Sectorfoto van het PC 330 Tweede trimester 2014
COLOFON Dit onderzoeksrapport is een uitgave van de vzw FE.BI. Eindredactie Kristof Dhoore en Laurence Marzucco Redactiecomité Kristof Dhoore, Laurence Marzucco en Cathy De Smet Verantwoordelijke uitgever Cathy De Smet Vzw FE.BI Sainctelettesquare 13-15 1000 Brussel www.fe-bi.org Publicatiedatum Februari 2016 1
De vzw FE.BI overkoepelt een aantal federale en bicommunautaire fondsen voor bestaanszekerheid, behorende tot de paritaire comités van de gezondheidsinrichtingen en diensten (PC 330), de opvoedings- en huisvestingsinstellingen (PC 319) en de socio-culturele sector (PC 329.03). Deze sociale fondsen hebben als hoofdopdracht het creëren van 'werk' of het stimuleren van 'vorming' bij de risicogroepen van de sector. Ze zijn respectievelijk gekend onder de noemer 'maribelfondsen' en 'fondsen risicogroepen'. LEDEN RAAD VAN BESTUUR FE.BI vzw Werkgeversorganisaties: - Dhr. Hendrik VAN GANSBEKE (voorzitter) WGKV, http://www.wgk.be - Mevr. Chantal CASTERMANS FIH, http://www.fihasbl.be - Dhr. Alain CHENIAUX SANTHEA, http://www.santhea.be - Mevr. Aurélie DEBOUNY BECOPRIVE-COBEPRIVE, http://www.cobeprive-becoprive.be - Mevr. Patricia DELDAELE CBI, http://www.cbi-bruxelles.be - Dhr. Olivier DE STEXHE FNAMS, http://www.fnams.be - Mevr. Anke Grooten Sociare, http://www.sociare.be - Mevr. Myriam HUBIN-DAUBY FIH, http://www.fihasbl.be - Dhr. Luc JAMINE VSO, http://www.vso.be - Mevr. Marie-Françoise VAN LIL CCI - Mevr. Veerle Van Roey, Zorgnet-Icuro, http://www.zorgneticuro.be - Mevr. Debbie VERSCHUEREN, Zorgnet-Icuro, http://www.zorgneticuro.be Werknemersorganisaties: - Dhr. Yves HELLENDORFF (voorzitter) CNE, https://cne.csc-en-ligne.be - Mevr. Dominique ANTOINE SETCA-FGTB, http://www.setca.org - Dhr. Jan Piet BAUWENS BBTK-ABVV, http://www.bbtk.org - Dhr. Emmanuel BONAMI CNE, http://www.cne-gnc.be - Dhr. Rik DE JAEGHER LBC-NVK, http://lbc-nvk.acv-online.be - Dhr. Yves DUPUIS SETCA-FGTB, http://www.setca.org - Dhr. Johan FOBELETS LBC-NVK, http://lbc-nvk.acv-online.be - Dhr. Christian MASAI SETCA-FGTB, http://www.setca.org - Dhr. Olivier REMY LBC-NVK, http://lbc-nvk.acv-online.be - Dhr. Mark SELLESLACH LBC-NVK, http://lbc-nvk.acv-online.be - Dhr. Gert VAN HEES ACLVB, http://www.aclvb.be - Dhr. Werner VAN HEETVELDE - AC-ABVV, http://www.accg.be 2
Inhoudstafel 1. Inleiding... 6 2. Inleidend kader... 8 2.1 Bronnen... 9 2.2 Analyseniveaus... 10 2.2.1 Sectorgroepen... 10 2.2.2 De socialprofitsector... 11 2.2.3 Het PC 330 Gezondheidsinrichtingen en diensten... 12 2.3 Omschrijving van de statistische eenheden... 14 2.3.1 Werkgevers... 14 2.3.2 Tewerkgestelde werknemers... 14 2.3.3 Arbeidsbetrekkingen / arbeidscontracten... 15 2.3.4 Arbeidsvolume... 15 2.3.5 Specifieke arbeidsprestaties... 15 3. De socialprofitsector tegenover de totale tewerkstelling... 17 3.1 Werkgeverskenmerken... 19 3.1.1 Het aantal werkgevers... 19 3.1.2 Evolutie van het aantal werkgevers... 20 3.2 Werknemerskenmerken... 21 3.2.1 Het aantal loontrekkende werknemers en het arbeidsvolume... 21 3.2.2 Evolutie van het aantal loontrekkende werknemers in België... 22 3.2.3 Evolutie van het arbeidsvolume in België... 23 3.2.4 De gemiddelde arbeidsduur... 24 3.2.5 Het gemiddeld aantal loontrekkende werknemers en het gemiddeld arbeidsvolume per instelling... 25 3.2.6 Het aantal loontrekkende werknemers naar geslacht... 26 3.2.7 Het aantal loontrekkende werknemers naar leeftijd... 27 3.2.8 Het aantal loontrekkende werknemers naar arbeidsstatuut... 28 3.2.9 Het aantal loontrekkende werknemers naar arbeidsregime... 29 3.2.10 Het aantal loontrekkende werknemers naar grootteklasse... 30 3.2.11 Het aantal loontrekkendewerknemers naar gewest (tewerkstellingsplaats).. 30 3.2.12 Het aantal loontrekkende werknemers naar provincie (tewerkstellingsplaats)31 3
4. PC 330 binnen de socialprofitsector... 33 4.1 Werkgeverskenmerken... 35 4.1.1 Het aantal werkgevers... 35 4.1.2 Evolutie van het aantal werkgevers... 36 4.1.3 Het aantal werkgevers naar grootteklasse... 37 4.1.4 Verdeling van de werkgevers naar gewest (hoofdzetel werkgever)... 38 4.1.5 Verdeling van de werkgevers naar provincie (hoofdzetel werkgever)... 40 4.2 Werknemerskenmerken... 41 4.2.1 Het aantal loontrekkende werknemers en het arbeidsvolume... 41 4.2.2 Evolutie van het aantal loontrekkende werknemers in België... 42 4.2.3 Evolutie van het arbeidsvolume in België... 43 4.2.4 De gemiddelde arbeidsduur... 44 4.2.5 Het gemiddeld aantal loontrekkende werknemers en het gemiddeld arbeidsvolume per instelling... 45 4.2.6 Het aantal loontrekkende werknemers naar geslacht... 46 4.2.7 Het aantal loontrekkende werknemersnaar leeftijd... 47 4.2.8 Het aantal loontrekkende werknemers naar arbeidsstatuut... 48 4.2.9 Het aantal loontrekkende werknemers naar arbeidsregime... 49 4.2.10 Het aantal loontrekkende werknemers naar grootteklasse... 49 4.2.11 Het arbeidsvolume naar gewest (hoofdzetel werkgever)... 51 4.2.12 Het arbeidsvolume naar provincie (hoofdzetel werkgever)... 52 5. De subsectoren van PC 330 België... 54 5.1 Werkgeverskenmerken... 57 5.1.1 Het aantal werkgevers... 57 5.1.2 Evolutie van het aantal werkgevers... 58 5.1.3 Het aantal werkgevers naar grootteklasse... 59 5.1.4 Het aantal werkgevers in de privé sector en de publieke sector... 61 5.1.5 Het aantal werkgevers naar juridisch statuut... 61 5.1.6 Het aantal werkgevers naar gewest (hoofdzetel werkgever)... 62 5.1.7 Het aantal werkgevers naar provincie (hoofdzetel werkgever)... 64 5.2 Werknemerskenmerken... 65 5.2.1 Het aantal arbeidscontracten en het arbeidsvolume... 65 5.2.2 Evolutie van het aantal loontrekkende werknemers... 66 5.2.3 Evolutie van het arbeidsvolume... 67 Bron: Steupunt WSE Gegevens RSZ DmfA 2008-2 tot 2014-2... 68 5.2.4 De gemiddelde arbeidsduur per arbeidscontract... 69 4
5.2.5 Het gemiddeld aantal arbeidscontracten en arbeidsvolume per instelling... 70 5.2.6 Het arbeidsvolume naar geslacht... 71 5.2.7 Het arbeidsvolume naar leeftijd... 72 5.2.8 Jong-oud ratio... 73 5.2.9 Het arbeidsvolume naar arbeidsstatuut... 74 5.2.10 Het aantal loontrekkende werknemers naar arbeidsregime... 75 5.2.11 Het arbeidsvolume naar grootteklasse... 76 5.2.12 Het arbeidsvolume in de privé sector en in de publieke sector... 78 5.2.13. Het arbeidsvolume naar juridisch statuut van de werkgever... 78 5.2.14. Het arbeidsvolume naar gewest (hoofdzetel werkgever)... 79 5.2.15. Het arbeidsvolume naar provincie (hoofdzetel werkgever)... 80 6. Synthese... 83 7. Bijlage... 88 5
Inleiding 1. Inleiding 6
Inleiding Deze publicatie vormt een derde uitgave van de sectorfoto van het paritair comité voor gezondheidsinrichtingen en -diensten (PC 330). Ze beantwoordt aan de wens van de sociale partners uit de private socialprofitsector om aan een breed publiek recente en betrouwbare informatie ter beschikking te stellen rond de tewerkstelling in deze sector. Daarnaast stellen deze gegevens beheerders en verantwoordelijken van de Sociale Fondsen in staat om hun acties beter aan te passen aan de specificiteiten van de sector. Ze vormen eveneens een rijke bron aan informatie voor verschillende partners, zoals de publieke instellingen voor tewerkstelling en opleiding (VDAB, Actiris, FOREM) of de politieke wereld. Tot slot vinden ook instellingen in de sector, hun werkgevers, werkzoekenden, werknemers, studenten, enz. er referenties in om zich een beter begrip te kunnen vormen van de werkelijkheid waarin ze zich bevinden. Om de sector van de gezondheidsinrichtingen en -diensten voor de lezer in zijn bredere context te plaatsen, hebben we deze sectorfoto gestructureerd in 3 delen: 1. Het eerste deel situeert de socialprofitsector tegenover de andere activiteitensectoren in België. Om enigszins coherent te blijven hebben we in onze analyse niet gekozen voor de NACE-code, maar voor het paritair comité als invalshoek; 2. Het tweede deel situeert het PC 330 ten opzichte van de andere PC s in de social profit ; 3. Het derde deel toont een foto van de verschillende subsectoren gegroepeerd onder PC 330 waarvoor de vzw Fe-BI de fondsen beheert. Alle analyses situeren zich op het federaal niveau. Het feit dat in deze sectorfoto werd gekozen voor de invalshoek van de paritaire comités en niet voor de NACE-codes impliceert dat de gepresenteerde gevevens van de non-profit in deze publicatie enkel betrekking hebben op het privaat luik van de non-profit. Zijn publiek luik kan niet gelinkt worden aan de paritaire comités en werd om die reden in de publieke sector ondergebracht. De analyses zijn gebaseerd op de RSZ-gegevens van het tweede kwartaal 2014. Dit trimester wordt beschouwd als de meest geschikte periode om vergelijkingen vast te stellen tussen de verschillende activiteitensectoren. 1 Wij wensen tevens een continuïteit te behouden t.o.v. onze sectorfoto in 2010 en 2012, zodat we een aantal evoluties kunnen analyseren. We gaan hiervoor soms terug tot begin 2008 (moment van overgang van het oude PC 305 naar PC 330,331 en 332). Naast deze sectorfoto wordt er ook een serie sectorfiches gepubliceerd waarin iedere subsector binnen PC 330 wordt voorgesteld (aantal instellingen en werknemers, kenmerken van die instellingen en werknemers, evolutie, enz.). Om de evolutie van de tewerkstelling binnen PC 330 op te volgen en de acties van de verschillende Fondsen aan te passen, wordt er tevens voorzien om deze sectorfoto tweejaarlijks bij te werken en te actualiseren. 1 Ze vermijdt immers periodes met minder werk zoals het bouwverlof, de winterpriode waar het in sommige activiteitensectoren rustiger is, enz. 7
Inleidend kader 2. Inleidend kader 8
Inleidend kader 2.1 Bronnen Deze sectorfoto is gebaseerd op de RSZ-gegevens van het tweede kwartaal 2014, verkregen langs verschillende kanalen: Op de website van de RSZ vindt men een aantal statistische analyses terug per sectorgroep 2 en paritair comité (PC). Deze informatie kan worden geraadpleegd in één van de volgende rubrieken: o Publicaties -> Loontrekkende tewerkstelling o Onlinestatistieken -> Evolutie van de arbeidsplaatsen per paritair comité Bepaalde gegevens die niet beschikbaar waren op de website van de RSZ werden op aanvraag bekomen bij het Steunpunt WSE (Werk en Sociale Economie), die van de RSZ statistische gegevens van de arbeidsmarkt ontvangt en deze bewerkt. Tot slot konden een aantal analyses gerealiseerd worden op basis van gegevens die door de RSZ aan de sector bezorgd worden via de SMALS (op trimestriële basis). Alle gebruikte gegevens in het kader van deze sectorfoto zijn gebaseerd op de DmfA 3 (situatie op het einde van de zevende maand volgend op het verstrijken van het betrokken kwartaal). Op dat moment is het aantal ontbrekende aangiftes minimaal wat de RSZ toelaat om meer gedetailleerde en betrouwbare analyses uit te voeren. U zult evenwel opmerken dat op het niveau van vergelijkbare analyses de gepresenteerde cijfers al naargelang de gebruikte bron licht verschillen. De gecommuniceerde gegevens aan verschillende instanties zijn hoogstwaarschijnlijk door de RSZ niet op hetzelfde moment geregisteerd, maar met een klein tijdsverschil, wat een verklaring zou kunnen zijn voor deze kleine verschillen. 2 De RSZ hergroepeert de paritaire comités in een aantal sectorgroepen op basis van verwante sectoren waarvoor ze van toepassing zijn. 3 De DmfA (Déclaration multifonctionnelle / multifunctionele Aangifte) vervangt de trimestriële RSZ-aangifte sinds het eerste kwartaal van 2003. 9
Inleidend kader 2.2 Analyseniveaus 2.2.1 Sectorgroepen In zijn analyses, hergroepeert de RSZ de paritaire comités (PC) in een aantal sectorgroepen op basis van verwante sectoren waarvoor ze van toepassing zijn : Sectorgroepen RSZ Betrokken PC Bouw 124 Chemie en petroleum 116, 117, 207, 211 Diensten aan ondernemingen en personen 121, 219, 314, 317, 320, 322, 323, 335, 336, 339 Distributie 119, 127, 201, 202, 311, 312, 313, 321 Financiële sector 216, 306, 307, 308, 309, 310, 325 Gas- en elektriciteitsbedrijven 326 Horeca, sport en ontspanning 217, 223, 302, 333, 334 Houtnijverheid 125, 126 Kleding- en textielindustrie 107, 109, 110, 120, 128, 142.02, 148, 214, 215 Land- en tuinbouw, bosbouw en zeevisserij 132, 143, 144, 145, 146 Media, drukkerij en uitgeverijsector 130, 227, 303 Metaalindustrie 104, 105, 111, 112, 142.01, 147, 149, 209, 210, 224 Papier- en kartonnijverheid 129, 136, 142.03, 221, 222 Social profit 152, 225, 304, 305, 318, 319, 327, 329, 330, 331, 332, 337 Steen- en glasindustrie 101, 102, 106, 113, 114, 115, 150, 203, 204, 205, 324 Transport en logistiek 139, 140, 226, 301, 315, 316, 328 Voedingsindustrie 118, 133, 220 Overige sectoren 100, 142.04, 200, 218 Overheid / Geen PC van toepassing 999 Het definiëren van de sectorgroepen op basis van paritaire comités impliceert dat een aantal publieke instellingen die normaal gezien deel uitmaken van de socialprofitsector hier ondergebracht worden in de categorie «Overheid / Geen PC van toepassing». Zo is dit ondere andere het geval voor een aantal ziekenhuizen en rusthuizen met een publiek karakter. De socialprofitsector verwijst hier dus naar het privaat luik van de social profit. Noteer eveneens dat de RSZ de paritaire comités 152 (gesubsidieerde inrichtingen van het vrij onderwijs) en 225 (bedienden van de inrichtingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs) mee opneemt binnen de socialprofitsector. Daarentegen wordt het officieel onderwijs opgenomen in de publieke sector. Om enigszins coherent te blijven werden de PC s 152 et 225 in de meeste analyses van deze sectorfoto dan ook verplaatst naar de categorie «Overheid / Geen PC van toepassing». Om die reden zullen we het ook hebben over «Social profit +» (of SP+) wanneer de weergegeven statistieken rekening houden met deze twee PC s en over «Social profit» (of SP) wanneer er geen rekening mee wordt gehouden. 10
Inleidend kader 2.2.2 De socialprofitsector De RSZ neemt de volgende PC s mee op in de socialprofitsector : PC Beschrijving (zie bijlage voor de officiële benaming) 152 Gesubsidieerde inrichtingen van het vrij onderwijs 225 Bedienden van de inrichtingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs 304 Podiumkunsten 305 Gezondheidsdiensten (overgang naar PC 330, 331 en 332 in 2008) 318 Diensten voor gezins- en bejaardenhulp 319 Opvoedings- en huisvestingsinrichtingen en diensten 327 Beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen 329 Socio-culturele sector 330 Gezondheidsinrichtingen en -diensten 331 Vlaamse welzijns- en gezondheidssector 332 Franstalige en Duitstalige welzijns- en gezondheidssector 337 Andere instellingen uit de non-profitsector Zoals we reeds vermeldden worden de PC s 152 en 225 in de meeste analyses van deze sectorfoto verplaatst naar de categorie «Overheid / Geen PC van toepassing». Omdat het PC 304 voor de podiumkunsten niet wordt vertegenwoordigd door één van de vzw s die de sociale fondsen in de private social profit beheren (FE.BI, APEF, VSPF), werd ze eveneens verwijderd uit een aantal vergelijkende analyses van de verschillende PC s binnen de social profit. Dit is eveneens het geval voor PC 337, waarvan het competentiedomein bepaald wordt door het KB van 14 februari 2008. Deze laatste werd gecreeërd in 2008 en had als doel om de meeste non-profit instellingen die niet thuis hoorden in PC 200 (aanvullend PC voor bedienden) onder te brengen in PC 337. PC 337 herneemt namelijk een lijst instellingen uit de non-profitsector waarvan de activiteiten niet afhangen van een ander PC dat hiervoor competent is. Men vindt er bijvoorbeeld koepels en coördinerende organen (voornamelijk in het onderwijs of in de gezondheidszorg), mutualiteiten, raadgevende organen over sociale economie, privé-scholen (voornamelijk als vzw s), godsdienstige gemeenschappen enz. in terug. Dit paritair comité groepeert aldus een heleboel actieve instellingen rond het thema gezondheid die niet tot het competentiedomein van de PC 330, 331 en 332 behoren. Ten slotte is PC 305 niets anders dan het oude PC voor de gezondheidsdiensten, dat in het eerste trimester van 2008 werd vervangen door de PC s 330, 331 en 332. In deze sectorfoto, zullen we het hebben over «Social profit +» (of SP+) ter verwijzing naar de definitie van de RSZ (met inbegrip van de PC s 152, 225, 304 en 337) ; over «Social profit» (of SP) wanneer we de PC s 152 en 225 niet mee opnemen in de analyse en ten slotte over «Social profit -» (of SP-) wanneer we de PC s 152, 225, 304 en 337 niet opnemen. 11
Inleidend kader 2.2.3 Het PC 330 Gezondheidsinrichtingen en diensten De sector van de gezondheidsinrichtingen en diensten (PC 330) bevat de volgende subsectoren : Subsectoren Kengetallen RSZ Beschrijving (zie bijlage voor de officiële benaming) 330.01.10 025-072-111 Privé-ziekenhuizen en psychiatrische verzorgingstehuizen 330.01.20 311-330 Ouderenzorg 330.01.30 911 Thuisverpleging 330.01.41 511 Revalidatiecentra NL 330.01.42 711 Revalidatiecentra FR+D 330.01.51 522 Initiatieven voor beschut wonen NL 330.01.52 522 Initiatieven voor beschut wonen FR+D 330.01.53 522 Wijkgezondheidscentra NL 330.01.54 522 Wijkgezondheidscentra FR+D 330.01.55 522 Bloeddiensten van het Rode Kruis 330.02 422 Bicommunautaire gezondheidsinrichtingen en -diensten 330.03 430 Inrichtingen voor tandprothesen 330.04 722-735 Residuaire gezondheidsinrichtingen en -diensten Alle subsectoren gegroepeerd onder PC 330 worden vertegenwoordigd door de Fondsen binnen vzw Fe-Bi, met uitzondering van de Inrichtingen voor tandprothesen (330.03). Deze laatste werd bijgevolg ook niet mee opgenomen in de vergelijkende analyses van de subsectoren binnen PC 330. We zullen de term «PC 330» gebruiken wanneer we de subsector van 330.03 opnemen in de cijfers en «PC 330 -» wanneer we PC 330.03 niet opnemen. Noteer dat de subsectoren 330.01.41,.51 et.53 specifiek Nederlandstalige instellingen betreffen en dat het in de subsectoren 330.01.42,.52 et.54 gaat om Franstalige (en Duitstalige) instellingen. In het algemeen worden de subsectoren 330.01.41 et.42 afzonderlijk voorgesteld in de tabellen, maar gegroepeerd gepresenteerd in de grafieken om op die manier een globaal beeld te geven van de situatie van de revalidatiecentra. Dezelfde oefening werd gedaan voor de subsectoren 330.01.51 en.52 (initiatieven voor beschut wonen), en 330.01.53 en.54 (wijkgezondheidscentra). Voor wat betreft de subsector 330.01.55, zal u vaststellen dat hij een bijzonder karakter heeft door zich te richten op één instelling, veeleer dan op een geheel van instellingen. In theorie wordt hij geacht om enkel de bloeddiensten van het Rode Kruis te omvatten, gegroepeerd onder 1 enkele zetel. Hij integreert echter ook 3 andere instellingen die foutief zijn geregistreerd. Bovendien heeft het Rode Kruis tot en met 2010 ook de code 330.01.55 gebruikt om zijn humanitair luik foutief te registreren bij de RSZ. Deze werd in 2011 echter ondergebracht in PC 319; we vinden hem dan ook niet meer terug in subsector 330.01.55. Zoals dit voorbeeld aantoont, hoeft het niet te verbazen dat instellingen hun activiteitensubsector(-en) niet correct identificeren en een foutieve code invullen op hun DmfA. Niettegenstaande de inspanningen die door de sector en de RSZ ondernomen worden om deze fouten recht te zetten, moeten we vaststellen dat een aantal fouten blijven voortbestaan en dat dit bijgevolg een kleine impact heeft op de betrouwbaarheid van de statistieken die hierna volgen. 12
Inleidend kader Drie andere belangrijke onregelmatigheden werden geïdentificeerd: Voor wat betreft de subsector van de privé-ziekenhuizen (330.01.10), zal u in punt 5.1.3 opmerken dat 37 instellingen uit deze subsector minder dan 20 werknemers tellen. Gezien de karakteristieken van deze subsector is dit echter geheel onwaarschijnlijk. Een analyse van onze interne bestanden geeft aan dat het in de meeste gevallen gaat om registratiefouten (hoofdzakelijk van dokters, wijkgezondheidscentra en van initiatieven voor beschut wonen die foutief gecodeerd werden in 330.01.10. Deze fouten zijn vermoedelijk te wijten aan de overgang van PC 305 naar PC 330 en hebben nagenoeg geen impact op de statistieken van het arbeidsvolume en de arbeidsovereenkomsten gezien ze slechts een klein aantal werknemers betreffen. De RSZ telt bovendien 44 instellingen in de subsector van de bicommunautaire gezondheidsinrichtingen en diensten (330.02), hoewel de sociale partners die in het Beheerscomité van dit Fonds zetelen er slechts 24 identificeren. Voor deze subsector moeten de gepresenteerde gegevens dan ook met enige voorzichtigheid beschouwd worden. Ten slotte zou één vijfde van de VTE in de subsector van de revalidatiecentra (330.01.41-42) foutief geregistreerd zijn. Het gaat over alle 11 structuren met meer dan 500 werknemers, waarbij voornamelijk de ziekenhuizen hun revalidatieactiviteiten foutief registreren onder de code 330.01.41-42 in plaats van 330.01.10. De hierboven vermelde RSZ-kengetallen zijn theoretisch gelinkt aan de betrokken subsectoren. In de praktijk kan het echter gebeuren dat werkgevers met een ander kengetal toch bij één van deze subsectoren horen. In het kader van deze sectorfoto werden deze werkgevers niet uit deze analyses geweerd. De werkgevers van de subsector 330.01.10 met kengetallen 072 en 111 worden daarentegen niet mee opgenomen in het derde niveau van deze sectorfoto. De kengetallen 025 4, 072 et 111 komen immers overeen met verschillende types van werknemers die in één en dezelfde instelling kunnen tewerkgesteld zijn. Langs werkgeverszijde worden deze twee kengetallen steeds gecommuniceerd in combinatie met het kengetal 025. Om dubbele tellingen te vermijden, wordt er in de werkgeversstatistieken enkel rekening gehouden met dit laatste kengetal. In de statistieken betreffende de werknemers worden deze 3 kengetallen wel mee opgenomen. 4 Code 025 : vanaf 01/01/2008, werkgevers die ressorteren onder het paritair comité nr. 330 voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten (subsector 330.01.10); zijn bijdrageplichtig aan het "Sociaal Fonds voor de privé-ziekenhuizen"; betreft de privé-instellingen onderworpen aan de wet op de hospitalen van 07/08/1987 en de psychiatrische verzorgingstehuizen (zie ook categorieën 072, 111). Code 072 : categorie uitsluitend voorbehouden voor de aangifte van geneesheren met een beperkte onderwerping : 1) de geneesheren die een opleiding volgen tot specialist en die aangegeven moeten worden door de verzorgingsinstelling waar de opleiding wordt gevolgd (in combinatie met een andere categorie die toegekend wordt aan de gewone werknemers (025) ; 2) vanaf het 3de kwartaal 2009, de geneesheren die een opleiding tot huisarts volgen, aan te geven door het coördinatiecentrum voor de opleiding in de huisartsgeneeskunde. Code 111 : categorie die uitsluitend voorbehouden is voor de aangifte van door het IBF gesubsidieerde contractuelen (waarvoor een toelage verleend wordt door het Interdepartementaal Budgettair Fonds) die tewerkgesteld zijn door ziekenhuizen; steeds in combinatie met de categorie 025 en dezelfde eigenschappen als deze categorie (geraadpleegd op de website van de Sociale Zekerheid in: https://www.socialsecurity.be/lambda/portail/glossaires/bijlagen.nsf/web/bijlagen_home_nl) 13
Inleidend kader 2.3 Omschrijving van de statistische eenheden 2.3.1 Werkgevers Voor de RSZ bestaat de statistische eenheid uit de werkgever die in de loop van het behandeld kwartaal werknemers onderworpen aan de sociale zekerheid ( ) in dienst had. Dit begrip omvat zowel rechtspersonen als natuurlijke personen die, ten aanzien van de wet, de hoedanigheid van werkgever bezitten. 5 Hoewel een werkgever in principe onder één enkel paritair comité valt, volgens het principe "de bijzaak volgt de hoofdzaak", en hoewel het paritair comité wordt bepaald door de hoofdactiviteit van de werkgever, bestaan er echter belangrijke uitzonderingen (oa. indien er verschillende paritaire comités bestaan voor arbeiders en bedienden). 6 Een werkgever kan dus meerdere paritaire comités hebben (bijvoorbeeld een voor zijn arbeiders en een voor zijn bedienden). 7 In de analyses die door de RSZ op hun internetsite werden gepubliceerd, wordt de werkgever één keer geteld voor ieder PC waarvoor hij werknemers bezit die onderworpen zijn aan de sociale zekerheid. De som van het aantal werkgevers per paritair comité bevat dus dubbele tellingen. In de gerealiseerde interne analyses op basis van het bestand dat ons door de RSZ via de SMALS wordt gecommuniceerd, wordt de werkgever slechts éénmaal geteld voor iedere subsector waarvoor hij werknemers bezit die onderworpen zijn aan de sociale zekerheid. Deze 2 verschillende manieren om werkgevers te tellen verklaart voor een deel waarom we in het tweede geval iets meer werkgevers tellen dan in het eerste. 2.3.2 Tewerkgestelde werknemers In deze sectorfoto hebben de gegevens op de website van de RSZ alsook deze van het Steunpunt WSE betrekking op het aantal tewerkgestelde werknemers. Bij de telling van het aantal tewerkgestelde werknemers, neemt de RSZ zowel de werknemers in beschouwing die op de laatste arbeidsdag van het kwartaal op het werk aanwezig waren, als diegenen wiens arbeidsovereenkomst niet verbroken is maar wel geschorst, wegens ziekte of ongeval, wegens zwangerschaps- of bevallingsrust of wegens wederoproeping onder de wapens, en deze werknemers welke op de beschouwde dag niet op het werk aanwezig zijn wegens verlof, staking, gedeeltelijke of toevallige werkloosheid of al dan niet verantwoorde afwezigheid. Werknemers in voltijdse loopbaanonderbreking of voltijds tijdskrediet worden niet meegeteld. ( ) In de hier opgenomen telling worden ook de dubbeltellingen te wijten aan meerdere gelijktijdige arbeidsbetrekkingen van eenzelfde werknemer bij verschillende werkgevers verwijderd. ( ) Indien een werknemer meerdere gelijktijdige arbeidscontractenn heeft, wordt hij slechts eenmaal geteld en worden enkel die kenmerken (werkgevers- en prestatiegebonden kenmerken) weerhouden die verbonden zijn met de belangrijkste arbeidsovereenkomst. 8 5 Loontrekkende tewerkstelling (RSZ) voor het tweede kwartaal 2012, Brussel, RSZ, 2012, p.12. Geraadpleegd op de website van de RSZ: http://www.onssrszlss.fgov.be/sites/default/files/binaries/assets/statistics/employment/employment_full_nl_20122.pdf 6 Idem, p.13-14. 7 Geraadpleegd op de website van de RSZ: http://www.onssrszlss.fgov.be/nl/statistieken/onlinestatistieken/evolutie-van-de-arbeidsplaatsennaar-paritair-comite 8 Loontrekkende tewerkstelling (RSZ) voor het tweede kwartaal 2012, Brussel, RSZ, 2010, p.10. Geraadpleegd op de website van de RSZ: http://www.onssrszlss.fgov.be/sites/default/files/binaries/assets/statistics/employment/employment_full_nl_20122.pdf 14
Inleidend kader 2.3.3 Arbeidsbetrekkingen / arbeidscontracten De gegevens die we via de SMALS rechtstreeks van de RSZ ontvangen stellen ons niet in staat om het aantal tewerkgestelde werknemers te tellen, maar wel het geheel van het aantal geregistreerde «arbeidsbetrekkingen» in de loop van het trimester in de verschillende betrokken subsectoren. De notie «arbeidsbetrekking» benadert de term «arbeidscontract» : éénzelfde werknemer kan verschillende arbeidsbetrekkingen hebben wanneer hij prestaties uitoefent onder verschillende arbeidscontracten (ongeacht of dit is voor éénzelfde werkgever dan wel voor verschillende werkgevers). De statistieken van de arbeidsbetrekkingen / arbeidscontracten houden dus rekening met dubbele tellingen die voortkomen uit meerdere prestaties van éénzelfde werknemer. Het verschil tussen het aantal tewerkgestelde werknemers en het aantal arbeidsbetrekkingen is relatief zwak. In de analyse van de subsectoren van PC 330 (deel 5) hebben we er in de plaats van de arbeidsbetrekkingen desondanks toch voor gekozen om ons zoveel mogelijk te baseren op het arbeidsvolume (cf. infra) met als bedoeling een zekere continuïteit te garanderen ten opzichte van de cijfers die worden gepresenteerd in de voorgaande delen van de sectorfoto. In wat volgt zullen we het steeds hebben over de term «arbeidscontract» en niet over «arbeidsbetrekking» ; de term «arbeidscontract» spreekt immers meer voor zich. 2.3.4 Arbeidsvolume De notie van arbeidsvolume wordt uitgedrukt in voltijdse equivalenten (VTE). Om het arbeidsvolume te berekenen, baseert de RSZ zich op alle aangegeven bezoldigde arbeidsprestaties over het ganse kwartaal met uitsluiting van de zuiver fictieve prestaties (vergoeding en arbeidsdagen bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst). Er wordt dus geen rekening gehouden met de periodes die voor de toekenning van bepaalde sociale rechten worden gelijkgesteld met arbeidsdagen en die vaak aanleiding geven tot een vervangingsinkomen. Om een zekere uniformiteit te bewaren worden de vakantiedagen van de arbeiders ook in rekening gebracht (voor de bedienden zijn deze dagen reeds opgenomen als bezoldigde dagen). De arbeidsprestaties van een werknemer die in de loop van het kwartaal tewerkgesteld is geweest bij meerdere werkgevers en/of onder verschillende hoedanigheden of in verschillende arbeidsregimes, zijn dus allen opgenomen, en dit volgens de kenmerken van de verschillende prestaties. ( ) Prestaties van minder dan één voltijdsequivalent kunnen hun oorsprong vinden in een kortere periode van tewerkstelling (geen volledig trimester tewerkgesteld); deeltijdse prestaties (wekelijkse arbeidsduur lager dan die van de referentiepersoon); periodes van afwezigheid niet gedekt door een loon (bijv. gelijkgestelde dagen). Opgelet, deze definitie van het arbeidsvolume verschilt van deze die wordt gebruikt om de dotaties van de Maribel te berekenen. 2.3.5 Specifieke arbeidsprestaties Bepaalde arbeidsprestaties worden voor deze sectorfoto niet in rekening genomen (noch voor de berekening van het aantal loontrekkende werknemers en het aantal arbeidsovereenkomsten, noch voor het arbeidsvolume). Het betreft volgende arbeidsprestaties: De arbeidsprestaties van werknemers die in de privé-ziekenhuizen gedetacheerd worden (personeel dat door de publieke diensten zoals het OCMW, ter beschikking wordt gesteld). Deze werknemers blijven geregistreerd bij hun oorspronkelijke werkgever en worden dus niet meegeteld in de cijfers van de privé sector. 15
Inleidend kader De arbeidsprestaties van uitzendkrachten : deze werknemers worden geregistreerd volgens het classificatiesysteem van het uitzendbureau en niet volgens de registratiegegevens van de werkgever bij wie ze tewerkgesteld worden. Zij ressorteren onder het Paritair Comité 322 voor de uitzendarbeid en de erkende ondernemingen die buurtwerken of diensten leveren. De arbeidsprestaties van studenten, uitgevoerd in het kader van het jaarlijks contingent van 50 werkdagen met verminderde socialezekerheidsbijdragen. Deze arbeidsprestaties worden geregistreerd via de specifieke multi-dimona aangifte. De werknemers die in het kader van tijdskrediet een volledige loopbaanonderbereking nemen. De werknemers die met brugpensioen zijn (sinds 2012 noemt men dit werkloosheid met bedrijfstoeslag ) De werknemers wiens arbeidsovereenkomst tijdelijk onderbroken is wegens ziekte, arbeidsongeval of zwangerschapsverlof, worden meegeteld in de berekening van het aantal loontrekkende werknemers maar niet in de berekening van het arbeidsvolume (want het betreft gelijkgestelde periodes). 16
De socialprofitsector tegenover de totale telewerkstelling 3. De socialprofitsector tegenover de totale tewerkstelling 17
De socialprofitsector tegenover de totale tewerkstelling Dit eerste deel plaatst de socialprofitsector tegenover de andere activiteitensectoren in België. De analyses van dit eerste deel, behandelen voornamelijk het aantal werkgevers en werknemers volgens verschillende criteria (bijvoorbeeld volgens de activiteitensector, de referentieperiode, de regio, de leeftijd van de werknemers, enz.). Niveau van analyse : de analyses werden uitgevoerd volgens de sectorgroepen vastgelegd door de RSZ. Sectorgroepen RSZ Betrokken PC Bouw 124 Chemie en petroleum 116, 117, 207, 211 Diensten aan ondernemingen en personen 121, 219, 314, 317, 320, 322, 323, 335, 336, 339 Distributie 119, 127, 201, 202, 311, 312, 313, 321 Financiële sector 216, 306, 307, 308, 309, 310, 325 Gas- en elektriciteitsbedrijven 326 Horeca, sport en ontspanning 217, 223, 302, 333, 334 Houtnijverheid 125, 126 Kleding- en textielindustrie 107, 109, 110, 120, 128, 142.02, 148, 214, 215 Land- en tuinbouw, bosbouw en zeevisserij 132, 143, 144, 145, 146 Media, drukkerij en uitgeverijsector 130, 227, 303 Metaalindustrie 104, 105, 111, 112, 142.01, 147, 149, 209, 210, 224 Papier- en kartonnijverheid 129, 136, 142.03, 221, 222 Social profit 152, 225 9, 304, 305, 318, 319, 327, 329, 330, 331, 332, 337 Steen- en glasindustrie 101, 102, 106, 113, 114, 115, 150, 203, 204, 205, 324 Transport en logistiek 139, 140, 226, 301, 315, 316, 328 Voedingsindustrie 118, 133, 220 Overige sectoren 100, 142.04, 200, 218 Overheid / Geen PC van toepassing 999 Ter herinnering : het definiëren van de sectorgroepen op basis van paritaire comités impliceert dat een aantal publieke instellingen die normaal gezien deel uitmaken van de socialprofitsector hier ondergebracht worden in de categorie «Overheid / Geen PC van toepassing». Dit is ondere andere het geval voor een aantal ziekenhuizen en rusthuizen met een publiek karakter. Begripsomschrijving : Socialprofitsector + (of SP+) : verwijst naar de definitie die door de RSZ wordt gehanteerd (met inbegrip van PC 152 en 225) Socialprofitsector (of SP) : PC 152 en 225 niet inbegrepen 9 De RSZ neemt het PC152 (gesubsidieerde inrichtingen van het vrij onderwijs) en het PC225 (bedienden van de inrichtingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs) mee op in de socialprofitsector. Het officieel onderwijs wordt opgenomen in de publieke sector. Om enigszins coherent te blijven, werden in de analyses van deze sectorfoto, de PC s 152 en 225 verplaats naar de categorie Overheid/Geen PC van toepassing. 18
9.895 7.674 7.459 5.526 4.735 4.236 3.748 2.605 1.466 704 476 34.004 24.513 24.379 24.110 23.088 22.354 65.735 De socialprofitsector tegenover de totale telewerkstelling 3.1 Werkgeverskenmerken 3.1.1 Het aantal werkgevers 80.000 70.000 60.000 50.000 40.000 30.000 20.000 10.000 0 Het aantal werkgevers naar sectorgroep Sectorgroep (paritaircomité) N % Overige sectoren 65.735 24,64% Distributie 34.004 12,75% Bouw 24.513 9,19% Metaalindustrie 24.379 9,14% Diensten aan ondernemingen & personen 24.110 9,04% Horeca, sport & ontspanning 23.088 8,65% Social profit 22.354 8,38% Vervoer, transport& logistiek 9.895 3,71% Land- entuinbouw, bosbouw & zeevisserij 7.674 2,88% Overheid/Geen PC van toepassing 7.459 2,80% Voedingsindustrie 5.526 2,07% Financiële sector 4.735 1,77% Chemie & petroleum 4.236 1,59% Kleding en textielindustire 3.748 1,40% Houtnijverheid 2.605 0,98% Media, drukkerij- en uitgeverijsector 1.466 0,55% Steen- en glasindustrie 704 0,26% Papier- enkartonsector 476 0,18% Gas & elektriciteit 69 0,03% Totaal 266.776 100% Bron: website RSZ(Evolutie vande tewerkstelling per PC) Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 Naar aantal werkgevers heeft de socialprofitsector een aandeel van 8,38 % binnen de totale tewerkstelling in België. Indien we de sectorgroep overige sectoren niet mee in rekening brengen, neemt de socialprofitsector hiermee net zoals in 2010 en 2012 de 6de positie in (op een totaal van 18 sectoren). 19
De socialprofitsector tegenover de totale tewerkstelling 3.1.2 Evolutie van het aantal werkgevers Social profit Totale tewerkstelling 2008/2 2009/2 2010/2 2011/2 2012/2 2013/2 2014/2 16971 18043 19088 20508 21345 21860 22354 (100%) (106,32%) (112,47%) (120,84%) (125,77%) (128,81%) (131,72%) 276.874 275.217 275.153 275.838 273.324 269.665 266.776 (100%) (99,40%) (99,38%) (99,63%) (98,72%) (97,39%) (96,35%) Bron: website RSZ (Evolutie van de tewerkstelling per PC) - Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 2008/2 2009/2 2010/2 2011/2 2012/2 2013/2 2014/2 Social profit 16.971 18.043 19.088 20.508 21.345 21.860 22.354 Totale tewerkstelling 276.874 275.217 275.153 275.838 273.324 269.665 266.776 Aandeel vande SP binnen de totale tewerkstelling 6,13% 6,56% 6,94% 7,43% 7,81% 8,10% 8,38% Bron: website RSZ (Evolutie van de tewerkstelling per PC) - Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 Terwijl het aantal werkgevers in alle sectoren tussen 2008 en 2014 is gedaald, is het aantal werkgevers in de socialprofitsector sinds 2008 met 31,7 % toegenomen. Het aandeel van de social profitsector binnen de totale tewerkstelling is op 6 jaar tijd eveneens gestegen van 6,13 % naar 8,38 %. Zoals we verder zullen zien, wordt 64 % van de groei binnen de social profit verklaard door de enorme stijging van het aantal werkgevers binnen PC 337. Deze laatste werd opgericht in 2008 en had als doel om de non-profit instellingen die niet thuis hoorden in PC 200 (aanvullend PC voor de bedienden) onder te brengen in PC 337. 20
245.439 249.908 199.598 139.076 123.734 111.879 78.254 94.666 73.845 32.271 26.036 16.989 15.687 14.919 12.874 11.054 362.752 426.218 605.744 486.947 468.639 337.781 284.127 253.218 161.032 149.835 123.226 116.734 107.561 85.957 39.981 32.060 18.244 18.385 17.494 14.223 12.408 673.849 De socialprofitsector tegenover de totale telewerkstelling 3.2 Werknemerskenmerken 3.2.1 Het aantal loontrekkende werknemers en het arbeidsvolume 800.000 700.000 600.000 500.000 400.000 300.000 200.000 100.000 0 Het aantal loontrekkende werknemers naar sectorgroep Het arbeidsvolume (in aantal VTE) naar sectorgroep 700.000 600.000 500.000 400.000 300.000 200.000 100.000 0 21
De socialprofitsector tegenover de totale tewerkstelling Sectorgroep (paritair comité) Koppen VTE N % N % Overheid/Geen PC van toepassing 673.849 19,81% 605.774 32,32% Social profit 486.947 14,31% 426.218 12,77% Overige sectoren 468.639 13,78% 362.752 15,00% Diensten aan ondernemingen & personen 337.781 9,93% 245.439 8,64% Metaalindustrie 284.127 8,35% 249.908 8,80% Distributie 253.218 7,44% 199.598 7,03% Vervoer, transport & logistiek 161.023 4,73% 139.076 4,90% Bouw 149.835 4,40% 123.734 4,36% Chemie & petroleum 123.226 3,62% 111.879 3,94% Horeca, sport & ontspanning 116.734 3,43% 78.254 2,75% Financiële sector 107.561 3,16% 94.666 3,33% Voedingsindustrie 85.957 2,53% 73.845 2,60% Kleding- entextielindustrie 39.981 1,18% 32.271 1,14% Land- en tuinbouw, bosbouw & zeevisserij 32.060 0,94% 26.036 0,92% Houtnijverheid 18.244 0,54% 16.989 0,60% Steen- en glasindustrie 18.385 0,54% 15.687 0,55% Gas &elektriciteit 17.494 0,51% 14.919 0,53% Media, drukkerij- en uitgeverijsector 14.223 0,42% 12.874 0,45% Papier- en kartonsector 12.408 0,36% 11.054 0,39% Totaal 3.401.701 100% 2.840.944 100% Bron: Steunpunt WSE ) Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 In de gehele socialprofitsector zijn er iets meer dan 487.000 werknemers tewerkgesteld, wat overeenkomt met een arbeidsvolume van ongeveer 363.000 VTE, dit is een aanzienlijke stijging ten opzichte van 2012 (467.014 WN ; 349.937 VTE). De socialprofitsector vormt zowel in aantal loontrekkende werknemers en arbeidsvolume de op één na grootste sectorgroep. 3.2.2 Evolutie van het aantal loontrekkende werknemers in België 22
De socialprofitsector tegenover de totale telewerkstelling Social profit Totale tewerkstelling 2008/2 2009/2 2010/2 2011/2 2012/2 2013/2 2014/2 N N N N N N N 397.639 418.459 435.554 454.488 467.014 474.969 486.947 (100%) (105,24%) (109,54%) (114,30%) (117,45%) (119,45%) (122,46%) 336.7228 3.342.100 3.373.820 3.414.078 3.397.580 3.375.614 3.401.701 (100%) (99,25%) (100,20%) (101,39%) (100,90%) (100,25%) (101,02%) Bron: Steunpunt WSE - Gegevens RSZ Dmfa 2008-2 tot 2014-2 2008/2 2009/2 2010/2 2011/2 2012/2 2013/2 2014/2 N N N N N N N Social profit 397.639 418.459 435.554 454.488 467.014 474.969 486.947 Totale tewerkstelling 3.367.228 3.342.100 3.373.820 3.414.078 3.397.580 3.375.614 3.401.701 Aandeel van de SP binnen de totale tewerkstelling 11,81% 12,52 % 12,91 % 13,31 % 13,75 % 14,07 % 14,31 % Bron: Steunpunt WSE - Gegevens RSZ Dmfa 2008-2 tot 2014-2 Terwijl de totale tewerkstelling in alle sectoren tussen 2008 en 2014 licht gestegen is, kan er in de socialprofitsector een belangrijke tewerkstellingsgroei van 22,46 % waargenomen worden. Ook het aandeel van de socialprofitsector binnen de totale tewerkstelling in België is op 6 jaar tijd gestegen van 11,81 % naar 14,31 %. Ook hier wordt de groei binnen de social profit voor 28 % beïnvloed door de enorme stijging van het aantal loontrekkende werknemers binnen PC 337. 3.2.3 Evolutie van het arbeidsvolume in België 2008/2 2009/2 2010/2 2011/2 2012/2 2013/2 2014/2 N N N N N N N Social profit 296.802 310.978 325.068 339.327 349.936 355.775 362.751 (100%) (104,78%) (109,52%) (114,33%) (117,90%) (119,87%) (122,22%) Totale tewerkstelling 2.860.911 (100%) 2.788.039 (97,45%) 2.816.435 (98,45%) 2.848.422 (99,56%) 2.856.184 (99,83%) 2.838.097 (99,20%) 2.840.944 (99,30%) Bron: Steunpunt WSE - Gegevens RSZ Dmfa 2008-2 tot 2014-2 23
De socialprofitsector tegenover de totale tewerkstelling 2008/2 2009/2 2010/2 2011/2 2012/2 2013/2 2014/2 Social profit 296.803 310.978 325.068 339.328 349.937 355.776 362.752 Totale tewerkstelling 2.860.912 2.788.039 2.816.435 2.848.422 2.856.184 2.838.097 2.840.944 Aandeel van de SP binnen de totale tewerkstelling 10,37% 11,15% 11,54% 11,91% 12,25% 12,54% 12,77% Bron: Steunpunt WSE - Gegevens RSZ Dmfa 2008-2 tot 2014-2 Terwijl de totale tewerkstelling in alle sectoren tussen 2008 en 2014 licht is gedaald, kan er in de socialprofitsector een groei van het arbeidsvolume van 22,22 % waargenomen worden. Ook het aandeel van de socialprofitsector binnen de totale tewerkstelling in België is op 6 jaar tijd gestegen van 10,37 % naar 12,77 %. 3.2.4 De gemiddelde arbeidsduur 24
De socialprofitsector tegenover de totale telewerkstelling Sectorgroep (Paritair comité) N VTE N koppen Gem. arbeidsduur sector (N VTE / N koppen) Gas & elektriciteit 16.989 18.244 93,1% Chemie & petroleum 111.879 123.226 90,8% Overige sectoren 426.218 468.639 90,9% Overheid / geen P.C. van toepassing 605.744 673.849 89,9% Media, drukkerij- en uitgeverijsector 12.874 14.223 90,5% Papier- en kartonsector 11.054 12.408 89,1% Metaalindustrie 249.908 284.127 88,0% Financiële sector 94.666 107.561 88,0% Vervoer, transport & logistiek 139.076 161.032 86,4% Steen- en glasindustrie 14.919 17.494 85,3% Voedingsindustrie 73.845 85.957 85,9% Houtnijverheid 15.687 18.385 85,3% Land- en tuinbouw, bosbouw & zeevisserij 26.036 32.060 81,2% Bouw 123.734 149.835 82,6% Kleding- en textielindustrie 32.271 39.981 80,7% Distributie 199.598 253.218 78,8% Social profit 362.752 486.947 74,5% Diensten aan ondernemingen & personen 245.439 337.781 72,7% Horeca, sport & ontspanning 78.254 116.734 67,0% Totaal 2.840.944 3.401.701 83,5% Bron: Steunpunt WSE - Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 Net zoals in 2012, kent de socialprofitsector in vergelijking met andere sectoren de derde laagste gemiddelde arbeidsduur (ongeveer 75 %), wat erop wijst dat er in deze sector veel deeltijdse arbeid is. 3.2.5 Het gemiddeld aantal loontrekkende werknemers en het gemiddeld arbeidsvolume per instelling 10 Opgelet, de noties «arbeidsvolume» en «loontrekkende werknemers» houden niet op dezelfde manier rekening met meervoudige arbeidsprestaties van een werknemer en met gelijkgestelde periodes (cfr. punt 2.3). De arbeidsduur die in deze tabel wordt voorgesteld moet dus beschouwd worden met enige voorzichtigheid: het gaat om een schatting. 25
De socialprofitsector tegenover de totale tewerkstelling Sectorgroep (paritair comité) N WN N VTE N WG N WN / N N VTE / N WG 11 WG Gas & elektriciteit 18.244 16.989 69 264,4 246,2 Overheid / geen P.C. van toepassing 673.849 605.744 7.674 87,8 78,9 Chemie & petroleum 123.226 111.879 4.236 29,1 26,4 Steen- en glasindustrie 17.494 14.919 704 24,8 21,2 Papier- en kartonsector 12.408 11.054 476 26,1 23,2 Financiële sector 107.561 94.666 4.735 22,7 20,0 Social profit 486.947 362.752 22.354 21,8 16,2 Vervoer, transport & logistiek 161.032 139.076 9.895 16,3 14,1 Voedingsindustrie 85.957 73.845 5.526 15,6 13,4 Diensten aan ondernemingen & personen 337.781 245.439 24.379 13,9 10,1 Metaalindustrie 284.127 249.908 24.110 11,8 10,4 Kleding- en textielindustrie 39.981 32.271 3.748 10,7 8,6 Media, drukkerij- en uitgeverijsector 14.223 12.874 1.466 9,7 8,8 Houtnijverheid 18.385 15.687 2.605 7,1 6,0 Distributie 253.218 199.598 34.004 7,4 5,9 Overige sectoren 468.639 426.218 65.735 7,1 6,5 Bouw 149.835 123.734 24.513 6,1 5,0 Horeca, sport & ontspanning 116.734 78.254 23.088 5,1 3,4 Land- en tuinbouw, bosbouw & zeevisserij 32.060 26.036 7.459 4,3 3,5 Totaal 3.401.701 2.840.944 266.776 12,8 10,6 Bron: Loontrekkende werknemers en VTE: Steunpunt WSE - Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 Werkgevers: website RSZ (Evolutie van de tewerkstelling per PC) Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 Gemiddeld genomen zijn er in de socialprofitsector per werkgever 21,8 loontrekkende werknemers en 16,2 voltijdse equivalenten tewerkgesteld, dit is iets minder dan in 2012 (21,9 WN en 16,2 VTE). 3.2.6 Het aantal loontrekkende werknemers naar geslacht Het aantal loontrekkende werknemers naar geslacht 80% 76% 60% 53% 47% 40% 24% 20% 0% Social profit Man Vrouw Alle sectoren 11 Opgelet, het gaat hier om een schatting van het aantal «loontrekkende werknemers» per werkgever en niet van het aantal «arbeidsplaatsen» per werkgever. Werknemers die meerdere arbeidsprestaties uitoefenen worden hier maar één maal geteld, namelijk voor de hoofdactiviteit. De werkgevers die werknemers tewerkstellen onder verschillende paritaire comités worden daarentegen verschillende keer geteld. Voor meer verduidelijkingen rond deze termen, verwijzen we u naar het lexicon (punt 2.3). 26
De socialprofitsector tegenover de totale telewerkstelling Geslacht Socialprofitsector Alle sectoren N % N % Man 116.944 24,02% 1.786.902 52,53% Vrouw 370.003 75,98% 1.614.799 47,47% Totaal 486.947 100% 3.401.701 100% Bron: Steunpunt WSE - Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 Net zoals in 2012, is iets meer dan 3 werknemers op 4 vrouwelijk, terwijl het aantal vrouwen in de totale tewerkstelling nog geen 47 % van de werknemers bedraagt. 3.2.7 Het aantal loontrekkende werknemers naar leeftijd 27
De socialprofitsector tegenover de totale tewerkstelling Leeftijdsklasse Social Profit + Alle sectoren N % N % <20 1.617 0,3% 28.063 0,8% 20-24 30.242 6,2% 241.422 7,1% 25-29 62.955 12,9% 431.971 12,7% 30-34 63.308 13,0% 453.264 13,3% 35-39 60.971 12,5% 433.723 12,8% 40-44 60.921 12,5% 454.803 13,4% 45-49 66.512 13,7% 464.740 13,7% 50-54 70.216 14,4% 444.651 13,1% 55-59 50.943 10,5% 322.791 9,5% 60-64 17.491 3,6% 106.212 3,1% 65 of meer 1.771 0,4% 20.061 0,6% Totaal 486.947 100% 3.401.701 100% Bron: Steunpunt WSE - Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 Kijken we naar de verdeling van het aantal werknemers naar leeftijd in het geheel van de socialprofitsector en vergelijken we deze met de totale tewerkstelling, dan zien we dat deze curve grotendeels deze van de totale tewerkstelling volgt. De SP telt evenwel verhoudingswijs meer oudere werknemers tussen 50 en 64 jaar. Het effect van de vergrijzing wordt steeds duidelijker zichtbaar. Binnen de socialprofitsector merken we sinds 2010 een verschuiving op van de leeftijdscurve. Daar waar het aandeel van werknemers tussen 50 en 64 jaar is toegenomen (28,9 % in 2014 t.o.v. 24,2 % in 2010 en 26,3 % in 2012), is deze afgenomen (13,7 % in 2014 t.o.v. 15,8 % in 2010 en 14,8 % in 2012) voor de werknemers tussen 45 en 49 jaar. De problematiek van de vergrijzing wordt elk jaar steeds belangrijker in de socialprofitsector. 3.2.8 Het aantal loontrekkende werknemers naar arbeidsstatuut 28
De socialprofitsector tegenover de totale telewerkstelling Arbeidsstatuut Social profit Alle sectoren N % N % Ambtenaar 0 0% 432.329 12,71% Arbeider 114.140 23,44% 1.239.006 36,42% Bediende 372.807 76,56% 1.730.366 50,87% Totaal 486.947 100% 3.401.701 100% Bron: Steunpunt WSE - Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 In de socialprofitsector werken 3 op 4 loontrekkende werknemers als bediende, 1 op 4 werkt als arbeider 12. Daarentegen werkt in de totale tewerkstelling 51 % als bediende, 36 % werkt als arbeider en 13 % als ambtenaar. Ter informatie: het onderscheid bedienden-arbeiders is uitdovend en zal voor de arbeidscontracten afgesloten na 1 januari 2014 helemaal verdwijnen. Het onderscheid blijft aldus wel nog van toepassing voor de contracten die werden afgesloten voor 1 januari 2014. 3.2.9 Het aantal loontrekkende werknemers naar arbeidsregime Arbeidsregime Social profit Alle sectoren N % N % Voltijds 0 0% 432.329 12,71% Deeltijds 114.140 23,44% 1.239.006 36,42% Speciaal 372.807 76,56% 1.730.366 50,87% Totaal 486.947 100% 3.401.701 100% Bron: Steunpunt WSE - Gegevens RSZ Dmfa 2014-4 In de socialprofitsector heeft meer dan de helft (56 %) van de loontrekkende werknemers als hoofdactiviteit een deeltijdse tewerkstelling, slechts 44 % heeft een voltijdse tewerkstelling. In de totale tewerkstelling merken we een omgekeerde verhouding op : 63 % van de loontrekkende werknemers werkt voltijds, 33 % deeltijds en ongeveer 3 % heeft een speciaal arbeidsregime 13. In vergelijking met 2012 is het aantal deeltijds tewerkgestelde werknemers binnen de totale tewerkstelling in 2014 stabiel gebleven (32,1 % in 2012 t.o.v. 32,8 % in 2014), net zoals binnen de social profit sector (55,4 % in 2012 t.o.v. 55,9 % in 2014). 12 Gezien het publiek deel van de socialprofitsector in de sectorgroep «overheid/geen P.C. van toepassing» wordt ondergebracht, is het normaal dat er binnen de sectorgroep «social profit» geen ambtenaren voorkomen. 13 De categorie van speciaal arbeidsregime verwijst naar werknemers met zeer korte/onregelmatige contracten (interim, seizoenarbeid, gelegenheidsarbeid in land- en tuinbouw en gelegenheidsarbeid in horeca). 29
De socialprofitsector tegenover de totale tewerkstelling 3.2.10 Het aantal loontrekkende werknemers naar grootteklasse Grootteklasse WG Social profit Alle sectoren N % N % < 20 WN 64.728 13,29% 725.399 21,32% 20-49 WN 48.453 9,95% 363.043 10,67% 50-99 WN 52.114 10,70% 250.662 7,37% 100-499 WN 112.287 23,06% 580.032 17,05% > 500 WN 209.365 43,00% 1.482.565 43,58% Totaal 486.947 100% 3.401.701 100% Bron: Steunpunt WSE - Gegevens RSZ Dmfa 2014-4 Zowel in de sector van de social profit als in de totale tewerkstelling werkt iets meer dan 40 % van de loontrekkende werknemers in een instelling met 500 werknemers of meer. Daarna volgen de grootteklassen 100-499 en < 20 werknemers met voor de social profit respectievelijk 23,1% en 13,3 %. In vergelijking met de totale tewerkstelling werken er in de sector van de social profit in verhouding minder loontrekkende werknemers in instellingen met minder dan 49 werknemers en meer werknemers in instellingen met 50 à 499 werknemers. 3.2.11 Het aantal loontrekkendewerknemers naar gewest (tewerkstellingsplaats) Omdat de verdeling van het aantal tewerkgestelde werknemers naar gewest op 30 juni 2014 nog niet beschikbaar was op het moment dat dit rapport werd opgemaakt, presenteren we u de cijfers van 30 juni 2013. De regio is hier deze van de instelling/filiaal waar de werknemer is tewerkgesteld. 30
De socialprofitsector tegenover de totale telewerkstelling Gewest Social profit Alle sectoren N % N % Brussels Hoofdstedelijk Gewest 69.389 14,61% 554.250 16,42% Vlaams Gewest 274.293 57,75% 1.964.752 58,2% Waals Gewest 131.287 27,64% 856.612 25,38% Totaal 474.969 100% 3.375.614 100% Bron: Steunpunt WSE - Gegevens RSZ Dmfa 2013-2 Op 30 juni 2013, telden we in de SP en in de totale tewerkstelling dezelfde proportie van tewerkgestelde werknemers met arbeidsprestaties in Vlaanderen (ongeveer 57,8 %). In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest telde de SP ongeveer 2% minder tewerkgestelde werknemers in vergelijking met de totale tewerkstelling (14,6 tegenover 16,4 %) en in Wallonië ongeveer 2 % meer (27,6 tegenover 25,4 %). In vergelijking met 2011 stellen we in 2013 gelijkaardige verschillen vast. 3.2.12 Het aantal loontrekkende werknemers naar provincie (tewerkstellingsplaats) Zoals voor de regionale statistieken was de verdeling van de tewerkgestelde werknemers per provincie op 30 juni 2014 nog niet beschikbaar op het moment dat dit rapport werd opgemaakt. Om die reden presenteren we u de cijfers van 30 juni 2013. De provincie is hier opnieuw deze van de instelling/ filiaal waar de werknemer is tewerkgesteld. Provincie Social profit Alle sectoren N % N % Antwerpen 77.931 16,41% 603.550 17,88% Brussel 69.389 14,61% 554.250 16,42% Oost-Vl. 61.803 13,01% 417.180 12,36% West-Vl. 58.098 12,23% 363.913 10,78% Henegouwen 53.652 11,30% 303.799 9,00% Vl.-Brabant 43.324 9,12% 334.804 9,92% Luik 35.001 7,37% 265.303 7,86% Limburg 33.137 6,98% 245.305 7,27% Namen 21.663 4,56% 115.276 3,41% W.-Brabant 13.020 2,74% 110.057 3,26% Luxemburg 7.951 1,67% 62.177 1,84% Totaal 474.969 100% 3.375.614 100% Bron: Steunpunt WSE - Gegevens RSZ Dmfa 2013-2 31
De socialprofitsector tegenover de totale tewerkstelling Op 30 juni 2013 was de verdeling van het aantal loontrekkende werknemers over de verschillende provincies evenredig in de socialprofitsector en in de totale tewerkstelling. In beide gevallen was Antwerpen de provincie met proportioneel het meest aantal werknemers, gevolgd door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen. In Waals-Brabant en Luxemburg waren slechts een klein deel van de werknemers tewerkgesteld. In vergelijking met 2011 stellen we in 2013 geen merkwaardige evoluties vast. 32
PC 330 binnen de social profit sector 4. PC 330 binnen de socialprofitsector 33
PC 330 binnen de socialprofitsector Nadat we de socialprofitsector hebben gesitueerd tegenover de andere activiteitensectoren in België, wil dit tweede deel het paritair comité van de gezondheidsinrichtingen en -diensten (PC 330) in kaart brengen ten opzichte van de andere paritaire comités van de socialprofitsector. De analyses van dit tweede deel behandelen voornamelijk het aantal werkgevers en werknemers volgens verschillende criteria (bijvoorbeeld volgens de activiteitensector, de referentieperiode, de regio, de grootte van de instelling/organisatie enz.). Niveau van analyse : de analyses werden uitgevoerd volgens de sectorgroepen vastgelegd door de RSZ PC Beschrijving (zie bijlage voor de officiële benaming) 152 Gesubsidieerde inrichtingen van het vrij onderwijs 225 Bedienden van de inrichtingen van het gesubsidieerd vrij onderwijs 304 Podiumkunsten 305 Gezondheidsdiensten (overgang naar PC 330, 331 en 332 in 2008) 318 Diensten voor gezins- en bejaardenhulp 319 Opvoedings- en huisvestingsinrichtingen en diensten 327 Beschutte werkplaatsen en de sociale werkplaatsen 329 Socio-culturele sector 330 Gezondheidsinrichtingen en -diensten 331 Vlaamse welzijns- en gezondheidssector 332 Franstalige en Duitstalige welzijns- en gezondheidssector 337 Andere instellingen uit de non-profitsector U vindt de beschrijving van de verschillende paritaire comités telkens onderaan de pagina. Ter herinnering : Voor een grotere samenhang worden de PC s 152 en 225 in de meeste analyses van deze sectorfoto verplaatst naar de categorie «Overheid / Geen PC van toepassing». Omdat de PC s 304 en 337 niet worden vertegenwoordigd door één van de vzw s die de sociale fondsen in de private social profit beheren (FE.BI, APEF, VSPF), werden ze verwijderd uit het merendeel van de vergelijkende analyses die de verschillende PC s binnen de social profit met elkaar vergelijken. PC 305 is niets anders dan het oude PC voor de gezondheidsdiensten, dat in het eerste trimester van 2008 werd vervangen door de PC s 330, 331 en 332. In dit tweede deel, bevatten de cijfers van het PC 330 ook de cijfers van de subsector 330.03. Begripsomschrijving : Socialprofitsector + (of SP+) : verwijst naar de definitie die door de RSZ wordt gehanteerd (met inbegrip van PC 152, 225, 304 en 337) Socialprofitsector (of SP) : PC 152 en 225 niet inbegrepen Socialprofitsector (of SP-) : PC 152, 225, 304 en 337 niet inbegrepen 34
PC 330 binnen de social profit sector 4.1 Werkgeverskenmerken 4.1.1 Het aantal werkgevers 9.000 8.000 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0 Het aantal werkgevers per PC 8.536 5.692 3.939 1.305 884 868 802 221 107 330 329 337 319 332 304 331 327 318 PC N % 330 8.536 38,19% 329 5.692 25,46% 337 3.939 17,62% 319 1.305 5,84% 332 884 3,95% 304 868 3,88% 331 802 3,59% 327 221 0,99% 318 107 0,48% Social Profit 22.354 100% Bron : website RSZ (Evolutie van de tewerkstelling per PC) - Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 Bovenstaande cijfers tonen ons dat net zoals in 2012, PC 330 in aantal werkgevers de grootste sector is en blijft binnen de socialprofitsector, gevolgd door PC 329. Procentueel zijn beide sectoren goed voor ongeveer 63 % van het aantal werkgevers binnen de social profit (tegenover 65 % in 2012 en 70% in 2010). Het aandeel van beide sectoren ten opzichte van 2010 is hiermee wel met 7 % gedaald, maar dit valt te verklaren door de toename van het aantal werkgevers binnen PC 337 (van 1.872 werkgevers naar 3.939 werkgevers). PC 304: podiumkunsten PC327: beschutte en sociale werkplaatsen PC 331: welzijns- en gezondheidssector(nl) PC 318: gezins- en bejaardenzorg PC 329: socio-culturele sector PC 332: welzijns- en gezondheidssector (FR+D) PC 319: opvoedings- en huisvestingsinstellingen PC 330: gezondheidsinstellingen en diensten PC 337: non-profit sector 35
PC 330 binnen de socialprofitsector 4.1.2 Evolutie van het aantal werkgevers CP 2008/2 2009/2 2010/2 2011/2 2012/2 2013/2 2014/2 N % N % N % N % N % N % N % 304 743 100% 747 100,54% 731 98,38% 733 98,65% 772 103,90% 801 107,81% 868 116,82% 318 109 100% 108 99,08% 104 95,41% 105 96,33% 108 99,08% 110 100,92% 107 98,17% 319 1.264 100% 1.287 101,82% 1.299 102,77% 1.300 102,85% 1.314 103,96% 1.326 104,91% 1.305 103,24% 327 234 100% 233 99,57% 233 99,57% 230 98,29% 230 98,29% 226 96,58% 221 94,44% 329 5.361 100% 5.443 101,53% 5.523 103,02% 5.596 104,38% 5.660 105,58% 5.703 106,38% 5.692 106,17% 330 7.614 100% 7.900 103,76% 7.955 104,48% 8.083 106,16% 8.179 107,42% 8.367 109,89% 8.536 112,11% 331 426 100% 374 87,79% 575 134,98% 696 163,38% 751 176,29% 757 177,70% 802 188,26% 332 725 100% 763 105,24% 796 109,79% 843 116,28% 862 118,90% 870 120% 884 121,93% 337 495 100% 1.188 240% 1.872 378,18% 2.922 590,30% 3.469 700,81% 3.700 747,47% 3.939 795,76% Social- cial- Profit Totale TW 16.971 100% 18.043 106,32% 19.088 112,47% 20.508 120,84% 21.345 125,77% 21.860 128,81% 22.354 131,72% 276.874 100% 275.217 99,40% 275.153 99,38% 275.838 99,63% 273.324 98,72% 269.665 97,40% 266.776 96,35% Bron : website RSZ (Evolutie van de tewerkstelling naar PC) - Gegevens RSZ Dmfa 2008-2 tot 2014-2 2008/2 2009/2 2010/2 2011/2 2012/2 2013/2 2014/2 PC 330 7.614 7.900 7.955 8.083 8.179 8.367 8.536 SP 16.971 18.043 19.088 20.508 21.345 21.860 22.354 Aandeel van PC 330 binnen SP 44,86% 43,78% 41,68% 39,41% 38,32% 38,28% 38,19% Bron : website RSZ (Evolutie van de tewerkstelling naar PC) - Gegevens RSZ Dmfa 2008-2 tot 2014-2 Terwijl het totaal aantal werkgevers tussen 2008 en 2014 gedaald is met 3,7 %, is het aantal werkgevers binnen de socialprofitsector sinds 2008 gestegen met 31,7 %. PC 330 stijgt in vergelijking met de gehele socialprofitsector wel minder sterk (12,1 % tegenover 31,7 %); op die manier neemt zijn aandeel binnen de SP op 4 jaar tijd ook af van 44,9 % in 2008 naar 38,2 % in 2014. De daling is ondermeer verbonden aan de spectaculaire groei van het PC 337 waarvoor het aantal werkgevers op 6 jaar tijd verachtvoudigd is. Opgericht in 2008, heeft dit PC langzaamaan een groot aantal non-profitinstellingen opgenomen die voordien behoorden tot het PC 200 (aanvullend PC voor de bedienden). De groei van PC 337 verklaart 64 % van de groei binnen de social profit. 36 PC 304: podiumkunsten PC327: beschutte en sociale werkplaatsen PC 331: welzijns- en gezondheidssector(nl) PC 318: gezins- en bejaardenzorg PC 329: socio-culturele sector PC 332: welzijns- en gezondheidssector (FR+D) PC 319: opvoedings- en huisvestingsinstellingen PC 330: gezondheidsinstellingen en diensten PC 337: non-profit sector
PC 330 binnen de social profit sector Tijdens het eerste trimester 2010, werden de opvangstructuren voor kinderen, gecontroleerd door de bevoegde instelling van de Vlaamse Gemeenschap of de Vlaamse Gemeenschapscommissie, op hun beurt overgeplaatst van PC 200 naar PC 331. Deze transfer verklaart de belangrijke groei die kan worden geobserveerd in deze sector (+88 % tussen 2008 en 2014). PC 332 heeft op zijn beurt een toename gekend van bijna 21 % op 6 jaar. De verklaring voor deze groei dient voor een deel gezocht te worden in de overgang van instellingen van PC 305 naar PC 332, maar ook in de beweging van de ontwikkeling van nieuwe opvangstructuren voor kinderen en in het onafhankelijk worden van instellingen die daarvoor afhingen van ziekenhuizen. Naast de belangrijke groei van de PC 337, 331en 332, kennen de PC 329 en 319 eveneens een lichte groei. Ook PC 304 en 318 kennen, na een lichte daling van het aantal werkgevers tussen 2008 en 2010, een lichte groei. Bij PC 318 ligt het aantal werkgevers in 2014 op hetzelfde niveau als in 2008 (107 tegenover 109 werkgevers). Tot slot kent ook PC 327 eveneens een daling van het aantal werkgevers. 4.1.3 Het aantal werkgevers naar grootteklasse PC 318 PC 319 10% 2% 31% 10% 12% 25% 22% 14% 25% 49% < 20 WN. 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. >500 WN. < 20 WN. 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. >500 WN. PC 327 42% 6% 5% 23% 24% PC 329 1% 0% 2% 2% 7% 88% < 20 WN. 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. >500 WN. < 20 WN. 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. >500 WN. niet bepaald PC 330 6% 4% 3% 2% 1% PC 331 5% 1% 2% 2% 13% 84% 77% < 20 WN. 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. >500 WN. niet bepaald < 20 WN. 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. >500 WN. niet bepaald PC 304: podiumkunsten PC327: beschutte en sociale werkplaatsen PC 331: welzijns- en gezondheidssector(nl) PC 318: gezins- en bejaardenzorg PC 329: socio-culturele sector PC 332: welzijns- en gezondheidssector (FR+D) PC 319: opvoedings- en huisvestingsinstellingen PC 330: gezondheidsinstellingen en diensten PC 337: non-profit sector 37
PC 330 binnen de socialprofitsector PC 332 2% 3% 14% 1% 80% < 20 WN. 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. >500 WN. PC < 20 WN 20-49 WN 50-99 WN 100-499 WN > 500 WN Niet bepaald Totaal N % N % N % N % N % N % N % 318 27 25,23% 23 21,50% 13 12,15% 33 30,84% 11 10,28% / / 107 100% 319 643 49,23% 327 25,04% 180 13,78% 132 10,11% 21 1,61% 3 0,23% 1.306 100% 327 12 5,41% 50 22,52% 54 24,32% 92 41,44% 14 6,31% / / 222 100% 329 5.018 88,11% 394 6,92% 96 1,69% 44 0,77% 2 0,04% 141 2,48% 5.695 100% 330 7.233 84,06% 515 5,98% 351 4,08% 267 3,10% 127 1,48% 112 1,30% 8.605 100% 331 620 77,31% 108 13,47% 37 4,61% 16 2,00% 9 1,12% 12 1,50% 802 100% 332 706 79,33% 123 13,82% 26 2,92% 22 2,47% 8 0,90% 5 0,56% 890 100% SP 14.259 80,89% 1.540 8,74% 757 4,29% 606 3,44% 192 1,09% 273 1,55% 17.627 100% Bron: SMALS GegevensRSZDmfa 2014-2 Wanneer we kijken naar de verdeling van het aantal werkgevers naar grootteklasse, dan valt op dat er binnen PC 330 vooral kleinere instellingen met minder dan 20 werknemers bestaan (dit is het geval voor 84,1 % van de instellingen). Dit is tevens het geval voor de PC 329 (88,1 %), 331 (77,3 %) en 332 (79,33 %). Voor de gehele socialprofitsector is het aantal kleinere instellingen belangrijk (80,9 %). Deze sterke vertegenwoordiging van kleinere structuren is te wijten aan de subsector van de residuaire gezondheidsinrichtingen (330.04), die 75 % van de werkgevers van PC 330 vertegenwoordigt (echter 97 %onder hen telt minder dan 20 werkgevers). In punt 5 wordt hier verder op ingegaan. PC 318 en 327 tellen in vergelijking met de anderen, proportioneel minder kleinere instellingen. Ze tonen een grotere diversiteit op het niveau van de grootte van hun instellingen. 4.1.4 Verdeling van de werkgevers naar gewest (hoofdzetel werkgever) Deze analyse presenteert de wijze waarop de sociale zetels van de instellingen (en niet de instellingen of filialen) verdeeld zijn over de verschillende gewesten. 38 PC 304: podiumkunsten PC327: beschutte en sociale werkplaatsen PC 331: welzijns- en gezondheidssector(nl) PC 318: gezins- en bejaardenzorg PC 329: socio-culturele sector PC 332: welzijns- en gezondheidssector (FR+D) PC 319: opvoedings- en huisvestingsinstellingen PC 330: gezondheidsinstellingen en diensten PC 337: non-profit sector
PC 330 binnen de social profit sector PC Vlaanderen Brussel Wallonië Buiten België Totaal N % N % N % N % N % 318 28 26,17% 20 18,69% 59 55,14% 0 0% 107 100% 319 424 32,47% 203 15,54% 677 51,84% 2 0% 1.306 100% 327 150 67,57% 16 7,21% 56 25,23% 0 0% 222 100% 329 1.760 30,90% 1.560 27,39% 2.331 40,93% 44 1% 5.695 100% 330 4.872 56,62% 1.076 12,50% 2.643 30,71% 14 0% 8.605 100% 331 688 85,79% 106 13,22% 8 1,00% 0 0% 802 100% 332 1 0,11% 278 31,24% 610 68,54% 1 0% 890 100% NMS- 7.923 44,95% 3.259 18,49% 6.384 36,22% 61 0% 17.627 100% Bron: SMALS Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 Voor meer dan de helft van de werkgevers (56,6 %) binnen PC 330 situeert de sociale zetel zich in Vlaanderen, ongeveer 12,5 % heeft zijn sociale zetel in Brussel en 30,7 % in Wallonië. Binnen de gehele socialprofitsector is deze regionale verdeling iets gelijkmatiger. Merk opdat het PC 331 bijna uitsluitend voorkomt in Vlaanderen en Brussel en PC 332 bijna uitsluitend in Wallonië en Brussel. Dit is logisch gezien het hier gaat om sectoren met respectievelijk Vlaamse en Franstalige/Duitstalige bevoegdheid. Voor een aantal instellingen (in het geel aangeduid) gaat het om verkeerde aangiftes die niet geregistreerd zijn onder het juiste paritair comité. PC 304: podiumkunsten PC327: beschutte en sociale werkplaatsen PC 331: welzijns- en gezondheidssector(nl) PC 318: gezins- en bejaardenzorg PC 329: socio-culturele sector PC 332: welzijns- en gezondheidssector (FR+D) PC 319: opvoedings- en huisvestingsinstellingen PC 330: gezondheidsinstellingen en diensten PC 337: non-profit sector 39
Antwerpen Oost-Vl. Brussel West-Vl. Buiten België Henegouwen Luik Vl.-Brabant Limburg Namen Waals Brabant Luxemburg Buiten België Totaal Antwerpen Oost-Vl. Brussel West-Vl. Henegouwen Luik Vl.-Brabant Limburg Namen Waals Brabant Luxemburg Totaal PC 330 binnen de socialprofitsector 4.1.5 Verdeling van de werkgevers naar provincie (hoofdzetel werkgever) Het aantal werkgevers naar provincie In aantal: PC 318 11 5 20 7 23 23 2 3 5 4 4-107 319 111 104 203 90 271 174 70 49 108 67 57 2 1.306 327 43 35 16 29 23 14 22 21 9 3 7-222 329 544 429 1.560 282 644 761 274 231 439 282 205 44 5.695 330 1.303 1.167 1.076 942 890 899 741 719 394 287 173 14 8.605 331 195 123 106 134-3 155 81 1 4 - - 802 332 - - 278-163 200 1-91 92 64 1 890 SP - 2.207 1.863 3.259 1.484 2.014 2.074 1.265 1.104 1.047 739 510 61 17.627 Bron: SMALS Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 In percentage: PC 318 10,3% 4,7% 18,7% 6,5% 21,5% 21,5% 1,9% 2,8% 4,7% 3,7% 3,7% 0% 100% 319 8,5% 8,0% 15,5% 6,9% 20,8% 13,3% 5,4% 3,8% 8,3% 5,1% 4,4% 0,2% 100% 327 19,4% 15,8% 7,2% 13,1% 10,4% 6,3% 9,9% 9,5% 4,1% 1,4% 3,2% 0% 100% 329 9,6% 7,5% 27,4% 5,0% 11,3% 13,4% 4,8% 4,1% 7,7% 5,0% 3,6% 0,8% 100% 330 15,1% 13,6% 12,5% 10,9% 10,3% 10,4% 8,6% 8,4% 4,6% 3,3% 2,0% 0,2% 100% 331 24,3% 15,3% 13,2% 16,7% 0% 0,4% 19,3% 10,1% 0,1% 0,5% 0% 0% 100% 332 0% 0% 31,2% 0% 18,3% 22,5% 0,1% 0% 10,2% 10,3% 7,2% 0,1% 100% SP - 12,5% 10,6% 18,5% 8,4% 11,4% 11,8% 7,2% 6,3% 5,9% 4,2% 2,9% 0,3% 100% Bron: SMALS Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 40 PC 304: podiumkunsten PC327: beschutte en sociale werkplaatsen PC 331: welzijns- en gezondheidssector(nl) PC 318: gezins- en bejaardenzorg PC 329: socio-culturele sector PC 332: welzijns- en gezondheidssector (FR+D) PC 319: opvoedings- en huisvestingsinstellingen PC 330: gezondheidsinstellingen en diensten PC 337: non-profit sector
PC 330 binnen de social profit sector De sociale zetels van de werkgevers binnen PC 330 komen procentueel gezien vooral voor in de provincies Antwerpen, Oost-Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In de gehele socialprofitsector daarentegen komen de sociale zetels van de werkgevers procentueel gezien vooral voor in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, hierna gevolgd door de provincies Antwerpen, Luik, Henegouwen en Oost-Vlaanderen. Zowel binnen PC 330 als in de gehele socialprofitsector treffen we procentueel het minst aantal werkgevers aan in de provincies Luxemburg, Waals-Brabant en Namen. 4.2 Werknemerskenmerken 4.2.1 Het aantal loontrekkende werknemers en het arbeidsvolume PC Koppen VTE N % N % 330 242.167 49,73% 178.844 49,30% 319 64.806 13,31% 48.055 13,25% 329 45.544 9,35% 36.809 10,15% 318 38.581 7,92% 24.130 6,65% 327 37.461 7,69% 27.520 7,59% 337 32.164 6,61% 27.550 7,59% 331 11.384 2,34% 7.750 2,14% 332 9.564 1,96% 6.711 1,85% 304 5.276 1,08% 5.383 1,48% Social profit 486.947 100% 362.752 100% Bron: Steunpunt WSE Gegevens RSZ DmfA 2014-2 PC 330 is niet alleen in aantal werkgevers, maar ook in aantal loontrekkende werknemers en arbeidsvolume (in voltijdse equivalenten) met bijna 50 % van de tewerkstelling de grootste sector binnende socialprofitsector. Het PC 319 komt op een tweede plaats met 13 % van de tewerkgestelde werknemers binnen de socialprofitsectoren dit ondanks het feit dat ze in vergelijking met PC 329 minder werkgevers telt (1.305 tegenover 5.695). PC 304: podiumkunsten PC327: beschutte en sociale werkplaatsen PC 331: welzijns- en gezondheidssector(nl) PC 318: gezins- en bejaardenzorg PC 329: socio-culturele sector PC 332: welzijns- en gezondheidssector (FR+D) PC 319: opvoedings- en huisvestingsinstellingen PC 330: gezondheidsinstellingen en diensten PC 337: non-profit sector 41
PC 330 binnen de socialprofitsector 4.2.2 Evolutie van het aantal loontrekkende werknemers in België In aantal: 2008/2 2009/2 2010/2 2011/2 2012/2 2013/2 2014/2 304 3.832 4.256 4.464 4.586 4.893 4.775 5.276 318 35.464 36.408 37.102 37.612 38.081 38.193 38.581 319 54.103 56.204 57.981 60.150 61.800 63.148 64.806 327 33.983 34.059 35.016 36.478 36.776 36.917 37.461 329 39.564 40.860 42.309 43.758 44.647 45.228 45.544 330 208.735 214.724 222.217 227.773 233.151 237.451 242.167 331 8.078 7.786 9.017 10.138 10.599 11.049 11.384 332 6.933 7.692 8.137 8.812 9.128 9.336 9.564 337 6.947 16.470 19.243 25.181 27.939 28.872 32.164 SP 397.639 418.459 435.486 454.488 467.014 474.969 486.947 Totale tewerkstelling 3.367.228 3.342.100 3.373.289 3.414.078 3.397.580 3.375.614 3.401.701 Bron: Steunpunt WSE Gegevens RSZ DmfA 2014-2 In percentage: 2008/2 2009/2 2010/2 2011/2 2012/2 2013/2 2014/2 304 100% 111,06% 116,49% 119,68% 127,69% 124,61% 137,68% 318 100% 102,66% 104,62% 106,06% 107,38% 107,70% 108,79% 319 100% 103,88% 107,17% 111,18% 114,23% 116,72% 119,78% 327 100% 100,22% 103,04% 107,34% 108,22% 108,63% 110,23% 329 100% 103,28% 106,94% 110,60% 112,85% 114,32% 115,11% 330 100% 102,87% 106,46% 109,12% 111,70% 113,76% 116,02% 331 100% 96,39% 111,62% 125,50% 131,21% 136,78% 140,93% 332 100% 110,95% 117,37% 127,10% 131,66% 134,66% 137,95% 337 100% 237,08% 277,00% 362,47% 402,17% 415,60% 462,99% SP 100% 105,24% 109,52% 114,30% 117,45% 119,45% 122,46% Totale tewerkstelling 100% 99,25% 100,18% 101,39% 100,90% 100,25% 101,02% Bron: Steunpunt WSE Gegevens RSZ DmfA 2014-2 42 PC 304: podiumkunsten PC327: beschutte en sociale werkplaatsen PC 331: welzijns- en gezondheidssector(nl) PC 318: gezins- en bejaardenzorg PC 329: socio-culturele sector PC 332: welzijns- en gezondheidssector (FR+D) PC 319: opvoedings- en huisvestingsinstellingen PC 330: gezondheidsinstellingen en diensten PC 337: non-profit sector
PC 330 binnen de social profit sector 2008/2 2009/2 2010/2 2011/2 2012/2 2013/2 2014/2 PC 330 208.735 214.724 222.217 227.773 233.151 237.451 242.167 Social Profit 397.639 418.459 435.486 454.488 467.014 474.969 486.947 Aandeel van PC 330 binnen de SP 52,49% 51,31% 51,03% 50,12% 49,92% 49,99% 49,73% Bron: Steunpunt WSE Gegevens RSZ DmfA 2014-2 Zowel in de gehele socialprofitsector als binnen PC 330 is er sinds 2008 een procentuele stijging waar te nemen van het aantal loontrekkende werknemers (koppen). De tewerkstellingsgroei is binnen PC 330 in vergelijking met de socialprofitsector wel iets minder sterk toegenomen (+16 % tegenover +22,5 %). Zijn aandeel binnen de socialprofitsector is op 6 jaar tijd ook gedaald van 52,5 % naar 49,7 %, maar dit heeft opnieuw vooral te maken met de tewerkstellingsgroei binnen PC 337 waar de tewerkstelling op 6 jaar tijd verviervoudigd is. Vanaf 2008 werden de meeste non-profit instellingen binnen PC 200 (aanvullend PC voor bedienden) immers ondergebracht in het nieuwe PC 337. De spectaculaire groei binnen PC 337 verklaart voor 28 % de groei binnen de socialprofitsector. Ook bij de paritaire comités 304, 332 en 331 is er sprake van een sterke stijging van het aantal loontrekkende werknemers (respectievelijk + 37,7 %, + 40,9 % en + 38 %). 4.2.3 Evolutie van het arbeidsvolume in België In aantal: PC 2008/2 2009/2 2010/2 2011/2 2012/2 2013/2 2014/2 304 3.790 4.138 4.204 4.400 4.808 5.037 5.383 318 22.609 23.130 23.492 23.583 23.990 24.065 24.130 319 40.790 42.183 43.250 44.897 46.067 47.110 48.055 327 26.201 24.300 26.107 27.189 27.133 27.021 27.520 329 32.228 33.148 34.550 35.487 36.335 36.804 36.809 330 154.774 159.484 164.515 168.772 173.242 176.381 178.844 331 5.545 5.268 6.114 6.931 7.311 7.563 7.750 332 5.009 5.447 5.794 6.299 6.522 6.621 6.711 337 5.856 13.879 16.993 21.770 24.528 25.174 27.550 Social Profit 296.803 310.978 325.021 339.328 349.936 355.776 362.752 Bron: Steunpunt WSE Gegevens RSZ DmfA 2014-2 PC 304: podiumkunsten PC327: beschutte en sociale werkplaatsen PC 331: welzijns- en gezondheidssector(nl) PC 318: gezins- en bejaardenzorg PC 329: socio-culturele sector PC 332: welzijns- en gezondheidssector (FR+D) PC 319: opvoedings- en huisvestingsinstellingen PC 330: gezondheidsinstellingen en diensten PC 337: non-profit sector 43
PC 330 binnen de socialprofitsector In percentage: PC 2008/2 2009/2 2010/2 2011/2 2012/2 2013/2 2014/2 304 100,0% 109,2% 110,9% 116,1% 126,9% 132,9% 142,0% 318 100,0% 102,3% 103,9% 104,3% 106,1% 106,4% 106,7% 319 100,0% 103,4% 106,0% 110,1% 112,9% 115,5% 117,8% 327 100,0% 92,7% 99,6% 103,8% 103,6% 103,1% 105,0% 329 100,0% 102,9% 107,2% 110,1% 112,7% 114,2% 114,2% 330* 100,0% 103,0% 106,3% 109,0% 111,9% 114,0% 115,6% 331 100,0% 95,0% 110,3% 125,0% 131,8% 136,4% 139,8% 332 100,0% 108,7% 115,7% 125,8% 130,2% 132,2% 134,0% 337 100,0% 237,0% 290,2% 371,8% 418,9% 429,9% 470,5% Social Profit 100,0% 104,8% 109,5% 114,3% 117,9% 119,9% 122,2% Bron: Steunpunt WSE Gegevens RSZ DmfA 2014-2 PC 2008/2 2009/2 2010/2 2011/2 2012/2 2013/2 2014/2 PC 330 154.774 159.484 164.515 168.772 173.242 176.381 178.844 Social Profit 296.803 310.978 325.020 339.328 349.937 355.776 362.752 Aandeel vanpc 330 binnen de SP 52,15% 51,28% 50,62% 49,74% 49,51% 49,58% 49,30% Bron: Steunpunt WSE Gegevens RSZ DmfA 2014-2 Zowel in de gehele socialprofitsector als binnen PC 330 is er sinds 2008 een procentuele stijging waar te nemen van het arbeidsvolume. De tewerkstellingsgroei binnen PC 330 is in vergelijking met de socialprofitsector wel iets minder sterk toegenomen (+15,6 % tegenover +22,2 %). Zijn aandeel binnen de socialprofitsectordaalt van 52,2 % naar 49,3 %. Zowel binnen PC 330 als de gehele socialprofitsector is het arbeidsvolume in vergelijking met het aantal loontrekkende werknemers op dezelfde manier toegenomen. De tewerkstellingsgroei (er is sprake van een verviervoudiging op 6 jaar tijd) is het sterkst binnen PC 337, maar ook bij de paritaire comités 304, 332 en 331 is er sprake van een sterke stijging van het arbeidsvolume. 4.2.4 De gemiddelde arbeidsduur 44 PC 304: podiumkunsten PC327: beschutte en sociale werkplaatsen PC 331: welzijns- en gezondheidssector(nl) PC 318: gezins- en bejaardenzorg PC 329: socio-culturele sector PC 332: welzijns- en gezondheidssector (FR+D) PC 319: opvoedings- en huisvestingsinstellingen PC 330: gezondheidsinstellingen en diensten PC 337: non-profit sector
PC 330 binnen de social profit sector PC VTE N koppen Arbeidsduur (VTE / koppen) 14 304 5.383 5.276 NVT 337 27.550 32.164 85,65% 329 36.809 45.544 80,82% 319 48.055 64.806 74,15% 327 27.520 37.461 73,46% 330 178.844 242.167 73,85% 332 6.711 9.564 70,17% 331 7.750 11.384 68,08% 318 24.130 38.581 62,54% Social Profit 362.752 486.947 74,50% Bron: Steunpunt WSE - Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 Met iets minder dan 75 % zit de arbeidsduur per tewerkgestelde werknemer binnen PC 330 op het niveau van de socialprofitsector. In vergelijking met de socialprofitsector ligt de arbeidsduur binnen de paritaire comités 337 en 329 gemiddeld gezien hoger. PC 318 kent gemiddeld gezien de laagste arbeidsduur. Voor het PC 304 kunnen we als gevolg van de vele interimcontracten geen correcte weergave geven. 4.2.5 Het gemiddeld aantal loontrekkende werknemers en het gemiddeld arbeidsvolume per instelling 14 Opgelet, de noties «arbeidsvolume» en «loontrekkende werknemers» houden niet op dezelfde manier rekening met meervoudige arbeidsprestaties van een werknemer en met gelijkgestelde periodes (cfr. punt 2.3). De arbeidsduur die in deze tabel wordt voorgesteld moet dus beschouwd worden met enige voorzichtigheid: het gaat om een schatting. PC 304: podiumkunsten PC327: beschutte en sociale werkplaatsen PC 331: welzijns- en gezondheidssector(nl) PC 318: gezins- en bejaardenzorg PC 329: socio-culturele sector PC 332: welzijns- en gezondheidssector (FR+D) PC 319: opvoedings- en huisvestingsinstellingen PC 330: gezondheidsinstellingen en diensten PC 337: non-profit sector 45
PC 330 binnen de socialprofitsector PC N WN N VTE N WG N loontrekkende WN/N WG 15 N VTE/NWG 318 38.581 24.130 107 360,6 225,5 327 37.461 27.520 221 169,5 124,5 319 64.806 48.055 1.305 49,7 36,8 330 242.167 178.844 8.536 28,4 21,0 331 11.384 7.750 802 14,2 9,7 332 9.564 6.711 884 10,8 7,6 337 32.164 27.550 3.939 8,2 7,0 329 45.544 36.809 5.692 8,0 6,5 304 5.276 5.383 868 6,1 6,2 Non-marchand social 486.947 362.752 22.354 21,8 16,2 Bron: Loontrekkende werknemersen VTE: Steunpunt WSE Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 Werkgevers: Website RSZ (Evolutie van de tewerkstelling per PC) Gegevens RSZ DmfA 2014-2 Het gemiddeld aantal loontrekkende werknemers per instelling is het grootst binnen PC 318. Wanneer we de verhouding tussen het gemiddeld aantal werknemers per werkgever en het gemiddeld arbeidsvolume per werkgever bekijken, stellen we vast dat deze subsector een groot aantal deeltijdse tewerkgestelde werknemers bezit. Ook in de PC s 327,319 en 330 werken er in vergelijking met de socialprofitsector gemiddeld meer werknemers per instelling (maar veel minder dan in PC 318). In de PC s 304, 329 en 337 werken er gemiddeld minder dan 10 loontrekkende werknemers per instelling. 4.2.6 Het aantal loontrekkende werknemers naar geslacht Geslacht Totale tewerkstelling Social Profit PC 330 N % N % N % Man 1.786.902 52,53% 116.944 24,0% 40.495 16,7% Vrouw 1.614.799 47,47% 370.003 76,0% 201.672 83,3% Totaal 3.401.701 100% 486.947 100% 242.167 100% Bron: Steunpunt WSE Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 15 Opgelet, het gaat hier om eenschatting vanhet aantal loontrekeknde werknemers perwerkgever en niet van het aantal arbeidsplaatsen per werkgever.> Werknemers die meerdere arbeidsprestaties uitoefenen worden hier maar éénmaal geteld, namelijk voor de hoofdactiviteit. De werkgevers diewerknemers tewerkstellen onder verschillende paritaire comités wordendaarentegen verschillende keren geteld. Voor meer verduidelijkingen rond deze termen, verwijzen wij u naar deel 2 van dit rapport het inleidend kader). 46 PC 304: podiumkunsten PC327: beschutte en sociale werkplaatsen PC 331: welzijns- en gezondheidssector(nl) PC 318: gezins- en bejaardenzorg PC 329: socio-culturele sector PC 332: welzijns- en gezondheidssector (FR+D) PC 319: opvoedings- en huisvestingsinstellingen PC 330: gezondheidsinstellingen en diensten PC 337: non-profit sector
PC 330 binnen de social profit sector Terwijl er in de gehele social profit procentueel meer vrouwen zijn tewerkgesteld (76 %) dan in de totale tewerkstelling (47,5 %), komen er binnen PC 330 procentueel nog meer vrouwen voor (83,3 %). Wat van PC 330 een erg vrouwelijke sector maakt. 4.2.7 Het aantal loontrekkende werknemersnaar leeftijd Leeftijd Totale tewerkstelling SocialProfit + PC 330 N % N % N % < 20 28.063 0,8% 1.617 0,3% 558 0,2% 20-24 241.422 7,1% 30.242 6,2% 16.146 6,7% 25-29 431.971 12,7% 62.955 12,9% 31.359 12,9% 30-34 453.264 13,3% 63.308 13,0% 30.206 12,5% 35-39 433.723 12,8% 60.971 12,5% 30.053 12,4% 40-44 454.803 13,4% 60.921 12,5% 30.184 12,5% 45-49 464.740 13,7% 66.512 13,7% 33.683 13,9% 50-54 444.651 13,1% 70.216 14,4% 35.526 14,7% 55-59 322.791 9,5% 50.943 10,5% 25.386 10,5% > 60 126.273 3,7% 19.262 4,0% 9.066 3,7% Totaal 3.401.701 100% 486.947 100% 242.167 100% Bron: Steunpunt WSE Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 PC 304: podiumkunsten PC327: beschutte en sociale werkplaatsen PC 331: welzijns- en gezondheidssector(nl) PC 318: gezins- en bejaardenzorg PC 329: socio-culturele sector PC 332: welzijns- en gezondheidssector (FR+D) PC 319: opvoedings- en huisvestingsinstellingen PC 330: gezondheidsinstellingen en diensten PC 337: non-profit sector 47
PC 330 binnen de socialprofitsector De effecten van de vergrijzing zijn duidelijk zichtbaar. Zowel binnen PC 330 als in de gehele socialprofitsector merken we sinds 2010 een verschuiving op van de leeftijdscurve. Het aantal werknemers van 50 jaar of ouder is de laatste jaren binnen het PC 330 aanzienlijk verhoogd: van 22 % in 2010 naar 26,6 % in 2012 tot 28,9 % in 2014. Daarnaast treden er in vergelijking met 2010 ook proportioneel iets minder jongeren toe tot de arbeidsmarkt (PC 330). Zo wordt in 2014 19,6 % van de tewerkstelling verzekerd door werknemers van 29 jaar of jonger, daar waar dit in 2010 en 2012 21,6 % en 19,9 % was. In tegenstelling tot 2010 en 2012 waar het belangrijkste aandeel van de tewerkstelling zich proportioneel in de leeftijdsklasse 45-49 jaar situeerde, situeert zich in 2014 de leeftijdsklasse 50-54 jaar als belangrijkste aandeel van de tewerkstelling (14,7 %). De problematiek van de vergrijzing zal in de volgende jaren dus zowel binnen PC 330 als in de socialprofitsector een relatief grote rol blijven spelen. 4.2.8 Het aantal loontrekkende werknemers naar arbeidsstatuut Arbeidsstatuut Totale tewerkstelling Social Profit PCP 330 N % N % N % Arbeider 1.239.006 36,42% 114.140 23,4% 34.768 14,4% Bediende 1.730.366 50,87% 372.807 76,6% 207.399 85,6% Ambtenaar 432.329 12,71% 0 0% 0 0% Totaal 3.401.701 100% 486.947 100% 242.167 100% Bron: Steunpunt WSE Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 In de totale tewerkstelling werkt slechts 50 % van alle loontrekkende werknemers als bediende,in de sector van de social profit is dit 3 op 4. Daarentegen komen er binnen PC 330 met 85 % procentueel nog meer bedienden voor dan gemiddeld gezien in de socialprofitsector. Ter informatie: het onderscheid bedienden-arbeiders is uitdovend enzalvoor arbeidscontracten afgesloten na 1 januari 2014 helemaal verdwijnen. Het onderscheid blijft dus wel nog van toepassing op alle contracten die werden afgesloten voor 1 januari 2014. 48 PC 304: podiumkunsten PC327: beschutte en sociale werkplaatsen PC 331: welzijns- en gezondheidssector(nl) PC 318: gezins- en bejaardenzorg PC 329: socio-culturele sector PC 332: welzijns- en gezondheidssector (FR+D) PC 319: opvoedings- en huisvestingsinstellingen PC 330: gezondheidsinstellingen en diensten PC 337: non-profit sector
PC 330 binnen de social profit sector 4.2.9 Het aantal loontrekkende werknemers naar arbeidsregime Arbeidsregime Totale tewerkstelling Social Profit PC 330 N % N % N % Voltijds 2.156.147 63,38% 214.317 44,0% 97.969 40,5% Deeltijds 1.117.141 32,84% 272.584 56,0% 144.195 59,5% Speciaal 16 124.751 3,67% 46 0% 3 0% Onbepaald 3.662 0,11% 0 0% 0 0% Totaal 3.401.701 100% 486.947 100% 242.167 100% Bron: Steunpunt WSE Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 Binnen de totale tewerkstelling, werkt het merendeel van de werknemers voltijds (63,4 %) en slechts een derde deeltijds (32,8 %). In de socialprofitsector daarentegen, werkt meer dan de helft van de werknemers deeltijds (56 %) en het aantal werknemers dat deeltijds werkt in het PC 330 blijft maar stijgen (59,5 %). We kunnen zowel in de socialprofitsector als in PC 330 een verband leggen tussen de deeltijdse arbeid enerzijds en de sterke vertegenwoordiging van vrouwen onder de werknemers anderzijds. 4.2.10 Het aantal loontrekkende werknemers naar grootteklasse PC 304 0% PC 318 0% 2% 2% 32% 41% 20% 11% 16% 76% < 20 WN. 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. >500 WN. < 20 WN. 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. >500 WN. 16 Met de klasse Speciaal wordt verwezen naar werknemers met zeer korte/onregelmatige contracten (interim, seizoenarbeid, gelegenheidsarbeid in land- en tuinbouw en gelegenheidsarbeid in horeca). PC 304: podiumkunsten PC327: beschutte en sociale werkplaatsen PC 331: welzijns- en gezondheidssector(nl) PC 318: gezins- en bejaardenzorg PC 329: socio-culturele sector PC 332: welzijns- en gezondheidssector (FR+D) PC 319: opvoedings- en huisvestingsinstellingen PC 330: gezondheidsinstellingen en diensten PC 337: non-profit sector 49
PC 330 binnen de socialprofitsector PC 319 PC 327 19% 10% 15% 33% 1% 4% 11% 36% 20% 51% < 20 WN 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. >500 WN. < 20 WN 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. >500 WN. PC 329 11% 14% 23% 4% 48% PC 330 59% 7% 7% 10% 17% < 20 WN 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. >500 WN. < 20 WN 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. >500 WN. PC 331 PC 332 4% 13% 12% 30% 7% 14% 19% 26% 26% 49% < 20 WN 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. >500 WN. < 20 WN 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. >500 WN. PC 337 32% 30% 25% 7% 6% < 20 WN 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. >500 WN. 50 PC 304: podiumkunsten PC327: beschutte en sociale werkplaatsen PC 331: welzijns- en gezondheidssector(nl) PC 318: gezins- en bejaardenzorg PC 329: socio-culturele sector PC 332: welzijns- en gezondheidssector (FR+D) PC 319: opvoedings- en huisvestingsinstellingen PC 330: gezondheidsinstellingen en diensten PC 337: non-profit sector
PC 330 binnen de social profit sector PC < 20 WN 20-49 WN 50-99 WN 100-499 WN > 500 WN Totaal 304 2.175 41,22% 834 15,81% 584 11,07% 1.683 31,90% 0 0% 5.276 100% 318 180 0,47% 666 1,73% 905 2,35% 7.612 19,73% 29.218 75,73% 38.581 100% 319 6.137 9,47% 9.869 15,23% 13.156 20,30% 23.290 35,94% 12.354 19,06% 64.806 100% 327 206 0,55% 1.674 4,47% 4.064 10,85% 19.212 51,29% 12.305 32,85% 37.461 100% 329 21.840 47,95% 10.665 23,42% 5.023 11,03% 6.127 13,45% 1.889 4,15% 45.544 100% 330 17.963 7,42% 16.931 6,99% 23.519 9,71% 42.086 17,38% 141.668 58,50% 242.167 100% 331 3.453 30,33% 2.977 26,15% 2.170 19,06% 1.454 12,77% 1.330 11,68% 11.384 100% 332 4.674 48,87% 2.497 26,11% 709 7,41% 1.326 13,86% 358 3,74% 9.564 100% 337 8.100 25,18% 2.340 7,28% 1.984 6,17% 9.497 29,53% 10.243 31,85% 32.164 100% Social Profit 64.728 13,29% 48.453 9,95% 52.114 10,70% 112.287 23,06% 209.365 43,00% 486.947 100% Totale tewerkstelling 725.399 21,32% 363.043 10,67% 250.662 7,37% 580.032 17,05% 1.482.565 43,58% 3.401.701 100% Bron: Steunpunt WSE Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 Wanneer we kijken naar de verdeling van het aantal loontrekkende werknemers naar grootteklasse, dan valt op dat iets minder dan 60 % van de werknemers binnen PC 330 tewerkgesteld is in instellingen met 500 werknemers of meer, en dat slechts 7 % is tewerkgesteld in een instelling met minder dan 20 werknemers. Dit is een interessante vaststelling gezien de verdeling van het aantal werkgevers naar grootteklasse (84 % van de werkgevers van PC 330 tellen minder dan 20 werknemers).binnen PC 318 is 1 werknemer op vier (76 %) tewerkgesteld in de instellingen met meer dan 500 werknemers. Binnen PC 337, is dat 1 werknemer op 3 (32 %). In de PC s 327 en 319, zijn respectievelijk 51 % en 36 % van de werknemers tewerkgesteld in de instellingen met 100-499 werknemers. Omgekeerd, in de PC s 329 en 332 zijn iets minder dan de helft van de werknemers tewerkgesteld ininstellingen met minder dan 20 werknemers (respectievelijk 48 % en 49 %).Dit is ook het geval voor 41 % van de werknemers van het PC 304, en voor 30 % van de werknemers van het PC 331. 4.2.11 Het arbeidsvolume naar gewest (hoofdzetel werkgever) PC 304: podiumkunsten PC327: beschutte en sociale werkplaatsen PC 331: welzijns- en gezondheidssector(nl) PC 318: gezins- en bejaardenzorg PC 329: socio-culturele sector PC 332: welzijns- en gezondheidssector (FR+D) PC 319: opvoedings- en huisvestingsinstellingen PC 330: gezondheidsinstellingen en diensten PC 337: non-profit sector 51
PC 330 binnen de socialprofitsector PC Vlaanderen Brussel Wallonië Buiten België Totaal N % N % N % N % N % 318 7315,01 30,31% 11143,06 46,18% 5673,74 23,51% 0% 24131,81 100% 319 27670,75 57,58% 4585,93 9,54% 15785,95 32,85% 13,66 0% 48056,29 100% 327 19474,52 70,76% 1647,42 5,99% 6399,19 23,25% 0% 27521,13 100% 329 12.318 33,46% 12.706 34,52% 11.623 31,58% 162,61 0% 36809,8 100% 330 103.862 58,07% 31.051 17,36% 43.920 24,56% 22,37 0% 178856,28 100% 331 6535,91 84,33% 1193,72 15,40% 20,92 0,27% 0% 7750,55 100% 332 5,13 0,08% 2239,51 33,37% 4463,86 66,51% 2,7 0% 6711,2 100% SP- 177.182 53,72% 64.567 19,58% 87.887 26,65% 201 0% 329837,06 100% Bron: SMALS Gegevens RSZ DmfA 2014-2 De regionale verdeling van het arbeidsvolume is gelijkaardig in de SP- en PC 330. In beide gevallen is iets meer dan de helft van het arbeidsvolume tewerkgesteld door instellingen waarvan de sociale zetel gesitueerd is in Vlaanderen, ongeveer één vierde in Wallonië en één vijfdein Brussel. Vlaanderen is evenwel iets beter vertegenwoordigd in PC 330 dan in de SP- (58,1 % tegenover 53,7 %), waardoor Brussel en Wallonië bijgevolg iets minder goed zijn vertegenwoordigd. 4.2.12 Het arbeidsvolume naar provincie (hoofdzetel werkgever) 52 PC 304: podiumkunsten PC327: beschutte en sociale werkplaatsen PC 331: welzijns- en gezondheidssector(nl) PC 318: gezins- en bejaardenzorg PC 329: socio-culturele sector PC 332: welzijns- en gezondheidssector (FR+D) PC 319: opvoedings- en huisvestingsinstellingen PC 330: gezondheidsinstellingen en diensten PC 337: non-profit sector
Brussel Antwerpen Oost-Vl. Buiten België Henegouwen West-Vl. Vl.-Brabant Liuik Limburg Namen W.-Brabant Luxemburg Buiten België Totaal Brussel Antwerpen Oost-Vl. Henegouwen West-Vl. Vl.-Brabant Liuik Limburg Namen W.-Brabant Luxemburg Totaal PC 330 binnen de social profit sector In aantal: PC 318 1.143 1.205 3.785 1.621 1.134 1.091 1.720 99 4 298 386 2 24.132 319 4.586 7.277 7.534 6.603 5.209 3.863 3.222 3.786 101 1.131 903 0 48.056 327 1.647 5.088 3.862 2.763 4.964 3.546 1.314 2.015 9 567 697 44 27.521 329 12.706 4.768 2.541 3.737 1.128 1.941 3.604 1.941 439 1.139 825 14 36.810 330 31.051 29.148 27.364 19.536 21.013 16.258 10.785 10.079 387 3.446 982 0 178.856 331 1.194 1.461 1.189 0 1.111 1.998 5 777 1 13 0 1 7.751 332 2.240 0 0 1.252 0 5 1.396 0 82 685 383 0 6.711 SP- 64.567 48.946 46.276 35.511 34.559 28.702 22.047 18.698 1.023 7.277 4.177 61 329.837 Bron: SMALS - GegevensRSZ DmfA 2014-2 In percentage: PC 318 46,2% 4,99% 15,7% 6,7% 4,7% 4,5% 7,1% 0,4% 6,8% 1,2% 1,6% 0% 100% 319 9,5% 15,14% 15,7% 13,7% 10,8% 8,0% 6,7% 7,9% 8,2% 2,4% 1,9% 0% 100% 327 6,0% 18,49% 14,0% 10,0% 18,0% 12,9% 4,8% 7,3% 3,8% 2,1% 2,5% 0% 100% 329 34,5% 12,95% 6,9% 10,2% 3,1% 5,3% 9,8% 5,3% 6,3% 3,1% 2,2% 0,4% 100% 330 17,4% 16,30% 15,3% 10,9% 11,7% 9,1% 6,0% 5,6% 5,1% 1,9% 0,5% 0% 100% 331 15,4% 18,85% 15,3% 0% 14,3% 25,8% 0,1% 10,0% 0% 0,2% 0% 0% 100% 332 33,4% 0% 0% 18,7% 0% 0,1% 20,8% 0% 11,1% 10,2% 5,7% 0% 100% SP- 19,6% 14,84% 14,0% 10,8% 10,5% 8,7% 6,7% 5,7% 5,7% 2,2% 1,3% 0,1% 100% Bron: SMALS Gegevens RSZ DmfA 2014-2 De verdeling van het arbeidsvolume over de verschillende provincies is gelijkaardig gespreid in de SP- en in PC 330. In beide gevallen is het Brussels Hoofdstelijk Gewest de geografische éénheid waar het grootste arbeidsvolume werd geregistreerd. Dit is vrij logisch voor de SPaangezien het meest aantal sociale zetels van de instellingen in de hoofdstad geregistreerd zijn. Voor het PC 330 is dit een iets wat verassende vaststelling omdat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in termen van aantal werkgevers slechts een derde plaats bekleedt, na Antwerpen en Oost-Vlaanderen. In termen van arbeidsvolume komen deze twee provincies op de tweede en derde plaats, zowel op niveau van de SP- als binnen PC 330. Daarna volgen West-Vlaanderen, Henegouwen en Vlaams-Brabant. PC 304: podiumkunsten PC327: beschutte en sociale werkplaatsen PC 331: welzijns- en gezondheidssector(nl) PC 318: gezins- en bejaardenzorg PC 329: socio-culturele sector PC 332: welzijns- en gezondheidssector (FR+D) PC 319: opvoedings- en huisvestingsinstellingen PC 330: gezondheidsinstellingen en diensten PC 337: non-profit sector 53
De subsectoren van PC 330 5. De subsectoren van PC 330 België 54
De subsectoren van PC 330 Nadat we de socialprofitsector hebben gesitueerd tegenover de andere activiteitensectoren en het PC 330 tegenover de socialprofitsector, gaat dit derde deel inop de verschillende subsectoren van PC 330 (sector van de gezondheidsinrichtingen- en diensten) die worden vertegenwoordigd door FE.BI vzw. De analyses van dit laatste deel behandelen voornamelijk het aantal werkgevers en werknemers in de verschillende subsectoren volgens verschillende criteria (bijvoorbeeld volgens de referentieperiode, de regio, de grootte van de instelling/organisatie enz.). Subsectoren Kengetallen RSZ Beschrijving (zie bijlage voor de officiële benaming 330.01.10 025-072-111 Privé-ziekenhuizen enpsychiatrische verzorgingstehuizen 330.01.20 311-330 Ouderenzorg 330.01.30 911 Thuisverpleging 330.01.41 511 Revalidatiecentra NL 330.01.42 711 Revalidatiecentra FR+D 330.01.51 522 Initiatieven voor beschut wonen NL 330.01.52 522 Initiatieven voor beschut wonen FR+D 330.01.53 522 Wijkgezondheidscentra NL 330.01.54 522 Wijkgezondheidscentra FR+D 330.01.55 522 Bloeddiensten van het Rode Kruis 330.02 422 Bicommunautaire gezondheidsinrichtingen en-diensten 330.03 430 Inrichtingen voor tandprothesen 330.04 722-735 Residuaire gezondheidsinrichtingen en -diensten De beschrijving van de subsectoren staat telkens onderaan de pagina vermeld. Ter herinnering : Alle subsectoren gegroepeerd onder PC 330 worden vertegenwoordigd door de Fondsen binnen vzw FE.BI, met uitzondering van de Inrichtingen voor tandprothesen (330.03). Deze laatste werd bijgevolg niet mee opgenomen in de vergelijkende analyses van de subsectoren binnen PC 330. Noteer dat de subsectoren 330.01.41,.51 et.53 specifiek Nederlandstalige instellingen betreffen en dat het in de subsectoren 330.01.42,.52 en.54 gaat om Franstalige (en Duitstalige) instellingen. In het algemeen worden de subsectoren 330.01.41 et.42 afzonderlijk voorgesteld in de tabellen, maar gegroepeerd gepresenteerd in de grafieken om op die manier een globaal beeld te geven van de situatie van de revalidatiecentra. De zelfde oefening werd gedaan voor de subsectoren 330.01.51 en.52 (initiatieven voor beschut wonen), en 330.01.53 en.54 (wijkgezondheidscentra). De statistieken betreffende de subsectoren moeten met de nodige voorzichtigheid worden beschouwd. Het is inderdaad niet zelden zo dat instellingen hun activiteitensubsector(-en) niet correct identificeren en een foutieve code invullen op hun DmfA-aangifte. Voor de volgende 4 subsectoren hebben we problemen geïdentificeerd: o 330.01.10: volgens de cijfers van de RSZ tellen 37 instellingen uit deze subsector minder dan 20 werknemers. Gezien de karakteristieken van deze subsector is dit echter heel onwaarschijnlijk. Een analyse van onze interne bestanden geeft aan dat het in de meeste gevallen gaat om registratiefouten. o 330.02: de RSZ telt er 44 instellingen, hoewel de sociale partners die in het Beheerscomité van dit Fonds zetelen er slechts 24 identificeren. o 330.01.55: deze subsector wordt geacht om enkel de bloeddiensten van het Rode kruis te omvatten (1 sociale zetel 752 VTE). Hij integreert echter 3 andere instellingen die foutief zijn geregistreerd: de Centrale Afdeling voor fractionering van het Rode Kruis CVBA (234 VTE) en Beschut Wonen (2,7 VTE) en Plissart Damien (0,1 VTE). Bovendien heeft het Rode Kruis tot en met 2010 ook de code 330.01.55 gebruikt om zijn humanitair luik te registreren bij de RSZ. Deze werd in 2011 echter ondergebracht in PC 319; we vinden we dan ook niet meer terug in subsector 330.01.55. 55
De subsectoren van PC 330 o Ten slotte zou ongeveer 10% van de instellingen in de subsector van de autonome revalidatiecentra (330.01.41-42) foutief geregistreerd zijn. Het is het geval voor alle 11 structuren met meer dan 500 werknemers: een aantal revalidatiecentra verbonden aan ziekenhuizen registreren hun personeel foutief onder de code 330.01.41-42 in plaats van 330.01.10. De cijfers rond de verdeling van de werkgevers naar grootteklasse dienen met enige voorzichtigheid te worden beschouwd. Bepaalde werkgevers kunnen, naast hun subsector ook ressorteren onder andere paritaire comités behorende tot andere subsectoren binnen de social profit sector. De gegevens waarover we beschikken zeggen ons niets rond de verdeling van de werknemers van éénzelfde werkgever over de verschillende paritaire comités. We hebben dus de werkgevers ingedeeld volgens het totaal aantal werknemers dat ze tewerkstellen ongeacht het paritair comité waartoe hun werknemers behoren. Dit kan het aantal werknemers per werkgever voor iedere subsector vertekenen en een impact hebben op de grootteklasse van de instellingen. Begripsomschrijving : PC 330 : met inbegrip van de subsector 330.03 PC 330 - : subsector 330.03 niet inbegrepen 56
De subsectoren van PC 330 5.1 Werkgeverskenmerken 5.1.1 Het aantal werkgevers Subsector N % 330.04 6.299 75,48% 330.01.20 1.028 12,32% 330.01.30 466 5,58% 330.01.10 170 2,04% 330.01.54 111 1,33% 330.01.41 72 0,86% 330.01.42 44 0,53% 330.01.51 43 0,52% 330.02 46 0,55% 330.01.53 36 0,43% 330.01.52 26 0,31% 330.01.55 4 0,05% 330-8.345 100% Bron: SMALS - Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 Drie vierden van de werkgevers binnen PC 330 valt onder de bevoegdheid van de subsector 330.04 (residuair). Met 1.028 werkgevers, is de subsector van de ouderenzorg (PC 330.01.20) binnen PC 330- de tweede grootste subsector in aantal werkgevers. Herinneren we ons hier dat de subsector 330.02 volgens de sociale partners 24 in plaats van 44 instellingen telt en dat van de 4 werkgevers van het Rode Kruis er slechts 1 werkgever refereert naar de bloeddiensten van het Rode Kruis; de drie andere zijn registratiefouten en horen niet thuis in deze subsector. 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijkgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed Rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR-D) 330.02: bicommunautaire gezonheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentra (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen 57
De subsectoren van PC 330 5.1.2 Evolutie van het aantal werkgevers Subsector 2010/2 2011/2 2012/2 2014/2 330.01.10 179 100% 181 101,12% 181 101,12% 170 94,97% 330.01.20 1.113 100% 1.081 97,12% 1.067 95,87% 1.028 92,36% 330.01.30 384 100% 400 104,17% 416 108,33% 466 121,35% 330.01.41 71 100% 74 104,23% 78 109,86% 72 101,41% 330.01.42 52 100% 50 96,15% 44 84,62% 46 88,46% 330.01.51 43 100% 44 102,33% 43 100% 43 100% 330.01.52 25 100% 26 104,00% 26 104,00% 26 104,00% 330.01.53 31 100% 32 103,23% 34 109,68% 36 116,13% 330.01.54 98 100% 98 100% 103 105,10% 111 113,27% 330.01.55 4 100% 3 75,00% 3 75,00% 4 100% 330.02 44 100% 43 97,73% 41 93,18% 44 100% 330.04 5.690 100% 5.837 102,58% 5.947 104,52% 6.299 110,70% 330-7.734 100% 7.869 101,75% 7.983 103,22% 8.345 107,90% Bron: SMALS Gegevens RSZ DmfA 2014-2 Bij het merendeel van de subsectoren binnen PC 330 kan er sinds 2010 een groei van het aantal werkgevers vastgesteld worden. De subsectoren van de thuisverpleging (+ 21 %), de Ned. wijkgezondheidscentra (+ 16 %), de Fr. wijkgezondheidscentra (+ 13 %), en de residuaire gezondheidsinrichtingen-en diensten (+ 10 %) zijn qua groei het meest toegenomen, hierbij gevolgd door, Fr. initiatieven voor beschut wonen (+ 4 %) en de Ned. Revalidatiecentra (+ 1 %). Daarentegen kennen de subsectoren van de privé-ziekenhuizen (- 5 %), de ouderenzorg (- 8 %), en de Franstalige revalidatiecentra (- 11 %) een daling van het aantal werkgevers. Een mogelijke verklaring voor de afname van het aantal werkgevers binnen de ouderenzorg dient gezocht te worden in de toename van het aantal fusies in deze subsector. Voor deze subsector zullen we onder punt 5.2.2. trouwens ook zien dat de daling van het aantal werkgevers niet heeft geleid tot een daling van de tewerkstelling; de tewerkstelling is er immers met 23 % toegenomen. Binnen de subsectoren van de Ned. initiatieven voor beschut wonen is het aantal werkgevers ongeveer gelijk gebleven. 58 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR_D) 330.02: bicommunautaire gezondheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentre (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen
De subsectoren van PC 330 5.1.3 Het aantal werkgevers naar grootteklasse Opmerking : bepaalde werkgevers kunnen, naast hun subsector ook ressorteren onder andere paritaire comités behorende tot andere subsectoren binnen de social profit sector. De gegevens waarover we beschikken zeggen ons niets rond de verdeling van de werknemers van éénzelfde werkgever over de verschillende paritaire comités. We hebben dus de werkgevers ingedeeld volgens het totaal aantal werknemers dat ze tewerkstellen ongeacht het paritair comité waartoe hun werknemers behoren. Dit kan het aantal werknemers per werkgever voor iedere subsector en een impact hebben op de grootteklasse van de instellingen die in de grafieken en de tabel worden weergegeven. De cijfers die hieronder worden gepresenteerd dienen dus met enige voorzichtigheid te worden beschouwd. 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijkgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed Rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR-D) 330.02: bicommunautaire gezonheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentra (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen 59
De subsectoren van PC 330 Subsector < 20 WN 20-49 WN 50-99 WN. 100-499 WN > 500 WN onbepaald Totaal N % N % N % N % N % N % 330.01.10 37 21,76% 13 7,65% 8 4,71% 38 22,35% 74 43,53% 0 0% 170 100% 330.01.20 221 21,50% 314 30,54% 294 28,60% 167 16,25% 26 2,53% 6 0,58% 1.028 100% 330.01.30 413 88,63% 9 1,93% 6 1,29% 16 3,43% 11 2,36% 11 2,36% 466 100% 330.01.41 14 19,44% 30 41,67% 12 16,67% 6 8,33% 10 13,89% 0 0% 72 100% 330.01.42 19 41,30% 18 39,13% 4 8,70% 4 8,70% 1 2,17% 0 0% 46 100% 330.01.51 22 51,16% 19 44,19% 1 2,33% 1 2,33% 0 0% 0 0% 43 100% 330.01.52 19 73,08% 5 19,23% 0 0% 1 3,85% 1 3,85% 0 0% 26 100% 330.01.53 24 66,67% 11 30,56% 1 2,78% 0 0% 0 0% 0 0% 36 100% 330.01.54 102 91,89% 9 8,11% 0 0% 0 0% 0 0% 0 0% 111 100% 330.01.55 2 50% 0 0% 0 0% 1 25,00% 1 25,00% 0 0% 4 100% 330.02 31 70,45% 9 20,45% 2 4,55% 2 4,55% 0 0% 0 0% 44 100% 330.04 6.083 96,57% 68 1,08% 21 0,33% 31 0,49% 3 0,05% 93 1,48% 6.299 100% 330-6.987 83,73% 505 6,05% 349 4,18% 267 3,20% 127 1,52% 110 1,32% 8.345 100% Bron: SMALS Gegevens RSZ DmfA 2014-2 Globaal valt op dat 84 % van alle instellingen binnen PC 330- minder dan 20 loontrekkende werknemers telt. Deze sterke vertegenwoordiging van kleine structuren heeft te maken met de subsector van de residuaire gezondheidsinrichtingen en -diensten (330.04) die 75 % van de werkgevers van PC 330- vertegenwoordigt. Welnu, 96,6 % van hen telt minder dan 20 werknemers.vier andere subsectoren tellen eveneens een belangrijk aandeel aan instellingen met minder dan 20 werknemers: de thuisverpleging (88,6 %), de initiatieven voor beschut wonen (59,4 %), de wijkgezondheidscentra (85,7 % en de bicommunautaire gezondheidsinrichtingen en -diensten (70,5 %). Zoals we zullen zien op punt 5.2.11, is het grootste deel van de werknemers van de subsector van de thuisverpleging echter tewerkgesteld in instellingen met 500 werknemers of meer. De subsector van de privé ziekenhuizen telt proportioneel het meest aantal instellingen met 500 werknemers of meer. Volgens de cijfers van de RSZ zou 21,8 % van de instellingen van deze subsector minder dan 20 werknemers tellen, wat erg onwaarschijnlijk is. In de meeste gevallen gaat het dan ook om registratiefouten. 60 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR_D) 330.02: bicommunautaire gezondheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentre (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen
De subsectoren van PC 330 5.1.4 Het aantal werkgevers in de privé sector en de publieke sector Privé Publiek Totaal N % N % N % 330.01.10 170 73,59% 61 26,41% 231 100% 330.01.20 1.028 78,59% 280 21,41% 1.308 100% 330.01.30 466 97,90% 10 2,10% 476 100% 330.01.41-42 118 100% / / 118 100% 330.01.51-52 69 97,18% 2 2,82% 71 100% 330.01.53-54 147 99,32% 1 0,68% 148 100% 330.01.55 4 100% / / 4 100% 330.02 44 100% 0 0% 44 100% 330.04 6.299 100% 0 0% 6.299 100% 330-8.345 95,93% 354 4,07% 8.699 100% Binnen de meeste subsectoren van PC 330 zijn de meerderheid van de instellingen privé instellingen. Binnen de subsectoren van de ziekenhuizen (26 %) en ouderenzorg (21 %) vinden we procentueel het meest aantal publieke instellingen terug. Voor de subsector van de bicommunautaire en residuaire gezondheidsinrichtingen-en diensten bestaat er geen enkele publieke instelling. Voor de openbare revalidatiecentra en openbare bloeddiensten voor het Rode Kruis zijn er geen cijfers beschikbaar. 5.1.5 Het aantal werkgevers naar juridisch statuut In de subsectoren van de ouderenzorg (PC 330.01.20) en de residuaire gezondheidsinrichtingen en diensten (PC 330.04), zijn de RSZ-kengetallen van deze instellingen gelinkt aan hun juridisch statuut (commefcieel) / niet commercieel). Kengetal Werkgevers N % 311 niet commercieel 457 44,72% 330 - commercieel 565 55,28% Totaal 1.022 100% Bron: SMALS Gegevens RSZ DmfA 2014-2 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijkgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed Rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR-D) 330.02: bicommunautaire gezonheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentra (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen 61
De subsectoren van PC 330 Kengetal Werkgevers N % 722 niet commercieel 648 10,56% 735 vrije beroepen 5.488 89,44% Totaal 6.136 100% Bron: SMALS Gegevens RSZ DmfA 2014-2 In de subsector van de ouderenzorg heeft 44,7 % van de instellingen een niet-commercieel statuut en 55,3 % een commercieel statuut. In de subsector van de residuaire gezondheidsinrichtingen en -diensten heeft slechts 10,6 % van de werkgevers een «niet commercieel» statuut. De andere 89,4 % verwijzen naar vrije beroepen die werken in een praktijk van een huisarts, specialist, kinsitherapeut, tandarts en/of ander paramedisch beroep (hoofdactiviteit) en die een beperkt aantal werknemers tewerkstellen. Niettegenstaande het feit dat deze twee subsectoren meer commerciële dan niet commerciële instellingen tellen, zullen we verder zien dat het arbeidsvolume in niet commerciële instellingen groter is dan in commerciële instellingen (verhouding van ongeveer twee derde/één derde). 5.1.6 Het aantal werkgevers naar gewest (hoofdzetel werkgever) Deze analyse illustreert de wijze waarop de sociale zetels van de instellingen (en niet de filialen/instellingen) verdeeld zijn over de verschillende gewesten. 62 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR_D) 330.02: bicommunautaire gezondheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentre (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen
De subsectoren van PC 330 Subsector Vlaanderen Brussel Wallonië Buiten België Totaal N % N % N % N % N % 330.01.10 87 51,18% 33 19,41% 50 29,41% 0 0% 170 100% 330.01.20 466 45,33% 153 14,88% 409 39,79% 0 0% 1.028 100% 330.01.30 228 48,93% 50 10,73% 187 40,13% 1 0,21% 466 100% 330.01.41 68 94,44% 3 4,17% 1 1,39% 0 0% 72 100% 330.01.42 0 0% 13 28,26% 33 71,74% 0 0% 46 100% 330.01.51 40 93,02% 3 6,98% 0 0% 0 0% 43 100% 330.01.52 0 0% 9 34,62% 17 65,38% 0 0% 26 100% 330.01.53 32 88,89% 4 11,11% 0 0% 0 0% 36 100% 330.01.54 0 0% 54 48,65% 57 51,35% 0 0% 111 100% 330.01.55 0 0% 3 75,00% 1 25,00% 0 0% 4 100% 330.02 1 2,27% 40 90,91% 2 4,55% 1 2,27% 44 100% 330.04 3.814 60,55% 679 10,78% 1.796 28,51% 10 0,16% 6.299 100% 330-4.736 56,75% 1.044 12,51% 2.553 30,59% 12 0,14% 8.345 100% Bron: SMALS Gegevens RSZ DmfA 2014-2 Bovenstaande tabel leert ons dat gemiddeld iets meer dan 57 % van de werkgevers van PC 330- hun sociale zetel heeft in het Vlaams Gewest, iets meer dan 31 % in het Waals Gewest en ongeveer 12 % in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (BHG). Deze verdeling werd sterk beïnvloed door deze van de instellingen van de subsector 330.04, die op zichzelf drie vierden van de werkgevers uit de sector telt. In de grafiek merkt u tevens op dat de subsectoren revelidatiecentra (PC 330.01.41-42), initiatieven voor beschut wonen (PC 330.01.51-52) en residuaire gezondheidsinrichtingen (PC 330.04) in vergelijking met PC 330- proportioneel iets meer sociale zetels tellen gelegen in het Vlaams Gewest. Voor de subsectoren ouderenzorg (PC 330.01.2), thuisverpleging (PC 330.01.30) en de wijkgezondheidscentra (PC 330.01.53-54) vinden we in het Waals Gewest proportioneel iets meer sociale zetels dan in PC 330-. De subsector van de wijkgezondheidscentra telt eveneens een belangrijk aandeel aan sociale zetels die gesitueerd zijn in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (ongeveer 48,65 % tegenover 12,5 % van de zetels van PC 330-). Algemeen: merk op dat de subsectoren 330.01.41,.51 et.53 specifiek Nederlandstalige instellingen betreffen en dat het in de subsectoren 330.01.42,.52 et.54 gaat om Franstalige (en Duitstalige) instellingen. Voor 1 instelling (in de tabel aangeduid) gaat het om verkeerde aangiftes die niet geregistreerd zijn onder het juiste paritair comité. Voor de subsector bicommunautaire gezondheidsinstellingen (PC 330.02) tonen de regionale analyses 3 registratiefouten aan (1 in Vlaanderen, 2 in Wallonië). Bovendien zitten er van de 44 geregistreerde instellingen in Brussel volgens de sociale partners slechts 24 op hun plaats. 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijkgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed Rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR-D) 330.02: bicommunautaire gezonheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentra (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen 63
De subsectoren van PC 330 In aantal: 5.1.7 Het aantal werkgevers naar provincie (hoofdzetel werkgever) Subsector Antwerpen Oost- Vl. Brussel West- Vl. Limburg Henegouwen Luik Vl.- Brabant Namen W.- Brabant. Lux. Buiten België 330.01.10 18 21 33 23 9 20 15 16 10 5 0 0 170 330.01.20 113 112 153 104 45 166 122 92 62 36 23 0 1.028 330.01.30 33 55 50 73 38 100 44 29 19 16 8 1 466 330.01.41-42 330.01.51-52 330.01.53-54 12 28 16 15 6 8 18 7 6 2 0 0 118 4 14 12 9 6 3 9 7 3 1 1 0 69 10 13 58 1 4 19 23 4 8 5 2 0 147 330.01.55 0 0 3 0 0 1 0 0 0 0 0 0 4 330.02 0 0 40 0 0 0 0 1 0 2 0 1 44 330.04 1.083 898 679 692 588 542 630 553 276 212 136 10 6.299 330-1.273 1.141 1.044 917 696 859 861 709 384 279 170 12 8.345 Bron: SMALS Gegevens RSZ DmfA 2014-2 In percentage: Subsector Antwerpen Oost- Vl. Brussel West- Vl. Limburg Henegouwen Luik Vl.- Brabant Namen W.- Brabant. Lux. Buiten België 330.01.10 10,59% 12,35% 19,41% 13,53% 5,29% 11,76% 8,82% 9,41% 5,88% 2,94% 0% 0% 100% 330.01.20 10,99% 10,89% 14,88% 10,12% 4,38% 16,15% 11,87% 8,95% 6,03% 3,50% 2,24% 0% 100% 330.01.30 7,08% 11,80% 10,73% 15,67% 8,15% 21,46% 9,44% 6,22% 4,08% 3,43% 1,72% 0,21% 100% 330.01.41 16,67% 38,89% 4,17% 20,83% 8,33% 0% 0% 9,72% 1,39% 0% 0% 0% 100% 330.01.42 0% 0% 28,26% 0% 0% 17,39% 39,13% 0% 10,87% 4,35% 0% 0% 100% 330.01.51 9,30% 32,56% 6,98% 20,93% 13,95% 0% 0% 16,28% 0% 0% 0% 0% 100% 330.01.52 0% 0% 34,62% 0% 0% 11,54% 34,62% 0% 11,54% 3,85% 3,85% 0% 100% 330.01.53 27,78% 36,11% 11,11% 2,78% 11,11% 0% 0% 11,11% 0% 0% 0% 0% 100% 330.01.54 0% 0% 48,65% 0% 0% 17,12% 20,72% 0% 7,21% 4,50% 1,80% 0% 100% 330.01.55 0% 0% 75,00% 0% 0% 25,00% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 100% 330.02 0% 0% 90,91% 0% 0% 0% 0% 2,27% 0% 4,55% 0% 2,27% 100% 330.04 17,19% 14,26% 10,78% 10,99% 9,33% 8,60% 10% 8,78% 4,38% 3,37% 2,16% 0,16% 100% 330-15,25% 13,67% 12,51% 10,99% 8,34% 10,29% 10,32% 8,50% 4,60% 3,34% 2,04% 0,14% 100% Bron: SMALS Gegevens RSZ DmfA 2014-2 Totaal Totaal De provinciale verdeling van de instellingen van PC 330- werd eveneens sterk beïnvloed door deze van de instellingen van de subsector residuaire gezondheidsinrichtingen (PC 330.04), die op zichzelf drie vierden van de werkgevers uit de sector telt. Binnen PC 330- komen werkgevers procentueel vooral voor in de provincies Antwerpen, Oost-Vlaanderen en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De provincie Luxemburg telt procentueel het minst aantal werkgevers. In vergelijking met PC 330- kunnen daarnaast voor de subsectoren nog een aantal conclusies getrokken worden: - Iets meer dan 20 % van de instellingen uit de subsector van de privé-ziekenhuizen (PC 330.01.10) hebben hun sociale zetel in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. - In de subsector van de ouderenzorg (PC 330.01.20) komen het meest aantal sociale zetels van instellingen voor in Henegouwen (16,2 %), gevolgd door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (14,9 %). - De zetels van de instellingen van de thuisverpleging (PC 330.01.30) zijn hoofdzakelijk gesitueerd in de provincies Henegouwen (21,5 %) en West-Vlaanderen (15,7 %). - Iets meer dan een kwart van de sociale zetels van de revalidatiecentra (PC 330.01.41-42) zijn gesitueerd in Oost-Vlaanderen. Het is eveneens in Oost-Vlaanderen dat de meeste initiatieven voor beschut wonen (PC 330.01.51-52) zijn gesitueerd (20,3 % van de zetels). 64 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR_D) 330.02: bicommunautaire gezondheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentre (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen
De subsectoren van PC 330 - De wijkgezondheidscentra (PC 330.01.53-54) zijn op hun beurt heel goed vertegenwoordigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest waar 39,5 % van de zetels gesitueerd zijn. - Voor de subsector van de bicommunautaire gezondheidsinrichtingen-en diensten (PC 330.02), verwijzen we naar de opmerking van punt 5.1.6. - De residuaire gezondheidsinrichtingen-en diensten (PC 330.04) zijn het best vertegenwoordigd in Antwerpen (17,2 %) en Oost-Vlaanderen (14,3 %). 5.2 Werknemerskenmerken 5.2.1 Het aantal arbeidscontracten en het arbeidsvolume De SMALS-RSZ gegevens leveren ons het aantal arbeidscontracten en niet het aantal loontrekkende werknemers. De werknemers die, in de loop van het trimester, meerdere arbeidsprestaties hebben verricht onder verschillende arbeidscontracten (voor meerdere werkgevers of voor éénzelfde werkgever) worden hier dus verschillende maal geteld. 140.000 120.000 131.485 Het aantal arbeidsbetrekkingen per subsector 100.000 80.000 77.727 60.000 40.000 20.000-23.471 11.510 3.269 1.380 1.339 1.226 915 612 608 290 100.000,00 Het arbeidsvolume (in aantal VTE) per subsector 97.652 80.000,00 60.000,00 50.370 40.000,00 20.000,00 15.884 7.481 2.191 989 880 763 665 442 406 187-330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijkgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed Rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR-D) 330.02: bicommunautaire gezonheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentra (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen 65
De subsectoren van PC 330 Subsector Arbeidscontracten VTE Arbeidscontracten % VTE % 330.01.10 131.485 51,8% 97.652,33 54,9% 330.01.20 77.727 30,6% 50.369,60 28,3% 330.04 23.471 9,2% 15.884,31 8,9% 330.01.30 11.510 4,5% 7.480,71 4,2% 330.01.41 3.269 1,3% 2.191,03 1,2% 330.01.55 1.380 0,5% 988,55 0,6% 330.01.42 1.339 0,5% 880,05 0,5% 330.01.54 1.226 0,5% 762,56 0,4% 330.01.51 915 0,4% 664,65 0,4% 330.02 612 0,2% 441,55 0,2% 330.01.53 608 0,2% 405,60 0,2% 330.01.52 290 0,1% 187,44 0,1% 330-253.832 100% 177.908,38 100% Bron: SMALS Gegevens RSZ DmfA 2014-2 De subsector van de privé-ziekenhuizen (PC 330.01.10) is de grootste subsector in termen van arbeidscontracten en arbeidsvolume (131.485 arbeidscontracten en 97.652 VTE), op ruime afstand gevolgd door de ouderenzorg (PC 330.01.20), de residuaire gezondheidsinrichtingen (PC 330.04) en de thuisverpleging (PC 330.01.30). De Franstalige initiatieven voor beschut wonen (PC 330.01.52) vormen de kleinste subsector in termen van arbeidscontracten en arbeidsvolume (290 arbeidscontracten; 187 VTE). 5.2.2 Evolutie van het aantal loontrekkende werknemers 66 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR_D) 330.02: bicommunautaire gezondheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentre (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen
De subsectoren van PC 330 Subsector 2008/2 2009/2 2010/2 2011/2 2012/2 2013/2 2014/2 330.01.10 114.936 100% 117.052 101,84% 121.201 105,45% 123.768 107,68% 125.770 109,43% 127.200 110,67% 128.043 111,40% 330.01.20 58.710 100% 60.402 102,88% 62.832 107,02% 65.379 111,36% 67.057 114,22% 69.267 117,98% 72.260 123,08% 330.01.30 9.119 100% 9.462 103,76% 9.812 107,60% 10.005 109,72% 10.259 112,50% 10.537 115,55% 10.782 118,24% 330.01.41 2.640 100% 2.814 106,59% 2.847 107,84% 2.962 112,20% 3.341 126,55% 3.088 116,97% 3.026 114,62% 330.01.42 1.014 100% 981 96,75% 1.038 102,37% 1.069 105,42% 1.076 106,11% 1.145 112,92% 1.166 114,99% 330.01.51 525 100% 597 113,71% 705 134,29% 740 140,95% 766 145,90% 798 152,00% 854 162,67% 330.01.52 116 100% 159 137,07% 210 181,03% 218 187,93% 231 199,14% 246 212,07% 251 216,38% 330.01.53 281 100% 313 111,39% 432 153,74% 395 140,57% 485 172,60% 535 190,39% 553 196,80% 330.01.54 563 100% 638 113,32% 753 133,75% 794 141,03% 885 157,19% 954 169,45% 1.033 183,48% 330.01.55 2.279 100% 2.083 91,40% 2.191 96,14% 1.682 73,80% 1.354 59,41% 1.370 60,11% 1.330 58,36% 330.02 950 100% 767 80,74% 764 80,42% 599 63,05% 423 44,53% 501 52,74% 540 56,84% 330.04 16.440 100% 18.313 111,39% 18.295 111,28% 19.029 115,75% 20.393 124,05% 20.705 125,94% 21.210 129,01% 330-207.573 100% 213.581 102,89% 221.080 106,51% 226.640 109,19% 232.040 111,79% 236.346 113,86% 241.048 116,13% Bron: Steunpunt WSE Gegevens RSZ DmfA 2014-2 We stellen in de meeste subsectoren van het PC 330 sinds 2008 een verhoging vast van het aantal loontrekkende werknemers. De subsectoren van de Nederlandstalige en Franstalige initiatieven voor beschut wonen en de Nederlandstalige en Franstalige wijgezondheidscentra hebben de grootste groei gekend (respectievelijk + 63 %, + 116 %, + 97 % en + 83 %). Het aantal loontrekkende werknemers in de Franstalige initiatieven voor beschut wonen is zo op zes jaar tijd met meer dan 50 % gegroeid. Het aantal loontrekkende werknemers is ook redelijk gegroeid in de subsectoren privéziekenhuizen (+ 11 %), ouderenzorg (+ 23 %), thuisverpleging (+ 18 %), Franstalige en Nederlandstalige revalidatiecentra (+ 15 %) en de residuaire gezondheidsinrichtingen (+ 29 %). In de subsectoren bloeddiensten Rode kruis (- 42 %) en bicommunautaire gezondheidsinrichtingen (- 43 %) is daarentegen het aantal loontrekkende werknemers verminderd. 5.2.3 Evolutie van het arbeidsvolume 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijkgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed Rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR-D) 330.02: bicommunautaire gezonheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentra (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen 67
De subsectoren van PC 330 Subsector 2008/2 2009/2 2010/2 2011/2 2012/2 2013/2 2014/2 330.01.10 87.771 100% 89.399 101,86% 92.305 105,17% 94.360 107,5% 96.352 109,8% 97.583 111,2% 97.641 111,2% 330.01.20 41.195 100% 42.628 103,48% 44.140 107,15% 46.014 111,7% 47.225 114,6% 48.617 118,0% 50.368 122,3% 330.01.30 6.402 100% 6.619 103,39% 6.846 106,94% 7.007 109,5% 7.212 112,7% 7.358 114,9% 7.481 116,9% 330.01.41 1.896 100% 2.017 106,39% 2.047 107,99% 2.131 112,4% 2.401 126,7% 2.226 117,4% 2.191 115,6% 330.01.42 761 100% 734 96,41% 775 101,78% 807 105,9% 804 105,6% 855 112,3% 880 115,6% 330.01.51 425 100% 479 112,67% 559 131,60% 586 137,9% 611 143,7% 629 147,9% 665 156,4% 330.01.52 89 100% 127 143,28% 154 173,78% 167 188,3% 180 202,7% 182 205,5% 187 211,6% 330.01.53 218 100% 236 108,42% 326 149,55% 292 133,8% 352 161,2% 388 178,1% 406 186,0% 330.01.54 421 100% 476 113,14% 564 133,98% 595 141,5% 652 155,0% 712 169,3% 763 181,2% 330.01.55 1.805 100% 1.633 90,45% 1.695 93,92% 1.281 70,9% 1.006 55,7% 1.015 56,2% 988 54,8% 330.02 759 100% 589 77,59% 574 75,66% 452 59,6% 333 43,8% 397 52,3% 442 58,2% 330.04 12.050 100% 13.583 112,72% 13.587 112,76% 14.146 117,4% 15.180 126,0% 15.482 128,5% 15.884 131,8% 330-153.791 100% 158.520 103,07% 163.573 106,36% 167.838 109,1% 172.308 112,0% 175.444 114,1% 177.896 115,7% Bron: Steupunt WSE Gegevens RSZ DmfA 2008-2 tot 2014-2 De subsectoren van de wijkgezondheidscentra en de initiatieven voor beschut wonen zijn tussen 2008 en 2014 procentueel het sterkst geëvolueerd. Zo is de tewerkstellingsgroei in deze subsectoren op 6 jaar tijd met meer dan de helft toegenomen. Hier moet wel rekening worden gehouden met het feit dat een deel van de groei veroorzaakt kan worden doordat de overgang van PC 305 naar PC 330, 331 en 332 nog niet volledig was afgerond in het tweede trimester van 2008 (registratiefouten gevolgd door aanpassingen). De subsector 330.01.52 is één van de subsectoren die op dit vlak het meeste problemen heeft gekend, wat meteen ook verklaart dat zijn arbeidsvolume op 6 jaar met ongeveer 111 % is toegenomen. Ook in de meeste andere subsectoren is er sprake van een (weliswaar geringere) tewerkstellingsgroei. Enkel bij de bloeddiensten van het Rode Kruis en vooral in de bicommunautaire gezondheidsinrichtingen is de tewerkstelling afgenomen. Bij deze laatste heeft de vermindering van het aantal loontrekkende werknemers en arbeidsvolume te maken met het feit dat tijdens de herstructurering van de sector (cfr. overgang van PC 305 naar PC 330) van het Rode Kruis, de bicommunautaire wijkgezondheidscentra en de bicommunautaire initiatieven voor beschut wonen uit de subsector van de bicommunautaire gezondheidsinrichtingen verwijderd werden en ondergebracht werden in de eigen subsectoren. De afname van de tewerkstelling in de subsector van de bloeddiensten van het Rode Kruis vanaf 2011 heeft te maken met het gegeven dat het humanitaire luik van het Rode Kruis (dat tot voor 2011 deel uitmaakte van deze subsector) in 2011 werd ondergebracht in PC 319. 68 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR_D) 330.02: bicommunautaire gezondheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentre (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen
De subsectoren van PC 330 5.2.4 De gemiddelde arbeidsduur per arbeidscontract Subsector N VTE N arbeidscontracten Gem. arbeidsduur per arbeidscontract (N VTE/N contracten) 330.01.10 97652,33 131.485 74,27% 330.01.51 664,65 915 72,64% 330.02 441,55 612 72,15% 330.01.55 988,55 1.380 71,63% 330.04 15884,31 23.471 67,68% 330.01.41 2191,03 3.269 67,02% 330.01.53 405,6 608 66,71% 330.01.42 880,05 1.339 65,72% 330.01.30 7480,71 11.510 64,99% 330.01.20 50369,6 77.727 64,80% 330.01.52 187,44 290 64,63% 330.01.54 762,56 1.226 62,20% 330-177908,38 253.832 70,09% Bron: SMALS - Gegevens DmfA 2014-2 Binnen de privé-ziekenhuizen, de Nederlandstalige initiatieven voor beschut wonen, de bicommunautaire gezondheidsinrichtingen en de bloeddiensten van het Rode Kruis ligt de arbeidsduur per arbeidscontract in vergelijking met paritair comité 330- gemiddeld gezien hoger (>70%). In de Franstalige revalidatiecentra en binnen de wijkgezondheidscentra ligt de arbeidsduur per arbeidscontract gemiddeld gezien het laagst. 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijkgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed Rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR-D) 330.02: bicommunautaire gezonheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentra (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen 69
De subsectoren van PC 330 5.2.5 Het gemiddeld aantal arbeidscontracten en arbeidsvolume per instelling Subsector N arbeidscontracten N VTE N WG Gem. aantal arbeidscontracten per instelling Gem. arbeidsvolume per instelling 330.01.10 131.485,0 97.652,3 170 773,4 574,4 330.01.55 1.380,0 988,6 4 345,0 247,1 330.01.20 77.727,0 50.369,6 1.028 75,6 49,0 330.01.41 3.269,0 2.191,0 72 45,4 30,4 330.01.42 1.339,0 880,0 46 29,1 19,1 330.01.30 11.510,0 7.480,7 466 24,7 16,1 330.01.51 915,0 664,7 43 21,3 15,5 330.01.53 608,0 405,6 36 16,9 11,3 330.02 612,0 441,6 44 13,9 10,0 330.01.52 290,0 187,4 26 11,2 7,2 330.01.54 1.226,0 762,6 111 11,0 6,9 330.04 23.471,0 15.884,3 6.299 3,7 2,5 330-253.832,00 177.908,38 8.345 30,4 21,3 Bron: SMALS Gegevens RSZ DmfA 2014-2 Gemiddeld genomen zijn er in de privé-ziekenhuizen per instelling het meest aantal voltijdse equivalenten en arbeidscontracten tewerkgesteld. Deze vaststelling is ook terug te vinden voor de subsector van de bloeddiensten van het Rode Kruis. In de residuaire gezondheidsinrichtingen, de Franstalige wijkgezondheidscentra en de Franstalige initiatieven voor beschut wonen zijn er het minst tewerkgesteld. 70 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR_D) 330.02: bicommunautaire gezondheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentre (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen
De subsectoren van PC 330 5.2.6 Het arbeidsvolume naar geslacht 100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 35% 65% Het arbeidsvolume naar geslacht en subsector 90% 86% 80% 77% 77% 70% 60% 40% 30% 20% 23% 23% 14% 10% 22% 78% Man Vrouw Subsector Man Vrouw Totaal N % N % N % 330.01.10 21.960 22,5% 75.693 77,5% 97.652 100% 330.01.20 7.177 14,2% 43.193 85,8% 50.370 100% 330.01.30 722 9,6% 6.759 90,4% 7.481 100% 330.01.41 452 20,6% 1.739 79,4% 2.191 100% 330.01.42 246 27,9% 634 72,1% 880 100% 330.01.51 190 28,6% 474 71,4% 665 100% 330.01.52 66 35,0% 122 65,0% 187 100% 330.01.53 100 24,7% 305 75,3% 406 100% 330.01.54 139 18,2% 624 81,8% 763 100% 330.01.55 397 40,1% 592 59,9% 989 100% 330.02 156 35,4% 285 64,6% 442 100% 330.04 3.696 23,3% 12.189 76,7% 15.884 100% 330-35.299 19,8% 142.609 80,2% 177.908 100% Bron: SMALS Gegevens RSZ DmfA 2014-2 Met meer dan 80 % van het arbeidsvolume gepresteerd door vrouwen, blijft het PC 330- een vooral vrouwelijke sector. Deze vaststelling geldt voor alle subsectoren (voor de ene subsector al wat meer dan voor de andere). De thuisverpleging en de ouderenzorg zijn in termen van arbeidsvolume de subsectoren met procentueel het meest aantal vrouwen. Binnen de bloeddiensten van het Rode Kruis en de bicommunautaire gezondheidsinrichtingen-werken er procentueel gezien het minst vrouwen. 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijkgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed Rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR-D) 330.02: bicommunautaire gezonheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentra (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen 71
De subsectoren van PC 330 5.2.7 Het arbeidsvolume naar leeftijd 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Het arbeidsvolume naar leeftijd en subsector 66% 67% 69% 74% 67% 70% 65% 64% 55% 42% 28% 30% 29% 23% 25% 26% 22% 21% 6% 10% 9% 5% 8% 4% 2% 3% 7% < 25 jaar 25-49 jaar > 49 jaar Subsector < 25 jaar 25-49 jaar > 49 jaar Totaal N % N % N % N % 330.01.10 6.025 6,2% 64.061 65,6% 27.566 28,2% 97.652 100% 330.01.20 5.246 10,4% 33.668 66,8% 11.456 22,7% 50.370 100% 330.01.30 686 9,2% 5.163 69,0% 1.631 21,8% 7.481 100% 330.01.41 140 6,4% 1.442 65,8% 608 27,8% 2.191 100% 330.01.42 26 2,9% 547 62,1% 307 34,9% 880 100% 330.01.51 56 8,4% 437 65,7% 172 25,9% 665 100% 330.01.52 12 6,6% 132 70,5% 43 23,0% 187 100% 330.01.53 13 3,2% 313 77,2% 79 19,6% 406 100% 330.01.54 37 4,8% 556 73,0% 169 22,2% 763 100% 330.01.55 23 2,4% 548 55,5% 417 42,1% 989 100% 330.02 15 3,4% 311 70,4% 116 26,2% 442 100% 330.04 1.039 6,5% 10.233 64,4% 4.612 29,0% 15.884 100% 330-13.319 7,5% 117.412 66,0% 47.177 26,5% 177.908 100% Bron: SMALS Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 De bloeddiensten van het Rode Kruis en de Franstalige revalidatiecentra zijn met respectievelijk 42 % en 35 % de subsectoren met proportioneel het hoogste arbeidsvolume voor werknemers ouder dan 50 jaar. De ouderenzorg telt dan weer het hoogste aandeel (10 %) aan werknemers jonger dan 25 jaar. In vergelijking met 2012 merken we op dat het aandeel van het arbeidsvolume gepresteerd door werknemers ouder dan 49 jaar binnen PC 330- in 2014 proportioneel is toegenomen van 24,4 % naar meer dan 26,5 %. Met uitzondering van de Franstalige centra voor revalidatie en de bicommunautaire gezondheidsinstellingen stellen we deze toename ook vast in alle subsectoren van PC 330-. Daarnaast is binnen PC 330- het aandeel van het arbeidsvolume gepresteerd door werknemers jonger dan 25 jaar proportioneel licht afgenomen van 7,9 % naar 7,5 %. Uitgenomen in de Franstalige ennederlandstalige initiatieven voor beschut wonen (verhoging van 2 %), de Franstalige ennederlandstalige revalidatiecentra, de Franstalige en Nederlandstalige wijkgezondheidscentra en de bicommunautaire gezondheidsinstellingen kan deze afname ook in alle subsectoren vastgesteld worden. 72 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR_D) 330.02: bicommunautaire gezondheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentre (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen
De subsectoren van PC 330 5.2.8 Jong-oud ratio 70 60 50 40 30 20 10 0 29 26 22 Het arbeidsvolume gepresteerd door jongeren (<25 jaar) per 100 oudere werknemers (> 49 jaar) 63 59 51 51 46 42 23 21 18 31 32 27 24 20 20 13 7 6 17 11 13 28 24 23 2010 2012 2014 Subsector < 25 jaar > 49 jaar 2010 2012 2014 Jong/oud ratio < 25 jaar > 49 jaar Jong/oud rationé < 25 jaar > 49 jaar Jong/oud ratio 330.01.10 6.468,3 22.074,0 29,30 6.598,6 25.127,1 26,26 6.025,3 27.565,8 21,86 330.01.20 4.873,5 7.794,1 62,53 4.993,4 9.729,5 51,32 5.245,6 11.456,2 45,79 330.01.30 586,8 1.000,3 58,66 675,9 1.327,4 50,92 686,5 1.631,2 42,08 330.01.41 132,5 462,3 28,67 149,8 598,2 25,05 140,5 608,4 23,09 330.01.42 30,9 256,9 12,03 35,2 282,6 12,44 25,7 307,5 8,36 330.01.51 37,2 112,7 33,00 38,9 142,7 27,23 56,0 172,0 32,54 330.01.52 6,3 28,0 22,35 10,3 37,5 27,56 12,3 43,1 28,55 330.01.53 14,1 61,0 23,12 11,3 64,7 17,52 13,0 79,5 16,31 330.01.54 30,5 122,9 24,77 29,3 139,4 21,04 36,7 169,4 21,66 330.01.55 69,9 529,7 13,19 29,3 406,5 7,21 23,5 416,6 5,63 330.02 21,4 126,5 16,94 10,3 91,8 11,25 15,2 115,5 13,17 330.04 954,2 3.373,5 28,29 984,0 4.098,5 24,01 1.039,2 4.612,1 22,53 330-13.225,5 35.941,7 36,80 13.566,5 42.045,8 32,27 13.319,3 47.177,3 28,23 Bron: SMALS Gegevens RSZ DmfA 2014-2 PC 330- wordt hard getroffen door de vergrijzing van de loontrekkende bevolking. Het aantal werknemers jonger dan 25 jaar en ouder dan 49 jaar nemen beiden sinds 2010 toe, maar de proportie van jongeren ten opzichte van het aantal oudere werknemers neemt sinds 4 jaar af. Bovenstaande tabel laat zien dat,op niveau van PC 330, de ratio van het arbeidsvolume gepresteerd door jongere werknemers versus oudere werknemers geëvolueerd is van 37 jongeren per 100 oudere werknemers in 2010 naar 32 jongeren per 100 oudere werknemers in 2012 en naar 28 jongeren per 100 oudere werknemers in 2014. Ook de meeste subsectoren worden getroffen door de vergrijzing; zo daalt de jong/oud ratio tussen 2010 en 2014 het sterkst binnen de Nederlandstalige en Franstalige revalidatiecentra, de Nederlandstalige wijkgezondheidscentra, de bloeddiensten van het Rode Kruis, de residuaire gezondheidsinrichtingen en nog sterker binnen de subsectoren privé-ziekenhuizen, ouderenzorg en thuisverpleging. De jong/oud ratio is sinds 2012 enkel voor de subsectoren van de Nederlandstalige initiatieven voor beschut wonen en in mindere mate voor de subsectoren van de Franstalige initiatieven voor beschut wonen, de Franstalige wijkgezondheidscentra en de bicommunautaire gezondheidsinstellingen toegenomen. 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijkgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed Rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR-D) 330.02: bicommunautaire gezonheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentra (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen 73
De subsectoren van PC 330 5.2.9 Het arbeidsvolume naar arbeidsstatuut Subsector Arbeider Bediende Totaal N % N % N % 330.01.10 8.819,37 9,0% 88.832,96 91,0% 97.652,33 100% 330.01.20 10.527,01 20,9% 39.842,59 79,1% 50.369,60 100% 330.01.30 143,35 1,9% 7.337,36 98,1% 7.480,71 100% 330.01.41 149,34 6,8% 2.041,69 93,2% 2.191,03 100% 330.01.42 92,79 10,5% 787,26 89,5% 880,05 100% 330.01.51 53,48 8,0% 611,17 92,0% 664,65 100% 330.01.52 22,19 11,8% 165,25 88,2% 187,44 100% 330.01.53 12,80 3,2% 392,80 96,8% 405,60 100% 330.01.54 28,64 3,8% 733,92 96,2% 762,56 100% 330.01.55 49,44 5,0% 939,11 95,0% 988,55 100% 330.02 29,61 6,7% 411,94 93,3% 441,55 100% 330.04 2.232,40 14,1% 13.651,91 85,9% 15.884,31 100% 330-22.160,42 12,5% 155.747,96 87,5% 177.908,38 100% Bron: SMALS - Gegevens DmfA 2014-2 De thuisverpleging (98,1 %, de Nederlandstalige wijkgezondheidscentra (96,8 %) en de Franstalige wijkgezondheidscentra (96,2 %) kennen in termen van arbeidsvolume procentueel het hoogste aandeel aan bedienden. In deze subsectoren werken weinig arbeiders. De ouderenzorg is de subsector met het hoogste arbeidsvolume aan arbeiders (20,9 %). Ter informatie: het onderscheid bedienden-arbeiders is uitdovend en zal voor arbeidscontracten afgesloten na 1 januari 2014 helemaal verdwijnen. Het onderscheid blijft dus wel nog van toepassing op alle arbeidscontracten afgesloten vóór 1 januari 2014. 74 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR_D) 330.02: bicommunautaire gezondheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentre (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen
De subsectoren van PC 330 5.2.10 Het aantal loontrekkende werknemers naar arbeidsregime Subsector Voltijds Deeltijds Spéciaal* Totaal N % N % N % N % 330.01.10 59.106 46,47% 68.094 53,53% 0 0% 127.200 100% 330.01.20 22.817 32,94% 46.449 67,06% 1 0% 69.267 100% 330.01.30 3.194 30,31% 7.343 69,69% 0 0% 10.537 100% 330.01.41 812 26,30% 2.276 73,70% 0 0% 3.088 100% 330.01.42 335 29,26% 810 70,74% 0 0% 1.145 100% 330.01.51 344 43,11% 454 56,89% 0 0% 798 100% 330.01.52 97 39,43% 149 60,57% 0 0% 246 100% 330.01.53 128 23,93% 407 76,07% 0 0% 535 100% 330.01.54 299 31,34% 654 68,55% 1 0,10% 954 100% 330.01.55 642 46,86% 728 53,14% 0 0% 1.370 100% 330.02 262 52,30% 239 47,70% 0 0% 501 100% 330.04 8.566 41,37% 12.137 58,62% 2 0,01% 20.705 100% 330-96.602 40,87% 139.740 59,13% 4 0,00% 236.346 100,00% Bron: Steupunt WSE Gegevens RSZ DmfA 2008-2 à 2014-2 De de Nederlandstalige wijkgezondheidscentra (76 %) en de Nederlandstalige revalidatiecentra (74 %) zijn de twee subsectoren met het hoogste aandeel van loontrekkende werknemers die als hoofdactiviteit een deeltijdse tewerkstelling hebben. Ze worden op korte afstand gevolgd door de subsectoren van de Franstalige wijkgezondheidscentra (71 %) en de thuisverpleging (70 %). Zoals reeds al eerder werd vermeld, is er zowel in de SP als in PC 330 een verband tussen het belang van deeltijdse arbeid en een sterke vertegenwoordiging van vrouwen onder de werknemers in de sector. De subsector bicommunautaire gezondheidsinstellingen (52,3 %) is dan weer de subsector met het hoogste aandeel van loontrekkende werknemers die als hoofdactiviteit een voltijdse tewerkstelling hebben. 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijkgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed Rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR-D) 330.02: bicommunautaire gezonheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentra (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen 75
De subsectoren van PC 330 5.2.11 Het arbeidsvolume naar grootteklasse 330.01.10 8,35% 330.01.20 19,53% 2,57% 13,85% 90,97% 35,58% 28,41% < 20 WN. 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. > 500 WN. niet bepaald < 20 WN. 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. > 500 WN. niet bepaald 330.01.30 67,89% 0,55% 13,78% 1,78% 3,03% 12,97% 330.01.41-42 6,94% 11,10% 27,96% 19,25% 34,75% < 20 WN. 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. > 500 WN. niet bepaald < 20 WN. 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. > 500 WN. niet bepaald 330.01.51-52 1,92% 6,31% 0,52% 330.01.53-54 3,14% 35,88% 29,90% 55,37% 66,96% < 20 WN. 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. > 500 WN. niet bepaald < 20 WN. 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. > 500 WN. 330.01.55 330.02 1,72% 23,67% 23,30% 30,10% 76,05% 44,88% < 20 WN. 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. > 500 WN. niet bepaald < 20 WN. 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. > 500 WN. niet bepaald 330.04 5,94% 30,55% 6,02% 9,22% 48,03% < 20 WN. 20-49 WN. 50-99 WN. 100-499 WN. > 500 WN. niet bepaald 76 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR_D) 330.02: bicommunautaire gezondheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentre (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen
De subsectoren van PC 330 Subsector < 20 WN 20-49 WN 50-99 WN 100-499 WN > 500 WN Niet bepaald Totaal N % N % N % N % N % N % N % 330.01.10 116,18 0,1% 177,07 0,2% 364,05 0,4% 8157,56 8,4% 88837,47 91,0% 0 0% 97652,33 100% 330.01.20 1296,37 2,6% 6977,10 13,9% 14309,86 28,4% 17923,72 35,6% 9837,60 19,5% 24,95 0% 50369,60 100% 330.01.30 1030,94 13,8% 133,00 1,8% 226,57 3,0% 970,17 13,0% 5078,81 67,9% 41,22 0,6% 7480,71 100% 330.01.41 102,56 4,7% 690,74 31,5% 466,99 21,3% 591,03 27,0% 339,71 15,5% 0 0% 2191,03 100% 330.01.42 110,65 12,6% 376,33 42,8% 124,27 14,1% 267,57 30,4% 1,23 0,1% 0 0% 880,05 100% 330.01.51 201,80 30,4% 396,07 59,6% 53,74 8,1% 13,04 2,0% 0 0% 0 0% 664,65 100% 330.01.52 103,97 55,5% 75,70 40,4% 0 0% 3,34 1,8% 4,43 2,4% 0 0% 187,44 100% 330.01.53 174,38 43,0% 194,53 48,0% 36,69 9,0% 0 0% 0 0% 0 0% 405,60 100% 330.01.54 607,82 79,7% 154,74 20,3% 0 0% 0 0% 0 0% 0 0% 762,56 100% 330.01.55 2,80 0,3% 0 0% 0 0% 233,99 23,7% 751,76 76,0% 0 0% 988,55 100% 330.02 132,90 30,1% 198,18 44,9% 102,88 23,3% 7,59 1,7% 0 0% 0 0% 441,55 100% 330.04 7629,27 48,0% 1464,98 9,2% 956,57 6,0% 4853,34 30,6% 942,96 5,9% 37,19 0,2% 15884,31 100% 330-11509,64 6,5% 10838,44 6,1% 16641,62 9,4% 33021,35 18,6% 105793,97 59,5% 103,36 0,1% 177908,38 100% Bron: SMALS Gegevens RSZ Dmfa 2014-2 Bijna 60 % van het arbeidsvolume binnen PC 330- is tewerkgesteld in instellingen met meer dan 500 loontrekkende werknemers en slechts 6,5 % in een instelling met minder dan 20 loontrekkende werknemers. Wanneer we dit laatste vergelijken met de verdeling van het aantal werkgevers volgens grootteklasse is dit een heel interessante vaststelling aangezien 84 % van de instellingen van PC 330- minder dan 20 werknemers telt. Ook voor de subsectoren kunnen in vergelijking met PC 330- een aantal conclusies getrokken worden: - In de subsectoren van de privé-ziekenhuizen en de bloeddiensten van het Rode Kruis vinden we het grootste deel van het arbeidsvolume terug in instellingen met meer dan 500 werknemers (respectievelijk 91 % en 76 %). - Ook in de thuisverpleging werkt 68 % van het arbeidsvolume in een instelling met meer dan 500 werknemers. Een merkwaardige vaststelling gezien we hebben vastgesteld dat de thuisverpleging één van de subsectoren is met proportioneel het meest kleine instellingen. - Binnen de wijkgezondheidscentra, de initiatieven voor beschut wonen en de bicommunautaire gezondheidsinrichtingen-en diensten wordt respectievelijk iets meer dan 97 %, 91 % en 75 % van het arbeidsvolume gepresteerd in instellingen met minder dan 50 werknemers. Zowel binnen de initiatieven voor beschut wonen als binnen de wijkgezondheidscentra tellen de Nederlandstalige instellingen een groter arbeidsvolume in instellingen met 20 à 49 werknemers (tussen de 48 à 59 %) terwijl aan Franstalige en Duitstalige kant het overgrote deel van het arbeidsvolume kan worden teruggevonden in instellingen met minder dan 20 werknemers (tussen de 55 % à 80 %). - In de subsectoren van de ouderenzorg en de revalidatiecentra, is het arbeidsvolume in vergelijking met de andere subsectoren veel beter verdeeld over de verschillende grootteklassen van een instelling. - Tot slot wordt het arbeidsvolume binnen de residuaire gezondheidsinrichtingen-en diensten vooral gepresteerd in heel kleine instellingen (instellingen met minder dan 20 werknemers) en in instellingen met 100 à 499 werknemers. 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijkgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed Rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR-D) 330.02: bicommunautaire gezonheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentra (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen 77
De subsectoren van PC 330 5.2.12 Het arbeidsvolume in de privé sector en in de publieke sector Privé Publiek Totaal N % N % N % 330.01.10 97.652 73,56% 35.102 26,44% 132.754 100% 330.01.20 50.370 66,96% 24.855 33,04% 75.225 100% 330.01.30 7.481 97,77% 170 2,23% 7.651 100% 330.01.41-42 3.071 100% / / 3.071 100% 330.01.51-52 852 96,75% 29 3,25% 881 100% 330.01.53-54 1.168 99,65% 4 0,35% 1.172 100% 330.01.55 989 100% / / 989 100% 330.02 442 100% 0 0% 442 100% 330.04 15.884 100% 0 0% 15.884 100% 330-177.908 74,73% 60.160 25,27% 238.069 100% Binnen de subsector van de ziekenhuizen vinden we ongeveer één vierde van het arbeidsvolume terug in de publieke sector en drie vierde binnen de private sector; binnen de ouderenzorg is dat een verhouding van één derde (publieke sector) twee derde (private sector). Voor de andere subsectoren vinden we de totaliteit van het arbeidsvolume bijna uitsluitend terug binnen de private sector. Voor de bicommunautaire en residuaire gezondheidsinrichtingen-en diensten situeert het arbeidsvolume zich uitsluitend binnen de private sector. Voor de openbare revalidatiecentra en openbare bloeddiensten voor het Rode Kruis zijn er geen cijfers beschikbaar. 5.2.13. Het arbeidsvolume naar juridisch statuut van de werkgever In de subsectoren van de ouderenzorg (PC 330.01.20) en de residuaire gezondheidsinrichtingen en diensten (PC 330.04), zijn de RSZ-kengetallen van deze instellingen gelinkt aan hun juridisch statuut (commercieel/niet-commercieel). Kengetal Arbeidsvolume (VTE) N % 311 niet commercieel 32909,98 65,56% 330 - commercieel 17289,61 34,44% Totaal 50199,59 100% Bron : SMALS Gegevens RSZ DmfA 2014-2 78 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR_D) 330.02: bicommunautaire gezondheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentre (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen
De subsectoren van PC 330 Arbeidsvolume (VTE) Kengetal N % 722 niet commercieel 9512,89 61,95% 735 - commercieel 5841,94 38,05% Totaal 15354,83 100% Bon : SMALS Gegevens RSZ DmfA 2014-2 Niettegenstaande het feit dat deze twee subsectoren meer commerciële dan niet-commerciële instellingen tellen, is het arbeidsvolume gepresteerd in niet-commerciële instellingen in beide gevallen groter dan het arbeidsvolume gepresteerd in commerciële instellingen (verhouding van ongeveer twee derden/één derde). 5.2.14. Het arbeidsvolume naar gewest (hoofdzetel werkgever) Het gewest is hier deze van de sociale zetel van de instelling en niet deze van de instelling of filiaal waar de werknemer zijn prestaties verricht. Het arbeidsvolume naar gewest en subsector 100% 100% 97% 80% 60% 60% 56% 75% 69% 75% 52% 40% 20% 0% 23% 29% 17% 15% 37% 31% 31% 22% 18% 13% 3% 13% 12% 2% 1% 25% 23% Vlaanderen Brussel Wallonië Niet bepaald 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijkgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed Rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR-D) 330.02: bicommunautaire gezonheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentra (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen 79
De subsectoren van PC 330 Subsector Vlaanderen Brussel Wallonië Niet bepaald Totaal N % N % N % N % N % 330.01.10 58.166,07 60% 16.798,86 17% 22.687,40 23% 0 0% 97.652,33 100% 330.01.20 28.144,45 56% 7.611,57 15% 14.613,58 29% 0 0% 50.369,60 100% 330.01.30 5.613,62 75% 234,11 3% 1.629,13 22% 3,85 0% 7.480,71 100% 330.01.41 2.108,87 96% 81,32 4% 0,84 0% 0 0% 2.191,03 100% 330.01.42 0 0% 333,11 38% 546,94 62% 0 0% 880,05 100% 330.01.51 639,79 96% 24,86 4% 0 0% 0 0% 664,65 100% 330.01.52 0 0% 73,62 39% 113,82 61% 0 0% 187,44 100% 330.01.53 366,80 90% 38,80 10% 0 0% 0 0% 405,60 100% 330.01.54 0 0% 328,94 43% 433,62 57% 0 0% 762,56 100% 330.01.55 0 0% 988,44 100% 0,11 0% 0 0% 988,55 100% 330.02 7,71 2% 430,28 97% 2,56 1% 1,00 0% 441,55 100% 330.04 8.202,01 52% 3.994,07 25% 3.671,71 23% 16,52 0% 15.884,31 100% 330-103.249,3 58% 30.938,0 17% 43.699,7 25% 21,37 0% 177.908,4 100% Bon : SMALS Gegevens RSZ DmfA 2014-2 In de tabel kan vastgesteld worden dat gemiddeld ongeveer 58 % van het arbeidsvolume binnen PC 330- geregistreerd is in een instelling gelegen in het Vlaams Gewest; respectievelijk 25 % en 17 % van het arbeidsvolume werkt in een instelling gelegen in het Waals en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In de grafiek merkt u tevens op dat er in de subsectoren privé-ziekenhuizen, thuisverpleging, revalidatiecentra en de initiatieven voor beschut wonen in vergelijking met PC 330- in termen van arbeidsvolume veel werknemers aangetroffen worden die geregistreerd zijn in instellingen gelegen in het Vlaams Gewest (60 à 75 % tegenover 58% in PC 330-). Omgekeerd vinden we voor de subsectoren ouderenzorg en wijkgezondheidscentra in vergelijking met PC 330 (29 à 37 % tegenover 25 % in PC 330-) in termen van arbeidsvolume meer werknemers terug die geregistreerd zijn instellingen gelegen in het Waals Gewest. De wijkgezondheidscentra tellen eveneens een groot arbeidsvolume in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (31 % tegenover 17 % in PC 330). Ter herinnering: merk op dat de subsectoren 330.01.41,.51 et.53 specifiek Nederlandstalige instellingen betreffen en dat het in de subsectoren 330.01.42,.52 et.54 gaat om Franstalige (en Duitstalige) instellingen. Voor 0,84 VTE (in de tabel aangeduid) gaat het om verkeerde aangiftes die niet geregistreerd zijn onder het juiste paritair comité. Voor wat betreft de bicommunautaire gezondheidsinrichtingen en -diensten (330.02), bevestigt de regionale verdeling van het arbeidsvolume het probleem dat al eerder werd aangehaald: van de 44 geregistreerde instellingen in deze subsector zitten er slechts 24 op hun plaats. Voor het overige zou het gaan om registratiefouten, getuige de aanwezigheid van een klein arbeidsvolume in Vlaanderen en Wallonië (in de tabel aangeduid) terwijl deze subsector enkel betrekking zou moeten hebben op het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. 5.2.15. Het arbeidsvolume naar provincie (hoofdzetel werkgever) Net zoals voor de verdeling naar gewest, is de provincie hier deze van de sociale zetel van de werkgever en niet deze van de instelling waar de werknemer zijn prestaties verricht. 80 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR_D) 330.02: bicommunautaire gezondheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentre (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen
Brussel Antwerpen Oost-Vl. West-Vl. Henegouwen Vl.-Brabant Luik Limburg Namen W.-Brabant. Luxemburg Buiten België Totaal Brussel Antwerpen Oost-Vl. West-Vl. Henegouwen Vl.-Brabant Luik Limburg Namen W.-Brabant. Luxemburg Buiten België Totaal De subsectoren van PC 330 In aantal: Subsector 330.01.10 16.798,86 17.407,68 14.928,74 11.241,49 12.038,35 9.568,50 4.346,54 5.019,66 4.969,91 1.332,60 0 0 97.652,33 330.01.20 7.611,57 7.875,10 7.253,00 6.600,14 5.442,70 3.959,04 3.879,92 2.457,17 3.390,84 1.307,37 592,75 0 50.369,60 330.01.30 234,11 844,39 1.730,51 1.245,52 553,41 612,13 511,41 1.181,07 193,02 174,70 196,59 3,85 7.480,71 330.01.41-42 330.01.51-52 330.01.53-54 414,43 379,81 854,73 565,29 129,58 162,61 341,64 146,43 41,55 35,01 0 0 3.071,08 98,48 78,99 167,07 144,09 47,95 126,94 36,41 122,70 22,33 1,00 6,13 0 852,09 367,74 82,83 212,42 2,03 109,23 25,41 256,06 44,11 31,75 22,44 14,14 0 1.168,16 330.01.55 988,44 0 0 0 0,11 0 0 0 0 0 0 0 988,55 330.02 430,28 0 0 0 0 7,71 0 0 0 2,56 0 1,00 441,55 330.04 3.994,07 2.362,06 2.027,75 1.095,92 1.161,30 1.685,68 1.297,87 1.030,60 498,37 552,24 161,93 16,52 15.884,31 330-30.937,98 29.030,86 27.174,22 20.894,48 19.482,63 16.148,02 10.669,85 10.001,74 9.147,77 3.427,92 971,54 21,37 177.908,38 Bon : SMALS Gegevens RSZ DmfA 2014-2 In percentage: Subsector 330.01.10 17,2% 17,8% 15,3% 11,5% 12,3% 9,8% 4,5% 5,1% 5,1% 1,4% 0% 0% 100% 330.01.20 15,1% 15,6% 14,4% 13,1% 10,8% 7,9% 7,7% 4,9% 6,7% 2,6% 1,2% 0% 100% 330.01.30 3,1% 11,3% 23,1% 16,6% 7,4% 8,2% 6,8% 15,8% 2,6% 2,3% 2,6% 0,1% 100% 330.01.41-42 330.01.51-52 330.01.53-54 13,5% 12,4% 27,8% 18,4% 4,2% 5,3% 11,1% 4,8% 1,4% 1,1% 0% 0% 100% 11,6% 9,3% 19,6% 16,9% 5,6% 14,9% 4,3% 14,4% 2,6% 0,1% 0,7% 0% 100% 31,5% 7,1% 18,2% 0,2% 9,4% 2,2% 21,9% 3,8% 2,7% 1,9% 1,2% 0% 100% 330.01.55 100% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% 100% 330.02 97,4% 0% 0% 0% 0% 1,7% 0% 0% 0% 0,6% 0% 0,2% 100% 330.04 25,1% 14,9% 12,8% 6,9% 7,3% 10,6% 8,2% 6,5% 3,1% 3,5% 1,0% 0,1% 100% 330-17,4% 16,3% 15,3% 11,7% 11,0% 9,1% 6,0% 5,6% 5,1% 1,9% 0,5% 0% 100% Bon : SMALS Gegevens RSZ DmfA 2014-2 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijkgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed Rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR-D) 330.02: bicommunautaire gezonheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentra (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen 81
De subsectoren van PC 330 De drie geografische entiteiten waar we voor PC 330 hetgrootste arbeidsvolume terugvinden zijn het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de provincie Antwerpen en Oost-Vlaanderen. Omgekeerd vinden we in de provincie Luxemburg slechts 0,5 % van het arbeidsvolume van PC 330 terug, goed voor 971 VTE waarvan bijna 60 % zich in de subsector van de ouderenzorg bevindt. Voor de verschillende subsectoren kunnen we daarenboven nog de volgende conclusies trekken: - De subsector residuaire gezondheidsinrichtingen volgt de tendens van het PC 330. - In de sector van de privé-ziekenhuizen en de ouderenzorg is het de provincie Antwerpen die het grootste arbeidsvolume registreert, gevolgd door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de provincie Oost-Vlaanderen. - In desubsector thuisverpleging is bijna één vierde van het arbeidsvolume geregistreerd in instellingen waarvan de sociale zetel gesitueerd is in Oost-Vlaanderen. Limburg en West- Vlaanderen registreren elk één iets meer dan 15 % van het arbeidsvolume. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vinden we slechts 3,1 % terug van het arbeidsvolume. - In de subsector van de revalidatiecentra, is het opnieuw Oost-Vlaanderen die het grootste arbeidsvolume registreert (bijna 30 %), gevolgd door West-Vlaanderen (18,4 %). - In de subsector van de initiatieven voor beschut wonen, is ongeveer één vijfde van het arbeidsvolume geregistreerd in Oost-Vlaanderen. West-Vlaanderen, Vlaams Brabant en Limburg registreren elk ongeveer 15 % van het arbeidsvolume. - In de subsector van de wijkgezondheidscentra, is bijna één derde van het arbeidsvolume geregistreerd in instellingen waarvan de sociale zetel gesitueerd is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De provincie Luik registreert 22 % van het arbeidsvolume en de provincie Oost- Vlaanderen 18 %. - In deze tabel merken we voor de subsector bicommunautaire gezondheidsinstellingen opnieuw registratiefouten op. 82 330.01.10: privé-ziekenhuizen 330.01.42: revalidatiecentra (FR-D) 330.01.54: wijgezondheidscentra (FR-D) 330.01.20: ouderenzorg 330.01.51: initiatieven voor beschut wonen (NL) 330.01.55: diensten bloed rode Kruis 330.01.30: thuisverpleging 330.01.52: initiatieven voor beschut wonen (FR_D) 330.02: bicommunautaire gezondheidsinstellingen 330.01.41: revalidatiecentra (NL) 330.01.53: wijkgezondheidscentre (NL) 330.04: residuaire gezondheidsinrichtingen
Synthese 6. Synthese 83
Synthese Werkgevers : Naar aantal werkgevers heeft de socialprofitsector een aandeel van ongeveer 8,4 % binnen de totale tewerkstelling in België en is PC 330 goed voor een aandeel van 38,2 % binnen de gehele social profit. Binnen PC 330 telt de subsector van de residuaire gezondheidsinrichtingen het meest aantal instellingen (liefst 3 op 4). Evolutie werkgevers : Terwijl het aantal werkgevers in alle sectoren tussen 2008 en 2014 licht is gedaald, is het aantal werkgevers in de socialprofitsector sinds 2008 met 31,7 % toegenomen. 64 % van deze groei dient te worden verklaard door de enorme stijging van het aantal werkgevers binnen PC 337. Binnen PC 330 is die groei weliswaar minder sterk (12,1 %). Met uitzondering van de subsectoren van de privé-ziekenhuizen, ouderenzorg en de Franstalige revalidatiecentra (waar het aantal werkgevers is gedaald), kan er in de meeste subsectoren van PC 330 sinds 2010 een groei van het aantal werkgevers vastgesteld worden. De subsectoren van de thuisverpleging, de Ned. en Frans. wijkgezondheidscentra en de residuaire gezonheidsinrichtingen zijn qua groei het meest toegenomen. Werknemers/ arbeidsvolume : In aantal loontrekkende werknemers vormt de social profit met een aandeel van bijna 14 % (na de publieke sector) de tweede grootste sectorgroep binnen de totale tewerkstelling. Met ongeveer 50 % van de tewerkstelling is PC 330 ook de grootste sector binnen de SP. Binnen PC 330 zijn de ziekenhuizen goed voor ongeveer 55 % van het arbeidsvolume, de Franstalige initiatieven voor beschut wonen zijn de kleinste sector. Evolutie tewerkstelling : Terwijl de groei van het arbeidsvolume en het aantal loontrekkende werknemers tussen 2008 en 2014 ongeveer constant is gebleven in België, is er in de socialprofitsector een procentuele stijging waar te nemen van het arbeidsvolume en loontrekkende werknemers (+ 22,5 %). Binnen PC 330 is die groei weliswaar iets minder sterk (ongeveer +16%). Met uitzondering van de subsectoren van de bloeddiensten van het Rode Kruis en de bicommunautaire gezondheidsinrichtingen (waar het aantal loontrekkende werknemers is gedaald), is er in de meeste subsectoren van PC 330 een tewerkstellingsgroei waar te nemen. De wijkgezondheidscentra en de initiatieven voor beschut wonen zijn procentueel het sterkst geëvolueerd. Het aantal WG naar grootteklasse van de instelling :Zowel binnen de SP (81 % WG met < 20 WN) als in PC 330 (84 % WG met < 20 WN) komen er vooral kleine instellingen voor. Binnen PC 330 zijn de thuisverpleging (88,6 % WG met < 20 WN) en de residuaire gezondheidsinrichtingen (96,6 % WG met < 20 WN) de subsectoren met procentueel gezien de meest kleine instellingen ; de ziekenhuizen (43 % WG met > 500 WN) is de subsector met de meest grote instellingen. 84
Synthese Het aantal WN naar grootteklasse van de instelling : Zowel binnen de totale tewerkstelling, de SP als binnen PC 330 verricht een belangrijk deel van de loontrekkende werknemers zijn prestaties in instellingen met meer dan 500 werknemers (respectievelijk 43,6 %, 43 % en 58,5 %). Daarnaast werken er binnen PC 330 (7,4 %) in vergelijking met de gehele social profit (13,3 %) en de totale tewerkstelling (21,3 %) proportioneel minder loontrekkende werknemers in kleine instellingen. De ziekenhuizen (91 %) is de subsector met proportioneel het grootste arbeidsvolume in instellingen met meer dan 500 werknemers. Omgekeerd, kennen de wijkgezondheidscentra (67 %) proportioneel het grootste arbeidsvolume in instellingen met minder dan 20 werknemers. Gemiddeld N werknemers / VTE per instelling : Gemiddeld genomen is er in de socialprofitsector per instelling in vergelijking met de totale tewerkstelling een groter arbeidsvolume tewerkgesteld (16,2 t.o.v. 10,6 VTE). Binnen PC 330 is het gemiddeld arbeidsvolume per instelling nog groter (21 VTE). Binnen PC 330 zijn er in de ziekenhuizen per instelling het meest aantal voltijdse equivalenten tewerkgesteld (574,4 VTE); binnen de residuaire gezondheidsinrichtingen ligt het gemiddeld arbeidsvolume per instelling het laagst (2,5 VTE). Regionale verdeling van de WG : Binnen PC 330 heeft iets meer dan de helft van de werkgevers zijn sociale zetel in Vlaanderen (56 %), 12 % in Brussel en 31 % in Wallonië. In de gehele socialprofitsector is de regionale verdeling iets gelijkmatiger: 45 % van de instellingen heeft zijn sociale zetel in Vlaanderen, 19 % in Brussel en 36 % in Wallonië. De werkgevers binnen de Nederlandstalige revalidatiecentra, de Nederlandstalige initiatieven voor beschut wonen en de residuaire gezondheidsinrichtingen vinden we in vergelijking met de totale tewerkstelling binnen PC 330 proportioneel vooral terug in het Vlaams Gewest; de werkgevers binnen de ouderenzorg, de thuisverpleging en de Franstalige wijkgezondheidscentra zijn dan weer oververtegenwoordigd in het Waals Gewest. Ook in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn er heel wat Franstalige wijkgezondheidscentra terug te vinden. Regionale verdeling van de WN : Zowel voor de totale tewerkstelling, de gehele social profit als PC 330 is de totale tewerkstelling het grootst in instellingen waarvan de sociale zetel zich situeert in het Vlaams Gewest en zijn de meeste werknemers procentueel tewerkgesteld in de provincies Antwerpen en Oost-Vlaanderen. De regionale spreiding van het arbeidsvolume is gelijkaardig in PC 330 en de gehele social profit. In beide gevallen wordt meer dan de helft van het arbeidsvolume gepresteerd in instellingen waarvan de sociale zetel is gelegen in Vlaanderen, ongeveer één vierde in Wallonië en één vijfde in Brussel. De werknemers binnen de ziekenhuizen, de thuisverpleging, de revalidatiecentra en de initiatieven voor beschut wonen zijn in vergelijking met de totale tewerkstelling binnen PC 330 oververtegenwoordigd in het Vlaams Gewest. Daarnaast zijn de werknemers binnen de ouderenzorg en wijkgezondheidscentra in verhouding tot de totale tewerkstelling binnen PC 330 oververtegenwoordigd in het Waals Gewest en zijn de werknemers binnen de wijkgezondheidscentra ook oververtegenwoordigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. 85
Synthese Arbeidsduur : Vergeleken met andere activiteitensectoren binnen de totale tewerkstelling kent de social profit met ongeveer 75 % gemiddeld de derde laagste arbeidsduur per loontrekkende werknemer, wat wijst op hoog aantal deeltijdsen in onze sector. Voor PC 330 ligt dit cijfer op hetzelfde niveau van de SP. Binnen PC 330 zijn de ziekenhuizen de subsector met gemiddeld de hoogste arbeidsduur per arbeidscontract; in de Franstalige wijkgezondheidscentra is deze het laagst. Arbeidsregime : Binnen PC 330 en de social profit treffen we in vergelijking met de totale tewerkstelling proportioneel meer loontrekkende werknemers aan die als hoofdactiviteit een deeltijdse tewerkstelling hebben (respectievelijk 59,5 % en 56 % tegen 32,8 %). Binnen PC 330 zijn de Nederlandstalige wijkgezondheidscentra en de Nederlandstalige revalidatiecentra de subsectoren met het hoogste aandeel aan loontrekkende werknemers die als hoofdactiviteit een deeltijdse tewerkstelling hebben (respectievelijk 76 % en 74 %). Omgekeerd zijn de bicommunautaire gezondheidsinrichtingen-en diensten de subsector met het hoogste aandeel aan loontrekkende werknemers die als hoofdactiviteit een voltijdse tewerkstelling hebben (52 %). Arbeidsstatuut : In de totale tewerkstelling werkt iets meer dan 50 % van de loontrekkende werknemers als bediende; in de social profit is dit ongeveer 3 op 4. In vergelijking met de gehele social profit komen er binnen PC 330 (85 %) procentueel meer bedienden voor. Binnen PC 330 zijn de thuisverpleging, de Nederlandstalige en Franstalige wijkgezondheidscentra de subsectoren waarvan het grootste deel van het arbeidsvolume verzekerd wordt door bedienden (respectievelijk 98,1 %, 96,8 % en 96,2 %). In de subsector van de ouderenzorg wordt het grootste deel van het arbeidsvolume verzekerd door arbeiders (20,9 %). Geslacht : PC 330 is een erg vrouwelijke sector. Vergeleken met de totale tewerkstelling (47,5 %) en in mindere mate met het geheel van de socialprofitsector (76 %) zijn de vrouwen binnen PC 330 met 83,3 % heel sterk vertegenwoordigd. In de thuisverpleging (90,4 %) en de ouderenzorg (85,8 %) treffen we procentueel het meest aantal vrouwen aan, binnen de subsector van de bloeddiensten van het Rode Kruis (59,9 %) het minst. Leeftijd : Vergeleken met de totale tewerkstelling (38,5 %) zijn er tussen 50 en 64 jaar verhoudingsgewijs meer loontrekkende werknemers tewerkgesteld binnen de social profit (respectievelijk 25,7 % t.o.v. 28,5 %). Voor het overige volgt de leeftijdscurve van de werknemers binnen de social profit deze van de totale tewerkstelling. En de curve binnen PC 330 volgt deze van de gehele social profit. De effecten van de vergrijzing zijn duidelijk zichtbaar. Zowel binnen PC 330 als in de gehele socialprofitsector merken we sinds 2010 een verschuiving op van de leeftijdscurve. Zo neemt het aantal werknemers ouder dan 49 jaar binnen PC 330 met de jaren toe: in 2010 werd 22 % van de tewerkstelling verzekerd door werknemers van 50 jaar of ouder, in 2012 was dit 26,6 % en in 2014 is dit al 28,9 %. Daarnaast werd er in 2014 19,6% van de tewerkstelling verzekerd door werknemers jonger dan 30 jaar, daar waar dit in 2010 en 2012 21,6 % en 19,9 % was. Binnen PC 330 kent de subsector van de bloeddiensten van het Rode Kruis (42 %) en de Franstalige revalidatiecentra (35 %) het grootste arbeidsvolume verzekerd door werknemers ouder dan 49 jaar; de ouderenzorg (10 %) is dan weer de subsector met het grootste arbeidsvolume verzekerd door werknemers jonger dan 25 jaar. 86
Synthese Jong-oud ratio : PC 330- en zijn subsectoren worden hard getroffen door de vergrijzing van de loontrekkende bevolking. Terwijl het aantal oudere werknemers (ouder dan 49 jaar) toeneemt neemt het aantal jongere werknemers (jonger dan 25 jaar) af. Bijgevolg neemt eveneens de proportie van jongeren ten opzichte van het aantal oudere werknemers af. Op niveau van de PC 330- is deze ratio geëvolueerd van 37 jongere werknemers per 100 oudere werknemers in 2010 naar 32 in 2012 en slechts 28 jongere werknemers per 100 oudere werknemers in 2014. Binnen de subsectoren van PC 330 daalt de ratio het sterkst binnen de ziekenhuizen, de ouderenzorg en de thuisverpleging. Daarentegen neemt de ratio toe binnen de Nederlandstalige initiatieven voor beschut wonen, en in mindere mate ook in de Franstalige initiatieven voor beschut wonen, de Franstalige wikgezondheidscentra en de bicommunautaire gezondheidsinrichtingen-en diensten. Arbeidsvolume naar juridisch statuut van de WG : Niettegenstaande het feit dat de 2 subsectoren van de ouderenzorg en de residuaire gezondheidsinrichtingen meer commerciële dan nietcommerciële instellingen tellen (respectievelijk 65,5 % en 61,9 %), is het arbeidsvolume gepresteerd in niet-commerciële instellingen in beide subsectoren groter dan het arbeidsvolume gepresteerd in commerciële instellingen (verhouding van ongeveer twee derden/één derde). 87
Bijlage 7. Bijlage 88
Bijlage Lijst van officiële benamingen voor de verschillende paritaire comités en subsectoren gegroepeerd onder paritair comité 330 : PC Officiële benamingen 152 PARITAIR COMITÉ VOOR DE GESUBSIDIEERDE INRICHTINGEN VAN HET VRIJ ONDER- WIJS 225 PARITAIR COMITÉ VOOR DE BEDIENDEN VAN DE INRICHTINGEN VAN HET GESUBSIDI- EERD VRIJ ONDERWIJS 304 PARITAIR COMITÉ VOOR HET VERMAKELIJKHEIDSBEDRIJF 305 PARITAIR COMITÉ VOOR DE GEZONDHEIDSDIENSTEN 318 PARITAIR COMITÉ VOOR DE DIENSTEN VOOR GEZINS-EN BEJAARDENHULP 318.01 PARITAIR SUBCOMITÉ VOOR DE DIENSTEN VOOR GEZINS- EN BEJAARDENHULP VAN DE FRANSE GEMEENSCHAP, HET WAALSE GEWEST EN DE DUITSTALIGE GEMEENSCHAP. 318.02 PARITAIR SUBCOMITÉ VOOR DE DIENSTEN VOOR GEZINS- EN BEJAARDENHULP VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP. 319 PARITAIR COMITÉ VOOR DE OPVOEDINGS-EN HUISVESTINGSDIENSTEN-EN INRICH- TINGEN 319.01 PARITAIR SUBCOMITÉ VOOR DE OPVOEDINGS- EN HUISVESTINGSINRICHTINGEN EN DIENSTEN VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP. 319.02 PARITAIR SUBCOMITÉ VOOR DE OPVOEDINGS- EN HUISVESTINGSINRICHTINGEN EN DIENSTEN VAN DE FRANSE GEMEENSCHAP, HET WAALSE GEWEST EN DE DUITSTALIGE GEMEENSCHAP. 327 PARITAIR COMITÉ VOOR DE BESCHUTTE EN SOCIALE WERKPLAATSEN 327.01 PARITAIR SUBCOMITÉ VOOR DE BESCHUTTE WERKPLAATSEN GESUBSIDIEERD DOOR DE VLAAMSE GEMEENSCHAP OF DOOR DE VLAAMSE GEMEENSCHAPSCOMMISSIE EN DE SOCIALE WERKPLAATSEN ERKEND EN/OF GESUBSIDIEERD DOOR DE VLAAMSE GE- MEENSCHAP. 327.02 PARITAIR SUBCOMITÉ VOOR DE BESCHUTTE WERKPLAATSEN GESUBSIDIEERD DOOR DE FRANSE GEMEENSCHAPSCOMMISSIE. 327.03 PARITAIR SUBCOMITÉ VOOR DE BESCHUTTE WERKPLAATSEN VAN HET WAALSE GE- WEST EN VAN DE DUITSTALIGE GEMEENSCHAP. 329 PARITAIR COMITÉ VOOR DE SOCIO-CULTURELE SECTOR 329.01 PARITAIR COMITÉ VOOR DE SOCIO-CULTURELE SECTOR VAN DE VLAAMSE GEMEEN- SCHAP. 329.02 PARITAIR COMITÉ VOOR DE SOCIO-CULTURELE SECTOR VAN DE FRANSTALIGE EN DUITSTALIGE GEMEENSCHAP EN HET WAALSE GEWEST. 329.03 PARITAIR COMITÉ VOOR DE FEDERALE EN BICOMMUNAUTAIRE SOCIO-CULTURELE ORGANISATIES. 330 PARITAIR COMITÉ VOOR DE GEZONDHEIDSINRICHTINGEN EN -DIENSTEN 331 PARITAIR COMITÉ VOOR DE VLAAMSE WELZIJNS-EN GEZONDHEIDSSECTOR 332 PARITAIR COMITÉ VOOR DE FRANSTALIGE EN DUITSTALIGE WELZIJNS-EN GEZOND- HEIDSSECTOR 337 PARITAIR COMITÉ VOOR DE NON-PROFIT SECTOR 89
Bijlage PC Officiële benamingen 330.01.10 PRIVÉ-ZIEKENHUIZEN DIE ONDERWORPEN ZIJN AAN DE WET OP DE ZIEKENHUIZEN ALSOOK OP DE PSYCHIATRISCHE VERZORGINGSTEHUIZEN 330.01.20 RUSTHUIZEN, RUST- EN VERZORGINGSTEHUIZEN, SERVICE-FLATS, DAGVERZOR- GINGSCENTRA VOOR BEJAARDEN EN DAGCENTRA VOOR BEJAARDEN 330.01.30 DIENSTEN VOOR THUISVERPLEGING DIE RESSORTEREN ONDER HET PARITAIR COMITÉ VOOR DE GEZONDHEIDSINRICHTINGEN EN DIENSTEN 330.01.41 REVALIDATIECENTRA GELEGEN IN HET VLAAMSE GEWEST EN DE NEDERLANDSTALIGE REVALIDATIECENTRA GELEGEN IN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST 330.01.42 REVALIDATIECENTRA GELEGEN IN HET WAALSE GEWEST EN DE FRANSTALIGE REVA- LIDATIECENTRA GELEGEN IN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST 330.01.51 INITIATIEVEN VOOR BESCHUT WONEN DIE GELEGEN ZIJN IN HET VLAAMSE GEWEST EN DE NEDERLANDSTALIGE INITIATIEVEN VOOR BESCHUT WONEN GELEGEN IN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST 330.01.52 INITIATIEVEN VOOR BESCHUT WONEN DIE GELEGEN ZIJN IN HET WAALSE GEWEST EN DE FRANSTALIGE INITIATIEVEN VOOR BESCHUT WONEN GELEGEN IN HET BRUS- SELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST 330.01.53 WIJKGEZONDHEIDSCENTRA DIE GELEGEN ZIJN IN HET VLAAMSE GEWEST EN DE NE- DERLANDSTALIGE WIJKGEZONDHEIDSCENTRA GELEGEN IN HET BRUSSELS HOOFD- STEDELIJK GEWEST 330.01.54 WIJKGEZONDHEIDSCENTRA DIE GELEGEN ZIJN IN HET WAALSE GEWEST EN DE FRANSTALIGE WIJKGEZONDHEIDSCENTRA GELEGEN IN HET BRUSSELS HOOFDSTEDE- LIJK GEWEST 330.01.55 DIENSTEN VOOR HET BLOED VAN HET RODE KRUIS VAN BELGIË 330.02 SECTOR VAN DE BICOMMUNAUTAIRE GEZONDHEIDSINRICHTINGEN EN DIENSTEN EN ANDERE BICOMMUNAUTAIRE WELZIJNSDIENSTEN GELEGEN IN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST 330.04 INSTELLINGEN EN DIENSTEN DIE RESSORTEREN ONDER HET PARITAIR COMITÉ VOOR DE GEZONDHEIDSINRICHTINGEN EN DIENSTEN, MET UITZONDERING VAN DE GE- ZONDHEIDSINRICHTINGEN EN DIENSTEN WAARVOOR EEN SPECIFIEKE COLLECTIEVE ARBEIDSOVEREENKOMST IS AFGESLOTEN MET BETREKKING TOT DE MAATREGELEN MET HET OOG OP DE BEVORDERING VAN DE TEWERKSTELLING. ZIJN EVENWEL UIT- GESLOTEN, DE ONDERNEMINGEN UIT DE BEDRIJFSTAK VAN DE TANDPROTHESE 90