visiedocument identiteit Geloof en hulpverlening binnen cluster care
Inhoudsopgave 1 Inleiding 2 1.1 Aanleiding en doel 2 1.2 Relevantie 2 1.3 Rehabilitatie en spiritualiteit 2 1.4 Spiritualiteit en christelijk geloof 3 1.5 Hoofdstukindeling 4 2 De rol van het christelijk geloof bij beschermd wonen en ambulante woonbegeleiding 5 2.1 Het creëren van een christelijke woonomgeving in de BW s van Eleos 5 2.2 Het ondersteunen van de identiteit in de leefomgeving van de cliënt 6 2.3 Identiteit in het begeleidingsproces en het gebruik van NSM 6 2.4 Spirituele interventies in de (ambulante) woonbegeleiding 7 3 De rol van het christelijk geloof in de arbeidsrehabilitatie 8 3.1 De christelijke visie op arbeid 8 3.2 Het creëren van een christelijke arbeid- en trainingsomgeving 8 3.3 Identiteit in het begeleidingsproces en het gebruik van NSM 9 3.4 Spirituele interventies in de ATC s 10 4 De identiteit van de begeleider in relatie tot de begeleiding van de cliënt 11 4.1 De identiteit van de begeleider 11 4.2 De rol van de begeleider bij spirituele interventies 11 4.3 Ondersteuning voor de begeleider bij het vormgeven van spiritualiteit 12 4.4 Effecten van ziekte op geloofservaring en geloofspraxis 12 5 Visie op samenwerking met pastoraat 13 5.1 Vormgeving van samenwerking met pastoraat 13 5.2 De rol van de kerk als netwerk 13 6 Inventarisaties 14 6.1 Noodzakelijke theoretische kennis en vaardigheden voor begeleiders 14 6.2 Inventariseren van morele dilemma s 14 Bijlage 1 Voorbeelden van spirituele interventies in de (woon)begeleiding 15 Bijlage 2 Voorbeelden van spirituele interventies in de arbeidsrehabilitatie 17 1
1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel In het Eleos beleidsplan 2006-2009 schrijft de Raad van Bestuur dat het identiteitsbeleid het belangrijkste terrein is waarop Eleos zich onderscheidt van andere aanbieders binnen de GGZ. In het document Visie op gereformeerde (psychiatrische) zorg is het identiteitsbeleid van Eleos op hoofdlijnen beschreven. Het doel van dit document is een concrete beschrijving van de manier waarop het christelijk geloof gestalte krijgt in de begeleiding van mensen die bij Eleos: a. wonen met begeleiding; b. ambulante woonbegeleiding of c. een vorm van arbeidstraining c.q. dagbesteding krijgen. 1.2 Relevantie In de begeleiding die cliënten van Eleos ontvangen bij wonen en werken staat rehabilitatie centraal. In de werkwijze, wordt rehabilitatie als volgt omschreven: Rehabilitatie is de gerichtheid op het dagelijks welbevinden van de cliënt, om met meer succes en naar eigen tevredenheid te wonen, werken of te leren en sociale contacten te hebben in de omgeving van eigen keuze, met zo min mogelijk professionele GGZ-hulp. Het dagelijks welbevinden van de cliënt wordt mede beïnvloed door de identiteit van de cliënt, de rol die geloof speelt in het leven van de cliënt en het perspectief wat het geloof de cliënt biedt. Daarom is een afgeleid doel voor de begeleiding: Het betrekken van de identiteit in de begeleiding van de cliënt, ter bevordering van het welbevinden en herstel van de cliënt. Met het beschrijven van de rol van het christelijk geloof in de begeleiding van cliënten wil Eleos laten zien respectvol om te gaan met het meest waardevolle van cliënten, namelijk hun geloof. Het christelijk geloof vormt de basis, het fundament voor het leven van onze cliënten. Medewerkers in de sector begeleiding treden de leefwereld van de cliënt binnen en komen daardoor binnen de invloedssfeer die het geloof heeft op het leven van de cliënt. Van daaruit ontstaat een nauwe betrokkenheid op geloof, geloofsbeleving en geloofspraxis. Vanuit een bewuste keuze van de cliënt voor gereformeerde zorg vragen de meeste cliënten ook om ondersteuning van de medewerkers hierbij. Anderzijds vinden we kwalitatief goede zorgverlening belangrijk. Die kwaliteit moet transparant en toetsbaar zijn. Identiteit en geloof zijn tere zaken, waarover we niet kunnen en willen praten in termen van producten en aanbod. We kunnen echter wel inzichtelijk maken op welke manier de cliënt bij Eleos ondersteund wordt ten aanzien van geloof en identiteit. 1.3 Rehabilitatie en spiritualiteit. Rehabilitatie is gericht op het welbevinden van de cliënt en het bevorderen van herstel. In de begeleiding sluiten we hierop aan, door gebruik te maken van de methodiek volgens het Neuman Systems Model (NSM). Het NSM is een conceptueel model, met als belangrijkste theorieën de systeemtheorie, de stress-coping theorie en de preventietheorie. Dit model is gekozen door de sector begeleiding op basis van een gedeelde visie, die gevoed wordt door onze christelijke identiteit. Er zijn een aantal kernprincipes te noemen. 1. Vanuit de systeemtheorie biedt het Neuman Systems Model een raamwerk om de mens als geheel te zien binnen zijn complexe werkelijkheid. Die werkelijkheid wordt geordend in 5 levensgebieden: de psychologische, fysiologische, ontwikkelingsgerichte, sociaal-culturele en 2
spirituele variabele 1. De vijf variabelen van NSM hangen nauw met elkaar samen en beïnvloeden elkaar. De begeleider dient zich hiervan bewust te zijn in de begeleiding, het begeleidingsgesprek en bij het plegen van interventies. 2. In het NSM wordt de mens gezien als een open systeem, in voortdurende interactie met de omgeving. De mens is een relationeel wezen. Binnen die relatie vindt wederzijdse beïnvloeding plaats. Dit is een belangrijk gegeven voor de begeleidingssituatie. Aan de ene kant betekent dit dat sociaal netwerk een belangrijke focus is voor de begeleiding. Gerelateerd aan identiteit betekent dit ook dat een belangrijke plaats wordt toegekend aan het kerkelijk netwerk (zie hoofdstuk 5). Aan de andere kant betekent dit dat de begeleider zich bewust dient te zijn van de wederzijdse beïnvloeding, die ook plaats vindt binnen de begeleidingssituatie. In hoofdstuk 4 wordt de betekenis hiervan voor spirituele interventies beschreven. 3. NSM stelt als voorwaarde voor de begeleidingssituatie dat de verhouding tussen begeleider en cliënt gelijkwaardigheid is. Het model gaat uit van een hulpverlening die sterk gericht is op de belevingswereld van de cliënt waarbij cliënt en hulpverlener een gesprek aangaan over de wijze waarop beiden de situatie interpreteren en daarna samen de doelen van de samenwerkingsrelatie vaststellen binnen de gegeven mogelijkheden en beperkingen 2. 4. Gezondheid of herstel wordt, vanuit de visie van NSM, bevorderd door gebruik te maken van hulpbronnen. Hulpbronnen kunnen zowel in de persoon zelf liggen, als buiten de persoon. Bij hulpbronnen in de persoon zelf kunnen we denken aan gaven die de cliënt heeft en ook in kan en mag zetten ter bevordering van herstel. Bij hulpbronnen buiten de cliënt denken we aan inzet van middelen en mensen ter bevordering van herstel. 5. In het NSM heeft spiritualiteit een bijzondere plaats. Spiritualiteit kan gezien worden als één van de levensgebieden van de cliënt. Daarnaast is het Neumans stelling dat de inschatting van de spirituele variabele essentieel is voor een holistische benadering van de cliënt. Het is haar opvatting dat de spirituele variabele het welzijn van het systeem in belangrijke mate beïnvloed. Zij verwoordt dat als volgt: the spirit controls the mind and the mind consciously or unconsciously controls the body. 3 1.4 Spiritualiteit en christelijk geloof Spiritualiteit is een algemeen, transreligieus begrip. De betekenis van het woord spiritualiteit is afhankelijk van de context. Het kan duiden op contact met God, maar ook een aanduiding zijn voor zingeving of toekomstperspectief. Binnen de christelijke traditie heeft spiritualiteit de betekenis van een persoonlijke relatie met de God van de Bijbel, de Vader van de Heere Jezus Christus. Deze persoonlijke relatie geeft zin aan het leven en biedt perspectief, voor dit en het eeuwige leven. In de begeleiding van de cliënt nemen deze beide invalshoeken een belangrijke plaats in. Het hebben van toekomstperspectief is een voorwaarde voor het verwezenlijken van doelen. Daarom wordt de cliënt bij het formuleren van doelen altijd gevraagd hoe hij de toekomst tegemoet ziet. Wanneer de cliënt de toekomst somber tegemoet ziet, is het belangrijk daar op te focussen in de begeleiding, en zo nodig de behandeling. Dit kan door het formuleren van doelen die zin geven aan iemands bestaan. Een hele specifieke invulling van de spirituele variabele is de rol van het christelijk geloof en de plaats in de kerkelijke gemeente in het leven en de begeleiding van de cliënt. Uitgangspunt voor de begeleider is het bevorderen van de psychische stabiliteit in geval van het betrekken van de geloofsdimensie van de cliënt bij de begeleiding. 1 In de reformatorische wijsbegeerte wordt gebruik gemaakt van het gedachtegoed van Dooijeweerd, die een soortgelijke indeling maakt in zijn Wijsbegeerte der Wetsidee. 2 Verberk e.a. (2006), p. 41. 3 Verberk e.a. (2006), p. 44. 3
Het gaat in de begeleiding niet primair om het discussiëren over geloofswaarheden, maar het zoveel mogelijk aansluiten bij de geloofswaarheid van de cliënt, passend bij de geloofscultuur van de betreffende locatie. Dit laatste betekent een zorgvuldige match tussen cliënt en locatie. Het bevorderen van de psychische stabiliteit als hoofddoel voor de begeleiding betekent ook het minimaliseren van spirituele interventies in periodes waarin de cliënt ernstig ziek is. In zo n periode zullen deze interventies tijdelijk meer op de achtergrond staan. 1.5 Hoofdstukindeling Hoofdstuk 2 gaat over de rol van het christelijk geloof in de begeleiding van cliënten die beschermd wonen of ambulante woonbegeleiding ontvangen. In hoofdstuk 3 wordt de rol van het christelijk geloof in de arbeidsrehabilitatie besproken. Hoofdstuk 4 gaat over de rol van de identiteit van de begeleider in de begeleiding van de cliënt. De visie op samenwerking met pastoraat en andere naastbetrokkenen wordt beschreven in hoofdstuk 5. Tenslotte wordt in hoofdstuk 6 een inventarisatie gemaakt van benodigde kennis & vaardigheden en morele dilemma s. 4
2 De rol van het christelijk geloof bij beschermd wonen en ambulante woonbegeleiding. 2.1 Het creëren van een christelijke woonomgeving in de BW s van Eleos De identiteit in de woonvormen Ieder mens creëert voor zichzelf een woon- en leefomgeving die bij hem past. Deze eigenheid in de woon- en leefomgeving bevordert de herkenbaarheid en veiligheid. Hierdoor voelt iemand zich in een bepaalde leefomgeving thuis. Cliënten die in een woonvorm van Eleos wonen, krijgen een woon- of leefomgeving aangeboden c.q. die gecreëerd is, waardoor deze omgeving maar voor een deel door henzelf beïnvloedbaar is. Daarom wil Eleos voor haar cliënten een omgeving creëren die herkenbaar en daardoor veilig is. Gedeelde normen en waarden bevorderen de herkenbaarheid en eigenheid van een leefomgeving. Hoe meer normen en waarden gedeeld worden hoe sterker dit is. Cliënten van Eleos hebben in 2002 in een behoeftenonderzoek, aangegeven dat er nog steeds behoefte is aan een specifiek gereformeerde of reformatorische woonvorm waar specifieke normen en waarden worden gedeeld, zowel door cliënten onderling als tussen cliënten en begeleiders. Deze normen en waarden vormen de basis voor de huisregels. Naast de normen en waarden, die gebaseerd zijn op Gods Woord, bevorderen woonvormen met een specifiek gereformeerde of reformatorische identiteit het delen van de geloofsovertuiging. Als de woonsituatie als veilig ervaren wordt en er onderling vertrouwen is, ontstaat er ruimte om over heel persoonlijke zaken als geloof en geloofsbeleving te praten, zowel tussen cliënten als tussen cliënt en begeleider. In hoofdstuk 4 zal verder uitgewerkt worden wat dit betekent voor de begeleider als professional. Bewaking van de identiteit in de woonvormen Als iemand zich aanmeldt voor beschermd wonen, is de identiteit van de begeleiding en de woonvormen een belangrijk onderwerp van gesprek. Nieuwe cliënten én cliënten die in zorg zijn moeten zich thuis kunnen (blijven) voelen op de betreffende locatie. De begeleider zal oog dienen te hebben en houden voor de geloofscultuur van de locaties. Dit is een belangrijk gegeven bij de intake en plaatsing van de cliënt: de plaatsing van de cliënt in een woonomgeving die bij hem of haar past. Belangrijk is het hierbij op te merken dat onderlinge verschillen wel aanwezig zullen blijven en geen belemmering hoeven te zijn. Hierbij valt te denken aan het bezoeken van verschillende kerkelijke gemeenten. Cliënten ondertekenen vóór de start van de begeleiding de huisregels van de woonvorm. Cliënten zijn hierop aanspreekbaar. Als cliënten zich niet houden aan de huisregels is beëindiging van wonen met begeleiding mogelijk. Ondersteunen van geloofspraxis In de woonvormen is een Bijbel aanwezig in de vertaling(en) die gebruikt word(t)(en) binnen de kerkelijke denominaties van de bewoners. Bewoners lezen bij gezamenlijke momenten, bijvoorbeeld de maaltijden, met elkaar uit de Bijbel. Ook wordt er christelijke lectuur aangeboden aan de bewoners. De keuze voor de lectuur komt tot stand in overleg met de bewoners. In een aantal woonvormen wordt er gezamenlijk koffie gedronken na de kerkdienst(en), zodat er ruimte is om met elkaar over de dienst na te praten. Op deze manier wordt gestalte gegeven aan onderlinge verbondenheid en betrokkenheid. Rond de christelijke feestdagen zijn er gezamenlijke momenten of vieringen in de woonvorm. 5
2.2 Het ondersteunen van de identiteit in de leefomgeving van de cliënt De identiteit in de woonomgeving van de cliënt Bij ambulante woonbegeleiding wordt de begeleiding geboden in de eigen leefomgeving van de cliënt. De rol van de begeleider in het creëren van een veilige, herkenbare leefomgeving is kleiner. Voor deze vormen van begeleiding geldt dan ook het uitgangspunt dat cliënt en begeleider elkaars normen en waarden respecteren. Ondersteunen van geloofspraxis Een onderwerp in de begeleiding van AWB-cliënten, is het bespreken van de mogelijkheden van de cliënt om een kerkdienst of kerkelijke activiteiten te bezoeken. Als rond dit thema onvermogen is of beperkingen zijn, wordt met de cliënt gezocht naar oplossingen c.q. hulpbronnen. 2.3 Identiteit in het begeleidingsproces en het gebruik van NSM In deze paragraaf beschrijven we vooral wannéér en hoe identiteit aan de orde komt in het begeleidingsproces. Kennismaking Als de cliënt zich aanmeldt voor begeleiding vindt er bij voorkeur een kennismakingsgesprek plaats. In het kennismakingsgesprek ontvangt de aspirant-cliënt informatie over de inhoud van de begeleiding en het wonen. De cliënt ontvangt informatie over het profiel van de woonvorm, de identiteit en de huisregels. Eén van de toelatingscriteria voor begeleiding met of zonder wonen is herkenning vinden in het Bijbels genormeerde zorgaanbod van Eleos en het door de cliënt rekening houden in zijn/ haar gedrag met de grondslag van Eleos. Vóór het sluiten van de begeleidingsovereenkomst is het belangrijk dat helder gecommuniceerd is, wat begeleiders van Eleos wel en niet kunnen bieden in de begeleiding. Het kan voorkomen dat door andere (levens)keuzes de begeleider toch aan de grens komt van wat de begeleider vanuit de eigen identiteit kan bieden. Intake Op het moment dat de cliënt een (verblijfs)indicatie heeft en kiest voor het aanbod van Eleos, ontvangt de cliënt een intakegesprek. In het intakegesprek wordt de begeleidingsbehoefte van de cliënt in kaart gebracht. Een onderdeel van het intakegesprek is de rol van het christelijk geloof in het dagelijks leven van de cliënt, de plaats in de kerkelijke gemeente en de betrokkenheid van de cliënt bij kerkelijke activiteiten. Dit geeft de begeleiding een eerste indruk, waarop aangesloten kan worden in begeleidingsgesprekken, met als doel het opstellen van een passend begeleidingsplan. Begeleiding Bij de start van de begeleiding ondertekent de cliënt de woon- en begeleidingsovereenkomst. In deze overeenkomst staan rechten en plichten van beide partijen beschreven. De cliënt ontvangt tevens de huisregels en tekent voor ontvangst. Identiteit in de begeleiding is geen extra reden om een cliënt te vragen welke begeleider hij/ zij wil. Kiezen voor Eleos is ook kiezen voor verschil in identiteit. Cliënten zouden het mogelijk wel fijn vinden. Begeleidingsmethodiek De begeleider stelt met de cliënt een begeleidingsplan op volgens NSM, waarin al naar gelang de behoefte van de cliënt doelen ten aanzien van de 5 levensgebieden of variabelen geformuleerd worden. De spirituele variabele is er hier één van. In bijlage 1 worden voorbeelden van doelen genoemd. Evaluatie Bij evaluatie van de begeleiding op cliëntniveau wordt het begeleidingsplan als leidraad gebruikt. Eventuele doelen ten aanzien van spiritualiteit worden dan geëvalueerd. 6
Op organisatieniveau vindt evaluatie plaats door het tweejaarlijks afnemen van de cliëntthermometer begeleiding. Dit GGZ-brede instrument is uitgebreid met een aantal vragen over de rol van identiteit in de begeleiding. Exit Als de cliënt op zoek gaat naar een zelfstandige woonplek, met of zonder begeleiding vanuit Eleos, zal de begeleider met de cliënt woonwensen inventariseren. Identiteit is een van de thema s die hierbij aan de orde komen, bijvoorbeeld als het gaat om wensen van de cliënt ten aanzien van woonomgeving of inventarisatie van de mogelijkheden met behoud van het sociale netwerk. 2.4 Spirituele interventies in de (ambulante) woonbegeleiding Christelijk geloof komt op verschillende manieren aan de orde in de begeleiding. Dat kan heel spontaan, als cliënt of begeleider iets met elkaar willen delen. Na een kerkdienst bijvoorbeeld, of naar aanleiding van een dagelijkse gebeurtenis. In de woonvormen en ambulante woonbegeleiding hebben spirituele interventies ook een meer structureel karakter, als de verschillende levensgebieden of variabelen van NSM aan de orde komen in een begeleidingsgesprek. Of wanneer een cliënt worstelt met levensbeschouwelijke of geestelijke vragen. In deze situaties zal veelal ook overleg plaats vinden met of doorverwijzing naar - pastoraal verantwoordelijken, zoals een predikant of ouderling. In bijlage 1 worden voorbeelden genoemd van mogelijke spirituele interventies, passend bij de verschillende begeleidingssituaties. 7
3 De rol van het christelijk geloof in de arbeidsrehabilitatie 3.1 Een christelijke visie op arbeid Arbeid in Bijbels perspectief In de Bijbel lezen we dat God de mens direct na de schepping een taak geeft. Hij krijgt de opdracht tot dagelijkse arbeid. Daartoe heeft God de mens met gaven en krachten toegerust. In die arbeid is de mens navolger van God, die de wereld schiep. De Bijbel leert ons dat het doel van onze arbeid is: tot Gods eer, tot heil van de naaste, tot ontplooiing van het eigen leven, tot exploitatie van de rijkdommen in Gods schepping en tot vervulling van de nieuwe aarde. Gods zegen rust op die arbeid. Door de zonde is er een vloek over deze wereld gekomen. De voorwaarden waaronder de arbeid wordt verricht vallen ook onder deze vloek. De arbeid wordt moeizaam en schijnt soms vruchteloos, vergeefs. Dit betekent overigens niet dat God zijn zegen geheel en al intrekt. Het werk gaat door en daarin kan de mens nog veel als resultaat genieten. Door het leiden en sterven van de Jezus Christus is de vloek overwonnen. Wie door waar geloof aan Hem is verbonden mag delen in die verlossing. Het leven is een leven uit dankbaarheid voor die verlossing. De gelovige is weliswaar hemelburger, maar zijn taak ligt hier op aarde. De opdracht om de aarde te bebouwen en te bewaren is gebleven (rentmeesterschap). We mogen de arbeid zien als goddelijke roeping. Wie gelovig arbeidt, doet dat als liefdedienst aan God. Het loon dat hij ontvangt voor zijn arbeid is geen doel maar een middel tot eigen levensonderhoud en om God en de naaste te dienen. Het belang van arbeid Het kunnen verrichten van arbeid is belangrijk voor mensen. Hiermee worden de volgende belangen gediend: In de arbeid draagt de mens bij aan de ontplooiing van deze wereld Door middel van de arbeid kan de mens diensten verrichten ten behoeve van zijn naaste (productie, verkoop, dienstverlening etc.) In de arbeid draagt de mens bij aan de ontwikkeling van zichzelf en de naaste (opleiding en vorming) en krijgt hij zicht op eigen mogelijkheden en beperkingen. Door middel van zijn arbeid ontstaat er veelal structuur in het leven (dagritme) Door middel van arbeid krijgt de mens sociale contacten en leert hij om in sociale relaties van verschillende aard te functioneren (collega s, leidinggevenden) Arbeid kan afleiding geven (zinvolle dagbesteding) en mensen in contact brengen en houden met de realiteit (betaalde) arbeid kan bijdragen aan het kunnen voorzien in eigen levensonderhoud (en van onze naaste) en daarmee het dragen van eigen verantwoordelijkheid bevorderen. We spreken binnen Eleos van arbeidstrainingscentra (ATC). Hiermee heeft arbeid een belangrijke plaats gekregen in ons aanbod. Het is ons streven om mensen toe te leiden naar een arbeidsplaats in het reguliere arbeidsproces, zodat mensen naar tevredenheid kunnen werken en in hun eigen onderhoud kunnen voorzien. Een zinvolle dagbesteding, zonder geldelijke beloning, is daarentegen óók arbeid. Wanneer iemand door ziekte niet in staat is betaald werk te verrichten, kan hij of zij door een andere vorm van arbeid/ c.q. dagbesteding een waardevolle bijdrage leveren aan de ontplooiing van deze wereld, met eigen gaven en talenten. Passende arbeid draagt op deze manier bij aan herstel. 3.2 Het creëren van een christelijke arbeid- en trainingsomgeving Een christelijke werk- en trainingsomgeving Arbeid(straining) en dagbesteding worden aangeboden in een arbeidstrainingscentrum (ATC). Het is belangrijk dat cliënten zich hier thuis voelen. Het christelijke karakter van een ATC is vooral op te merken uit de sfeer op een ATC, de muziek, het taalgebruik en de manier waarop met elkaar wordt omgegaan. De normen en waarden die hieraan ten grondslag liggen zijn beschreven in de huisregels. 8
Het belang van gedeelde normen en waarden is minder groot in een arbeidsomgeving. Nuanceverschillen in levensstijl en geloofsbeleving tussen cliënten onderling, of cliënt en begeleider hebben niet automatisch een negatief effect op arbeid. Het ATC biedt juist de gelegenheid om om te leren gaan met verschillende normen en waarden in de arbeidssetting. Dit kan acceptatie van andere mensen met andere levensstijlen bevorderen. Bewaking van de identiteit in de werkomgeving Als iemand zich aanmeldt voor begeleiding bij arbeid, zijn de identiteit van de begeleiding en de ATC s belangrijke onderwerpen van gesprek. Nieuwe cliënten én cliënten die begeleiding ontvangen moeten zich thuis kunnen (blijven) voelen op de betreffende locatie De meeste cliënten kiezen bewust voor een ATC van Eleos vanwege de identiteit. Cliënten verwachten in eerste instantie een veilige omgeving. Van (toekomstige) cliënten wordt gevraagd om de christelijke identiteit van de organisatie en cultuur van de locatie te respecteren. Aspecten die de cultuur of sfeer van de locatie beïnvloeden worden met de cliënten besproken. De begeleiding dient daarbij oog te houden voor de geloofscultuur van de locatie en groepen en de individuele wensen en belangen van de cliënt. Ondersteunen van geloofspraxis In de ATC s zijn Bijbels in verschillende vertalingen aanwezig. Cliënten kunnen hier met elkaar uit lezen, bijvoorbeeld bij een dagopening, het gezamenlijk gebruik van de maaltijd of bij bijzondere gelegenheden. Een aantal ATC s heeft christelijke lectuur aangeschaft voor gebruik door de cliënten. In een aantal ATC s is het gebruikelijk om vieringen te organiseren rond christelijke feestdagen. Op die manier wordt met elkaar gestalte gegeven aan onderlinge verbondenheid en betrokkenheid, in een christelijke werkomgeving. 3.3 Identiteit in het begeleidingsproces en het gebruik van NSM In deze paragraaf beschrijven we vooral wannéér en hoe identiteit aan de orde komt in het begeleidingsproces. Kennismaking In een kennismakingsgesprek krijgt een toekomstig cliënt, naast informatie over het aanbod van het ATC, informatie over de identiteit van de voorziening, de sfeer in het ATC en de huisregels die er gelden. Intake Bij de intake worden de toelatingscriteria besproken. Eén van deze criteria is het zich herkennen in het Bijbels genormeerde aanbod van Eleos en het in het gedrag rekening houden met de levensovertuiging van andere cliënten en de grondslag van Eleos. In de intake kan gevraagd worden naar het belang van arbeid in iemands leven en de relatie tot iemands persoonlijk geloof. Vaak worstelen cliënten hiermee, vanuit het maatschappelijk belang van arbeid en de gedachte dat iedereen hieraan een bijdrage moet leveren. Dit kan gevoed worden door gedachten dat het een cultuuropdracht is vanuit de Bijbel, waar iedereen, ongeacht levensomstandigheden, aan bij hoort te dragen. Hierop kan aangesloten worden in het opstellen van een begeleidingsplan. In het intakegesprek wordt specifiek gevraagd naar de kerkelijke achtergrond van de toekomstig deelnemer. Dit heeft vooral een organisatorische reden: inzicht verkrijgen in de mate waarin de verschillende kerkelijke denominaties gebruik maken van de voorzieningen. Start van de begeleiding Bij de start van de begeleiding ondertekent de deelnemer de begeleidingsovereenkomst. In deze overeenkomst staan rechten en plichten van beide partijen beschreven. Tevens wordt verwezen naar de huisregels. 9
Vormgeven van de begeleiding Met de cliënt wordt een begeleidingsplan volgens het NSM opgesteld, waarin al naar gelang de behoefte van de deelnemer doelen ten aanzien van de 5 levensgebieden geformuleerd worden. Deze doelen zijn gerelateerd aan arbeid. Dit kunnen ook doelen op het gebied van spiritualiteit zijn. Vragen die bijvoorbeeld in de arbeidssetting aan de orde komen, zijn: hoe vertel je op je werk dat je gelovig bent of hoe ga je om met je geloof in de arbeidssituatie. In bijlage 2 worden meer voorbeelden van interventies en doelen genoemd. Evaluatie Bij evaluatie van de begeleiding op cliëntniveau wordt het begeleidingsplan als leidraad gebruikt. Eventuele doelen ten aanzien van spiritualiteit worden dan geëvalueerd. Op organisatieniveau vindt evaluatie plaats door het tweejaarlijks afnemen van de cliëntthermometer begeleiding. Dit GGZ-brede instrument is uitgebreid met een aantal vragen over de rol van identiteit in de begeleiding. 3.4 Spirituele interventies in de ATC s Er zijn verschillende momenten waarop het christelijk geloof aan de orde komt in de begeleiding. Dat kan heel spontaan zijn, als cliënt of begeleider iets met elkaar willen delen. Het kan ook structureel, als de variabelen van NSM aan de orde komen in een begeleidingsgesprek of trainingssituatie. In de arbeidstrainingscentra wordt gewerkt vanuit de gedachte dat voor een cliënt het ATC de werkomgeving is. Spirituele interventies vinden voornamelijk incidenteel plaats, afhankelijk van de behoefte van de cliënt. Wanneer spirituele interventies gerelateerd zijn aan de arbeidssituatie, kunnen ze een meer structureel karaker krijgen. Als een cliënt worstelt met levensbeschouwelijke of geestelijke vragen, wordt de cliënt doorverwezen naar pastoraal verantwoordelijken (een predikant of ouderling). Een specifieke activiteit voor de ATC s is het vergroten van de weerbaarheid van cliënten met betrekking tot identiteit en geloof in de arbeidssituatie. Op verschillende ATC s ontvangen cliënten hier gewenst een training in. In bijlage 2 worden (meer) voorbeelden genoemd van mogelijke spirituele interventies in de arbeidssituatie. Het formuleren van gerichte doelen met betrekking tot geloof en arbeid is niet zo eenvoudig in de arbeidssetting. In de verdere ontwikkeling van de spirituele variabele is dit een belangrijk aandachtspunt. 10
4 De identiteit van de begeleider in relatie tot de begeleiding van de cliënt 4.1 De identiteit van de begeleider In paragraaf 4.2. wordt de positie en rol van de begeleider beschreven bij het inbrengen van de geloofsovertuiging en het belang van gedeelde normen en waarden in het optimaliseren van steun bij de identiteitsontwikkeling. De grondslag voor deze interventies en de uitgangspositie is de christelijke identiteit van de begeleider zelf. Om een geloofsovertuiging c.q. geloofservaring in te kunnen brengen in de begeleiding is het nodig dat de begeleider zelf overtuigd christen is. Hieronder verstaan we een geheel van normen en waarden voortkomend uit het christelijk geloof, ondersteund door of ontstaan uit een persoonlijk geloof in de waarheid van Gods Woord en de noodzaak van verlossing door het lijden en sterven van onze Heere Jezus Christus. Daarnaast wordt het overtuigd christen zijn gekenmerkt door een drive of bewogenheid om de zwakke te hulp te komen en te ondersteunen tot vermindering van het lijden. Deze basis wordt van alle hulpverleners c.q. begeleiders binnen Eleos verwacht, waarbij het wel belangrijk is op te merken dat de rol van christelijk geloof binnen de ene begeleidingsrelatie anders is dan binnen de andere. Uitgangspunt, ook bij het bespreken van spiritualiteit, is gelijkwaardigheid van cliënt en begeleider in het spreken over geloof en eventuele spirituele interventies. Herkenning en vertrouwen tussen cliënt en begeleider zijn hierin belangrijk. Met name in de persoonlijke begeleiding krijgt de rol en functie van het christelijk geloof maximaal vorm in het gesprek over identiteit, in religieuze interventies, maar ook in het voorleven van het christen zijn, in de houding van de begeleider. Vooral deze laatste aandachtspunten zijn in de ATC s belangrijk. Dit vormt nogal eens de basis voor een gesprek over christen zijn in deze wereld. Juist ook cliënten die niet zo thuis zijn in kerken, of door hun ziekte al heel lang niet naar een kerk zijn geweest zien dit. Het is zowel een herkenningspunt als aanknopingspunt voor een gesprek. Vanuit deze functie, van identiteit in de rol en houding van de begeleider, is identiteit een belangrijk thema in het aannamebeleid. 4.2 De rol van de begeleider bij spirituele interventies Een belangrijk instrument in de begeleiding van de cliënt bij de identiteitsontwikkeling is het inbrengen van de (gedeelde) geloofsovertuiging. Het doel hiervan is het ondersteunen van de cliënt bij geestelijke vragen, geestelijke nood en het bevorderen van groei of herstel bij de cliënt. De begeleider kan dit op verschillende manieren doen: 1. De begeleider ondersteunt de cliënt in het vinden van antwoorden op geestelijke vragen. Dit kan heel eenvoudig door gebruik te maken van de 5 vragen van NSM. De 5 vragen van NSM zijn belevingsgericht. Het zet de cliënt tot nadenken. Met deze vragen wordt het kernprobleem van de cliënt helder en krijgt de cliënt duidelijk wat hij/ zij zelf aan mogelijkheden heeft om een antwoord te vinden op zijn of haar vragen en wie of wat de cliënt nodig heeft om een antwoord te vinden. Praktisch kan dat betekenen: iets lezen of samen zoeken wat er in de Bijbel of theologische literatuur staat over het betreffende onderwerp, het benaderen van een ouderling of predikant of het verwijzen naar een behandelaar voor psycho-educatie om helder te krijgen welke rol de aandoening van de cliënt heeft op de geloofsbeleving. 2. De begeleider kan eigen geloofskennis inbrengen. Hiermee bedoelen we het inbrengen van kennis van de Bijbel over het betreffende onderwerp waar de cliënt mee bezig is. De begeleider dient zich ervan bewust te zijn dat het inbrengen van Bijbelkennis gekleurd is door persoonlijke geloofsopvattingen en de eigen geloofscultuur. Als de cliënt en de begeleider elkaar herkennen op het gebied van de geloofsovertuiging kan er sprake zijn van een maximale spirituele interventie. De mogelijkheid van het delen van Bijbelse en 11
geloofskennis is een hele mooie dimensie in de christelijke begeleiding. Door begeleiders wordt dit als meerwaarde van het werken bij Eleos ervaren. Daarnaast moeten we ook zeggen dat het heel moeilijk is om dit zuiver toe te passen. Als cliënt en begeleider van elkaar verschillen is zorgvuldigheid geboden en moet volstaan worden met een minimale spirituele interventie 4. Zorgvuldigheid is altijd geboden. 3. Een andere vorm van inbrengen van identiteit in de begeleiding is de rol die identiteit in teamoverleggen. Hierbij kan gedacht worden aan het opdragen van cliënten in het gebed, teambreed, tijdens bijvoorbeeld cliëntbespreking of deelnemersoverleg. Dit is een wezenlijk onderdeel van christelijke begeleiding. 4.3 Ondersteuning voor de begeleider bij het vormgeven van spiritualiteit Een belangrijk punt van aandacht voor Eleos is de ondersteuning die zij medewerkers wil bieden om identiteit bij het inbrengen van identiteit in de begeleiding. Eleos kan hier op verschillende manier in bijdragen, bijvoorbeeld door: het organiseren van bezinningsmomenten voor medewerkers (persoonlijke ontwikkeling); het aanbieden van bijscholingsmomenten over geloof en. In de bijscholing kunnen dan onderwerpen aan bod komen die betrekking hebben op geestelijke en psychische nood; het nader uitwerken van interventies en doelen ten aanzien van de spirituele variabele. het bevorderen van morele beroepsvorming 5 ; Dit laatste punt is zeker ook van belang, ter ondersteuning van de begeleider, in moeilijke situaties. Situaties waarin persoonlijke normen en waarden conflicteren met normen en waarden van de cliënt, waarbij de cliënt een beroep op de begeleider doet. De begeleider èn cliënt ontvangen voldoende ruimte en steun van de manager om in een moreel dilemma de begeleiding over te (laten) dragen aan een collega. 4.4 Effecten van ziekte op geloofservaring en geloofspraxis Kennis van de effecten van ziekte op geloofservaring en geloofspraxis is uitermate belangrijk voor een goed verstaan van de geestelijke behoefte en begeleiding die cliënten nodig hebben en een juist advies en instructie aan predikanten en ouderlingen. Als geloofsvragen een prominente rol spelen in het leven van de cliënt, wordt de cliënt doorverwezen naar het pastoraat. Als geloofsvragen sterk gekoppeld zijn aan ziektebeleving en cliënten hierin structureel problemen ervaren, is het uitgangspunt dat de cliënt doorverwezen wordt naar een behandelaar. De begeleider kan als vervolg op dit traject, indien nodig, ondersteuning bieden bij vragen als wat is de doorwerking van ziek zijn op (geloofs)leven en welke ondersteuning is daarbij nodig. 4 Zie visiedocument identiteit Gereformeerde (psychiatrische) zorg 5 Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van het door het Lindeboominstituut ontwikkelde hulpmiddel bij ethische gespreksmethodes in de zorg of het model van gestructureerde reflectie (John s). 12
5 Visie op samenwerking met pastoraat 5.1 Vormgeving van samenwerking met pastoraat Samenwerking met pastoraat vindt met name plaats in de begeleiding van cliënten binnen de beschermende woonvormen en ambulante woonbegeleiding. Het is een bewuste keuze van Eleos om zelf geen pastoraat te bieden, er zijn geen pastoraal medewerkers in dienst. Het accent ligt op samenwerking met (eigen) pastoraat van de cliënt. De grondregel die gehanteerd wordt in de (woon)begeleiding is samenwerking. Met als doel de deskundigheid die alle betrokkenen hebben optimaal in te kunnen zetten. De deskundigheid van de begeleider op het gebied van (ernstige) psychische problematiek en de deskundigheid van het pastoraat (predikant of kerkenraad) op theologisch en geestelijk gebied. In de praktijk blijkt de grens nogal eens diffuus te zijn. Toch is het belangrijk ieders deskundigheid voor ogen te houden, zodat beide partijen ook, waar nodig, voldoende en op het juiste moment ingezet worden. Dit kan echter ook betekenen dat begeleiding het pastoraat adviseert om meer afstand te nemen in het contact. Ter bescherming van het pastoraat of van de cliënt zelf. Ook kunnen er verschillen zijn in visies die conflicteren in de begeleiding van de cliënt. Voorbeelden hiervan (en hoe te handelen als begeleider) zijn uitgewerkt in bijlage 1. Vanuit de woonvormen wordt samengewerkt met het pastoraat op de volgende manieren: cliëntondersteuning met betrekking tot pastoraal contact. Dit kan vorm krijgen in het bieden van ondersteuning in het wel of niet aangaan van contact of het voorbereiden van gesprekken; voorlichting aan pastoraat met betrekking ziektebeelden in het algemeen; informeren van pastoraat in overleg met de cliënt. Uitgangspunt is de vraag van de cliënt en de afstemming van informatie met de cliënt; het gezamenlijk bespreken van ethische kwesties. In aanwezigheid van de cliënt of in de vorm van casuïstiekbespreking. In het laatste geval is zorgvuldigheid geboden i.v.m. privacy. In het contact met pastoraat over de situatie van de cliënt, is de wens van de cliënt leidend. Er wordt niet structureel gekeken welke afspraken de cliënt wil maken over de samenwerking met het pastoraat. 5.2 De rol van de kerk als netwerk Specifiek in de begeleiding van cliënten van Eleos is de inzet van de kerkelijke gemeente, als netwerkondersteuning voor de cliënt. De cliënt wordt begeleid in het leren aangaan van sociale contacten binnen de kerkelijke gemeente, het (blijven) bezoeken van verenigingen c.q. Bijbelkring. Een andere vorm van ondersteuning is deskundigheidsbevordering van predikanten en/ of ouderlingen ten aanzien van psychische ziekten en het begeleiden van mensen met psychische problematiek in het algemeen. Daarnaast vinden er, naar behoefte van de cliënt, gezamenlijke gesprekken plaats tussen cliënt, professionele begeleiding en predikant en/ of ouderling. Netwerkondersteuning wordt vooral geboden in de woonbegeleiding en ambulante woonbegeleiding. Bewoners van de woonvormen ontvangen, indien gewenst, ondersteuning om de kerkdiensten te kunnen bezoeken of thuis te beluisteren. 13
6 Inventarisaties 6.1 Noodzakelijke theoretische kennis en vaardigheden voor begeleiders Om de cliënt optimaal te kunnen begeleiden bij de identiteitsontwikkeling en geloofsvragen, is kennis nodig van de volgende onderwerpen: ziektebeelden in relatie tot geloofsbeleving en de invloed van geloof op ziekte kennis over het inhoudelijk en functioneel reageren op de psychische functie van geloof en geloofsbeleving (voorbeeld: incestdader zegt ik heb van God vergeving ontvangen. Inhoudelijke reactie: is dat waar of niet? Functionele reactie: ingaan op bedoeling van persoon om niet meer te praten over wat er gebeurd is); kennis van de toepassing van NSM, in dit verband de uitwerking van de spirituele variabele; In de begeleidingsrelatie en gesprekken zijn algemene professionele vaardigheden vereist. Het delen van geestelijke vragen en antwoorden zijn diepe, verbindende facetten in het leven van christenen en daarom ook uiterst gevoelige en kwetsbare zaken. Om met name zorgvuldig met geloofskennis- en ervaring om te kunnen gaan is reflectie van eigen handelen voor de professional in deze uitermate belangrijk. 6.2 Inventariseren van morele dilemma s Begeleiders krijgen in de begeleiding te maken met levenssituaties en keuzes van cliënten die ethische vragen oproepen, waardoor handelingsverlegenheid en morele dilemma s kunnen ontstaan. Onderwerpen die kunnen leiden tot morele dilemma s zijn: gewenste intimiteit: relatievorming en seksualiteit; huwelijk en kinderwens; echtscheiding; anticonceptie; problemen op het gebied van seksualiteit en seksualiteitsbeleving; het gebruik van de morning-afterpil; middelengebruik. Vanuit de ethiek en het pastoraat is een schat aan informatie beschikbaar over deze onderwerpen. Eleos zou de beschikbaarheid hiervan voor medewerkers kunnen bevorderen door adressen c.q. links te vermelden op intranet. Deze informatie kan ondersteunend zijn voor de bespreking van morele dilemma s in de teams. 14
Bijlage 1 Voorbeelden van spirituele interventies in de (woon)begeleiding Interventies en doelen in de begeleiding, vinden meestal plaats rond 3 thema s: zelfbeeld, Godsbeeld en gedrag. Zelfbeeld en Godsbeeld zetten een stempel op de geloofsbeleving. Gedrag zet een stempel op geloofspraxis. Op beide terreinen ondersteunt de begeleider de cliënt. Spirituele interventies met betrekking tot de spirituele variabele Veel voorkomende interventies zijn: het gesprek over Godsbeeld en zelfbeeld; interveniëren op het gebied van Godsbeeld en zelfbeeld, bijvoorbeeld de cliënt positieve ervaringen op laten schrijven of laten benoemen; het gesprek over betekenis van geloof, gebed en Bijbel lezen; samen Bijbel lezen en/ of bidden. Het is de inschatting van de professional of dit gewenst is in de individuele cliëntsituatie. De cliënt kan het gebed door de begeleider zien als bekrachtiging van eigen onvermogen, of het gebed gebruiken om praktische interventies te voorkomen c.q. anders in te kleuren; het gesprek over een Bijbelgedeelte, een kerkdienst, een (praktisch) thema gerelateerd aan de Bijbel; avond- of weeksluitingen; het inzetten, benutten of vergroten van kerkelijk netwerk; het organiseren van een pastoraal gesprek; doseren van religieuze activiteiten van de cliënt. Bijvoorbeeld bij het dwangmatig inzetten van spirituele activiteiten door de cliënt. Het is dan de uitdaging om de hulpbron dan weer beschikbaar te krijgen met en voor de cliënt; (bespreken van) muziekkeuze als interventie in bepaalde periode. Bijvoorbeeld creëren van rust. Doelen met betrekking tot de spirituele variabele Het kerndoel met betrekking tot de spirituele variabele is het bevorderen van geestelijk welbevinden. Afgeleide (praktische) doelen hierbij kunnen zijn: bijwonen van de kerkdienst(en); 2-wekelijks bijwonen van de Bijbelstudiegroep; 1x per maand op bezoek bij een gemeentelid; creëren en bevorderen van rust c.q. welbevinden; bevorderen van positief zelfbeeld; bevorderen van een veelzijdig Godsbeeld; behouden en verbreden van kerkelijk netwerk. Voorbeelden van overleg met pastoraat Uitgangspunt in de begeleiding van de cliënt is overleg en samenwerking met pastoraat. Met name bij schuldvragen blijkt in de praktijk samenwerking met pastoraat zinvol en nodig te zijn. Ervaren en vasthouden aan schuld kan verschillende functies vervullen, namelijk: het kan voor de cliënt veilig zijn om in deze positie te blijven; het kan een zeker status bieden schuld in de vorm van zondekennis. Schuldervaring kan verder herstel blokkeren. De inzet van het pastoraat kan bevrijdend zijn voor de cliënt en leiden tot opheffing van deze blokkade. Het naar voren brengen van schuldgevoel kan ook een muur zijn om je achter te verschuilen. Niet uit onwil, maar uit onmacht om situaties op een andere manier te handelen. Als begeleider zal je dan niet alleen ruimte moeten geven aan het uiten van schuldgevoelens, maar ook een inschatting moeten maken of er sprake is van onmacht en wat je zou kunnen doen om iemand in zo n situatie verder te helpen. Weer grip geven over de situatie en helpen daar in de toekomst beter mee om te gaan. 15
Voorbeelden van een conflicterende visie met pastoraat Samenwerking met pastoraat blijkt in de praktijk moeilijk wanneer er sprake is van verschillende visies. Vanuit de praktijk drie voorbeelden: bevestigen van depressieve gevoelens vanuit het perspectief van schuld en zonde; gebedsgenezing en samenkomsten; bevrijdingspastoraat. In de situatie van bevestigen van depressieve gevoelens is het belangrijk in gesprek te gaan met het pastoraat en te informeren over de rol van ziekte op gevoelens en beleving. Terughoudendheid is dan gewenst met betrekking tot bevestigen van negatieve gevoelens. Wanneer in het contact geen weerklank wordt gevonden voor dit gegeven en de contacten zeer belastend zijn voor de cliënt, is het raadzaam om vermindering van de contacten te adviseren aan cliënt en pastoraat. Daarnaast is het belangrijk om de cliënt te blijven ondersteunen. Tenslotte staat de keuze en leefwijze van de cliënt centraal. Er zijn begeleidingssituaties bekend, waarin de cliënt, overtuigd van de kracht van het gebed, geen gebruik (meer) wilde maken van reguliere (genees)middelen. Van belang is het dan om de cliënt deze wijze van omgaan met herstel sterk te ontraden en waar mogelijk de cliënt te blijven ondersteunen. De cliënt kan de mening snel voelen als een oordeel over de keuze van de cliënt. Dat kan een spanningsveld zijn voor wat de begeleider hierin wel of niet zegt. Het is de keuze van de begeleiding of hij/ zij meegaat naar bijeenkomsten, ter ondersteuning van de cliënt. Bij bevrijdingspastoraat hebben we te maken met grote verschillen op het gebied van visie op ziekte en de rol van de duivel in iemands leven. De gedachte dat cliënten die lijden aan schizofrenie of borderline bezeten zijn door de duivel wijzen we af. Wanneer de cliënt toch kiest voor bevrijdingspastoraat, blijft de begeleider waar mogelijk de cliënt ondersteunen. Het team als vangnet voor de begeleider en de mogelijkheid voor het bespreken van morele dilemma s en zijn, bij de inzet van begeleiding, voorwaarde. 16
Bijlage 2 Voorbeelden van spirituele interventies in de arbeidsrehabilitatie Spirituele interventies/ ondersteunen van geloofspraxis in de arbeidssetting Spirituele interventies vinden niet structureel plaats in de begeleiding van de cliënt binnen het arbeidstrainingscentrum. Een aantal spirituele interventies zijn arbeidsgerelateerd, een aantal niet. Voorbeelden van spirituele interventies die niet arbeidsgerelateerd zijn: een gesprek met een cliënt en eventueel gebed naar aanleiding van vieringen die op een ATC plaatsvinden; het, op verzoek van de cliënt, bidden in een (evaluatie)gesprek, ter ondersteuning van het proces (zegen vragen over het proces, iemands leven); tijdens workshops en de koffiepauze is er ruimte om het geloof met anderen te delen. Dit bindt samen en levert soms ook positieve discussies op. opdragen van deelnemers in gebed, teambreed, tijdens bv deelnemersoverleg iets wat ik in het hele document niet tegenkom, maar wat voor mij een wezenlijk onderdeel is van de begeleiding!; een geloofsinterventie kan ook zijn dat iemand juist niet over zijn geloofsleven mag praten tijdens het werk (dit wanneer dit een uiting is, behorend bij een bepaald ziektebeeld, bijvoorbeeld schizofrenie). Voorbeelden van spirituele interventies die arbeidsgerelateerd zijn: wanneer voor cliënten een vorm van dagbesteding het maximaal haalbare is, voelen ze zich vaak minderwaardig. De begeleider kan hun zelfbeeld in begeleidingsgesprekken versterken: benadrukken van de positieve kant van het leven, de positie die je krijgt van God, en mogen genieten, er mogen zijn. Het bespreken van een Bijbelse visie op arbeid met de cliënt kan schuldgevoelens over het niet(kunnen) verrichten van betaald werk bij de cliënt verminderen; gesprek over iemands Godsbeeld. Dit kan bijvoorbeeld een beeld zijn van een strenge God en tot gevolg hebben dat de cliënt geen fouten durft te maken, dat de cliënt perfectionisme ontwikkelt, dat de cliënt niet tevreden kan zijn over eigen werk, of dat de cliënt volgens zijn Godsbeeld betaald werk móet doen om zinvol te kunnen zijn; af en toe wordt er met cliënten gesproken over (aanstootgevende) kleding, bijvoorbeeld in het kader van arbeidstraining. Doelen met betrekking tot de spirituele variabele Mensen met psychische problemen zijn juist in hun geloof heel kwetsbaar, ook op hun werk. Gevolgen hiervan kunnen zijn dat geloof te nadrukkelijk gepresenteerd wordt in de arbeidssetting, of het zich terugtrekken in contact met collega s. Om dit te voorkomen kunnen de volgende doelen geformuleerd worden: het omgaan met eigen identiteit en geloof op het werk; nadenken over de manier waarop je leeft of wilt leven in deze maatschappij (als christen en nietchristen want daar heeft een ATC mee te maken); het omgaan met pestgedrag vanwege identiteit; het omgaan met vragen over geloof op je werk. Ook kan iemand als doel hebben om hierover met de dominee of ouderling te praten om zijn/haar eigen geloof te versterken. Een van de doelen van het ATC is het bieden van een veilige werkplek, waarbinnen vaardigheden ontwikkeld en geoefend kunnen worden. Op het gebied van de spirituele variabele betekent het versterken van de weerbaarheid in het algemeen, of oefenen met het voeren van een gesprek over identiteit, het houden van een groepsgesprek. 17