Blad : 1 van 9 TOEPASSINGSGEBIED: Brabant, Drenthe, Flevoland, Friesland, Groningen, Limburg, Overijssel 1 DOELSTELLING Het tot stand brengen van een kwalitatief goede en veilige gasaansluitleiding voor bestaande laagbouwwoningen in deelnetten met een gasdruk van ten hoogste 100 mbar. Deze instructie omschrijft eisen die gesteld worden aan het vervangen van een gasaansluitleiding. 2 TECHNISCHE AFBAKENING De instructie is van toepassing voor het vervangen van gasaansluitleidingen in bestaande laagbouwwoningen, met een aansluitcapaciteit van ten hoogste 10 m³/h, die niet zijn voorzien van een gebogen mantelbuis invoersysteem. Daar waar wel een gebogen mantelbuis invoersysteem aanwezig is, wordt de aansluiting gerealiseerd conform werkinstructie Geb-0001.I standaard aansluiting G4/G6 gas voor laagbouw woningen. Voor gasaansluitingen in gebieden met zakkende grond is de werkinstructie Geb-0005.I Constructie gasaansluitleidingen in gebieden met zakkende grond van toepassing. 3 TERMEN EN DEFINITIES Voor termen en definities wordt verwezen naar de in deze instructie vermelde normen en regelgeving en de () werkinstructie Gzz-0001.R definities en begrippen Gas. 4 WERKWIJZE 4.1 Algemeen De standaard aansluitleiding die gebruikt wordt voor het vervangen van een gasaansluitleiding in een bestaande laagbouwwoning bestaat uit een complete gasaansluitleiding inclusief zadel én een meteropstelling voor een G4 of G6 gasmeter met een hartafstand 220 mm. De gasaansluiting is opgebouwd uit: Aftakconstructie op hoofdleiding; PE buis SDR 17,6; PEKO buis met overgangskoppeling; Koperen buis, kwaliteit halfhard (optioneel voor bv. kelder) inclusief persfitting en beugels. De meteropstelling is samengesteld uit: Gasvoerende meterbeugel; Inlaat kogelkraan; Huisdrukregelaar voor 100 mbar of overstroomkapje voor 30 mbar; Verzegelkap(pen); Uitlaat kogelkraan voor aansluiting op de binneninstallatie;
Blad : 2 van 9 Bij het vervangen van de gasaansluitleiding wordt de oude gasaansluitleiding in zijn geheel verwijderd (vanaf hoofdleiding tot meteropstelling). Indien een vervallen leiding om afgesproken reden niet wordt verwijderd, moet deze deugdelijk worden ontgast en afgedopt. Dit voorkomt een open kanaal in de bodem waardoor een gaslekkage zich kan verspreiden. Bij werkzaamheden in bestaande woningen moet men rekening houden met niet standaard situaties en wensen van de klant. Neem bij afwijkende situatie contact op met de opdrachtgever en bepaal in overleg (eventueel met Technische Expertise/AsM-SR) de vervangingsmethodiek. 4.2 Standaard materialen De materialen voor de gasmeteropstelling zijn in pakketvorm beschikbaar. De overige materialen zijn los verkrijgbaar. 4.2.1 Aansluitzadel en aansluitstuk De aansluitzadels en opzetstukken die gebruikt worden, zijn geschikt voor gasloos werken. Voor hoofdleiding van GY en AC wordt gebruik gemaakt van een RVS zadel met aansluiting 1 ½ en een slagvast PVC gasaansluitstuk; Bij hoofdleiding van staal wordt een RVS aansluitklem toegepast met aansluiting 1 ½ en een slagvast PVC gasaansluitstuk; Bij hoofdleidingen van (slagvast) PVC wordt een slagvast PVC aansluitzadel toegepast met aansluiting 1 ½ en een slagvast PVC gasaansluitstuk; Bij hoofdleidingen van PE wordt een elektrolaszadel toegepast i.c.m. een slagvast PVC aansluitstuk. Alle aftakconstructies zijn weergegeven in de werkinstructie Gdb-0015.I Verbindingen en aftakkingen in LD en HD gasnetten. 4.2.2 Gasaansluitleiding Voor het buitengelegen deel van de standaard gasaansluitleiding wordt PE buis SDR 17,6 gebruikt met een diameter van 25mm of 32mm. Voor beide diameters bedraagt de wanddikte 2,3 mm. Op circa 0,5 tot 1m voor de gevel vindt de overgang plaats van PE buis naar PEKO buis. De standaard diameter voor een PEKO bedraagt voor: 100 mbar : 15 mm koper gasvoerende leiding in een 25 mm PE mantelbuis (15/25) bij korte leidingen of gasaansluitingen met een verbruik < 4 m3/u 100 mbar : 22 mm koper gasvoerende leiding in een 32 mm PE mantelbuis (22/32) bij lange leidingen of gasaansluitingen met een verbruik > 4 m3/u 30 mbar : 22 mm koper gasvoerende leiding in een 32 mm PE mantelbuis (22/32) Voor aansluitleiding door een kelder wordt onbeschermd koperen buis kwaliteit halfhard toegepast. Verbindingen in deze koperen buis worden tot stand gebracht met behulp van hulpstukken met drukpassingseind (persfittingen). 4.2.3 Meterbeugel In elk meterbeugelpakket bevindt zich een montage-instructie van de leverancier. Het is mogelijk de gasvoerende meterbeugel zowel links als rechts aan te sluiten. De verbindingen van de kogelkraan en de einddop aan de meterbeugel wordt gemaakt met een (trekvaste) klikverbinding waarbij de gasafdichting wordt verkregen door twee o-ringen. Na montage dient de trekvastheid en gasafdichting van kraan en einddop te worden gecontroleerd door te kijken of de kraan en plug in één vlak zitten met de meterbeugel (zie montage-instructies).
Blad : 3 van 9 Met de meterbeugel kunnen kleine afwijkingen gecorrigeerd worden. In voorwaartse en zijwaartse richting is deze meterbeugel verstelbaar. De meterkoppeling aan inlaatzijde van de gasmeter wordt met een zegelkap verzegeld. Bij aanleg met een PEKO-constructie wordt de aansluitleiding door middel van een leidingbeugel met klemblok (trekontlasting) op de gasvoerende meterbeugel gemonteerd. 4.3 Aanleg Voor specifieke eisen aan gasaansluitleiding is de norm NEN-7244-6 en de ontwerprichtlijn Gra- 0004.R Aansluitleidingen van toepassing. De gronddekking bedraagt ten minste 40 cm in particuliere grond en 50 cm in openbare straten en wegen. Waar mogelijk dient het gemeentelijke normprofiel te worden aangehouden. Het aanbrengen van de aansluitleiding in lengte richting onder gesloten bestrating is niet toegestaan. Wordt de meteropstelling aangebracht in een nieuwe meterkast dan moet deze meterruimte voldoen aan de norm NEN7244-10 en NEN 2768. Indien geen meterkast aanwezig is moet de ruimte waarin de gasmeteropstelling wordt aangebracht voldoen aan NEN 7244-10 (art 5.2.6 en 8.3). Zie voor meer informatie hfst 6; art 6.5 meterverplaatsing. 4.3.1 Vervangen van een gasaansluitleiding bij aanwezigheid van een invoerput (IP) De standaard voor het vervangen van een gasaansluitleiding bij aanwezigheid van een invoerput staat weergegeven op de onderstaande tekeningen; a. 100 mbar invoerput (tekeningnummer HG-G4-G6-100-IP 25 MPE) Deze tekening geeft de montage weer van een huisaansluiting bij sanering op een 100 mbar net, waarbij de PEKO leiding (15/25) door de mantelbuis en de invoerput loopt. Een overgangskoppeling buiten de gevel biedt de mogelijkheid om over te gaan naar 25 mm of 32 mm PE buis. b 100 mbar invoerput (tekeningnummer HG-G4-G6-100-IP 32 MPE) Deze tekening geeft de montage weer van een huisaansluiting bij sanering op een 100 mbar net, waarbij de PEKO leiding (22/32) door de mantelbuis en de invoerput loopt. Een overgangskoppeling buiten de gevel biedt de mogelijkheid om over te gaan naar 32 mm PE buis. c. 30 mbar invoerput (tekeningnummer HG-G4-G6-30-IP 32 MPE) Deze tekening geeft de montage weer van een huisaansluiting bij sanering op een 30 mbar net, waarbij de PEKO leiding (22/32) door de mantelbuis en de invoerput loopt. Een overgangskoppeling buiten de gevel biedt de mogelijkheid om over te gaan naar 32 mm PE buis. 4.3.2 Vervangen van gasaansluitleidingen waar geen invoerput aanwezig is(peko in kruipruimte) De standaard voor het vervangen van een gasaansluitleiding bij afwezigheid van een invoerput staat weergegeven op de onderstaande tekeningentekening; a. 100 mbar aansluiting (tekening nummer HG-G4/G6-100-PEKO 25 MPE) Deze tekening geeft de montage weer van een huisaansluiting bij sanering op een 100 mbar net, waarbij de PEKO leiding (15/25) door kruipruimte loopt. De overgangskoppeling buiten de gevel biedt de mogelijkheid om over te gaan naar 25 mm of 32 mm PE buis. Deze constructie is bedoeld voor relatief korte aansluitingen of lange aansluitingen met beperkte capaciteit (< 4m3/u).
Blad : 4 van 9 b. 100 mbar aansluiting (tekening nummer HG-G4/G6-100-PEKO 32 MPE) Deze tekening geeft de montage weer van een huisaansluiting bij sanering op een 100 mbar net, waarbij de PEKO leiding (22/32) door kruipruimte loopt. De overgangskoppeling buiten de gevel biedt de mogelijkheid om over te gaan naar 32 mm PE. Deze constructie is speciaal bedoeld voor relatief lange aansluitingen of korte aansluitingen met een grotere capaciteit (> 4m3/u) c. 30 mbar sanering (tekening nummer HG-G4/G6-30-PEKO 32 MPE) Deze tekening geeft de montage weer van een huisaansluiting bij sanering op 30 mbar net met PEKO leiding (22/32). Een overgangskoppeling buiten de gevel biedt de mogelijkheid om over te gaan naar 32 mm PE buis. 4.3.3 Vervangen van een gasaansluitleiding door een kelder Voor de kelderinvoer is een speciale korte PEKO beschikbaar met een lengte van 1,20 m. Direct na binnenkomst in de kelder moet onbeschermd koperen buis kwaliteit halfhard- worden toegepast. De verbindingen bestaan uit hulpstukken met drukpassingseind (persfittingen). Gasleidingen behoren spanningsvrij, stevig en duurzaam te zijn bevestigd. Zij behoren bij afsluiters, bochten en koppelingen te zijn ondersteund. De afstand tussen de bevestigingen is maximaal 60 maal de buitenmiddellijn. De koperen gasleiding wordt over een regelmatige afstand gemarkeerd met een gele sticker met de opdruk GAS. Er wordt minimaal 1 sticker tussen 2 bevestigingsbeugels aangebracht. De leiding is hiermee goed herkenbaar als gasleiding en wordt verwarring met andere koperen leidingen zoals drinkwater en binneninstallaties voorkomen. Vermijd contact van koperen buis met kalkproducten en wapeningijzer in het beton. Bij muur- en vloerdoorvoeringen moet een kunststof mantelbuis gebruikt worden. De standaard voor het vervangen van een gasaansluitleiding door een kelder staat weergegeven op de onderstaande tekeningen; a. 100 mbar Kelderdoorvoer (tekeningnummers HG-G4-G6-100-Kelder 25 MPE) Deze tekening geeft de montage weer van een huisaansluiting bij sanering op 100 mbar net met een korte PEKO leiding (15/25 gevelpassage) en half-hard koper in de kelder. Een overgangskoppeling buiten de gevel biedt de mogelijkheid om over te gaan naar 25 mm of 32 mm PE buis. b. 100 mbar Kelderdoorvoer (tekeningnummers HG-G4-G6-100-Kelder 32 MPE) Deze tekening geeft de montage weer van een huisaansluiting bij sanering op 100 mbar net met een korte PEKO leiding (22/32 gevelpassage) en half-hard koper in de kelder. Een overgangskoppeling buiten de gevel biedt de mogelijkheid om over te gaan naar 32 mm PE buis. c 30 mbar invoerput (tekeningnummer HG-G4/G6-30-Kelder 32 MPE) Deze tekening geeft de montage weer van een huisaansluiting bij sanering op 30 mbar net met een korte PEKO leiding (22/32 gevelpassage) en half-hard koper in de kelder. Een overgangskoppeling buiten de gevel biedt de mogelijkheid om over te gaan naar 32 mm PE buis.
Blad : 5 van 9 4.4 PEKO-constructie De PEKO-constructie is een gasaansluitleiding die bestaat uit een gasvoerende leiding van (zacht gegloeid) koper en een mantelbuis van PE, voorzien van een overgangskoppeling t.b.v. aansluiting op de buitengelegen PE gasaansluitleiding. Een PEKO 15/25 is standaard voorzien van een steunbusset voor een PE buis 25 mm(wanddikte 2,3mm). Bij een PEKO 22/32 is standaard een steunbusset voor een PE buis 32 mm (wanddikte 2,3mm) aangebracht. PEKO s zijn leverbaar in verschillende lengten. 4.4.1 Montage van PEKO-buis. Een PEKO wordt aangelegd volgens de montagevoorschriften van de leverancier. Zorg dat de PEKO niet knikt en dat de overgangskoppeling buiten de gevel op ca. 0,5-1 m afstand van de gevel zit. In de kruipruimte is het belangrijk dat de PEKO met geringe overlengte wordt gelegd om geen spanning op de meterbeugel te krijgen. Aandachtspunten: De stofkappen laten zitten tot het moment van aansluiten; Scherpe bochten moeten worden voorkomen. De buigradius van PE-buis geldt hierbij. De minimale buigstralen voor PEKO 15/22 is 0,5 meter, voor PEKO 28 mm is dit 0,6 meter en voor PEKO 35 mm 1 meter; Een PEKO mag, ten gevolge van het niet uitgegloeide uiteinde, niet worden ingekort; De beugel met klemblok, voor trekontlasting van de meteropstelling, moet direct onder de kraan op het PE-uiteinde van de PEKO worden gemonteerd (ter plekke van steunbus in de PEmantel); De aansluiting van de PEKO op de gashoofdkraan wordt afgemonteerd met een kunststof zegelkap die om de kraankoppeling wordt aangebracht; Montage PE-buis in overgangskoppeling PEKO volgens montagevoorschriften leverancier. 4.5 Drukverlies De te garanderen gasdruk op de uitlaatzijde van de meteropstelling moet minimaal 23,4 mbar zijn. Ten gevolge van het drukverlies over de meteropstelling dient de gasdruk direct voor de hoofdkraan minimaal te bedragen: - Deelnet 30 mbar : 24,0 mbar tot 4 m³/u; - Deelnet 30 mbar : 24,2 mbar tot 6 m³/u; - Deelnet 100 mbar : 35,0 mbar (i.v.m. juiste werking gasdrukregelaar). Voor het vaststellen van drukverlies en leidingdiameters wordt gebruik gemaakt van de applicatie Gda-0006.I Drukverliesberekeningen Gasaansluitingen LD. De metercapaciteit wordt niet gebruikt als standaard capaciteitswaarde voor de drukverliesberekening. Hiervoor wordt het opgestelde of ingeschatte vermogen toegepast. 4.6 Gevelpassage De geveldoorvoeringen van voor gas en elektra worden altijd gasbelemmerend gemaakt. Waarschuw bij het aantreffen van AC-mantelbuis de werkverantwoordelijke (WV er) en neem passende maatregelen.
Blad : 6 van 9 4.6.1 Mantelbuis De ruimte tussen mantelbuis en PEKO wordt gasbelemmerend gemaakt door middel van een afdichtingplug (mantelbuis 50-63-75-90-110 mm). Indien geen afdichtingplug kan worden toegepast wordt een door geleverde afdichtingmassa toegepast. De mantelbuis moet aan de volgende voorwaarden voldoen: In de mantelbuis mogen zich geen inwendige uitsteeksels bevinden; De mantelbuizen mogen geen scherpe (snij)randen vertonen; De mantelbuis moet minimaal 10 mm groter zijn dan de buitenmiddellijn van de leiding 1. De ruimte tussen bestaande mantelbuis en gevel dient gasbelemmerend te zijn dan wel gasbelemmerend te worden gemaakt. Indien deze gasbelemmering niet gegarandeerd kan worden, kan deze mantelbuis niet als zodanig worden gebruikt. De mantelbuis dient dan verwijderd te worden. 4.6.2 Geen mantelbuis In het geval dat er geen mantelbuis aanwezig is, hoeft geen mantelbuis aangebracht te worden en kan de PEKO zonder mantelbuis door de gevel worden gevoerd. Deze doorvoer moet gasbelemmerend worden uitgevoerd met een door geleverde afdichtingmassa. 4.6.3 Invoering onder fundering Het is toegestaan de PEKO onder de fundering door te voeren. Let hierbij op dat de PEKO met een overlengte onder de fundering in de kruipruimte wordt aangelegd. 4.6.4 Gasbelemmering gevelopeningen In alle gevallen worden de openingen in de gevel die ontstaan zijn t.g.v. het vervangen van de gasaansluitleiding gasbelemmerend afgedicht met een door geleverde afdichtingmassa. Dit geldt ook voor alle op de werkplek zichtbare overige doorvoeringen van elektra en/of gas! Doorvoeringen van andere Netbeheerders worden niet aangepast. NB Na de werkzaamheden zijn alle op de werkplek zichtbare geveldoorvoeringen van en/of gevelopeningen door werkzaamheden in opdracht van gasbelemmerend afgedicht. 4.7 Sterkte- en dichtheidsbeproeving Het beproeven op sterkte en dichtheid van aansluitleidingen dient te geschieden conform de geldende voorschriften. 4.8 Ontluchten van gasleidingen De zich in de leiding bevindende lucht dient te worden verwijderd conform de geldende voorschriften. 5 BINNENINSTALLATIE 5.1 Aansluiting binneninstallatie Het (her)aansluiten op de koperen binnenleiding gebeurd door middel van persverbindingen. In geval van een stalen binnenleiding kan gebruik gemaakt worden van een persfitting met schroefdraad. 1 Bij gebruik van afdichtingmassa wordt door de leverancier van het product vaak een grotere opening gevraagd tussen mantelbuis en leiding (bv. 10 mm rondom de buis). Zie hiervoor de montage-instructie van het product.
Blad : 7 van 9 Soldeerverbindingen en knelfittingen zijn niet meer toegestaan en mogen niet worden toegepast. Het gebruik van een flexibele meteraansluiting (flex) is alleen toegestaan in de volgende situaties: Meer dan 3 extra verbindingen moeten worden gemaakt; Een gasvoerende meterbeugel i.v.m. de beschikbare ruimte niet mogelijk is; Geen ruimte is een persverbinding te maken. Aandachtspunten voor aanpassen van de binnenleiding: Indien de binnenleiding wordt aangepast, moet ook een sterktebeproeving (5 bar gedurende minimaal 10 sec) worden gedaan op het nieuwe door aangelegde binnendeel volgens NEN 1078/NPR 3378. In afwijking hiervan kan worden volstaan met alleen een dichtheidsbeproeving onder werkdruk als het nieuwe leidingdeel korter is dan één meter en/of maximaal drie hulpstukken; 5.2 Aarding Indien een klem t.b.v. de potentiaalvereffening aanwezig is op de metalen aansluitleiding en/of binnenleiding, moet deze na de werkzaamheden worden terug gemonteerd op de metalen binnenleiding (blanke buis achter de gasmeter) zodat de vereffening weer is hersteld. 5.3 Beproeven en ontluchten binnenleiding/-installatie Bij het vervangen van de gasaansluitleiding en/of meteropstelling moet de binnenleiding van de klant door middel van een dichtheidsbeproeving op lekkage gecontroleerd worden. De dichtheidsbeproeving en het ontluchten van de binnenleiding wordt uitgevoerd conform de hiervoor geldende instructie(s). Aanwezige lucht in de binnenleiding dient verwijderd te worden. Om problemen met ontluchten van de binnenleiding te voorkomen wordt: - bij aanvang van de saneringswerkzaamheden de binnenleiding afgekoppeld en afgedicht; - de vervangen gasaansluitleiding ontlucht tot en met het door aangelegde deel van de binnenleiding; - daarna de leiding doorverbonden met de klantinstallatie. NB Het sleutelen aan (klant)toestellen is niet toegestaan. 6 AFSPRAKEN VOOR VERVANGING 6.1 Secundaire ( twee op één ) aansluitingen In het verleden gecreëerde situaties waar gasaansluitleidingen werden gecombineerd, (secundaire aansluitingen) zijn ongewenst. Bij het vervangen van dergelijke gasaansluitleidingen moeten deze worden omgezet naar individuele gasaansluitleidingen. Neem indien dit niet mogelijk blijkt contact op met de opdrachtgever. 6.2 Vervangen van het aansluitzadel/-bocht Standaard wordt de aftakconstructie vervangen door een slagvast PVC-zadel, RVS-zadel of RVSaansluitklem. Indien de hoofdleiding is opgenomen in een concreet vervangingsplan (< 1 jaar), dan kan de aftakconstructie blijven zitten en wordt deze gelijk vervangen met de hoofdleiding. De gesaneerde aansluitleiding wordt dan weer aangesloten op de bestaande aftakconstructie.
Blad : 8 van 9 Het aansluitzadel wordt geplaatst op het bestaande aanboorgat bij zowel boven- als zij-aanboring). Wanneer een zij-aanboring slecht bereikbaar is en er is voldoende gronddekking, dan mag een nieuwe aanboring gemaakt worden op min. 0,5 m afstand van de oude aanboring. De oude aftakconstructie wordt dan afgesloten door een standaard aansluitzadel met plug. NB Wanneer een aansluiting over meerdere meters (> 3 m) parallel loopt met de hoofdleiding is het toegestaan een nieuwe aanboring te maken. De oude aanboring wordt afgedopt. Indien de aansluitleiding is aangesloten op een stalen hoofdleiding met behulp van een lassok, moet deze lassok, na te zijn ontdaan van de beschermende isolatie, visueel op kwaliteit geïnspecteerd worden. Bij twijfel over de kwaliteit wordt contact opgenomen met de opdrachtgever. Kwaliteit voldoet: De lassok wordt hergebruikt. Hierop wordt aangesloten door middel van een slagvast PVC-verloop met stalen nippel waarin het standaard aansluitstuk kan worden gemonteerd. Kwaliteit voldoet niet: De lassok wordt afgedopt of verwijderd, afhankelijk van de situatie. Er wordt een nieuwe aanboring gemaakt en aangesloten met een RVS aansluitklem. 6.3 Vervangen aansluitleiding buiten Naast open ontgravingen zijn ook andere werkwijzen zoals raket en lier toegestaan voor het vervangen van het buitengelegen aansluitdeel. Bij gebruik van raket of lier hoeft, behalve 2 kopgaten, niet te worden gegraven en kan de bovenbedekking intact blijven (siertuinen, bestrating). Tijdens het doortrekken van de aansluitleiding kan de kwaliteit van de buis moeilijk worden gewaarborgd. Bij het doortrekken van de buis moet worden gelet op mogelijke beschadigingen aan het oppervlak van de nieuwe PE-buis ten gevolge van het schuren langs scherpe voorwerpen, zoals stenen of puin. Buisgedeelte of hulpstukken die inkepingen, diepe krassen, deuken, groeven of andere beschadigingen aan de oppervlakte vertonen, mogen niet worden gebruikt indien: - de beschadiging in het PE-materiaal groter is dan maximaal 10% van de wanddikte; - de afmeting van de beschadiging groter is dan mag maximaal 10% van de buitendiameter. Is de beschadiging groter dan het betreffende buisdeel of hulpstuk verwijderen. Minder gewenst is de methode, waarbij een snijkop de oude leiding splijt (en laat liggen) en tegelijkertijd een nieuwe leiding meetrekt. Het bezwaar van deze methode is, dat er gemakkelijk andere leidingen geraakt kunnen worden (beschadiging). De methode wordt o.a. toegepast bij vervanging van PE (1 e generatie) omdat het lieren/trekken van PE-buis niet mogelijk is. Gezien het voorgaande is het belangrijk, dat de messen van de snijkop aangepast zijn aan de dikte van de te snijden buiswand en deze niet overschrijden. 6.4 Vervangen van de meteropstelling, hoofdkraan en/of regelaar Niet gasvoerende meterbeugels, meteropstellingen uit losse componenten als regelaars en kranen, malleable fittingen, etc. worden vervangen door een standaard gasvoerende meterbeugel (par. 4.1). Eenpijps-meteropstelling wordt vervangen door een standaard gasvoerende meterbeugel. De gasmeter wordt vervangen door een tweepijps-gasmeter.
Blad : 9 van 9 In uitzonderingsgevallen kan het voorkomen, dat er door ruimtegebrek geen gasvoerende meterbeugel kan worden geplaatst. In die gevallen blijft, na overleg met AsM-SR en Technische Expertise, de bestaande beugel hangen of wordt deze vervangen door een plaatbeugel. De oude hoofdkraan wordt altijd vervangen. 6.5 Meterverplaatsing Het komt voor dat tijdens de vervanging wordt beoordeeld dat de plaats van de meteropstelling niet meer aan de huidige voorwaarden voldoet. De meteropstelling wordt dan verplaatst naar een meterkast indien deze aanwezig is. Wordt de meteropstelling ondergebracht in een nieuwe meterkast dan moet deze meterruimte voldoen aan de norm NEN 7244-10 en NEN 2768. Voor het beoordelen van de situatie worden de aspecten voor vervanging in bestaande bouw uit de norm NEN 7244-10 gehanteerd; Ventilatie eisen; Toegankelijkheid van de meteropstelling; Voldoende werkruimte i.v.m. activiteiten voor onderhoud; Kans op mechanische beschadiging; Tracé van de aansluitleiding. De gasmeteropstelling in een kelder en/of vochtige ruimte wordt niet automatisch gezien als een onveilige situatie. Wel moet er te allen tijde op worden gelet dat de hoofdkraan in geval van brand snel toegankelijk is en er voldoende (niet afsluitbare) ventilatievoorzieningen aanwezig zijn. 7 OPMERKINGEN Verplaatsing van de meteropstelling op initiatief van zijn voor rekening van het bedrijf. Verplaatsingen op verzoek van de klant zijn in principe voor rekening van de klant. Leidend hierin is het oordeel van de toezichthouder van. In kruipruimten en andere besloten ruimten mogen nooit werkzaamheden worden uitgevoerd aan een onder gasdruk staande gasleidingen. Deze ruimten mogen niet betreden worden als er meer dan 10% LEL gemeten wordt. 8 REFERENTIES Tekeningen standaard huisaansluiting Gas G4/G6: 100 mbar invoerbuis (tekening nummer HG-G4-G6-100-IB 25 MPE 30 mbar invoerbuis (tekening nummer HG-G4-G6-30-IB 32 MPE 100 mbar invoerput (tekening nummer HG-G4-G6-100-IP 25 MPE 100 mbar invoerput (tekening nummer HG-G4-G6-100-IP 32 MPE 30 mbar invoerput (tekening nummer HG-G4-G6-30-IP 32 MPE 100 mbar sanering (tekening nummer HG-G4-G6-100-PEKO 25 MPE 100 mbar sanering (tekening nummer HG-G4-G6-100-PEKO 32 MPE 30 mbar sanering (tekening nummer HG-G4-G6-30-PEKO 32 MPE 100 mbar kelder (tekening nummer HG-G4-G6-100-Kelder 25 MPE 100 mbar kelder (tekening nummer HG-G4-G6-100-Kelder 32 MPE 30 mbar kelder (tekening nummer HG-G4-G6-30-Kelder 32 MPE