Chemie 4: Atoommodellen



Vergelijkbare documenten
Basis chemie Chemie 6 (2u)

Atomen en elementen. Edelgasconfiguratie zouten en verbindingen. Inhaallessen Basis chemie 15/01/2012

Ar(C) = 12,0 u / 1 u = 12,0 Voor berekeningen ronden we de atoommassa s meestal eerst af tot op 1 decimaal. Voorbeelden. H 1,0 u 1,0.

Samenvatting Scheikunde H3 Door: Immanuel Bendahan

Relatieve massa. t.o.v. de atoommassaeenheid. m(kg) ,66 10 kg

5 Formules en reactievergelijkingen

Rekenen aan reacties 2. Deze les. Zelfstudieopdrachten. Zelfstudieopdrachten voor volgende week. Zelfstudieopdrachten voor deze week

Atoommodel van Rutherford

Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 1 + 2

HOOFDSTUK 11. Kwantitatieve aspecten van reacties

Voorkennis chemie voor 1 Ba Geografie

Hoofdstuk 5 Atoommodellen

3 Atoommodellen Waaruit bestaat een atoom? Rangschikking van de elementen Atoommassa, molecuulmassa en molaire massa...

Cursus Chemie 5-1. Hoofdstuk 5: KWANTITATIEVE ASPECTEN VAN CHEMISCHE REACTIES 1. BELANGRIJKE BEGRIPPEN Relatieve Atoommassa (A r)

I. Basiskennis. Zuivere stof*: Is materie die uit 1 stof bestaat en niet meer gescheiden kan worden door fysische scheidingstechnieken.

Helium atoom = kern met 2 protonen en 2 neutronen met eromheen draaiend 2 elektronen

Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 1

SEPTEMBERCURSUS CHEMIE HOOFDSTUK 3: STOICHIOMETRIE

Samenvatting Scheikunde Hfst. 6 Chemie en schoonmaken

Hoofdstuk 4 Kwantitatieve aspecten

EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 5 OPGAVEN

INTRODUCTIECURSUS BOUWCHEMIE HOOFDSTUK 1: INLEIDING MOLECULEN EN ATOMEN

Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 1 + 2

1. Elementaire chemie en chemisch rekenen

Opgave 1. n = m / M. e 500 mg soda (Na 2CO 3) = 0,00472 mol. Opgave 2. m = n x M

Later heeft men ook nog een ongeladen deeltje met praktisch dezelfde massa als een proton ontdekt (1932). Dit deeltje heeft de naam neutron gekregen.

4. Van twee stoffen is hieronder de structuurformule weergegeven.

Rekenen aan reacties (de mol)

Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 3

Scheikunde Samenvatting H4+H5

3.7 Rekenen in de chemie extra oefening 4HAVO

Natuurlijk heb je nu nog géén massa s berekend. Maar dat kan altijd later nog. En dan kun je mooi kiezen, van welke stoffen je de massa wil berekenen.

Antwoorden deel 1. Scheikunde Chemie overal

EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 5 OPGAVEN

Module 8 Chemisch Rekenen aan reacties

Hoofdstuk 3 Bouwstenen van stoffen. J.A.W. Faes (2019)

Basiskennis 5 chemie 1. I. Basiskennis

Atoombinding structuurformules nader beschouwd (aanvulling 2.4)

universele gasconstante: R = 8,314 J K -1 mol -1 Avogadroconstante: N A = 6,022 x mol -1 normomstandigheden:

Extra oefenopgaven. Inleiding Scheikunde voor anesthesiemedewerkers en operatie-assistenten assistenten i.o. voorjaar 2008

Antwoorden deel 1. Scheikunde Chemie overal

Rekenen aan reacties. Deze les. Zelfstudieopdrachten. Zelfstudieopdrachten voor volgende week. Zelfstudieopdrachten voor deze week

Samenvatting Chemie Overal 3 havo

Samenvatting Scheikunde H3 Reacties

7.1 Het deeltjesmodel

07 MOLECUULFORMULES & CHEMISCHE BINDINGEN PROCESTECHNIEK

Rekenen aan reacties 3. Deze les. Zelfstudieopdrachten. Zelfstudieopdrachten voor volgende week. Zelfstudieopdrachten voor deze week

Hoofdstuk 6: Moleculen en Atomen 6.1) (1) Moleculen ( ( 6.1) Atomen ( ( 6.2) Rekenen aan reacties ( ( 6.3) Molecuulformules ( (

SCHEIKUNDE KLAS 3 REACTIES SKILL TREE

Aantekening Scheikunde Chemie Overal

Hoofdstuk 3-5. Reacties. Klas

Hoofdstuk 1 Atoombouw. Chemie 5 (2u)

3.1 Energie. 3.2 Kenmerken chemische reactie

SCHEIKUNDE KLAS 3 REACTIES SKILL TREE

Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 20 vragen

1 Uit welke deeltjes is de kern van een atoom opgebouwd? Protonen en neutronen.

Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 1 + 2

14 DE ATOOMTHEORIE VAN DALTON PROCESTECHNIEK

1. Elementaire chemie en chemisch rekenen

Hoofdstuk 4. Chemische reacties. J.A.W. Faes (2019)

Rekenen aan reacties 4. Deze les. Zelfstudieopdrachten. Hulp: kennisclips. Zelfstudieopdrachten voor volgende week

Aluminium reageert met zuurstof tot aluminiumoxide. Geeft het reactieschema van deze reactie.

Hoofdstuk 1: Chemie rondom ons

5-1 Moleculen en atomen

Klas 4 GT. Atomen en ionen 3(4) VMBO-TG

I. Basiskennis. ijs. Een chemisch verschijnsel is het verschijnsel waarbij wel nieuwe stoffen ontstaan.

Samenvatting Scheikunde Scheikunde Chemie overal H1 3 vwo

Database scheikunde havo- vwo

Eén mol vrachtauto s wegen ook meer dan één mol zandkorrels en nemen ook veel meer ruimte in. Maar het aantal vrachtauto s in een mol is exact evengro

Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 1 en 2

Elementen; atomen en moleculen

Wednesday, 28September, :13:59 PM Netherlands Time. Chemie Overal. Sk Havo deel 1

LUMC SPECIALISTISCHE OPLEIDINGEN Tentamen Scheikunde voor operatieassistenten i.o. 2007

Paragraaf 1: Fossiele brandstoffen

EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN Dit examen bestaat uit twintig vragen

ZUIVERE STOF één stof, gekenmerkt door welbepaalde fysische constanten zoals kooktemperatuur, massadichtheid,.

woensdag 14 december :06:43 Midden-Europese standaardtijd

Curie Hoofdstuk 6 HAVO 4

1. Elementaire chemie en chemisch rekenen

Module 2 Chemische berekeningen Antwoorden

3. Welke van onderstaande formules geeft een zout aan? A. Al 2O 3 B. P 2O 3 C. C 2H 6 D. NH 3

EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 8 OPGAVEN

In een reactieschema staan de beginstoffen en de reactieproducten van een chemische reactie.

Oefenvragen Hoofdstuk 4 Chemische reacties antwoorden

Antwoorden. 3 Leg uit dat er in het zout twee soorten ijzerionen aanwezig moeten zijn.

Basisscheikunde voor het hbo ISBN e druk Uitgeverij Syntax media

Oefenvragen Hoofdstuk 3 Bouwstenen van stoffen antwoorden

Uitwerkingen Uitwerkingen 4.3.4

Fosfor kan met waterstof reageren. d Geef de vergelijking van de reactie van fosfor met waterstof.

EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN Dit examen bestaat uit twintig vragen

Oefen opgaven rekenen 4 HAVO bladzijde 1

Stoffen, structuur en bindingen

Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 20 vragen

1) Stoffen, moleculen en atomen

Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 2 stoffen en reacties

SCHEIKUNDE VWO 4 MOLBEREKENINGEN ANTW.

Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 2: De aarde, onze hofleverancier

Eindexamen scheikunde havo 2005-II

Wat is de verhouding tussen de aantallen atomen van de elementen Mg, P en O in magnesiumfosfaat?

Transcriptie:

Chemie 4: Atoommodellen Van de oude Grieken tot het kwantummodel Het woord atoom komt va, het Griekse woord atomos dat ondeelbaar betekent. Voor de Griekse geleerde Democritos die leefde in het jaar 400 voor onze tijdrekening waren het de kleinste en dus ondeelbare deeltjes van de materie. Begin 19 de eeuw ontdekte J. Dalton dat de atomen van verschillende elementen zich onderscheidden door hun verschillende massa. Honderd jaar later stelde J.J. Thompson vast dat er in de atomen ladingen moesten aanwezig zijn: hij veronderstelde dat ze bestonden uit een positief geladen materie met daarin negatieve bolletjes, een beetje zoals een krentenpudding. In 1911 deed E. Rutherford een experiment waarbij hij α-deeltjes op een flinterdun goudblaadje afschoot. Hij stelde vast dat het merendeel van de deeltjes ongehinderd door het goudblaadje ging en er slechts een kleine fractie afgebogen werd of teruggekaatst. Hieruit besloot hij dat atomen bestaan uit een zeer kleine positieve kern met daarrond een ijle elektronenmantel. Atomen zijn voor 99.9999999999999% lege ruimte En in 1913 stelde N. Bohr op basis van de kwantummechanica een model voor waarbij de elektronen zich in welbepaalde energieschillen om de kern bevinden: - 1 ste schil (K), maximum............. elektronen - 2 de schil (L), maximum............. elektronen - 3 de schil (M), maximum............. elektronen - 4 de schil (N), maximum............. elektronen Kortom, een elektronenconfiguratie met maximum............ elektronen op schil n, met een maximum van............ op de buitenste schil en............ op de voorlaatste schil.

Samenstelling van atoomkernen In het periodiek systeem staan de elementen gerangschikt volgens de massa van de atomen. Atomen zijn neutraal. Voor elke negatieve lading van de elektronen in de mantel is er een positieve lading van een proton in de kern. Het aantal protonen of elektronen wordt weergegeven door het atoomgetal (Z). De massa van een atoom wordt weergegeven door de atoommassa (A). Geef het atoomgetal, de atoommassa (afgerond naar het dichtstbijzijnde geheel getal) en de elektronenconfiguratie voor de volgende elementen: Element Atoomgetal Atoommassa Elemtronenconfiguratie Zwavel 16 32 2, 8, 6 Waterstof Helium Koolstof Zuurstof Argon Broom Uranium De massa van een proton bedraagt ongeveer 1,66.10-27 kg. De massa van een elektron is bijna 1800 keer kleiner en bijgevolg nagenoeg verwaarloosbaar in de massa van een atoom. Hoewel de kern dus zeer klein is bevat ze wel het grootste deel van de massa van een atoom. In het periodiek systeem zien we als atoommassa voor waterstof 1,0079 staan. Dat is de relatieve atoommassa die overeenkomt met de massa van één proton. Een heliumatoom heeft........... elektronen en dus ook........... protonen. De relatieve massa van een heliumatoom is evenwel............, dat is........... keer meer dan waterstof. Verklaring:............................................................................ Dus: m proton m neutron 1,66.10-27 kg

Geef het atoomgetal, de relatieve atoommassa, het aantal protonen en het aantal neutronen voor de volgende elementen: Element Atoomgetal Atoommassa Protonen Neutronen Waterstof 1 1 1 0 Helium Koolstof Zuurstof Zwavel Argon Broom Uranium Stofhoeveelheid en molaire massa m proton m neutron............ g Bereken hoeveel atomen waterstof in 1 g waterstof zitten:.................................... Bereken hoeveel atomen in 4 g helium zitten:............................................... Getal van Avogrado: N A = 6,022.10 23 deeltjes Stofhoeveelheid: 6,022.10 23 deeltjes noemen we een mol Bereken de massa (in g) van een mol (6,022.10 23 deeltjes) van de volgende elementen: - Waterstof: - Helium: - Koolstof: - Broom: Bereken de massa van de stofhoeveelheden of het aantal mol van de gegeven massa s: Element Stofhoeveelheid (n) Massa (m) Zuurstof 3,0 mol Zwavel 100 g Argon 2,34 mol Uranium 22 g

Molaire massa van elementen en stoffen De molaire massa van een stof is de massa (in g) per mol: - Waterstof: M H = 1 g/mol - Helium: M He = 4 g/mol - Koolstof: M C = - Zuurstof: De molaire massa van een element komt dus overeen met de relatieve atoommassa A, of het aantal kerndeeltjes (nucliden: protonen en neutronen samen). Isotopen Hoeveel bedraagt de atoommassa van chloor (2 cijfers na de komma)?... Dit is geen geheel getal. Verklaring:............ Isotopen zijn atomen van hetzelfde element, dus met hetzelfde aantal.......................... maar met een verschillende massa omdat ze een verschillend aantal.................... hebben. Vermits ze dezelfde elektronenconfiguratie hebben, hebben isotopen van eenzelfde element dezelfde chemische eigenschappen. Molecuulmassa Een watermolecule bestaat uit:... De relatieve massa van deze atomen bedraagt:... Bereken de massa van een mol watermoleculen:... Bereken de molaire massa van water: M H2O =... Bereken de molaire massa van de volgende stoffen: - Waterstofgas: M H2 = - Koolstofdioxide: M CO2 = - Zwavelzuur: - Zuurstofgas: - Ammoniak: - Keukenzout:

Bereken de massa van 3,0 mol water:...................................................... Bereken de stofhoeveelheid van 100 g water:............................................... Formules: N = m / M en m = n. M Bereken de massa van de stofhoeveelheden of het aantal mol van de gegeven massa s: Stof Stofhoeveelheid (n) Massa (m) Water 1,0 kg Zwavelzuur 20 mol Keukenzout 1,0 kg Ammoniak 17 g Koolstofdioxide 2,34 mol Chemisch rekenen Geef de reactievergelijking van de reactie van waterstofgas met zuurstofgas tot water: Dit wil zeggen dat 2 moleculen waterstofgas reageren mat 1 molecule zuurstofgas om 2 moleculen water te vormen. Noteer in een reactievergelijking hoeveel moleculen nodig zijn om 4 moleculen water te vormen: Noteer in een reactievergelijking hoeveel moleculen waterstofgas reageren met 10 moleculen zuurstofgas: Noteer hoeveel moleculen reageren met 6,022.10 23 moleculen zuurstofgas: Noteer dit in mol in plaats van het aantal moleculen: Dit is dus terug de oorspronkelijke reactievergelijking. We mogen zo n reactie dus gerust interpreteren als stofhoeveelheden die reageren en gevormd worden.

Reken uit welke massa s overeenkomen met deze stofhoeveelheden: Verifieer de wet van Lavoisier:............................................................ Bereken welke massa s beginstoffen nodig zijn om 100 g water te vormen: Bereken hoeveel waterstofgas nodig is om met 20 g zuurstofgas te reageren: 1. Bereken hoeveel gram zuurstofgas nodig is om 100 g glucose (C 6 O 6 H 12 ) te verbranden. 2. Hoeveel kg zuurstof is er nodig om een halve kg butaan volledig te verbranden tot CO 2 en H 2 O? 3. Men bereidt waterstofgas door de reactie tussen zink en waterstofchloride. Bereken welke massa waterstofgas bereid kan worden met 100 g zink. 4. Bereken hoeveel kilogram ammoniak men kan bereiden door de reactie tussen 200 g distikstof en 600 g waterstofgas. Hoeveel van welke stof is in overmaat aanwezig? 5. Hoeveel gram Na 2 SO 4 ontstaat er uit zwavelzuur en keukenzout als er 100 g zoutzuur gevormd is? 6. Men laat 100 g broomgas reageren met 100 g aluminiumpoeder. Hoeveel gram aluminiumbromide ontstaat er en hoeveel van welke stof is in overmaat aanwezig? 7. Een vlucht van Londen naar Berlijn duurt 2,5 uur. Een jumbojet verbruikt daarbij 10 ton brandstof (C 12 H 26 ) per uur. Hoeveel CO 2 (uitgedrukt in g) wordt er geproduceerd bij zo n vlucht? 8. Hoeveel g calciumoxide wordt gevormd indien men 100 g calcium laat reageren met zuurstof? 9. Bereken hoeveel kilogram koolstofdioxide uitgestoten wordt als men met een volkswagen gti (verbruik 6,0 l/100 km) met benzinemotor (octaan) naar de kust rijdt (110 km). 10. Hoeveel gram chloorgas heeft men nodig om met 5 g calcium te reageren tot calciumchloride? 11. 4,0 kg ongebluste kalk (CaO) reageert met water en vormt gebluste kalk (Ca(OH) 2 ). Hoeveel water is nodig? 12. Hoeveel gram koolstof en zuurstofgas moeten onderling reageren om 20 g CO 2 te vormen?