Ruimte en grenzen rond seksualiteit Praktijktoets omgaan met seksualiteit in de 24-uurs jeugdzorg (hertoets) Centrum voor Wonen, Zorg & Welzijn Midden Nederland Inspectie jeugdzorg Utrecht, mei 2010
2 Inspectie jeugdzorg
Samenvatting Door op een goede manier aandacht te besteden aan het onderwerp seksualiteit kunnen jeugdzorginstellingen bijdragen aan de ontwikkeling van jongeren en aan het voorkómen van seksuele incidenten. Vanwege het belang dat de Inspectie jeugdzorg hecht aan dit onderwerp, vindt bij diverse instellingen praktijkonderzoek plaats als vervolg op een in 2008 uitgevoerd beleidsonderzoek. In 2008 heeft bij Centrum voor Wonen, Zorg & Welzijn Midden Nederland (toen nog: Utrechtse Jeugdhulpverlening Leger des Heils/ Orthopedagogisch Centrum t Gooi, UJL/OCG) een eerste praktijkonderzoek plaatsgevonden. Het oordeel van de inspectie luidde destijds dat UJL/OCG in de praktijk onvoldoende invulling gaf aan de thema s rond seksualiteit. Voor de start van het nu uitgevoerde praktijkonderzoek is het beleid van CWZW Midden Nederland opnieuw geanalyseerd. In het praktijkonderzoek in 2010 heeft de inspectie de manier waarop de medewerkers van CWZW Midden Nederland nu omgaan met het onderwerp seksualiteit in leefgroepen voor kinderen en jongeren, beoordeeld. Het eindoordeel van de inspectie luidt dat de ruimte en grenzen die CWZW Midden Nederland kinderen en jongeren biedt rond seksualiteit van voldoende kwaliteit is. CWZW Midden Nederland had in 2008 en heeft nog steeds duidelijk aandacht voor het thema bejegening, dat een belangrijk onderwerp is binnen de instelling. Verder is de inspectie met name positief over hoe CWZW Midden Nederland na het onderzoek in 2008 verbeteracties heeft ingezet rond de thema s seksualiteit, gedrag en ontwikkeling en preventie. CWZW Midden Nederland heeft echter onvoldoende aandacht voor het thema deskundigheid. Op basis van het geactualiseerde beleidsonderzoek en het praktijkonderzoek bij CWZW Midden Nederland doet de Inspectie jeugdzorg de volgende aanbevelingen. Aan CWZW Midden Nederland: Thema Seksualiteit, gedrag en ontwikkeling: Stel de beleidsnotitie seksualiteit op korte termijn vast en zorg ervoor dat alle medewerkers de inhoud van de notitie kennen. Thema Preventie: Rond de inventarisatie van de risicofactoren met betrekking tot (grensoverschrijdend) seksueel gedrag op korte termijn af en neem maatregelen om de geconstateerde risico s op te heffen of te beperken. Vraag een verklaring omtrent het gedrag aan medewerkers die in dienst waren voor de invoering van het opvragen van de verklaring en aan wie nog geen verklaring is gevraagd. 3
Thema Reactie: Zorg dat medewerkers de incidenten uitgebreider vastleggen in de incidentenregistratie in CLEVER. Thema Deskundigheid: Neem deskundigheidsbevordering op de thema s rond het omgaan met seksualiteit op in het opleidingsplan voor 2010 en start met een spoedige uitvoering hiervan. Aan de provincie Utrecht Maak afspraken met CWZW Midden Nederland over het invoeren van verbeteringen en zie toe op de uitvoering. 4
Inhoudsopgave Samenvatting 3 Hoofdstuk 1 Inleiding...7 Hoofdstuk 2 Waarom aandacht voor seksualiteit?...9 Hoofdstuk 3 Oordeel en onderbouwing... 11 3.1 Bejegening... 11 3.2 Seksualiteit, gedrag en ontwikkeling... 12 3.3 Preventie... 13 3.4 Reactie... 14 3.5 Deskundigheid... 16 3.6 Hertoets... 16 Hoofdstuk 4 Eindoordeel en aanbevelingen... 19 4.1 Eindoordeel... 19 4.2 Aanbevelingen... 19 Bijlage 1 Toetsingskader... 21 Bijlage 2 Resultaten geactualiseerd beleidsonderzoek CWZW Midden Nederland... 25 5
6 Inspectie jeugdzorg
Hoofdstuk 1 Inleiding In 2007 en 2008 heeft de Inspectie jeugdzorg onderzoek gedaan naar de kwaliteit van het beleid dat de instellingen voor 24 uurs jeugdzorg hadden ontwikkeld op een aantal relevante thema s op het gebied van seksualiteit (bejegening, preventie en reactie en deskundigheidsbevordering) 1. Het betrof beleidsonderzoek bij alle residentiële instellingen. Uit het beleidsonderzoek werd duidelijk dat een flink aantal instellingen een onvoldoende scoorde bij een of meer van de relevante thema s. Daarnaast bleek dat veel instellingen bezig waren beleid te ontwikkelen rond seksualiteit. Na de landelijke rapportage in 2008 2 hebben de provincies/stadsregio s een verbetertraject met de instellingen afgesproken voor wat betreft het beleid op de thema s die de inspectie als onvoldoende had beoordeeld. Volgend op het beleidsonderzoek heeft de inspectie in 2008 bij 4 residentiële instellingen, waaronder Utrechtse Jeugdhulpverlening Leger des Heils/ Orthopedagogisch Centrum 't Gooi (UJL/OCG), een praktijktoets uitgevoerd. UJL/OCG is inmiddels overgegaan in Centrum voor Wonen, Zorg & Welzijn Midden Nederland (hierna te noemen: CWZW Midden Nederland). Het oordeel van de inspectie luidde dat UJL/OCG in de praktijk onvoldoende invulling gaf aan de thema s rond seksualiteit 3. De inspectie heeft UJL/OCG kort na het toezicht laten weten dat er op korte termijn maatregelen genomen moesten worden om de geconstateerde risico s voor de jongeren tot het minimum te beperken. Daarnaast deed de inspectie aanbevelingen aan UJL/OCG om de invulling van de thema s rond seksualiteit te verbeteren (zie verder onder: 3.6 Hertoets). De provincie Utrecht heeft in 2009 aan de inspectie gevraagd om vier van haar provinciale instellingen te onderzoeken. Een van de instellingen betreft CWZW Midden Nederland, waar sprake is van een hertoets van het praktijkonderzoek van eind 2008. De inspectie jeugdzorg heeft in de periode januari tot maart 2010 onderzoek uitgevoerd bij de volgende vier instellingen in de provincie Utrecht: Trajectum Lijn 5/ Meerwijck De Rading CWZW Midden Nederland 1 Lammers, M. en Goes, A., Van incident tot fundament. Vormgeving en implementatie van beleid rond bejegening, seksualiteit en seksueel misbruik. Transact 2006 Transact is opgegaan in de nieuwe organisatie MOVISIE, kennis en advies voor maatschappelijke ontwikkeling. www.movisie.nl 2 Rapport Inspectie jeugdzorg Ruimte en grenzen rond seksualiteit, beleid van instellingen voor 24-uurs jeugdzorg op het gebied van seksualiteit, september 2008. 3 Rapport Inspectie jeugdzorg Aandacht voor seksualiteit, praktijktoets Utrechtse Jeugdhulpverlening Leger des Heils/ Orthopedagogisch Centrum 't Gooi (UJL/OCG), maart 2009. 7
In dit rapport beoordeelt de inspectie de manier waarop medewerkers van CWZW Midden Nederland nu omgaan met het onderwerp seksualiteit. Er zijn drie leefgroepen in het onderzoek betrokken. Onderzoek Voorafgaand aan het praktijkonderzoek is gevraagd naar het geactualiseerde beleid van CWZW Midden Nederland en dit is beoordeeld. Er heeft een gesprek plaatsgevonden met de kwaliteitsmanager over het beleid van CWZW Midden Nederland. Verder zijn de incidentenregistraties en een aantal cliëntendossiers geanalyseerd. Ook vonden gesprekken plaats met groepsopvoeders, een werkbegeleider en een orthopedagoog/ gedragswetenschapper. Leeswijzer In hoofdstuk twee wordt het belang beschreven dat de inspectie hecht aan het onderwerp seksualiteit. Hoofdstuk drie bevat de beoordeling van de praktijk bij CWZW Midden Nederland. Ook wordt in dit hoofdstuk een overzicht gegeven van hoe de instelling, naar aanleiding van het onderzoek in 2008, invulling heeft gegeven aan de aanbevelingen van de inspectie. In hoofdstuk vier staan het eindoordeel en de aanbevelingen. In de bijlagen vindt u het toetsingskader (bijlage 1), en de resultaten van het geactualiseerde beleidsonderzoek CWZW Midden Nederland (bijlage 2). 8
Hoofdstuk 2 Waarom aandacht voor seksualiteit? Seksualiteit is een wezenlijk onderdeel van de ontwikkeling van jeugdigen naar volwassenheid. Zeker wanneer er sprake is van 24-uurs opvang van minderjarige cliënten in een residentiële voorziening verdienen thema s als intimiteit en seksualiteit professionele aandacht. Kinderen worden immers niet alleen begeleid en behandeld in residentiële voorzieningen, zij wonen er ook, vaak voor langere tijd. Door op een goede manier aandacht te besteden aan het onderwerp seksualiteit kunnen instellingen bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen en het voorkómen van seksuele incidenten. Het is belangrijk dat in residentiële voorzieningen positieve omgangsvormen gelden, die duidelijkheid geven over mogelijkheden en grenzen. Kinderen in residentiële voorzieningen moeten in de eerste plaats fysiek veilig zijn, ook op het gebied van seksualiteit. Daarnaast hebben zij, afhankelijk van hun leeftijd en situatie, ondersteuning nodig bij hun ontwikkeling op het gebied van intimiteit en seksualiteit. Wat door jeugdigen én medewerkers normaal wordt gevonden op het gebied van seksualiteit is steeds aan verandering onderhevig. Veel meer dan vroeger speelt de beeldvorming in de media, waaronder internet, daarbij een rol. Voor wie zich bezighoudt met het begeleiden en behandelen van jeugdigen, is het belangrijk zich hiervan bewust te zijn. In jeugdzorginstellingen is het belangrijk dat medewerkers de kennis en vaardigheden hebben om jeugdigen in hun ontwikkeling te begeleiden en daarmee ook in hun seksuele ontwikkeling. Seksualiteit is voor veel medewerkers echter een lastig onderwerp. Hoe maak je het thema bespreekbaar en hoe voorkom je seksueel riskant gedrag? Durven kinderen op de groep uit te komen voor hun seksuele geaardheid en welke invloed hebben groepsleiders daarop? En, wat moeten medewerkers doen én laten bij vermoedens van seksueel grensoverschrijdend gedrag op de groep? Als medewerkers weten welke factoren binnen de leefgroep grensoverschrijdend gedrag beïnvloeden, kunnen ze hierop inspelen om ongewenst gedrag te voorkomen. Medewerkers verdienen dan ook duidelijke handvatten om risico s te kunnen inschatten en beheersen. Praktijkmodel seksualiteit De organisatie MOVISIE ontwikkelde na jarenlang onderzoek en praktijkervaring in diverse sectoren een praktijkmodel dat de relevante thema s op het gebied van seksualiteit en intimiteit in samenhang behandelt. In 2006 accepteerde de Inspectie voor de Gezondheidszorg het praktijkmodel van MOVISIE als veldnorm voor de sector verstandelijk gehandicapten. Vanwege de bruikbaarheid van het MOVISIE model in de beroepspraktijk, is het inspectieonderzoek gebaseerd op vijf thema s, die toegelicht worden op de volgende pagina. De vijf thema s van het model zijn zoals gebruikelijk vertaald in een toetsingskader (zie bijlage 1), dat duidelijk maakt wat de inspectie verwacht van instellingen. 9
Bejegening Hoe willen we dat medewerkers en cliënten met elkaar omgaan in deze instelling? Seksualiteit Wat is onze instellingsvisie op seksueel gedrag en seksuele ontwikkeling? Preventie Wat kunnen we doen om in onze instelling seksueel grensoverschrijdend gedrag te voorkómen? Reactie Indien er sprake is van (vermoedens van) seksueel grensoverschrijdend gedrag, hoe gaan we daar dan mee om? gedrag/ontwikkeling Deskundigheid Over welke kennis en vaardigheden dienen onze medewerkers te beschikken en hoe houden we de deskundigheid op peil? 10
Hoofdstuk 3 Oordeel en onderbouwing In dit hoofdstuk geeft de inspectie haar oordeel over de kwaliteit van het beleid en de praktijk op de vijf relevante thema s bejegening, seksualiteit, preventie, reactie en deskundigheid. Eerst vindt u een oordeel over de kwaliteit van het beleid gevolgd door een beoordeling van de praktijk. Daaronder treft u de onderbouwing van beide oordelen. De resultaten van het beleidsonderzoek staan in bijlage 2. 3.1 Bejegening Oordeel Thema Oordeel bejegening 1. Kwaliteit beleid voldoende 2. Kwaliteit praktijk voldoende Onderbouwing Voor de medewerkers van CWZW Midden Nederland geldt de algemene gedragscode uit het W&G paspoort, dat binnen Stichting Leger des Heils Welzijn- en Gezondheidszorg is opgesteld. Hierin zijn de gedragsregels voor de medewerkers uitgewerkt. In de beleidsnotitie seksualiteit heeft de instelling het onderwerp bejegening nader uitgewerkt en toegespitst op seksualiteit. Ten tijde van het onderzoek was deze notitie nog in concept en was de inhoud niet bij alle medewerkers bekend. In deze beleidsnotitie wordt onder andere aandacht besteed aan bejegening door medewerkers en cliënten onderling en tussen medewerkers en cliënten. Verder is in de beleidsnotitie een specifieke gedragscode seksualiteit voor medewerkers opgenomen. In de praktijk is het thema bejegening een belangrijk onderwerp binnen CWZW Midden Nederland. Uitgangspunt in de omgang van medewerkers is respect voor elkaar. Een onderdeel daarvan is dat medewerkers elkaar feedback kunnen en durven geven. Ook in de bejegening van de kinderen en jongeren vormt respect de basis. De door de inspectie geïnterviewde groepsopvoeders geven aan dat zij zich hierbij bewust zijn van hun voorbeeldfunctie. In 2007 en 2008 hebben alle medewerkers een training bejegening gevolgd, die eindigde in een terugkomdag en een toets. Ook nieuwe medewerkers moeten deze training volgen. 11
3.2 Seksualiteit, gedrag en ontwikkeling Oordeel Thema Oordeel seksualiteit 1. Kwaliteit beleid voldoende 2. Kwaliteit praktijk voldoende Onderbouwing CWZW Midden Nederland is in mei 2009 met de projectgroep aandacht voor seksualiteit in de jeugdzorg gestart. Deze projectgroep heeft als doel de uitvoering van het verbeterplan, dat de instelling op basis van de aanbevelingen uit het vorige inspectierapport 4 heeft opgesteld, te waarborgen. Op het moment van het onderzoek had deze projectgroep zich met name met twee onderwerpen beziggehouden: het opstellen van de beleidsnotitie seksualiteit (zie hieronder) en het starten van een sectorbrede risico-inventarisatie onder medewerkers en cliënten (zie verder onder: preventie). Daarnaast geeft de projectgroep periodiek een nieuwsbrief uit over de voortgang van het project. In de beleidsnotitie seksualiteit geeft CWZW Midden Nederland haar visie op seksualiteit en seksuele ontwikkeling binnen de instelling. Verder zijn in deze notitie onderwerpen uitgewerkt als: seksuele ontwikkeling in verschillende leeftijdsfasen, seksuele voorlichting aan kinderen met een allochtone afkomst, grensoverschrijdend seksueel gedrag en hoe de instelling de seksuele ontwikkeling van haar cliënten wil begeleiden. In de praktijk heeft de instelling aandacht voor seksualiteit. Bij de jongere kinderen zijn seksualiteit, seksuele ontwikkeling en leeftijdsadequaat gedrag onderwerpen waar de groepsopvoeders aandacht voor hebben. Alle kinderen krijgen bijvoorbeeld seksuele voorlichting, waarbij de groepsopvoeders aansluiten bij de fase van ontwikkeling waarin de kinderen zich bevinden. De groepsopvoeders kunnen hierbij gebruik maken van het boekje waar komen baby s vandaan. Met de oudere kinderen/ jongeren (hierna te noemen: jongeren) werkt de instelling aan leerdoelen als eigenheid, zelfvertrouwen en grenzen leren stellen. Deze doelen zijn vastgelegd in het specifieke hulpverleningsplan dat voor iedere jongere wordt opgesteld. Verder krijgen alle jongeren seksuele voorlichting van één van hun groepsopvoeders. Dit kan zowel individuele als groepsgewijze voorlichting zijn. Groepsgewijze voorlichting vindt alleen plaats als de sfeer op de betreffende groep dit toelaat. Wanneer een groepsopvoeder voorlichting heeft gegeven aan een kind of jongere, legt hij of zij dit vast in de dagrapportage. De gedragswetenschappers en werkbegeleiders, die de dagrapportages 4 Rapport Inspectie jeugdzorg Aandacht voor seksualiteit, praktijktoets Utrechtse Jeugdhulpverlening Leger des Heils/ Orthopedagogisch Centrum 't Gooi (UJL/OCG), maart 2009. 12
lezen, hebben er op deze manier zicht op of bij alle kinderen en jongeren aandacht wordt besteed aan hun seksuele ontwikkeling. 3.3 Preventie Oordeel Thema Oordeel preventie 1. Kwaliteit beleid voldoende 2. Kwaliteit praktijk voldoende Onderbouwing In de beleidsnotitie seksualiteit van CWZW Midden Nederland wordt aandacht besteed aan het onderdeel preventie. De instelling heeft als uitgangspunt een veilig klimaat genomen, waarin kinderen en jongeren open en eerlijk kunnen zijn. Op een respectvolle, open en positieve manier structureel aandacht besteden aan het onderwerp seksualiteit heeft volgens de instelling een preventieve werking. Daarnaast heeft de instelling een specifieke gedragscode seksualiteit voor de medewerkers en omgangregels voor de cliënten opgesteld. In de concept beleidsnotitie staat ook een aantal risicofactoren voor seksueel grensoverschrijdend gedrag beschreven. Deze risicofactoren worden periodiek geïnventariseerd met behulp van instrumenten van MOVISIE. De instelling hanteert daarnaast het Utrechts Protocol Kindermishandeling 5. In de praktijk zijn medewerkers zich bewust van de factoren die het risico op seksueel grensoverschrijdend gedrag beïnvloeden. Zij noemen vooral risico s in de achtergrond van de kinderen en jongeren, zoals een verleden van seksueel misbruik of verwaarlozing. Ook noemt een aantal medewerkers de gemengde groepen en de huisvesting van een aantal leefgroepen (in panden met meerdere verdiepingen) binnen CWZW Midden Nederland als risicofactor. In de twee onderzochte leefgroepen voor jongeren is na het toezicht van de inspectie in 2008 een deurbewakingssysteem op de kamerdeuren van de jongeren aangebracht. Dit systeem signaleert in- en uitgaande personen op kamer- en leefgroepniveau. De medewerkers ervaren dit systeem als een meerwaarde voor de veiligheid van de jongeren. Er kunnen geen jongeren meer ongemerkt uit hun kamer of bij elkaar op de kamer komen en ook kunnen er geen derden meer ongemerkt de leefgroep binnenkomen. Naast het deurbewakingssysteem heeft de instelling een aantal preventieve groepsregels opgesteld voor de jongeren en de medewerkers. Zo zijn bijvoorbeeld relaties binnen de instelling niet toegestaan. Wanneer een jongere een relatie heeft met iemand van buiten de instelling, dan kijkt de instelling daar individueel naar. Ook mogen jongens niet met meisjes op dezelfde kamer zijn. Verder moeten de jongeren, bijvoorbeeld na het douchen, gekleed 5 Het Utrechts Protocol Kindermishandeling is een protocol van de werkgroep LAAK waarin veel Utrechtse jeugdzorgaanbieders participeren. Er staat in hoe instellingen hebben afgesproken om te gaan met (vermoedens van) seksueel grensoverschrijdend gedrag. 13
over de gang lopen. De groepsopvoeders kijken voordat ze naar bed gaan nog een keer bij alle jongeren of ze wel op bed liggen. Op de leefgroepen van de kinderen zijn de groepsopvoeders alert op mogelijke signalen van grensoverschrijdend gedrag. Een aandachtspunt hierbij is wanneer iets nog valt onder gezonde nieuwsgierigheid van (jonge) kinderen en wanneer het seksueel grensoverschrijdend gedrag is. Hierover voeren de groepsopvoeders discussies met de werkbegeleider en de gedragswetenschapper. De groepsopvoeders horen wanneer een kind van zijn kamer afgaat, omdat er op alle deuren van de kinderen hoorbare deurdrangers zitten. Verder maken de groepsopvoeders gebruik van een babyfoon op de gang. Ook voor de kinderen geldt een aantal preventieve regels. Zo geldt bijvoorbeeld dat de gedragwetenschapper in overleg met de groepsopvoeders bepaalt of kinderen samen met elkaar op hun kamer mogen spelen. Verder mogen de kinderen niet samen onder dezelfde douche. Naast deze preventieve maatregelen en regels is de instelling gestart met het sectorbreed inventariseren van risicofactoren en het ontwikkelen van een gestandaardiseerd instrument hiervoor. De instelling krijgt daarbij ondersteuning van de organisatie MOVISIE. De instelling heeft vragenlijsten onder medewerkers uitgezet en gaat op basis van de uitkomsten van deze vragenlijsten, teaminterviews houden. Daarnaast gaat de instelling een veiligheidsbarometer afnemen onder kinderen en jongeren. Op het moment van het onderzoek was deze inventarisatie nog niet afgerond. In beleid is vastgelegd dat er vertrouwenspersonen voor zowel de kinderen en jongeren als de medewerkers zijn. In de praktijk weten de medewerkers dat er voor hen een vertrouwenspersoon is. Niet alle medewerkers kennen de vertrouwenspersoon persoonlijk, maar ze geven aan dat ze de werkbegeleider zouden benaderen indien ze behoefte hebben om de vertrouwenspersoon te spreken. Sinds ongeveer twee jaar vraagt CWZW Midden Nederland standaard van nieuwe medewerkers, inclusief stagiaires en vrijwilligers, een verklaring omtrent het gedrag (VOG). Dit heeft de instelling ook in haar beleid opgenomen. Aan de medewerkers die voor die tijd in dienst zijn gekomen is niet alsnog een VOG gevraagd. 3.4 Reactie Oordeel Thema Oordeel reactie 1. Kwaliteit beleid voldoende 2. Kwaliteit praktijk voldoende 14
Onderbouwing Voor het omgaan met (vermoedens van) seksueel grensoverschrijdend gedrag hanteert CWZW Midden Nederland het Utrechts Protocol Kindermishandeling. Dit protocol bevat een routekaart voor de te nemen stappen en richt zich vooral op vermoedens van mishandeling of misbruik door een persoon, ten opzichte van wie het kind of de jongere in een relatie van afhankelijkheid of onvrijheid staat (bijvoorbeeld ouders, pleegouders of groepsleiding). CWZW Midden Nederland heeft daarnaast in haar beleid opgenomen dat iedere medewerker verplicht is een (vermoedelijke) overtreding van de gedragscode seksualiteit (door medewerkers) of de omgangsregels (door cliënten) te melden bij de leidinggevende of vertrouwenspersoon. In de praktijk weten de medewerkers dat zij (vermoedens van) seksueel grensoverschrijdend gedrag altijd in de lijn moeten melden bij hun leidinggevende. Voor de groepsopvoeders betekent dit bij de werkbegeleider, die het vervolgens weer meldt aan de afdelingsmanager. Vervolgens bespreken de medewerkers ieder geval van (vermoedelijk) grensoverschrijdend gedrag in de teamvergadering, waarbij ook de gedragswetenschapper aanwezig is. Daarnaast worden de ouders, de plaatser en eventueel de politie geïnformeerd. In het teamoverleg bepalen de groepsopvoeders in overleg met de gedragswetenschapper en werkbegeleider hoe er gehandeld gaat worden richting de kinderen of jongeren. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd van het kind of jongere en de ontwikkelingsfase waarin hij of zij zich bevindt. Veelal kiezen de medewerkers voor begrenzing, waaronder bijvoorbeeld regels stellen en het in zicht houden van de kinderen of jongeren. Maar ook kan er besloten worden om de kinderen of jongeren bijvoorbeeld extra seksuele voorlichting te geven. De medewerkers registreren incidenten in de incidentenregistratie in het digitale systeem CLEVER. Niet alle medewerkers hebben toegang tot CLEVER; een deel van de medewerkers moet nog worden getraind om met het systeem te kunnen werken. Uit de door de inspectie onderzochte incidentenregistraties van drie leefgroepen blijkt dat de medewerkers de incidentenregistratie vrij summier invullen. De geïnterviewde kwaliteitsmanager geeft ook aan dat dit nog een aandachtspunt is voor de instelling. Naast de incidentenregistratie leggen de groepsopvoeders het incident uitgebreider vast in de individuele dagrapportages van de kinderen of jongeren. De gedragswetenschappers lezen alle dagrapportages en zijn, naast de informatie die zij krijgen tijdens de teamvergaderingen, op deze manier op de hoogte van de incidenten die zich voordoen binnen de leefgroepen. Op basis van de verkregen informatie agenderen de gedragswetenschappers zelf ook onderwerpen rondom het onderwerp seksualiteit voor de teamvergaderingen. De instelling evalueert eens per drie maanden in het meldingenoverleg van de incidentencommissie (bestaande uit vertegenwoordigers van de verschillende afdelingen van CWZW Midden Nederland) alle incidenten, die binnen de instelling plaatsgevonden hebben. De incidentencommissie bekijkt het soort meldingen, of er een rode draad uit te destilleren is en of er actie moet worden ondernomen. De uitkomsten van deze evaluatie worden per team teruggekoppeld. Aangezien de medewerkers de incidentenregistratie summier invullen, is evaluatie op instellingsniveau door de incidentencommissie lastig. Op casusniveau lukt het binnen de teams wel, omdat de individuele 15
dagrapportages uitgebreider worden bijgehouden en meer inhoudelijke informatie bevatten. Tevens bespreken de medewerkers alle incidenten op casusniveau in de teamvergaderingen. 3.5 Deskundigheid Oordeel Thema Oordeel deskundigheid 1. Kwaliteit beleid onvoldoende 2. Kwaliteit praktijk onvoldoende Onderbouwing CWZW Midden Nederland heeft niet voor alle medewerkers een opleidingsplan voor 2009/2010 opgesteld, waarin concreet is opgenomen hoe de deskundigheid van de medewerkers op de thema s rond het omgaan met seksualiteit worden vergroot. In de praktijk volgen alle medewerkers de training bejegening. Maar verder heeft de instelling weinig specifieke aandacht voor het bevorderen van de deskundigheid van haar medewerkers op de overige thema s rond het omgaan met seksualiteit. De medewerkers hebben vooral tijdens hun opleiding of door eerdere werkervaring deskundigheid op deze thema s opgedaan. Er bestaat bij de medewerkers wel behoefte aan scholing rond het onderwerp seksualiteit. De medewerkers hebben een lijst met wensen voor opleiding en deskundigheidsbevordering ingediend bij de projectgroep aandacht voor seksualiteit in de jeugdzorg (zie verder onder: seksualiteit, gedrag en ontwikkeling). Het was ten tijde van het inspectie-onderzoek nog niet bekend wat de projectgroep met deze wensen heeft gedaan. De instelling gebruikt mede de uitkomsten van de risico-inventarisatie om te bepalen welke opleiding en deskundigheidsbevordering aan de medewerkers aangeboden zal worden. Deze inventarisatie is echter nog niet afgerond (zie onder: preventie). De inspectie merkt op dat de instelling in december 2008 schriftelijk aan de inspectie heeft laten dat in 2009 een organisatiebrede deskundigheidsbevordering (herkennen, interpreteren en bespreekbaar maken van signalen op het gebied van seksualiteit) zou plaatsvinden. De inspectie constateert dat dit niet in alle leefgroepen gebeurd is. 3.6 Hertoets In november 2008 heeft de inspectie een praktijktoets uitgevoerd bij Utrechtse Jeugdhulpverlening Leger des Heils/ Orthopedagogisch Centrum 't Gooi (UJL/OCG). Het oordeel van de inspectie luidde toen dat UJL/OCG in de praktijk onvoldoende invulling gaf aan de thema s rond seksualiteit 6. In onderstaand overzicht staan de aanbevelingen die de inspectie destijds aan UJL/OCG heeft gedaan, 6 Rapport Inspectie jeugdzorg Aandacht voor seksualiteit, praktijktoets Utrechtse Jeugdhulpverlening Leger des Heils/ Orthopedagogisch Centrum 't Gooi (UJL/OCG), maart 2009. 16
met daarnaast in het kort weergegeven hoe de situatie tijdens het onderzoek in maart 2010 was. Daarbij wordt verwezen naar de paragrafen waar de inhoudelijke informatie onderbouwd wordt. Aanbeveling onderzoek 2008 Situatie onderzoek maart 2010 Neem onmiddellijk maatregelen om tegen te gaan dat er s nachts mensen ongemerkt bij de leefgroepen voor oudere jeugd binnen kunnen komen. Neem onmiddellijk maatregelen om de risico s op de leefgroepen voor oudere jeugd op grensoverschrijdend seksueel gedrag tot een minimum te beperken. Ontwikkel een visie en beleid op de thema s van seksualiteit, preventie, reactie en deskundigheid en maak gebruik van goede voorbeelden van andere instellingen. Zorg ervoor dat de medewerkers hiervan kennis nemen en er eenduidig naar handelen. Geef het thema seksualiteit een duidelijke plaats in de begeleiding en behandeling van cliënten. Ondersteun medewerkers bij het omgaan met seksualiteit en het voorkomen van incidenten, bijvoorbeeld via deskundigheidsbevordering en praktische protocollen. Ondersteun de medewerkers met een duidelijk reactiebeleid, zodat de medewerkers seksueel grensoverschrijdend gedrag weten te herkennen er ernaar handelen. Evalueer incidenten op casus- en op instellingsniveau, zorg voor een deugdelijke registratie en evaluatie. Leer van incidenten en betrek de medewerkers in dit leerproces en onderneem zonodig actie. Dit heeft de instelling gerealiseerd. De instelling heeft mede door het plaatsen van een deurbewakingssysteem op de leefgroepen voor jongeren het risico op seksueel grensoverschrijdend gedrag op deze leefgroepen verminderd (zie preventie). Dit heeft de instelling gerealiseerd. Naast het deurbewakingssysteem zijn er duidelijke groepsregels voor de jongeren en medewerkers (zie preventie). Daarnaast worden per jongere leerdoelen op het gebied van seksualiteit bepaald en krijgen alle jongeren seksuele voorlichting (zie seksualiteit). Dit heeft de instelling voor een groot deel gerealiseerd. Er is een beleidsnotitie seksualiteit opgesteld, met daarin aandacht voor de thema s bejegening, seksualiteit, preventie en reactie. Deze notitie is echter nog in concept. In de notitie is geen aandacht voor het thema deskundigheid. Ook elders in het beleid is dit thema niet opgenomen (zie deskundigheid). Dit heeft de instelling gerealiseerd. De medewerkers hebben zowel bij de kinderen als de jongeren duidelijk aandacht voor seksualiteit (zie seksualiteit). Dit heeft de instelling voor een beperkt deel gerealiseerd. De instelling is gestart met het inventariseren van risicofactoren (zie preventie) en gebruikt deze informatie om te bepalen welke deskundigheidsbevordering moet worden ingezet (zie deskundigheid). De inventarisatie is echter niet afgerond en de inspectie mist een concrete invulling van de opleidingsplannen op de thema s rond het omgaan met seksualiteit. Dit heeft de instelling gerealiseerd. De instelling hanteert het Utrechts Protocol Kindermishandeling (zie reactie). Medewerkers weten dat zij (vermoedens van) seksueel grensoverschrijdend gedrag altijd in de lijn moeten melden bij hun leidinggevende. Verder bespreken de medewerkers alle gevallen van (vermoedens van) seksueel grensoverschrijdend gedrag in de teamvergadering. Dit heeft de instelling voor een groot deel gerealiseerd. In teamvergaderingen worden alle incidenten op casusniveau geëvalueerd. Hiervoor is, met name uit de individuele dagrapportages, voldoende inhoudelijke informatie beschikbaar (zie reactie). De driemaandelijkse evaluatie op instellingniveau door de incidentencommissie is lastiger, aangezien de incidentenregistratie in CLEVER vrij summier gevuld wordt met inhoudelijke informatie (zie reactie). 17
18 Inspectie jeugdzorg
Hoofdstuk 4 Eindoordeel en aanbevelingen 4.1 Eindoordeel Het eindoordeel van de inspectie luidt dat de ruimte en grenzen die CWZW Midden Nederland kinderen en jongeren biedt rond seksualiteit van voldoende kwaliteit is. Toelichting Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat CWZW Midden Nederland op vier van de vijf thema s zowel het beleid als de praktijk op voldoende wijze vorm geeft. CWZW Midden Nederland had in 2008 en heeft nog steeds duidelijk aandacht voor het thema bejegening, dat een belangrijk onderwerp is binnen de instelling. Verder is de inspectie met name positief over hoe CWZW Midden Nederland na het onderzoek in 2008 verbeteracties heeft ingezet rond de thema s seksualiteit, gedrag en ontwikkeling en preventie. De inspectie merkt daarbij wel op dat de beleidsnotitie seksualiteit nog in concept is en niet bij alle medewerkers bekend is. De instelling heeft mede door het plaatsen van een deurbewakingssysteem op de leefgroepen voor jongeren het risico op seksueel grensoverschrijdend gedrag op deze leefgroepen verminderd. Daarnaast is de instelling gestart met het sectorbreed inventariseren van risicofactoren en het ontwikkelen van een gestandaardiseerd instrument hiervoor. De instelling krijgt daarbij ondersteuning van de organisatie MOVISIE. Op het moment van dit onderzoek was de inventarisatie nog niet afgerond. Het thema reactie is van voldoende kwaliteit. Aandacht van de instelling is nog wel nodig voor de incidentenregistratie in CLEVER. De registratie is vrij summier, waardoor evaluatie op instellingsniveau lastig is. Doordat de medewerkers in de dagrapportages voldoende inhoudelijke informatie vastleggen is evaluatie op casusniveau in de teamvergaderingen wel goed mogelijk. De inspectie vindt het thema deskundigheid van onvoldoende kwaliteit. Ondanks het feit dat de instelling al in 2008 aan de inspectie heeft laten weten dat er in 2009 instellingbrede deskundigheidsbevordering zou plaatsvinden, moet de inspectie constateren dat dit niet op alle leefgroepen gebeurd is. 4.2 Aanbevelingen Op basis van het geactualiseerde beleidsonderzoek en het praktijkonderzoek bij CWZW Midden Nederland doet de Inspectie jeugdzorg de volgende aanbevelingen. Aan CWZW Midden Nederland Thema Seksualiteit, gedrag en ontwikkeling: Stel de beleidsnotitie seksualiteit op korte termijn vast en zorg ervoor dat alle medewerkers de inhoud van de notitie kennen. 19
Thema Preventie: Rond de inventarisatie van de risicofactoren met betrekking tot (grensoverschrijdend) seksueel gedrag op korte termijn af en neem maatregelen om de geconstateerde risico s op te heffen of te beperken. Vraag een verklaring omtrent het gedrag aan medewerkers die in dienst waren voor de invoering van het opvragen van de verklaring en aan wie nog geen verklaring is gevraagd. Thema Reactie: Zorg dat medewerkers de incidenten uitgebreider vastleggen in de incidentenregistratie in CLEVER. Thema Deskundigheid: Neem deskundigheidsbevordering op de thema s rond het omgaan met seksualiteit op in het opleidingsplan voor 2010 en start met een spoedige uitvoering hiervan. Aan de provincie Utrecht Maak afspraken met CWZW Midden Nederland over het invoeren van verbeteringen en zie toe op de uitvoering. 20
Bijlage 1 Toetsingskader= Hieronder vindt u het toetsingskader dat het referentiekader voor het toezicht vormt. De eerste kolom bevat de onderzoeksthema s: bejegening, seksualiteit, preventie, reactie en deskundigheid. In de tweede kolom staan de criteria (wanneer is het goed); dit zijn de onderwerpen waar de inspectie een oordeel over uitspreekt. In de derde kolom staan de indicatoren; dit zijn aanwijzingen of een instelling voldoet aan de vereisten. De laatste kolom bevat de gebruikte informatiebronnen. Thema Criteria Indicatoren Bronnen A. Bejegening Er is beleid van voldoende kwaliteit over bejegening Het beleid: 1. bevat de positieve norm rond omgangsvormen 2. besteedt in gedragsregels aandacht aan bejegening a. tussen medewerkers onderling b. tussen medewerkers en minderjarigen c. tussen minderjarigen onderling Schriftelijk beleid Het beleid over bejegening wordt in de praktijk uitgevoerd Medewerkers 1. kennen de gedragsregels 2. handelen volgens de gedragsregels Interviews B. Seksualiteit Er is beleid van voldoende kwaliteit over seksualiteit Er is beleid over seksualiteit. Hierin is vastgelegd: 1. dat seksualiteit een aspect is van de ontwikkeling van een minderjarige 2. dat in de begeleiding wordt bijgedragen aan een gezonde seksuele ontwikkeling (d.w.z. passend bij leeftijd, ontwikkelfase en cultuur) 3. dat medewerkers dienen te beschikken over kennis van ontwikkelfasen in seksualiteit 4. wat de instelling als seksueel grensoverschrijdend gedrag beschouwt 5. dat het thema seksualiteit regelmatig wordt besproken met medewerkers 6. dat het thema seksualiteit regelmatig wordt besproken met minderjarigen 7. dat een verklaring omtrent het gedrag vereist is voor aanstelling van een medewerker Schriftelijk beleid Het beleid over seksualiteit wordt in de praktijk uitgevoerd Medewerkers: 1. handelen naar de ontwikkelingsfasen in seksualiteit 2. weten wat de instelling als seksueel grensoverschrijdend gedrag beschouwt 3. bespreken het thema seksualiteit a. onderling b. met minderjarigen Interviews Dossiers 21
Thema Criteria Indicatoren Bronnen 4. Van elke medewerker is een verklaring omtrent het gedrag aanwezig C. Preventie Er is preventiebeleid van voldoende kwaliteit In het beleid is vastgelegd: 1. wat de risico s kunnen zijn voor seksueel grensoverschrijdend gedrag 2. hoe medewerkers die risico s kunnen herkennen 3. hoe te handelen om de risico s te beïnvloeden 4. dat er een vertrouwenspersoon is a. voor minderjarigen b. voor medewerkers 5. hoe en wanneer deze vertrouwenspersoon toegankelijk is a. voor minderjarigen b. voor medewerkers Schriftelijk beleid Het preventiebeleid wordt in de praktijk uitgevoerd Het management van de instelling 1. inventariseert systematisch en met regelmaat de risico s op seksueel grensoverschrijdend gedrag 2. De instelling neemt zonodig maatregelen op basis van de resultaten van de risicoinventarisatie Interviews Dossiers De medewerkers 3. herkennen risico s op seksueel grensoverschrijdend gedrag op de leefgroep 4. handelen zo dat de risico s verminderen. 5. verzoeken het management zonodig om maatregelen om de risico s te beperken D. Reactie Er is reactiebeleid van voldoende kwaliteit Het beleid bevat in ieder geval de volgende elementen 1. een meldplicht voor medewerkers 2. hoe te handelen bij (vermoedens van) seksueel grensoverschrijdend gedrag door a. medewerkers b. minderjarigen 3. aandacht voor eerste opvang van a. slachtoffer(s) b. beschuldigde(n) 4. samenwerking met politie, justitie en andere instanties. 5. mogelijke maatregelen en sancties voor medewerkers 6. dat er een meldplicht voor medewerkers is 7. mogelijke maatregelen voor minderjarigen 8. (vermoedens van) seksueel grensoverschrijdend gedrag worden/wordt geregistreerd 9. incidenten worden geëvalueerd Schriftelijk beleid 22
Thema Criteria Indicatoren Bronnen a. op casusniveau b. op instellingsniveau Het reactiebeleid wordt in de praktijk uitgevoerd Het management 1. evalueert systematisch en met regelmaat de incidenten op het gebied van seksueel grensoverschrijdend gedrag. 2. neemt zo nodig maatregelen op basis van de resultaten Interviews Incidentenregistratie Dossiers Medewerkers 3. handelen volgens het (reactie)beleid bij (vermoedens van) seksueel grensoverschrijdend gedrag. 4. kennen de meldplicht voor medewerkers 5. nemen relevante informatie over cliënten met betrekking tot seksueel grensoverschrijdend gedrag op in het cliëntendossier 6. evalueren incidenten in het team E. Deskundigheid Er is deskundigheidsbeleid op het gebied van bejegening en seksualiteit 1. In het beleid is vastgelegd dat medewerkers deskundigheid moeten hebben op het gebied van: a. seksuele ontwikkelingsfases en vaardigheden om ermee om te gaan ten aanzien van hun doelgroep b. herkennen van risicofactoren die de kans beïnvloeden op seksueel grensoverschrijdend gedrag door medewerkers of minderjarigen. Omgaan met (vermoedens van) seksueel grensoverschrijdend gedrag door medewerkers of minderjarigen. 2. In het beleid is vastgelegd hoe de deskundigheid van medewerkers op peil wordt gehouden Schriftelijk beleid Het beleid over deskundigheid wordt in de praktijk uitgevoerd Medewerkers 1. beschikken over kennis en vaardigheden ten aanzien van seksuele ontwikkelingsfases van hun doelgroep 2. herkennen risico s op het ontstaan van seksueel grensoverschrijdend gedrag en kunnen daarmee omgaan 3. kunnen aangeven hoe zij hun deskundigheid op peil houden Interviews 23
24 Inspectie jeugdzorg
Bijlage 2 Resultaten geactualiseerd beleidsonderzoek CWZW Midden Nederland Het praktijkonderzoek bij CWZW Midden Nederland vormt een vervolg op eerder beleidsonderzoek bij alle residentiële jeugdzorginstellingen 7. Om u een volledig beeld te geven van de stand van zaken bij CWZW Midden Nederland, staan hieronder de resultaten van het geactualiseerde beleidsonderzoek bij deze instelling. Elk thema is onderverdeeld in een aantal indicatoren, die een aanwijzing geven hoe het is gesteld met de kwaliteit. De indicatoren die van bijzonder belang zijn, zijn dikgedrukt in het overzicht. De score staat voor voldoende, de ± voor matig en de voor onvoldoende. Thema Indicatoren Indicator Score Oordeel over de kwaliteit van het beleid A. Bejegening Het beleid: 1. bevat de positieve norm rond omgangsvormen 2. besteedt in gedragsregels aandacht aan bejegening tussen medewerkers onderling 3. besteedt in gedragsregels aandacht aan bejegening tussen medewerkers en minderjarigen 4. besteedt in gedragsregels aandacht aan bejegening tussen minderjarigen onderling. B. Seksualiteit, gedrag/ontwikkeling Er is beleid over seksualiteit. Hierin is vastgelegd: 1. dat seksualiteit een aspect is van de ontwikkeling van een minderjarige 2. dat in de begeleiding wordt bijgedragen aan een gezonde seksuele ontwikkeling 3. dat medewerkers dienen te beschikken over kennis van ontwikkelingsfasen in seksualiteit 4. wat de instelling als seksueel grensoverschrijdend gedrag beschouwt 5. dat het thema seksualiteit regelmatig wordt besproken met medewerkers en minderjarigen 6. dat een verklaring omtrent het gedrag vereist is voor aanstelling van een medewerker 7 Inspectie jeugdzorg, 2008. Ruimte en grenzen rond seksualiteit. Beleid van instellingen voor 24-uurs jeugdzorg op het gebied van seksualiteit. www.inspectiejeugdzorg.nl 25
Thema Indicatoren Indicator Score Oordeel over de kwaliteit van het beleid C. Preventie In het preventiebeleid is vastgelegd: 1. Wat risico s kunnen zijn voor seksueel grensoverschrijdend gedrag 2. Hoe medewerkers die risico s kunnen herkennen 3. Hoe te handelen om de risico s te beïnvloeden 4. dat er een vertrouwenspersoon is voor medewerkers 5. hoe en wanneer deze vertrouwenspersoon toegankelijk is 6. dat er een vertrouwenspersoon is voor minderjarigen 7. hoe en wanneer deze vertrouwenspersoon toegankelijk is ± ± ± ± D. Reactie In dit beleid is vastgelegd: 1. a. hoe te handelen bij (vermoedens van) seksueel grensoverschrijdend gedrag door medewerkers of door minderjarigen, b. met in ieder geval aandacht voor eerste opvang van slachtoffer(s) en beschuldigde(n) 2. samenwerking met politie, justitie en andere instanties. 3. dat (vermoedens van) seksueel grensoverschrijdend gedrag worden/wordt geregistreerd 4. dat er een meldplicht voor medewerkers is 5. mogelijke maatregelen en sancties voor a. medewerkers en b. minderjarigen 6. dat incidenten geëvalueerd worden. ± E. Deskundigheid In het beleid is vastgelegd dat medewerkers worden geschoold op het gebied van: 1. seksuele ontwikkelingsfases en vaardigheden om ermee om te gaan ten aanzien van hun doelgroep 2. herkennen van risicofactoren die de kans beïnvloeden op seksueel grensoverschrijdend gedrag door medewerkers of minderjarigen 3. omgaan met (vermoedens van) seksueel grensoverschrijdend gedrag door medewerkers of minderjarigen 4. In het beleid is vastgelegd hoe de deskundigheid van medewerkers op peil wordt gehouden. - - - - - 26
27