Voorbereidingen: In de winter van 1943-1944 werd gewerkt aan de bouw van geprefabriceerde drijvende havens - een les die was getrokken uit de commandooverval op Dieppe in 1942, die vele mensenlevens had gekost - en van invasievaartuigen. Tegelijkertijd werden legeroefeningen gehouden. Op 24 december 1943 werd generaal Eisenhower benoemd tot opperbevelhebber van alle geallieerde troepen in Europa en werd generaal Montgomery verantwoordelijk gesteld voor de tactische coordinatie van de grondtroepen (de 21 ste legergroep) die bij Operatie Overlord waren betrokken. Op 6 maart 1944 begonnen de luchtaanvallen die ten doel hadden de Franse spoorwegen lam te leggen, nadat het Franse verzet al de nodige vernielingen had aangebracht. In het voorjaar van 1944 had maarschalk Rommel verdedigingswerken laten aanbrengen langs de stranden en in het gebied daarachter. Deze verdedigingswerken moesten dus bij de landing eerst uit de weg worden geruimd door tanks als bulldozers te gebruiken of kikvorsmannen in te zetten Bevelhebbers tijdens de invasie van Normandië: Generaal Dwight Eisenhower (1890-1969) was de geallieerde opperbevelhebber bij Operatie Overlord. Hij was erbij toen de Duitse capitulatie op 8 mei 1945 in Berlijn werd getekend. Vervolgens werd Eisenhower van 1953 tot 1961 president van de Verenigde Staten. Generaal George Patton (1885-1945) voerde het bevel over het 3de Amerikaanse leger. Na de doorbraak bij Avranches veroverden zijn eenheden Bretagne en het Bekken van Parijs, namen deel aan de verdediging van Bastogne tijdens het Ardennenoffensief en rukten ten slotte tot Bohemen op. Generaal Omar Bradley (1893-1981) voerde het bevel over de Amerikaanse aanvalstroepen b j de landing. Hij trok vervolgens met zijn manschappen vanuit Bretagne dwars door Europa naar de Elbe op. Generaal Bernard Montgomery (1887-1976) voerde het bevel over de landstrijdkrachten b j de landing van de geallieerden. Daarna leidde h j de noordelijke vleugel van de 21 e Britse legergroep door Nederland en Denemarken op weg naar de Baltische zee. Generaal Philippe de Hauteclocque (1902-1947), beter bekend als Leclerc. was bevelhebber van de 2e pantserdivisie van de Vrije Franse Strijdkrachten. Hij landde op 1 augustus op Utah Beach en voerde zijn divisie van de Cotentin naar Colmar, waarbij h j onderweg Parijs bevrijdde. Veldmaarschalk Erwin Rommel (1891-1944) was de opperbevelhebber van de Duitse strijdkrachten langs de kust van de Noordzee en de Atlantische Oceaan en voerde het bevel over de legergroep. Hij raakte gewond op 17 juni, werd verdacht van deelname aan een samenzwering tegen Hitler en pleegde op 14 oktober 1944 zelfmoord. 1
1 Eerste week van de invasie Oorspronkelijk was D-day gepland op 5 juni, maar door het slechte weer moest de operatie 24 uur worden uitgesteld. In de eerste ochtenduren van 6 juni 1944 sloegen grondtroepen uit Groot- Brittannië en de Commonwealth bruggenhoofden bij Sword, Juno en Gold en sloten zij zich snel aan bij de luchtlandingstroepen die verder naar het oosten waren geparachuteerd. De Amerikanen, die op Omaha Beach landden, konden zich pas bij hun luchtlandingstroepen aansluiten na de verovering van Carentan op 12 juni. Slaan van een bruggenhoofd - Er werden gestage, maar niet overal even grote vorderingen gemaakt. De Amerikanen stonden voor Caumont op 13 juni. De Britten en Canadezen werden op 7 juni door hevige gevechten opgehouden bij Tilly-sur- Seulles, 6 km ten noorden van Caen, en braken pas op 20 juni door (het dorp ging zo'n twintig keer van de ene in de andere hand over). Zoals Montgomery al had voorspeld, werd het gebied rond Caen het hoofdscharnier van de hele frontlinie. 2
2 Schiereiland van de Cotentin afgesneden en Cherbourg veroverd De Amerikanen zetten de aanval op de Cotentin op 13 juni in en veroverden het schiereiland definitief met de inname van Barneville op 18 juni. Daarna trokken zij verder naar het noorden om Cherbourg aan te vallen, dat op 26 juni in hun handen viel, een overwinning die de geallieerde aanvoerlijnen veilig stelde. 3 Slag bij de Odon en de verovering van Caen Op 26 juni begon een zware strijd, die een hele maand zou duren, om stroomopwaarts van Caen de Odon over te steken en heuvel nr. 112 te veroveren. Om Caen te veroveren, besloot Montgomery tot een omtrekkende beweging vanuit het zuidwesten. Het stadsgedeelte op de linkeroever werd vanuit het westen en noordoosten met een grote troepenmacht aangevallen. Caen viel op 9 juli. Voorbereiding op de doorbraak Laten wij zo veel mogelijk vijandelijke divisies zien te houden aan onze oostflank. tussen Caen en Villers-Bocage, en de westflank van de legergroep in een grote omtrekkende beweging naar het zuidoosten brengen, om zo de terugtocht van de Duitse divisie af te snijden,' zo luidde begin juli een bevel van Montgomery. Oorlog tussen de hagen Voor de Amerikaanse soldaten van 1944 kan de Cotentincampagne - het oprukken naar Cherbourg en de Slag bij St-Lô - worden samengevat in de woorden 'oorlog tussen de hagen. Een landschap van groene hagen en holle wegen, zoals Normandië dat heeft, was de Amerikanen onbekend en vormde een onplezierige verrassing voor de troepen. Voor een defensieve oorlogvoering en guerrillatactieken bood het terrein echter oneindig veel mogelijkheden. Moderne wapens konden hier nauwelijks worden gebruikt: zware granaten hadden vrijwel geen effect op de met bomen begroeide wallen, die ideale natuurlijke antitankbarrières bleken; de wegen waren nauwelijks breed genoeg voor pantserwagens en alleen infanteristen konden successen behalen in deze 'hel van hagen'. De strijd tegen onzichtbare vijanden was een uitputtingsslag; het was al een overwinning om een veld of een boomgaard over te steken. Slechts langzaam werden er vorderingen gemaakt, waarbij de afgelegde afstand dikwijls in het aantal hagen werd uitgedrukt. 3
Het terrein moest zijn schoongeveegd voordat de tanks in actie konden komen. Om deze zo goed mogelijk te laten opereren, bedacht een Amerikaanse sergeant een systeem waarbij een scherp stuk staal als een soort ploeg aan de voorkant van iedere tank werd bevestigd. 4 5 Slag om St-Lô Geconfronteerd met hevig verzet van de Duitse kant begon het 8e Amerikaanse legerkorps op 3 juli een offensief in de richting van het knooppunt van wegen bij St-Lô, om op die manier een betere positie te bemachtigen voor de grootschalige operaties die nog moesten volgen. Er werd hevig gevochten om La Hayedu-Puits en Mont Castre en in dit gebied moesten de troepen vanwege het coulisselandschap hun tactieken aanpassen. St-Lô viel op 19 juli en de Amerikanen verschansten zich achter de lijn Lessay- Périers-St-Ló. Rond Caen werd op dat moment weinig vooruitgang geboekt. De poging om een doorbraak te forceren naar het zuidwesten van de stad liep op 19 juli spaak in de sector Bourguébus. Gedurende de week van 19 tot 25 juli, waaraan geen einde leek te komen, werden de operaties aan alle fronten opgeschort als gevolg van het slechte weer. De doorbraak: Operatie Cobra Op het middaguur van 25 juli ging het 7e korps na een hevig luchtbombardement ten westen van St-Lô tot de aanval over en kwam het 8 ste korps in actie tussen Périers en Lessay. Op 28 juli reden de geallieerde pantsereenheden ver de hoofdwegen, waarbij ze grote omtrekkende bewegingen maakten. Coutances viel op 28 juli, Granville en Avranches volgden op 31 juli. Op 1 augustus nam generaal Patton het bevel over het 3 de Amerikaanse leger en startte een bliksemoorlog. Het 8 ste korps rukte op naar Bretagne (Rennes viel op 4 augustus en Nantes op 12 augustus), terwijl het 15 de korps en de Franse 2 de pantserdivisie onder generaal Leclerc op 9 augustus snel in oostelijke richting oprukten naar Laval en Le Mans. 4
6 Uitval ten zuiden van Caen Frankrijk De Landingen Montgomery ondersteunde deze operaties door het 1 ste Canadese leger onder generaal Crerar te laten oprukken tot de weg van Caen naar Falaise, aan de oostgrens van het front. De Britse divisies, die vanuit Caumont en VillersBocage op 5 augustus naar het zuidoosten trokken, lieten de laatste verdedigingsljn op de westoever van de Orne sneuvelen. 7 Slag bij de Duitse enclave Falaise-Mortain Toen de achterhoede van het 7 de Duitse leger door het Amerikaanse 15e korps werd bedreigd en aan de noordkant de Britse strijdkrachten oprukten, gaf Hitler zelf bevel tot een tegenoffensief om de bevoorradingslijnen van het Amerikaanse 3 de leger af te snijden door het knelpunt bij Avranches in handen te krijgen. In de nacht van 6 op 7 augustus lanceerde het 7 de Duitse leger een tegenaanval in het westen, in de buurt van Mortain. Al bij het krieken van de dag bracht de geallieerde luchtmacht de Duitsers zware schade toe. Na een week van zware gevechten trokken dezen zich op 12 augustus in oostelijke richting terug. Ondertussen trok de 2 de Franse divisie noordwaarts vanuit Le Mans, nam Alencon in op 12 augustus; op 13 augustus sneden zij de weg tussen Parijs en Granville bij Écouché af. De Canadezen, die tussen 9 en 14 augustus door de Duitsers werden tegengehouden bij de rivier de Lajson, vielen op 17 augustus Falaise binnen. Toen zij zich op 19 augustus bij Chambois bij de Amerikanen voegden, zat het 7 de Duitse leger ook aan de noordkant in de tang, hetgeen leidde tot overgave van dat leger in Tournai-sur-Dives. Op 21 augustus, bij het invallen van de duisternis, was Normandië in geallieerde handen. In de strijd waren in totaal 640 000 Duitse soldaten gesneuveld, gewond of gevangengenomen. 5
WEDEROPBOUW Omvang van de verwoestingen: Frankrijk De Landingen Net als Groot-Brittannië, maar in tegenstelling tot vele andere streken in Frankrijk en Europa, had Normandië eeuwenlang geen enkele invasie gekend. Het was sinds de godsdienstoorlogen in de 16 de eeuw voor verwoestingen gespaard gebleven en de steden waren dan ook nauwelijks veranderd in de tussentijd. De Duitse invasie van 1940 en de luchtbombardementen en militaire operaties van 1944 brachten enorm veel schade toe aan vr jwel alle grote Normandische steden, zoals Rouen, Le Havre, Caen en Lisieux. Voor 586 van de 3400 Normandische gemeenten werden plannen uitgewerkt om te voldoen aan de eisen van de moderne tijd. zoals het toenemende autobezit en daarmee het drukkere stadsverkeer. Ook werd rekening gehouden met de veranderende inzichten ten aanzien van de sociale woningbouw. Stadsplanning en herbouw: Door de moderne stadplannjng maakten nauwe, kronkelende hoofdstraten plaats voor brede, rechte doorgangswegen, die geschikt zij voor het groeiende verkeersaanbod. Er werden plantsoenen, parken e parkeerterreinen aangelegd, huizen, flats en kantoren gebouwd. Dorpen en stede kregen opnieuw een eigen karakter. Huizen op de Normandische laag- en hoogvla worden weer opgetrokken in kalksteen, en in de bosgebieden worden zandsteen graniet en baksteen in combinatie met moderne materialen gebruikt. Talrijke historische monumenten waren beschadigd, maar de meeste daarvan zijn gerestaureert en komen nu zelfs beter tot hun recht doordat er weer ruimte omheen is. 6