Om te voldoen aan de exameneisen moet je dit jaar voor literatuur nog zes prozateksten en het een en ander aan poëzie verwerken. Wat mag/moet je lezen? ROMANS In totaal moeten er negen werken gelezen zijn. Daarvan zijn er drie verwerkt in je thematisch leesdossier van. In klas 6 lezen we één boek (gedeeltelijk) samen. De onderdelen die tijdens de lessen niet aan bod komen, lees je zelfstandig. Je leest de roman dus in zijn geheel. Dit werk neem je verplicht op in je leesdossier. Verder lees je zelfstandig nog vijf werken. De nog te lezen romans moeten representatief zijn voor de hele periode. Je leest daarom: 1) één werk uit de periode tussen 1885 en 1920 2) één werk uit de periode tussen 1921 en 1940 3) één werk uit de periode tussen 1941 en 1980 4) twee werken uit de periode tussen 1981 en heden. Bijgevoegd tref je aan de Literatuurlijst NEDERLANDS. Hieruit maak je je keuze. Je leest niet twee werken lezen van dezelfde auteur. Houd ook hier rekening met wat je gelezen hebt voor je thematische dossier in de vijfde klas. Achter elk werk in de Literatuurlijst NEDERLANDS zie je één of twee sterretjes staan. Je kiest max. twee werken met één ster. Uiteraard mogen ook alle werken twee sterren hebben. Alle werken van de Literatuurlijst NEDERLANDS zijn in de mediatheek aanwezig. POËZIE Je verdiept je in twaalf gedichten. Deze gedichten komen uit dezelfde periodes als de romans. Je verdeelt de twaalf gedichten als volgt over de verschillende periodes: 1) twee gedichten uit de periode tussen 1885 en 1920 2) twee gedichten uit de periode tussen 1921 en 1940 3) vier gedichten uit de periode tussen 1941 en 1980 4) vier gedichten uit de periode tussen 1981 en heden Als een schrijver van wie je een roman gelezen hebt, ook poëzie geschreven heeft, mag je ook zijn gedichten lezen. Je mag ook een heel andere keuze maken. Let er goed op dat de keuze van je gedichten beantwoordt aan de spreiding over de verschillende periodes Je gedichten zijn literaire gedichten voor volwassenen van een Nederlandse of Belgische dichter. Leg ze ter goedkeuring aan de docent voor. Je zorgt ervoor dat je leesdossier van elk gedicht een kopie bevat. (Zie verder: inhoud leesdossier.) Tijdens het mondelinge examen moet je zelf ook je gedichten meebrengen. Bij de gedichten staan natuurlijk géén aantekeningen.
HET LEESDOSSIER In de afgelopen jaren heb je een aantal opdrachten uitgevoerd voor het leesdossier. De eerste daarvan was het schrijven van een leesautobiografie. Nu moet er nog een balansverslag komen met een evaluatie van je leeservaring van de afgelopen jaren. Wanneer je die naast het document uit de vierde klas legt, valt daaraan (hopelijk) een bepaalde ontwikkeling af te lezen. Het balansverslag moet je tegelijk met het leesdossier inleveren. Dit balansverslag moet een serieuze terugblik zijn op drie jaar literatuuronderwijs en moet dan ook minimaal één A4 tje lang zijn. Je maakt dit balansverslag in TIOA bij het onderdeel zelfportret. Aanwijzingen voor een goed balansverslag staan op pag. 387 van Dautzenberg. Zoals je weet, is ook het naar behoren maken van een aantal opdrachten in je werkboek bij Dautzenberg, Literatuur een voorwaarde voor het mogen doen van eindexamen. De hoofdstukken uit de vierde en vijfde klas zijn afgewerkt. Aan het eind van de lesreeks over Dautzenberg, hoofdstuk 9 en 11 moeten de verplichte werkboekonderdelen worden afgetekend. Hetzelfde geldt voor de hoofdstukken 13 en 15 later dit schooljaar. Ter controle van jullie en ter voorbereiding voor ons is het mogelijk dat we eens in de zoveel tijd een update willen van jullie gelezen boeken, maak dus zo snel mogelijk een bestandje aan waarin je de gelezen boeken noteert. Het leesdossier moet helemaal in tweevoud in worden ingeleverd in week 5/2016. Zorg a.u.b. voor twee gevulde mapjes volgens onderstaande instructie (een voor de examinator en een voor de gecommitteerde). Wordt het leesdossier niet op tijd of niet volgens instructie ingeleverd, zorgt dit voor 0.5 pnt aftrek van het MEcijfer. (Docent maakt zelf een afspraak met de klas voor een bepaalde dag in week 5/2016) Indien je géén eigen samengesteld leesdossier inlevert, ben je verplicht om mondeling examen te doen op basis van een door de docent samengesteld leesdossier. INHOUD LEESDOSSIER Het ingeleverde leesdossier (= twee identieke snelhechtmappen: één voor de examinator en één voor de gecommitteerde) bevat de volgende onderdelen in de aangegeven volgorde: titelpagina met naam en klas inhoudsopgave een lijst met auteurs en titels van de voor het thematische dossier gelezen werken in een lijst met auteurs en titels van de zes gelezen werken uit de periode 1885heden, in chronologische volgorde, volgens de opgegeven titelbeschrijving (zie Model voor het maken van een boekbespreking), gelezen in klas 6 een recensie naar keuze uit LiteRom (niet de klassikaal te lezen roman betreffend) een lijst met dichter(s) en titels van de gekozen gedichten. Dichters in alfabetische volgorde noteren. kopieën van de twaalf gekozen gedichten balansverslag het ingevulde controleschema
HET MONDELING EXAMEN Gedurende ongeveer 25 minuten zul je een gesprek voeren over je literatuurlijst. Aan de orde komen een of meer gedichten van het poëzienummer en een aantal van de zes romans. Bij de bespreking van deze onderdelen maken we gebruik van de terminologie uit de instructie Verhaalanalyse en de poëziehoofdstukken uit Dautzenberg. Dat zijn voornamelijk de even hoofdstukken. Je wordt beoordeeld op de volgende onderdelen: vloeiend spreken verwoorden van je mening de verhaalinhoud terminologie mbt verhaalanalyse plus de invulling ervan de auteur en zijn tijd gedichteninhoud plus terminologie plus invulling eventuele extra s = bonus TIP: maak van je boeken een verslag volgens de instructie Model voor het maken van een boekbespreking, net als in. Alle onderdelen van dit model komen tijdens het mondeling examen aan bod. Veel succes!
MODEL VOOR HET MAKEN VAN EEN BOEKBESPREKING A TITEL noteren als volgt: 1 e regel: achternaam van de auteur in hoofdletters, voorletter(s) van de auteur, titel (onderstreept) 2 e regel: uitgever, plaats van uitgave, jaar van uitgave, druk (aangegeven in superscript) 3 e regel: jaar van uitgave van de oorspronkelijke druk, aantal pagina s Voorbeeld titelbeschrijving: BORDEWIJK, F. Karakter Wolters Noordhoff b.v., Groningen, 1992 oorspronkelijke druk 1938, 237 pagina's Wanneer het gaat om een poëziebundel: M. NIJHOFF, Clown In: M. Nijhoff, Verzamelde gedichten Bert Bakker/Daamen N.V., Den Haag, 1964, pag. 31 oorspronkelijke druk 1916, 1 pagina B INHOUD De handeling moet kort kunnen worden samengevat. C KARAKTERISTIEK Aan de orde komen achtereenvolgens onderstaande aspecten. De gebruikte begrippen worden verklaard in de instructie Verhaalanalyse (zie voor uitleg Dautzenberg) 1 Vertelde tijd en tijdsverloop (Chronologisch? In welke tijd speelt het verhaal zich af?) 2 Geleding (Hoe zit het boek in elkaar? Zijn er hoofdstukken? Zijn de hoofdstukken genummerd? etc.) 3 Motieven Er zijn altijd structurele motieven te vinden, motieven dus die binnen het verhaal een rol spelen. Daarnaast komen soms literairhistorische en/of leidmotieven voor. Noem de motieven, geef met citaten de bewijzen en leg de functie uit. 4 Thema (+ toelichting; waar gaat het boek nu eigenlijk echt om?) 5 Perspectief en vertelsituatie (Effect ervan? Citaat ter onderbouwing geven.) 6 Personen Uiterlijk? Karaktereigenschappen? Relaties onderling?) 7 Ruimte Waar speelt verhaal zich allemaal af? Effect van die ruimtes? Nut?) 8 Titel + Motto + Opdracht Geef een verklaring van de titel. Als er een motto is, moet dat worden vermeld en verklaard. Het motto staat veelal in verband met het thema. Als het boek aan iemand is opgedragen, moet die opdracht worden overgenomen en toegelicht. 9 Genre en subgenre Geef zo nauwkeurig mogelijk aan wat voor soort werk het is. Beredeneer met behulp van inhoudelijke kenmerken en vormkenmerken waarom het werk tot dat genre behoort. 10 Gegevens over de schrijver Geboorte en eventueel sterfdatum. Andere publicaties. Biografische bijzonderheden. Behandel ook de vraag of biografische elementen een rol spelen in het verhaal. Noteer gegevens over de schrijfstijl van de schrijver. 11 Stroming Ga met behulp van achtergrondliteratuur en je literatuurboek na tot welke stroming de auteur gerekend wordt, waardoor die stroming gekenmerkt wordt en in hoeverre het besproken werk die kenmerken vertoont. 12 Overige bijzonderheden Noteer dingen die je om de een of andere reden zijn opgevallen, bijv. verband boek/gedicht/film, bijzonderheden rondom ontstaan boek of uitgave ervan, vergelijking boek/film, interview schrijver over zijn ideeën enz enz enz 13 Oordeel/Mening Formuleer zo duidelijk mogelijk je mening over het boek. Zie de instructie Oordeelsvorming uit de vierde klas; gebruik structurele, realistische, morele, emotionele, stilistische en vernieuwingsargumenten. Vergelijk jouw mening met recensies van en vergelijk jouw mening daarmee. Ben je erdoor aan het denken gezet? Raadpleeg bijv. LiteRom. Ga naar internet > favorieten > databanken > LiteRom. Alleen beschikbaar via schoolcomputers. 14 Bronnen gebruik je om bovenstaande gegevens te achterhalen. Welke bronnen? *Start met je eigen literatuurboek Dautzenberg. *Raadpleeg daarnaast ook Literom en de uitrekselbank. *Vraag advies in de mediatheek of in je eigen bibliotheek.
Controleschema mondeling examen Titel Auteur Eerste druk Sterren Jaarlaag 1 (1981heden) 2 (1981heden) 3 (1981heden) 4 De donkere kamer van Damokles W.F. Hermans 1958 (19411980) klas 6 ** 5 (18851920) klas 6 6 (19211940) klas 6 7 (19411980) klas 6 8 (1981heden) klas 6 9 (1981heden) klas 6