Lesbrief Taalverzorging 2F Onderdelen van deze lessenreeks (zie bijlage 1 lesbrief): Behandelen van de theorie: o Werkwoorden vervoegen: tegenwoordige tijd, verleden tijd en voltooid deelwoord. o Meervoudsvorming. o Hoofdlettergebruik. o Regels meervouds n bij zelfstandig gebruikte verwijzing. Leerlingen maken diverse Wintoetsen. Leerlingen oefenen met hoofdlettergebruik. Leerlingen oefenen met adequaat taalgebruik in zakelijke communicatie. De beoordeling van de producten geschiedt op niveau 2F. DOEL Gebruiken van verzorgde taal bij het vervaardigen van schrijfproducten. VOORSTEL LESOPZET Les Activiteit Duur (schatting) 1 Behandelen 40 min. Gaat in op werkwoordvervoeging, theorie. in aansluiting op voorkennis van de leerlingen. Maken van één of meer Wintoetsen. Docent Leerlingen Benodigdheden Doen actief mee, o.m. bij Probeer het zelf. 15 min. Begeleidt. Maken Wintoets naar keuze. Theorie Werkwoorden vervoegen : persoonsvorm, stam, tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord. Wintoetsen van Grammatica werkwoorden - Oefenen. Toelichting: Een essentieel onderdeel van Taalverzorging is het correct spellen van werkwoordsvormen. Hiertoe is het belangrijk dat de leerlingen de theorie nogmaals aangereikt krijgen en dat ze oefenen met het vervoegen van de werkwoorden. Les Activiteit Duur (schatting) 2 Behandelen 15 min. Gaat in op meervoudsvormen die theorie. een uitzondering op de regel -en/-s vormen. Docent Leerlingen Benodigdheden Doen actief mee, o.m. door zelf voorbeelden aan te dragen. Theorie Meervoud : lastige meervoudsvormen. 1
Maken van ca. twee Wintoetsen. Behandelen hoofdlettergebruik. 20 min. Begeleidt. Maken Wintoets naar keuze. 15 min. Bespreekt in welke gevallen hoofdletters worden toegepast. Doen actief mee, o.m. door zelf voorbeelden aan te dragen. Wintoetsen van Woordenschat en spelling - Oefenen. Theorie Hoofdlettergebruik. Toelichting: U als docent ontkomt er bij Taalverzorging niet aan om droge theorie te behandelen (of deze door de leerlingen zelfstandig te laten bestuderen). Daarom is het goed de les te onderbreken door de leerlingen een tweetal Wintoetsen te laten maken. Les Activiteit Duur (schatting) 3 Behandelen regels 15 min. Gaat in op de sommige(n), situaties enkele(n), alle(n) waarin aan e.d. dergelijke woorden een n toegevoegd wordt, of juist Maken van Wintoets bij deze theorie. Oefenen met hoofdletters en kleine letters. Docent Leerlingen Benodigdheden Worden hier actief bij betrokken. niet. 15 min. Begeleidt. Maken Wintoets. 15 min. Begeleidt. Voeren (individueel of in tweetallen) de opdracht uit. Theorie Sommige/enkele/ beide/vele/alle. Wintoets Sommige/enkele/ beide/vele/alle. Opdracht Wel of geen hoofdletters?. Toelichting: De stof rond Taalverzorging kan het beste worden geoefend met behulp van Wintoetsen. Ter afwisseling is hier een korte opdracht m.b.t. hoofdlettergebruik toegevoegd. 2
Les Activiteit Duur (schatting) 4 Beoordelen wanneer 15 min. Begeleidt. Vervangen moeilijke woorden moeilijke wel of niet gebruikt woorden door moeten worden. makkelijker te begrijpen woorden Inzien dat vage formuleringen vermeden moeten worden. Wintoets naar keuze Docent Leerlingen Benodigdheden (individueel). 20 min. Begeleidt. Voeren de opdracht uit (individueel of in tweetallen). Opdracht Moeilijke woorden. Opdracht Vage formuleringen plus bijlage. Toelichting: Ter afsluiting van deze lessenreeks wordt nog ingegaan op de eisen die aan zakelijke communicatie kunnen worden gesteld. De leerlingen oefenen met het al dan niet gebruiken van moeilijke woorden en het concretiseren van vage formuleringen. Er blijft waarschijnlijk tijd over aan het eind van de les. U kunt overwegen de leerling nog een Wintoets te laten maken die betrekking heeft op de behandelde theorie: werkwoorden, hoofdletters, meervouden. PRODUCTEN De leerlingen leveren het volgende in, wat u zelf kunt beoordelen of door medeleerlingen kunt laten beoordelen: Resultaten van de Wintoetsen (deze hoeft u uiteraard niet zelf te beoordelen, maar u wilt ze mogelijk wel bekijken). Resultaat van de opdracht over hoofdlettergebruik. Resultaat van de opdracht over moeilijke/makkelijke woorden. Herschreven zinnen van de opdracht over vage formuleringen. RELATIE MET REFERENTIEKADER 2F Taalverzorging Meervoud-s na klinker (meisjes, garages, fuchsia s, cafés). Meervouds n bij zelfstandig gebruikte verwijzing (allen versus alle). Persoonsvorm: a) homofone gevallen: tegenwoordige tijd stam op d enkelvoud (hij wordt/word). b) tegenwoordige tijd (klankvaste of zwakke) werkwoorden, enkelvoud. c) verleden tijd (klankvaste of zwakke) werkwoorden met stam op d of t. Leestekens: Hoofdletters bij eigennaam en directe rede. 3
Theorie en opdrachten Werkwoorden vervoegen Volg het schema Veel mensen vinden het lastig om werkwoorden op de juiste manier te vervoegen. Toch is het minder moeilijk dan het lijkt. Het enige wat je moet doen is het schema van de figuur consequent toepassen. Je moet daarvoor wel weten wat de volgende begrippen inhouden: persoonsvorm stam Schema voor het vervoegen van werkwoorden. Persoonsvorm Als je de werkwoorden goed wilt vervoegen, moet je weten wat de persoonsvorm in de in is. Om de persoonsvorm te vinden ga je eerst alle werkwoorden in de in op oeken. De persoonsvorm is namelijk altijd een werkwoord. Daarna ga je kijken welke werkwoordsvorm de persoonsvorm is. Daarvoor ijn er de volgende mogelijkheden: 1. Je verandert de in van tijd Het werkwoord dat je verandert, is de persoonsvorm. 2. Je et de in in de vragende vorm Het eerste werkwoord in de in is de persoonsvorm. 3. Als de in in het enkelvoud staat, maak je er meervoud van en als de in in het meervoud staat, maak je er enkelvoud van Het werkwoord dat verandert is de persoonsvorm. Zin Mogelijkheden om de persoonsvorm te vinden Persoonsvorm De honden blaften de hele buurt bij elkaar. 1. De honden blaffen de hele buurt bij elkaar. 2. Blaften de honden de hele buurt bij elkaar? 3. De hond blaft de hele buurt bij elkaar. blaften Vind jij dit een mooie kleur? 1. Vond jij dit een mooie kleur? 2. - 3. Vinden jullie dit een mooie kleur? Vind 1/13
Nooit werd hij ergens voor uitgenodigd. 1. Nooit wordt hij ergens voor uitgenodigd. 2. Werd hij nooit ergens voor uitgenodigd? 3. Nooit werden zij ergens voor uitgenodigd. werd Kalid heeft al jong zijn ouders verloren en nu zorgt zijn oma voor hem. 1. Kalid had al jong zijn ouders verloren en nu zorgde zijn oma voor hem. 2. Heeft Kalid al jong zijn ouders verloren? Zorgt zijn oma nu voor hem? 3. Zij hebben al jong hun ouders verloren en nu zorgen hun oma s voor hen. heeft, zorgt Wijs in de volgende zinnen de persoonsvorm aan. Probeer het elf Miranda wordt overmorgen bevorderd tot brigadier. persoonsvorm Wanneer heb je dat bestand voor het laatst opgeslagen? Ik moet voor Engels nog drie voldoendes halen. Zul je voorzichtig rijden? Tamara staat bij de fietsenstalling op je te wachten. persoonsvorm persoonsvorm persoonsvorm persoonsvorm Hoeveel keer heeft hij geprobeerd het record te verbeteren? persoonsvorm In het museum worden alle zalen opnieuw ingericht. Ik ben vergeten het bibliotheekboek terug te brengen. persoonsvorm persoonsvorm Stam De stam kunnen we het gemakkelijkst omschrijven als de ik-vorm van een werkwoord, dus: buig (van buigen) loop (van lopen) hak (van hakken) verf (van verven) Wat is de stam van de volgende werkwoorden? Probeer het elf krijgen strekken stelen beloven zeggen stam stam stam stam stam telefoneren stam eten stam verzamelen stam 2/13
Tegenwoordige tijd De tegenwoordige tijd gebruiken we voor dingen die op dit moment spelen. Ook kom je hem vaak tegen bij dingen die op korte termijn gebeuren (straks, morgen). Ik vind dat geen leuke film. Hanna blijft nog even bij de oppas. Je mag m'n fiets lenen. Ik heb straks even tijd voor je. Morgen koopt ze eindelijk die nieuwe tas. Het onderwerp bepaalt de spelling van de persoonsvorm. De regel voor de tegenwoordige tijd luidt: Als het onderwerp ik is, of als de persoonsvorm v r je/jij staat, schrijf je alleen de stam (ik loop, loop je/loop jij?) Bij alle andere onderwerpen die enkelvoud zijn, schrijf je de stam + t. Als je onderwerp meervoud is schrijf je het hele werkwoord. Ik word morgen achttien. Jij haalt vast een voldoende. Haal jij Ramon van school? Mieke gooit de bal het eerst. Hij verliest bijna nooit. Wij kopen elke week zes broden. Jullie moeten op tijd thuis zijn. Zij wachten al een half uur op de trein. Vul in de volgende zinnen de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd in. Probeer het elf Schrijven: Zij... heel onduidelijk. Leiden: Ik... jullie naar het eindpunt. Volgen: Wij... een cursus Spaans. Melden: Yoessoef... zijn dochter ziek. tegenw. tijd tegenw. tijd tegenw. tijd tegenw. tijd Zoeken: De kinderen... paddestoelen in het bos. tegenw. tijd 3/13
Beloven: Jij... van alles, maar maakt niets waar. tegenw. tijd Blazen: De wind... alle wolken weg. tegenw. tijd Vertrekken: Mijn buren... morgen naar Madrid. tegenw. tijd Verleden tijd en voltooid deelwoord Verleden tijd Als een gebeurtenis voorbij is, spreek je hier vaak over door een persoonsvorm in de verleden tijd te gebruiken. Bij het gebruik van de verleden tijd, moet je weten dat er twee soorten werkwoorden bestaan: 1. sterke werkwoorden 2. zwakke werkwoorden Sterke werkwoorden Sterke werkwoorden kunnen zelf door een klinkerverandering de verleden tijd aangeven. Meestal kies je automatisch de goede vorm. staan: Zojuist stond hier nog een asbak. helpen: Bernard hielp zijn vader met snoeien. verliezen: Ik verloor van hem met schaken. zien: Zag je die zwarte vogel? Zwakke werkwoorden Bij de zwakke werkwoorden krijg je de verleden tijd door -te(n) of -de(n) achter de stam, dus de ik-vorm, te zetten. Om uit te maken welke van de twee mogelijkheden van toepassing is, kijk je naar de medeklinker die voor de uitgang -en van het hele werkwoord staat. De regel is: als voor de uitgang -en van het hele werkwoord een medeklinker staat die voorkomt in T KoFSCHiP, zet je in de verleden tijd -te(n) achter de stam. Het gaat dus om de volgende medeklinkers: t k f s ch p 4/13
Bij een andere medeklinker, of een klinker, zet je -de(n) achter de stam. Hele werkwoord Laatste letter voor -en Tegenw. tijd Verleden tijd wachten t (ik) wacht (ik) wachtte boffen f (ik) bof (ik) bofte braden d (ik) braad (ik) braadde werken k (ik) werk (ik) werkte passen s (ik) pas (ik) paste leven v (ik) leef (ik) leefde gooien i (ik) gooi (ik) gooide Op zich is dit niet zo moeilijk. Je moet alleen bedacht zijn op de dubbele d en de dubbele t, zoals in: Ik stootte de vaas om. De brandweerman bevrijdde de opgesloten jongen. Wij lustten die erwtensoep niet. Zij beantwoordde de vraag niet. Ook moet je letten op werkwoorden die voor de uitgang -en van het hele werkwoord een v of een hebben, die je in de stam als f of s gaat schrijven. De v en moet je onthouden om de juiste spelling van de verleden tijd te kunnen maken. ik verfde de kamer het hele werkwoord is verven, dus er staat een v voor -en hij verhuisde naar Nijkerk het hele werkwoord is verhuizen, dus er staat een z voor -en Let op De o en de i in T KoFSCHiP doen niet mee! Het gaat alleen om de medeklinkers. Omdat ook de x zich gedraagt als de medeklinkers van T KoFSCHiP, hoor je ook wel eens dat men het heeft over T ex-kofschip. (De x spreek je immers uit als 'ks'.) 5/13
Voltooid deelwoord Een voltooid deelwoord is de vorm van het werkwoord die samen voorkomt met eenhulpwerkwoord. Hulpwerkwoorden zijn bijvoorbeeld: hebben zijn worden Zo'n hulpwerkwoord is dan de persoonsvorm. Het werkwoord dat overblijft is een voltooid deelwoord. Veel mensen hebben moeite met de juiste schrijfwijze van het voltooid deelwoord. Een voltooid deelwoord begint vaak met ge-, be-, ont-, er-, her-, ver- of mis-: Zin Persoonsvorm Voltooid deelwoord Ik heb in Utrecht gestudeerd. heb gestudeerd Hij heeft zijn been bewogen. heeft bewogen De fout wordt ontdekt. wordt ontdekt Hij had dat zelf ervaren. had ervaren Zij heeft haar vraag herhaald. heeft herhaald De kans is verkeken. is verkeken De voorstelling was mislukt. was mislukt T KoFSCHiP Ook bij het voltooid deelwoord moet je uitgaan van de medeklinkers die voorkomen in T KoFSCHiP. De regel is: als voor de uitgang -en van het hele werkwoord een medeklinker staat die voorkomt in T KoFSCHiP, eindigt het voltooid deelwoord op een -t. Zin Persoonsvorm Volt. deelw. Hele ww Hij heeft te lang gepraat. heeft gepraat praten 6/13
De hond heeft de hele nacht geblaft. heeft geblaft blaffen Zij is voor haar rij-examen gezakt. is gezakt zakken Jullie hebben zaterdag gevist. hebben gevist vissen De auto wordt gesleept. wordt gesleept slepen Zij heeft over haar cijfers gepocht. heeft gepocht pochen Hij heeft het contract gefaxt. heeft gefaxt faxen Je ziet dat je de ch als één geheel moet beschouwen. Let op! Dit geldt voor zwakke werkwoorden. Het voltooid deelwoord van sterke werkwoorden wordt niet regelmatig gevormd. Kijk bijvoorbeeld maar naar: trekken - trok - getrokken helpen - hielp - geholpen klimmen - klom - geklommen Als één van de overige medeklinkers voor de uitgang -en van het hele werkwoord staat, krijgt het voltooid deelwoord een d aan het eind. Dit zijn de medeklinkers b, d, g, l, m, n, r, v en z. Bij klinkers voor de uitgang '-en' gebeurt hetzelfde. Zin Persoonsvorm Volt. deelw. Hele ww Hij heeft over zijn studie getobd. heeft getobd tobben Het licht wordt gedimd. wordt gedimd dimmen De kip heeft een ei gelegd. heeft gelegd leggen Zij hebben een schuurtje gebouwd. hebben gebouwd bouwen Zij is geslaagd voor haar tentamen. is geslaagd slagen Hij heeft er goed van geleefd. heeft geleefd leven Hij heeft zich over jou verbaasd. heeft verbaasd verbazen De hei heeft mooi gebloeid. heeft gebloeid bloeien Als je verbaasd en geleefd bekijkt, zou je misschien denken dat ze verkeerd gespeld zijn. Toch kun je in het schema zien waarom de spelling juist is. Voor de uitgang -en van het hele werkwoord zie je in het ene geval een -v en in het andere geval een -. Deze komen niet voor in T KoFSCHiP, dus moet het voltooid deelwoord op een -d eindigen. Iets dergelijks geldt voor verhuizen en geloven: Wij zijn naar Deventer verhuisd. Irma heeft altijd in zijn onschuld geloofd. 7/13
Tip In dit soort gevallen kun je veel hebben aan de spellingcontrole van je tekstverwerker. Een woord als gebouwt wordt door Word bijvoorbeeld niet goed gerekend, want het bestaat niet. Toch moet je voorzichtig zijn: Word keurt verhuist en verhuisd allebei goed. Deze woorden komen namelijk allebei voor, al is het in verschillende situaties. De spellingcontrole kan niet zien welk woord in welke situatie gebruikt moet worden. Vul in de volgende zinnen de persoonsvorm in de verleden tijd in, óf het voltooid deelwoord. Probeer het elf Lopen: We hebben uren door het bos... Krijgen: Op haar verjaardag... Hanna veel cadeaus. Antwoorden: Ik... niet toen hij wat vroeg. Roepen: Heb jij de kinderen al...? Vragen: Ik heb dat boek te leen... Missen: Gisteren... ik net de trein. Vliegen: Mijn ouders... met Lufthansa naar Frankfurt. Boffen: De meisjes... met zulke rijke grootouders. Kennen: Zij heeft haar vader nooit... Luiden: Hebben de kerkklokken al...? Denken: Jullie... dat jullie op tijd waren? Wachten: Ik heb veel te lang op hem... volt. deelw. verl. tijd verl. tijd volt. deelw. volt. deelw. verl. tijd verl. tijd verl. tijd volt. deelw. volt. deelw. verl. tijd volt. deelw. Meervoud Lastige meervoudsvormen Niet altijd kun je het meervoud van een woord maken door -en of -s achter het enkelvoud te zetten. Hieronder volgen enkele meervoudsvormen die je misschien niet allemaal even logisch vindt. Het woord eindigt op een klinker Er zijn woorden die eindigen op een van de volgende klinkers: a i o u y De meervouds-s kan dan niet gewoon maar vastgeplakt worden aan de klinker. Er moet een apostrof ( ) tussengevoegd worden. Kijk maar eens naar de volgende woorden: 8/13
camera - camera s alibi - alibi s auto - auto s paraplu - paraplu s baby - baby s De regel die zegt dat je eerst een apostrof en dan een s toevoegt, gaat alleen maar op als er na de medeklinker maar één klinker komt. Bij premies en niveaus kun je de s gewoon aan het woord plakken. De regel geldt ook niet voor de letter e: in zones, pakjes en cafés komt geen apostrof voor. Het woord eindigt op -ie Veel mensen hebben ook moeite met de meervoudsvorming van woorden als categorie en bacterie. Bij dit soort woorden zijn er twee mogelijkheden: 1. Soms krijgt de bestaande e een trema en wordt deze gevolgd door een n. 2. In andere gevallen krijg je in de meervoudsvorm een dubbele e (waarvan de laatste met een trema) +n. Om uit te maken wat je moet kiezen, ga je uit van de klemtoon die het woord in het enkelvoud krijgt: In bacterie krijgt de e de meeste nadruk (dus de één na laatste lettergreep). In categorie krijgt de ie de meeste nadruk (dus de laatste lettergreep). Voor het meervoud betekent dit dat je achter bacterie alleen een n plaatst, terwijl de e een trema krijgt: bacteriën. Dit is de eerstgenoemde mogelijkheid. Achter categorie plaats je ën: categorieën (mogelijkheid 2). Vergelijkbaar met bacterie zijn bijvoorbeeld kolonie en porie. Op dezelfde wijze als categorie gaan parfumerie en carrosserie. Het woord eindigt op -it of -ik Hieronder volgen nog enkele meervoudsvormen die extra aandacht verdienen: perzik - perziken monnik - monniken havik - haviken kievit - kieviten In deze woorden valt de nadruk niet op de laatste lettergreep en de regel is dat er dan geen verdubbeling van de laatste medeklinker optreedt. Hoofdlettergebruik Zinnen en eigennamen Een nieuwe zin begint met een hoofdletter, dat is niet zo moeilijk. Maar wat geldt er verder als het om hoofdlettergebruik gaat? We geven hieronder een aantal situaties waarin je een hoofdletter gebruikt: 1. Het eerste woord van een in begint met een hoofdletter. Toch is er ook hier een uitzondering: als een zin begint met een afgekapt woord, dan krijgt de tweede letter een hoofdletter. Bijvoorbeeld: 9/13
s Nachts is het rustig op de wegen. Ook het begin van een citaat begint met een hoofdletter, bijvoorbeeld: De nieuwe leraar zei: 'Nu moeten jullie eens heel goed naar me luisteren.' 2. Eigennamen beginnen me een hoofdle er. Hieronder verstaan we: namen van God, heilige personen of zaken; voor- en achternamen van personen: Jan Smit, Rob Stenders, Jeroen van Inkel (maar: de heer Van Inkel) afleidingen van namen als ze nog als zodanig herkend worden: Nobelprijs, Mariabeeld (maar: sint-bernardshond) aardrijkskundige namen en afgeleiden daarvan: Nederland, Engels, Zuid-Afrika, Noord-Amerikaans, de Nederlandse taal, Belg feestdagen: Koninginnedag, Pasen, Kerstmis (maar samenstellingen met een kleine letter: paashaas, kerstnacht) bedrijven en instellingen: Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten, Nederlandse Spoorwegen 10/13
merken: Volkswagen, Ga elle, Auping titels van boeken, kranten en tijdschriften: De Wetten, De Volkskrant, Panorama titels van personen als daar geen eigennaam op volgt: Koningin (maar koningin Beatrix), President, Inspecteur Maar: De namen van de dagen van de eek en van de maanden worden met een kleine letter geschreven, dus: maandag en januari Sommige/enkele/beide/ ele/alle Het Nederlands kent ogenoemde onbepaalde hoofdtel oorden. De e geven een hoeveelheid aan die niet precies vaststaat. en ijn: vele sommige enkele alle Vergelijk bijvoorbeeld: Ik heb drie dagen vrij. Ik heb enkele dagen vrij. Het bepaalde hoofdtelwoord 'drie' egt precies om hoeveel dagen het gaat. Het onbepaalde hoofdtelwoord 'enkele' laat dit in het midden. Het kan om twee dagen, maar ook om vijf dagen gaan De e woorden kun je ook elfstandig gebruiken: velen sommigen 11/13
enkelen allen Voor veel mensen is het niet duidelijk wanneer je nou enkele gebruikt en wanneer enkelen. Hetzelfde geldt voor alle, vele, sommige, beide en nog een aantal van dergelijke woorden. ('Beide' is overigens een bepaald hoofdtelwoord.) Je kunt het beste de volgende regel toepassen. Regel Voeg een -n toe als het woord zelfstandig gebruikt wordt én als het slaat op personen Kijk maar eens naar de volgende voorbeeldzinnen: Fout Goed Reden Je moet beidenhoofdstukken doornemen. Je moet beidehoofdstukken doornemen. beide is niet zelfstandig gebruikt, maar hoort bij hoofdstukken. Niet alle mensen zijn aanwezig. Enkele zijn niet op komen dagen. Niet alle mensen zijn aanwezig. Enkelenzijn niet op komen dagen. Enkelen is zelfstandig gebruikt en heeft betrekking op personen. Sommige van jullie hebben het werk nog niet af. Sommigen van jullie hebben het werk nog niet af. Sommigen is zelfstandig gebruikt en heeft betrekking op personen. Zijn twee honden zijnbeiden goed afgericht. Zijn twee honden zijnbeide goed afgericht. beide is zelfstandig gebruikt, maar heeft niet betrekking op personen. 1 Wel of geen hoofdletters? Bij de e opdracht leer je of je woorden aan het begin een hoofdletter of een kleine letter moet geven. Aantal personen: 1 of 2 Benodigde tijd: ca. 15 minuten 1. Bekijk onderstaande tekst goed. Elk jaar is het op 11 November sint-maarten. De kinderen gaan dan langs de huizen en zingen een liedje. daarmee hopen zij snoepjes te krijgen. Dit jaar belden ze aan bij Mevrouw de Jong in de parkstraat. Zij was niet thuis, haar dochter margriet deed de deur open. Margriet vond een grote trommel vol dropveters, bounty s en twixen. Ze gaf alle kinderen iets uit de trommel. Tevreden gingen de kinderen verder. Het volgende huis waar ze aanbelden, was van de Familie van Damme. Daar kregen ze geen snoepjes want mevrouw van Damme houdt niet van Rooms- Katholieke rituelen. 12/13
2. Verander waar dat nodig is kleine letters in hoofdletters en omgekeerd. (Als je alleen werkt, kun je vraag 3 overslaan en stuur je je werk ter correctie naar je docent.) 3. Vergelijk je werk met dat van een medestudent 4. Kijk je werk na met behulp van het antwoordenblad dat je docent je kan geven. Eisen aan zakelijke communicatie 1 Moeilijke woorden Je moet je taal altijd aanpassen aan de situatie waarin je de taal gebruikt. In een formele situatie gebruik je vaak wat moeilijkere woorden, maar weet jij welk makkelijk woord je voor de volgende moeilijke woorden kunt gebruiken? Aantal personen: 1 Benodigde tijd: ca. 15 minuten 1. Doe de volgende oefening om te kijken of je moeilijke woorden kunt vervangen door makkelijker te begrijpen woorden. Oefening moeilijke/makkelijke woorden 2. Sla het resultaat van je opdracht op in je portfolio. 2 Vage formuleringen Bijlage 2: Document met 'vage formuleringen' Duidelijkheid in je tekst bereik je door woorden te gebruiken die precies aangeven wat je bedoelt. Woorden als veel, weinig, vaak, hoog, laag, klein, groot zijn vaag. Je kunt zulke vage formuleringen beter precies omschrijven: hoe veel? Hoe vaak? Hoe groot? etc. Aantal personen: 1 of 2 Benodigde tijd: ca. 20 minuten 1. Download het document hiernaast. 2. Bekijk de tien innen en onderstreep de vage formuleringen. (Als je alleen werkt, kun je vraag 3 overslaan en mail je je werk ter correctie naar je docent of kijk je je antwoorden na met behulp van het antwoordenblad in de kantlijn.) 3. Vergelijk je antwoorden met die van je medestudent. Hebben jullie de elfde vage formuleringen gevonden? Zo nee, wie heeft er gelijk? Overleg, wanneer je er niet uitkomt, met je docent. 4. Wanneer jullie het eens ijn over de vage formuleringen, al het niet moeilijk ijn de innen te herschrijven tot duidelijke innen. Doe dit eventueel ge amenlijk. 5. Doe de uitwerking van de e opdracht in je portfolio. 13/13