevaarsaspecten, de getroffen (voorzorgs)maatregelen, en de te volgen gedragslijn. Deze informatieverschaffing dient plaats te vinden zowel ter voorbereiding op als tijdens (de dreiging voor) rampen en zware ongevallen. Indien een ramp of zwaar ongeval heeft plaatsgevonden dient de gemeente zorg te dragen voor een volledige analyse van de ramp of het zware ongeval, en voor aanbevelingen om een herhaling van een soortgelijk(e) ramp of zwaar ongeval in de toekomst te voorkomen en de gevolgen ervan te beperken. 7
2. Leiding- en coördinatiestructuren 2.1. Inleiding Een ramp, zwaar ongeval of grootschalig incident kenmerkt zich vooral door een omvangrijke inzet van meerdere disciplines. Voor een effectieve en efficiënte bestrijding zijn een goede samenwerking, aansturing, leiding en - vooral - coördinatie vereist. Dit hoofdstuk geeft het raamwerk en de hoofdlijnen daarvoor aan. Concrete uitwerking en invulling hiervan vindt plaats binnen de organisatie-onderdelen en de samenwerkingsverbanden daarvan zelf, in onderling overleg, en maakt geen deel uit van dit rampenplan. Wel geeft dit hoofdstuk de toetsingscriteria en de structuur aan, aan de hand waarvan invulling dient plaats te vinden en die het kader aangeven, waarin de rampenbestrijding wordt voorbereid en uitgevoerd. Daarvoor wordt ook gewezen op het gestelde in 1.1.4. 2.2. Uitgangspunten voor de leiding- en coördinatiestructuur S Alle ingezette en in te zetten organisaties/diensten hebben en behouden hun eigen bestaande bevoegdheden en verantwoordelijkheden vanuit de normale dagelijkse taakstelling volgens de gebruikelijke structuren voor organisatie, inzet en aansturing. S De burgemeester heeft het opperbevel over alle rampbestrijdingsactiviteiten in de door een ramp of een zwaar ongeval getroffen gemeente en zorgt voor een goede beleidsmatige coördinatie. Dit betekent dat alle optredende diensten onder zijn/haar verantwoordelijkheid vallen. Bij een ramp of een zwaar ongeval dat meerdere gemeenten treft, wordt uitgegaan van een goede onderlinge, collegiale afstemming en communicatie tussen de betrokken burgemeesters. In conflicterende situaties aangaande de bron- en effectbestrijding heeft de Commissaris der Koningin aanwijzingsbevoegdheid. Hij/zij kan een coördinerend burgemeester aanwijzen. Op eigen initiatief kunnen betrokken burgemeesters overigens ook een coördinerend burgemeester inschakelen. S De burgemeester wordt bijgestaan door zijn/haar Gemeentelijke Crisisstaf, die beleidsmatig de optredende diensten aanstuurt. De burgemeester kan de Gemeentelijke Crisisstaf permanent of ad hoc uitbreiden. S In de rampenbestrijdingsorganisatie (RBO) is primair sprake van collectief leiderschap. Kernpunten daarvan zijn: collegialiteit, gelijkheid en teamwork. De burgemeester heeft evenwel zijn/haar bevoegdheden als opperbevelhebber en kan, als daarvoor aanleiding is, bepalen dat sprake is van eenhoofdige leiding. S Een aantal gemeentelijke taken wordt in regionaal verband uitgevoerd. De regionale organisatie staat daarbij facilitair ten dienste van de gemeente. Acute incidentbestrijding ( bron-/effectbestrijding ) gebeurt door de parate, regionaal georganiseerde hulpverleningsdiensten. Aansturing daarvan geschiedt primair vanuit het Regionaal Coördinatiecentrum (RCC). S In de RBO zijn verschillende (groepen) onderdelen te onderscheiden met eigen bevoegdheden, verantwoordelijkheden en taken. De zelfstandigheid laat evenwel onverlet de verplichting tot het in stand houden van regelmatige informatiestromen naar andere onderdelen en niveaus. S Uitvoering van het beleid, i.c. de coördinatie van inzet en uitvoering gebeurt door: - het Regionaal Coördinatiecentrum (BRW/POL/CPA) voor de samenwerkende parate hulpverleningsdiensten (RCC), - de actiecentra voor de civiele organisaties/diensten. RCC en actiecentra onderhouden contacten, wisselen informatie uit en stemmen activiteiten af met elkaar. Het RCC heeft vooral de zorg voor de bron- en effectbestrijding, de civiele actiecentra vooral de zorg voor de gevolgbestrijding. 8
2.3. De onderdelen van de rampenbestrijdingsorganisatie In de structuur van de rampenbestrijding zijn de volgende niveaus en daarop functionerende personen, groepen, onderdelen en eenheden te onderscheiden: I. Het opperbevel: - de burgemeester. II. Het strategisch niveau: - de Gemeentelijke Crisisstaf (GCS); - het Regionaal Beleidsteam (RBT/de staf van de coördinerend burgemeester); - de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) - de Commissaris van de Koningin (CDK) + participerend in GCS: - de wethouders (facultatief); - de hoofden van de gemeentelijke afdelingen. + participerend in GCS of RBT: - Operationeel Leider. III. Het tactisch niveau: S het actiecentrum (AC); S het Regionaal Coördinatiecentrum (RCC); S de actiecentra van in te zetten/ingezette andere organisaties/lichamen/diensten/ systeembeheerders/systeemeigenaren enz. IV. Het uitvoerend niveau: S het Coördinatie Team Plaats Incident (CTPI) met de eenheden van de optredende disciplines/diensten; S ondersteunende/bijstandsverlenende eenheden/teams van derden. S specifieke gemeentelijke actiecentra als: + het perscentrum; + het voorlichtingscentrum; + het Centraal Registratie- en Informatiebureau (CRIB); + het bureau Centrale Registratie Afhandeling Schade (CRAS); + het opvangcentrum/de opvangcentra. 2.4. Bevoegdheden, verantwoordelijkheden en taken In de volgende subparagrafen volgt een overzicht van de bovengenoemde in de structuur op enig moment optredende personen en onderdelen van de RBO. Waar mogelijk en noodzakelijk is daarvan voor de duidelijkheid en beeldvorming aangegeven de positie, plaats en moment van optreden en de wijze van inschakelen. Daadwerkelijke invulling van de organisatie (optreden van de beschreven functies) is afhankelijk van het incident en van hetgeen de burgemeester gewenst acht. 2.4.1. De burgemeester Positie S De burgemeester heeft de eindverantwoordelijkheid voor en de algehele leiding bij het bestrijden van incidenten, calamiteiten, rampen en zware ongevallen in de eigen gemeente; S de burgemeester laat zich ter zake kundig adviseren door een Gemeentelijke Crisisstaf, waarvan hij/zij voorzitter is; S de burgemeester opereert met inachtneming van de bestaande politiek/bestuurlijke structuren en legt in dat verband achteraf verantwoording af. 9
10 rampenplan Den Haag najaar 2000 Bevoegdheden en verantwoordelijkheden S De burgemeester bepaalt na ingewonnen adviezen of sprake is van een ramp of een zwaar ongeval in de zin van de Wet rampen en zware ongevallen; S de burgemeester is bestuurlijk verantwoordelijk voor de rampenbestrijding in de gemeente en voor een goede beleidsmatige coördinatie; S de burgemeester heeft het opperbevel over alle activiteiten voor de bestrijding van een ramp of een zwaar ongeval in de gemeente, hij/zij kan alle bevelen of regels geven die hij/zij nodig acht; S de burgemeester kan andere portefeuillehouders in de gemeente betrekken in de bestrijding van een ramp of een zwaar ongeval en taken aan hen delegeren; S de burgemeester kan zo nodig ingrijpen in het systeem van collectief leiderschap door het aanwijzen van een andere dan de wettelijke Operationeel Leider, als de situatie en ontwikkelingen dit vereisen; S de burgemeester laat zich bijstaan door de Gemeentelijke Crisisstaf met een basissamenstelling; hij/zij kan de samenstelling van die staf permanent of ad hoc uitbreiden; S bij gemeentegrensoverschrijdende incidenten/rampen of zware ongevallen houdt de burgemeester rekening met de belangen van de andere gemeente(n); daartoe schakelt hij/zij voor afstemming van belangen en behoeften de Commissaris der Koningin of de in de regio functionerende coördinerend burgemeester, een en ander conform de vastgestelde regionale Regeling bestuurlijke coördinatie; S de burgemeester verantwoordt zijn/haar besluiten achteraf aan de gemeenteraad. Taken S Het bestuurlijk/beleidsmatig leiding geven aan de activiteiten voor de bestrijding van een ramp of een zwaar ongeval; S het voorzitten van de Gemeentelijke Crisisstaf; S het stellen van prioriteiten; S het nemen van beleidsbeslissingen; S het verzorgen van coördinatie en afstemming tussen de in te zetten diensten; S het bepalen van het voorlichtingsbeleid; S het onderhouden van contacten met collega-burgemeesters en andere gezagsdragers. Locatie S Primair vervult de burgemeester zijn/haar functie in het Gemeentelijk Coördinatiecentrum; S in eerste instantie kan de burgemeester bij een acuut (zich ontwikkelend) incident naar de plaats incident zijn geroepen. Voorafgaand aan de opschaling naar een crisiscentrum kan hij/zij ter plaatse bij het CTPI zijn/haar functie in een commandovoertuig vervullen. Zo spoedig mogelijk optreden in het eigen crisiscentrum moet worden nagestreefd. Wanneer S Bij een grootschalig incident; S bij een incident, waarvan ingeschat wordt dat het zich kan/zal ontwikkelen tot een grootschalig incident, ramp of zwaar ongeval; S bij een acute ramp of een acuut zwaar ongeval; S bij een dreigend(e) ramp of zwaar ongeval of bij vrees voor het ontstaan daarvan. Hoe S Op grond van bestaande procedures bij de parate diensten; S door de (gemeenschappelijke) meldkamer(s) van de parate diensten; S of door de gebruikelijke (gemeentelijke) communicatiekanalen; S volgens de gemeentelijke alarmeringsregeling. 2.4.2. De coördinerend burgemeester (conform de regionale Regeling bestuurlijke coördinatie) Positie S De coördinerend burgemeester is bij een gemeentegrensoverschrijdend(e) ramp of zwaar ongeval een noodzakelijke component voor de betrokken opperbevelhebbers voor de eenduidige aansturing van de bron- en effectbestrijding; S de coördinator is bemiddelaar en adviseur voor de betrokken opperbevelhebbers en stuurt namens hen de bron- en effectbestrijding aan; S hij/zij staat ten dienste van iedere burgemeester in de regio, zonder hiërarchische lijn of structuur;
S de coördinerend burgemeester kan worden bijgestaan door een door hem samengestelde staf. Bevoegdheden, verantwoordelijkheden en taken S De burgemeesters hebben in gezamenlijk overleg afspraken gemaakt over de functie van de coördinerend burgemeester. Dat heeft geresulteerd in een regionaal vastgestelde Regeling bestuurlijke coördinatie. Deze afspraken regelen ook de verhouding tussen de Commissaris der Koningin en de coördinerend burgemeester. 2.4.3. De Gemeentelijke Crisisstaf Positie S Op het moment dat de burgemeester gebruik maakt van de bevoegdheden op grond van de Wet rampen en zware ongevallen, is dit de gemeentelijke rampenstaf in de zin van die wet; S de Gemeentelijke Crisisstaf staat onder voorzitterschap van de burgemeester, onder wiens leiding de bestrijding van een incident/ramp of zwaar ongeval plaatsvindt; zij opereert op strategisch niveau; S vormt tijdens een crisis, waaronder rampen en zware ongevallen, het crisismanagement van de gemeentelijke organisatie; S de leden van de Gemeentelijke Crisisstaf sturen de onder hun individuele bevoegdheden vallende organisatie-onderdelen beleidsmatig aan. Samenstelling De Gemeentelijke Crisisstaf bestaat in ieder geval uit: S commandant brandweer, S chef gebiedsgebonden onderdeel politie; S directeur GGD, S ambtenaar rampenbestrijding, S hoofd voorlichting / eerste woordvoerder. (of: door deze functionarissen gemandateerde plaatsvervangers). De burgemeester kan de Gemeentelijke Crisisstaf permanent of ad hoc uitbreiden met: S gemeentesecretaris en/of hoofd/directeur bestuurszaken, S andere portefeuillehouders; S vertegenwoordigers van overige gemeentelijke organisaties; S specifieke deskundigen/vertegenwoordigers van andere betrokken/belanghebbende organisaties, bedrijven, systeemeigenaren/-beheerders, e.d. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden S De leden van de Gemeentelijke Crisisstaf stellen in collectief overleg de prioriteiten vast voor de crisisorganisatie van de gemeente; S de leden van de Gemeentelijke Crisisstaf geven hun diensten/afdelingen uitvoeringsaanwijzingen; S de leden van de Gemeentelijke Crisisstaf kunnen zich in de staf (ad hoc of zo nodig permanent) laten vergezellen/ ondersteunen door eigen materiedeskundige medewerkers, die de functie van klankbord, adviseur of vertaler van genomen besluiten in opdrachten aan hun dienst kunnen vervullen; S de leden van de Gemeentelijke Crisisstaf zijn verantwoordelijk voor het aandeel van hun dienst in de bestrijding van het incident; S zijn verantwoordelijk voor het (laten) vastleggen van alle relevante gegevens van het eigen aandachtsgebied in een logboek, voor de verslaglegging achteraf; S zijn verantwoordelijk voor het organisatorisch, juridisch en bestuurlijk juist formuleren en uitdragen van alle beslissingen en maatregelen op het gebied van bijstand, vorderingen, (nood)verordeningen, communicatie en voorlichting. S zijn verantwoordelijk voor het informeren van en onderhouden van contacten met naasthogere bestuurlijke en operationele echelons. Taken S Het voorbereiden van (tussen de diensten afgestemde) beleidsadviezen aan de burgemeester; S het vanuit de eigen deskundigheid gevraagd en ongevraagd adviseren van de burgemeester en van de collega-leden; S het vertegenwoordigen van een dienst of organisatie(-onderdeel); 11
S het vertalen van het beleid in concrete opdrachten aan de eigen organisatie/afdeling S het verzamelen van gegevens over de bestrijdingsactiviteiten van de eigen organisatie/afdeling; S het aangeven van taakgebieden waarop voorzieningen moeten worden getroffen. Locatie S Het Gemeentelijk Coördinatiecentrum. Wanneer S Als de burgemeester dit bepaalt. Hoe S Conform de gemeentelijke alarmeringsregeling. 2.4.4. Het Regionaal Beleidsteam Positie S Fungeert als staf van de coördinerend burgemeester bij invulling van deze functie; S bevindt zich op operationeel strategisch niveau in de hoofdstroom bron- en effectbestrijding. Samenstelling S De coördinerend burgemeester bepaalt de samenstelling van het Regionaal Beleidsteam. Dit bestaat in ieder geval uit de hoogst leidinggevenden van de regionale hulpverleningsdiensten, alsmede een hoofd voorlichting, een perswoordvoerder en overige ambtelijke ondersteuning. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden S het Regionaal Beleidsteam (RBT) zorgt voor de advisering van de coördinerend burgemeester; S de leden van het RBT zijn individueel verantwoordelijk voor het aandeel van de eigen dienst/organisatie in de besluitvorming van de staf en in de bestrijding; S het RBT is verantwoordelijk voor een goede informatievoorziening aangaande de bestrijding aan de Gemeentelijke Crisisstaf/staven; S het RBT neemt hierbij de regionale Regeling bestuurlijke coördinatie in acht. Taken S Het adviseren van de coördinerend burgemeester aangaande de bron- en effectbestrijding op strategisch-beleidsmatig niveau; S het vertalen van beleidsbeslissingen van de coördinerend burgemeester in samenhangende opdrachten voor de uitvoering(scoördinatie). Locatie S Regionaal Beleidsteam. 2.4.5. De wethouders Positie S In omstandigheden van een ramp of een zwaar ongeval behouden de wethouders dezelfde positie, zowel als portefeuillehouder dan wel als lid van het college van burgemeester en wethouders, als in de normale situatie: zij geven bestuurlijk en beleidsmatig leiding aan hun deel van de gemeentelijke organisatie; S indien de burgemeester gebruik maakt van de bevoegdheden van de Wet rampen en zware ongevallen, zijn zij evenwel ondergeschikt aan zijn opperbevel, voor wat betreft de te stellen prioriteiten bij de gemeentelijke taakuitvoering en het crisismanagement; S binnen de eigen portefeuille maken zij in een zelfde positie deel uit van de rampenbestrijdingsorganisatie. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden S De normale bevoegdheden van het college en de wethouders gelden onverkort, met dien verstande dat zij ondergeschikt zijn aan het gedurende de rampbestrijding te voeren crisismanagement en de daaruit voortvloeiende te stellen prioriteiten; 12
S kunnen uit een oogpunt van adequate rampbestrijding binnen de eigen portefeuille alle noodzakelijk geachte opdrachten geven en maatregelen nemen; S kunnen gevraagd en ongevraagd de burgemeester en de Gemeentelijke Crisisstaf adviseren en bij langdurige situaties met het oog op de continuïteit de burgemeester in de GCS vervangen; S dragen zorg voor de continuïteit van de normale dagelijkse werkzaamheden binnen hun portefeuille. S Voor zover daarbij een relatie bestaat/ontstaat met de crisisbestrijding, stemmen zij dit af met de Gemeentelijke Crisisstaf. Taken S Conform de reguliere taken; S aanvullend: binnen de eigen portefeuille beleidsmatig aansturen van de rampenbestrijdingsorganisatie ter ondersteuning, aanvulling en - op termijn of facultatief - vervanging van de Gemeentelijke Crisisstaf. S bij vervanging van de burgemeester, zie 2.4.1 Locatie S De gebruikelijke locatie voor uitvoering van de taken; S afhankelijk van de situatie: Gemeentelijke Crisisstaf of actiecentra. Wanneer S Op aanwijzing van de burgemeester en Gemeentelijke Crisisstaf; S op verzoek van het betrokken organisatie-onderdeel, c.q. de hoofden van de onder de portefeuille vallende afdeling(en), enz. Hoe S Door de gebruikelijke (gemeentelijke) communicatiekanalen. 2.4.6. De Operationeel Leider Positie S Is primus inter pares in het verband van collectief leiderschap ; S functioneert in voorkomende gevallen als hoogst leidinggevende op operationeel/strategisch niveau in de hoofdstroom bron- en effectbestrijding ; S staat onder direct gezag van de burgemeester of coördinerend burgemeester. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden S Treedt eerst op indien de burgemeester daartoe besluit en dit noodzakelijk is voor een adequate bestrijding van rampen en zware ongevallen; S treedt eerst op indien de coördinerend burgemeester dit, in overleg met de betrokken burgemeesters, bij een gemeentegrensoverschrijdend(e) ramp of zwaar ongeval besluit; S heeft eindbeslissingsbevoegdheid en -verantwoordelijkheid voor het operationeel optreden door de parate diensten bij de bron- en effectbestrijding. Taken S Primair het bevorderen van het collectieve leiderschap ; S secundair, indien noodzakelijk, het geven van eenhoofdige leiding aan het operationeel optreden; S het in voorbereidende zin zorgen voor de noodzakelijke afstemming en samenwerking tussen de bij de bestrijding optredende disciplines in de hoofdstroom bron- en effectbestrijding ; S geeft leiding aan het Regionaal Coördinatiecentrum. Wanneer S Op aanwijzing van de burgemeester, als het collectief leiderschap door verschil van inzicht of anderszins niet adequaat functioneert of de bestrijding van het incident hindert op het gebied van prioriteitsstelling en coördinatie; S bij een gemeentegrensoverschrijdend(e) ramp of zwaar ongeval op aanwijzing van de coördinerend burgemeester, in overleg met de betrokken burgemeesters. 13
Wie S De commandant van de gemeentelijke brandweer bij een ramp of zwaar ongeval binnen de gemeente; S de commandant van de regionale brandweer bij een gemeentegrensoverschrijdend(e) ramp of zwaar ongeval; S in voorkomende gevallen: de door de burgemeester aangewezen/aan te wijzen functionaris. Locatie S De Gemeentelijke Crisisstaf bij een ramp of een zwaar ongeval binnen de gemeente; S het Regionaal Beleidsteam bij een gemeentegrensoverschrijdend(e) ramp of zwaar ongeval. 2.4.7. De hoofden van gemeentelijke afdelingen Positie S De hoofden behouden hun gebruikelijke positie, d.w.z. zij staan aan het hoofd van het betreffende organisatie-onderdeel; S zij voeren vanuit de optiek bestrijden van de ramp of het zware ongeval hun gebruikelijke functie uit, rekening houdend met de situatie, prioriteiten en bestrijding-/crisisbeleid; S zij zijn op hun vak- en taakgebied adviseur van de burgemeester. S hebben een functionele/informatierelatie met de in de GCS zitting hebbende gemeentesecretaris. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden S Zij behouden hun normale bevoegdheden en verantwoordelijkheden; S zij kunnen daarbij beleidsaanwijzingen krijgen van de burgemeester als opperbevelhebber; S afwijkende acties (zoals die met financiële gevolgen, in strijd met bekende bestaande procedures, bijstandsaanvragen derden, e.d.), die niet reeds middels convenants, overeenkomsten, regelingen, enz., zijn te ondernemen, worden altijd primair aan de Gemeentelijke Crisisstaf voorgelegd; S ook al geeft de situatie daartoe geen specifieke aanleiding, zij dragen ongevraagd en gevraagd zorg voor informatie van en rapportage aan de Gemeentelijke Crisisstaf in de vorm van periodieke sitraps, situatierapporten, die doorlopend de actuele stand van zaken weergeven en anticiperen op in te schatten ontwikkelingen. Taken S Het geven van leiding aan het onder hun bevoegdheid vallende organisatie-onderdeel; S het uitvoeren van besluiten van de Gemeentelijke Crisisstaf, het voldoen aan de gestelde prioriteiten en het bijdragen aan het gemeentelijke crisismanagement. Locatie S Bij directe aansturing van hun organisatie-onderdeel zijn zij of door hen gemandateerden, aanwezig in het betreffende actiecentrum; S bij operationeel zijn van de Gemeentelijke Crisisstaf kunnen zij zich al dan niet in het gemeentelijke crisiscentrum (moeten) bevinden. Wanneer S Bij elk incident van enige omvang, waarbij een meer dan gebruikelijke inzet van het betreffende organisatie-onderdeel noodzakelijk is; S op verzoek van de wethouder(s), burgemeester, of eigen actiecentrum/personeel; S conform de in het draaiboek van de betreffende afdeling vastgelegde afspraken. Hoe S Zoals in het draaiboek van de betreffende afdeling is vastgelegd. 2.4.8. Het actiecentrum Positie S Bevindt zich op tactisch niveau en stuurt de eigen afdeling of organisatie-onderdeel aan; S is beleidsmatig ondergeschikt aan haar vertegenwoordiger in de Gemeentelijke Crisisstaf. 14
S wanneer de uitvoering van taken een nauwe samenwerking vereist, kunnen actiecentra (eventueel uit meerdere gemeenten) worden gecombineerd tot één gemeenschappelijk actiecentrum (GAC). Bevoegdheden en verantwoordelijkheden S Het actiecentrum valt onder de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de desbetreffende hoofd; S het geeft alle in het veld opererende gemeentelijke eenheden en personen de noodzakelijke opdrachten waar het gaat om de bestrijding van de ramp of het zware ongeval en stuurt de uitvoering van de dagelijkse taken aan; S het houdt de vertegenwoordigers in de Gemeentelijke Crisisstaf voortdurend op de hoogte van alle acties en vorderingen; S het dient met andere actiecentra een nauwgezet contact te onderhouden, informatie uit te wisselen en te zorgen voor een goede samenwerking en coördinatie van de werkzaamheden. Taken S Het sturen van de uitvoering van alle bestrijdingsactiviteiten van de eigen afdeling en van de dagelijkse taakuitvoering. Locatie S Primair is het actiecentrum gevestigd bij de eigen afdeling. Wanneer S Bij elk incident van enige omvang, waarbij een meer dan gebruikelijke inzet van het betreffende organisatie-onderdeel noodzakelijk is (in geval van crisismanagement); S wanneer een gecoördineerde inzet van gemeentelijke diensten noodzakelijk is; S op verzoek van het betreffende afdelingshoofd; S conform de in het draaiboek van de betreffende afdeling vastgelegde afspraken. Hoe S Zoals in het draaiboek van de betreffende afdeling is vastgelegd. 2.4.9. Het Regionaal Coördinatiecentrum (RCC) Positie S Bevindt zich op operationeel tactisch niveau in de hoofdstroom bron- en effectbestrijding ; S stuurt de operationele parate, regionaal georganiseerde en optredende, hulpverleningsdiensten aan; het RCC is het actiecentrum van die diensten; S kan worden gezien als een facilitair bedrijf voor de in een gemeente opererende parate hulpverleningsdiensten. Bevoegdheden, verantwoordelijkheden en taken Als van een actiecentrum, met dien verstande, dat voor het RCC geldt: S aansturing van eigen, operationele diensten in de dagelijkse taakuitvoering en in de incidentbestrijding (CTPI n; S coördinatie van de bron- en effectbestrijding; S informeren en/of adviseren van de GCS en/of het RBT. Locatie S In de nabijheid van de (gemeenschappelijke) meldkamer(s) van de parate hulpverleningsdiensten. Wanneer S Conform de procedures van de operationele diensten, op aanwijzing van de leidinggevenden. Hoe S Door de (gemeenschappelijke) meldkamer(s). 2.4.10. De actiecentra van in te zetten/ingezette andere disciplines ( derden ) 15
Positie S Deze actiecentra zijn een zaak van de betrokken disciplines zelf; S in principe vallen zij buiten de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de gemeentelijke rampenbestrijdingsorganisatie; S de door deze actiecentra aan te sturen eigen eenheden, die op het grondgebied van een getroffen gemeente opereren, vallen wel onder het opperbevel van de burgemeester; als zodanig maken de actiecentra deel uit van de gemeentelijke RBO. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden S In te zetten/ingezette disciplines van buiten ( derden ) behouden hun eigen bevoegdheden en verantwoordelijkheden, voor zover niet strijdig met en ondergeschikt aan het gemeentelijke opperbevel van de burgemeester(s), wetten, regelingen en andere bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Taken S De taken van deze actiecentra zijn een zaak van de organisaties zelf. Voor zover betrokken bij de rampbestrijding, dienen zij contact te onderhouden met de andere actiecentra van gemeente(n) en operationele parate diensten, voor een juiste afstemming en coördinatie van activiteiten en voor uitwisselen van informatie. 2.4.11. Het Coördinatie Team Plaats Incident (CTPI) Positie S Het CTPI bevindt zich op uitvoerend niveau op de plaats van het incident/de ramp of het zware ongeval; S het CTPI is het laatste/laagste coördinatieniveau in het traject van beleid (strategie) naar uitvoering in het veld v.w.b. de bron- en effectbestrijding. S het CTPI zal altijd binnen de grenzen van een of meer gemeenten opereren en valt onder het opperbevel van de betreffende burgemeester(s). Bevoegdheden en verantwoordelijkheden S Het CTPI geeft in/op het incidentterrein of het terrein waar een ramp of een zwaar ongeval heeft plaatsgevonden alle aanwijzingen en opdrachten voor de uitvoering van werkzaamheden; S het CTPI opereert onder de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van het Regionaal Coördinatiecentrum; S alle activiteiten van ondersteunende diensten en organisaties op het incident-terrein geschieden onder verantwoordelijkheid van één van de in het CTPI vertegenwoordigde hulpverleningsdiensten. Taken S de directe afstemming tussen de ingezette eenheden in het terrein die belast zijn met (bron- en effect)bestrijdingsactiviteiten, reddingsactiviteiten, geneeskundige en politie-activiteiten. S het geven van opdrachten en leiding aan de eenheden in het inzetgebied, zowel van de operationele parate hulpverleningsdiensten als van ondersteunende instanties; S het afstemmen van de inzet met andere CTPI n. Wanneer S De vorming en inzet van een CTPI ontstaat in de opschaling van de RBO en zal als eindpunt van de opschaling in het veld bij de bestrijding van een incident aanwezig zijn. In eerste instantie zal het gaan om samenwerking en afstemming tussen de aangewezen en aanwezige leidinggevenden van de hulpverleningsdiensten. 2.4.12. Specifieke gemeentelijke actiecentra: S Perscentrum; S Voorlichtingscentrum; S Centraal Registratie- en Informatiebureau (CRIB); S Bureau Centrale Registratie Afhandeling Schade (CRAS); S Opvangcentrum/-centra. 16
Positie S deze onderdelen van de RBO bevinden zich op uitvoerend niveau in de hoofdstroom gevolgbestrijding ; S het zijn speciaal uit de bestaande gemeentelijke organisatie gevormde eenheden, die tijdelijk zijn geformeerd; S zij vallen onder de leiding van de daarvoor verantwoordelijke afdelingshoofden. Voor bevoegdheden, verantwoordelijkheden en taken van deze organisatie-onderdelen wordt verwezen naar de daarvoor relevante draaiboeken. Zie daarvoor ook hoofdstuk 4, onder de die eenheden betreffende processen. 2.5. Schematisch overzicht samenhang leiding en coördinatie In de navolgende schema s wordt de structuur van de rampenbestrijdingsorganisatie in hoofdlijnen geïllustreerd, waarbij de onderlinge samenhang en samenwerking met de driehoeksvorm wordt benadrukt. Het schema is geen zuiver organigram dat een staf- en lijnstructuur weergeeft, maar geeft veeleer een beeld van de bedoeling van het voorgaande. Bij de schema s wordt het volgende aangetekend: S zij geven de volledig opgeschaalde organisatie in zijn onderlinge samenhang en niveaus weer. Uiteraard is een facultatieve opschaling, afhankelijk van het incident, de situatie en wijze van inzet en bestrijding, mogelijk; S de regionale organisatie is zelf verantwoordelijk voor het regelen van de uitvoering en voor de mate van opschaling binnen haar eigen taakveld; S de essentie van de schema s is dat alle bij de rampbestrijding in de gemeente betrokkenen, ook (van) de regionale organisaties, onder het opperbevel van de burgemeester vallen. 17
18 rampenplan Den Haag najaar 2000
19 rampenplan Den Haag najaar 2000
3. Randvoorwaarden voor het functioneren van de RBO Voor het goed en volwaardig functioneren van de in hoofdstuk 2 weergegeven organisatie, is het noodzakelijk dat aan de volgende randvoorwaarden wordt voldaan: S een alarmeringsregeling is aanwezig; S verbindingen zijn verzekerd; S faciliteiten zijn beschikbaar; S het verloop van de bestrijding wordt vastgelegd; S ondersteuning in personele, administratieve zin is aanwezig; S aflossing van personeel bij langdurige inzet. 3.1. Alarmering Uitgangspunten S De gemeente moet een alarmeringsregeling hebben om de gemeentelijke RBO te kunnen activeren; S alarmering kan van binnenuit plaatsvinden doordat één van de hulpverleningsdiensten bij een incident de burgemeester laat waarschuwen volgens een standaardprocedure, en de burgemeester besluit dat de RBO moet worden geactiveerd; S alarmering kan van buitenaf gebeuren door een hogere overheid, andere gemeente of semioverheidsinstanties. Daarvoor dient de gemeente te beschikken over een alarmeringsadres, dat altijd bereikbaar is. Via dit adres wordt de alarmeringsregeling uitgevoerd; S aldus gealarmeerde onderdelen van de gemeentelijke RBO dragen zelf zorg voor de interne alarmering volgens het betreffende draaiboek; S gealarmeerd wordt op sleutelfuncties. Uitvoering S Volgens de gemeentelijke alarmeringsregeling (zie ook hoofdstuk 4, proces 1). 3.2. Verbindingen Op hoofdlijnen kunnen de volgende coördinatiecentra in de RBO worden onderscheiden: S het Nationaal Coördinatiecentrum (NCC) van het Ministerie van BZK; S het Provinciaal Coördinatiecentrum (PCC); S het Gemeentelijk Coördinatiecentrum (GCC) van de Gemeentelijke Crisisstaf; S het Regionaal Coördinatiecentrum (RCC) van de operationele, parate hulpverleningsdiensten; S de actiecentra (AC) van de diensten/organisaties; S het Coördinatie Team Plaats Incident (CTPI). Vanuit deze centra moeten contacten met elkaar, met diensten, met eenheden en met (centra van) derden kunnen worden onderhouden. De centra dienen verbindingsgegevens ter voorbereiding uit te wisselen. Aard van de voorzieningen De noodzakelijke verbindingen worden nader uitgewerkt in een (regionaal verband te normeren) verbindings- en communicatieplan. Principeschema In het navolgende schema zijn de coördinatiecentra en communicatiewegen aangegeven. Deze aangegeven wegen dienen te worden aangehouden. 20
Formele bestuurlijke relaties Feitelijke informatie relaties Minister van BZK NCC Commissaris der Koningin PCC Andere gezagsdragers Burgemeester GCS RBT GCS RCC AC s AC s CTPI Gemeentelijke eenheden Operationele eenheden Gemeentelijke eenheden formele gezagslijnen informatie- en afstemmingslijnen 21
Uitwerken communicatieplan en realiseren voorzieningen S Voor de GCS: de gemeentelijke ambtenaar rampenbestrijding; S voor RCC en CTPI: de regionale brandweer, c.q. de samenwerkende operationele parate hulpverleningsdiensten; S voor de gemeentelijke actiecentra: de afdeling zelf, ondersteund door de ARB. Deze uitwerking wordt onderling afgestemd. 3.3. Faciliteiten S De onderdelen van de RBO, met name de coördinatiecentra, moeten over geëigende faciliteiten (kunnen) beschikken. Voor die faciliteiten geldt het volgende: 3.3.1. Minimale eisen S Voor plenair overleg en briefings dient/dienen voldoende geschikte ruimte(n) beschikbaar te zijn; S de ruimten moeten een zekere afscherming hebben, zodanig, dat een ongestoorde taakuitvoering in een zo rustig mogelijke sfeer mogelijk is; S in de directe nabijheid moeten voldoende neven-/werkruimten beschikbaar zijn of op korte termijn kunnen komen, voor specifiek (onderdeels)overleg en taakgroepen, administratie en ondersteuning; S een adequaat ingericht en bij voorkeur separaat verbindingscentrum, in de directe nabijheid, dient beschikbaar te zijn of op zo kort mogelijke termijn te kunnen worden ingericht; S er moeten voldoende voor de taakuitvoering noodzakelijke (hulp)middelen beschikbaar zijn; S voorzieningen op het gebied van verzorging en logistiek moeten aanwezig zijn, alsmede mogelijkheden voor recreatie/rusten. 3.3.2. (Hulp)middelen Voor het registreren en beoordelen van situaties en voor het verzamelen, ver- en bewerken en verspreiden van (grote hoeveelheden) gegevens moeten voldoende hulpmiddelen aanwezig zijn of snel beschikbaar kunnen komen. Gedacht kan worden aan: S computer/laptop + printmogelijkheden; S kaart- en plotmaterialen; S naslagwerken, registers, draaiboeken, e.d.; S communicatiemiddelen; S materialen/apparatuur voor het vastleggen, verwerken, rapporteren en verspreiden van opdrachten, berichten, gesprekken, vergaderingen, enz.; S audiovisuele hulpmiddelen, presentatiematerialen (borden, flip-overs, e.d.). In regionaal verband is hiertoe voor RBT en GCS een programma van eisen opgesteld. 3.3.3. Registratie Alle activiteiten bij de bestrijding van het voorval en het verloop van de processen moeten nauwkeurig worden geregistreerd voor coördinatie, evaluatie en voor verantwoording achteraf. Door alle onderdelen van de RBO moeten op alle niveaus zo veel mogelijk gegevens systematisch worden vastgelegd. In eerste instantie kan registratie gebeuren met hulpmiddelen als gespreksrecorders, dicteerapparaten, camera s, e.d., bij telefoongesprekken, briefings, vergaderingen, enz. Alle registraties moeten zo spoedig mogelijk worden uitgewerkt, schriftelijk worden vastgelegd en chronologisch gebundeld in een logboek, per afdeling en per centrum, op elk niveau. De logboeken dienen voor het vastleggen van afspraken, besluiten en opdrachten, voor de controle op uitvoering en voortgang en als naslagwerk voor (tijdelijk) afwezige functionarissen. 3.3.4. Ondersteuning Verbindingen Voor het bemensen van de verbindingscentra in de gemeente worden ingeschakeld: S in GCC: eigen personeel van de betreffende diensten; S in Actiecentra: eigen personeel van de betreffende afdeling(en); 22
Administratie De volgende gemeentelijke afdelingen leveren personeel voor de administratieve ondersteuning van de RBO en voor het verwerken van alle gegevens: S in GCC: medewerkers bestuursdienst; S in Actiecentra: eigen personeel van de betreffende dienst(en) en afdeling(en); S in Pers- en Voorlichtingscentrum: medewerkers afdeling V&EB; S in CRIB: medewerkers burgerzaken; S in CRAS: medewerkers Bouwen DSO; S in opvangcentra: medewerkers sociale zaken. Algemeen gezegd: personeel van de hiervoor verantwoordelijke diensten en afdelingen. Advisering op bestuurlijk/juridisch gebied Voor bestuursrechtelijk advies en ondersteuning, het leveren van expertise op het gebied van wetgeving, het opstellen van (nood)verordeningen, e.d. levert de afdeling bestuurszaken aan alle betrokken onderdelen, met name aan de Gemeentelijke Crisisstaf. Verzorging/logistiek In principe zijn alle ingezette afdelingen zelf verantwoordelijk voor de eigen verzorging/ logistiek. In het GCC geschiedt dit door de FAD. Per organisatie-onderdeel wordt de verzorging/logistiek geregeld in het eigen draaiboek. In geval van schaarste valt dit aspect onder proces 21. 3.3.5. Uitwerking / uitvoering De beschikbare en te realiseren faciliteiten worden voorbereid en vastgelegd in een draaiboek voor het operationeel maken van de RBO-onderdelen, i.c. de onderscheiden coördinatiecentra. Deze voorbereiding en realisatie gebeuren door: S voor GCC c.a.: de ambtenaar rampenbestrijding; S voor gemeentelijk actiecentrum/-centra: de betreffende dienst(en) zelf, ondersteund door de ambtenaar rampenbestrijding en/of medewerker bestuurszaken; S voor afzonderlijke afdelingen: de afdelingen zelf, zo nodig ondersteund door de ambtenaar rampenbestrijding; S voor RCC: dit is een verantwoordelijkheid van de operationele parate hulpverleningsdiensten zelf. De faciliteiten van het RCC zijn in ieder geval afgestemd op schaal, samenstelling, risico s en werkwijze in de regio, daarbij ook rekening houdend met de door de gemeenten gewenste en voor hen noodzakelijke ondersteuning. 23
4. Processen 4.1. Inleiding Bij het bestrijden van een ramp of een zwaar ongeval kan en zal ook een scala van activiteiten worden uitgevoerd, zowel geënt op en in het verlengde van de dagelijkse werkzaamheden van de gemeentelijke organisatie, als specifiek gericht op de rampenbestrijding. Alle uit te voeren activiteiten zijn in dit hoofdstuk gegroepeerd in processen, die worden gevormd door een aantal samenhangende activiteiten. De beschrijving van de processen en benoeming van activiteiten houdt evenwel niet in, dat bij elke calamiteit zonder meer sprake is van daadwerkelijke totale uitvoering daarvan. Afhankelijk van aard, omstandigheden, omvang, enz. kan worden gekozen voor een facultatieve òf volledige uitvoering van activiteiten en processen. Elk proces wordt in dit hoofdstuk volgens een vast stramien beschreven, waarbij is aangegeven welke afdelingen/organisaties bij de uitvoering zijn betrokken en welke afdeling/organisatie als hoofdaannemer verantwoordelijk is voor voorbereiding en uitvoering van het proces. De benoeming en beschrijving van de processen zijn gebaseerd op de Handleiding rampenbestrijding. Deze handleiding is niet geheel gevolgd, omdat de procesindeling en -verantwoordelijkheden primair ook zijn gebaseerd op de in 1.1.4. en 2.2 vermelde uitgangspunten, met name op het onderscheid bron-/ effectbestrijding en gevolgbestrijding. 4.2. Algemene uitgangspunten S Bij elk proces is de daar vermelde procesverantwoordelijke discipline de initiator, coördinator en bewaker van alle noodzakelijke voorbereiding op en van een juiste en volledige uitvoering van het proces. De procesverantwoordelijke is eindverantwoordelijk en aanspreekbaar voor het proces, met een verplichting tot participatie van de vermelde uitvoerenden. S Uitwerking van een proces door de procesverantwoordelijke gebeurt met inschakeling van en in samenwerking/samenspraak met de vermelde uitvoerenden. S Alle disciplines/afdelingen/organisaties stellen een eigen draaiboek samen, op basis van de in alle processen aan hen toegewezen uit te voeren activiteiten. Een procesverantwoordelijke ziet er op toe, dat alle activiteiten binnen het proces worden verwerkt in de afzonderlijke draaiboeken van de bij dat proces betrokken disciplines/afdelingen/organisaties. S Taken en activiteiten worden in algemene termen/beschrijvingen vermeld. De vermelde afdelingen dragen zelf zorg voor verdere precisering van de processen en activiteiten, gebaseerd op en in de geest van dit rampenplan en van de procesbeschrijving. Daarbij wordt gebruik gemaakt van bestaande kennis, regelgeving, richtlijnen, handleidingen, literatuur, enz. S De normale reguliere, dagelijkse taken en activiteiten van de gemeentelijke organisatie zijn vanzelfsprekend en worden niet expliciet vermeld. Zij worden geacht in omstandigheden van een ramp of een zwaar ongeval te worden gecontinueerd, al of niet ten dienste van de bestrijding van de ramp of het zware ongeval. In dit hoofdstuk worden specifieke activiteiten voor de bestrijding van een ramp of een en zwaar ongeval benoemd. S Alle gemeentelijke organisatie-onderdelen worden geacht in algemene zin de rampbestrijding te ondersteunen met personeel en materieel, waar zij zelf geen directe taak hebben, zoals vermeld in dit hoofdstuk. Bij elk proces dient dan ook bij elk organisatie-onderdeel te worden gelezen: algemene ondersteuning. S Niet -gemeentelijke diensten/organisaties worden alleen vermeld als systeemeigenaar van/voor een bepaalde voorziening en/of activiteit. Uitgangspunt is dat de procesverantwoordelijke de nodige voorbereidingen treft met de betreffende systeemeigenaar. Dit geldt zowel voor systeemeigenaren mèt als zònder eigen wettelijke taak in omstandigheden van rampen en zware ongevallen. 4.3. De afwikkeling: nazorg 24
Als de bestrijding van de ramp of een zwaar ongeval is beëindigd, is het van bijzonder groot belang voortdurend en voldoende aandacht te besteden aan de nazorg. Doel daarvan is: - het beperken van schadelijke gevolgen; - het voorkomen van een vervolgramp of zwaar ongeval; - het op gang brengen van het dagelijks leven; - medische en sociale zorg voor slachtoffers, nabestaanden en hulpverleners; - het behandelen van schadeclaims; - huisvesting en wederopbouw. Aandachtspunten daarbij zijn: S Activiteiten van de processen moeten eerst worden/zijn teruggebracht tot proporties, die met de gebruikelijke normale gemeentelijke organisatie kunnen worden verwerkt. S Per proces vindt de nazorg plaats. S Evaluatie van de verschillende nazorg-trajecten gebeurt plenair in Gemeentelijke Crisisstaf verband. S Een nazorg-aspect is de verplichting van B & W de ramp of het zware ongeval te analyseren en evalueren en om zo mogelijk maatregelen te nemen een herhaling van de ramp of het zware ongeval te voorkomen. S Op de nazorgfase zijn de bestuurlijke en operationele bevoegdheden uit de Wet rampen en zware ongevallen van toepassing. Ook op de financiële regelingen die betrekking hebben op de rampenbestrijding kan een beroep worden gedaan. Alle procesverantwoordelijken zijn binnen het eigen proces, voor zover relevant, verantwoordelijk voor een goede en juiste nazorg bij en na de uitvoering van de in dit hoofdstuk benoemde processen. 4.4. Procesbeschrijvingen Onderstaand volgt een beschrijving van de desbetreffende processen, waarbij de (hoofd)verantwoordelijkheden voor de uitvoering ervan worden toegewezen. In de procesbeschrijvingen worden bij Uitvoering vermeld: S slechts díe organisatie-onderdelen, welke in het kader van het rampenplan worden ingeschakeld, waarbij het verantwoordelijke management een rol in de Gemeentelijke Crisisstaf moet kunnen spelen; S en welke bestuurbaar zijn vanuit de eigen gemeentelijke organisatie. In de procesbeschrijvingen gelden bij Mogelijk in te schakelen de volgende criteria voor vermelding: S het betreft (semi-)overheid, systeemeigenaren/-beheerders; S het betreft organisaties met een eigen taak op basis van wetten, regelingen, overeenkomsten, e.d., waarvan gebruik gemaakt kan of moet worden; S de organisatie vormt een ondersteuning voor diensten met een soortgelijke taak; S het betreft geen bedrijven, particuliere organisaties, e.d., die facilitair kunnen worden ingehuurd of waarmee waakvlamovereenkomsten bestaan. Aan het slot van deze beschrijvingen is een samenvattende matrix van alle processen en disciplines opgenomen. 25
Proces 1: Alarmering van bestuur en uitvoerenden Doel Het activeren van alle voor de rampbestrijding benodigde functionarissen en instanties. Aandachtspunten S De rampenbestrijding kent drie bestuursniveaus: rijk, provincie, gemeente. Elk niveau kent een eigen coördinatiecentrum, resp. NCC, PCC en GCC. Alarmering in deze bestuurskolom loopt in beide richtingen, afhankelijk van aard en omvang van de ramp of het zware ongeval. Alarmering op rijksniveau gebeurt bij NCC, op provinciaal niveau bij PCC en op gemeentelijk niveau bij de Centrale Meldkamer van de parate diensten (thans nog RAC); S gemeenten en Centrale Meldkamer (thans nog RAC) wisselen alarmeringsgegevens uit volgens een op te stellen gemeentelijke alarmeringsregeling; S de gemeentelijke alarmeringsregeling geeft aan door wie en op welke wijze de in te schakelen functionarissen en diensten/organisaties worden gealarmeerd; S de afdelingen/organisaties leggen hun interne alarmering vast in hun draaiboek. Procesverantwoordelijk S ambtenaar rampenbestrijding Uitvoering S gemeentelijke alarmeringsregeling S alarmeringsadres S interne alarmering van een afdeling/organisatie GCC CMK (RAC) afdelingen/organisaties 26
Proces 2: Brand- en ongevalsbestrijding Doel S Het beperken en bestrijden van brand, van ongevallen bij brand en van ongevallen, anders dan bij brand. Aandachtspunten S Dit proces is een deel van de feitelijke brandweertaak conform de Brandweerwet 1985, artikel 1, lid 4. Procesverantwoordelijk S brandweer. Uitvoering S Brandbestrijding S technische hulpverlening/redding S milieu-advies en assistentieuitvoering DSB/brandweer S materiële ondersteuning S bouwkundig advies monumentenzorg S advies cultuurhistorische zaken monumentenzorg S energie- en watervoorziening brandweer brandweer Milieubeleid DSB (stadsbeheer) DSO bouwen & Min. van VWS/ DSO bouwen & nutsbedrijven. Mogelijk in te schakelen S Systeemeigenaar/-beheerder S Regionaal Militair Commando West 27
Proces 3: Voorlichting Doel De gevolgen van een ramp of het zware ongeval te beperken door: S de bevolking te adviseren of te bewegen noodzakelijke maatregelen tijdens een ramp of een zwaar ongeval te treffen; S ondersteuning te bieden bij de bestrijding, beheersing en afhandeling van de ramp of een zwaar ongeval; S het herstel en terugkeer naar de normale situatie na een ramp of een zwaar ongeval zo optimaal mogelijk te laten verlopen. Aandachtspunten S Voorlichting bestaat uit drie onderdelen: S voorlichting over rampen en zware ongevallen vooraf (preventie/preparatie); S voorlichting tijdens een (dreigende) ramp of een zwaar ongeval (respons); S voorlichting in de nazorgfase (herstel); S deze voorlichting kent drie trajecten: S (directe) publieksvoorlichting; S persvoorlichting (indirecte publieksvoorlichting); S (directe) interne voorlichting (bestuur/rampenbestrijdingsorganisatie/andere (semi) overheidsinstanties); S de coördinatie van de voorlichting volgt die van de opschaling van de rampenbestrijdingsorganisatie (lokaal -> regionaal -> provinciaal -> landelijk); S handboek Voorlichting bij Rampen. Procesverantwoordelijk S Voorlichting. Uitvoering S Alle activiteiten voorlichting. Mogelijk in te schakelen S Voorlichters andere (semi)overheidsinstanties. S Informatiecentrum ministerievrom 28
Proces 4: Waarschuwen bevolking Doel Het opmerkzaam maken van de bevolking op een dreigend gevaar en het daarbij geven van een eerste gedragsadvies. Aandachtspunten S Het waarschuwen vindt in principe plaats via de normale mediakanalen; S bij een acute dreiging wordt gebruik gemaakt van een attentiesignaal middels sirenes, geluidswagens, e.d., direct gevolgd door een eerste gedragsadvies via snelle media, zoals landelijke en/of lokale radio/tv. Met de regionale omroep Radio West zijn hiertoe afspraken gemaakt; S na een acute waarschuwing moet het geven van aanvullende informatie volgen, dat onderdeel is van proces 3. Procesverantwoordelijk S brandweer Uitvoering S Waarschuwing S acute waarschuwing met sirenes S acute waarschuwing met geluidswagens voorlichting brandweer politie. Mogelijk in te schakelen S Radio West S landelijke /lokale media. 29
Proces 5: Ontruimen/verplaatsen bevolking Doel S Ontruimen: een bedreigd object of gebied binnen de gemeente vrij te maken van mensen en dieren. S Verplaatsen bevolking: het weghalen van mensen en dieren uit een bedreigd gebied en ze vervoeren naar een veilig gebied. Aandachtspunten S Het besluit tot uitvoering van dit proces wordt door de burgemeester genomen; S acute ontruiming kan door de ter plaatse aanwezige hulpverleningsdiensten gebeuren. Hierbij is geen sprake van verplaatsing, opvang, registratie en verzorging in de zin van dit proces; S uitgangspunt is dat de bevolking zelf actief is, de overheid begeleidt bij die zelfredzaamheid. Waar nodig, dient de overheid wel volledige ondersteuning te geven aan hulpbehoevenden. Essentieel hierbij is een gedegen voorlichting; S dit proces kan ook op gezag van en gecoördineerd door een hogere overheid (provincie, rijk) plaatsvinden; S de gemeente kan als opvanggemeente bij verplaatsing van de bevolking vanuit een andere gemeente worden aangewezen. Rekening moet worden gehouden met een opvangcapaciteit van maximaal 10% van het eigen inwonertal; S dit proces heeft een directe relatie met de processen 3, 14, 15 en 22. In deze samenhang is dan sprake van evacuatie. Procesverantwoordelijk S politie. Uitvoering S Ontruimen S regelen vervoer en begeleiden verplaatsing S informeren bevolking S vervoer niet-ambulante personen S bewaking politie politie voorlichting GGD politie. Mogelijk in te schakelen S Vervoerbedrijven; S ziekenvervoerders; S taxibedrijven; S dierenambulance; S veiligheidsdiensten. 30
Proces 6: Afzetten/afschermen Doel Het zorgen voor het ongestoord kunnen plaatsvinden van de activiteiten voor de bestrijding van een ramp of zwaar ongeval, door het afzetten van wegen en/of het afschermen van objecten en terreinen. Aandachtspunten S Gedacht moet ook worden aan water-, spoorweg- en luchtverkeer; S dit proces in relatie met proces 7 uit te voeren. Procesverantwoordelijk S politie. Uitvoering: S Aanbrengen afzettingen/verwijsborden S informeren publiek S toezicht naleving politie/stadsbeheer voorlichting politie. 31
Proces 7: Verkeer regelen Doel Het voorkomen en/of oplossen van verkeersopstoppingen of -stremmingen, zowel buiten als binnen het rampterrein. Aandachtspunten S Rekening moet ook worden gehouden met het regelen van verkeersstromen op het water, via het spoor en door de lucht; S dit proces in relatie met proces 6 uit te voeren. Procesverantwoordelijk S Politie Uitvoering S Verkeer regelen politie S geven verkeersinformatie politie/voorlichting S aanbrengen (tijdelijke) verkeerstekens stadsbeheer S toezicht naleving politie. Mogelijk in te schakelen S Regionale omroep; S Korps Landelijke Politiediensten; S Centrale Meldkamer NS. 32
Proces 8: Ordehandhaving Doel Het - in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag in overeenstemming met de rechtsregels - ervoor zorgen dat de openbare orde en de rechtsorde daadwerkelijk worden gehandhaafd. Aandachtspunten S Bij het handhaven van de openbare orde staat de politie onder gezag van de burgemeester; S bij het handhaven van de rechtsorde staat de politie onder gezag van het Openbaar Ministerie. Procesverantwoordelijk S Politie. Uitvoering S Ordehandhaving op en rond het rampterrein S opsporing strafbare feiten politie justitie. 33
Proces 9: Ontsmetten van mensen Doel Uitbreiding van radioactieve, chemische en/of biologische besmetting voorkomen. Aandachtspunten S Ontsmetting van mensen is een vorm van medisch inhoudelijk handelen. Bij ontsmetting van gewonden staat de medische hulpverlening voorop, de ontsmetting vormt daarvan een onderdeel; S rekening moet worden gehouden met ontsmetting van persoonlijke bezittingen, huisdieren en andere zaken met gevoelswaarde; S bij een lichte vorm van besmetting kan het mogelijk zijn de bevolking te adviseren over door hen zelf te nemen ontsmettingsmaatregelen. In andere gevallen zal de ontsmetting in speciaal in te richten centra moeten plaatsvinden; S aan de ontsmetting kunnen andere zorgtaken (moeten) worden gekoppeld, zoals voorzien in primaire levensbehoeften, geestelijke verzorging, registratie t.b.v. CRIB, enz.; S rekening moet worden gehouden met de opvang en afvoer van afvalproducten t.g.v. de ontsmetting; S het ontsmetten van uitrustingsstukken, persoonlijke beschermingsmiddelen c.a. van ingezette hulpverleningsdiensten is onderdeel van proces 10. Procesverantwoordelijk S GGD. Uitvoering S Advisering maatregelen S publieksvoorlichting S ontsmetting S opvang en afvoer afvalproducten S geestelijke verzorging S eventueel voorzien in primaire levensbehoeften S eventuele afzetting/afscherming/ordehandhaving S registratie t.b.v. CRIB GGD voorlichting GGD/brandweer reiniging/ stadsbeheer GGD soc. zaken/ welzijn politie GGD/burgerzaken. Mogelijk in te schakelen S Ministerie van VWS; - Ministerie van VROM; S Ministerie van Defensie. 34
Proces 10: Ontsmetten van voertuigen/infrastructuur Doel Uitbreiding van radioactieve, chemische en/of biologische besmetting voorkomen. Aandachtspunt S Rekening moet worden gehouden met de opvang en afvoer van afvalproducten t.g.v. de ontsmetting. Procesverantwoordelijk S brandweer Uitvoering S Ontsmetting S opvang en afvoer afvalproducten brandweer reiniging/ stadsbeheer Mogelijk in te schakelen S Systeembeheerders/-eigenaren infrastructuur; S Ministerie VROM; S Ministerie Defensie. 35
Proces 11: Inzamelen van besmette waren Doel Het voorkomen van verdere besmetting. Aandachtspunten S Bij incidenten met lokale/regionale oorsprong en uitstraling valt het proces onder verantwoordelijkheid van de lokale overheid/overheden; S bij incidenten met een oorsprong buiten het lokale/regionale gebied en met provinciale, nationale of internationale uitstraling valt het proces onder verantwoordelijkheid van de centrale overheid, met participatie door de lokale overheden; S zie proces 12. Procesverantwoordelijk S GGD. Uitvoering S Advisering maatregelen S inventariseren omvang besmetting/verspreiding S publieksvoorlichting S inzamelen besmette waren S uitvoering en toezicht op naleving maatregelen GGD GGD GGD/voorlichting reiniging/ stadsbeheer politie. Mogelijk in te schakelen S Ministerie van VWS; S Ministerie van VROM; S Ministerie van LNV. 36
Proces 12: Preventieve volksgezondheid/medisch-hygiënische maatregelen rampenplan Den Haag najaar 2000 Doel Het voorkomen van bedreigingen van de volksgezondheid of verspreiding van besmetting en ziekten door het vooraf geven van o.a. adviezen, voorlichting of medicamenten. Aandachtspunten S Het streven dient primair te zijn gericht op het wegnemen van de bron van de gezondheidsbedreiging; S verder moet verspreiding vanuit de bron worden voorkomen, o.a. door het inzamelen van besmette waren (proces 11) en maatregelen t.a.v. vee; S Wet Bestrijding van Infectieziekten en Opsporing van Ziekteoorzaken; S Wet op de Collectieve Preventie. Procesverantwoordelijk S GGD. Uitvoering S publieksadvies/-voorlichting S verstrekken medicamenten GGD/voorlichting GGD. Mogelijk in te schakelen S Ministerie van VWS; S Ministerie van VROM; S Ministerie van LNV. 37
Proces 13: Geneeskundige hulpverleningsketen Doel Het garanderen van snelle, hoogwaardige geneeskundige hulp, direct na het ontstaan van een ramp of een zwaar ongeval. Het gaat hier om een keten van samenhangende en georganiseerde medische en paramedische handelingen vanaf het opsporen van gewonden tot en met het moment dat verdere behandeling in een ziekenhuis niet meer nodig is. Aandachtspunten: S Bij een groot aantal gewonde slachtoffers kan de keten worden gesplitst in een hoofd- en een nevenketen. De hoofdketen is gericht op alle spoedeisende ziekenhuisbehandelingen, bepaald via triage. De nevenketen is gericht op (ambulante) gewonde slachtoffers, waarvan volstaan kan worden met behandeling in een behandelcentrum, waarna zij mogelijk worden overgedragen aan een opvangcentrum; S splitsing in een hoofd- en nevenketen gebeurt bij capaciteitsknelpunten in de keten zelf. Bij triage in urgentieklassen 1, 2 en 3 worden klasse-3-slachtoffers in en nevenketen behandeld: S triage een eerste hulp worden zo veel mogelijk ter plaatse door professionele hulpverleners uitgevoerd; S Wet Geneeskundige Hulpverlening bij Rampen (WGHR); S Handboek Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen. Procesverantwoordelijk S GGD. Uitvoering S Redding (als onderdeel van proces 2) S geneeskundige hulpverlening, vanaf redding tot ziekenhuis S aanwijzen en inrichten van benodigde gebouwen S gewondenspreidingsplan S registratie t.b.v. CRIB brandweer GGD GGD/stadsbeheer/SZW GGD GGD Mogelijk in te schakelen S Vervoerbedrijven; S Rode Kruis/EHBO-vereniging(en)/LOTT/SIGMA s/regionaal Militair Commando West. 38
Proces 14: Opvangen Doel S Het bepalen van aantal en locatie van de benodigde opvangcentra; S het verzamelen en/of verwijzen van ontredderden, daklozen, evacués en lichtgewonden en het begeleiden daarvan naar opvangcentra, zo nodig via verzamellocaties; S het daadwerkelijk opvangen in opvangcentra. Aandachtspunten S Opvang in de geneeskundige hulpverleningsketen valt hier buiten; S niet-gehospitaliseerden uit de geneeskundige hulpverleningsketen vallen dus ook onder dit proces; S bij dit proces behoort de direct noodzakelijke verzorging, vooruitlopend op proces 22, dat een direct vervolg is van dit proces; S in de voorbereiding van de rampenbestrijding moet een lijst van mogelijke opvangcentra worden opgesteld. Deze locaties moeten daartoe geschikt kunnen worden gemaakt; S rekening moet worden gehouden met de opvang van huisdieren en van vee; S kustgemeenten kunnen worden aangewezen als opvanggemeente in het kader van het Rampenplan Noordzee. In dat geval zorgt de Rijkswaterstaat voor het aan land brengen van de slachtoffers. Procesverantwoordelijk S SZW. Uitvoering S Voorbereiding en aanwijzen opvangcentra S keuze opvangcentra in acute situaties S verzamelen/verwijzen S bekend maken verzamellocaties/opvangcentra via geluidswagens S doorverwijzen niet-gehospitaliseerden S plaatsen verwijzingsborden S inrichten opvangcentra S bekend stellen opvangcentra via media S opvang en beheer opvangcentra S registratie t.b.v. CRIB S ordehandhaving SZW politie politie politie GGD stadsbeheer stadsbeheer/szw voorlichting SZW SZW politie Mogelijk in te schakelen S Regionaal Militair Commando West (via CdK) (inrichting opvangcentrum); S dierenambulance; S Veterinaire Inspectie voor de Volksgezondheid. 39
Proces 15: Registreren van slachtoffers Doel S Registreren, verzamelen, groeperen en verifiëren van alle gegevens over slachtoffers; S op basis van de registratie, verstrekken van algemene informatie, aan de Gemeentelijke Crisisstaf (burgemeester) en via deze staf aan Voorlichting t.b.v. informeren van publiek en pers, en verstrekken van persoonlijke informatie aan familie/relaties van slachtoffers. Aandachtspunten S Registratie vindt plaats in een Registratiecentrum. Informatieverstrekking vindt plaats vanuit een Informatiecentrum. Beide centra vormen het Centraal Registratie- en Informatiebureau (CRIB), zijn bij elkaar geplaatst, maar fysiek gescheiden: S in eerste instantie worden gegevens over slachtoffers verzameld door de politie. Bij het operationeel worden van het CRIB moeten eerst deze gegevens worden overgenomen: S bij het registreren moet een totaalbeeld worden gevormd van zowel gevonden als vermiste slachtoffers; S het CRIB is niet primair bedoeld om algemene informatie te geven aan het publiek of aan de pers. Dit is een taak van Voorlichting. Procesverantwoordelijk S Burgerzaken. Uitvoering S Registratie S informatie verstrekken S opvang relaties slachtoffers S ordehandhaving S registratie in opvangcentra/bij tijdelijke huisvesting S registratie geneeskundige hulpverleningsketen S registratie na identificatie burgerzaken burgerzaken SZW/ GGD politie SZW/ burgerzaken GGD/ burgerzaken politie/burgerrzaken Mogelijk in te schakelen T.b.v. gegevens voor een totaalbeeld: S Volkshuisvesting; S belastingen (vastgoed-info); S buurthuizen/woningbouwcoöperatie; S politie/vreemdelingendienst (politie kan worden ingeschakeld bij info nabestaanden) S ziektekostenverzekeraars/bedrijfsverenigingen. 40
Proces 16: Identificeren van slachtoffers Doel Het vaststellen van de identiteit van slachtoffers aan de hand van bescheiden en lichaamskenmerken. Aandachtspunten - Het is van belang de plaats van lichamen en voorwerpen nauwkeurig vast te stellen en te registreren. Dit kan conflicteren met de daadwerkelijke rampbestrijding, door b.v. veiligheid bij redding, omvang van de ramp of het zware ongeval, risico s, besmettingsgevaar, e.d. Procesverantwoordelijk S politie. Uitvoering S Identificatie S registratie van gegevens t.b.v. CRIB politie politie/ burgerzaken Mogelijk in te schakelen S Rampen Identificatie Team (RIT). 41
Proces 17: Uitvaartverzorging Doel De (meestal grote aantallen) slachtoffers van een ramp of een zwaar ongeval een zorgvuldige uitvaartverzorging te geven. Aandachtspunten S In principe wordt zo veel mogelijk de normale gang van zaken gevolgd, namelijk dat de verzorging waar mogelijk en haalbaar wordt overgedragen/overgelaten aan de nabestaanden. Indien dit niet meer lukt door te veel slachtoffers en/of de volksgezondheid dit niet toelaat, zal de uitvaartverzorging collectief plaatsvinden; S op basis van de Wet op de lijkbezorging is overleg met de Officier van Justitie noodzakelijk; S in het kader van de nazorg voor de nabestaanden is het belangrijk dat de ramp of het zware ongeval wordt afgesloten met een algemene rouwdienst. Procesverantwoordelijk S SZW Uitvoering S Regelen begrafenis/crematie S inrichten morgue/chapelle ardente S transport overledenen naar morgue S geestelijke verzorging in chapelle ardente/morgue S inrichten noodbegraafplaatsen S begraving/crematie van overledenen, waarvoor anderen geen zorgdragen S registratie t.b.v. CRIB S justitiële begeleiding S advisering m.b.t. volksgezondheid SZW stadsbeheer stadsbeheer SZW Stadsbeheer SZW SZW/burgerzaken politie GGD Mogelijk in te schakelen S Geestelijken; S Ministerie van VWS. 42
Proces 18: Waarnemen/meten Doel Het georganiseerd en gestructureerd verzamelen van (meet)gegevens over aard, ernst en omvang van een gevaarstoestand, om beslissingen over de veiligheid van bevolking en bestrijders te kunnen nemen. Aandachtspunten S Uitvoering gebeurt door gespecialiseerde eenheden (meetploegen Waarschuwings- en Verkenningsdienst -WVD- van de regionale brandweer), deskundigen en/of instellingen. Procesverantwoordelijk S brandweer. Uitvoering S Waarnemen/meten brandweer. Mogelijk in te schakelen S Milieudienst(en) S DCMR S systeemeigenaren/-beheerders meetnetten S keuringsdiensten. 43
Proces 19: Begidsen Doel Het begeleiden van transporten om de weg te wijzen en vrije doorgang bij knelpunten te verzorgen. Aandachtspunten S Dit proces kan eventueel worden gecombineerd met beveiligingstaken. Procesverantwoordelijk S politie Uitvoering S Begidsen (loodsen) politie. Mogelijk in te schakelen S Ministerie van Defensie. 44
Proces 20: Toegankelijk/begaanbaar maken, opruimen Doel Het begaanbaar maken van aan- en afvoerwegen naar en van het rampterrein en het opruimen van voor de bestrijding van de ramp of het zware ongeval hinderlijke blokkades in het rampterrein. Aandachtspunten S Dit proces betreft niet het herstel van infrastructuur in oorspronkelijke staat. Procesverantwoordelijk S brandweer. Uitvoering S Toegankelijkheid/opruimen binnen-rampterrein S toegankelijkheid/opruimen buiten-rampterrein brandweer/stadsbeheer stadsbeheer. Mogelijk in te schakelen S Systeemeigenaren/-beheerders; S reiniging; S Ministerie van Defensie. 45
Proces 21: Verzorging/logistiek rampbestrijdingspotentieel Doel Het beschikbaar stellen, beheren, verzorgen en op peil houden van personele en materiële middelen, die noodzakelijk zijn voor het op gang houden van de rampenbestrijdingsorganisatie. Aandachtspunten S In principe zorgt elk organisatie-onderdeel in eerste instantie voor de eigen verzorging/logistiek en voor die van aan hen toegevoegde hulp- en bijstandsverlenende eenheden; S voor een goede uitvoering moet een verzorgingsplan worden opgesteld; S voor een goede efficiency en in verband met mogelijke schaarste, is het nodig dat de totale verzorging/ logistiek wordt gecoördineerd; S het verzorgingsplan dient te voorzien in de situatie dat de organisaties niet langer in staat zijn (een deel van) hun verzorging/logistiek te realiseren. Hiervoor is proces 22 gedeeltelijk van toepassing. Procesverantwoordelijk S brandweer. Uitvoering S Eigen verzorging/logistiek S opstellen verzorgingsplan S coördinatie alle organisaties/afdelingen brandweer brandweer Mogelijk in te schakelen S Regionaal Militair Commando West/Ministerie van Defensie; S Leger des Heils; S vervoerbedrijven; S ANWB-Wegenwacht. 46
Proces 22: Voorzien in primaire levensbehoeften van slachtoffers Doel Het voorzien in (tijdelijke) huisvesting, voeding, kleding, e.d. voor ontredderden, dakloos geraakten, evacués en lichtgewonden. Aandachtspunten S In eerste instantie gebeurt dit in opvangcentra. In tweede instantie wordt gezocht naar terugkeer naar de normale situatie, onderkomen bij familie/vrienden, in hotels, noodonderkomens of ter beschikking gestelde woningen; S dit proces is een direct vervolg van proces 14; S dit voorzien geldt niet voor slachtoffers in de geneeskundige hulpverleningsketen. Procesverantwoordelijk S Sociale zaken en werkgelegenheidsprojecten (SZW) Uitvoering S Verstrekken kleding, financiële middelen, recreatiemiddelen SZW - regelen voeding SZW S transport voeding stadsbeheer S tijdelijke huisvesting regelen SZW - vervangende huisvesting regelen SZW S geestelijke verzorging GGD/SZW S ordehandhaving politie S geneeskundige verzorging GGD Mogelijk in te schakelen S Leger des Heils; S Rode Kruis; S EHBO-vereniging; S Nederlandse Vrouwenraad; S Regionaal Militair Commando West/Ministerie van Defensie; S Woningbouwcoöperaties/-verenigingen/Ministerie van VROM. 47
Proces 23: Strafrechtelijk onderzoek Doel Het opsporen van strafbare feiten. Aandachtspunten S Strafrechtelijk onderzoek vindt plaats onder gezag van het Openbaar Ministerie; S strafrechtelijk onderzoek kan een aandeel leveren in de evaluatie van een ramp of een zwaar ongeval; S om conflicten tussen het strafrechtelijk onderzoek en de rampbestrijding te voorkomen is overleg nodig tussen burgemeester en Officier van Justitie. Procesverantwoordelijk S politie. Uitvoering S Onderzoek politie. 48
Proces 24: Geestelijke verzorging Doel Het verlenen van hulp aan mensen met psychisch letsel door de ramp of het zware ongeval/gebeurtenis: slachtoffers, relaties van slachtoffers en hulpverleners. Aandachtspunten S In eerste instantie is er sprake van collectieve hulpverlening tijdens de ramp of het zware ongeval, overgaand in meer specifieke, individuele hulpverlening in de nazorgfase; plaatsen voor geestelijke verzorging: S slachtoffers in de geneeskundige hulpverleningketen: verzamelplaats gewonden (incl. opvangplaats terminale slachtoffers); S slachtoffers buiten de geneeskundige hulpverleningsketen: EHBO-posten, opvangcentra; S relaties van slachtoffers: informatiecentrum (CRIB), morgue (bij identificatie), chapelle ardente; S hulpverleners: rampterrein (uitrustplaatsen). Procesverantwoordelijk S GGD. Uitvoering S verlenen geestelijke hulp GGD/SZW Mogelijk in te schakelen S RIAGG; S Leger des Heils; S Rode Kruis; S EHBO-verenigingen; S Nederlandse Vrouwenraad; S Bureau Slachtofferhulp. 49
Proces 25: Schade-afhandeling Doel S Het beperken van schade en het voorkomen van vervolgschade; S beeldvorming van omvang en ernst van de schade; S stellen van prioriteiten voor opruiming en herstel; S vaststellen van eventuele aansprakelijkheid; S eventueel starten van een strafrechtelijk onderzoek. Aandachtspunten S Dit proces start reeds tijdens de acute rampbestrijding en loopt door in de nazorgfase. Tijdens de bestrijding houdt schade-afhandeling in het beperken van schade, het voorkomen van vervolgschade, het starten met schaderegistratie en het regelmatig geven van een totaalschadebeeld aan de Gemeentelijke Crisisstaf; S voor organisatie en coördinatie van de schaderegistratie en -afhandeling wordt een bureau Centrale Registratie Afhandeling Schade (CRAS) opgezet, waarin overheid, verzekeraars en betrokkenen moeten samenwerken. Procesverantwoordelijk S Dienst Stedelijke Ontwikkeling B&M Uitvoering S Opzetten en leiding geven aan een bureau CRAS S administratieve registratie schade S inschakelen Bureau Coördinatie Experts monumentenzorg S inschakelen en coördineren betrokken gemeentelijke diensten S berichtgeving schadebeeld (via GCS) DSO (sted. ontwikkeling) GKB financiën DSO bouwen en DSO B&M voorlichting Mogelijk in te schakelen S Verzekeraars Hulpdienst VHD / Stichting Salvage S Bureau Voorlichting Verzekering Stichting Nationaal Rampenfonds S Bureau Laser (uitvoeringsorganisatie Ministerie van LNV t.b.v. de Wet tegemoetkoming schade bij rampen). 50
4.5. Overzicht verantwoordelijken processen Procesverantwoordelijke Nr. Processen Relatie met processen Ambtenaar rampenbestrijding 1. Alarmering van bestuur en 15. 21. uitvoerenden Brandweer 2. 4. 4.9.13 10. 18. 20. 21. Brand- en ongevalsbestrijding Waarschuwen bevolking Ontsmetten van voertuigen en Infrastructuur Waarnemen/meten Toegankelijk/begaanbaar maken, opruimen Verzorging/logistiek rampbestrijdingspotentieel Voorlichting 3. Voorlichting 1.4. 5. 6. 7. 9. 11. 12. 14. 21.25. Politie 5. 6. 7. 8. 16. 19. 23. GGD 9. 11. 12. 13. 24. SZW 14. 17. 22. Ontruimen/verplaatsen bevolking Afzetten/afschermen Verkeer regelen Ordehandhaving Identificeren van slachtoffers Begidsen Strafrechtelijk onderzoek Ontsmetten van mensen Inzamelen van besmette waren Preventieve volksgezondheid/medischhygiënische maatregelen Geneeskundige hulpverleningsketen Geestelijke verzorging Opvangen Uitvaartverzorging Voorzien in primaire levensbehoeften slachtoffers Burgerzaken 15. Registreren van slachtoffers Stedelijke ontwikkeling 25. Schade-afhandeling 2. Financiën geen facilitair voor het proces 25. Gemeentelijke kredietbank geen facilitair voor het proces 25. 1.4.5.9.11. 4.21.22. 5. 14. 15. 17. 21. 22. 9. 15. 21. 24 Stadsbeheer geen facilitair voor de processen 2.6.7.9.10.1 1.14.17. 20. 21. 22. 51
5. Lijst van afkortingen en begrippen 5.1. Afkortingen AC ARB BC BD BGM DSB B&W BRW BSD BUZA BZK B&M CB CDK CMK CPA CRAS CRIB CTPI CVD DBZ DCMR DSO EZ FAD FIN GAC GCC GCVD GCS GGD GHOR GKB GNK HGA HIvD HOvJ HRH KC KNRM KWC LOTT LNV ME Actiecentrum (gemeentelijke dienst) Ambtenaar Rampenbestrijding Bureauchef (van politie) Bestuursdienst Burgemeester Dienst Stadsbeheer College van Burgemeesters en Wethouders Brandweer Bestuursdienst Ministerie van Buitenlandse Zaken Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Bouwen en Monumentenzorg Coördinerend burgemeester Commissaris der Koningin Centrale Meldkamer Centrale Post Ambulancevervoer Centraal Registratiebureau Afhandeling Schade Centraal Registratie- en Informatiebureau Coördinatie Team Plaats Incident Commandant van Dienst (brandweer) Dienst Burgerzaken Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond, Milieudienst Rijnmond Dienst Stedelijke Ontwikkeling Ministerie van Economische Zaken Facilitaire Dienst Financiële Dienst Gemeenschappelijk Actiecentrum Gemeentelijk Coördinatiecentrum Geneeskundig Commandant van Dienst Gemeentelijke Crisisstaf Gemeentelijke Gezondheidsdienst (Dienst Welzijn) Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen Gemeentelijke Kredietbank Geneeskundig Hoofd Geneeskundige Aangelegenheden Hoofd Inspecteur van Dienst Hoofdofficier van Justitie Hulpverleningsregio Haaglanden Korpschef (van politie) Koninklijke Nederlandse Reddings Maatschappij Kustwachtcentrum (Stichting) Landelijke Organisatie Trauma Teams Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij Mobiele Eenheid (van politie) 52
ML MK MMK NCC NN NRK NVC OBP OGS OL OM OvD PCC POL PRS RAC RAV RBO RBT RCC RCvD RIT RIVM RMC RN ROGS RVD RWS SIGMA SITRAP SZW TML V & W VG VHD V&EB VROM VWS WVD Medisch Leider Meldkamer Mobiele Meldkamer Nationaal Coördinatiecentrum Nationaal Noodnet Nederlandse Rode Kruis Nationaal Voorlichtingscentrum Operationeel Basisplan Ongevalsbestrijding Gevaarlijke Stoffen Operationeel Leider Openbaar Ministerie Officier van Dienst (van de brandweer) Provinciaal Coördinatiecentrum Politie Provinciale Rampenstaf Regionale Alarmcentrale (brandweer) Regionale Ambulancevoorziening Rampenbestrijdingsorganisatie Regionaal Beleidsteam Regionaal Coördinatiecentrum Regionaal Commandant van Dienst (van de brandweer) Rampen Identificatie Team (politie) Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne Regionaal Militair Commando Reddingsbrigades Nederland Regionaal Officier Ongevalsbestrijding Gevaarlijke Stoffen (van de brandweer) Rijksvoorlichtingsdienst Rijkswaterstaat Snel Inzetbare Groep ter Medische Assistentie Situatierapport Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten Toegevoegd Medisch Leider Ministerie van Verkeer en Waterstaat Verzamelplaats Gewonden Verzekeraars Hulpdienst Voorlichting & Externe Betrekkingen (Bestuursdienst) Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Waarschuwings- en Verkenningsdienst (brandweer) ZAUSTAT Ziekenautostation 53
5.2. Begrippen Aanwijzing Door de Commissaris der Koningin c.q. de Minister van BZK krachtens de wet genomen beslissing met als doel richting te geven aan het door de burgemeester c.q. de commissaris bij de rampbestrijding te voeren beleid. Actiecentrum De plaats van waaruit een dienst of organisatie de eigen bijdrage aan de bestrijding van een ramp of zwaar ongeval regelt (zie ook gemeenschappelijk actiecentrum). Acute voorlichting over een ramp of een zwaar ongeval Voorlichting die plaatsvindt wanneer een ramp of een zwaar ongeval dreigt, zich voltrekt of zojuist heeft plaatsgevonden en die erop gericht is de bevolking adequaat te laten reageren op de actuele omstandigheden om zo schadelijke gevolgen te vermijden, te beperken of ertegen op te treden. Alarmeren Het geven van een attentiesignaal dat, al niet via hetzelfde medium, dient te worden gevolgd door een oproep (eenheden/diensten) of een waarschuwing (o.a. het publiek). Zie ook: waarschuwen. Behandelcentrum Een plaats waar lichtgewonde slachtoffers van een ongeval/ramp, die niet in een ziekenhuis behoeven te worden opgenomen, worden bijeengebracht voor een medische behandeling. Berichtencentrum Het centrum dat belast is met de verwerking van alle inkomende en uitgaande berichten. Besmetting De neerslag en/of absorptie van radioactief materiaal, biologische of chemische (strijd)middelen of andere (industriële) chemische producten op en door gebouwen, terreinen, materiaal, voedingsmiddelen en personen. Bestuurlijke organisatie Het gedeelte van de leidingstructuur op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau: bestuurders en hun staven waaronder de Gemeentelijke Crisisstaf. Bevoegd gezag Al naar gelang de van toepassing zijnde wettelijke bepaling de burgemeester, de voorzitter van de regionale brandweer, de Commissaris der Koningin, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Bijstand Aanvullend potentieel van buiten de eigen dienst, aangevraagd door het bevoegd gezag. Binnengrens-rampterrein Begrenzing van het hulpverleningsgebied, alleen toegankelijk voor de bij de rampbestrijding betrokken diensten. Buitengewone omstandigheden Oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone voorvallen en gebeurtenissen, waarbij het normaal ter beschikking staande bevoegdhedeninstrumentarium niet toereikend is om de situatie het hoofd te bieden. Buitengrens-rampterrein De uiterste begrenzing van het rampterrein. Bron- en effectbestrijding 54
Alle (acuut) te verrichten activiteiten ter directe bestrijding en stabilisatie van een incident en het terugdringen van gevaar. Calamiteit Een ongewone gebeurtenis met aanzienlijke materiële en/of gevolgschaden. Centraal Registratiebureau Afhandeling Schade Een gemeentelijke taakgroep van schade-experts die zich door actief en passief informatie vergaren, richt op het op een centrale plaats verkrijgen van een totaaloverzicht van ontstane schade. Centraal Registratie- en Informatiebureau Het gemeentelijk bureau verzamelt gegevens omtrent doden, gewonden, vermisten en verplaatste personen, registreert deze gegevens, en verstrekt deze op aanwijzingen van het bevoegd gezag aan belanghebbenden. Centrale meldkamer Gemeenschappelijk centrum van de parate hulpverleningsdiensten t.b.v. melding, alarmering en verbindingen. Chapelle ardente (rouwkapel) De plaats waar de overleden slachtoffers van een ramp of een zwaar ongeval worden opgebaard. Collectief leiderschap Het op basis van gelijkwaardigheid en goed onderling overleg en afstemming in teamverband leiding geven aan in te zetten eenheden en disciplines. Commandostructuur De leidingstructuur van de rampenbestrijdingsorganisatie op uitvoerend niveau, de operationeel gerichte leidingstructuur van een bepaalde dienst, van militaire eenheden of anderszins. Coördinatie De onderlinge afstemming van informatie, adviezen, verantwoordelijkheden of taken ten einde een doeltreffende besluitvorming of uitvoering te bevorderen. Coördinatiecentrum (rampenbestrijding) De plaats van waaruit coördinatie, bestuurlijk dan wel operationeel, plaatsvindt. Crisis Een ernstige verstoring van de basisstructuren van het maatschappelijk systeem en/of aantasting van de fundamentele waarden en normen van het maatschappelijk systeem. Crisisbeheersing Acties die leiden tot een beheersing van een crisis, waarbij de bescherming van vitale maatschappelijke belangen centraal staat. Crisismanagement Het geheel van beheersingsacties dat samenhangend en effectief verloopt, doordat voor een projectmatige aanpak is gekozen. Driehoeksoverleg Het overleg tussen een burgemeester en een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie, in aanwezigheid van een politiechef, dat gericht is op beleidsafstemming voor opdrachten aan de politie. Evacuatie Een door de overheid gelaste verplaatsing van groepen personen in Nederland met daaronder begrepen: vervoer(sbegeleiding), opneming, verzorging en terugkeer van deze groepen, de voorbereiding daarvan en de nazorg. 55
Gemeenschappelijk actiecentrum Een actiecentrum van enkele diensten, eventueel uit verschillende gemeenten, dat gericht is op één of meer activiteiten in een niet scherp af te bakenen of onsamenhangend gebied. Gemeentelijk Coördinatiecentrum Het centrum, van waaruit het bestuurlijke, beleidsmatige optreden wordt geleid, zijnde het onderkomen van de Gemeentelijke Crisisstaf. (Ook wel aangeduid met benamingen als beleidscentrum, noodbestuurspost, crisiscentrum.) Gemeentelijke Crisisstaf Het door de burgemeester samengestelde orgaan dat hem bijstaat bij het leidinggeven aan de bestrijding van een incident/ramp of zwaar ongeval. (Ook wel aangeduid met benamingen als beleidsteam, crisisteam, e.d.) Wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheden van de Wet rampen en zware ongevallen, dan is dit de gemeentelijke rampenstaf in de zin van deze wet. Geneeskundige combinatie Een organisatorisch samenwerkingsverband van een traumateam, 2 ambulanceteams (elk met 1 verpleegkundige en 1 chauffeur) en een SIGMA, onder eenhoofdige leiding van een daartoe aangewezen geneeskundig functionaris. Geneeskundige hulpverleningsketen De keten van samenhangende en georganiseerde reddings-, medische en paramedische handelingen, vanaf het opsporen van de gewonden, tot het moment dat verdere behandeling in een ziekenhuis niet meer nodig is. Gevolgbestrijding Alle activiteiten ter verdere afhandeling van een incident en van de directe en indirecte gevolgen, de terugkeer naar de normale situatie en het gehele nazorgtraject. Gewondennest Een eerste verzamelpunt voor gewonde slachtoffers in het rampterrein. Gewondenspreidingsplan Een plan, waarin de spreiding van een groot aantal gewonden over ziekenhuizen wordt voorbereid, en waarin wordt uitgegaan van de medische behandelcapaciteit van de betrokken ziekenhuizen. Hulpverleningsgebied Dat deel van het rampterrein waarop de hulpverlening zich concentreert omdat daar sprake is van waarneembare of te verwachten schade aan de gezondheid van grote aantallen personen of aan grote materiële belangen. Inzetvak Het aangewezen gedeelte van het rampterrein, waarin een daarvoor bestemde rampbestrijdingseenheid zijn opdracht uitvoert. Klasse I t/m V-goederen Logistieke indeling van soorten goederen: I. levensmiddelen; II. uitrusting, gebruiksmiddelen; III. benzine, olie en smeermiddelen (BOS); IV. uitrusting in tijdelijke bruikleen; V. genees- en verbandmiddelen, blusmiddelen. Leidingstructuur De structuur van de gehele leidinggevende organisatie voor de rampbestrijding, waarin met name te onderscheiden: de bestuurlijke organisatie en de commandostructuur. 56
Logistiek 1. De verwerving, opslag, het beheer en onderhoud en de uitgifte van klasse I, II, III, IV en V-goederen; 2. alle voorbereidingen en handelingen die nodig zijn om het potentieel voor de bestrijding van zware ongevallen en rampen zo doeltreffend mogelijk in te zetten en te bevoorraden. Loodspost Een als regel vooraf bepaalde, gemakkelijk te vinden plaats waar bijstandsverlening potentieel wordt opgevangen en van waaruit het naar een gewenste plaats wordt geleid. LOTT-team Zie traumateam. Medische behandelcapaciteit Het aantal gewonden van urgentieklasse 1 en 2, dat per uur volgens de geldende medische inzichten kan worden behandeld in een ziekenhuis. Medische transportcapaciteit Het aantal gewonden dat per uur op geschikte wijze kan worden vervoerd. Morgue/mortuarium De plaats buiten het terrein waar de ramp of een zwaar ongeval heeft plaatsgevonden waarheen de stoffelijke resten van slachtoffers worden overgebracht ter identificatie. Noodbevoegdheden (gemeentelijke) Bevoegdheden van de burgemeester ter handhaving van de openbare orde of ter beperking van gevaar, in geval van oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden, of van rampen of zware ongevallen, dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan (Gemeentewet artikelen 175 en 176). Ondersteuning Het geheel van secretariële, logistieke en verbindingstechnische voorzieningen, dat ten doel heeft een staf of een beleidsteam te laten functioneren. Ondersteuningsgebied Het deel van het rampterrein dat nodig is om het optreden in het hulpverleningsgebied mogelijk te maken. Ontruiming Het voor korte duur verlaten van de verblijfplaats op een advies van parate diensten. Brandweer en politie kunnen direct tot een dergelijk advies overgaan, indien daarvoor, binnen aan te geven grenzen, een mandaat is verstrekt. Een voorwaarde daarbij kan zijn dat zij de ontruiming zelf in goede banen kunnen leiden (vergelijk: evacuatie). Operationeel Basisplan (OBP) Een geordende verzameling operationele gegevens van (vanuit en betreffende) alle bij de rampenbestrijding betrokken diensten in een gemeente, dan wel regio. Operationeel Leider De functionaris in de Gemeentelijke Crisisstaf (GCS) of het Regionaal Beleidsteam (RBT) die door het bevoegd gezag is/wordt aangewezen om de operationele leiding uit te oefenen. Hij adviseert de opperbevelhebber over operationele aangelegenheden. Operationele leiding De bevoegdheid tot het in opdracht van de opperbevelhebber geven van bindende aanwijzingen aan commandanten/hoofden van de bij de rampbestrijding samenwerkende zelfstandige diensten, zonder daarbij te treden in de bevoegdheden van de commandanten/hoofden van de diensten aangaande de wijze van uitvoeren van de taken. 57
Opperbevel Opperbevel duidt op twee samenhangende noties: enerzijds de politieke en bestuurlijke verantwoordelijkheid, anderzijds de zeggenschap over ieder die aan de bestrijding van een ramp of zwaar ongeval deelneemt, zulks in het bijzonder met het oog op een goede coördinatie. Opvangcentrum De plaats waar niet-gewonde en (behandelde) lichtgewonden worden ondergebracht in afwachting van de mogelijkheid tot terugkeer naar de eigen woongelegenheid of onderbrenging elders. Perscentrum De plaats waar onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag informatie wordt verstrekt aan de publiciteitsmedia over een ramp of een zwaar ongeval. Proces Een combinatie of een aaneenschakeling van een aantal samenhangende hulpverlenings- en/of rampbestrijdingsactiviteiten, die naar aard en intensiteit afhankelijk zijn van het ramptype. Afhankelijk van aard, omstandigheden, omvang, e.d. van een ramp of een zwaar ongeval, kan sprake zijn van een gedeeltelijke uitvoering van een proces. Procesverantwoordelijke De eindverantwoordelijkheid van een organisatie of afdelingshoofd voor de voorbereiding en uitvoering van de activiteiten en taken binnen een proces. De procesverantwoordelijke is de initiator, coördinator en bewaker van alle noodzakelijke voorbereiding op en van een juiste en volledige uitvoering van het proces. waar ook andere diensten participeren. Provinciale Rampenstaf Het door de Commissaris der Koningin samengestelde orgaan dat hem bijstaat bij zijn coördinerende en bijstand regelende taak in de rampenbestrijding. Provinciaal Coördinatiecentrum De plaats waar de Commissaris der Koningin en zijn/haar Provinciale Rampenstaf zijn gezeteld. Provinciaal Coördinatieplan In dit plan is vastgelegd hoe de CDK inhoud en uitvoering geeft aan de Wet rampen en zware ongevallen. Ramp of zwaar ongeval Een gebeurtenis: 1. waardoor een ernstige verstoring van de openbare veiligheid is ontstaan, waarbij het leven en de gezondheid van vele personen of grote materiële belangen in ernstige mate worden bedreigd of zijn geschaad, en 2. waarbij een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties van verschillende discipline is vereist om de dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken. Rampbestrijdingsplan Het samenstel van maatregelen dat voorbereid is voor het geval zich een ramp of een zwaar ongeval voordoet die naar plaats, aard en gevolgen voorzienbaar is. (Met "plaats" wordt niet slechts een gebied bedoeld, maar ook een object of een traject (spoorweg, weg).) Rampenbestrijding Het geheel van overheidsmaatregelen ter bescherming van de bevolking en gericht op de beperking of verzachting van de gevolgen van zware ongevallen en rampen Rampen Identificatie Team (RIT) Eenheid van politie met als taak het verlenen van bijstand bij de berging en identificatie van slachtoffers van een ramp of een zwaar ongeval. Rampenplan 58
Een organisatieplan waarin in algemene zin is aangegeven hoe in geval van een ramp of een zwaar ongeval of een dreigende ramp of zwaar ongeval gehandeld dient te worden ten einde tot een doelmatig bestrijden van de ramp of het zware ongeval en de gevolgen daarvan te komen. Rampgebied Deel van het Nederlands grondgebied waarvoor buitengewone omstandigheden in de zin van de Wet rampen en zware ongevallen zijn afgekondigd. Rampterrein Het door de opperbevelhebber aangewezen gedeelte van een gemeente waarbinnen bijzondere regimes gelden ten aanzien van de handhaving en het herstel van openbare veiligheid en openbare orde. Regionaal Beleidsteam (RBT) Multidisciplinaire staf die de bestuurlijke coördinator ondersteunt en adviseert vanuit de betrokken hulpverleningsdiensten. Bevindt zich op strategisch niveau en is gerelateerd aan het RCC en vertaalt daarvoor beleidsbeslissingen in concrete opdrachten Regionaal Coördinatiecentrum (RCC) Gemeenschappelijk actiecentrum van de parate hulpverleningsdiensten (brandweer, politie, geneeskundig). Bevindt zich op tactisch niveau. Regionaal meetplan Werkplan van de Waarschuwings- en Verkenningsdienst (WVD) van de regionale brandweer, waarin het uitvoeren van metingen bij ongevallen met gevaarlijke stoffen organisatorisch en technisch is uitgewerkt. Regionaal Deskundige Ongevalsbestrijding Gevaarlijke Stoffen (ROGS) Deskundige van de regionale brandweer op het gebied van het optreden bij de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Snel Inzetbare Groep ter Medische Assistentie (SIGMA) Een geneeskundige groep van het geneeskundig peloton van het Rode Kruis of samengesteld uit EHBO ers, die bij toerbeurt bereikbaarheidsdienst verricht voor een eerste optreden bij grootschalige incidenten. Situatierapport (SITRAP) Een bondig rapport van de operationele en verzorgingstoestand dat periodiek op eigen initiatief of op aanvraag aan het hogere echelon wordt verstrekt. Strategisch niveau (hoogste niveau) Dat niveau binnen de rampenbestrijdingsorganisatie dat zich bezighoudt met de beleidsvoering en besluitvorming op hoofdlijnen ter bestrijding van de crisis en zijn gevolgen op langere termijn. Systeemeigenaar Beheerder/eigenaar van een bedrijf, installatie of ander systeem. Bijvoorbeeld RWS (o.a. vaar- en verkeerswegen), waterschap/hoogheemraadschap (o.a. dijken), NS, nutsbedrijf. Tactisch niveau (middelste niveau) Dat niveau binnen de rampenbestrijdingsorganisatie dat zich bezighoudt met het faciliteren en het coördineren van de te plegen inzet van eenheden en diensten in het crisisgebied, alsmede met de vertaling van op strategisch niveau genomen besluiten in uitvoerbare opdrachten en acties. Triage Het classificeren van gewonden naar de ernst van de opgelopen letsels. Deze classificatie resulteert in een aantal urgentieklassen voor behandeling. Traumateam 59
Een team dat in staat is ter plaatse (buiten een ziekenhuis) triage uit te voeren en hoogwaardige specialistische hulp te verlenen. Traumateams worden samengesteld en geleverd door ziekenhuizen die zijn aangesloten bij de Stichting Landelijke Organisatie Trauma Teams (LOTT). Uitgangsstelling (UGS) De plaats waar het bij de rampbestrijding in te zetten potentieel wordt samengetrokken, van waaruit het wordt ingezet en waarheen het na de werkzaamheden terugkeert. Uitvoerend niveau (laagste niveau) Dat niveau binnen de rampenbestrijdingsorganisatie dat zich bezighoudt met de uitvoering in het crisisgebied van de genomen besluiten en de gegeven opdrachten. Uitzonderingstoestand (beperkte of algemene noodtoestand) Situatie van oorlog en oorlogsgevaar of situaties van complexe aard zoals grootschalige rampen en rampomstandigheden in vredestijd met een bijzondere (op zichzelf staande) rechtstoestand op grond van Artikel 7 en/of 8 van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. Urgentieklasse De medische behandelurgentie van bepaalde gewonden. Resultaat van triage. De classificatie geschiedt aan de hand van de toestand van de Ademhaling (A), het Bewustzijn (B), en de Circulatie (C). De urgentieklassen zijn: 1. Urgentieklasse 1 (A, B, C-instabiele slachtoffers): gewonden wier leven onmiddellijk wordt bedreigd door een obstructie van de ademwegen en/of door stoornissen van de ademhaling en/of circulatie; 2. Urgentieklasse 2 (A, B, C-stabiele slachtoffers te behandelen binnen 6 uur): gewonden wier leven na enkele uren wordt bedreigd door een obstructie van de ademwegen, stoornissen van de ademhaling en/of circulatie of die gevaar lopen op ernstige infecties of invaliditeit, wanneer zij niet binnen 6 uur na oplopen van het letsel behandeld worden; 3. Urgentieklasse 3 (A, B, C-stabiele slachtoffers): gewonden die niet bedreigd worden door een ademwegen-obstructie, stoornissen van de ademhaling en/of circulatie, ernstige infecties of invaliditeit; daarnaast bestaat een urgentieklasse 4. Deze kan in principe alleen onder oorlogsomstandigheden worden gehanteerd; 4. Urgentieklasse 4 (A, B, C-instabiele slachtoffers): gewonden, waarbij onder de gegeven omstandigheden de ademweg niet kan worden vrijgemaakt en vrijgehouden, de ademhaling niet kan worden veiliggesteld, bloedingen niet tot staan kunnen worden gebracht en shock niet toereikend kan worden bestreden. Veiligheidszone Een gebied rond het rampterrein dat de politie in staat stelt dat terrein af te zetten/schermen. Versterking Aanvullend potentieel uit eigen dienst. Verzamelplaats gewonden (VG) Een plaats waar gewonden bijeengebracht worden, waar door georganiseerde hulpverleners een voortgezette triage plaatsvindt, ten behoeve van het bepalen van de behandel- en vervoerurgentie, levensreddende en stabiliserende behandelingen worden verricht en waar zij gereed gemaakt worden voor verder vervoer naar een ziekenhuis. Waarschuwen Betrokkenen informeren over een gevaar en het daarbij geven van een gedragsadvies. Waarschuwings- en Verkenningsdienst (WVD) 60
Technische eenheid van de regionale brandweer voor het doen van waarnemingen bij nucleaire en chemische ongevallen, het verzamelen van meetgegevens en het afbakenen van besmette gebieden. Ziekenautostation (ZAUSTAT) Een plaats waar de aan het gewondenvervoer deelnemende ziekenauto's zich melden om een rijopdracht te ontvangen. 61
6. Verzendlijst Verzendlijst rampenplan en deelplannen. Gemeentelijke overheid/ Crisisstaf: S burgemeester S wethouders S gemeentesecretaris; S gemeenteraadsfracties; S commandant brandweer Den Haag; S onderdeelschefs Den Haag S directeur van de GGD; S diensthoofden/ directeuren in de gemeente: BSD ( ABA, BO), VEB, DBZ, DSB, SZW, FIN, GKB, FAD ; S ambtenaar rampenbestrijding; S openbare bibliotheek; S pers; Regionale organisaties en overige overheden: S commissaris der Koningin in de provincie Zuid-Holland; S college van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland; S colleges van burgemeester en wethouders van de Hulpverleningsregio Haaglanden; S commandant van de regionale brandweer; S korpschef regionale politie Haaglanden; S dijkgraaf Hoogheemraadschap van Delfland S directeur Eneco Den Haag; S directeur DZH; S directeur ziekenhuis Leyenburg; S directeur ziekenhuis Westeinde; S algemeen bestuur Hulpverleningsregio Haaglanden; S meldkamers BRW, POL, GGD. 62
Toelichting op het rampenplan BIJLAGE 1 Het rampenplan in een breder perspectief Algemeen Het rampenplan Bij de opzet van dit rampenplan is uitgegaan van de betrokken wetten en de hierop gebaseerde richtlijnen. Niet alleen de teksten hiervan maar ook de gedachten die aan deze teksten ten grondslag lagen, vormden hierbij de leidraad. De verantwoordelijkheid voor de rampenbestrijding wordt in de Wet rampen en zware ongevallen gelegd bij de gemeenten, en sluit aan bij hetgeen in de Gemeentewet is geregeld. De gemeente vormt hiermee de basis van de rampbestrijding en door samenwerking met andere gemeenten moet tot de benodigde grootschalige bestrijding gekomen worden. Blijkt echter dat deze samenwerking tijdens de rampbestrijding te wensen over laat, dan voorziet de Wet rampen en zware ongevallen hierin met de aanwijzingsbevoegdheid van de Commissaris der Koningin, op grond van de artikelen 12 en 22 van de Wet rampen en zware ongevallen. De wijze waarop een gemeente zich heeft voorbereid op de rampenbestrijding, is vastgelegd in een rampenplan (artikel 3 van de Wet rampen en zware ongevallen). Voor een adequate samenwerking tussen gemeenten bij (het voorbereiden van) de rampenbestrijding is het dan ook essentieel, dat de rampenplannen van de samenwerkende gemeenten eenduidig zijn. Om dit te bereiken is door de gemeenten die deelnemen aan de gemeenschappelijke regeling Hulpverleningsregio Haaglanden een model-rampenplan opgesteld. Door het rampenplan van elke deelnemende gemeente overeenkomstig dit model op te zetten, wordt in deze eenduidigheid voorzien. Het voorliggende rampenplan is opgezet conform dit model-rampenplan. Het fenomeen "ramp" Artikel 1, eerste lid, onder b., van de Wet rampen en zware ongevallen geeft een definitie van het begrip "ramp of zwaar ongeval". Hieronder wordt verstaan een gebeurtenis: 1. waardoor een ernstige verstoring van de openbare veiligheid is ontstaan, waarbij het leven en de gezondheid van vele personen of grote materiële belangen in ernstige mate worden bedreigd of zijn geschaad, en 2. waarbij een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties van verschillende disciplines is vereist om de dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken. De definitie is opgenomen omdat een zekere beperking van de toepassing van de in deze wet neergelegde bevoegdheden gewenst was. Anders zouden deze ook op een breed terrein van kleinschalige en beperkte incidenten door de burgemeester kunnen worden gebruikt. Tevens zou in dergelijke gevallen de aanwijzingsbevoegdheid van de Commissaris der Koningin (artikelen 12 en 22, eerste lid van de Wet rampen en zware ongevallen) en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (artikel 22, tweede lid, van de Wet rampen en zware ongevallen) van toepassing zijn. Impliciet geeft deze beperking aan dat de normale bevoegdheden van de bestuursorganen geacht worden toereikend te zijn voor een adequate incidentenbestrijding. De bevoegdheden van de Wet rampen en zware ongevallen zijn dus aanvullend bedoeld en worden slechts daar toegepast, waar dit voor de gewenste bestrijding noodzakelijk is; criterium in deze is de grootschaligheid in combinatie met bestuurlijke coördinatie. De organisatie 63
Voor de organisatie van de rampenbestrijding betekent dit, dat zij gebaseerd moet zijn op de organisatie van de "normale" incidentbestrijding. Tussen het bestrijden van dagelijkse incidenten en het bestrijden van rampen of zware ongevallen zit echter een "gat": het bestrijden van al de incidenten die in omvang/complexiteit uitstijgen boven de dagelijkse incidenten, maar die nog geen ramp of zwaar ongeval zijn in de zin van de Wet rampen en zware ongevallen. Hierop zijn de normale bevoegdheden van de bestuursorganen van toepassing, echter de dagelijkse gemeentelijke organisatie is ontoereikend georganiseerd voor een adequate bestrijding van deze incidenten. Door bundeling van krachten (crisisbeheersing) en "opschaling" moet in het benodigde vermogen van de gemeentelijke organisatie worden voorzien. Deze crisisorganisatie ligt in het verlengde van de normale gemeentelijke organisatie, dus met behoud van bevoegdheden, verantwoordelijkheden en taken van betrokken functionarissen en (onderdelen van) diensten. Door dit rampenplan op te zetten als het crisisplan van de gemeente is het "gat" tussen het bestrijden van dagelijkse incidenten en het bestrijden van rampen en zware ongevallen gedicht: de crisisorganisatie sluit aan op de normale gemeentelijke organisatie, en met toepassing van de bevoegdheden van de Wet rampen en zware ongevallen is er sprake van de rampenbestrijdingsorganisatie. In schema als volgt weergegeven: Aard incident Gemeentelijke organisatie Organisatie Crisisorganisatie incidentenbestrijding normaal dagelijks omvang/complexiteit stijgt uit boven incident normaal dagelijks incident, er is echter geen sprake van een ramp of zwaar ongeval 64 Rampenbestrijdingsorganisatie ramp of zwaar ongeval in de zin van de Wet rampen en zware ongevallen Bevoegdheden normaal normaal Wet rampen en zware ongevallen Inzet materieel normaal bundeling krachten meerdere gemeenten/ diensten uitgaande van de gemeentelijke organisatie bundeling krachten meerdere gemeenten/ diensten uitgaande van de gemeentelijke organisatie De aandachtsgebieden Uit praktisch oogpunt bezien is een incident een verstoring van de maatschappelijke orde. Bij de bestrijding ervan zijn twee aandachtsgebieden te onderscheiden: de bron-/effectbestrijding en de gevolgbestrijding. De bron-/effectbestrijding richt zich op de veroorzaker van de verstoring van de maatschappelijke orde, ofwel het incident zelf en de directe effecten ervan. Kenmerkend voor de bron-/effectbestrijding is het spoedeisende karakter; inherent hieraan is dat het incidenten betreft op het gebied van de algemene veiligheid. Gezien het belang van een snel optreden bij acute problemen op dit gebied zijn er via separate wetten (Brandweerwet 1985, Politiewet 1993, Wet ambulancevervoer) hulpverleningsorganisaties ingesteld, die "paraat" zijn en een regionale organisatiestructuur kennen. In deze wetten en in aanvulling hierop in de Wet rampen en zware ongevallen en Wet geneeskundige hulpverlening bij rampen, zijn de nodige voorzieningen getroffen (o.a. voor wat betreft de bijstand) om ook grootschalige incidenten zoals rampen en zware ongevallen te bestrijden voor de diensten: politie, brandweer en ambulancedienst/ggd. De gevolgbestrijding richt zich op datgene wat de verstoring van de maatschappelijk orde tot gevolg heeft, ofwel de verdere afhandeling van het incident en van de directe effecten ervan, en de terugkeer naar de normale maatschappelijke orde. De gevolgbestrijding heeft niet het spoedeisende karakter van de bron-/ effectbestrijding, en betreft de rest van de gebieden waar een gemeente de zorg voor heeft. De nazorg behoort ook de tot deze zorg. Voor zover daarbij sprake is van nazorg als onderdeel van het bereiken van een zodanig stabiele situatie dat het normale leven weer doorgang kan vinden, zijn processen die betrekking hebben op het wegnemen van de gevaarsbron of de bedreiging en de bevoegdheden uit de Wet rampen en zware ongevallen van toepassing. Ook op financiële regelingen in het kader van de rampenbestrijding kan een
65 rampenplan Den Haag najaar 2000 beroep worden gedaan. Te denken valt aan de Wet tegemoetkoming schade bij rampen en zware ongevallen. Ook het feitelijk herstel van de situatie valt onder nazorg in de zin van de Wet rampen en zware ongevallen. Op het gebied van de gevolgbestrijding (en dus ook de nazorg) zijn wettelijk geen voorzieningen getroffen voor grootschalig optreden en bijstand. De voor deze taken verantwoordelijke civiele gemeentelijke diensten zullen dus zelf moeten regelen dat in de benodigde capaciteit wordt voorzien. De samenwerking Bij een incident van een zodanige omvang/complexiteit dat er sprake is van een ramp of een zwaar ongeval, zal de bestrijding ervan de capaciteit van de gemeentelijke organisatie te boven gaan. Bij minder ernstige crises zou de gemeente nog in staat kunnen zijn de capaciteit van de gemeentelijke organisatie door prioriteitsstellingen aan te wenden voor zowel de crisisbestrijding als de continuering van de dagelijkse taakuitvoering. Bij ernstige crises en zeker bij rampen en zware ongevallen zal de capaciteitsbehoefte voor de crisisbestrijding echter zodanig groot zijn, dat er te weinig capaciteit resteert voor de dagelijkse taakuitvoering. Gezien het feit dat rampenbestrijding geen kortdurende aangelegenheid is en dat de uitvoering van de dagelijkse gemeentelijke taken geen langdurig uitstel kan velen, zal de gemeente in de extra benodigde capaciteit moeten voorzien door samenwerking met andere gemeenten. Diensten die extra capaciteit behoeven kunnen hierin het beste voorzien door samenwerking met diensten met soortgelijke taken van andere gemeenten. Omdat buurgemeenten eveneens bij de incidentbestrijding betrokken kunnen zijn, zal met een groter aantal gemeenten samengewerkt moeten kunnen worden en wel in regionaal verband. Voor het regelen van deze onderlinge samenwerking tijdens de incidentbestrijding en vooral voor het voorbereiden ervan, is een separate regeling nodig. Om van een zodanige regeling verzekerd te zijn, is het treffen ervan in het Besluit vaststelling rampenplan opgenomen. Pas dan hebben de bij de rampenbestrijding betrokken diensten de mogelijkheid een adequate invulling te geven aan de hun in dit rampenplan opgelegde verantwoordelijkheden en taken. De uitwerkingen De draaiboeken Elke in het rampenplan genoemde organisatie werkt haar verantwoordelijkheden, bevoegdheden en taken uit in een draaiboek. Daar waar dit onderdeel uitmaken van een proces geschiedt deze uitwerking in afstemming met de andere bij dit proces betrokken organisaties. Voorwaarde voor een goede samenwerking met soortgelijke diensten van andere gemeenten is, dat deze uitwerking door betrokken diensten op een zelfde wijze wordt vastgelegd. Dit vereenvoudigt tevens de uitwisseling van gegevens en de bundeling ervan in een overzicht van beschikbaar potentieel. Om tot deze eenduidige uitwerking te komen dienen de draaiboeken opgesteld te worden conform het als bijlage 2 opgenomen model. Vanuit de hun in artikel 2 van de Wet rampen en zware ongevallen opgelegde verantwoordelijkheid voor de voorbereiding op de rampenbestrijding, worden de draaiboeken door burgemeester en wethouders vastgesteld. In relatie tot haar verantwoordelijkheden, bevoegdheden en taken in het kader van de rampenbestrijding is de organisatie zelf verantwoordelijk voor het volgen van relevante ontwikkelingen, het vertalen ervan in consequenties en het implementeren hiervan in de (voorbereiding op de) uitvoering. Waar dit de betrokkenheid in processen (zie Hoofdstuk 4) betreft, geschiedt dit in afstemming met andere betrokken organisaties. Een aldus gewijzigd draaiboek dient opnieuw door burgemeester en wethouders te worden vastgesteld. Zo de draaiboeken van de gemeentelijke organisaties worden vastgesteld door burgemeester en wethouders, zo vallen de draaiboeken van de in het rampenplan genoemde niet-gemeentelijke organisaties hier buiten. De nutsbedrijven hebben echter een eigen wettelijke taak ten tijde van een ramp of zwaar ongeval. Een goede voorbereiding hierop is slechts mogelijk als aansluiting gezocht wordt met de rampenplannen van de gemeenten die in het werkgebied liggen van deze organisaties; daarbij komt dat ten tijde van een ramp en een zwaar ongeval alle activiteiten van zo'n organisatie in een gemeente onder het opperbevel van de burgemeester vallen. Elk van deze
66 rampenplan Den Haag najaar 2000 organisaties stelt daarom een draaiboek op dat aangeboden wordt aan burgemeester en wethouders van elke betrokken gemeente. Voor regionale georganiseerde hulpverleningsorganisaties geldt dat de gemeente de zeggenschap heeft over het in de gemeente werkzame deel van zo'n organisatie; de rest van deze organisatie staat facilitair ten dienste van dit "gemeentelijke" deel. Het draaiboek dat opgesteld wordt zal dan ook het draaiboek voor de gehele organisatie zijn, met een verbijzondering voor het gemeentelijke deel. Burgemeester en wethouders stellen het draaiboek vast. Het Operationeel Basisplan Rampenbestrijding in het algemeen en de spoedeisende bron-/effectbestrijding in het bijzonder, vereist een planmatige aanpak. Onderdeel hiervan is het voorbereiden van het optreden zelve, zoals het opstellen van een algemeen operationeel scenario. Daarbij dienen er geordende gegevens beschikbaar te zijn over het beschikbare potentieel van de hulpverleningsdiensten (draaiboek, bijstands-mogelijkheden, inschakelen van derden, e.d.) en over de omgevingsfactoren in het verzorgingsgebied (infrastructuur, voorzieningen, soort bebouwing, bevolkingsdichtheid, e.d.). Dit alles bij elkaar vormt een Operationeel Basisplan. Omdat de bestrijding een gezamenlijke actie is van de hulpverleningsdiensten, stelt de brandweer vanuit haar "spilfunctie" het gezamenlijke Operationeel Basisplan op. Omdat een ramp of een zwaar ongeval (dan wel de effecten ervan) al snel gemeentegrensoverschrijdend is en de hulpverleningsdiensten regionaal georganiseerd zijn, zal de brandweer in regionaal verband komen tot een Operationeel Basisplan voor het gehele regionale gebied. Rampbestrijdingsplannen Zo het Operationeel Basisplan een planmatige voorbereiding is voor het optreden bij rampen of zware ongevallen in het algemeen, zo is een rampbestrijdingsplan (artikel 7 Wet rampen en zware ongevallen) een invulling van het Operationeel Basisplan ten aanzien van het optreden bij een bepaald gevaarzettend object of activiteit. Net zoals voor het Operationeel Basisplan is het een zorg voor de brandweer deze plannen op te zetten, en zal de brandweer in regionaal verband voor alle bedoelde objecten en activiteiten binnen het regionale gebied rampbestrijdingsplannen opstellen. Het oefenen Een onderdeel van de zorg van burgemeester en wethouders voor de voorbereiding van de rampenbestrijding, is het oefenen van hetgeen voorbereid is (artikel 2 Wet rampen en zware ongevallen). Het zal duidelijk zijn dat het oefenen van de gehele rampenbestrijdingsorganisatie hoewel noodzakelijk, gezien het grootschalige karakter ervan niet frequent zal kunnen plaatsvinden. Wel frequenter kunnen kleinschaligere oefeningen plaatsvinden van onderdelen van de gemeentelijke rampenbestrijdingsorganisatie. Zo zullen de kleinschaligere oefeningen van de separate organisaties en van de Gemeentelijke Crisisstaf minstens één maal per jaar dienen plaats te vinden. Zo'n oefening betreft ten minste de alarmering, de leiding- en de verbindingsstructuur. Waar mogelijk worden deze oefeningen gecombineerd. De gehele gemeentelijke rampenbestrijdingsorganisatie dient minstens éénmaal per vier jaar geoefend te worden, op ten minste de alarmering, de leiding- en de verbindingstructuur. Waar mogelijk wordt deze oefening gecombineerd met een soortgelijke oefening van andere gemeenten. Gemeentebesturen in de regio dienen hiertoe in onderling overleg jaarlijkse en vierjaarlijkse oefenplannen op te stellen. De regionale brandweer ontvangt jaarlijks een bedrag voor het oefenen van het "parate" deel van de rampenbestrijdingsorganisatie. Dit biedt de mogelijkheid de gemeentelijke oefeningen te combineren met de oefeningen die door de regionale brandweer worden georganiseerd. Gezien het belang van het oefenen is in het Besluit vaststelling rampenplan opgenomen dat burgemeester en wethouders elk jaar een oefenschema (passend in vierjarige cycli) vaststellen. De ramptypen
Conform de "Handleiding Rampenbestrijding" worden er in het kader van de rampenbestrijding de 17 ramptypen onderscheiden die mogelijk in Nederland kunnen plaatsvinden. Deze zijn in het rampenplan opgenomen omdat het bestrijden van een ramp of een zwaar ongeval beter gaat als van tevoren bekend is wàt er bestreden moet worden (zie ook artikel 4, eerste lid, onder b, van de Wet rampen en zware ongevallen). Het is dus noodzakelijk dat geïnventariseerd wordt welke van deze ramptypen ook binnen de gemeente mogelijk zijn, gevolgd door een analyse naar aard, omvang en effecten van de zo gevonden risico's. Op basis hiervan kan de gemeente zich gericht voorbereiden op het bestrijden van de op haar gebied mogelijke rampen en zware ongevallen en het beperken van de gevolgen ervan. Hoewel het buiten het kader van het rampenplan valt zal de gemeente al het mogelijke (moeten) doen om de kans van het plaatsvinden van zo'n ramp of zwaar ongeval en de gevolgen ervan te beperken. Als bestuursautoriteit heeft zij hiervoor de geëigende middelen (b.v. wettelijke middelen aangaande risicovolle objecten/activiteiten). Binnen het kader van het rampenplan valt de voorbereiding voor àls zo'n mogelijk(e) ramp of zwaar ongeval plaatsvindt. Dit kan geschieden in de vorm van op de geanalyseerde risico's toegespitste algemene en specifieke rampbestrijdingsplannen. Gezien haar betrokkenheid bij de operationele voorbereiding van de rampenbestrijding zorgt de brandweer voor het (laten) verrichten van de inventarisatie van mogelijke ramptypen en de bijbehorende analyse, en zal in regionaal verband komen tot een inventarisatie en analyse voor het gehele regionale gebied. Eveneens behorend tot deze voorbereiding is het (verplichte) geven van algemene voorlichting over rampen en zware ongevallen en het verstrekken van informatie over specifieke risico's (artikel 2a Wet rampen en zware ongevallen en het Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen). Burgemeester en wethouders dragen er zorg voor dat de bevolking, de Commissaris der Koningin en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in de voorbereiding op de rampenbestrijding informatie krijgen over: - de rampen en zware ongevallen die de bevolking en het milieu kunnen treffen; - de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van deze rampen en zware ongevallen; - de bij deze rampen en zware ongevallen te volgen gedragslijn. De burgemeester verschaft deze informatie tijdens een (dreigende) ramp of een (dreigend) zwaar ongeval (artikel 11a Wet rampen en zware ongevallen en het Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen). De bij de bestrijding van de ramp- of het zware ongeval betrokken personen ontvangen van burgemeester en wethouders informatie over: - de rampen en zware ongevallen die de bevolking en het milieu kunnen treffen; - de risico's die hun inzet kan hebben voor hun gezondheid; - de voorzorgsmaatregelen die in verband daarmee zijn of zullen worden getroffen. Tijdens een (dreigende) ramp of een (dreigend) zwaar ongeval informeert de burgemeester hen dienaangaande. De benodigde informatie voor de algemene voorlichting kan worden ontleend aan de (door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geïnitieerde) landelijke voorlichtingscampagnes. Deze algemene voorlichting is het effectiefst als zij in (inter)regionaal verband wordt gehouden en aansluit op deze landelijke campagnes. De informatie over specifieke risico's kan worden ontleend aan de rampbestrijdingsplannen die voor deze risico's zijn opgezet en als zodanig informatie bevatten over de aard van de risico's, de mogelijke gevolgen en de te nemen maatregelen. De informatieverschaffing maakt onderdeel uit van proces 3 "Voorlichting". 67
Heeft er een ramp of zwaar ongeval plaatsgevonden, dan zal deze/dit volledig moeten worden geanalyseerd (artikel 2b van de Wet rampen en zware ongevallen). Hoewel deze analyse het sluitstuk vormt van de nazorgfase, is het zinvol hiermee al in het begin van de rampbestrijding te starten. Omdat ook het functioneren van de (onderdelen van de) gemeentelijke organisatie wordt geanalyseerd, verdient het aanbeveling de analyse te laten verrichten door externe deskundigen. Leiding- en coördinatiestructuren De gemeente vormt de basis bij de rampenbestrijding, en de burgemeester voert daarover het opperbevel (artikel 11 Wet rampen en zware ongevallen). In hiërarchische volgorde komt daarboven de provincie met de Commissaris der Koningin, en daarboven het Rijk met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze bestuursorganen zullen bij een ramp of een zwaar ongeval niet per definitie gebruik maken van de bevoegdheden (de éénhoofdige leiding) die hun in de Wet rampen en zware ongevallen worden toegekend: bij een ramp of een zwaar ongeval hebben zij deze bevoegdheid (latent) maar zullen er pas gebruik van maken (manifest) als dit noodzakelijk is voor een adequate rampenbestrijding. In de organisatie voor de rampbestrijding worden de normale bevoegdheden van alle betrokkenen dus in stand gehouden; de éénhoofdige leiding is hierop een aanvulling. De burgemeester De burgemeester heeft onder normale omstandigheden reeds bevoegdheden die hem in staat stellen inbreuken op de algemene veiligheid in de gemeente aan te pakken. Zo heeft hij het opperbevel bij brand, alsmede bij ongevallen anders dan bij brand, voor zover de brandweer daarbij een taak heeft. Hij kan in dat kader bevelen geven die met het oog op het voorkomen, beperken en bestrijden van gevaar nodig zijn (artikel 173 van de Gemeentewet). Indien de politie in een gemeente optreedt ter handhaving van de openbare orde en ter uitvoering van de hulpverleningstaak, staat zij onder het gezag van de burgemeester (artikel 12 van de Politiewet 1993 juncto artikel 172 van de Gemeentewet). Hij is bevoegd bij de verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde (artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet). Daarnaast geven de artikelen 175 en 176 van de Gemeentewet hem de mogelijkheid bij een (dreigende) inbreuk op de openbare orde en veiligheid (zoals een ramp of een zwaar ongeval) aan personen gerichte bevelen te geven en (nood)verordeningen uit te vaardigen. Onder omstandigheden van een ramp of een zwaar ongeval worden deze bevoegdheden, op grond van artikel 11 van de Wet rampen en zware ongevallen, uitgebreid met het "opperbevel": de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de rampbestrijding in de gemeente en de zeggenschap over allen die aan deze bestrijding deelnemen (de éénhoofdige leiding). Ook de burgemeester zal de normale bevoegdheden en structuren binnen de gemeente (zo veel mogelijk) in stand laten; in aanvulling hierop zal hij daar waar dit voor een adequate rampbestrijding nodig is, gebruik maken van de bevoegdheden van de Wet rampen en zware ongevallen. De gemeentelijke organisatie Voor de gemeente betekent dit, dat ook onder omstandigheden van een ramp of een zwaar ongeval zo lang mogelijk de normale bevoegdheden, verantwoordelijkheden en structuren in stand worden gehouden. Wel zal de gemeente inspelen op de omstandigheden en zich richten op crisisbeheersing. Organisatorisch gezien vereist dit korte lijnen, directe contacten en het beslissen in kleine kring door eindverantwoordelijken. Dit geldt voor de gemeentelijke organisatie in zijn geheel zowel als voor de onderdelen ervan. Een grootschalig incident, ramp of zwaar ongeval vormt een "extra" boven de normale dagelijkse taakuitvoering van een gemeente. Hoe belangrijk dit extra werk ook is, de dagelijkse taakuitvoering verdient eveneens aandacht. Er dient derhalve voortdurend te worden gezorgd voor een verantwoord evenwicht in het verdelen van de aandacht tussen de dagelijkse taken en het extra werk, onder het stellen van prioriteiten. Slechts zo kan de gemeentelijke capaciteit optimaal aangewend worden gedurende het gehele (tijds)traject rampbestrijding (waaronder nazorg in de zin van de Wet rampen en 68
zware ongevallen)-> terugkeer naar de normale maatschappelijke orde -> nazorg (voor zover de Wet rampen en zware ongevallen niet van toepassing is). Dit vereist een crisisorganisatie die een afspiegeling is van de normale gemeentelijke organisatie. De Gemeentelijke Crisisstaf/gemeentelijke rampenstaf Deze crisisorganisatie wordt aangestuurd door de Gemeentelijke Crisisstaf. Maakt de burgemeester gebruik van de bevoegdheden van de Wet rampen en zware ongevallen, dan is deze Gemeentelijke Crisisstaf de gemeentelijke rampenstaf in de zin van artikel 11, eerste lid, van de Wet rampen en zware ongevallen. Voor een goede crisisbeheersing dient optimaal gebruik gemaakt te worden van de kennis en kunde van de gemeentelijke organisatie. Dit is te realiseren door alle eindverantwoordelijken voor de gemeentelijke organisatie(onderdelen) op zowel het bestuurlijke als ambtelijke niveau hierbij te betrekken (dus alle portefeuillehouders, de gemeentesecretaris en alle diensthoofden). Crisisbeheersing vereist echter ook slagvaardigheid: de besluitvorming dient plaats te vinden in een kleine groep van eindverantwoordelijken, die door directe contacten en korte lijnen in staat zijn de organisatie(onderdelen) aan te sturen. Met de samenstelling van de Gemeentelijke Crisisstaf zal dus een optimum tussen deze tegengestelde uitgangspunten nagestreefd moeten worden. Voor het bepalen van dit optimum moge het volgende als leidraad dienen. De samenstelling van de Gemeentelijke Crisisstaf zal eveneens wijzigen met het aanbod van de te verrichten crisisbestrijdingsactiviteiten. In het begin van de crisis zal het aandachtsgebied van de staf nagenoeg geheel liggen bij de bron-/ effectbestrijding, en hebben de bij deze bestrijding betrokken eindverantwoordelijken zitting in de Gemeentelijke Crisisstaf. Naarmate de bron-/effectbestrijding zich stabiliseert en de gevolgbestrijding in prioriteit toeneemt, zullen de eindverantwoordelijken voor de gevolgbestrijding aan de Gemeentelijke Crisisstaf worden toegevoegd. Als de bron-/effectbestrijding beëindigd is hebben alleen de eindverantwoordelijken voor de gevolgbestrijding nog zitting in de Gemeentelijke Crisisstaf. De Gemeentelijke Crisisstaf varieert dus in grootte en samenstelling met de hoeveelheid en de aard van de te verrichten bestrijdingsactiviteiten. Om optimaal gebruik te kunnen maken van de kennis en kunde van de gemeentelijke organisatie is het vereist dat alle eindverantwoordelijken die geen zitting in de Gemeentelijke Crisisstaf hebben, optimaal geïnformeerd worden over hetgeen in de Gemeentelijke Crisisstaf besproken en besloten is. Dit voorkomt tevens dat de niet-zitting hebbenden acties initiëren die conflicteren met hetgeen in de Gemeentelijke Crisisstaf besloten is. Een adequate oplossing hiervoor is de andere eindverantwoordelijken passief te laten deelnemen aan de Gemeentelijke Crisisstaf. Dit is zeker aan te bevelen voor de eindverantwoordelijken die in een later stadium toch zitting zullen hebben in de Gemeentelijke Crisisstaf (ten behoeve van de gevolgbestrijding). Een andere mogelijkheid is om naast het overleg van de Gemeentelijke Crisisstaf zelf, regelmatig "briefings" te houden met de leden van de Gemeentelijke Crisisstaf en alle (eventuele) eindverantwoordelijken, dan wel met alleen de eventuele eindverantwoordelijken. Rampverklaring Als de burgemeester de crisis tot een ramp of een zwaar ongeval verklaart betekent dit, dat een éénhoofdige leiding (naar verwachting) nodig is voor: - òf de operationele coördinatie van de bron-/effectbestrijding (de Operationeel Leider); - òf de bestuurlijke coördinatie (de opperbevelhebber); - òf voor beide. In deze is het uitoefenen van de bevoegdheid van operationele leiding niet mogelijk zonder dat de bevoegdheid van het opperbevel wordt uitgevoerd. Hierbij zij vermeld dat het uitgeven van een schriftelijke rampverklaring niet meer nodig is. Wél moet de burgemeester in stafverband uitspreken gebruik te willen gaan maken van de hem/haar toekomende bevoegdheden uit de Wet rampen en zware ongevallen. Het moet voor alle betrokkenen helder zijn of wordt gewerkt in een crisisorganisatie of een daadwerkelijke rampenbestrijdingsorganisatie. 69
70 rampenplan Den Haag najaar 2000 Tevens dienen door dan wel namens de burgemeester van het uitspreken van een rampverklaring zo spoedig mogelijk op de hoogte te worden gesteld: - de Commissaris der Koningin; - de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties; - de burgemeesters van de buurgemeenten. De Gemeentelijke Crisisstaf is vervolgens "rampenstaf" in de zin van de Wet rampen en zware ongevallen. Voor de verhoudingen binnen de rampenstaf houdt dit in dat de burgemeester als opperbevelhebber de (bestuurlijke) eindverantwoordelijkheid heeft voor alle bestrijdingsactiviteiten; de portefeuillehouders blijven verantwoordelijk voor hun portefeuille minus de zaken die de bestrijding betreffen. De rampenstaf heeft een adviserende functie aan de burgemeester, die de besluiten neemt. De samenstelling van noch de besluitvorming in de rampenstaf hoeft door het opperbevel van de burgemeester te veranderen. De burgemeester bepaalt in hoeverre hij in deze zin het opperbevel uitoefent. Hierbij mag als leidraad gelden dat zo lang mogelijk de samenstelling en de besluitvormingsprocedure van de Gemeentelijke Crisisstaf gehandhaafd blijven. Dit garandeert immers de afspiegeling van de dagelijkse organisatie die nodig is voor een verantwoord evenwicht in het stellen van prioriteiten bij het uitvoeren van taken in het kader van de rampbestrijding en dagelijkse gemeentelijke taken. De Operationeel Leider zal onder directe verantwoordelijkheid van de opperbevelhebber en namens hem zorg dragen voor de coördinatie van de bron-/effectbestrijding. De verhouding van de Operationeel Leider ten opzichte van de andere bij deze bestrijding betrokken eindverantwoordelijken, is die van "primus inter pares". Het betrekken van portefeuillehouders in de Gemeentelijke Crisisstaf heeft een aantal voordelen: - er is permanent een goede afweging mogelijk tussen de inzet van de gemeentelijke organisatie ten behoeve van de rampbestrijding en de uitvoering van de normale gemeentelijke taken; - het vergroot de draagkracht op het bestuurlijke/politieke niveau; - het kan de "span of control" van de burgemeester vergroten. Dit alles uiteraard onverlet de bevoegdheden van de burgemeester als opperbevelhebber als de crisis tot ramp of zwaar ongeval is verklaard. Eveneens zinvol is de aanwezigheid van de locoburgemeester: dit biedt de mogelijkheid voor de burgemeester zich te laten vervangen indien hij voor kortere of langere tijd de Gemeentelijke Crisisstaf verlaat. De burgemeester kan de Gemeentelijke Crisisstaf permanent dan wel ad hoc uitbreiden met andere portefeuillehouders, vertegenwoordigers van andere gemeentelijke afdelingen, en specifieke deskundigen/vertegenwoordigers van andere betrokken/belanghebbende organisaties, bedrijven, systeemeigenaren/-beheerders, ed. Uitgangspunt in deze is dat met de samenstelling van de Gemeentelijke Crisisstaf een optimale advisering aan de burgemeester wordt nagestreefd en het realiseren van een maximale beleidsmatige aansturing van de rampenbestrijdingsorganisatie. De burgemeester heeft de keus om zelf de Gemeentelijke Crisisstaf voor te zitten, dan wel dat hij dit overlaat aan een technisch voorzitter die als zodanig geen deel uitmaakt van de Gemeentelijke Crisisstaf. Dit laatste heeft als voordeel dat de burgemeester zich geheel kan concentreren op zijn andere taken. Daarbij biedt het de mogelijkheid de technisch voorzitter verantwoordelijk te stellen voor (de voorbereiding van) al hetgeen nodig is om de vergaderingen van de Gemeentelijke Crisisstaf optimaal te laten verlopen. Elk lid van de Gemeentelijke Crisisstaf kan zich laten bijstaan door één of meer stafleden; deze stafleden hebben geen zeggenschap in de Gemeentelijke Crisisstaf, zij hebben slechts een adviserende/klankbord functie. Daarbij kunnen deze stafleden de taak hebben de beleidsbeslissingen van de Gemeentelijke Crisisstaf voor hun organisatie te vertalen in opdrachten. Dit biedt de mogelijkheid dat met stafleden van andere organisaties direct afspraken gemaakt kunnen worden hoe gezamenlijke activiteiten uitgevoerd gaan worden. De consequentie is wel dat de ruimten van de Gemeentelijke Crisisstaf gelegenheid bieden voor de aanwezigheid van stafleden en de door hun uit te voeren taken. In principe is het ambtelijke niveau in de Gemeentelijke Crisisstaf vertegenwoordigd door de hoofden van de betreffende afdelingen/organisaties. Elk hoofd kan zich echter tijdelijk dan wel permanent, laten vervangen door een mandataris.
71 rampenplan Den Haag najaar 2000 Als meerdere gemeenten bij een crisis betrokken zijn, zullen organisaties die meerdere gemeenten als werkgebied hebben (nutsbedrijven, hulpverleningsdiensten, Hoogheemraadschap, e.d.) niet in staat zijn het hoofd van de organisatie (dan wel diens gemandateerde) in de Gemeentelijke Crisisstaf van elke betrokken gemeente zitting te laten nemen. Hier zal dus gewerkt moeten worden met een vertegenwoordiger per gemeente die gemandateerd is voor het betreffende gemeentelijke gebied. Ingeval van het instellen van een coördinerend burgemeester, zal het hoofd (of diens gemandateerde) zitting nemen in de staf van deze coördinerend burgemeester (zijnde het Regionaal Beleidsteam). De Actiecentra Elke in het rampenplan genoemde afdelingen/organisatie die betrokken is bij de crisisbestrijding, stelt een actiecentrum in. In dit centrum worden alle beleidsopdrachten van (de vertegenwoordiger in de) Gemeentelijke Crisisstaf vertaald in uitvoeringsopdrachten, die uitgezet worden binnen de afdeling/organisatie. Het actiecentrum initieert, coördineert en controleert alle activiteiten van de afdeling/organisatie; waar activiteiten met andere afdelingen/organisaties moeten worden uitgevoerd wordt dit afgestemd met de actiecentra van deze afdelingen/organisaties. Over de voortgang van de activiteiten informeert het actiecentrum regelmatig de (vertegenwoordiger in de) Gemeentelijke Crisisstaf. Indien de vertegenwoordiger in de Gemeentelijke Crisisstaf zich laat bijstaan door stafleden die de beleidsbeslissingen vertalen in opdrachten voor de organisatie, behoeft dit in het actiecentrum niet te gebeuren. Een organisatie heeft dus de mogelijkheid te bepalen welke manier van werken het meest overeenkomt met haar normale manier van werken. Bij activiteiten waar meerdere afdelingen/organisaties intensief met elkaar moeten samenwerken kan één gezamenlijk actiecentrum worden ingesteld. De hulpverleningsdiensten hebben hun actiecentra samengevoegd in het zogenaamde Regionaal Coördinatiecentrum. Het CTPI Het Coördinatie Team Plaats Incident is het team dat gevormd wordt door de leidinggevenden van de hulpverleningsdiensten ter plaatse van het incident. Het team is verantwoordelijk voor alle activiteiten die op het incidentterrein plaatsvinden. Is het incident tot ramp of zwaar ongeval verklaart dan zal de vertegenwoordiger van de dienst/organisatie die de operationele leiding heeft, deze leiding uitoefenen als "primus inter pares". Alle personen/eenheden van andere (gemeentelijke) afdelingen/organisaties die werkzaamheden op het incidentterrein te verrichten hebben, doen dit onder de verantwoordelijkheid van één van de in het CTPI vertegenwoordigde hulpverleningsdiensten. De intergemeentelijke/regionale samenwerking De burgemeester heeft het opperbevel over de rampbestrijding binnen zijn gemeente. Bij een gemeentegrensoverschrijdend(e) ramp of zwaar ongeval zijn echter meerdere gemeenten betrokken bij de bestrijding van dezelfde ramp of hetzelfde ongeval. Zo de gevolgbestrijding door een geringere tijdsdruk per gemeente afgehandeld zou kunnen worden en samenwerking tussen gemeenten door collegiale afstemming tussen de opperbevelhebbers kan plaatsvinden, zo is een adequate bron-/effectbestrijding door de tijdsdruk slechts mogelijk als de opperbevelhebbers in deze één lijn trekken. De mogelijkheid hiertoe is het aanwijzen van een coördinerend burgemeester: een burgemeester wiens gemeente niet zelf betrokken is bij de rampbestrijding, en die namens de opperbevelhebbers de bron-/ effectbestrijding aanstuurt; als zodanig is hij het bestuurlijke aanspreekpunt voor de hulpverleningsorganisaties. Hetzelfde geldt voor crises die (nog net) niet tot ramp of zwaar ongeval zijn verklaard; hiervoor geldt echter niet dat de Commissaris der Koningin aanwijzingen kan geven indien de crisisbestrijding naar zijn zin niet adequaat verloopt. In dit rampenplan wordt er dan ook vanuit gegaan dat het instellen van een coördinerend burgemeester ook mogelijk is zonder dat er sprake is van het opperbevel van de burgemeester(s). Deze coördinerend burgemeester kan zich bij laten staan door een door hem samengestelde staf, die in ieder geval bestaat uit vertegenwoordigers van de hulpverleningsdiensten. De coördinerend burgemeester zal plaatsnemen bij het Regionaal Beleidsteam.
Bij het activeren van een coördinerend burgemeester is het verstandig ook de voorlichting aangaande de bron-/effectbestrijding te coördineren. Deze coördinatie zal dan binnen de bevoegdheden van de coördinerend burgemeester onder zijn verantwoordelijkheid plaatsvinden. Omdat het voor een adequate bron-/effectbestrijding noodzakelijk is dat vóóraf bekend is welke bevoegdheden gelden en welke procedures van kracht zijn, is de functie van coördinerend burgemeester in het rampenplan opgenomen. Dit biedt de mogelijkheid deze functie reeds in de voorbereidingen (procedures en oefeningen) te integreren in de crisisbeheersingsorganisatie. Hierdoor wordt voorkomen dat onder de spanning en tijdsdruk tijdens de crisisbestrijding deze functie ad hoc geregeld moet worden, zonder dat hiertoe voorbereidingen zijn getroffen. Het opnemen in het vaststellingsbesluit van het rampenplan dat de burgemeester verzocht wordt te komen tot intergemeentelijke afspraken betreffende de bestuurlijke coördinatie, moet leiden tot de daadwerkelijke invulling van de functie van coördinerend burgemeester. Naast het vastleggen van de bevoegdheden en de procedures zal dan ook de personele invulling van de functie van coördinerend burgemeester geregeld zijn. In deze kan gedacht worden aan het Algemeen Bestuur van de regionale brandweer als een platform voor de individuele burgemeesters, om tot afspraken betreffende de bestuurlijke coördinatie te komen. Een andere vorm van samenwerking is opgenomen in een bij dit plan behorende bijlage 4, waarin een modelbesluit is opgenomen, ter vaststelling door de onderscheiden colleges van burgemeester en wethouders. Deze vorm van intergemeentelijke samenwerking voorziet in structurele afstemming in de voorbereiding op de rampenbestrijding binnen de regio, alsmede het verlenen van materiële en personele intergemeentelijke burenhulp bij daadwerkelijke crises. De Commissaris der Koningin Artikel 12 van de Wet rampen en zware ongevallen geeft de commissaris de bevoegdheid bij een ramp of een zwaar ongeval van meer dan plaatselijke betekenis, de betrokken burgemeesters beleidsaanwijzingen te geven aangaande de rampbestrijding (bron-/effectbestrijding). Hij kan tevens voorzien in de operationele leiding. Dit betekent dat de commissaris in kan grijpen als de bestuurlijke coördinatie dan wel de uitvoeringscoördinatie, naar zijn zin niet tot een adequate rampbestrijding leidt. De commissaris zal van de bevoegdheden van de Wet rampen en zware ongevallen pas dan gebruik maken als dit voor een adequate rampbestrijding noodzakelijk is. Bij rampen of zware ongevallen van meer dan plaatselijke betekenis in een of meer gemeenten zal de commissaris gebruik maken van de bevoegdheden van de Wet rampen en zware ongevallen en de betrokken bestuurlijke coördinatoren de nodige beleidsaanwijzingen geven aangaande de rampbestrijding. Alle aanwijzingen van de commissaris laten de bevoegdheden van de betrokken burgemeesters onverlet aangaande de rampbestrijding op het grondgebied van hun gemeente. In geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden kan de commissaris de burgemeester de nodige aanwijzingen geven inzake de rampbestrijding (artikel 22, eerste lid, van de Wet rampen en zware ongevallen). De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties De minister wordt door de Wet rampen en zware ongevallen dezelfde bevoegdheden gegeven (met uitzondering van het voorzien in de operationele leiding) ten aanzien van de Commissarissen van de Koningin, als de commissaris volgens deze wet heeft ten aanzien van de burgemeesters. In deze dient voor "de gemeente" "de provincie" gelezen te worden, en voor "de provincie" "het Rijk". In geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden kan de minister de commissaris opdragen aan de burgemeester de nodige aanwijzingen te geven inzake de rampbestrijding (artikel 22, tweede lid, van de Wet rampen en zware ongevallen). Hij kan tevens voorzien in de uitoefening van bevoegdheden van zowel de commissaris als de burgemeester, door 72
die uitoefening geheel of gedeeltelijk aan zich te trekken dan wel een andere autoriteit ermee te belasten. Randvoorwaarden voor het functioneren Met het aangeven van bevoegdheden, verantwoordelijkheden, en structuren zoals gedaan in de hoofdstukken 1 en 2, heeft de organisatie voor de bestrijding van rampen of zware ongevallen gestalte gekregen. Voor het kunnen functioneren van de organisatie is echter meer nodig; de voorwaarden hiervoor worden gegeven in dit hoofdstuk. De alarmering De gemeente kan op twee manieren gewaarschuwd worden: van binnenuit of van buitenaf. In het eerste geval zullen de parate hulpverleningsorganisaties (ambulancedienst/ggd, brandweer, politie) geconfronteerd zijn met een plotseling incident van een zodanige omvang, dat de brandweer en/of de politie volgens de normale procedures van deze organisaties, de burgemeester laat waarschuwen. De burgemeester bepaalt dan na overleg met de ambtenaar rampenbestrijding en de ter plaatse aanwezige hoofden van de brandweer en de politie, of (delen van) de gemeentelijke crisisorganisatie gealarmeerd moet worden. Als dit zo is, worden volgens de gemeentelijke alarmeringsregeling de betrokken organisaties gealarmeerd. Hoe een organisatie gealarmeerd moet worden is aangegeven in het draaiboek van de organisatie. De organisatie draagt zelf zorg voor de interne alarmering van de organisatie (conform het draaiboek). In het tweede geval wordt de gemeente gewaarschuwd door een andere gemeente, de provincie, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, of een (semi)overheidsinstantie. Op dit soort alarmeringen dient de gemeente voorbereid te zijn door hiervoor een alarmeringsadres bekend gesteld te hebben dat 24 uur per dag bereikbaar is. Gezien zijn spilfunctie in de rampenbestrijding komt de alarmcentrale van de regionale brandweer hiervoor het meest in aanmerking. Deze alarmcentrale zal dan volgens de gemeentelijke alarmeringsregeling de gemeentelijke organisatie alarmeren. De ambtenaar rampenbestrijding draagt zorg voor het opzetten van de gemeentelijke alarmeringsregeling. De verbindingen Zonder goede verbindingen is de rampenbestrijdingsorganisatie niet tot een adequate bestrijding in staat: voor alle sleutelfuncties in de organisatie is een goede onderlinge uitwisseling van informatie noodzakelijk. Is persoonlijk contact tussen deze functionarissen fysiek niet mogelijk, dan moet dit met verbindingsmiddelen mogelijk worden gemaakt. Wat voor de interne communicatie in de rampenbestrijdingsorganisatie geldt, geldt ook voor de communicatie van die organisatie met andere overheden en (semi)overheidsinstanties. De minimale voorzieningen hiertoe zijn in paragraaf 3.2 aangegeven. In principe draagt elke bij de rampenbestrijding betrokken organisatie zelf zorg voor het uitwerken van een verbindingsplan en het realiseren van de daarbij behorende voorzieningen voor de eigen organisatie. Dit wordt vastgelegd in het draaiboek van de organisatie. De ambtenaar rampenbestrijding doet dit voor het Gemeentelijk Coördinatiecentrum (de locatie van de crisis/rampenstaf). De faciliteiten en de ondersteuning Elk bij de rampbestrijding betrokken coördinatiecentrum (GCC, Actiecentra, RCC) dient te beschikken over de faciliteiten benodigd voor een goed functioneren van het centrum, en een ondersteuning voor het goed kunnen functioneren in het centrum. In deze dient er rekening mee gehouden te worden dat het actiecentrum gedurende langere tijd moet kunnen blijven functioneren (aflossing, voeding, e.d.). Als zodanig maken ze onderdeel uit van de coördinatiecentra en dienen ze in de voorbereiding opgenomen te worden. 73
De ambtenaar rampenbestrijding regelt dit voor het Gemeentelijk Coördinatiecentrum, de betreffende dienst voor zijn Actiecentrum, en de brandweer voor het Regionaal Coördinatiecentrum van de hulpverleningsdiensten. Processen Het bestrijden van incidenten is te zien als een aanéénschakeling van activiteiten. De soort activiteiten en de samenstelling ervan is afhankelijk van het soort incident, en onafhankelijk van de grootte van het incident. Wel zal de omvang van de activiteiten toenemen met de grootte van het incident (meer van hetzelfde). Door alle ramptypen te bekijken die verondersteld worden in ons land mogelijk te zijn, hebben we een overzicht van alle denkbare activiteiten die in het kader van de rampbestrijding mogelijk zijn. Voor de toedeling van taken in het kader van het rampenplan zijn deze activiteiten geclusterd in processen (series van samenhangende activiteiten). Bij elk proces is met een doelstelling aangegeven wat ermee beoogd wordt en de vermelde activiteiten zijn met een trefwoord beschreven. Per proces is een organisatie verantwoordelijk gesteld, de procesverantwoordelijke. Tevens zijn per proces organisaties aangegeven die verantwoordelijk zijn voor bepaalde activiteiten die onderdeel uitmaken van dat proces. Gezamenlijk dienen deze organisaties zich voor te bereiden op de uitvoering van het proces door het maken van afspraken en het treffen van regelingen, het up-todate houden, en het beoefenen ervan; hierbij is de procesverantwoordelijke de initiator en de coördinator. Er is bewust gekozen voor deze opzet in plaats van een gedetailleerde taaktoedeling per organisatie. Dit laatste suggereert namelijk een nauwkeurigheid die in een dynamisch proces niet geboden kan worden, en laat de organisaties de mogelijkheid zich zelfstandig voor te bereiden op de taken zonder dat hiervoor afstemming met andere organisaties nodig is. Met de beschrijving in algemene termen wordt bereikt dat uitgegaan moet worden van het dynamische karakter van een proces, en dat een goede uitvoering ervan slechts mogelijk is door samenwerking; een samenwerking die al in de voorbereidende fase aanwezig moet zijn. Een organisatie is nu niet in staat het draaiboek van de organisatie zelfstandig op te zetten: per proces waarbij de organisatie betrokken is, moeten de taken nu door de organisatie zelf beschreven worden in relatie tot de taken van de andere bij dat proces betrokken organisaties. De draaiboeken van alle organisaties tezamen beschrijven dus de rampenbestrijding gezien vanuit de taken van organisaties, de processen beschrijven die bestrijding gezien vanuit de te verrichten activiteiten. Met de eis dat elke afdeling op de hoogte blijft van relevante ontwikkelingen en deze in zijn taken (en dus in het draaiboek) verwerkt, is er in voorzien dat de (voorbereiding op de) uitvoering van de processen bij de tijd blijft. Nazorg ( een plan in hoofdlijnen m.b.t. het beperken van de schadelijke gevolgen ) Inbedding in de systematiek van crisisbeheersing binnen Haaglanden De nazorg is geen separaat proces maar ligt in het verlengde van de rampbestrijdingsprocessen. Voor zover daarbij sprake is van nazorg als onderdeel van de processen die betrekking hebben op het wegnemen van de gevaarsbron of de bedreiging en het bereiken van een zodanig stabiele situatie dat het normale leven weer doorgang kan vinden, zijn de bevoegdheden uit de Wet rampen en zware ongevallen van toepassing. Met de nazorg is vooral de "normale" gemeentelijke organisatie belast. Het feitelijk herstel van de situatie valt niet onder de nazorg, behoudens voor zover dit nodig is om weer terug te keren tot de normale verhoudingen. Artikel 4, lid 1, onder l, van de Wet rampen en zware ongevallen verplicht gemeentebesturen in het rampenplan op te nemen een plan in hoofdlijnen met betrekking tot het beperken van de schadelijke gevolgen. De Memorie van Toelichting behorende bij deze wetswijziging licht toe dat het er hierbij met name om gaat de nazorg onder het begrip ramp of zwaar ongeval te vatten, zodat de coördinerende taak van de burgemeester ook daarop betrekking heeft. 74
Als voorbeelden noemt de MvT onder meer het afwikkelen van schadeclaims, het treffen van regelingen inzake tijdelijke huisvesting en van maatregelen gericht op het normaliseren van het dagelijks leven, het treffen van voorzieningen om de kans op een volgende ramp te verminderen en het geven van voorlichting. Nazorg start, in de systematiek binnen Haaglanden, als onderdeel van processen reeds in de bron- en effectbestrijding, loopt door in en gaat vérder dan de gevolgbestrijding (gevolgbestrijding wordt hierdoor als het ware in tweeën geknipt: namelijk in een gedeelte specifieke nazorgprocessen en in een overig pakket te nemen maatregelen). Operationele leiding, verantwoordelijkheden en procesbenadering Een ander belangrijk aspect met betrekking tot de nazorg, betreft de aansturing. De bestuurlijke verantwoordelijkheid is duidelijk; dat is neergelegd bij de burgemeester. Maar wie is operationeel verantwoordelijk voor de nazorg? In de systeembenadering binnen Haaglanden is nazorg zowel in processen binnen de aandachtsgebieden bron- en effectbestrijding als gevolgbestrijding verweven. Dit impliceert weer dat de diverse procesverantwoordelijke organisaties alle zelf verantwoordelijk zijn voor het deelaspect nazorg in hun processen. Het plan in hoofdlijnen bestaat dus reeds globaal, zij het versnipperd. In deze systematiek is derhalve slechts sprake van toepasbaarheid van operationele bevoegdheden op de nazorg, voor zover deze vervat is in de processen binnen het aandachtsgebied bron- en effectbestrijding. De procesverantwoordelijkheid voor het overige blijft geheel overeind. Uiteenlopende terminologieën Tot slot zij vermeld dat de gehanteerde term nazorg (geen wettelijke term!) tot enige begripsverwarring kan leiden. Immers, nazorg als separaat proces bestond reeds voor deze wetswijziging, zij het dat dit betrekking heeft op hulpverlening aan slachtoffers én hulpverleners op medisch en maatschappelijk terrein. Daarvoor bestaan dan ook reeds separate deelplannen. In deze context is nazorg een apart onderdeel van de gevolgbestrijding. Bovendien was het begrip als zodanig ook al geïntroduceerd in een andere context, namelijk die van het Integraal Veiligheidsmodel (toepasbaar op meer dan één veiligheidsgebied). In Haaglanden leeft de visie dat het doel van deze laatste wetswijziging het meest aansluit bij de omschrijving van de schakel nazorg van de gehele veiligheidsketen (pro-actie, preventie, preparatie, repressie, nazorg). De Integrale Veiligheidsrapportage 1993 noemt hierbij als voorbeelden het verlenen van hulp aan slachtoffers en nabestaanden en het afwikkelen van schadeclaims. Kortweg: de afwikkeling van (im)materiële schade. Het model draaiboek volgens bijlage 2 Eerder is in deze Toelichting (bij "De uitwerkingen") een beschrijving gegeven van de plaats van het draaiboek in zijn omgeving. In de volgende beschrijving zal de inhoudelijke kant van het draaiboek belicht worden, bedoeld als hulp bij het opzetten van een draaiboek. Voor het inzichtelijk maken is het totaal gegroepeerd naar onderdelen (c.q. hoofdstukken); het is de bedoeling dat elk draaiboek volgens dezelfde indeling wordt opzet. Onderdeel "Algemeen" Hierin wordt verwezen naar de reden van het draaiboek, namelijk als onderdeel van het rampenplan: als onderdeel van het rampenplan heeft de raad het college opgedragen per afdeling een draaiboek op te zetten. In algemene termen wordt daarna het draaiboek "ingeleid". Onderdeel "Alarmering" In geval van een grootschalig incident, ramp of zwaar ongeval kan de hulp van uw afdeling nodig zijn. In dat geval moet deze wel bereikbaar zijn. Op een doordeweekse dag zal dit geen probleem opleveren want iedereen kan het nummer van de telefooncentrale bellen. Buiten werktijd is dit anders, niet alleen voor de ambtenaar rampenbestrijding om uw afdeling te alarmeren, maar ook voor degene die gealarmeerd is en nu de eigen organisatie moet gaan alarmeren. In dit hoofdstuk moet u dus aangeven - hoe uw afdeling gealarmeerd moet worden; - hoe de organisatie van uw afdeling gealarmeerd moet worden; - waar het actiecentrum gevestigd is. 75
Voor de belangrijkste functies binnen uw organisatie is een semafoon het overwegen waard! Onderdeel Organisatie Bij een ramp of een zwaar ongeval zal de gemeente overgaan op "crisismanagement", zo ook de afdelingen die een taak hebben in het kader van de rampenbestrijding. Dit houdt in dat de afdeling via verkorte hiërarchische lijnen gaat werken. Het afdeling of een gemandateerde kan gevraagd worden deel uit te maken van de Gemeentelijke Crisisstaf, terwijl de dienst zelf "bestuurd" wordt door het hoofd van een in te stellen Actiecentrum. (N.B. Op de momenten dat het diensthoofd of zijn gemandateerde niet bij de Gemeentelijke Crisisstaf zit, zal hij/zij op het Actiecentrum aanwezig zijn). Het Actiecentrum zelf is het coördinatiecentrum van uw afdeling; hier worden de opdrachten uit de Gemeentelijke Crisisstaf vertaald in werkopdrachten voor personen/eenheden van uw afdeling, en wordt gecontroleerd of een goede uitvoering plaatsvindt. Het Actiecentrum heeft zogezegd de ingezette personen/eenheden "aan een touwtje". Om dit te kunnen zijn in het Actiecentrum een aantal functies nodig: een hoofd/één of meer telefoniste(n)(s), afhankelijk van de te ondernemen acties/logboekschrij(ver)(ster)/één of meer staffunctionarissen ter ondersteuning van het hoofd, eveneens afhankelijk van de te ondernemen acties. Deze functies moeten tijdens de gehele bestrijding van de ramp of het zware ongeval bezet zijn, m.a.w. personen moeten afgelost worden. Verder moet gedacht worden aan (simpele) dingen als voeding en drinken. Zoals het Actiecentrum permanent bezet is kunnen ook in andere delen van de afdeling permanent bezette functies aanwezig zijn; houdt ook hier rekening met aflossing en voeding/drank. Vermeld moet dus worden hoe de (crisisbestrijdings)organisatie opgezet is. Onderdeel "Communicatie" Zonder communicatie weet men niet wat er gebeurt, of men moet toevallig iemand spreken. Er is dus noodzaak tot het hebben van verbindingen. Dit kunnen de normale telefoonlijnen zijn, zeker binnen de dienst als beschikt wordt over een eigen huiscentrale. Buitenlijnen lopen via de telecommunicatiecentrales die bij overbelasting "plat" gaan, en dus communicatie via het openbare telefoonnet onmogelijk maakt. Het is zinvol alle Actiecentra aan te sluiten op het Nationale Noodnet (een landelijk telefoonnet t.b.v. crisisomstandigheden; het is separaat van het openbare telefoonnet, maar via telefonistes kan aansluiting gevraagd worden op het openbare net), zodat communicatie tussen actiecentra van de afdelingen die aan de rampbestrijding deelnemen verzekerd is. De Gemeentelijke Crisisstaf is eveneens aangesloten op dit noodnet, zodat ook de communicatie hiermee geen gevaar loopt. Het risico van verstoorde communicatie kan dus optreden met derden die u nodig heeft voor de uitvoering van uw taken, en met ingezette personen/eenheden van uw dienst, als bij beide slechts gebruik gemaakt kan worden van het openbare telefoonnet. Als er noodzaak is met de ingezette personen/eenheden in direct contact te blijven, kan overwogen worden tot het gebruik maken van het autotelefoonnet. Ook dit net kan echter "plat" gaan, hoewel later dan de telefooncentrale in de directe omgeving van het incident/ramp of zwaar ongeval. Een andere mogelijkheid is gebruik te maken van de radiofrequenties; het aanschaffen van mobilofoons is echter een stevige investering. Werken uw ingezette personen/eenheden "onder" één van de parate diensten dan bestaat de mogelijkheid berichten via de communicatie-infrastructuur van die parate dienst te laten lopen; deze mogelijkheid is echter een noodmaatregel omdat het principe is, dat iedere afdeling in eerste instantie in zijn eigen behoeften voorziet. In het draaiboek dient aangegeven te worden hoe de communicatie van uw (crisisbestrijdings)organisatie is geregeld en met welke verbindingsmiddelen. Onderdeel "Taken van de dienst" Zoals bij vele zaken kan ook hier gebruik gemaakt worden van het geheugensteuntje "Wie, wat, waar, wanneer en hoe". Dit geheugensteuntje kan namelijk gebruikt worden zodra er een actie ondernomen moet worden. Deze acties kunt u zien als de separate taken die uw afdeling in het kader van de crisisbestrijding heeft gekregen. 76
Door nu per taak dit geheugensteuntje in te vullen, krijgt u voor elke taak een schematisch ingevuld actieplan. De taken van de afdelingen zijn te herleiden uit de processen (Hoofdstuk 4 van het rampenplan). Bij de meeste van deze processen voeren meerdere diensten één of meerdere acties uit. Om zo'n proces goed te laten verlopen zullen deze verschillende acties wel op elkaar afgestemd moeten worden. Per proces dient u dus na te gaan welke acties van uw afdeling van dat proces deel uitmaken, waarbij per actie gekeken moet worden met welke andere afdeling(en) afstemming gezocht moet worden. Per proces is een procesverantwoordelijk aangewezen. Deze procesverantwoordelijke dient deze afstemming te initiëren en te coördineren. Het kan voorkomen dat voor de uitvoering van een taak uw afdeling geen personeel en/of middelen (genoeg) heeft. In dat geval zult u moeten zorgen dat het benodigde elders wordt gehaald. Dit "elders" kunnen soortgelijke afdelingen van andere gemeenten of overheden zijn, of derden. In beide gevallen zult u van tevoren moeten regelen dat u verzekerd bent van de benodigde ondersteuning op het moment dat u daar behoefte aan heeft. Voor deze samenwerking tussen de gemeenten in het gebied van de Hulpverleningsregio Haaglanden zullen de betrokken gemeentebesturen tot een regeling komen. Voor soortgelijke afspraken met particulieren zult u een (waakvlam)overeenkomst moeten sluiten; indien uw afdeling hiertoe niet gemandateerd is, dient dit via burgemeester en wethouders geregeld te worden. In het draaiboek zal dus per taak vermeld moeten worden welk proces het betreft en hoe u hier uitvoering aan geeft: "wie, wat, waar, wanneer en hoe" binnen de eigen afdeling, en "wie, wat, waar, wanneer en hoe" voor de van buiten geregelde ondersteuning. N.B. Dit onderdeel heeft invloed op het onderdeel "organisatie". Onderdeel "Beschikbare middelen" Om een inschatting te kunnen maken van het totale potentieel wat de gemeente kan mobiliseren, zal elke afdeling een overzicht moeten geven over welke middelen zij (kan) beschikken. Onder middelen wordt verstaan personeel zowel als materieel. Dit betreft een overzicht wat de afdeling zelf heeft én wat de afdeling kan regelen via andere (semi)overheidsinstanties en derden. In dit laatste geval is het van belang de opkomsttijd erbij te vermelden (dit is de tijd die verstrijkt tussen het moment van aanvraag en het moment dat het gevraagde op de afgesproken plaats ter beschikking is). 77
Besluit inzake intergemeentelijke samenwerking rampenbestrijding in de regio Haaglanden volgens bijlage 4 rampenplan Den Haag najaar 2000 Dit model is bijgevoegd vanuit de behoefte bij de gemeenten binnen het gebied van de Hulpverleningsregio Haaglanden de onderlinge, intergemeentelijke hulp- en bijstandsverlening, zowel in materiële als in personele zin, goed te regelen. Deze besluitvorming dient ter uitwerking van sub. 4 van voorgaande bijlage 4, waarin voor de colleges van burgemeester en wethouders is opgenomen de verplichting te komen tot een intergemeentelijke regeling voor onderlinge hulpverlening bij rampen of zware ongevallen, zoals bedoeld in hoofdstuk 1, onder paragraaf 1.1. sub 1.1.4. van het rampenplan. 78
BIJLAGE 2 Model draaiboek Elke in het rampenplan genoemde afdeling/organisatie werkt haar verantwoordelijkheden, bevoegdheden en taken uit in een draaiboek. Daar waar deze onderdeel uitmaken van een proces, geschiedt deze uitwerking in afstemming met de andere bij dit proces betrokken afdelingen/organisaties. Een draaiboek bevat minimaal de volgende onderdelen: I. Algemeen Inleiding op het draaiboek; algemene termen, waarin o.a. aan de orde kunnen komen: - Benaming, doel en werkingssfeer van het draaiboek; - de betekenis/waarde van de afdeling/organisatie voor de bestrijding van rampen of zware ongevallen. II. Alarmering - De alarmeringsregeling van de dienst/organisatie: - intern: wie worden in welke gevallen op welke wijze door wie opgeroepen, wat is de opkomstplaats, wat is de plaats van het actiecentrum; - extern: welke organisaties, die acuut nodig zijn voor de taakuitvoering, zijn door wie op welke wijze te bereiken/mobiliseren. In de alarmeringsregeling kunnen twee scenario s worden opgenomen: bereikbaarheid/alarmering via de normale en (als reserve in geval van falen of congestie) via alternatieve verbindingswegen/ kanalen. III. Organisatie - Een beschrijving van de organisatie onder crisisomstandigheden; - een overzicht van in te vullen functies met bevoegdheden, verantwoordelijkheden en taken. IV. Communicatie - Een overzicht van de verbindingen - locaties eigen en andere afdelingen/organisaties met verbindingswegen/bereikbaarheid (soort verbinding en data); - lijst van verbindingsmiddelen met soort, plaats en data. V. Taken - Een overzicht van uit te voeren taken: - de processen waarvoor men verantwoordelijk is; - de activiteiten binnen processen, die uitgevoerd moeten worden voor anderen; dit op basis van hoofdstuk 4 van het rampenplan. - Een overzicht van de afspraken met derden: - andere gemeentelijke afdelingen; - andere afdelingen/overheden/collega-gemeenten; - bedrijven/instellingen. Dit overzicht bevat zowel de afspraken in het kader van zelf hulp ontvangen als in het kader van hulp verlenen áán derden. Daarin kunnen worden vermeld: S omvang van de afspraken (het pakket) en de basis daarvan (overeenkomst, verordening, regeling, e.d.); S wijze van aanvragen, krijgen, verlenen, zo mogelijk met vermelding tijdsduur beschikbaar komen/zijn; - naam/adres/woonplaats en alarmeringsgegevens. VI. Beschikbare middelen - Een overzicht van het beschikbare personeel met hun oproepbaarheid/bereikbaarheid. Het kan hier gaan om gegevenslijsten van namen, plaats/positie, (sub)afdelingen, werkplek, 79
telefoonnummers, en zo mogelijk -voor zover privacy is gewaarborgd- huisadressen met telefoonnummers. - Een overzicht van de beschikbare materialen: - materieel (voertuigen, werktuigen, machines, e.d.); - materialen (hulpmiddelen, gereedschappen, e.d.); - apparatuur (computers, kopieermachines, meetapparatuur, e.d.); - gebouwen (zowel voor eigen gebruik als voor uitvoering van processen/activiteiten). - logistieke gegevens over voeding, dranken en aflossing. rampenplan Den Haag najaar 2000 Bij de middelen kan worden vermeld: plaats, beschikbaarheid/inzetbaarheid, tijdsduur tot beschikbaar zijn, inzetmogelijkheden, technische gegevens, eigendom, contactpersoon, e.d. 80
Model besluit vaststelling rampenplan BIJLAGE 3 De raad van de gemeente... ; Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders; Gelet op de bepalingen van de Wet rampen en zware ongevallen; besluit: 1. vast te stellen het rampenplan voor de gemeente... overeenkomstig de bij dit besluit behorende bijlage; 2. aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid te delegeren om noodzakelijke wijzigingen van ondergeschikte aard in het plan aan te brengen, onder voorwaarde dat deze wijzigingen telkens ter kennis van de raad worden gebracht; 3. te bepalen dat burgemeester en wethouders nadere regels kunnen stellen ten aanzien van de onderwerpen genoemd in hoofdstuk 4 van het rampenplan; 4. burgemeester en wethouders op te dragen te komen tot een intergemeentelijke regeling voor onderlinge hulpverlening bij rampen of zware ongevallen, zoals bedoeld in hoofdstuk 1 onder paragraaf 1.1. sub 1.1.4. van het rampenplan en deze overeenkomst, binnen een termijn van een jaar na datum van dit raadsbesluit, vast te stellen; 5. de burgemeester te verzoeken te komen tot intergemeentelijke afspraken betreffende de bestuurlijke coördinatie, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 onder paragraaf 2.4. sub 2.4.2. van het rampenplan; 6. burgemeester en wethouders op te dragen de in het rampenplan vastgelegde taken van gemeentelijke diensten uit te werken in een draaiboek per dienst en deze instructies, binnen een termijn van een jaar na datum van dit raadsbesluit, vast te stellen; 7. burgemeester en wethouders op te dragen jaarlijks een schema vast te stellen aangaande het oefenen van (onderdelen van) de gemeentelijke rampenbestrijdingsorganisatie, zoals bedoeld in hoofdstuk 1, onder paragraaf 1.1., sub 1.1.6. van het rampenplan en dit ter kennis van de raad te brengen. Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van...1999. De secretaris, De voorzitter, 81
Besluit inzake intergemeentelijke samenwerking BIJLAGE 4 rampenbestrijding in de regio Haaglanden. De burgemeester en wethouders van de gemeenten Den Haag, Delft, s-gravenzande, Leidschendam, De Lier, Maasland, Monster, Naaldwijk, Nootdorp, Pijnacker, Rijswijk, Schipluiden, Voorburg, Wassenaar, Wateringen en Zoetermeer, overwegende dat: een ramp of zwaar ongeval op het grondgebied van één van de gemeenten die behoren tot de Hulpverleningsregio Haaglanden, bijna altijd in enigerlei vorm gevolgen heeft voor één of meer aangrenzende gemeenten; de getroffen gemeente(n) in het algemeen niet over voldoende materiële en/of personele middelen beschikt/beschikken om de gevolgen van een ramp of zwaar ongeval op een snelle en adequate wijze te bestrijden; snelle en adequate hulp en bijstand van andere gemeenten vereist kan zijn om erger leed en/of materiële schade te voorkomen; ten aanzien van het vragen of verlenen van hulp en bijstand van de niet-parate onderdelen van de gemeentelijke rampenbestrijdingsorganisatie geen wet- of regelgeving bestaat; de gemeenschappelijke regeling Hulpverleningsregio Haaglanden hierin evenmin voorziet, daar deze regeling zich baseert op andere wetgeving dan de Gemeentewet en laatstgenoemde wet bij uitsluiting van andere wetgeving de inzet van gemeentelijk personeel regelt; behoefte bestaat aan een regionaal dekkende regeling, waarbij in voorbereidende en aanvullende zin de mogelijkheid wordt geboden ingeval van een (dreigende) ramp of zwaar ongeval snel en adequaat hulp en bijstand te verlenen aan de getroffen gemeente(n); voorts de noodzaak wordt onderkend ook in het kader van de voorbereiding op de rampenbestrijding intergemeentelijke afspraken te maken ten aanzien van de uitwerking van die processen uit het gemeentelijk rampenplan, waarvoor gemeentelijke diensten procesverantwoordelijk zijn; door het Algemeen Bestuur van de Hulpverleningsregio Haaglanden op 5 juli 1995 het eerste regionaal model-gemeentelijk rampenplan is vastgesteld, aan de hand waarvan de regiogemeenten vervolgens hun lokale rampenplannen hebben vastgesteld; in het regionaal model-gemeentelijk rampenplan als bijlage 3 een modelbesluit vaststelling rampenplan is opgenomen, ter uniformering van de wettelijk vereiste vaststelling van de lokale rampenplannen door de afzonderlijke gemeenteraden; sub 4. van voornoemde bijlage 3 bepaalt dat de gemeenteraad het college van burgemeester en wethouders opdraagt te komen tot een intergemeentelijke regeling voor onderlinge hulpverlening bij rampen of zware ongevallen, zoals bedoeld in hoofdstuk 1, onder paragraaf 1.1. sub 1.1.4. van het rampenplan; voorts Artikel 4, tweede lid, van de Wet rampen en zware ongevallen onder meer voorschrijft dat in het rampenplan de afstemming op plannen, vastgesteld voor het gebied van aangrenzende gemeenten, dient te zijn gewaarborgd; 82
b e s l u i t e n: rampenplan Den Haag najaar 2000 1. vast te stellen de bij dit besluit behorende Intergemeentelijke regeling ter voorbereiding op de rampenbestrijding, alsmede ten behoeve van het verlenen van hulp en bijstand bij (dreigende) rampen en zware ongevallen binnen de Hulpverleningsregio Haaglanden ; 2. zich bereid te verklaren in geval van (dreigende) rampen of zware ongevallen desgevraagd naar vermogen met gemeentelijk personeel hulp en bijstand te verlenen aan de zulks behoevende gemeente(n), welke is/zijn gelegen binnen het gebied van de Hulpverleningsregio Haaglanden; 3. een afschrift van dit besluit te zenden aan de Hulpverleningsregio Haaglanden en deze te verzoeken de dekkendheid van deze afspraken binnen de gehele regio te bewaken. Aldus besloten in de vergadering van burgemeester en wethouders d.d. De secretaris, De burgemeester, 83
INTERGEMEENTELIJKE REGELING TER VOORBEREIDING OP DE RAMPENBESTRIJDING, ALSMEDE TEN BEHOEVE VAN HET VERLENEN VAN HULP EN BIJSTAND BIJ (DREIGENDE) RAMPEN EN ZWARE ONGEVALLEN BINNEN DE HULPVERLENINGSREGIO HAAGLANDEN. Artikel 1. Doel van de samenwerking. De in deze regeling bedoelde samenwerking richt zich alleen op de hulp en bijstand van de niet-parate onderdelen van de gemeentelijke rampenbestrijdingsorganisaties en heeft tot doel: 1. In voorbereidende en aanvullende zin een mogelijkheid te bieden waarop in geval van een (dreigende) ramp of zwaar ongeval een beroep kan worden gedaan, teneinde zo snel en adequaat mogelijk onderlinge hulp en bijstand te verlenen; 2. een continue uitwisseling te waarborgen van kennis en ervaring op het terrein van de rampenbestrijding in het algemeen en de gemeentelijke procesverantwoordelijkheden in het bijzonder; 3. te komen tot verdergaande afstemming en gezamenlijke implementatie van plannen en draaiboeken, werkinstructies, poolvorming e.d. op het terrein van rampenbestrijding, van de binnen het gebied van de Hulpverleningsregio Haaglanden gelegen gemeenten. Artikel 2. Inhoud van de samenwerking. 1. De samenwerking geldt voor de rampenbestrijding in de zin van de Wet rampen en zware ongevallen. Hieronder wordt het gehele nazorgtraject eveneens begrepen. 2. Hulp en bijstand ingeval van een (dreigende) ramp of zwaar ongeval strekt zich uit over personele en/of materiële middelen, een en ander overeenkomstig de in deze regeling omschreven procedure. 3. Ter voorbereiding van mogelijke hulp- en bijstandsverlening zullen gemeenten: a. elkaar in de gelegenheid stellen kennis te nemen van de eigen rampenplannen, draaiboeken e.d.; b. regelmatig gegevens uitwisselen over elkaars hulp- en bijstandspotentieel -zowel in personele als in materiële zin-, alsmede over opvangcapaciteit van niet-gewonde slachtoffers; c. in samenspraak met de Hulpverleningsregio Haaglanden verdere organisatorische afspraken maken over poolvorming gemeentelijke processen en andere aangelegenheden de rampenbestrijding betreffende. Artikel 3. Hulp- en bijstandsvoorwaarden. 1. Gemeenten zullen eerst een verzoek tot hulp en bijstand doen, nadat het gemeentelijk rampenplan geheel of gedeeltelijk in werking is gesteld en nadat is gebleken dat de eigen middelen ontoereikend zijn. 2. Indien binnen gemeenten reeds andere hulp- en bijstandsregelingen bestaan, zal hiervan in eerste instantie gebruik worden gemaakt. 3. Gemeenten verlenen hulp en bijstand naar vermogen. Aan een verzoek om hulp en bijstand kunnen nimmer rechten worden ontleend. 4. Alle aantoonbare kosten welke rechtstreeks het gevolg zijn van het verlenen van hulp en bijstand komen voor rekening van de bijstand vragende gemeente, tenzij hierin op enigerlei andere wijze is voorzien. Artikel 4. Procedure voor het aanvragen van hulp en bijstand. 1. Een bijstandsverzoek als bedoeld in deze regeling dient te worden gericht aan de burgemeester van de desbetreffende gemeente. 2. Is de gevraagde bijstand eenmaal toegezegd, dan zal de (coördinatie van de) uitvoering daarvan 3. door de betrokken burgemeester worden opgedragen aan ambtenaar rampenbestrijding of diens plaatsvervanger. 4. Alarmering van de burgemeester vindt plaats overeenkomstig de in of krachtens het gemeentelijk rampenplan vastgelegde procedure. 84