Handleiding Boerderijles Groep 5/6 Mei/juni 2010
1. Inleiding 1.1 Algemene doelstelling De boerderijles is bedoeld voor leerlingen uit groep 5 en 6. Deze les vindt plaats op stadsboerderij Het Buitenbeest. Tijdens deze les behandelen we enkele dieren die op een boerderij leven. We kijken naar de vacht, het uiterlijk en gedrag. 1.2 Opdrachten en kleurcodes Opdracht Dieren kleurcode 1 Kippen geel 2 Schapen groen 3 Varkens roze 4 Konijnen oranje 5 Koeien blauw 7 Bijen 2. Organisatie en het lesverloop 2.1 De voorbereidingsmiddag voor leerkrachten en begeleiders/ouders De boerderijles staat op de stadsboerderij Het Buitenbeest aan de Voorweg. De boerderijles bestaat uit zeven opdrachten. Voor leerkrachten en begeleiders/ouders wordt vlak voor de start van deze boerderijles een voorbereidingsmiddag gehouden. Het bijwonen van de voorbereidingsles is essentieel voor een goed verloop van de les als u zelf met de klas de stadsboerderij bezoekt. Voor een vlot verloop van de les raden wij u aan om minimaal twee begeleiders/ouders in te schakelen. Deze begeleiders/ ouders kunnen ook meekomen naar de voorbereidingsles. U en de begeleiders kunnen op die middag de opdrachten en de plekken bekijken waar de verschillende opdrachten moeten worden uitgevoerd. De datum van de voorbereidingsmiddag vindt u in de begeleidende brief. 2.2 Voorbereiding op school Voor een goed verloop van de les op de stadsboerderij kunt u uw leerlingen in de klas voorbereiden door: De organisatie van de les en de praktische gang van zaken op de boerderij te bespreken. Ook voor begeleiders is dat prettig. De punten die u aan de orde kunt brengen zijn: 1. Werkboekje Bij deze les is er voor de leerlingen een werkboekje boerderijles. Kopieer voor elke leerling het werkboekje. Zorg voor het juiste aantal werkboekjes en potloden voor de leerlingen. 2. Uitvoeren van de opdrachten In het werkboekje staan zeven opdrachten. Ze zijn genummerd en hebben een eigen kleur. Bij elke opdracht staat waar de leerlingen naar toe moeten en welk materiaal nodig is. Het materiaal staat in het leslokaal. In de meeste gevallen nemen ze dit mee naar de plek waar de opdracht uitgevoerd moet worden.
Na het gebruik, bij het wisselen van de opdracht, wordt het materiaal weer in het leslokaal teruggezet. 3. Werken in groepjes De leerlingen werken in groepjes en werken samen. De les duurt ca 90 minuten. De klas is in maximaal 7 groepjes verdeeld. Maximaal 7 groepjes kunnen tegelijk aan de slag. Maak in de klas alvast groepjes van 4 à 5 leerlingen. Elk groepje begint met een andere opdracht en werkt dan de opdrachten in de volgorde van het boekje af. Het groepje dat met opdracht 4 begint, gaat naar opdracht 5, dan naar opdracht 6 enz. Vertel aan elk groepje met welk opdracht ze moeten beginnen. Elk groepje werkt 10 minuten aan een opdracht en gaat dan naar de volgende opdracht. Of u spreekt met uw leerlingen af hoe lang zij over een opdracht mogen doen. Het is verstandig om een (scheidsrechters)fluitje mee te nemen omdat de groepjes op verschillende plaatsen aan de slag zijn. Hiermee kunt u de leerlingen waarschuwen als de afgesproken tijd voorbij is. 4. Kleding Vertel de leerlingen dat ze tijdens de les (warme) kleren en schoenen aan moeten hebben die vuil mogen worden. 5. Omgang dieren en materiaal De kinderen werken rustig. Ze maken geen lawaai, vooral niet bij de dieren. Kinderen gaan voorzichtig met het materiaal om. 2.3 De lesorganisatie op stadsboerderij Het Buitenbeest Meld u aan (en af) bij de dienstdoende beheerder van de boerderij. U start met uw groep in het leslokaal Het Buitenbeest. Na afloop van de les controleert u of het materiaal compleet en op de juiste plek aanwezig is (zie de bordjes). De volgende school kan dan in een opgeruimd leslokaal starten. 2.4 Nabespreking U kunt de les in de klas op school nabespreken. Mocht u nog veel tijd over hebben op de boerderij, dan kunt u de les ook nabespreken op de boerderij (in het leslokaal). 2.5 Tenslotte We stellen op- en aanmerkingen na afloop van de les erg op prijs. U kunt deze kwijt in het schrift dat daarvoor klaar ligt.
3. Algemene regels bij bezoek aan de stadsboerderij Het is de bedoeling dat een bezoek aan de stadsboerderij een succes is voor zowel de bezoekers als voor de dieren. Daarom zijn er verschillende regels opgesteld op het gebied van: gedrag, hygiëne en het voeren. Wilt u in het belang van de kinderen, uzelf en de dieren, deze regels vooraf met uw leerlingen doornemen? 3.1 Gedrag Haal geen dieren uit de hokken, vraag hiervoor toestemming, er kan dan tegelijk uitgelegd worden hoe het dier opgetild moet worden. Niet rennen of schreeuwen, dat schrikt de dieren af. Als dieren niet geaaid willen worden, laten ze dat merken door bijvoorbeeld weg te lopen. De kinderen mogen er dus niet achteraan lopen. Ook dieren hebben recht op rust en privacy; jaag ze dus niet op en kom niet in de hokken. 3.2 Hygiëne Dieren kunnen ziektekiemen bij zich dragen zonder dat ze er zelf ziek van zijn. Sommige hiervan kunnen infecties bij mensen veroorzaken. Met name jonge kinderen en zwangere vrouwen zijn gevoelig voor bepaalde ziektekiemen. Een besmetting kan worden overgedragen door aaien en knuffelen maar ook via mest op de grond. Om een bezoek aan de stadsboerderijen veilig, gezond en verantwoord te houden is in overleg tussen de Keuringsdienst van Waren, het ministerie van WVC en kinderboerderijorganisaties een code voor hygiëne op kinderboerderijen opgesteld. Hierin staat een aantal hygiënische maatregelen vermeld waarmee bezoekers de kans op een infectie kunnen beperken. Was de handen met water en zeep na aanraken van de dieren. Was de handen met water en zeep voordat er wat gegeten wordt. Vermijd het aanraken van gezicht en mond voordat de handen gewassen zijn. Niet eten en drinken in de dierweiden maar alleen op de daarvoor aangewezen plaatsen. Geen voedsel eten dat op de grond gevallen is. Geen voer eten dat voor dieren bestemd is. 3.3 Voeren De meeste dieren op de boerderij, zoals de varkens, de geiten en de koeien of kalveren krijgen twee maal per dag eten. Andere dieren zoals de knaagdieren en de vogels krijgen maar één keer per dag te eten. Let op! In verband met gezondheidsrisico s voor de dieren (BSE, MKZ en varkenspest) is het verboden om zelf eten voor de dieren mee te brengen. De kinderen leren in hun omgang met dieren dat ze niet voor hun eigen genoegen de dieren vol kunnen stoppen. U kunt hen uitleggen waarom de dieren niet teveel mogen hebben. En dat ze rekening moeten houden met wat goed voor het dier is. Zo leren ze dieren te respecteren in hun eigenheid. Dit houdt niet in dat daarmee het plezier in de omgang met het dier minder wordt. Integendeel, respect voor dieren geeft er een meerwaarde aan.
Antwoordenblad leerlingenboekje Boerderijles 1. Kippen 1.1 Soorten kippen Dekveer Donsveer a) ja nee b) nee ja c) nee ja d) nee ja 1.2 Verenonderzoek a) nee b) De haakjes aan de baardharen fungeren als een ritssluiting. c) Dekveren moeten de kip beschermen tegen wind, regen en kou, dus net als een jas. 1.3 Het gedrag van een kip a) Met hun poten schrapen ze de aarde weg b) Met hun snavel pikken zij wat ze willen hebben c) Nemen een stofbad d) Maken tok -geluiden 1.4 Wat kippen eten Zaadjes, graankorrels, wormpjes en andere kleine bodemdieren, grassprieten, harde dingetjes zoals steentjes. Kippen eten harde dingetjes omdat zij geen tanden en kiezen hebben om het fijn te malen. Extra informatie: Het voedsel dat de kip oppikt komt eerst in de krop, een soort zak in de hals van de kip. Hier wordt het voedsel gemengd met speeksel, zoals dat bij de mens in de mond gebeurt. Daarna gaat het voedsel door twee magen om het fijn te krijgen 1.5 Kan een kip knipogen? Bij de mens het bovenste ooglid en bij de kip de onderste. 2 Schapen 2.1 Vacht van het schaap Lengte: vingerlengte Hoeveelheid: zeer dicht op elkaar Dikte: erg dun en zacht, maar omdat het er veel is ziet het er dik uit. Vorm: gegolfd en stijl De huid kun je niet makkelijk zien.
2.2 Soorten schapen en soorten wol Wol van de Zwartblesschaap is kort, kort en zwart/bruin Wol van de Drentse Heideschaap is glad, lang en wit. Ruwe wol is niet schoon, kan van alles tussen zitten, voelt vettig aan en ruikt heel sterk naar schaap. Gewassen wol is schoon, zacht (wollig) en ruikt niet meer zo sterk 2.3 Spinnen Voor deze opdracht heb je plakband nodig. Meenemen van school! 3 Varken 3.1 Vacht van een varken Huid van het varken in het hok Vacht uit de krat Lengte Lang Lang en kort Hoeveelheid Weinig Veel Dikte Dik en hard Dik en hard en kort en zacht Vorm Heel stijl Stijl en wollig Huid zichtbaar? Ja makkelijk Nee Licht van kleur Donker van kleur Wild zwijn 3.2 Zintuigen en gedrag Een varken kan met zijn neus heel erg goed ruiken, soms zelfs beter dan de hond! Daarom wroeten varken ook met hun neus in de grond. 3.3 Producten gemaakt van het varken a). Scheerkwast: haren b). Verfkwast: haren c). Salami: vlees (spieren en vet) d). Knakworstjes: vlees (spieren en vet) 4 Konijnen en uitwerpselen 4.1 Vacht van het konijn Lengte: kort Hoeveelheid: veel Dikte: dun en zacht, omdat het er veel zijn ziet het er dik uit. Vorm: stijl Huidzichtbaar? Moeilijk 4.2 Het Uiterlijk Afhankelijk van het uitgekozen konijn. Konijnen hebben snorharen De voorpoten zijn korten en kleiner dan de achterpoten. Met de achterpoten kan het konijn ver springen en snel wegrennen.
4.3 Het gebit Een konijn heeft alleen snijtanden en kiezen Snijtanden om harde planten af te knagen Kiezen om te fijn te kauwen en vermalen Hoektanden zijn bij dieren om een prooi te doden, meestal steken zij ook een beetje uit het gebit. Een konijn is dus een planteneter. 4.4 Uitwerpselen 1. Konijn 2. Cavia 3. Gans 4. Kip 5. Geit 6. Schaap 5 Koeien 5.1 Vacht van een koe Lengte: kort Hoeveelheid: niet veel en niet weinig Dikte: dun en zacht Vorm: stijl Huid is zichtbaar als je de haren tegen de groeirichting in strijkt zoals bij de mens. 5.2 Voedsel Hooi is gedroogd gras. Is gelig van kleur, ruikt lekker naar gras en voelt zacht aan. Het is dan ook voedsel (ruw voer)voor de koe. Stro is afval van graan wat geoogst is. Is gelig/wit van kleur, ruikt nauwelijks, er zitten stengels in die erg stug kunnen zijn. Wordt gebruikt om de stalvloer mee te bedekken. 5.3 Producten van de koe a). Kaas, gemaakt van de melk van de koe b). Hamburger, gemaakt van het vlees (spieren) van de koe 5.4 Melken De uier van de koe heeft vier spenen. 6 Bijen 6.1 Soorten bijen Een bijenvolk bestaat voornamelijk uit werkbijen. De koningin moet eieren produceren voor de nakomelingen, met name nieuwe werkbijen.