Tweede Kamer der Staten-Generaal



Vergelijkbare documenten
Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Datum 10 januari 2015 Betreft Beantwoording vragen over de energierekening huishoudens cf. de NEV 2014

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Bijlage 2 Potentieelberekening energiestrategie 1/5

Energieprijzen in vergelijk

Eindexamen economie 1-2 havo 2006-II

Aanbod en verbruik van elektriciteit,

Door: Vincent Damen Ninja Hogenbirk Roel Theeuwen

FOSSIELE BRANDSTOFFEN

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Bijlage 1: Berekening realisatie 9% duurzaam in 2010

Intersteno Ghent Correspondence and summary reporting

Aanbod en verbruik van elektriciteit,

Rol van WKK in een toekomstige Nederlandse energievoorziening:

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Perscommuniqué. Het Federaal Planbureau evalueert de gevolgen van de duurdere dollar en de hogere olieprijzen voor de Belgische economie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Eindexamen economie havo I

Energieambities in strategisch voorraadbeleid

Energietransitie en schaalvoordelen

Notitie energiebesparing en duurzame energie

Examen HAVO. Economie 1

Prioriteiten op energiegebied voor Europa Presentatie door de heer J.M. Barroso,

1 van :03

Eindexamen economie vwo I

Eindexamen vwo economie I

Energie, technologie en milieuproblemen: Europees onderzoek schetst somber wereldbeeld in 2030

Economische effecten van een verlaging van de administratieve lasten

Verkoopbaarheid en verhuurbaarheid van vastgoed verhogen door Duurzame Energieopwekking

100% groene energie. uit eigen land

28 november Onderzoek: Klimaattop Parijs

2018D19763 LIJST VAN VRAGEN

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Westvoorne CO 2 - uitstoot

Gezamenlijk aan de slag met Zonne-energie

RAAD VAN DE EUROPESE UNIE. Brussel, 11 november 2010 (16.11) (OR. en) 15697/1/10 REV 1 ENER 301 CONSOM 100

Commissie Benchmarking Vlaanderen

M A R K T M O N I T O R E N E R G I E - mei 2012

Werkblad huismodule. Quintel Intelligence. Antwoordblad

CO2-monitor 2013 s-hertogenbosch

BESCHRIJVING VAN DE STEUNMAATREGEL

2018D22525 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Grootschalige introductie van micro wkk systemen. Harm Jeeninga ECN Beleidsstudies

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Publiek gefinancierd energieonderzoek In opdracht van het ministerie van Economische Zaken

Draagvlak bij burgers voor duurzaamheid. Corjan Brink, Theo Aalbers, Kees Vringer

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof AA DEN HAAG

Tweede Kamer der Staten-Generaal

KANSEN VOOR DUURZAME ENERGIE BIJ HERSTRUCTURERING VAN NAOORLOGSE WIJKEN

Zonne-energie voor ondernemers

Bijlage Indicatieve streefcijfers voor de lidstaten

Maak werk van zon & wind Schone energie voor heel Tynaarlo. Tynaarlo

Windenergie in Wijk bij Duurstede

4 Energiebesparingsadvies

Energiekosten van een huishouden in Nederland

Tweede Kamer der Staten-Generaal

CO 2 -uitstootrapportage 2011

Mondiale perspectieven voor energie, technologie en klimaatbeleid voor 2030 KERNPUNTEN

Eindexamen economie 1-2 vwo 2006-I

EfficiEncy Duurzaam. EnErgiEbEsparing. Warmte en koude. KEnnis industrie. energie financiering. instrumenten. GebouwDe omgeving

Zonder investeren besparen 10 tips en vragen voor de facilitair manager

Correctievoorschrift HAVO

Onderzoek Week van de Energierekening Gfk i.o. Milieu Centraal oktober 2012

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Nieuwe Energiepremies «Om onze energierekening te verlichten en het klimaat te beschermen!»

Raad voor Vervoer, Telecommunicatie en Energie

Productie van hernieuwbare energie in de woning/wijk

Helmonds Energieconvenant

Duurzame energie voor alle Lennikenaren! (Bruno Moens, LENNIK² - NVA-Lennik)

Hoge energieprijzen. Mazout blijft een voordelige brandstof.

De waarde van stadswarmte. Hoe komt de prijs tot stand?

werkdocument rijksdienst voor de ijsselrneerpolders J. Nicolai Cdw ministerie van verkeer en waterstaat

1 juli 2008 EP/AEP /

WATER- SCHAPPEN & ENERGIE

ENERGIE PRESTATIE ADVIES VOOR WONINGEN

Concept second opinion voor de Schaepmanstraat, Katwijk

Kansen voor warmte. Frans Rooijers Lustrumcongres Stichting Warmtenetwerk,

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Energiebesparing, geliefd en genegeerd. Colloquium Beleidsstudies Piet Boonekamp, 28 oktober 2011

Centraal Bureau voor de Statistiek. Achtergrond van de jaarlijkse basisverlegging

Eindexamen economie 1 havo 2008-I

Duurzame energie Fryslân Quickscan 2020 & 2025

Overzicht lessenserie Energietransitie. Lessen Energietransitie - Thema s en onderwerpen per les.

Ik ben als bestuurder in deze provincie bijzonder geïnteresseerd in de kansen van nieuwe energie voor onze kenniseconomie.

Reactienotitie informatieavond Perspectiefnota (19 juni 2014) beantwoording/toelichting

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Raadsvoorstel. 1. Aanleiding

wapenexportbeleid; vragen van de leden Algra en Schreijer-Pierik (CDA)

Groen gas. Duurzame energieopwekking. Totaalgebruik 2010: 245 Petajoule (PJ) Welke keuzes en wat levert het op?

Onze energievoorziening in feiten: mythes, nieuwtjes en kansen

Hartelijk welkom! Uniek nieuw initiatief Transition Town Breda Energie coöperatie: Brabants Eigen Energie (BREE)

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Hernieuwbare elektriciteit,

Bruto elektriciteitsproductie en inzet energiedragers,

2010D16438 Voorlopige rekening 2009

Onze energievoorziening in feiten: mythes, nieuwtjes en kansen. Heleen de Coninck, 13 september 2011

Hernieuwbare elektriciteit,

Transcriptie:

Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Zitting 1979-1980 15 802 Energiebeleid Nr.3 LIJST VAN VRAGEN Vastgesteld 14 november 1979 De vaste Commissie voor Economische Zaken 1 heeft besloten de inhoud van het eerste deel van de Nota Energiebeleid mede te betrekken bij de openbare behandeling van hoofdstuk XIII (Economische Zaken) van de rijksbegroting voor 1980. Aan dit besluit ligt de overweging ten grondslag, dat dit eerste deel, dat ingaat op de factoren die de toekomstige Nederlandse energievraag bepalen, op het te voeren besparingsbeleid en op de energievoorziening in de toekomst, nauw samenhangt met de inhoud van de memorie van toelichting bij de begroting van uitgaven van het Departement van Economische Zaken, in het bijzonder met het daarin voorkomende hoofdstuk Energie. Het betreft hier een niet uitputtende behandeling. De commissie is voornemens op een later tijdstip nog uitvoerig met de Regering over deel I van de Nota Energiebeleid van gedachten te wisselen, nadat het tweede en derde deel van de nota, handelende respectievelijk over het steenkolenbeleid en het beleid ten aanzien van de brandstofinzet in elektriciteitscentrales, aan de Kamer zullen zijn aangeboden. Ter voorbereiding van de openbare behandeling in eerste aanleg van deel I van de Nota Energiebeleid heeft de commissie een lijst van vragen opgesteld, die, naar zij vertrouwt, door de Regering tijdig voor de aanstaande behandeling van hoofdstuk XIII van de rijksbegroting zullen zijn beantwoord. De vragen zijn zoveel mogelijk gerubriceerd naar de bladzijden, waarop deze betrekking hebben. SAMENVATTING ' Samenstelling: Joekes (VVD), Portheine (WD), Van Dis (SGP), Epema-Brugman (PvdA) voorzitter, Van Amelsvoort (CDA), Jansen (PPR), Salomons (PvdA), Van Houwelingen (CDA) Kolthoff (PvdA), Van der Hek (PvdA), Engwirda (D'66), Braams (VVD), Jacobse (WD), Spieker (PvdA), Wöltgens (PvdA), Van der Linden (CDA), Van Rooijen (CDA), Gerritse (CDA), ondervoorzitter, De Vries (CDA), Zijlstra (PvdA) en van lersel (CDA). (blz. 5) 1 In welk opzicht wijkt het eerste deel van de Nota Energiebeleid af van de in 1974 aan de Kamer aangeboden Energienota? Hoeveel is sinds 1974 effectief bespaard? Met hoeveel is het research- en ontwikkelingsbudget ten behoeve van al ternatieve energiebronnen sinds 1974 gestegen? 4 vel Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15 802, nr. 3 1

(blz. 8) 4 Wanneer investeringen in energiebesparing en in ontwikkeling van alternatieve energiebronnen onvoldoende blijken om onze economische groei van 2 tot 3% te bereiken, wordt dan zonder meer gekozen voor extra investeringen in kolen en/of kernenergie-installaties? (blz. 9) 5 Kan meer precies worden aangegeven aan welke voorschriften wordt gedacht en waar de grens van de maatschappelijke aanvaardbaarheid ligt? Denkt de Minister ook aan voorschriften voor energie-intensieve wegwerpartikelen? 6 Kan dieper worden ingegaan op het in de Nota behandelde vraagstuk van de maatschappelijke versus privaat- economische kosten/baten? toelichting: zie het artikel van K. Zijlstra in ESB van 10 oktober 1979, blz. 1043). (blz. 11) 7 Wanneer zijn de uitkomsten van de studie inzake stadsverwarming te verwachten? (blz. 12) 8 Hoever is de voorbereiding gevorderd van het Nationaal Isolatie Programma in de herstructureringsgebieden, welke bedragen zijn hiervoor uitgetrokken en hoeveel extra werkgelegenheid is hiermee gemoeid? (blz. 13) 9 Kan de Minister een nadere uitwerking geven van de in de Nota aangegeven beleidsvoornemens met betrekking tot het terugdringen van de mobiliteitsbehoefte, carpooling, normering van het toelaatbare beslag op energiedragers, bevordering van selectiviteit door heffingen, subsidies en voorschriften en verandering van levenstijl? (blz. 14) 10 In welke orde van grootte kan een verbetering van de lopende rekening optreden? 11 Op welke basis zijn de berekeningen gemaakt met betrekking tot extra werkgelegenheid met 10 000 manjaren? (blz. 15) 12 Hoe denkt de Minister te voorkomen dat bij een aardgasprijs boven de huisbrandoliepariteit de bewoners van niet of moeilijk te isoleren woningen ongewild buitensporige stookkosten moeten opbrengen? (blz. 18) 13 Waarom ontbreekt hout in de opsomming van alternatieve energiedragers, met name in Europees verband? (blz. 19) 14 Biedt de teelt van biomassa voor Europa wel mogelijkheden? Tweede Kamerzitting 1979-1980, 15 802, nr. 3 2

15 Is het nationaal onderzoekprogramma windenergie georiënteerd op reeds verricht onderzoek in het buitenland? (blz. 20) 16 Kan de Minister, gezien de mogelijkheden die volgens Nederlandse en buitenlandse auteurs voor verdergaande besparing op het elektriciteitsverbruik bestaan, alsnog een elektriciteitsscenario presenteren, dat uitgaat van gelijkblijvend of slechts licht stijgend elektriciteitsverbruik tot het jaar 2000? (toelichting: zie ook het bij vraag 6 genoemde artikel in EBS blz. 1044-1045). (blz. 21) 17 Gelden de opmerkingen over het nucleaire onderzoek, dat vereist zou zijn om de kennis in stand te houden die nodig is voor eventuele nieuwbouw, ook voor de periode na begin 1982? Zo ja, wordt dan nietvooruitgelopenopde resultaten van de maatschappelijke discussie en de daaropvolgende beslissingen? (blz. 22) 18 Kan de Minister enkele voorbeelden geven waar de overheid via het geven van opdrachten windenergie bevorderd heeft? 1. INLEIDING (blz. 27) 19 Welke zijn de andere fundamentele uitgangspunten van de Regering inzake het energiebeleid? 20 Kan een overzicht gegeven worden van de prognose van de voorraden vanaf 1970? Hoe kan verklaard worden dat de verwachting dat nieuwe vondsten de hogere produktie zouden compenseren niet vervuld is? 21 Moet bij de vermelding dat de afnemende binnenlandse consumptie nadelige economische gevolgen heeft, alleen gedacht worden aan de korte termijn? Zo neen, waarom wordt de binnenlandse consumptie afgeremd en bovendien gas geïmporteerd? (blz. 28) 22 Welke waarde mag nog toegekend worden aan wezenlijk verouderde scenario's? 23. Wanneer kan de CPB-studie over de economische ontwikkeling op middellange en lange termijn verwacht worden? 24 Wat wordt bedoeld met de fundamentele wijziging van het karakter van het energiebeleid? Hoe werkt deze wijziging door in het energieonderzoek? 25 Zijn de beide wegen die bewandeld worden gelijkwaardig of zou gesteld kunnen worden dat de behoefte aan diversificatie afneemt naarmate de vraag naar energie sterker vermindert? Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15802, nr. 3 3

26 Kan het beleid gericht op diversificatie ook niet gericht worden op de industrie? (toelichting: Hierbij wordt met name gedacht aan ondervuring). (blz. 29) 27 a. Waarop is de verdubbeling van de reële ruwe aardolieprijs gebaseerd? b. Slaat het doelstellend karakter ook op de energieprijzen? Zo ja, waarom wil men dat doel bereiken en hoe wordt dat gerealiseerd? 28 Moet de versnelde isolatie in de herstructureringsgebieden als extra programma beschouwd worden? Hoe vindt de financiering plaats? 29 Kan de Minister aangeven in welk opzicht het concrete besparingsprogramma gunstiger is dan de maatregelen die het buitenland genomen heeft? 30 Zijn de isolatievoorschriften in Nederland beter dan wel slechter dan in andere landen zoals Zwitserland, Frankrijk en Denemarken? In welke mate? (blz. 31) 31 Wordt er ook nog rekening mee gehouden, dat de ontwikkeling van alternatieven mee kan vallen? (blz. 32) 32 Dient een realistisch energiebeleid ook niet de richting aan te geven waarin de sociaal-economisch structuur gewijzigd zou moeten worden? (blz. 33) 33 Welke concrete beleidsmaatregelen worden in het eerste deel van de Nota Energiebeleid voorgesteld? 2. DE MONDIALE ENERGIESITUATIE (blz. 37) 34 Wanneer wordt rendabele exploitatie van de reserves van niet conventionele olie bij de huidige prijs en prijsverwachtingen mogelijk? Tegen welke prijs zal deze olie worden aangeboden? (blz. 40) 35 Welke oorzaken liggen ten grondslag aan het feit dat het kolenbeleid in de EEG nog geen tastbare resultaten heeft opgeleverd? (blz. 45) 36 Wordt het tijdstip waarop de overige energiebronnen een bijdrage in de energievoorziening kunnen leveren bepaald door technische of financieeleconomische redenen? (blz. 50) 37 a. Op welke punten is het lea-overleg vruchtbaarder geweest dan het EEG-overleg? b. Welke oorzaken liggen ten grondslag aan het feit dat het EEG-beleid moeilijk van de grond komt? Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15802, nr. 3 4

{blz. 52) 38 Hoeveel zal de te verwachten besparing in de lea-landen over 1979 bedragen? 39 Is de olieimportdoelstelling per land al bekend? Zo ja, hoe luidt die? 40 Hoever is de toepassing van Europese richtlijnen inzake minimumrendementseisen verwarmingstoestellen, harmoniseringenergie-etikettering en aanbevelingen voor energiebesparende maatregelen gevorderd? (blz. 53) 41 Hoeveel draagt Nederland bij ten behoeve van onderzoek en ontwikkeling van nieuwe energiebronnen en van nieuwe energiebesparende technieken in IEA verband? 3. HET ENERGIE VERBRUIK IN RELATIE TOT DE ECONOMISCHE ONTWIKKELING (blz. 54) 42 Kan de Minister een overzicht geven van de tariefstructuur van gas in Nederland, Duitsland, België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk met name in de industrie? 43 a. Kan uitvoerig aangegeven worden wat bedoeld wordt met «de ontwikkeling van energie-intensieve industrieën in ons land zal overeen moeten komen met de prijsontwikkeling en de versterkte concurrentie uit bepaalde olielanden»? Mogen nog nieuwe energie-intensieve industrieën gevestigd worden? b. Welke criteria worden gehanteerd om de energie-intensiviteit van een bedrijf te bepalen? c. Hoeveel energie gebruiken onze «energie-giganten»? d. Wanneer wordt een bedrijf tot de energie-giganten gerekend? (blz. 59) 44 a. Kan aangetoond worden dat de energieprijzen een belangrijke factor geweest zijn bij de ontwikkeling van het energieverbruik sinds 1973? b. Kan een overzicht gegeven worden van alle factoren die het energieverbruik beïnvloed hebben en van de mate waarin deze aan die beïnvloeding hebben bijgedragen? (blz. 62) 45 Van welke elasticiteitscijfers voor de korte en lange termijn wordt in de andere EEG-landen uitgegaan? 46 a. Waarop is gebaseerd de verwachting dat voor de lange termijn de elasticiteit van het energieverbruik groter dan 0,4 is? b. Met welke prijsstijging heeft het CPB rekening gehouden om te komen tot een elasticiteit 0,8-1,0? (blz. 64) 47 Wil de Minister een overzicht geven van de ontwikkeling van de prijzen voor de export van Nederlands aardgas en de ontwikkeling van de olieprijzen van 1973 tot en met 1979? Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15802, nr. 3 5

48 Betekent het streven om een door werking van de stijgende energieprijzen in de lonen te vermijden, dat er voorstellen komen om de energieprijsstijging uit de prijscompensatie te halen? Wanneer wordt dit gerealiseerd? Welke invloed verwacht men hiervan op de ontwikkeling van de initiële loonstijging? 49 In welke opzicht wijken deze sociaal-economische doelstellingen af van de uitgangspunten van de Nota Selectieve Economische Groei? 50 a. Welke voordelen kan de EEG op energiegebied brengen zoals als het ware een compensatie van de additionele steunbedragen in de toekomst? b. Hoe groot schat men de omvang van de steunbedragen? (blz. 65) 51 a. Is overwogen om de Nederlandse aardgaspolitiek bij te stellen in de zin van meer eigen produktie en minder invoer om de verwachte betalingsbalans problemen beter aan te kunnen? b. Welke besparing aan milieukosten zou een dergelijk beleid opleveren? c. Kunnen de economische effecten in de komende vijftien jaar vergeleken worden, zowel van het nu voorgestane beleid als van een beleid waar de toename van de energie-invoer slechts de helft is van het nu gedachte respectievelijk waarbij de energie-invoer constant blijft, in de veronderstelling van aanvulling door extra aardgasproduktie, respectievelijk een groter energiebesparingsprogramma? (blz. 66) 52 a. Welke nadelen en welke voordelen zijn volgens de Minister verbonden aan een lagere groei? b. Kan een energiescenario gegeven worden van de situatie zonder economische groei? (blz. 67) 53 Wat wordt bedoeld met «een zekere afstemming met wat elders op dit gebied gebeurt»? (blz. 68) 54 Hoe definieert men «de maatschappelijke kosten»? Van welke componenten worden de laagste maatschappelijke kosten berekend? 55 Geldt hetgeen wordt besteld in de eerste alinea op deze bladzijde ook voor de nationale arbeidsverdeling? 56 Welke pogingen zijn door Nederland op EEG-niveau ondernomen om de energieprijzen-politiek van de lidstaten beter op elkaar af te stemmen? 57 Wordt de energietoeslag in de WIR niet als concurrentievervalsend gezien? 58 Kan een inzicht gegeven worden in de verwachting van de ontwikkeling van de penetratiegraad van duurzame consumptiegoederen, vergeleken met de verwachting die men in 1974 had? Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15802, nr. 3 6

59 a. Hoe denkt men de aanschaf en het gebruik van deze goederen te gaan beperken in de veronderstelling dat voorlichting alleen onvoldoende helpt? Waar gaat men voor kiezen, voor accijnzen of voor prijzen en in welke mate? b. Kan met evenveel recht ook niet gesteld worden dat het niet verbieden van produkten of bepaalde activiteiten buiten de grenzen valt van wat maatschappelijk aanvaardbaar is? 4. HET ENERGIEBESPARINGSPROGRAMMA A; UITGANGSPUNTEN EN INSTRUMENTEN (blz. 71) 60 Waarom is 1977 als uitgangspunt gekozen inplaats van 1979 bij de eerste referentieperiode? (blz. 73) 61 Kan aangegeven worden welke rol de overheid gaat spelen om de hier genoemde belemmeringen van onder meer institutionele aard weg te nemen? (blz. 74) 62 a. Kan de Minister aangeven waarom de Nota van twee verschillende prijsvariabelen uitgaat? b. Kande Minister alsnog een CPB scenario presenteren, dat uitgaat van een prijsverdubbeling tot het jaar 2000, met name ook voor wat de macroeconomische effecten betreft? c. Kan bij die gelegenheid ook een scenario worden overgelegd, dat uitgaat van een verdrievoudiging van het prijsniveau? Welke gevolgen (kwantitatief) heeft deze prijsstijging voor de energiebesparing? 63 Op welke veronderstelling is de verdubbeling van de olieprijs in 2000 gebaseerd? Hoe werkt deze prijsstijging uit op de sociaal-economische factoren? 64 a. Beantwoorden de huidige verwachtingen nog steeds aan een prijzenpad waarbij de reële ruwe aardolieprijzen in 1990 circa 65% hoger en in 2000 meer dan verdubbeld zullen zijn ten opzichte van 1978? Zo neen, welke zijn de huidige verwachtingen dan? b. Hoeveel bedraagt de meest recente prijsverhoging in procenten uitgedrukt ten opzichte van 1978? (blz. 75) 65 Op welke manier kan het fiscale instrument een bijdrage leveren aan de realisering van de besparingsdoelstelling? 66 Wat denkt de Minister in EEG-verband te ondernemen om een einde te maken aan de geheime prijzen voor industriële grootverbruikers, die voor verschillende energiedragers met name in de Bondsrepubliek Duitsland en in het Verenigd Koninkrijk worden gehanteerd? (blz. 76) 67 Op welke termijn kunnen voorstellen met betrekking tot de tariefstructuur voor aardgas worden verwacht? Kan de Minister in dit verband ook zijn mening over de structuur van de elektriciteitstarieven kenbaar maken? Tweede Kamerzitting 1979-1980,15 802, nr. 3 7

68 a. Kan het onderzoek van het Nationaal Economische Instituut aangaande de progressieve tariefstelling voor gas in het huishoudelijk verbruik overgelegd worden? b. Kan het regeringsstandpunt nu bekend gemaakt worden? c. Wordt ook onderzoek verricht naar een progressieve opbouw van het elektriciteitstarief? Wordt gestreefd naar een landelijke uniforme tariefstelling voor elektriciteit, zowel wat hoogte als opbouw betreft? (blz. 77) 69 a. Kunnen de onderwerpen waarvoor een wettelijke regeling vereist is nader worden gepreciseerd? b. Kan de fase-gewijze invoering van een besparingswetgeving in een tijdschema geplaatst worden? (blz. 78) 70 Wanneer zal de studie over warmtebeheer en warmtetransport afgerond worden? (blz. 79) 71 a. Kan de Minister de termijn aangeven waarbinnen voorstellen voor de organisatie van de energievoorziening, eventueel in de vorm van een wetsontwerp gedaan zullen worden? b. Is hij niet van mening dat, in afwachting van die voorstellen, reeds nu voorstellen voor verdere harmonisatie van de elektriciteitstarieven moeten worden gedaan? (blz. 80) 72 a. Kan een tijdschema gegeven worden van de totstandkoming van de onderscheiden energiebesparingsprogramma's? b. Welke rol gaat de REO spelen in het vaststellen van deze programma's? 5. HET ENERGIEBESPARINGSPROGRAMMA: HET BELEID PER VERBRUIKSSECTOR (blz. 82) 73 Wordt met de zinsnede «alle vanaf 1980 op te leveren nieuwbouwwoningen» bedoeld te stellen dat vanaf 1 januari 1981 de op te leveren nieuwbouwwoningen een 30 % isolatie hebben, of wordt bedoeld dat dit vanaf 1 januari 1980 zo zal moeten zijn? 74 Is een nadere precisering te geven van de 400 000 woningequivalenten, die voor 1980 op stadsverwarming moeten zijn aangesloten? (blz. 83) 75 Zijn de thermische eisen voor nieuwbouwwoningen in de Modelbouwverordening (MBV) thans vergelijkbaar met die in het buitenland? 76 Kan worden aangegeven welke grote gemeenten zich met hun bouwverordening reeds conformeren aan de eisen in de MBV? Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15 802, nr. 3 8

77 Kan worden nagegaan of de verplichting sinds 1975 om het niveau «goed» voor buitenwanden en daken te handhaven, in de praktijk is uitgevoerd? Wat is het percentage van het aantal woningen waarin deze voorschriften inderdaad zijn uitgevoerd? 78 Welke middelen heeft de centrale overheid om de naleving van isolatie voorschriften buiten de gesubsidieerde sector te verzekeren? 79 Wordt bij het onderzoek naar de verbetering van de isolatiewaarde van de woningen gebruik gemaakt van reeds verricht onderzoek in het buitenland? Welke contacten bestaan hierover met het buitenland? (blz. 84) 80 Is er bij de regio's, die een extra toewijzing van het aantal te isoleren woningen zullen krijgen, voldoende deskundige mankracht aanwezig om dit te kunnen uitvoeren? (blz. 85) 81 Hoe zal de financieringsregeling worden voor het plaatsen van hoogrenderende c.v.-ketels in woningwetwoningen? (blz. 86) 82 In hoeverre kunnen de initiatieven van de lagere overheden tot directe voordelen voor de betrokken burgers leiden? (blz. 87) 83 Kan een voorschrift van standaardisatie van kozijnmaten leiden tot een verlaging van de kosten van dubbel glas? (blz. 89) 84 Hoe staat het met betrekking tot de suggestie de minimumvoorwaarde van het aantal eenheden lux terug te brengen voor café's en dergelijke in het kader van de energiebesparing? «5 Is het niet wenselijk meer aandacht te schenken aan de beperking van verlichting en verwarming in de bestaande overheidsgebouwen, eventueel in de regelgevende sfeer? 86 Kan een nader inzicht worden gegeven in de opbouw van het energieverbruikvan 15% inde landbouw en visserij (exclusief de glastuinbouw)? (blz. 91) 87 Welke besparing van energie moet, gezien de stijging van de brandstoftekorten, worden bereikt om de energiekosten met 10% te doen afnemen? (blz. 92) 88 Welke mogelijkheden bestaan er om de belemmerende factoren voor een betere benutting van de rest- of afvalwarmte op te heffen? Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15802, nr. 3 9

89 a. Is bekend, hoeveel proceswarmte bij temperaturen tot ongeveer 100 C in ons land wordt gebruikt? b. Zijn er bedrijfstakken te noemen, die energie-intensief produceren, maar daarbij slechts warmte van betrekkelijk lage temperatuur nodig hebben, bij voorbeeld 100 Ctot 150 C? (blz. 93) 90 Op welke schaal worden warmtepompen in Nederland toegepast? 91 Wat denkt de Minister te doen aan het gemis van geschikt statistisch materiaal met betrekking tot het energieverbruik naar vervoerscategorie? 92 Wordt rekening gehouden met de wens het aantal stoplichten te beperken c.q. ook niette vergroten, omdat de doorstroming van het verkeer, dieenergiebesparend werkt, hierdoor bemoeilijkt wordt? (blz. 94) 93 Kan de Minister aangeven of in de prognoses met betrekking tot de energie-efficiency van het vervoerssysteem ook een vermindering van het gemiddeld gewicht van het autopark is verdisconteerd? Zo neen, kan hij hierover aanvullende gegevens verschaffen? (blz. 100) 94 Waarom moeten ten gevolge van de daling van de nog aanwezige overcapaciteit in de toekomst meer eenheden worden ingezet met een gemiddeld lager rendement? Kan dit vermogen niet opgevangen worden door stimulering van warmtekrachtinstallaties? 6. HET ENERGIEBESPARINGSPROGRAMMA; DE GEVOLGEN (blz. 101) 95 Kan worden aangegeven welke inkomensderving voor de overheid gepaard gaat met het besparingsbeleid? (blz. 103) 96 Is de Minister niet van mening, dat aanmoedigende subsidies bij aanschaf van duurzame consumptiegoederen met hoge energie-efficiency en van alternatieve-energie-installaties een versnelde energiebesparende invloed zullen hebben en dus in zekere mate gewenst zijn? 97 Op welke gronden wordt verwacht dat een verhouding van 20% financiering door de overheid en 80% door de bedrijven zelf zal leiden tot de gewenste investeringen? 98 Is het juist, dat de aangegeven macro-economische effecten uitgaan van een prijsstijging met 40% tot het jaar 2000 in plaats van een prijsverdubbeling? Zo ja, kan de Minister met name de werkgelegenheidscijfers en de energiecijfers aan deze laatste prognose aanpassen? Kan de Minister bij die gelegenheid tevens een uiteenzetting geven van de relatie tussen zijn voornemens op energiegebied en het werkloosheidsvraagstuk? Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15 802, nr. 3 10

(blz. 106) 99 Waarom ontbreekt een paragraaf over de gevolgen van het energiebesparingsprogramma voor de werkgelegenheidsontwikkeling? 7. GAS EN OLIE (blz. 109) 100 Zijn er andere dan uitsluitend technische redenen om Slochteren tot strategische voorraad te verklaren? Kunnen wel bekende, maar nog niet in exploitatie gebrachte velden ook niet als strategische reserve dienen? (blz. 111) 101 Wat is het verschil tussen een actieve en een agressieve inkooppolitiek? (blz. 112) 102 a. Is de prijsontwikkeling van olie nog van invloed op onze gasproduktie, in die zin dat bij een sterkere stijging van de olieprijs dan verwacht de olie-invoer zal worden beperkt en de eigen gasproduktie opgevoerd? Zo ja, waar ligt deze prijsgrens dan ongeveer? b. Indien zou blijken, dat de hoeveelheid gas die verbruikt wordt aanzienlijk lager zou zijn dan geraamd, wordt dan overwogen minder olie in te voeren en meer gas in te zetten? (blz. 114) 103 Zijn de problemen die in de tweede volle alinea geschetst worden het niet meer dan waard om toch het gasbeleid te evalueren? Waarom wordt extra gasinzet gezien als de vraagstukken met de minste pijn ontvluchten? Hoe is de pijn van een grotere gasafzet vergeleken met de pijn van een verslechterend milieu, slechtere betalingsbalans en een slechtere concurrentiepositie? 104 Wil de Minister een overzicht geven van de huidige prijzen van geïmporteerd gas en geëxporteerd gas? (blz. 117) 105 Over welke middelen beschikt de overheid om exploratieboringen in bepaalde gebieden te bevorderen? (blz. 118) 106 Om hoeveel aanvragen om een boorvergunning gaat het hier? 107 Kan niet gesteld worden, dat het aanbeveling zou verdienen om, nu de olieprijzen opnieuw sterk gestegen zijn, opnieuw de opbrengsten voor de Staat uit olie- en gaswinning te vergroten? Kan aangegeven worden wat op dit moment het effect is van 10% prijsstijging op de inkomsten van de Staat en op de opbrengsten voor de concessiehouders bij voorkeur gesplitst naar de onderscheiden velden? (blz. 125) 108 Kan nog iets gezegd worden over de suggestie, gedaan bij het debat over de energiebesparing op 12 juni 1979 (Actie inzake situatie op de oliemarkt) aangaande het mede hiervoor noodzakelijke EEG-beleid met betrekking tot Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15 802, nr. 3 11

de invoer van rietsuiker uit ontwikkelingslanden, waardoor een deel van het suikerbietenareaal voor de in dit hoofdstuk genoemde produktiemethoden zou kunnen worden gebruikt? 8. DIVERSIFICATIE (blz. 129) 109 Wil de Minister een overzicht geven van de subsidies die voor onderzoek en ontwikkeling van de onderscheiden vormen van alternatieve energie worden uitgetrokken in de periode 1978-1984? (blz. 130) 110 Waarom wordt nog niet overwogen om, naar analogie van de isolatiesubsidies aan particulieren, subsidie te geven voor toepassing van sommige alternatieve energiebronnen, bij voorbeeld zonne-energie? (blz. 132) 111 Op welke wijze zullen de installaties op het gebied van energieproduktie uit afval, die in beheer zijn bij lagere publiekrechtelijke lichamen, worden gesteund? (blz. 133) 112 Is het juist, dat in Denemarken kleinschalige toepassing van windenergie reeds plaats vindt? Op welke schaal? 9. ELEKTRICITEITSPRODUCTIE (blz. 143) 113 Kan de Minister aangeven hoe het elektriciteitsverbruik nu en in de toekomst is/zal zijn samengesteld, daarbij onderscheidende naar thermisch, mechanisch, verlichtings- en chemisch verbruik en naar verbruikssectoren? 10. ENERGIE-ONDERZOEK. ONTWIKKELING EN DEMONSTRATIE (blz. 147) 114 Welke voortgang is geboekt ten aanzien van de herprogrammering van lopend onderzoek bij ECN en TNO? Is hierbij vertraging ontstaan? Zo ja, hoeveel? Wanneer wordt de herprogrammeringsfase afgesloten? 115 Kan een prioriteitenstelling van de criteria waaraan een project in het energie-onderzoek wordt getoetst gegeven worden? 116 Wordt er bij de toekenning van de financiële middelen ten behoeve van onderzoek onderscheid gemaakt tussen projecten met normaal financieel risico en hoog risicodragende projecten? Zo ja, hoe zijn de middelen dan verdeeld? 117 Zijn bij de beoordeling van lopend en nieuw onderzoek de betalingsbalanseffecten en mogelijke werkgelegenheidseffecten niet van belang? Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15 802, nr. 3 12

(blz. 148) 118 a. Sluiten de onderzoekprogramma's aan bij de ontwikkelingen en resultaten van het bedrijfsleven? b. Hoeveel van het budget van energie-onderzoek is bestemd voor onderzoek in samenwerking met het bedrijfsleven? c. Bij welke onderzoekprogramma's in de industrie is de overheid betrokken? 119 Welke resultaten heeft de Stuurgroep Energie en Gebouwen opgeleverd? 120 Wordt de huidige structuur van het energie-onderzoek als bevredigend ervaren? Waarom wordt niet getracht een doorzichtiger structuur te maken? Welke rol speelt nu het Ministerie van Economische Zaken precies bij het energie-onderzoek en de energie-advisering? Kan daarbij een overzicht gegeven worden van alle vertegenwoordigingen van dit Ministerie in onderzoekinstellingen en energie-adviesraden, met vermelding of aan deze vertegenwoordiging al dan niet stemrecht is verbonden? 121 Wordt in de nationale onderzoekprogramma's ook het onderzoek binnen de industrie betrokken? Zo ja, op welke wijze? Zo neen, is de kans op «dubbel werk» dan niet erg groot? (blz. 149) 122 Wil de Minister de totale onderzoek" en ontwikkelingsgelden uitdrukken in procenten van de totale aardgasbaten? 123 Wil de Minister een nadere toelichting geven op de post «diversen» in tabemo.1? r (blz. 150) 124 Waarom wordt het onderzoek bij KEMA, respectievelijk VEG-Gasinstituut, respectievelijk Gasunie, tot onderzoek buiten de overheidssfeer gerekend? Vindt er wel afstemming van dit onderzoek plaats met het «overheidsonderzoek»? (blz. 151) 125 Wil de Minister aangeven wat hij bedoelt met «het complexe karakter van de materie»? Slaat dit op het energievraagstuk of de verhouding ECN/TNO? (blz. 154) 126 Is het juist dat, met uitzondering van de kernenergieprogramma's, de Europese programma's meer een bundeling van financiële middelen betekenen dan een bundeling van de in de lidstaten aanwezige kennis op het gebied van het energie-onderzoek? (blz. 155) 127 Welke afstemming vindt er plaats tussen EEG en IEA programma's? 128 Wil de Minister een schematisch overzicht geven van alle organisaties, instellingen, stuurgroepen, werkgroepen en dergelijke met bijbehorende taken die zich met het energievraagstuk bezig houden? Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15802, nr. 3 13

11. BESLUITVORMING NOODZAKELIJK (blz. 160) 129 Behoort bij de beoordeling van aanvaardbare mogelijkheden om aan de energieproblemen het hoofd te bieden ook niet het consumptiebeleid? Kan de relatie energiebeleid/consumptiebeleid beschreven worden? (blz. 163) 130 Kunnen inhoudsopgaven van de volgende twee delen van de Nota Energiebeleid verstrekt worden? 131 Kan een vierde deel toegevoegd worden over de organisatie van de energievoorziening, waarbij ook particuliere instellingen en bedrijven worden betrokken? Kan daarin een analyse gegeven worden over bruikbaarheid van de huidige organisatie getoetst aan de Regeringsdoelstellingen van het energiebeleid, over de gewenste verbeteringen in deze structuur en eventuele mogelijkheden en onmogelijkheden om deze structuur te verbeteren? ALGEMENE VRAGEN 132 Is bekend hoeveel gas in de Noordzee wordt afgefakkeld? De voorzitter van de commissie, Epema-Brugman De griffier van de commissie, Vrins Tweede Kamerzitting 1979-1980,15 802, nr. 3 14