Naam: Datum: / / Klas: 4 De vierkante meter m² De vierkante decimeter dm² Opdrachten Oppervlakte Naam: Nr. Wat? moetje of magje? In groep of per twee Klaar? Leuk of niet zo leuk? 1 Bedekken van een oppervlak MOETJE groep 2. Schatten en meten van oppervlaktes MOETJE Groep 3. Is een vierkante meter altijd vierkant MOETJE Groep 4. Is een vierkante meter altijd vierkant MOETJE Groep 5. Hoe groot is 1 m²? MOETJE Groep 6. Hoe groot is 1 dm²? MOETJE Groep 7. We spelen een spel! MAGJE Groep 8. Computeropdracht: Opdracht 4.3 MAGJE Per twee 9. Memory MAGJE Per twee 1
Opdracht 1: Bedekken van een oppervlak. A. Bedek één bank eerst met bierviltjes, dan met vouwpapier, met tekenpapier en dan met schriften. Hoeveel heb je van elk (ongeveer) nodig? bierviltjes tekenpapier blaadjes vouwpapier schriften B. Moet je de volledige bank bedekken om het aantal bierviltjes, te achterhalen? Leg uit! C. Kruis aan wat juist is. Van welk blad heb je er het meeste nodig om de bank te bedekken? bierviltjes blaadjes vouwpapier tekenpapier schriften Waarom? Hoe groter het materiaal, hoe meer je ervan nodig hebt. Hoe kleiner het materiaal, hoe meer je ervan nodig hebt. 2
Opdracht 2: schatten en meten van oppervlaktes. 1. Schat de lengte en breedte. Hoeveel stappen gaan in de lengte? Hoeveel in de breedte? Bereken de oppervlakte: lengte x breedte. 1 m 2. Meet de lengte en de breedte met het meetwiel. Bereken de oppervlakte: lengte x breedte. Voorwerp/ruimte Stuk plastic oppervlakte Ik schat: L: m B: m Opp.: Ik meet: L: m B: m Opp.: Gang L: m B: m Opp.: L: m B: m Opp.: speelplaats L: m B: m Opp.: L: m B: m Opp.: 3
Opdracht 3: is een vierkante meter altijd vierkant? A - Neem één vierkante meter. Leg hem open op de tafel. - Verdeel de vierkante meter in twee gelijke helften. Zie tekening. - Knip de vierkante meter in de helft. - Maak met de twee helften een lange rechthoek. - Maak een schets van de rechthoek. - Schrijf de afmetingen bij de schets. schets: B. Los op. Welke figuur heeft de grootste oppervlakte? het vierkant de rechthoek ze hebben beide dezelfde oppervlakte. Is een vierkante meter altijd een vierkant? ja nee 4
Opdracht 4: is een vierkante meter altijd vierkant? A - Neem één vierkante meter. Leg hem open op de tafel. - Teken een diagonaal. Zie tekening. - Knip de vierkante meter in de helft via een diagonaal. - Maak met de twee helften een grote driehoek. - Maak een schets van de driehoek. - Schrijf de afmetingen bij de schets. schets: B. Los op Welke figuur heeft de grootste oppervlakte? het vierkant de driehoek ze hebben beide dezelfde oppervlakte. Is een vierkante meter altijd een vierkant? ja nee 5
Opdracht 5: hoe groot is 1 m²? Hoeveel kinderen kunnen op één vierkante meter staan? Hoeveel leerlingen kun je inpakken met een doek van 1 m²? Kan je jezelf helemaal bedekken met een doek van 1 m²? ja / nee Welk voorwerp in de klas heeft een oppervlakte van ongeveer 1 m²? Hoeveel dm² heb je nodig om 1m² te bedekken? (controleer door het doek van 1m² te beleggen met de blaadjes) Opdracht 6: hoe groot is 1 dm²? Kan je met één voet op een tegel van 1 dm² staan? Kan je met beide voeten op een tegel van 1 dm² staan? Hoeveel handen heb je nodig om 1 dm² te bedekken? Kan je jezelf helemaal bedekken met een doek van 1 dm²? ja / nee Welk voorwerp uit de klas kan je bedekken met een papier van 1 dm²? 6
Benodigdheden: Spelbord, pionnen voor elke speler, stift voor elke speler, antwoordboekje. Spelregels - Alle spelers kiezen een pion en een stift. - De spelers zetten hun pion op start. (Je mag kiezen welke start.) Eén speler speelt niet mee. Hij/zij is controleur. De controleer is de enige die in het antwoordboekje mag kijken. - De speler met de langste haren mag het spel beginnen. Hij/zij gooit met de dobbelsteen en zet zijn pion het gegooide aantal ogen vooruit. - Er zijn vier soorten vragen: een vraag over inhoud, oppervlakte, gewicht of lengte. - Elk vakje heeft een kleur die aanduidt over welk soort vraag het gaat. - De speler lost de vraag op. De controleur controleert of de oplossing juist is. Indien de oplossing juist is, mag de speler het vakje op het spelbord inkleuren met zijn stift. - Indien een speler op de bom komt, moet hij naar start terugkeren. - Als antwoorden op het spelbord bedekt zijn, telt elke speler de kleuren op het spelbord. De speler met het meeste aantal gekleurde vakjes op het spelbord is gewonnen. Bijvoorbeeld. Jan gooit 3 ogen. Hij zet 3 stappen vooruit en komt op de hand terecht. Bij het vakje staat een oranje bolletje. Jan moet dus raden welke oppervlakte de binnenkant van een hand heeft. Hij zegt 1 dm². De controleur controleert. De oplossing is juist. Jan mag het vakje van 1 dm² inkleuren. 7
Een oppervlak dat ongeveer evenveel plaats inneemt als een zijbord. = je mag geen meetinstrument gebruiken. Je kan een lengte schatten door na te gaan hoeveel passen in de lengte gaan. Één stap is ongeveer een meter groot. = je mag een meetinstrument gebruiken. In deze les gebruik je een meetwiel, een lintmeter, een meterstok. = Dit gebruik je om een afstand te meten. = de langste zijde = de kortste zijde = dit is de plaats dat een vlak inneemt. = de totale lengte van de buitenzijde van een vlak. Een voetbalveld is ongeveer 5000m²groot. De lengte is 120 m. De breedte 70 m. 120 m en 70 m zijn de afmetingen van het voetbalveld. = een stok van één meter lang. = een tekening die niet nauwkeurig hoeft te zijn. = dit is een meetinstrument. 8
Een vierkante meter Schatten meten Meetwiel Lengte Breedte Oppervlakte Omtrek Afmetingen. Meterstok Schets. Lintmeter 9
Oplossingen memory Vierkante meter Een oppervlak dat ongeveer evenveel plaats inneemt als een zijbord. Schat = je mag geen meetinstrument gebruiken. In deze les moet je een afstand schatten. Dit doe je door te denken aan een afstand waarvan je weet hoe lang dat ze is. Meet = je mag een meetinstrument gebruiken. In deze les gebruik je een meetwiel, een lintmeter, een meterstok. Meetwiel = Dit gebruik je om een afstand te meten. Lengte = de langste zijde Breedte = de kortste zijde Oppervlakte = dit is de plaats dat een voorwerp inneemt. Omtrek = de totale lengte van de buitenzijde van een voorwerp. Afmetingen Een voetbalveld is ongeveer 5000m²groot. Meterstok = een stok van één meter lang. Schets = een tekening die niet nauwkeurig hoeft te zijn. De lengte is 120 m. De breedte 70 m. 120 m en 70 m zijn de afmetingen van het voetbalveld. Lintmeter = dit is een meetinstrument. 10
Naam: Datum: / / Klas: 4 HUISTAAK Maak je eigen vierkante meter! Stappenplan: 1. Neem een oude krant, een schaar, een meetlint en plakband. 2. Plak enkele krantenbladen aan mekaar. 3. Teken daar een vierkante meter op en knip uit. 4. Plooi de vierkante meter netjes op en neem hem mee naar school. 11
Oppervlakte Algemene domeinoverschrijdende doelen bij deze taak: DO 4 b, c DO 5 c DO 7 a, c, j, k DO 8 a, b, c, d DO 9 (GOK-doel!) DO 10 (GOK-doel!) DO 11 a, d, e, f Opdracht 1: MR 1: MR 9: MR 12 MR 35 DO c1 en 3 b,e Opdracht 2: MR 13 MR 35 MR 36 MR 42 Opdracht 3 en 4: MR 39 MR 7 Opdracht 5: MR 37 MR 48 Opdracht 6: MR 7 12
Materiaal Het materiaal dat onderlijnt is, dient elk zelf klaar te leggen voor de activiteit. Het andere materiaal is aanwezig in de school. Opdracht 1: Bierviltjes, blaadjes vouwpapier, tekenpapier, schriften Opdracht 2: Stuk plastic, meetwiel, bordlat Opdracht 3 en 4: papieren vierkante meters (huiswerk), schaar, lintmeter, meterstok, stift. Opdracht 5: - Vierkante meter van stof - 100 blaadjes van 1 dm² (elke klas laat de kinderen twee dm² uit een tekenblad knippen. De blaadjes worden verzameld en worden gebruikt in deze activiteit) Opdracht 6: 4 blaadjes van dm². Magjes: Opdracht7: Spelbord, pionnen, oplossingenboekje Opdracht 8: 2 Computers + opdracht Opdracht 9: Memory (zelf lamineren) Organisatie De kinderen worden verdeeld in 5 of 6 homogene groepjes. (Er zitten maximum 4 kinderen in elk groepje) De kinderen werken aan de MOETJES. Als de moetjes af zijn (of er een moet-opdracht bezet is die ze nog moeten maken), werken ze aan de magjes. Vooraf worden de opdrachten gelezen, toegelicht en afspraken gemaakt. (Meten op de gang en speelplaats rustig werken, geen lawaai) Bij opdracht 2 vooraf de maateenheid (m²) aanvullen op het werkblad. De activiteit gaat in de klas door. 13