HOOFDSTUK 10 : DRIEKLANKEN Het majeur akkoord Bekijken we de analyse van enkele majeurgrepen op de gitaar : Door de analyse zie je dat beide akkoordgrepen uit 3 verschillende akkoordnoten bestaan, die over de greep worden herhaald. Deze keuze komt in alle majeurakkoorden voor. Algemeen kunnen we stellen dat een majeur-drieklank is opgebouwd uit 1-3 - 5 uit een majeur toonladder. 1,5 tonen 2 tonen 3,5 tonen Een akkoord is dus een combinatie van 2 harmonische intervallen waarbij het aantal toonverschil altijd gelijk moet blijven. In elke toonaard kan je dus rechtstreeks uit de majeur toonladder de 3 akkoordnoten van een majeurakkoord gaan afleiden : 184
Symbolisch wordt een akkoord steeds weergegeven door de notennaam van de 1ste toon uit de bijbehorende toonladder ( 1 ) en een akkoordsymbool. Hier volgt een lijst met de meest voorkomende symbolen : Akkoorden op de gitaarnek Voor we de grepen op de gitaarnek gaan bekijken, is het belangrijk om de drieklanken in elke toonaard en op elke mogelijke snaar terug te vinden. We gaan dus eerst per snaar de drieklanken gaan vormen. We spelen steeds drie opeenvolgende snaren (bv. 6-5-4) waarbij de basissnaar (de 6de in het voorbeeld) steeds de starttoon ( 1 ) van het majeurakkoord krijgt, de volgende snaar de 3 en de laatste snaar de 5 uit het akkoord. Volgende oefening is uitgewerkt op de 6de snaar en volgt de kwintencirkel. De greep van de majeur-drieklank blijft steeds dezelfde, het is wel belangrijk de notennamen erbij te denken en steeds te luisteren of alle drie snaren zuiver klinken : 185
Zelfde oefening, maar nu start je op de 5de snaar : 186
Majeur drieklanken met de 1 op de 4de snaar : Gibson J45 (1967) Gibson J200 Gibson J200 (1959) 187
Majeur drieklanken met de 1 op de 3de snaar : BC Rich Warlock7 Fender strat (1965) Epiphone Casio (1961) 188
Grondligging en omkeringen Doordat er bij een drieklank verschillende tonen tegelijkertijd klinken ontstaat er een bepaalde klankkleur. In de vorige hoofdstukken hebben we gezien dat tonen t.o.v. een akkoord een bepaalde aantrekking of een bepaalde afstoot kunnen veroorzaken. Bij een drieklank krijg je 3 rustgevende tonen (de 1, 3 en de 5 uit een majeur toonladder) die samen een bepaalde sfeer veroorzaken. Een drieklank die als opvolging 1-3-5 heeft, geeft een zeer sterke sfeer weer, d.w.z. het akkoord geeft zijn aanwezigheid zeer sterk aan. Een akkoord met dit soort karakter is dan ook ideaal om een nummer mee te beginnen of te eindigen. We noemen een akkoord die in deze ligging geschreven staat (en gespeeld wordt) de grondligging (of met een Engelse term Rootposition ). Het is belangrijk om de functie van akkoorden te verstaan; ze worden gebruikt om iets (een solo, thema,...) of iemand (zanger,...) te begeleiden. Door één of meerdere akkoorden na elkaar te spelen, geef je de zager of solist een bepaalde sfeer, die hij/zij kan gebruiken om een muzikale zin te vertellen. Je kan het vergelijken met de struktuur van een huis; de akkoorden zijn de fundering en de muren (= opbouw), de solo of zanglijn is de aankleding van het huis (=versiering). De opbouw van een nummer hangt dus af van de sfeer die je geeft met de akkoorden. Als je steeds akkoorden in grondligging na elkaar speelt, zal de opbouw zo sterk klinken, dat er weinig of geen ruimte is om een melodie (solo, thema, zanglijn) te dragen ; de akkoorden dringen zich te veel op de voorgrond. Een manier om een akkoord te verzwakken is de inwendige struktuur te veranderen; de notennamen blijven dezelfde, maar de ligging (en dus de harmonische intervallen) gaan we veranderen : Door de inwendige structuur van harmonische intervallen wordt het akkoord in deze nieuwe vorm verzwakt. We spreken dan van een nieuwe akkoordvorm : de 1ste omkering (of 1st Inversion) en duiden het akkoord met de akkoordensymbolen /3 aan (waarbij de 3 de notennaam is die de 3de graad uit de majeurtoonladder is). In de notatie valt een 1ste omkering op door de opening tussen de 5de en 1ste graad. De grondnoot (1ste graad) ligt steeds bovenaan bij een eerste omkering. 189
Schrijf nu alle majeurakkoorden uit in een 1ste omkering-ligging. Duid ook in de akkoordensymbolen de juiste vorm aan ( /3 ) : Opgelet : het is de inwendige struktuur die de omkering bepaald, niet de ligging : Een derde manier om een akkoord uit te schrijven (en de struktuur nog meer te verzwakken) is de 2de omkering : Beide akkoorden zijn in 1ste omkering geschreven. In de notatie valt een 2de omkering op door de opening tussen de 5de en de 1ste graad. Je vindt dus bij een 2de omkering de 1 steeds in het midden van de drieklank. Dit is de zwakste akkoordvorm van de drie, en zal dus nooit bij het begin of einde van een nummer worden gebruikt. 190
Zelfde oefening, schrijf alle mogelijke 2de omkering uit (schrijf de akkoorden in een zodanige ligging dat je zo min mogelijk hulplijntjes moet gebruiken) : De omkeringen op de gitaarnek Ook de 2 mogelijke omkeringen gaan we nu studeren op de gitaarnek en we gebruiken ook hiervoor de kwintencirkel en de 4 mogelijke posities (6de, 5de, 4de en 3de snaar), waarbij we nu de 3de graad (bij de 1ste omkering) en de 5de graad (bij de 2de omkering) als basis gaan gebruiken (opmerking : de tabulatuur wordt niet meer weergegeven) : 6de snaar : 191
5de snaar : 4de snaar : 192
Gibson J45 (1946) 3de snaar : Gibson SG (1976) Gibson LP dlx (1974) 193
2de omkering - 6de snaar : 2de omkering - 5de snaar : Carvin AC 375 194
2de omkering - 4de snaar : 2de omkering - 3de snaar : Dommenget Baroque 195
Combinaties van de verschillende posities In het begin van dit hoofdstuk kon je zien dat een akkoordgreep (bv. CM ) een combinatie is van verschillende 1ste, 3de en 5de graden. Nu we de 3 mogelijke posities van het majeur akkoord kennen, zal je zien dat een greep in feite een combinatie is van alle posities van het majeur akkoord : De volledige akkoorden (ook akkoordgrepen genoemd) zijn dus combinaties van alle mogelijke posities van het akkoord, waarbij alle 6 de snaren worden opgevuld. In de muzieknotie ziet alles er zo uit : Als we willen starten op de 6de snaar met een andere positie (grondligging of 1ste omkering), dan komen we onmogelijke grepen uit op de gitaar : Om de andere posities te kunnen gebruiken hebben we een nieuwe muziektheorie nodig. 196
De harmonie- en bassnaren op de gitaar Een elektrische of akoestische gitaar heeft meestal 2 soorten snaren : omwonden en niet-omwonden snaren. De 3 hoge snaren ( G, B en E ) bestaan uit een legering van verschillende metalen (afhankelijk van merk tot merk), terwijl de lage snaren ( E, A en D ) dezelfde legering hebben met extra verticale omwindingen. Hierdoor gaan deze snaren lager in toonkleur gaan klinken. De 3 hoge snaren noemen we harmoniesnaren; de 3 lage snaren de bassnaren. Men spreekt van een goede harmonische ligging als de melodie (bv. de zanglijn, de solo,...) ondersteund wordt door de akkoorden. De harmoniesnaren zijn, door hun specifieke toon hiervoor het best geschikt. Van daar dat we ervoor moeten zorgen dat de volledige drieklank steeds aanwezig is op de harmoniesnaren. We moeten de drieklank dan ook gaan verdelen over de 3 hoogste snaren, waarbij elke snaar één van de 3 tonen uit de majeur drieklank krijgt. We hebben dus 3 mogelijke combinaties : Dit gaan we nu eerst op de gitaar instuderen in alle mogelijke toonaarden (opgelet: in de oefening beginnen we steeds met de laagst mogelijke vorm) : 197
Opgelet : doe al deze oefening op verschillende metronoomsnelheden en ga niet verder in deze cursus voor je alle verschillende posities goed en zuiver kan spelen. Leer alle posities met de notennamen (en niet alleen in vingerzettingen ). Speel de akkoordposities per toonaard en ga slechts verder naar de volgende toonaard als je de 3 posities van de toonaard zonder hapering kan spelen. 198
Harmoniesnaren met bastonen Als je enkel de harmoniesnaren speelt, dan klinken de akkoorden niet zo vol als een akkoordengreep. Daarvoor gaan we extra tonen op de bassnaren aan de harmoniesnaren toevoegen. Op deze manier krijgen we de 3 basisgrepen van een majeurakkoord. Opgelet : doordat we extra tonen aan de drieklank toevoegen zullen we andere omkeringen krijgen, daar de positie (grondligging, 1ste of 2de omkering) wordt bepaald door de laagstklinkende toon (we noemen dit de basttoon). De mogelijke bastonen bij elke drieklank vind je hieronder in een schema : Gebruik steeds bij een barrée de techniek van de duim, waarbij je meer duwt met je duim op de gitaarnek dan op de snaren met de wijsvinger. In sommige gevallen wordt de laagste bastoon niet meegespeeld, zodat er een grondligging van het akkoord klinkt. Je herkent in deze greep zeker het basisakkoord AM 199
In de 2de greep herken je de basisgreep EM. Door de bastoon wordt deze greep een grondligging. De laatste greep wordt minder gebruikt in de pop- en rockmuziek, je herkent er de basisgreep CM in. Zo zie je dat er bij het samenvoegen van bastonen en een positie van een majeurakkoord op de harmoniesnaren steeds een barréeakkoord ontstaat. Deze 3 posities (harmoniesnaren en bastonen) gaan we nu opnieuw in alle mogelijke vormen en toonaarden op de gitaarnek gaan instuderen. Opmerking : we spelen steeds eerst de laagst mogelijke positie van een akkoord! 200
201
202
Zoek in de volgende oefening de juiste benaming van alle akkoorden : En herschrijf dan de oefening en vul de juiste bastonen bij elk akkoord. Een klein geheugensteuntje : Bij elk akkoord vul je nu de juiste bastonen aan; Let goed op de voortekening : 203
De mineur-drieklank De mineurakkoorden kunnen we nu op dezelfde manier gaan bestuderen. We starten met de mineur toonladder (opgelet : de voortekening gebruiken van de relatieve mineur - zie pagina 154), waarna we de 3 rustgevende tonen (1, b3 en 5) gebruiken om de mineur drieklank te vormen : Ook de mineur drieklank kunnen we in drie verschillende posities schrijven : Schrijf nu de juiste mineurtoonladder uit en schrijf daarnaast de 3 vormen van het bijbehorend mineurakkoord : 204
Dave Murray 205
Mineur-drieklanken op de gitaarnek Net als bij de majeur-drieklanken gaan we de mineurakkoorden gaan bestuderen per positie (grondligging, 1ste en 2de omkering) en per snaar : Grondligging - 6de snaar : Grondligging - 5de snaar : 206
Grondligging - 4de snaar : Grondligging - 3de snaar : Bill Frisell 207
1ste omkering - 6de snaar : 1ste omkering - 5de snaar : Danelectro - 12 string 208
1ste omkering - 4de snaar : 1ste omkering - 3de snaar : Dobro M-46 209
2de omkering - 6de snaar : 2de omkering - 5de snaar : Skidrow 210
2de omkering - 4de snaar : 2de omkering - 3de snaar : Eddie Van Halen 211
De drie basisgrepen van een mineurakkoord De theorie van de harmoniesnaren en bastonen is ook toepasbaar op de mineurakkoorden. Als eerste bekijken we alle posities van een mineurakkoord op de harmoniesnaren : Studeer nu alle posities in op de gitaarnek (we beginnen, zoals altijd steeds met de meest lage positie mogelijk) : 212
Harmoniesnaren en bastonen met mineur drieklanken Net als bij de majeurakkoorden kunnen we nu grepen gaan maken, waarbij de harmoniesnaren de 3 verschillende tonen bevatten en de bassnaren verdubbelingen zijn van de akkoordtonen, waarbij we op zoek gaan naar een fysisch neembare greep : De basisgreep Am is hier duidelijk zichtbaar. Door het toevoegen van de bastonen krijgen we een 2de omkering ( Xm/5 ) 213
De basisgreep Em kan je hier duidelijk zien ontstaan. Bij de laatste greep zie je Dm ontstaan. Bij deze greep kunnen we slechts 5 snaren gebruiken; de 6de snaar wordt dus niet meegespeeld!! Ook deze grepen gaan we nu in alle mogelijke toonaarden gaan instuderen : 214
Dobro M-62 215
216
Randy Roads 217
Schrijf boven de volgende oefening de juiste benaming van het uitgeschreven akkoord : Ditmaal zijn de akkoordvormen opgeven, schrijf de juiste drieklank uit in muziekschrift : Schrijf bij de volgende oefening de juiste akkoordbenaming boven het akkoord en schrijf de extra basnoten erbij. Daarna speel je de oefening (opgelet - voortekening!!) 218
Volgende nummers zijn zowel lees- als speeloefeningen. Probeer de melodieën en de akkoorden op verschillende posities op de gitaarnek uit, en vergeet de upen downstrokes niet uit te werken : Zelfde soort oefening, maar nu moet je zelf de juiste akkoordvormen opzoeken en erbij noteren (probeer ook alle akkoorden op dezelfde opeenvolgende snaren te spelen of zo dicht mogelijk bij elkaar (bv. 5de, 4de en 3de snaar - vermijdt dus positiewisselingen) : 219
Chordial Movement Ozmatic Breath 220
Bij de volgende speeloefening moet je zelf de drieklank in de juiste vorm uitschrijven en aanvullen met de bijbehorende bastonen op de gitaarnek : Dance on a high wire Down under 221
Powerchords Een speciale vorm van drieklank ontstond in de jaren 60. Door de technische vooruitgang van gitaarversterkers Chuck Berry en effecten vooral de distortion - werd het gitaargeluid totaal veranderd. Zoals altijd werd de muziektheorie aangepast aan de muziekevolutie. De logge Country & Western akkoorden (de basisgrepen) klonken niet bij een overstuurde gitaarversterker. Ook de nadruk op de harmoniesnaren (die steeds de zanglijn begeleiden) vielen niet in de smaak van de nieuwe muziekstijlen. De ritmische figuren kregen de bovenhand bij de gitaarlick zodat de nadruk meer op de bassnaren kwam te liggen. Voor het vormen van de akkoorden elimineerde men zoveel mogelijk de harmoniesnaren en concentreerde de gitaristen zich op de bijgevoegde bastonen. Muziektheoretisch betekende dit dat men de 3de graad van het akkoord uit de greep haalde. Zo bekom je een drieklank bestaande uit de 1ste en 5de graad. De beide akkoordvormen (mineur en majeur) kunnen dan ook niet meer bevestigd worden, wat een voordeel (meer vrijheid bij het soleren over een akkoordenschema) en een nadeel (zonder effect klinkt het akkoord plat ) geeft. Deze vorm van drieklanken noemen we in de gitaartechniek powerchords. Het akkoord is steeds gebaseerd rond de 1 van de toonladder en kan op 4 verschillende snaren worden gespeeld : Opmerking : In sommige gevallen wordt de hoogste 1 zelfs weggelaten. 222
In de partituur gaan we deze akkoordvorm als volgt noteren : Soms wordt het akkoord ook genoteerd als CM no 3rd. Zoals eerder vermeld zal het akkoord zonder effect (distortion, overdrive, fuzz, ) niet het volle geluid van een majeur of mineurdrieklank geven, volgende oefeningen speel je dus best met de gain van je versterker op 10 (tot vreugde van de buren). Powerchords op de 6de snaar : Powerchords op de 5de snaar : 223
Powerchords op de 4de snaar : Powerchords op de 3de snaar : Dave Mason 224
Overzicht Φ Φ Om van een akkoord te kunnen spreken, moeten er minstens.. Verschillende tonen tegelijk klinken. We delen deze in 2 groepen in : de...akkoorden en de...akkoorden. De tonen waaruit deze akkoorden bestaan kunnen we afleiden uit de twee toonladders, waarbij we de volgende graden nemen om elk akkoord op te bouwen :..Akkoord = ste graad,...de graad en..de graad.. Akkoord =...ste graad,...de graad (verlaagd) en..de graad. Φ Φ Φ Φ Φ Beide akkoorden kunnen op manieren worden gespeeld : de.. ( - - ), de. Omkering ( / / ) en de. Omkering ( / / ) Een. Omkering herken je door een grotere afstand tussen de en de toon, waarbij de eerste graad. ligt. De omkering heeft een grotere afstand tussen de. en de.. toon, waarbij de 1ste graad. ligt. De gitaarnek verdelen we in, waarbij de fijnste 3 snaren de. snaren noemen en de 3 dikste snaren de. noemen. Een volledige akkoordgreep (5 of 6 tonen) bestaat altijd uit de 3 akkoordnoten op de harmoniesnaren, aangevuld door de.. Bij de powerchords wordt de.de graad weggelaten en vervangen door de.. ste graad. Epiphone Triumph - 1943 225