Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1988-1989 18 051 Huisvestingsbeleid woonwagenbewoners Nr. 12 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 's-gravenhage, 7 november 1988 Conform mijn toezegging in het overleg met de Vaste Commissie voor het Minderhedenbeleid over de huurverhogingen van woonwagenstandplaatsen op 14 juni 1988 (18 051, nr. 11) is op 25 oktober jl. met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en op 27 oktober jl. met het Landelijk Platform Woonwagenbewoners (LPW) en het Landelijk Overleg Woonwagenvrouwen (LOWV) gesproken over uitgangspunten voor de huurprijsvaststelling van standplaatsen en woonwagens voor de komende jaren, zoals vermeld in bijgaande notitie. De VNG kon zich vinden in de uitgangspunten, die - vertaald in concrete cijfers - leiden tot huurverhogingen voor standplaatsen in de jaren 1989 t/m 1993 van maximaal f 10, f 11, f 12, f 13, en respectievelijk f 14 per maand, maar vroeg wel aandacht voor verdere integratie van de huursystematiek voor standplaatsen en woonwagens in het bestaande systeem voor huurwoningen. LPW en LOWV maakten bezwaar tegen het als één geheel beschouwen van de woonlasten voor standplaatsen en woonwagens. Voorts achtten zij een bevriezing van de staangelden op het huidige niveau gewenst, totdat er overeenstemming zal zijn over een objectief waarderingsstelsel voor standplaatsen en woonwagens. Tenslotte vonden zij dat er in de financiële voorstellen onvoldoende rekening was gehouden met de achterstandssituatie waarin zij als minderheidsgroep verkeerden. Het overleg met alle betrokkenen over een waarderingsstelsel voor standplaatsen en woonwagens zoveel mogelijk analoog aan dat voor huurwoningen, zal worden voortgezet. Ik meen evenwel dat dit geen aanleiding mag zijn om de voorgestelde huurverhogingen voor 1989 achterwege te laten. Er zou dan op dat punt sprake zijn van een ongelijke behandeling ten opzichte van huurverhogingen voor woningen. De voornemens met betrekking tot de huurstelling voor 1990 en volgende jaren zullen voortaan - net zoals bij woningen - in de begroting Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 18 051, nr. 12 1
van het desbetreffende jaar en de memorie van toelichting daarop worden aangekondigd. De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, E. Heerma Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 18 051, nr. 12 2
Notitie over de huurprijsvaststelling standplaatsen en woonwagens A. Inleiding In 1987 en 1988 zijn de huren van standplaatsen met gemiddeld f 15 respectievelijk f 25 per maand verhoogd. De huren van VROM-wagens zijn daarbij tevens verlaagd. Verschillen in eigen bijdragen voor standplaatsen en woonwagens zijn daarmee beter op elkaar afgestemd dan voorheen. B. Huidige situatie De woonlasten voor een woonwagenbewoner bestaan enerzijds uit de huurlasten voor een standplaats, anderzijds uit de woonlasten voor een woonwagen. De kale huur voor een standplaats is per soort standplaats overal hetzelfde. De woonlasten voor een woonwagen (hetzij kale huur, hetzij rente en aflossing van een afgesloten lening) variëren naar het type wagen. Daarnaast wordt de uiteindelijke eigen bijdrage van de bewoner nog beïnvloed door de mogelijkheden om gebruik te maken van individuele huursubsidie en premie regeling koopwagens. Per 1 juli 1989 zal het totale wagenpark (ruim 8000 wagens) bestaan uit: - 32% VROM-huurwagens, waarvan de huurders vrijwel allemaal een beroep doen op de individuele huursubsidie - 40% CRM-koopwagens, gefinancierd met bijstandsleningen in de periode 1974-1981 - 25% vrije sektorwagens, gefinanciëerd met eigen middelen - 3% premiekoopwagens, waarvan 1% VROM en 2% CRM. Nominaal zien de jaarlijkse woonlasten - ingedeeld naar type wagen - er per 1 juli 1988 zo uit: wagen + standplaats = totaal (meer t.o.v. 1987) ind. = eigen huursubs. bijdrage c.q. premie 4 875 + 1 320 = 6 195 (+ 3%) - 2 880 = 3315 548 + 1 320 = 1 868 (+19%) geen = 1 868 1 1 628 + 1 320 = 2 948 (+11%) geen = 2 948' afbetaald + 1 320 = 1 320 (+29%) - geen = 1 320 3 600 + 1 320 = 4 920 (+ 7%) - 2 040 = 2 880 2 5 700 + 1 320 7 020 (+ 4%) - 3 720 = 3 300 2 1 exclusief belastingvoordeel door renteaftrek 2 exclusief belastingvoordeel door renteaftrek en nadeel door belastingheffing over premie. C. Positie bewoners CRM-koopwagens De bewoners van CRM-koopwagens, die vrijwel allen een inkomen op bijstandsniveau hebben, konden indertijd tot aanschaf van een wagen overgaan, omdat de eigen bijdrage in standplaatshuur + rente en aflossing van de wagen beperkt bleef tot het bedrag dat in het bijstandsinkomen was gereserveerd voor kale woonlasten. Dat bedrag is zodanig dat daarmee veelal niet de «hypotheek» van een CRM-wagen volledig kan worden afgelost voordat de wagen aan vervanging toe is. De Bijstandswet kent dan ook de mogelijkheid om de restantschuld op een aan vervanging toe zijnde CRM-wagen kwijt te schelden. In feite kan de kwijtschelding van de restantschuld als een substituut worden beschouwd voor het ontbreken van de mogelijkheid om gebruik te maken Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 18 051, nr. 12 3
van individuele huursubsidie of premiekoopregeling. De belangrijkste conclusie uit deze historisch zo gegroeide situatie is dat de woonlasten van bewoners van CRM-koopwagens moeten worden vergeleken met die van huurders met een bijstandsinkomen die een beroep doen op de individuele huursubsidie en niet met die van kopers (met een inkomen boven bijstandniveau). D. Uitgangspunten voor de huurstelling in de komende jaren De huur van een nieuwe 13,00 m. woonwagen (f4 875) bedraagt 9,75% van de stichtingskosten (f 50 000); de huur van een nieuwe standplaats (f 1 320) bedraagt 2,2% van de gemiddelde stichtingskosten (f 60 000). Het streven is gericht om op termijn te komen tot gelijke percentages, vergelijkbaar met woningbouw. De aanvangshuur van een vergelijkbare woning bedraagt in 1988 6% van f 110 000 is f 6 600 per jaar. Op termijn zal de huur van een standplaats uitkomen op 6% van f 60 000 is f 3 600 per jaar; de huur van een wagen op 6% van f 50 000 is f 3 000 per jaar. Dat betekent huurverhogingen voor standplaatsen en huurverlagingen voor woonwagens. De vraag is nu in welk tempo deze aanpassingen mooten plaatsvinden, waarbij zoveel mogelijk analoog aan de systematiek van de Huurprijzenwet woonruimte wordt gewerkt. Ik meen dat de volgende uitgangspunten als redelijk kunnen worden aangemerkt: a. De woonlasten voor standplaatsen en woonwagens moeten als een geheel worden beschouwd. b. De huur voor een standplaats is onafhankelijk van het type wagen dat er op staat. c. De goedkoopste combinatie (CRM-1974 f 1 868) mag niet meer stijgen dan het maximaal toegestane harmonisatiepercentage voor woningen (= 7% in 1989). d. De daaruit voortvloeiende huurverhoging geldt voor alle standplaatsen. e. De huur van een 13,00 m VROM-huurwagen + standplaats mag jaarlijks met niet meer dan het trendmatige huurpercentage voor woningen stijgen (voor 1989 : 3%). f. De huur van nieuwe 13,00 m VROM-huurwagens + standplaats mag niet meer bedragen dan die van een vergelijkbare nieuwbouwwoning (In 1988 :f 6 600). g. Een gevolg van uitgangspunt e. of f. kan zijn huurverlaging van VROM-huurwagens (exclusief standplaatshuur). h. De ontwikkeling van de eigen bijdrage bij VROM-huurwagens (na aftrek van individuele huursubsidie) is toonaangevend voor de eigen bijdrage ontwikkeling bij de overige typen woonwagens. i. De eigen bijdrage voor bewoners van CRM-wagens uit de periode 1974 t/m 1981 zal altijd wat lager moeten zijn dan die van VROMhuurwagens, omdat CRM-wagens ouder en vaak iets kleiner zijn dan VROM-huurwagens. j. Als gevolg van uitgangspunt h. zal zonodig de premie voor koopwagens jaarlijks worden aangepast zoals dat ook met de tabellen voor individuele huursubsidie geschiedt. k. Verouderingsaftrekken naar analogie van het systeem bij woningen zijn ook van toepassing op standplaatsen en woonwagens. E. Huurstelling per 1 juli 1989 en volgende jaren De uitgangspunten leiden tot een verhoging van de standplaatshuur met f 10 per maand per 1 juli 1989. Rekening houdend met verouderingsaftrekken (zie F) is de verhoging Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 18 051, nr. 12 4
voor oudere standplaatsen wat lager. Nominaal worden de jaarlijkse woonlasten per 1 juli 1989 als volgt: wagen + standplaats totaal (meer t.o.v. 1988) ind. huursubs. c.q. premie eigen bijdrage VROM-huur CRM-1974 CRM-1981 vr. sektor CRM-premie VROM-premie 4 875 + 1 440 6315 (1.9%) - 2 880 = 3 435 548 + 1 440 1 988 (6,4%) - geen = 1 988 1 628 + 1 440 3 068 (4,1%) geen = 3 068 afbetaald + 1 440 1 440 (9,1%) geen = 1 440 3 600 + 1 440 5 040 (2,4%) 2 040 = 3 000 5 700 + 1 440 7 140 (1.7%) - 3 720 = 3 420 Er zal geen huurverlaging voor VROM-wagens plaatsvinden, omdat de totale huurstijging van wagen plus standplaats (1,9%) binnen de grens van het trendmatige (3%) blijft. Een verlaging van de premietabel voor koopwagens is per 1 juli 1989 noodzakelijk, om de eigen bijdrage gelijke tred te laten houden met die van bewoners van huurwagens. Indien de uitgangspunten op dezelfde wijze worden toegepast voor de jaren 1990 t/m 1993, bedragen de maandelijkse huurverhogingen in die jaren respectievelijk f 11, f 12, f 13 en f 14. F. Verouderingsaftrek Tot nog toe werd er slechts onderscheid gemaakt tussen standplaatsen gebouwd of gerenoveerd vöör of na 1 januari 1977. De laatste waren f 10 per maand duurder. Nu wordt voorgesteld om - naar analogie van de verouderingsaftrek bij woningen - per (kalender) jaar, gerekend vanaf het zesde volle kalenderjaar na het bouwjaar c.q. laatste jaar van renovatie, een verouderingsaftrek toe te passen. Deze aftrek bedraagt per jaar 0,65% van de jaarhuur van een nieuwe standplaats of woonwagen. Dat is ongeveer 2 x zoveel als bij woningbouw, omdat standplaatsen, en woonwagens in 25 jaar worden afgeschreven, en woningen in 50 jaar. In tabel A is weergegeven hoe de huur van standplaatsen zich ontwikkelt, rekening houdend met eerder vermelde verhogingen van de aanvangshuur en verouderingsaftrekken. Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 18 051, nr. 12 5
Tabel A Huur per 1 juli van het betreffende jaar inclusief verouderingsaftrek Jaarhuur standplaatsen Maandhuur standplaatsen 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1988 1989 1990 1991 1992 1993 1993 2 040.00 1993 170.00 1992 1 872.00 2 040.00 1992 156.00 170.00 1991 1 716.00 1 872.00 2 040.00 1991 143.00 156.00 170.00 1990 1 572.00 1 716 00 1 872.00 2 040.00 1990 131.00 143.00 156.00 170.00 1989 1 440.00 1 572.00 1 716.00 1 872.00 2 040.00 1989 120.00 131.00 143.00 156.00 170.00 1988 1 320.00 1 440.00 1 572.00 1 716.00 1 872.00 2 040.00 1988 110.00 1 20.00 131.00 143.00 1 56.00 170.00 1987 1 320.00 1 440.00 1 572.00 1 716.00 1 872.00 2 040.00 1987 110.00 120.00 131.00 143.00 156.00 170.00 1986 1 320.00 1 440.00 1 572.00 1 716.00 1 872.00 2 026.74 1986 110.00 120.00 131.00 143.00 156.00 168.90 1985 1 320.00 1 440.00 1 572.00 1 716.00 1 859.83 2 013.57 1985 110.00 120.00 131.00 143.00 154.99 167.80 1984 1 320.00 1 440.00 1 572.00 1 704.85 1 847.74 2 000.48 1984 110.00 120.00 131.00 142.07 153 98 166.71 1983 1 320.00 1 440.00 1 561.78 1 693.76 1 835.73 1 987.47 1983 110.00 120.00 130.15 141.15 152.98 165.62 1982 1 320.00 1 430.64 1 551.63 1 682.76 1 823 80 1 974.56 1982 110.00 119.22 129.30 140.23 151.98 164.55 1981 1 320.00 1 421.34 1 541.34 1 671.82 1 811.95 1 961.72 1981 110.00 118.45 128.46 139.32 151.00 163.48 1980 1 320.00 1 412.10 1 531.52 1 660.95 1 800.17 1 948.97 1980 110.00 117.68 127.63 138.41 150.01 162.41 1979 1 320.00 1 402.92 1 521.57 1 650.15 1 788.47 1 936.30 1979 110.00 116.91 126.80 137.51 149.04 161.36 1978 1 320.00 1 393.80 1 511.68 1 639.43 1 776.84 1 923.72 1978 110.00 116.15 125.97 136.62 148.07 160.31 1977 1 320.00 1 384.74 1 501.85 1 628.77 1 765.29 1 911.21 1977 110.00 115.40 125.15 135.73 147.11 159.27 1976 1 200.00 1 320.00 1 452.00 1 596.00 1 752.00 1 898.79 1976 100.00 110.00 121.00 133.00 146.00 158.23 1975 1 200.00 1 320.00 1 452.00 1 596.00 1 742.42 1 886.45 1975 100.00 110.00 121.00 133.00 145.20 157.20 1974 1 200.00 1 320.00 1 452.00 1 596.00 1 731.09 1 874.19 1974 100.00 110.00 121.00 133.00 144.26 156.18 1973 1 200.00 1 320.00 1 452.00 1 586.83 1 719.84 1 862.00 1973 100.00 110.00 121.00 132.24 143.32 155.17 1972 1 200.00 1 320.00 1 452.00 1 576.52 1 708.66 1 849.90 1972 100.00 110.00 121.00 131.38 142.39 154.16 1971 1 200.00 1 320.00 1 444.23 1 566.27 1 697.56 1 837.88 1971 100.00 110.00 120.35 130.52 141.46 153.16 1970 1 200.00 1 320.00 1 434.84 1 556.09 1 686.52 1 825.93 1970 100.00 110.00 119.57 129.67 140.54 152.16 1969 1 200.00 1 314.36 1 425.51 1 545.98 1 675.56 1 814.06 1969 100.00 109.53 118.79 128.83 139.63 151.17 1968 1 200.00 1 305.82 1 416.24 1 535.93 1 664.67 1 802.27 1968 100.00 108.82 118.02 127.99 138.72 150.19 1967 1 200.00 1 297.33 1 407.04 1 525.95 1 653.85 1 790.55 1967 100.00 108.11 117.25 127.16 137.82 149.21 1966 1 200.00 1 288.90 1 397.89 1 516.03 1 643.10 1 778.92 1966 100.00 107.41 116.49 126.34 136.92 148.24 1965 1 200.00 1 280.52 1 388.81 1 506.17 1 632.42 1 767.35 1965 100.00 106.71 115.73 125.51 136.03 147.28 1964 1 200.00 1 272.20 1 379.78 1 496.38 1 621.81 1 755.86 1964 100.00 106.02 114.98 124.70 135.15 146.32 1963 1 200.00 1 263.93 1 370.81 1 486.66 1 611.27 1 744.45 1963 100.00 105.33 114.23 123.89 134.27 145.37 1962 1 200.00 1 255.71 1 361.90 1 476.99 1 600.79 1 733.11 1962 100.00 104.64 113.49 123.08 133.40 144.43 1961 1 200.00 1 247.55 1 353.05 1 467.39 1 590.39 1 721.85 1961 100.00 103.96 112.75 122.28 132.53 143.49