Titelgegevens / Bibliographic Description Titel Auteur(s) Boekbesprekingen / W.J. op 't Hof. Hof, W.J. op 't In Documentatieblad Nadere Reformatie, 11 (1987), no. 3, p. 96-101. Copyright 2007 / W.J. op 't Hof SSNR Claves pietatis. Producent Claves pietatis / 2007.07.17; versie 1.0 Bron / Source Annotatie(s) Website Nummer Onderzoeksarchief / Research Archive Nadere Reformatie Over: Bernardus van Clerveaux. Het Hooglied van Salomo, J. van der Haar (red.). Veenendaal, 1986; P.H. van Harten, De prediking van Ebenezer en Ralph Erskine. 's-gravenhage, 1986; J. Nootenboon, Letterplank. Handreiking bij het lezen van boeken in oude druk. Rotterdam 1986. Sleutel tot de Nadere Reformatie B99000895 De digitale tekst is vrij beschikbaar voor persoonlijk gebruik, voor onderzoek en onderwijs. Respecteer de rechten van de rechthebbenden. Commercieel gebruik is niet toegestaan. The digital text is free for personal use, for research and education. Each user has to respect the rights of the copyright holders. Commercial use is prohibited. Het 'Onderzoeksarchief Nadere Reformatie' bevat digitale documenten over het gereformeerd Piëtisme en de Nadere Reformatie in Nederland tot 1800. Het is doorzoekbaar met de 'Bibliografie van het gereformeerd Piëtisme in Nederland (BPN)' op de website 'Sleutel tot de Nadere Reformatie'. The 'Research Archive Nadere Reformatie' contains digital documents about reformed Pietism and the Nadere Reformatie in the Netherlands until 1800. These can be retrieved by searching the 'Bibliography of the reformed Pietism in the Netherlands (BPN)' database at the 'Sleutel tot de Nadere Reformatie' website.
XI-96 BOEKBESPREKING Bernardus van Clerveaux, Het Hooglied van Salomo, Kool B.V., Veenendaal (1986), 135 pp., ƒ 19,95. Dit boekje bevat zeventien preken van Bernardus over het Hooglied die opnieuw door J. van der Haar uit het Latijn zijn vertaald. Zij worden voorafgegaan door een korte inleiding over Bernardus en door een opstel over diens invloed op de Nadere Reformatie, beide eveneens van de hand van J. van der Haar. Aan het eind van het werkje worden door H.J. van Dijk en Van der Haar de persoon en het werk van W.A. de Groot herdacht. De laatstgenoemde had het plan opgevat om alle Hooglied-preken van Bernardus in het Nederlands te vertalen. In deze recensie richt ik de kijker uitsluitend op Van der Haars opstel over de invloed van Bernardus op de Nadere Reformatie. I. Boot heeft in 1971 met zijn voortreffelijke dissertatie op overtuigende wijze laten zien dat Bernardus met zijn Hooglied-interpretatie van grote betekenis is geweest voor de Nadere Reformatie. Van der Haar gaat in het door Boot gewezen spoor door en hij wijst aan dat Bernardus een veel geprezen en geciteerd auteur in de werken van vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie is. De fenomenale kennis en belezenheid van J. van der Haar stellen hem in staat om als een ervaren gids leiding te geven aan een speurtocht door het niet erg begaanbare gebied van geschriften van achtereenvolgens: F. Ridderus, G. Saldenus, S. Simonides, S. Oomius, G. Voetius en J. Hoornbeeck. Van al deze personen is alleen Voetius door Boot behandeld. Van der Haar laat zien op welke wijze het genoemde zestal over Bernardus dacht en in welke mate het hem citeerde. Hierbij worden vele staaltjes van aanhalingen gegeven. Als ik de auteur goed begrijp, wil hij met zijn opstel aantonen dat de Nadere Reformatie veel meer met de Middeleeuwen en in het bijzonder met Bernardus te maken heeft dan men gewoonlijk meent. Zo gezien is dit artikel een waardevolle bijdrage aan de bestudering en de evaluatie van de Nadere Reformatie. Het katholieke aspect van deze beweging is immers tot nu toe te zeer onderbelicht gebleven. Graag nodig ik Van der Haar uit om in dit Documentatieblad hetzij in één artikel hetzij in een artikelenserie de door hem gevonden gegevens inhoudelijk te rubriceren en te analyseren, zodat het wetenschappelijk onderzoek er rechtstreeks zijn voordeel mee kan doen. Alleen om het besproken opstel is dit werkje reeds zijn prijs waard. W.J. op 't Hof.
BOEKBESPREKING P.H. van Harten, De prediking van Ebenezer en Ralph Erskine, Boekencentrum B.V., 's-gravenhage (1986), 313 pp., f.49,50. XI-97 Met de verdediging van bovenstaande studie behaalde Van Harten de doctorsbul aan de theologische faculteit van de Rijksuniversiteit te Utrecht. Aangezien de geschriften van de Erskines in de gereformeerde gezindte nog behoorlijk worden gelezen, is het door Van Harten gekozen onderwerp interessant en zelfs enigermate actueel. Zijn boek is gezien de woordkeus gemakkelijk toegankelijk, althans voor hen die niet vreemd zijn aan de gereformeerde theologie en het bevindelijke spraakgebruik. Het aantrekkelijke van dit werk is dat het enerzijds een wetenschappelijke verhandeling is en dat het anderzijds zich vaak als een stichtelijk werk laat lezen. Persoonlijk vind ik het jammer dat de auteur veel Engelse citaten onvertaald heeft gelaten. Op deze wijze missen lezers die de kennis van het Engels ontberen, elementaire zaken en soms hoogtepunten van het betoog. De lezer die met de vraag zit of een recensie van dit boek wel in dit blad past, ontvangt van P.H. van Harten reeds in de inleiding van diens werk een positief antwoord. Met het oog op de invloed van de in het Nederlands vertaalde preken der Erskines is bestudering van hen en hun prediking namelijk van belang voor het verstaan van de Nadere Reformatie. Het werk telt een negental hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk wordt een schets geboden van de kerkelijke en theologische achtergrond in Schotland in de eerste helft van de achttiende eeuw. In het tweede hoofdstuk wordt de levensloop van Ebenezer en Ralph Erskine uit de doeken gedaan. De homiletische en hermeneutische aspecten van hun prediking vormen de inhoud van hoofdstuk drie. In de volgende vier capita komen respectievelijk de volgende onderwerpen uitvoerig aan de orde: het verbond als de inhoud van de evangelieprediking, de beloften als de prediking van het evangelie, het geloof als het antwoord op het evangelie en de heiligmaking. In hoofdstuk acht wordt de invloed van de prediking der Erskines aan een nader onderzoek onderworpen, waarbij wordt gelet op: Schotland, de overige delen van Groot-Brittannie, Amerika en Nederland. Voor wat ons land betreft, staat Van Harten stil bij: T. van der Groe, A. Comrie, I. de Leeuw, T. Avinck, T.A. Clarisse, de negentiende en de twintigste eeuw. In het afsluitende hoofdstuk vindt een samenvattende beoordeling plaats. Het is een nuttige zaak dat in de bijlage een chronologisch overzicht van de preken der Erskines wordt gegeven. Voorts wordt deze studie gecompleteerd door een lijst van de geraadpleegde literatuur en een personenregister. In het algemeen kan worden gesteld dat deze studie een verhelderend
XI-98 beeld van het behandelde onderwerp verschaft, zij het dat dit beeld geen opzienbarende zaken bevat. Aan dit werk ligt een grondig onderzoek van de preken der Erskines ten grondslag. Wel kan men zich afvragen - en hier zet mijn kritiek in - of de hoofdstukken vier tot en met zeven niet te weinig dogmageschiedkundige lijnen bevatten en of de auteur voor wat de Nederlanden betreft - zeker met het oog op de relevantie van de preken der Erskines voor de Nadere Reformatie - er niet goed aan had gedaan als hij een systematisch onderzoek had ingesteld naar de vertalers, hun motieven en hun doelstellingen. Tevens had een grondige analyse van de in de vertalingen voorkomende voorredes niet mogen ontbreken. Concreet toegespitst: wie was J. Ross? Wie waren de andere translateurs? De naam Ross doet mij aan een Schot denken. Was er wellicht een relatie tussen hem en H. Kennedy, tussen hem en Van der Groe, tussen hem enerzijds en De Leeuw en Avinck anderzijds? Is de invloed van de Erskines in de middellijke weg te danken geweest aan een Schot -Ross- of Schotten in de Nederlanden? Een andere belangrijke vraag is: hoe ligt de verhouding tussen de vertaalde werken van de Erskines en die van andere Schotse stichtelijke auteurs in die tijd? Mag ik zo vrij zijn de auteur te vragen of hij een vervolg op zijn dissertatie wil laten verschijnen waarin hij juist op deze zaken zal ingaan? Dan eerst zal er een zinnig woord over het belang van de prediking der Erskines voor het verstaan van de Nadere Reformatie te zeggen zijn. Nu blijft het door Van Harten gepleegde onderzoek aan de oppervlakte. Op de op één na laatste bladzijde van het laatste hoofdstuk wijst Van Harten erop dat veel van de bewaard gebleven preken der Erskines zijn uitgesproken op Avondmaalsdagen. Voor de evaluatie van deze predikaties is dit een essentieel gegeven. Een tweede zaak die hierbij van belang is, betreft het element van reactie. Van Harten schrijft: Persoonlijk of door hun pastoraat wisten zij hoe men onder een wettische prediking kan vastlopen. Mijns inziens had het op de weg van de auteur gelegen om uit te zoeken aan welke kant de keuze hier moet vallen - persoonlijk of door hun pastoraat - of in hoeverre aan een combinatie van beide moet worden gedacht. Had de spirituele levensloop van de Erskines op dit punt niet dieper uitgezocht kunnen worden? Hoe moeten wij ons de geestelijke situatie van de gemeenten die zij gediend hebben, voorstellen? Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de auteur zich heeft beperkt tot de gepubliceerde bronnen. Als ik het goed begrijp, doelt hij in zijn woord vooraf vooral hierop als hij stelt dat de afstand tot Schotland hem beperkingen heeft opgelegd. Het valt te betreuren dat op deze wijze niet alle mogelijke licht op het specifieke van de prediking der Erskines valt. Op een cruciaal punt blijft de lezer met de vraag naar de achtergrond zitten. En wetenschapsbeoefening is er toch voor om juist
XI-99 aan zo'n vraag tegemoet te komen? Mijn eindoordeel over deze studie is dat zij een goed leesbaar en soms zelfs stichtelijk boek is, waarin een wetenschappelijke tekening van de prediking der Erskines wordt geleverd. De auteur komt de eer toe dat hij bij al zijn verbondenheid met het onderwerp erin is geslaagd om op bezonnen wijze een evenwichtige evaluatie van de wijze en de inhoud der prediking van de beide Schotse broeders de lezer te presenteren. Gezien het nog steeds actuele karakter van het onderwerp zal deze studie haar weg wel weten te vinden onder een breed lezerspubliek. Van Hartens proefschrift is dit waard. W.J. op't Hof, Ralph Erskine Ebenezer Erskine
XI-100 BOEKBESPREKING Letterplank. Handreiking bij het lezen van boeken in oude druk, JL Nootenboom. Lindenberg's boekhandel, Rotterdam (1986), 64 pp., ƒ 12,50. Met het bovenstaande werkje is de wereld van het boek met een originele publikatie verrijkt. De originaliteit geldt zowel voor het doel van het boekje als voor de methode die de samensteller volgt. Terecht mag een geschriftje dat bedoeld is om de lezer vertrouwd te maken met het gotische schrift, in onze tijd origineel heten. Wie de Nadere Reformatie - echt - wil leren kennen, zal zeventiende- en achttiende-eeuwse boekwerken moeten lezen. Hiervoor is de kennis van het gotische schrift onontbeerlijk. Maar wie bezit deze kennis? Nu is het mijn persoonlijke mening dat iedereen die zich het lezen van de oude druk eigen wil maken, dit zonder veel moeite kan bereiken. Met een beetje goede wil en volharding kan men die eerst zo vreemde letters binnen korte tijd lezen. Toch is het mij bekend dat voor velen de oude druk op zichzelf reeds zo afschrikwekkend is dat zij nooit aan een "echte" oudvader toekomen. Voor hen biedt Letterplank uitkomst. Ik juich de verschijning van dit werkje dan ook ten zeerste toe. De werkwijze die de samensteller heeft toegepast, straalt een frisheid uit die het boekje zonder meer aantrekkelijk maakt. Dit is een hele prestatie. Het is niet iedereen gegeven om aan een op zichzelf saaie stof charme te verlenen. Letterplank zet in met een korte schets van het ontstaan en het gebruik van het gotische schrift, waarbij wordt verwezen naar de belangrijkste literatuur hierover. Daarna worden de letters van de oude druk naast die van de nieuwe druk gezet, terwijl wordt geattendeerd op de afwijkende leestekens en letters in het gotische schrift. Vervolgens komen er vijf leesoefeningen, waarbij stukje voor stukje de oude druk door de nieuwe druk wordt gevolgd. In de vierde leesoefening zijn bij de weergave van het gotische schrift in de nieuwe druk regelmatig woorden en zinnen weggelaten, zodat tevens een invuloefening ontstaat. Bij de vijfde leesoefening moet de leerling(e) de tekst reeds helemaal zelf in het romeinse letterschrift zetten. Het laatste onderdeel van Letterplank, dat meer dan de helft hiervan in beslag neemt, geeft fragmenten uit negen boeken in de oude druk uit de periode 1477-1872, met daarbij de transcriptie in de nieuwe druk. De gebruikte bronnen zijn Bijbels, geloofsbelijdenissen, Psalm- en liedboeken alsmede stichtelijke geschriften. Het is een goede gedachte geweest over iedere bron enige informatie te geven. Tevens ontvangt de lezer(es) een helder beeld van het verschil in de oude druk tussen de vijftiende en de negentiende eeuw. De keuze van de voorbeelden houdt het geheel levendig: vaak een titel-
XI-101 pagina - en niet een titelblad, zoals Nootenboom schrijft -, soms een colofon - waarbij dan nog duidelijk wordt gemaakt wat een colofon is -, een andere keer een bladzijde uit een Psalmboek met notenschrift en in veel gevallen een eerste pagina van een geschrift, waarbij dan de versierde initiaal er uitspringt. Ook het korte overzicht van het ontstaan van het gotische schrift is verlucht met aantrekkelijke afbeeldingen. De afbeeldingen van de originele tekst zijn in het algemeen zeer helder. In een enkel geval wreekt zich het feit dat een origineel verkleind moest worden afgedrukt. Dit had beter vermeden kunnen worden. Het lezen van de oude druk vereist zo toch weer grote inspanning. Naar mijn inzicht had de samensteller met zoveel woorden moeten aangeven dat hij bij zijn transcriptie de weglatingstekens negeert. Nu blijft dit voor een argeloze lezer onduidelijk. De keuze van Nootenboom vind ik trouwens verkeerd. Om twee redenen had hij de weglatingstekens wel in zijn transcriptie moeten verwerken: deze tekens behoren wel degelijk tot de tekst - weglating betekent in dit geval derhalve verminking - en de gebruikelijke richtlijnen voor transcriptie schrijven het voor. Zwaarder reken ik het de samensteller aan dat hij verzuimt aan te geven wat het weglatingsteken boven de laatste letter van "en" betekent en dat hij schrijft dat de "ui" wordt weergegeven door de "w". In dit laatste geval staat immers een "w" voor een "uu". Deze kritische kanttekeningen nemen niet weg dat Letterplank mijns inziens volkomen aan zijn doel beantwoordt: men leert op ontspannen en plezierige wijze binnen korte tijd de gotische letters lezen alsof men nieuwe druk las. De moeilijkheidsgraad is zo laag dat zelfs kinderen van de basisschool goed met dit boekje uit de voeten kunnen. Dit boekje mag in niet één gezin ontbreken. Voor de prijs behoeft men de aanschaf hiervan niet te laten. W.J. op't Hof.