College 1: Algemene inleiding: Het vak goederenrecht omvat veel stof; deze kan vanwege de beschikbare tijd niet uitvoerig in de lessen behandeld worden. Ook de jurisprudentie zal niet uitvoerig aan de orde komen, maar slechts daar waar het in de lesstof past. Veel zal daarom zelf moeten worden gedaan en de bijeenkomsten dienen vooral om de grote lijnen in de stof aan te geven, om vraagstukken te oefenen en om vragen te beantwoorden. Deze leidraad dient om bij de bestudering van de stof te helpen; deze dient niet als een vervanging voor het boek; bestudering van het boek is derhalve een absolute noodzaak om het tentamen te kunnen halen. Maak bij het bestuderen ook veelvuldig gebruik van de wetteksten; het nederlands recht is modern en de oplossing van veel vraagstukken kan worden gevonden door een zorgvuldige lezing van de wettekst. Verder krijg je ook op deze manier een beter inzicht in de structuur van de wet, waardoor de diverse onderwerpen makkelijker terug te vinden zijn. Korte handleiding bijeenkomst 1. (inleiding goederenrecht) Vindplaatsen goederenrecht: Boeken 3 en 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Boek 3: algemeen vermogensrecht; boek 5: zakelijke rechten Basisbegrip boek 3: goederen Hieronder vallen: zaken en vermogensrechten Kenmerk goederenrecht: verhouding persoon-goed; het gaat doorgaans om (absolute) rechten, die tegen iedereen kunnen worden gehandhaafd. Kenmerk verbintenissenrecht: verhouding persoon-persoon; deze rechten kunnen alleen tov de betreffende persoon worden gehandhaafd. Beide rechtsgebieden zijn nauw met elkaar verbonden. Plaats goederenrecht: maakt deel uit van het privaatrecht (= objectief recht) Dat bestaat weer uit het vermogensrecht, personen- en familierecht, erfrecht en rechtspersonenrecht. Het vermogensrecht bestaat dan weer uit het goederen- en verbintenissenrecht. Goederenrechtelijke rechten (gdr): Absolute rechten: kunnen tegen iedereen gehandhaafd worden ( goederenrechtelijke rechten en rechten op voortbrengselen van de geest) Relatieve rechten: verlenen een recht tov een persoon (verbintenissenrecht) (zie arrest HR Blaauboer-Berlips W 8191) Onderverdeling gdr: Volledige rechten: eigendom
Beperkte rechten: vruchtgebruik, hypotheek Als zij op een zaak (kunnen) rusten heten zij ook zakelijke rechten Waar gaat het goederenrecht over? Dat zijn de vragen: welke posities kun je innemen ten opzichte van goederen (b.v. eigendom, bezit), wat is de inhoud van die posities en hoe wijzigt een rechtspositie. Verdeling over de wetboeken 3 en 5: Boek 3: algemeen vermogensrecht: rechten, die zowel bestaanbaar zijn op zaken als op vermogenrechten. Boek 5: zakelijke rechten: rechten, die uitsluitend betrekking hebben op zaken. Boek 6: verbintenissenrecht Belangrijk is om een vraagstuk te kunnen plaatsen in het wetboek en de betreffende artikelen snel te kunnen vinden.. Gelaagde structuur: Definitie: een ordening van regels op basis van het principe van algemeen naar bijzonder. Voorbeeld: titel 3.9 afd 1 (pand/hypotheek) is slechts van toepassing voor zover afdeling 3.9.2-3 (pand) en 3.9.4 (hypotheek) niet van toepassing zijn. Belangrijk aspect: schakelbepalingen. Definitie: regels, die een complex van regels van overeenkomstige toepassing verklaren buiten het complex, waarvoor zij rechtstreeks gelden. Belangrijk voor het goederenrecht is 3:98 BW. (maar zie ook 6: 216) De gelaagde structuur kan ook worden uitgelegd in de opbouw van rechten (eigendom, erfpacht, hypotheek) Begrippen: Basis: zie 3.1: Goederen: zaken en vermogensrechten. Zie 3.2: zaken zijn voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten; de rest zijn vermogensrechten. Voortbrengselen van de menselijke geest zijn geen zaken en geen goederenrechtelijke rechten, maar wel absolute vermogensrechten. Vermogensrechten: Zie 3:6: rechten, die afzonderlijk of samen met een ander recht overdraagbaar zijn of ertoe strekken de rechtshebbende stoffelijk (financieel-economisch) een voordeel te verschaffen ofwel verkregen zijnin ruil voor een stoffelijk voordeel in financieeleconomische zin. (recht met vermogenswaarde) Belangrijk zijn derhalve: overdraagbaarheid, stoffelijk voordeel en ruilwaarde. Veel voorkomend: vorderingsrechten, eigendom. Zaken zijn vatbaar voor eigendom: vorderingsrechten behoren toe aan. Eigendom wordt ook vaak vereenzelvigd met de zaak zelf.
Onderscheid bestanddeel-vrucht 3.4 lid 1: onzelfstandige onderdelen van een zaak op grond van een hechte ideële (verkeersopvattingen) of materiële (hechte) band. Een hechte band is in elk geval aanwezig, als er geen afscheiding kan plaatsvinden zonder substantiële schade. Gevolg: bestanddelen volgen de hoofdzaak (bv van belang voor een recht van hypotheek) zie ook 5:3. (natrekking) Natrekkingsregel kan ook worden doorbroken: afscheiding, mandeligheid (5:60), opstalrecht (5:101). Vrucht (3:9 leden 1 en 2): opbrengst van een goed met behoud van de kern van het betreffende goed; zij worden zelfstandig, zodra de verbinding is verbroken/opeisbaar worden. Voorbeelden: fruit, groeten, rente, dividend. Roerende en onroerende zaken Zie 3:3 lid 1: definitie onroerende zaken. Alle overige zaken zijn roerend. Voor de bestanddeelvorming is het wel noodzakelijk, dat er een duurzame verbinding is met de grond. (zie Portacabin arrest; Grafzerkenarrest) Het belang hiervan is groot: onderscheid in vormen van overdracht, waardeaspect, zekerheid e.d. Afhankelijke rechten en nevenrechten Zie 3:7: een afhankelijk recht is een recht dat niet zonder een ander recht kan bestaan (accessoir recht) vb financiering en hypotheekrecht. Belangrijkste rechten: pand, hypotheek, borgtocht, mandeligheid, erfdienstbaarheid. Een afhankelijk recht bestaat in het algemeen slechts zolang het hoofdrecht bestaat en gaan mee over met het hoofdrecht. Zelfstandige beschikking over een afhankelijk recht is niet mogelijk. Nevenrecht: veel afhankelijke rechten zijn ook nevenrechten; nevenrechten zijn ook verbonden aan een hoofdrecht. Zij zijn steeds verbonden aan een vordering en behoeven geen vermogensrecht te zijn. Vb 3:278: voorrecht (bij verhaal) Zie boek blz 40 (no 49) voor voorbeelden. Volledige en beperkte rechten. Definitie volledig recht: eigendom en het toebehoren van vermogensrechten. (zie blz 40/41 boek voor voorbeelden) Beperkt recht 3:8: recht dat is afgeleid uit een meeromvattend recht: deze rechten zijn door de wet limitatief geregeld. Zie voor onderscheid moederrecht-dochterrecht blz 41 boek. Onderscheid beperkte rechten:
Gebruiks- of genotsrechten (bv vruchtgebruik, gebruik en bewoning, erfdienstbaarheid, opstal en erfpacht) en zekerheidsrechten (pand en hypotheek). Is het recht van eigendom belast met een beperkt recht dan spreekt men wel van blote eigendom. Rechten op naam, aan order en aan toonder. Alle rechten, die niet aan toonder of aan order luiden zijn op naam. Hiervoor is geen papier met de naam van de crediteur nodig. Bij toonder of order is een papier vereist en een oder- of toonderclausule moeten opnemen. Belang van dit onderscheid: wijze van overdracht (zie 3:93 en 94) Registergoederen en niet registergoederen. Zie 3:10: registergoederen zijn goederen, voor welker overdracht of vestiging inschrijving (van een akte) in de openbare registers noodzakelijk is. Registergoederen: onroerende zaken, teboekstaande schepen en vliegtuigen, aandelen in een registergoed en beperkte rechten op registergoederen. Dit onderscheid doorkruist het onderscheid roerende en onroerende zaken. Van belang: leveringsformaliteiten, verjaring, bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid. Toekomstige en tegenwoordige goederen Ook toekomstige goederen spelen in het recht een rol: overdracht van toekomstige goederen is mogelijk. Onderscheid: absoluut en relatief toekomstige goederen. Absoluut: goederen bestaan nog niet (een auto die gebouwd moet worden) Relatief: goederen bestaan wel, maar behoren nog niet tot het vermogen van een rechtssubject. Toekomstige vorderingen Onderscheid: enkel en dubbel toekomstige vorderingen. Enkel: een nog niet bestaande vordering uit een al wel bestaande rechtsverhouding. Dubbel: een nog niet bestaande vordering uit een nog niet bestaande rechtsverhouding. Gevolgen onderscheid absolute en relatieve rechten Droit de priorité: Gevolg absolute karakter van deze rechten: Een goederenrechtelijk recht kan alleen ontstaan met inachtneming van een eerder gevestigd recht (nemo plus regel). Anders gezegd: een ouder recht gaat voor het jongere; dit geldt zowel voor volledige als beperkte rechten.
Droit de suite: Een absoluut recht heeft zaaksgevolg: de rechtshebbende kan zijn recht uitoefenen ongeacht onder wie het object zich bevindt. Droit de préférence: Een absoluut recht gaat voor een relatief recht: een recht van erfpacht gaat voor een recht van huur, ongeacht of dit later is gevestigd. Separatisme: Een goederenrechtelijk gerechtigde kan een later gelegd beslag negeren ten opzichte van zijn recht, een relatief gerechtigde niet. Gesloten systeem goederenrechtelijke rechten Het aantal goederenrechtelijke rechten is in de wet dwingend geregeld (gesloten systeem). Ook de inhoud van de rechten is geregeld, behoudens de mogelijkheid om af te wijken. Deze regeling moet dan ook weer in de wettelijke regeling passen. Basis van deze regeling: zie 3:81 lid 1: binnen de grenzen van dat recht. Verder nog van belang: Zie 3:11: invulling van de goede trouw: zie tekst wet Definitie: niet kennen noch behoren te kennen (subjectieve goede trouw) Van belang voor de toepassing van de artikelen 3:86 en 3:88 (derdenbescherming) Dit artikel is de algemene basis voor de invulling van het begrip goede trouw, behoudens afwijkingen hierop (zie bv 3:24 lid 1) De inhoud is deels vast (kennen) en is deels onbepaald (behoren te kennen); dit laatste zal met name afhangen van de omstandigheden en legt ook een zeker risico bij de betrokkene. Zie 3:12: redelijkheid en billijkheid. Speelt een hoofdrol in het verbintenissenrecht en (een kleinere) in het goederenrecht. Heeft aanvullende (matigende) werking en is gebaseerd op algemeen erkende rechtsbeginselen. Zie 3:13: misbruik van bevoegdheden Andere naam: misbruik van recht. Gevolg: een toegekende bevoegdheid mag niet buiten algemeen aanvaarde rechtsbeginselen worden gebruikt. Is onstaan in het goederenrecht, met name bij eigendom. Heeft nu een veel breder terrein.