Mondelinge taalvaardigheid



Vergelijkbare documenten
Observatieformulier Leerlijn Engelse taal (tpo) FASE 6

Observatieformulier Leerlijn Engelse taal (TPO) Groep 1 & 2

Observatieformulier Leerlijn Engelse taal (tpo) FASE 5

Observatieformulier Leerlijn Engelse taal (TPO) Groep 3 & 4

Tussendoelen Taal: Spraak- Taalontwikkeling

Tussendoelen ontwikkeling van de geletterdheid

1. Ziet de kleine verschillen. tussen letters/cijfers. 2. Herkent hetzelfde woord in een. 5. Kent en kan de namen van

maakt (kirrende) geluidjes of brabbelt (tegen personen en speelgoed) begint steeds meer woorden te herhalen en (na) te zeggen

Registratieblad aanbod doelen SLO groep 1 en 2

Peuters Groep 1 Groep 2 Groep 3 BP MP EP M1 E1 M2 E2 M3

Signaleringslijst voor Kleuters 2.0 1)

CONCEPT. Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten. Tussendoelen Nederlands onderbouw vo, vmbo

Voorbeelden van basiscompetenties TAAL/mondelinge taalontwikkeling zijn: Groeiboek Groeiboe

Leerlijnen peuters en jonge kind (MET extra doelen) versie juli Naam leerling. Taal Beginnende geletterdheid

Protocol leesproblemen en dyslexie Groep 1 en 2. Analyse doelen Jonge kind

Omgaan met zichzelf, 2-4;6 jaar

De taalontwikkeling van het jonge kind. De taalontwikkeling van het jonge kind

CONCEPT. Domein A 1: Lezen van zakelijke teksten. Tussendoelen Nederlands onderbouw vo havo/vwo

TAAL IS LEUK. Adviezen om de taalontwikkeling te stimuleren

Bekijk het maar! met Suus & Luuk

Ontwikkelingslijnen 0-4 jaar (MET extra doelen) - versie januari Naam kind. Taal Beginnende geletterdheid. Beginnende geletterdheid-fase 5

Doen, praten & bewegen. Analyse doelen Jonge kind

ZEG HET MAAR HET PRATEN VAN UW KIND. Leeftijd vanaf 4 jaar

Gesprekjes voeren Waar sta ik nu?

Leerlijn domein mondelinge taalvaardigheid

Ik & Ko Observatielijst. Analyse doelen Jonge kind

Leer- en ontwikkelingslijnen 0-7 jaar (ZONDER extra doelen) - versie januari Naam leerling. Taal Beginnende geletterdheid

Jong geleerd. Beatrijs Brand en Saskia Snikkers

Leer- en ontwikkelingslijnen 2-7 jaar (ZONDER extra doelen) - versie januari Naam leerling. Taal Beginnende geletterdheid

Cito Taal voor kleuters. Analyse doelen Jonge kind

Reader voor pedagogisch medewerkers

Reizen Algemeen. Algemeen - Belangrijkste benodigdheden. Algemeen - Conversatie. Om hulp vragen. Vragen of iemand Engels spreekt

Bijlage 14 Registratie- en planningsformulier gehele groep

A1 A2 B1 B2 C1. betrekking op concrete betrekking op abstracte, complexe, onbekende vertrouwde

ZEG HET MAAR HET PRATEN VAN UW KIND. Leeftijd 0 tot 4 jaar

Achtergrondinformatie over NT2

Ko observatielijst/ Kern(tussen)doelen TULE SLO Van November 2006

Peuterestafette. Peuterestafette

Leerlijn taalontwikkeling groep 1

CONCEPT. Tussendoelen Engels onderbouw vo havo/vwo

Activiteit Doel Beschrijving doel Planning Uitvoering

Standaardrapportage (strikt vertrouwelijk)

English is everywhere. hi morning mouse cool help desk hello computers mail school game. Lees de tekst. Omcirkel de Engelse woorden.

Peuterestafette. Gegevens peuterspeelzaal / kinderdagverblijf. Kindgegevens. Peuterspeelzaal/kinderdagverblijf. Adres. Telefoon

Comics FILE 4 COMICS BK 2

Aan het einde van de unit kennen de leerlingen woorden in de woordvelden: kleding uiterlijk emoties landen

Tussendoelen Engels onderbouw vo havo/vwo

Reizen Algemeen. Algemeen - Belangrijkste benodigdheden. Algemeen - Conversatie. Om hulp vragen. Vragen of iemand Engels spreekt

Reizen Algemeen. Algemeen - Belangrijkste benodigdheden. Algemeen - Conversatie. Om hulp vragen. Vragen of iemand Engels spreekt

Taalontwikkeling van het jonge kind:

ZEG HET MAAR HET PRATEN VAN UW KIND

ZEG HET MAAR HET PRATEN VAN UW KIND

Afasie. Neem altijd uw verzekeringsgegevens en identiteitsbewijs mee!

15. Luister eens wat ik vertel!

Leer- en ontwikkelingslijnen 0-7 jaar (MET extra doelen) - versie januari Naam leerling. Taal Beginnende geletterdheid

maken de kinderen vogelnestjes die zij in de dierenhoek kunnen gebruiken.

Aanvullende informatie ter voorbereiding op de TGN A1. Inleiding. Hoe maakt u de TGN?

In the classroom. Who is it? Worksheet

Werken met groepsplannen bij kleuters.

Interactive Grammar leert de belangrijkste regels van de Engelste spelling en grammatica aan.

Taalontwikkeling bij baby s, peuters en kleuters

Beschrijving van een fantasiedier

maken de kinderen een waterorgel en laten elke lettergreep uit een lied horen op dit orgel. Groep 1 Groep 2 samengestelde woorden in

BIJLAGE bij de Website voor Groep 6, 7, 8

THERAPIEPLAN Logopedie

Gezinssituatie: - woont bij... - broers... - zussen...

Toelichting. Leerdoelenoverzicht niveau 3c

Cito Taal voor peuters. Analyse doelen Jonge kind

KIJK! Lijst van: Schooljaar: Groep: Leraar: Datum gesprek 1e rapport: Datum gesprek 2e rapport: KIJK! 1-2 Bazalt Educatieve Uitgaven

Activiteit Doel Beschrijving doel Planning Uitvoering. De kinderen: - oriënteren zich op het thema. - activeren hun voorkennis.

TULE inhouden & activiteiten Nederlands - Technisch lezen. Kerndoel 4 - Technisch lezen. Toelichting en verantwoording

Algemene informatie groep 1-2. Ontwikkeling van kleuters:

Leerjaar 3: Lesopbouw en suggesties (incl. bewijzenblad) voor leerroute A, B, C

Richtlijnen voor het invullen van het overdrachtsinstrument

Grammatica uitleg voor de toets van Hoofdstuk 1

Thema 1 A new school year

VSO leerlijn Engels (uitstroom arbeid)

De leerling leert strategieën te gebruiken voor het uitbreiden van zijn Duitse woordenschat.

Als praten niet vanzelf gaat

Toelichting. Leerdoelenoverzicht - niveau 3a

Dutch survival kit. Vragen hoe het gaat en reactie Asking how it s going and reaction. Met elkaar kennismaken Getting to know each other

OUDERAVOND KRITISCH EN BEGRIJPEND LUISTEREN. Rianne Broeke 28 april 2015

Leerjaar 2: Lesopbouw en suggesties (incl. bewijzenblad) voor leerroute A, B, C

Toelichting. Leerdoelenoverzicht - niveau 3a

1. Welkom, presentie Naamkaartjes uitdelen en iedereen welkom heten. Presentielijst invullen. Kort voorstellen van jezelf.

Toelichting. Leerdoelenoverzicht - niveau 2a

Hieronder volgt een beknopte uitleg van de begrippen die u in het rapport zult tegenkomen.

Beoordelingsinstrument Digitale Leermiddelen Taalonderwijs

Arrangementen dagbesteding VSO Oriëntatiefase Verdiepingsfase Integratiefase Leerjaar 1 (de

1. Wat is taalontwikkeling?

Engels leren met songs and chants

Engels leren met songs and chants

Nieuwsbrief leren. leren en studeren op de basisschool. nummer 7 maart Lieven Coppens

Kan-beschrijvingen ERK A2

Vergaderen in het Engels

Taaljournaal Leerlijnenoverzicht - Lezen

a. Welbevinden: het kind voelt zich op zijn gemak in de groep ja enigszins nee Toelichting door pedagogisch medewerker:.

Transcriptie:

Algemene opmerking Fase 1 = veel imitatiegedrag (op basis van het vertoonde gedrag) Fase 1 t/m 6 = taaluitingen (veelal) nog op ; echt spontane taaluitingen zullen veelal nog bij het kind ontbreken Onderbouwing woordenschat is bij fase 1 t/m 3 gebaseerd op de woordenschat (passief en actief) van een 3 ½ jarige in de Nederlandse taalontwikkeling; en bij fase 4 t/m 6 van een 4 à 5 jarige in de Nederlandse taalontwikkeling Observatie (groene cellen): Per fase zijn er observatiepunten met daarbij af en toe concretiseringen van een kijkpunt Voor ieder observatiepunt geldt: weet of het kind dit kan; het kind hoeft dit niet expliciet te laten zien Mondelinge taalvaardigheid Fase 1 - (basisniveau eind groep 1) Fase 2 (basisniveau eind groep 2) Fase 3 (streefniveau eind groep 2) Fase 4 - (basisniveau eind groep 3) Fase 5 (streefniveau eind groep 3) Fase 6 Subdomein: Woordenschat en woordgebruik Passieve woordenschat Heeft een gemiddeld 800 woorden Begrijpt de aangeboden schat door vragen van de Heeft een gemiddeld 2000 woorden Begrijpt de aangeboden schat door vragen van de Vraagt naar de betekenis van woorden o Wil het kind onbekende woorden Heeft een gemiddeld 2500 woorden Begrijpt de aangeboden schat door vragen van de Vraagt naar de betekenis van woorden o Wil het kind onbekende woorden begrijpen Heeft een gemiddeld 3200 woorden Begrijpt de aangeboden schat door vragen van de Vraagt naar de betekenis van woorden o Wil het kind uitbreidingswoorden Heeft een gemiddeld 3700 woorden Begrijpt de aangeboden schat door vragen van de Vraagt naar de betekenis van woorden o Wil het kind uitbreidingswoorden Heeft een gemiddeld 4500 woorden Begrijpt de aangeboden schat door vragen van de Vraagt naar de betekenis van woorden o Wil het kind uitbreidingswoorden

begrijpen begrijpen begrijpen begrijpen Actieve woordenschat Heeft een gemiddeld 300 woorden Benoemt de aangeboden o Probeert het kind op te gebruiken Betekenisuitbreiding (semantiek) Heeft belangstelling voor woorden en woordbetekenissen Gebruikt nieuwe woorden Heeft een gemiddeld 750 woorden Benoemt de aangeboden o Gebruikt het kind op Heeft belangstelling voor woorden en woordbetekenissen Is er op gericht woorden productief te gebruiken Gebruikt nieuwe woorden Doet moeite om samen met de, Engelse woorden te vinden Heeft een gemiddeld 1000 woorden Benoemt de aangeboden o Probeert het kind de (spontaan) te gebruiken Gebruikt de aangeboden woorden in een gesprek of spel Gebruikt steeds meer verschillende en complexere woorden (hoeft nog niet correct te zijn) Doet moeite om samen met de, Engelse woorden te vinden Kan nieuwe woordbetekenissen uit (prenten)boeken afleiden Heeft een gemiddeld 1400 woorden Benoemt de aangeboden o Probeert het kind de spontaan te gebruiken Gebruikt de aangeboden woorden in een gesprek of spel Gebruikt steeds meer verschillende en complexere woorden Kan vorm- en betekenisaspecten van woorden onderscheiden (passief/receptief) Is zich bewust van het verschil tussen bevestigende en ontkennende taaluitingen Doet moeite om samen met de, Engelse woorden te vinden Kan nieuwe woordbetekenissen uit (prenten)boeken afleiden Heeft een gemiddeld 1600 woorden Benoemt de aangeboden o Gebruikt het kind de spontaan Gebruikt de aangeboden woorden in een gesprek of spel Gebruikt steeds meer verschillende en complexere woorden Is zich bewust van het verschil in gebruik van persoonlijk voornaamwoorden Kan vorm- en betekenisaspecten van woorden onderscheiden (passief/receptief) Kan bevestigende en ontkennende taaluitingen onderscheiden Doet moeite om samen met de, Engelse woorden te vinden - Let specifiek op: o persoonlijk voornaamwoord (moet goed gebruikt worden) Kan nieuwe woordbetekenissen uit een kort gesprekje/dialoog afleiden (niet actief) Heeft een gemiddeld 2000 woorden Benoemt de aangeboden o Gebruikt het kind de spontaan Gebruikt de aangeboden woorden in een gesprek of spel Gebruikt bekende woorden in steeds meer situaties Gebruikt regelmatig verschillende en complexere woorden (maakt steeds minder fouten) Kent het verschil tussen enkel- en meervoudsvormen Begrijpt ontkenningen Kan vorm- en betekenisaspecten van woorden onderscheiden (passief/receptief) Kan nieuwe woordbetekenissen uit (prenten)boeken en/of verhalen gebruiken Kan nieuwe woordbetekenissen uit een kort gesprekje/dialoog afleiden (niet actief) - Let specifiek op: o Enkel- en meervoudsvormen o ontkenningen

Mondelinge taalvaardigheid Fase 1 - (basisniveau eind groep 1) Fase 2 (basisniveau eind groep 2) Fase 3 (streefniveau eind groep 2) Fase 4 - (basisniveau eind groep 3) Fase 5 (streefniveau eind groep 3) Fase 6 Subdomein: Vloeiend en verstaanbaar vertellen Verstaanbaar spreken Herhaalt de aangeboden woorden Herhaalt Herhaalt steeds meer: / zinnen (bijvoorbeeld: Hello, my name is.. How are you?) Probeert woorden (die expliciet zijn aangeboden in de klas) correct uit te spreken - Of het kind redelijk goed te verstaan is; Herhaalt Herhaalt eenvoudige zinnen Spreekt duidelijk met de juiste uitspraak Herhaalt steeds meer / zinnen (bijvoorbeeld: Hello, my name is.. How are you?) Probeert woorden (die expliciet zijn aangeboden in de klas) correct uit te spreken - Of het kind over het algemeen goed te Herhaalt langere zinnen Herhaalt langere, complexere zinnen Spreekt duidelijk met de juiste uitspraak o Zit er vooruitgang in het herhalen/uitspreken van (meer dan vijf woorden) Probeert woorden (die expliciet zijn aangeboden in de klas) correct uit te spreken - Of het kind goed te verstaan is; Spreekt duidelijk met de juiste uitspraak o Zit er vooruitgang in het herhalen /uitspreken van samengestelde zinnen o Gebruikt het kind steeds meer Probeert woorden (die expliciet zijn aangeboden in de klas) correct uit te spreken - Of het kind goed te verstaan Probeert steeds meer op een verstaanbare manier te spreken Probeert nieuwe woorden en zinnen (vaak ) verstaanbaar uit te spreken Benoemt en beschrijft alledaagse verschijnselen, die betrekking hebben op mensen, plaatsen en dingen; Beschrijft (in korte zinnen) veel voorkomende handelingen in school (bijv. buiten spelen, fruit eten) thuis (bijv. eten, naar bed gaan). - Of het kind goed te verstaan is; Vertelt over wat het gedaan of meegemaakt heeft op verstaanbare en op een steeds begrijpelijker wijze Gaat steeds meer eigen constructies (naast ) gebruiken Beschrijft veel voorkomende handelingen in school (bijv. buiten spelen, fruit eten), thuis (bijv. eten, naar bed gaan) Beschrijft handelingen Maakt eigen constructies (deze zijn mogelijk minder goed verstaanbaar dan de ) - Of het kind goed te verstaan is; klanken gebruikt;

klanken probeert te gebruiken; verstaan is; klanken gebruikt; klanken gebruikt; is; klanken gebruikt; klanken gebruikt; Zinnen vormen (syntaxis) Kan gebruiken, die in de klas geoefend zijn Probeert, op te gebruiken (bijvoorbeeld: I like.; I don t like ) Kan gebruiken, die in de klas geoefend zijn Kan simpele vragen stellen en gebruiken, die m.b.v. routine ingeslepen zijn (bijvoorbeeld: How are you? How old are you?) Probeert, op te gebruiken (bijvoorbeeld: I My favourite colour is ) Probeert zinnen te formuleren met Engelse woorden en/of 'chunks' o Probeert het kind, na een simpele vraag te stellen en/of standaardformulering te gebruiken Kan eenvoudige werkwoordsvervoegingen Kan spontaan gebruiken - Om gedag te zeggen (bijvoorbeeld: See you later); - Zijn gevoelens te uiten (bijvoorbeeld: I'm excited); - Om hulp te vragen Benoemt alledaagse handelingen (bijvoorbeeld: May I go to the toilet, please?); Gebruikt eenvoudige vraagzinnen (bijvoorbeeld: What's this? Who's that?); Probeert zinnen te formuleren met gebruik van Engelse woorden en/of 'chunks' o Probeert het kind op aangeboden Engelse zinnen te gebruiken Formuleert grammaticaal correcte simpele zinnen met de aangeboden Engelse woorden en/of 'chunks Kan eenvoudige werkwoordsvervoegingen maken o Maakt het kind vervoegingen met regelmatige Maakt zinnen waarbij lidwoorden, voorzetsels en meervoudsvormen steeds vaker worden gebruikt (hoeft nog niet correct te zijn) Stelt eenvoudige vraagzinnen Probeert zinnen te formuleren met afwisselend gebruik van Engelse en Nederlandse woorden Stelt vraagzinnen om ergens meer over te weten te komen, vooral gesloten vragen Durft de Engelse taal te gebruiken om iets voor elkaar te krijgen Maakt steeds langere zinnen waarin lidwoorden, voorzetsels en meervoudsvormen voorkomen (hoeft nog niet correct te zijn) Gebruikt eenvoudige en soms complexe vraagzinnen (bijvoorbeeld: Where is my book? What's this? En: Who is that? Of: Can you come?) Kan om hulp vragen door het gebruik van (merendeel) Engelse woorden of 'chunks' Gebruikt steeds vaker complexe vraagzinnen om ergens meer over te weten te komen (naast gesloten ook open vragen) (bijvoorbeeld: How do you do that? En: How can I help you?) Spreekt in volzinnen (zinnen die lijken op Nederlands (I was to MacDonalds. I eat a hamburger and french fries) of met woorden die al in het Engels zijn (I was to MacDonalds. I eat a hamburger and french fries): o Maakt het kind samengestelde zinnen o Spreekt het kind in volledige en goede zinnen o Gebruikt het kind een Engelse zinsbouw met minimaal gebruik van Nederlandse woorden Gebruikt vraagzinnen om ergens meer over te weten te

Benoemen van de wereld om zich heen (mensen, plaatsen, dingen, handelingen ) Herkent en benoemt datgene wat in de klas geoefend is wordt steeds groter en daarmee moet het benoemen en pogingen tot beschrijven van de wereld om zich heen ook toenemen) De onderwerpen zijn dichtbij, ze gaan over het hier en nu, zijn context gebonden en concreet, vooral rond concrete voorwerpen of handelingen; de afstand tussen onderwerp en luisteraar is nog klein Kan het kind hetgeen geoefend is benoemen Probeert het kind actief gebruik te maken van de aangeboden woorden maken o Oriënteert het kind zich op het verbuigen van werkwoorden Herkent en benoemt datgene wat in de klas geoefend is wordt steeds groter en daarmee moet het benoemen en pogingen tot beschrijven van de wereld om zich heen ook toenemen) De onderwerpen zijn dichtbij, ze gaan over het hier en nu, zijn context gebonden en concreet, vooral rond concrete voorwerpen of handelingen; de afstand tussen onderwerp en luisteraar is nog klein Kan het kind hetgeen geoefend is benoemen Probeert het kind actief gebruik te maken van de aangeboden woorden werkwoorden Kan een boodschap duidelijk verwoorden o Kent het kind voldoende woorden om zich uit te drukken o Kent het kind (bijvoorbeeld: Miss, can you help me?) Herkent en benoemt datgene wat in de klas geoefend is wordt steeds groter en daarmee moet het benoemen en pogingen tot beschrijven van de wereld om zich heen ook toenemen) De onderwerpen zijn dichtbij, ze gaan over het hier en nu, zijn context gebonden en concreet, vooral rond concrete voorwerpen of handelingen; de afstand tussen onderwerp en luisteraar is redelijk klein Kan het kind hetgeen geoefend is benoemen Maakt het kind actief gebruik van de aangeboden woorden Herkent, benoemt en probeert te beschrijven wat er in de klas geoefend is wordt steeds groter, en daarmee moet het benoemen en (pogingen tot ) beschrijven van de wereld om zich heen ook toenemen) De onderwerpen zijn dichtbij, ze gaan over het hier en nu, zijn context gebonden en concreet, vooral rond concrete voorwerpen of handelingen; de afstand tussen onderwerp en luisteraar is klein Kan het kind hetgeen geoefend is, ook buiten de activiteit (buiten spelen, blokmomenten, thuis) benoemen Gebruikt het kind woorden die niet zijn aangeboden binnen de context Herkent, benoemt en probeert te beschrijven wat er in de klas geoefend is wordt steeds groter, en daarmee neemt ook het benoemen van de wereld om het kind heen toe) De onderwerpen zijn dichtbij, ze gaan over het hier en nu of over nabije omgeving, nabije toekomst/verleden; de verschijnselen en concepten worden complexer en abstracter; de afstand tussen onderwerp en luisteraar wordt groter Kan het kind hetgeen geoefend is, ook buiten de activiteit (buiten spelen, blokmomenten, thuis) benoemen Gebruikt het kind woorden die niet zijn aangeboden binnen de context komen, door wie, wat, waar vragen te stellen (who, what, where, why, when, how) alles productief. Who is soms lastig productief (who/hoe) Herkent, benoemt en beschrijft wat er in de klas geoefend is, en dat wat het kind zelf aan ervaringen heeft opgedaan (gehoord, gezien of gelezen) wordt steeds groter, en daarmee neemt ook het benoemen van de wereld om het kind heen toe) De onderwerpen zijn dichtbij, ze gaan over het hier en nu of over nabije omgeving, nabije toekomst/verleden; de verschijnselen en concepten worden complexer en abstracter; de afstand tussen onderwerp en luisteraar wordt groter Kan het kind hetgeen geoefend is, ook buiten de activiteit (buiten spelen, blokmomenten, thuis) benoemen Gebruikt het kind (spontaan) woorden die niet zijn aangeboden binnen de context

Mondelinge taalvaardigheid Fase 1 - (basisniveau eind groep 1) Fase 2 (basisniveau eind groep 2) Fase 3 (streefniveau eind groep 2) Fase 4 - (basisniveau eind groep 3) Fase 5 (streefniveau eind groep 3) Fase 6 Subdomein: Luisteren Luisteren Laat zien dat hij naar een ander luistert en geeft gepaste feedback door te knikken of te antwoorden (één woord) Knikt 'ja/nee' of antwoordt met 'Yes' of 'No' Instructie uitvoeren Kan korte enkelvoudige instructies begrijpen en uitvoeren Begrijpt opdrachten en voert deze uit (met visuele o Begrijpt het kind korte enkelvoudige opdrachten zoals 'Sit down' Begrijpt wat er gezegd wordt (met visuele Laat zien dat hij naar een ander luistert en geeft gepaste feedback (door te knikken of te antwoorden (3-woordzinnen)) Laat zien dat hij naar een ander luistert en geeft gepaste feedback (Yes, I do; I like it) Kan enkelvoudige instructies begrijpen en dagelijks terugkomende handelingen uitvoeren Begrijpt opdrachten en voert deze uit (met visuele o Begrijpt het kind enkelvoudige opdrachten zoals 'Can you sit on your chair, please' Begrijpt wat er gezegd wordt (met visuele Laat zien dat hij naar een ander luistert en geeft gepaste feedback (door te knikken of te antwoorden (korte zinnen)) Laat zien dat hij naar een ander luistert en geeft gepaste feedback (kindeigen) (I like the colour red) Kan enkelvoudige, maar langere, instructies begrijpen en uitvoeren Begrijpt opdrachten en voert deze uit (met visuele o Begrijpt het kind langere enkelvoudige opdrachten als Can you get the pencils for me from the cupboard? Begrijpt wat er gezegd wordt (met visuele Begrijpt complexere zinnen Begrijpt het kind ook moeilijkere zinnen en onderwerpen? Bijvoorbeeld een gesprek over een thema Kan meervoudige instructies begrijpen en uitvoeren (hoeft nog niet correct te zijn) Begrijpt opdrachten en voert deze uit o Begrijpt het kind meervoudige opdrachten zoals 'Close the door and sit on your chair, please Begrijpt steeds vaker complexe zinnen en zaken buiten het hier- en-nu (hoeft nog niet correct te zijn) Begrijpt het kind ook moeilijkere zinnen en onderwerpen? Bijvoorbeeld n.a.v. gebeurtenissen of thema Kan meervoudige instructies begrijpen en uitvoeren (hoeft nog niet correct te zijn) Begrijpt opdrachten en voert deze correct uit o Begrijpt het kind meervoudige opdrachten zoals 'Take your chair and sit in a circle Begrijpt complexere zinnen en zaken buiten het hier-ennu Begrijpt het kind ook moeilijkere zinnen en onderwerpen? Bijvoorbeeld n.a.v. actuele gebeurtenissen Begrijpt complexere instructies en kan deze uitvoeren Begrijpt opdrachten en voert deze correct uit o Begrijpt het kind meervoudige opdrachten zoals 'I want you to do the following things: go to the hall, clean the floor and put the dirt in the bin'

Luisteren naar verhaal en begrijpen van een verhaal leeftijd afgestemd verhaal en begrijpt het verhaal leeftijd afgestemd fragment op televisie of internet, met visuele ondersteuning (illustraties) en begrijpt het fragment Heeft zichtbaar plezier bij het luisteren naar verhalen Kan een voorgelezen, op de leeftijd afgestemd, verhaal met bewegingen ondersteunen of uitbeelden met behulp van de leeftijd afgestemd verhaal en begrijpt het verhaal leeftijd afgestemd fragment op televisie of internet, met visuele ondersteuning (illustraties) en begrijpt het fragment Heeft zichtbaar plezier bij het luisteren naar verhalen Kan een voorgelezen, op de leeftijd afgestemd, verhaal met bewegingen ondersteunen of uitbeelden met behulp van de leeftijd afgestemd verhaal en begrijpt het verhaal leeftijd afgestemd fragment op televisie of internet, met visuele ondersteuning (illustraties) en begrijpt het fragment Kan gerichte vragen beantwoorden (mag in het Nederlands antwoorden) Kan een voorgelezen, op de leeftijd afgestemd, verhaal naspelen met behulp van aanwijzingen van de leeftijd afgestemd verhaal en begrijpt het verhaal leeftijd afgestemd fragment op televisie of internet, met visuele ondersteuning (illustraties) en begrijpt het fragment Kan een verhaal coherent navertellen in eigen woorden (woorden zijn in principe wel aangeboden; mag in het Nederlands) Kan een voorgelezen, op de leeftijd afgestemd, verhaal naspelen met behulp van de leeftijd afgestemd verhaal en begrijpt het verhaal leeftijd afgestemd fragment op televisie of internet, met visuele ondersteuning (illustraties) en begrijpt het fragment Kan een verhaal coherent navertellen in eigen woorden (woorden zijn in principe wel aangeboden; mag in het Nederlands) Kan een voorgelezen, op de leeftijd afgestemd, verhaal naspelen met behulp van de leeftijd afgestemd verhaal en begrijpt het verhaal leeftijd afgestemd fragment op televisie of internet, met visuele ondersteuning (illustraties) en begrijpt het fragment Kan een verhaal coherent navertellen in eigen woorden (woorden zijn in principe wel aangeboden; mag in het Nederlands) Kan een voorgelezen, op de leeftijd afgestemd, verhaal naspelen met behulp van de Mondelinge taalvaardigheid Fase 1 - (basisniveau eind groep 1) Fase 2 (basisniveau eind groep 2) Fase 3 (streefniveau eind groep 2) Fase 4 - (basisniveau eind groep 3) Fase 5 (streefniveau eind groep 3) Fase 6

Subdomein: Gesprekjes voeren Initiatief nemen bij een gesprekje (geen doelen) (geen doelen) Neemt op aanmoediging van de deel aan een gesprekje tussen bijvoorbeeld 2 of meer kinderen Kan een kort gesprekje met vaste uitdrukkingen voeren o Kan het kind met behulp van de een kort gesprekje voeren Vragen beantwoorden Geeft antwoord op aanwijsvragen Kan antwoord geven op aanwijsvragen. This is a. Geeft antwoord op aanwijs-, gesloten en wieof wat vragen met die in de klas zijn aangeboden Wie- of wat vragen: My name is ; I'm fine, thank you; I'm six years old Geeft (een eenvoudig) antwoord op (half open)-, aanwijs-, luister- of keuzevragen van de of een ander kind Kan antwoord geven op vragen o Kan het kind eenvoudig antwoord geven op (half open) vragen van de of een ander kind Neemt, naast gesprekken in de kleine groep, af en toe deel aan gesprekken in de grote kring, onder leiding van de Kan een kort gesprekje met vaste uitdrukkingen voeren o Kan het kind een kort gesprekje voeren, met behulp van de Probeert gepast antwoord te geven op open vragen van de of een ander kind (hoeft niet correct te zijn) Kan antwoord geven op vragen o Kan het kind gepast antwoord geven op vragen van de of een ander kind Kan een kort gesprekje beginnen en reageren op wat de ander zegt, onder leiding van de Kan een gesprek beginnen, gaande houden en/of beëindigen met behulp van de Geeft antwoord op open vragen van de of een ander kind (hoeft niet correct te zijn): waarmee, wanneer, waarom, etc. Doet pogingen om open vragen en indirecte vragen te beantwoorden Kan antwoord geven op vragen o Kan het kind gepast antwoord geven op open vragen als ook indirecte vragen (hierbij letten op het taalkundig formuleren bij de zinnen) Neemt, naast gesprekken in de kleine kring, regelmatig deel aan gesprekken in de grote kring, onder leiding van de Kan een gesprek volgen in de grote kring Kan deelnemen aan een gesprek in de grote kring (voor korte periode(n)) Geeft gepast antwoord op vragen van de of een ander kind Beantwoordt open vragen en indirecte vragen Kan gepast antwoord geven op vragen van of ander kind o Kan het kind gepast antwoord geven op open vragen als ook indirecte vragen (hierbij letten op het taalkundig formuleren bij de zinnen) Ontluikende geletterdheid Fase 1 - Fase 2 Fase 3 Fase 4 - Fase 5 Fase 6

(basisniveau eind groep 1) (basisniveau eind groep 2) (streefniveau eind groep 2) (basisniveau eind groep 3) (streefniveau eind groep 3) Subdomein: Fonemisch bewustzijn en alfabetisch principe Reageren op rijmpjes (klankbewustzijn) Doet ervaring op met rijmen Doet mee met spelletjes rondom de Engelse taal Probeert bestaande rijmpjes en versjes op te zeggen Doet mee met woord- en klankspelletjes Kan samengestelde woorden opdelen in afzonderlijke componenten Kan bestaande rijmpjes en versjes opzeggen Maakt onderscheid tussen de vorm en de betekenis van woorden Herkent en gebruikt rijmwoorden (ook productief) Kan zinnen in woorden verdelen Probeert zelf te rijmen Doet steeds meer pogingen om te rijmen Auditieve analyse en synthese (Fonemisch bewustzijn) Kan samen met iemand anders een rijmpje opzeggen Heeft plezier in het zingen van liedjes waar rijm (eindrijm) in voorkomt Maakt zinnen af uit vaker voorgelezen boekjes of rijmpjes Kan het verschil tussen lange en korte woorden horen Kan het een lang woord opdelen in kortere stukjes (lettergrepen) Probeert lettergrepen te plakken Probeert rijmwoorden te bedenken bij woorden (uit lijst) (geen doelen) (geen doelen) (geen doelen) Probeert woorden en/of klanken te sorteren Doet, op eigen initiatief, pogingen om Engelse woorden en teksten te ontcijferen (bijvoorbeeld door het ontcijferen van geschreven teksten op kleding, zoals 'I am cool') Probeert gesproken woorden in klanken te verdelen en deze weer samen te voegen Probeert rijmwoorden te bedenken bij woorden (uit uitbreidingswoordenlijst) Stelt, op eigen initiatief, vragen over hoe je bepaalde Engelse woorden (in geschreven taal) uitspreekt Stelt, op eigen initiatief, vragen over hoe je bepaalde Engelse woorden (in geschreven taal) uitspreekt Stelt vragen over hoe je bepaalde Engelse woorden (in geschreven taal) uitspreekt Stelt vragen over hoe je bepaalde Engelse woorden (in geschreven taal) uitspreekt

Taalbeschouwing Fase 1 - (basisniveau eind groep 1) Fase 2 (basisniveau eind groep 2) Fase 3 (streefniveau eind groep 2) Fase 4 - (basisniveau eind groep 3) Fase 5 (streefniveau eind groep 3) Fase 6 Subdomein: Nadenken en praten over taal Is zich bewust van het (eigen) gebruik van Engels tegen een ander kind (bijvoorbeeld: No, you have to say tree, not 'boom' ) Is zich bewust van het (eigen) gebruik van Engels tegen een ander kind (bijvoorbeeld: No, you have to say tree, not 'boom' ) Wordt zich steeds meer bewust van de verschillen en overeenkomsten tussen de Nederlandse en Engelse taal Wordt zich steeds meer bewust van de verschillen en overeenkomsten tussen de Nederlandse en Engelse taal Probeert het taalgrapjes Maakt het eenvoudige taalgrapjes Doet pogingen om de uitspraak van het Engels te voorspellen op basis van vergelijkbare woorden. Doet pogingen om de betekenis van Engelstalige woorden te herleiden uit een lemma (trefwoord) Maakt het taalgrapjes