Het neurologische consult



Vergelijkbare documenten
Multiple sclerose (MS) Poli Neurologie

DUIZELIGHEID Keel-, Neus- en Oorheelkunde FRANCISCUS VLIETLAND

Erfelijke spastische paraparese

huisartsennascholing 10 sept 2013

Duizeligheid. Havenziekenhuis

Declaratiecode Zorgproduct passantentarief BCN 2015 Omschrijving 15A ,12 Consult op de polikliniek bij Een slaapstoornis 15A336

Duizeligheid. Neem altijd uw verzekeringsgegevens en identiteitsbewijs mee!

Maatschap Keel-, Neus- en Oorheelkunde. Duizeligheid

Chronische progressieve lagerugpijn met uitstraling in twee dermatomen bij een 44-jarige havenarbeider

kno specialisten in keel-, neus- & oorheelkunde Duizeligheid

Rughernia (behandeling door de huisarts)

Doelstellingen basisstage neurologie

Chapter 7. Nederlandse samenvatting

Subtotaal - Ondersteuners Subtotaal - Honorarium. Subtotaal - Poorter. Subtotaal - Kosten. Declaratiecode Zorgproduct.

Rugpoli in Enschede. Lucille Dorresteijn, Neuroloog Marleen Wijnstra, Physician assistant

Herkennen en behandelen MIGRAINE

Deze folder geeft u informatie over duizeligheid en daarbij behorende klachten. Deze folder is opgesteld door de KNO arts.

Wilhelmina Ziekenhuis Assen. Vertrouwd en dichtbij. Informatie voor patiënten. Duizeligheid

Klachten en Symptomen. Dr. Jacoline Bromberg Neuroloog / neuro-oncoloog Erasmus MC Kanker Instituut Rotterdam

Kinderneurologie.eu. De neurologische anamnese Jolanda Schieving, neuroloog-kinderneuroloog.

Hyperekplexia. Movement disorders GRONINGEN He althy Ageing: moving to the next generation

Duizeligheid. Afdeling KNO

Altijd moe... Jochem Verdonk

Herniastraat Een versneld onderzoeks- en behandeltraject bij verdenking op een rughernia

Praktijk voor Massagetherapie Josephine van der Woude Beroepsvereniging NVST A-Therapeut lidnr SR BAG lidnr.

Nederlandse samenvatting proefschrift Renée Walhout. Veranderingen in de hersenen bij Amyotrofische Laterale Sclerose

NRLP-12 Gerelateerde Terugkerende Koorts

Wat is Spasmodische torticollis?

Hernia met een radiculair syndroom in de lage rug Informatie & behandeling. Afdeling Fysiotherapie IJsselland Ziekenhuis

Warmtebehandeling van aangezichtspijn (Sweet)

Duizeligheid. Wat is duizeligheid? In deze folder vindt u informatie over duizeligheid, de bijbehorende klachten en oorzaken.

Sympatische Reflex Dystrofie (SRD)

Dermatologie. Gordelroos. Slingeland Ziekenhuis

Syndroom van Guillain Barré

Ziekte van Parkinson

Buikwandpijnsyndroom Soms wordt in plaats van ACNES de Nederlandse term buikwandpijnsyndroom gebruikt.

Onderwijsmateriaal voor toetsgroepen

Hersentumoren en rijbewijs. Naam: prof. dr. Jan J.Heimans Functie: Neuroloog VU medisch centrum

FXTAS een neurologische aandoening in verband met fragiele X. Informatie voor mensen met de fragiele X premutatie, behandelaars en andere betrokkenen

Datum: Spreker: Jan Prick. Het MDO rug en de rol van de neuroloog hierin

Geriatrie. Patiënteninformatie. Flauwvallen (syncope) Slingeland Ziekenhuis

Onderzoek en behandeling bij kinderen met visuele problemen door stoornissen in hersenfuncties. Informatie voor verwijzers

Verschijnselen van duizeligheid Oorzaken van duizeligheid

Wat zijn segmentale relaties?

DIABETISCHE NEUROPATHIE DIAGNOSTIEK EN BEHANDELING

Lage rugklachten.

Nederlandse samenvatting

Inhoudsopgave. Duizeligheid 4. Wat is duizeligheid? 4. Verschijnselen van duizeligheid 5. Oorzaken van duizeligheid 6. Onderzoek 7.

Inleiding Wat is een epidurale injectie? Voorbereiding voor de behandeling Nogmaals: uit voorzorg is het niet

(ulnaris neuropathie)

Rughernia. (Hernia nuclei pulposi)

Lumbaal radiculair syndroom ACHTERGRONDEN BIJ DE CASUSSCHETSEN INCLUSIEF LEERDOELEN EN STELLINGEN

Multiple Sclerose is een ziekte van de hersenen en het ruggenmerg. Deze ziekte wordt ook wel MS genoemd. In deze folder leest hier meer over.

Niet-aangeboren hersenletsel (NAH) bij volwassenen

beklemming van de elleboogzenuw (ulnaris neuropathie)

21 november Dokter, de pijn werkt op mijn zenuwen! Behandeling van neuropatische pijnklachten anno 2015

Dermatologie Gordelroos

Een beroerte, wat nu?

delier bij ouderen Delier bij ouderen Videofragment 1 De anamnese bij een delirante patiënt 1. Toelichting op de module

ACNES FRANCISCUS GASTHUIS

Samen op weg: communicatie met kinderen en jongeren met SOLK. Voorbij de scheiding tussen lichaam en geest. Yvette Krol, klinisch psycholoog,

Hoofd, hart en handen klinisch redeneren. Aletta M van der Veen, MSc, MANP Verpleegkundig Specialist

Duizeligheid. Havenziekenhuis

Oefeningen tegen Ischias en klachten van de tussenwervelschijven

Fase 1: Verwijzing, aanmelding en initiële hypothese. Screening. Hypothese: Er is mogelijk sprake van liespijn als gevolg van rode vlaggen.

Oorzaken Diagnose stellen Medische behandeling

Omschrijving specialisme zorgproductcode passantentarief

Wat is de hoofdklacht waarvoor u behandeling zoekt? (bijkomende klachten kunt u verderop vermelden)

Ruggenprik tijdens de bevalling

Rode Kruis ziekenhuis. Patiënteninformatie. Polyneuropathie. rkz.nl

Iedereen ervaart wel eens lichamelijke klachten. Soms is hiervoor een duidelijke oorzaak, zoals een beschadiging of een ontsteking, maar vaak is er ge

Kinderneurologie.eu. Tolosa Hunt syndroom.

Libra R&A locatie Blixembosch. Multiple Sclerose

De stamboom van uw familie

Wat is artrose? Hoe ontstaat artrose? Klachten Diagnostiek Behandeling Adviezen Medicijnen Operaties...

Glaucoom. Poli Oogheelkunde

Naam: Voornaam: Adres: Postcode: Woonplaats: Geboortedatum: M/V. Tel.nr.: adres: Beroep: Opleiding: Sport, Hobby: Medicijngebruik:

Algehele richtlijnen statusvoering en correspondentie

Nierfalen en Seksualiteit

Polikliniek Carpale Tunnelsyndroom (CTS)

Pijnstilling via de pijnpomp

Hoofdpijn Blijf er niet mee lopen. Rob Bernsen en Marian van Zagten, neurologen Namens overige leden Multidisciplinaire Hoofdpijnpoli

Vragenlijst voor volwassenen:

Zenuwpijn behandelen met medicijnen

Bedoeling van dit werkcollege:

Doel Preventie van duizeligheid en complicaties bij zelfstandig wonende ouderen.

Sensitisatie. Anesthesiologie

1 Epidemiologie van multipel myeloom en de ziekte van Waldenström

7 Epilepsie. 1 Inleiding. In dit thema komen aan de orde: 2 Wat is epilepsie? 3 Leven met epilepsie. 4 Epilepsie-aanvallen. SAW DC 7 Epilepsie

Behandeling pijnklachten door een blokkade van een lumbale zenuwwortel (laag in de rug)

Behandeling pijnklachten door een blokkade van een lumbale zenuwwortel. Bij een blokkade van een zenuw laag in de rug

M I G R A I N E A P OT H E E K. N L

Chiropractie Brunssum intake formulier nieuwe klant

Rode Kruis ziekenhuis. Patiënteninformatie. Hernia in de onderrug. rkz.nl

Orthostatische hypotensie

Duizelingwekkend. Wat hebben we een duizelige patiënt te bieden?

Behandeling pijnklachten door een blokkade van een zenuwwortel. (cervicale zenuwwortel)

Behandeling van de steungewrichtjes van de hals. (cervicale facetgewrichten)

Transcriptie:

2 Het neurologische consult Neurologie is een discipline waarin men met eenvoudige middelen een heel eind kan komen bij het stellen van een diagnose en de opzet van een behandelingsplan. Er zijn evenwel met hulponderzoeken nogal wat bijzonderheden in het zenuwstelsel te vinden die pas betekenis krijgen wanneer ze zorgvuldig aan de klinische verschijnselen gerelateerd kunnen worden. Daarom zijn de bevindingen tijdens een consult van cruciaal belang om tot een diagnose en beleid te komen. Zoals bij ieder medisch consult kan men drie stadia onderscheiden: anamnese, lichamelijk onderzoek en technisch hulponderzoek. 2.1 Een degelijke anamnese kan veel tijd en geld besparen De anamnese is het belangrijkste, vaak ook het lastigste deel van het neurologisch onderzoek. Men moet er de tijd voor nemen: gebrek aan tijd voor de anamnese is de oorzaak van vele nodeloze verwijzingen, uiteindelijke onvrede tussen hulpvrager en behandelaar en van overbodige specialistische ingrepen. Allereerst moet de patiënt de gelegenheid krijgen om met eigen woorden en in eigen volgorde te vertellen wat de voornaamste klacht is. Vervolgens is het handig de inhoud kort samen te vatten om na te gaan of de klacht goed begrepen is. Onduidelijke termen moeten opgehelderd worden, bijvoorbeeld: wat wordt bedoeld met duizeligheid (licht in het hoofd, zwart worden voor de ogen, dronkenmansgang, draaimolengevoel)? Dan is er gelegenheid om de patiënt naar dingen te vragen die niet spontaan ter sprake kwamen. Vermijd bij het noteren van de anamnese technische termen, want later is het dan niet meer duidelijk of het ging om woorden van de patiënt of een interpretatie van de hulpverlener. 2.1.1 de zeven dimensies van de klacht 2.1.1.1 De plaats van de klacht Wanneer het gaat om pijn of andere sensibele veranderingen is het lang niet altijd zo dat de plaats waar het probleem aangegeven wordt dezelfde is als de plaats waar het probleem zich werkelijk afspeelt (4.2.3.6). Een bekend voorbeeld is de pijn aan de zijachterkant van het been tot in de kuit met een doof gevoel in de grote teen, waarbij het probleem in feite in de laaglumbale wervelkolom zit. Uitval door een stoornis in de hersenschors verloopt volgens een ander patroon dan uitval bij beschadiging van het ruggenmerg of een perifere zenuw. Bepaalde neuromusculaire ziekten zijn herkenbaar doordat het krachtsverlies al dan niet symmetrisch is en vooral proximaal dan wel distaal gelokaliseerd is. 2.1.1.2 De kwaliteit of aard van de klacht Ook hier is het van belang dóór te vragen. Wanneer de patiënt zegt moeilijk te lopen, kan dat zijn door dove voeten (polyneuropathie, cervicale wervelkanaalstenose), krachtsverlies in de bovenbenen (spierziekte), pijn in de kuiten (atherosclerose of lumbale kanaalstenose) of een onzekere gang (cerebellaire stoornis). Niet goed zien kan komen door dubbelzien (oogspier-, hersenstamof hersenzenuwprobleem), verminderd zien met ieder oog apart (oogheelkundig probleem, bijvoorbeeld staar) of gedeeltelijke gezichtsvelduitval aan beide ogen (afhankelijk van de verdeling occipitale cortex, chiasma opticum, hangen van de bovenoogleden, enzovoort). 2.1.1.3 De ernst van de klacht Voor het kiezen van een behandeling moet men weten hoeveel last de patiënt in het dagelijks leven van de klachten ondervindt. De ernst van slaaptekort kan bij een carpaletunnelsyndroom BSL - KER_BK_2KZM - 3261r4_9789031392162 021

22 Klinische neurologie 2 (13.5.3) bijvoorbeeld de doorslag geven voor een operatie; enkele keren per jaar een partieel complexe epilepsieaanval (18.2.1.4) heeft voor iemand die zijn auto dagelijks gebruikt een andere betekenis dan voor wie niet autorijdt. Vraag naar activiteiten van het dagelijks leven, aankleden, toilet maken, zich binnenshuis bewegen, zelf eten, zich buitenshuis bewegen, gebruik van hulpmiddelen, reizen, enzovoort. Ook de werkanamnese is belangrijk: kan de patiënt zich redden op zijn werk of zit hij thuis en zo ja, sinds wanneer dan? Hoe valt dat bij collega s en werkgever? 2.1.1.4 Het beloop in de tijd Wanneer een klacht, bijvoorbeeld een verlamming, acuut is ontstaan bij helder bewustzijn, dan weet men dit vrijwel altijd op het uur nauwkeurig aan te geven. Peracute hoofdpijn, zoals bij een subarachnoïdale bloeding (17.7), wordt vaak zelfs op de minuut nauwkeurig aangegeven. Als symptomen sluipend zijn ontstaan, is het vaak niet mogelijk om precies te zeggen vanaf wanneer ze spelen. Het wordt dan een schatting in termen van weken, maanden of jaren. Behalve het begin van de klachten is het beloop daarna belangrijk. Gaat het om een voortdurend (chronisch) of steeds terugkerend (periodiek) probleem? De behandeling van periodieke hoofdpijn is bijvoorbeeld geheel anders dan van chronische hoofdpijn. Verandert de ernst van de klacht, komen er nieuwe symptomen bij? Als er sprake is van periodieke problemen, hoe lang is zo n periode en hoe vaak treedt die op? Zijn de klachten tussendoor geheel afwezig? Verandert de frequentie van optreden in de loop van de tijd? Het kan handig zijn om het beloop in kaart te brengen door een tijd-intensiteitcurve; er kan dan een herkenbaar patroon aan het licht komen (bijvoorbeeld figuur 22.1). 2.1.1.5 Omstandigheden waaronder het ziekteverschijnsel is ontstaan Wat was de patiënt aan het doen, of wat had hij zojuist gedaan toen het probleem optrad? Was aan de rugpijn met uitstraling in het been (14.4) een tilmanoeuvre of een lange autorit voorafgegaan? Komt de periodieke hoofdpijn steeds op na stress of een emotie? Was er juist iets veranderd aan de medicatie? Het komt nogal eens voor dat de ene arts een medicijn voorschrijft en de patiënt zich vervolgens bij de andere meldt vanwege de bijwerkingen (hoofdpijn, orthostatische duizeligheid). De meeste patiënten zijn goed in staat zichzelf te observeren en verbanden te leggen en die moet men niet naast zich neerleggen. Daar staat tegenover dat een patiënt ook verregaande, maar geheel onjuiste conclusies getrokken kan hebben, mogelijk omdat mensen uit de omgeving dit gesuggereerd hebben of omdat hij iets op internet gelezen heeft. 2.1.1.6 Factoren die invloed hebben op het beloop Vooral bij recidiverende verschijnselen weet de patiënt wat hij wél en niet moet doen om de klachten te beïnvloeden. Neurologische pijnsyndromen zijn bijvoorbeeld nogal eens afhankelijk van de houding. Verergering van pijn in het verloop van een zenuw door hoesten, niezen of persen wijst op een probleem met een zenuwwortel. Belangrijk is ook of bepaalde behandelingen vroeger wel of geen invloed hebben gehad op de ernst van de symptomen. Natuurlijk moeten ook gegevens over factoren die de klachten verminderen, bijvoorbeeld het vermijden van aanraking of warmte bij neuropathische pijnen (14.2.2) nagevraagd worden. 2.1.1.7 Begeleidende verschijnselen Wanneer een hoofdpijnaanval wordt voorafgegaan door visuele verschijnselen en samengaat met misselijkheid, dan is de diagnose waarschijnlijk migraine (21.2). Als bij een heftige pijn achter één oog er tevens tranen- en neusuitvloed aan dezelfde kant bestaat, is clusterhoofdpijn (21.4) veel waarschijnlijker. 2.1.2 een heteroanamnese is soms belangrijker dan aanvullend onderzoek Bewustzijnsstoornissen, amnesie, desoriëntatie en afasie bemoeilijken dikwijls een adequate autoanamnese. Het is daarom altijd goed om mensen uit de directe omgeving ook te bevragen. Is de onzekerheid die de patiënt bij het lopen merkt ook voor buitenstaanders zichtbaar? Is het spreken verslechterd; wisselt dat in de tijd; hoe is de verstaanbaarheid door de telefoon? BSL - KER_BK_2KZM - 3261r4_9789031392162 022

Het neurologische consult 23 2.1.3 komt dezelfde klacht in de familie voor? Als dezelfde klachten bij familieleden voorkomen, dan zegt dat uiteraard wat over erfelijkheid, maar het omgekeerde geldt niet: als een klacht verder niet in de familie voorkomt, betekent dat niet dat een genetisch probleem uitgesloten is. Vaak is het niet mogelijk betrouwbare gegevens te verkrijgen (families die uit elkaar liggen, klachten waarover niet veel gesproken wordt, enzovoort). Eén op de drie mensen met een erfelijke ziekte geeft aan dat hij verder geen mensen in de familie met dezelfde problemen kent. Dit kan komen door recessieve overerving, maar ook doordat er een spontane mutatie kan optreden. Verder kan het zijn dat de penetrantie (mate van duidelijkheid waarmee symptomen optreden) zo gering is dat de ziekte niet eerder in de familie is opgevallen. Men kan vaak al bij de anamnese uitmaken met welke vorm van overerving men van doen heeft: dominante of recessieve erfelijkheid, mitochondriële overerving via de moederlijke lijn waarbij zowel mannen als vrouwen zijn aangedaan, of geslachtsgebonden erfelijkheid via de moederlijke lijn met (voornamelijk) aandoening van mannen. 2.1.4 informatie over andere ziekten en gebruik van medicatie Deze gegevens kunnen de neurologische diagnostiek flink vergemakkelijken. Een aantal complicaties c.q. neurologische verschijnselen van niet-neurologische ziekten en bijwerkingen van therapieën is te vinden in hoofdstuk 29. Vooral bij ouderen is een zorgvuldige inventarisatie van het medicijngebruik belangrijk. Nogal wat ziekenhuisopnames zijn het gevolg van onbedoelde bijwerkingen van medicijnen, intoxicaties of interacties. Voorgeschreven medicatie wordt nogal eens niet of niet volgens afspraak ingenomen. Vaak wordt informatie over gebruik van alcohol geflatteerd weergegeven. 2.1.5 sociale anamnese De voornaamste gegevens over de sociale status van de patiënt (burgerlijke staat, kinderen, aard van de werkzaamheden, ziekteverzuim, woonsituatie) behoren tot de routineanamnese. Wanneer men denkt aan niet-organische of psychosomatische ziekten, dan is het nuttig een biografische anamnese op te nemen. Wat speelde er toen de klachten begonnen? Hoe is het leven vóór die tijd verlopen? 2.1.6 de vraag wat vindt u er zelf van? mag niet achterwege blijven Vragen naar wat de patiënt zelf denkt dat hij heeft lijkt oubollig maar levert nogal eens belangrijke informatie op. Soms heeft de patiënt zelf ideeën over een aandoening die de arts op voorhand al zo onwaarschijnlijk vindt dat deze niet ter sprake komen, terwijl de patiënt in grote zorg leeft maar er niet over durft te praten. Angst voor springen van een bloedvat bij chronische hoofdpijn, de opdoemende rolstoel bij rugpijn of gevaar van een beroerte bij iemand die duizelig is vanuit het evenwichtsorgaan kan eenvoudig ontzenuwd worden. Ten slotte is het belangrijk met de patiënt te overleggen wat zijn verwachtingen en wensen zijn voordat een heel onderzoeksprogramma wordt opgezet terwijl de opbrengst misschien voor de patiënt niet de moeite waard is. 2.2 Neurologisch lichamelijk onderzoek wordt veelal op indicatie verricht Een volledig neurologisch onderzoek is vrij omvangrijk en kost veel tijd; meestal wordt slechts een deel verricht, afhankelijk van de situatie en het probleem van de patiënt. In feite begint het onderzoek vaak zodra men de patiënt ontmoet, bijvoorbeeld bij ophalen uit de wachtkamer. Ook bij het afnemen van de anamnese kan men al een indruk van een aantal functies en symptomen krijgen. In andere gevallen is een anamnese niet mogelijk en moet er snel zeer gericht onderzoek worden verricht omdat er iets moet gebeuren (bijvoorbeeld bij coma). Ook moet lichamelijk onderzoek soms aangepast worden omdat de patiënt veel pijn heeft en niet goed kan meewerken; men kan daarom provocatie van pijn beter tot het allerlaatst bewaren. Soms wordt het neurologisch onderzoek gehinderd door gevoelsstoornissen of door niet-lichamelijke factoren; hierdoor kunnen BSL - KER_BK_2KZM - 3261r4_9789031392162 023

24 Klinische neurologie 2 schijnbare uitval van kracht (4.2.1.2), sensibiliteit (4.2.3.3), beweging (5.3) en ook complete pseudosyndromen (4.4) gevonden worden. Naarmate de onderzoeker meer ervaren is en de verdenking op een bepaalde aandoening sterker is, kan het onderzoek meer gericht plaatsvinden. Naarmate men echter minder ervaren of meer onzeker is over de oorzaak van de klachten, is het raadzamer het neurologisch onderzoek zo volledig mogelijk uit te voeren. Wie veel onderzoekt, krijgt een goede algemene indruk maar kan het detail uit het oog verliezen. Wie te gericht onderzoekt, mist oorzaken en bijkomende diagnoses. De elementen van het neurologisch onderzoek zijn in dit boek beschreven in de context van anatomie en fysiologie. Beschrijving neurologisch onderzoek in dit boek hersenzenuwen (6.3) kracht (4.2.1) reflexen (4.2.2) sensibiliteit (4.2.3) bewegingssturing (5.2) corticale functies (8.11) visueel systeem (9.3) radiculaire prikkeling (14.3, 14.4) onderzoek bij coma (6.4) onderzoek bij kinderen (28.1.2) 2.3 Technisch hulponderzoek 2.3.1 bezint eer ge begint Met behulp van beeldvormende technieken (3.2, 11.4), functieonderzoeken (3.6, 3.7, 4.5) en histologisch en biochemisch onderzoek (3.8, 10.5) is het mogelijk meer te weten te komen over de plaats, de aard en de oorzaak van de klachten. Voordat deze hulpmiddelen worden ingezet, is het belangrijk dat men weet waaraan men begint. Zijn de last die de patiënt ervan ondervindt en de kosten van het onderzoek reëel in verhouding tot de verwachte opbrengst? Een zenuwbiopsie betekent in de regel dat een zenuw definitief verloren gaat; de diagnostische waarde is vaak beperkt, maar soms (bij het vinden van een vasculitis) kan het therapeutische beleid belangrijk beïnvloed worden. Hoe is de diagnostische waarde van het onderzoek bij het probleem waarvoor het wordt aangevraagd? 2.3.2 de diagnostische waarde van een onderzoek In dit kader worden sensitiviteit (percentage personen met de ziekte bij wie het onderzoek inderdaad afwijkingen oplevert) en specificiteit (percentage personen die de ziekte niet hebben bij wie het onderzoek inderdaad geen afwijkingen oplevert) gebruikt. Factoren die de diagnostische waarde van een onderzoek verstoren, zijn fout-positieve uitslagen (afwijkingen bij personen die de ziekte niet hebben) en fout-negatieve uitslagen (geen afwijkingen terwijl er toch sprake is van de ziekte). Sensitiviteit en specificiteit bepalen samen de diagnostische waarde van een onderzoek. Naarmate ze elk van beide groter zijn, is de test krachtiger. Ze worden gecombineerd in de likelihood ratio (sensitiviteit / (100-specificiteit)). Men spreekt in dit verband van een voorafkans (a-priorikans) met de gegevens die vóór het onderzoek bekend zijn en van de achterafkans (a-posteriorikans), die met behulp van de gegevens van het onderzoek kan worden ingeschat. Bij een likelihood ratio van 1 blijft de a-posteriorikans altijd gelijk aan de a-priorikans; een dergelijk onderzoek levert geen informatie op. Bij een likelihood ratio van minder dan 1 duidt een afwijking gevonden bij het onderzoek juist op het tegendeel van de vermoede diagnose. Een likelihood ratio van meer dan 1 levert wat op in het diagnostische proces en naarmate een test een hogere likelihood ratio heeft, wordt de kans groter dat de ziekte correct gediagnosticeerd wordt. Een diagnostische waarde geldt niet alleen voor aanvullend onderzoek, maar evenzeer voor vragen bij een anamnese en elementen van het lichamelijk onderzoek. Het vinden van afwijkende voetzoolreflexen heeft een hoge diagnostische waarde wanneer men zoekt naar een cervicale kanaalvernauwing als verklaring voor een doof gevoel in de onderbenen. Met andere woorden: de kans dat de cervicale kanaalstenose de juiste verklaring is voor de dove voeten wordt groter wanneer er abnormale voetzoolreflexen worden gevonden. Wanneer men echter dacht aan beknelling van lumbosacrale zenuwwortels als verklaring voor dove voeten, heeft testen van de BSL - KER_BK_2KZM - 3261r4_9789031392162 024

Het neurologische consult 25 voetzoolreflexen een negatieve likelihood ratio. Bij het vinden van een afwijkende voetzoolreflex is het daarom verstandig nog eens na te gaan of hier werkelijk wel sprake is van beknelde zenuwwortels als verklaring voor de klacht. Voor het verklaren van wisselend vermoeidheidsafhankelijk hangen van de oogleden is de diagnostische waarde van de voetzoolreflex nihil; de likelihood ratio is gelijk aan 1. Vindt men afwijkende voetzoolreflexen, dan is er wellicht nog iets extra s aan de hand, maar deze bevinding helpt niet bij het verwerpen of aannemen van de oorspronkelijke hypothese dat er sprake van myasthenie was. 2.4 Groeperen van klachten en symptomen om een klinische diagnose te stellen De plaats van de neurologische stoornis volgt in het algemeen wel uit de symptomen op het moment van onderzoek. Het is vaak nuttig om klachten en symptomen te groeperen tot syndromen en ze dan te bekijken in het licht van leeftijd en geslacht van de patiënt. Vele neurologische symptomen krijgen pas een betekenis in een context. Zo zal gering pupilverschil zonder verdere afwijkingen bij onderzoek niet van belang zijn, maar als er tevens sprake is van een lichte ptosis aan de kant van de nauwe pupil, dan denkt men al snel aan een syndroom van Horner (7.5.3), terwijl men bij hangen van het ooglid aan de kant van de wijdere pupil op zoek gaat naar oogbewegingsstoornissen om een letsel van de nervus oculomotorius (6.2.4, 6.2.5) op het spoor te komen. Wat de oorzaak van de aandoening (ruimteinnemend proces? cerebrovasculair accident?) is, wordt vaker door anamnese (de wijze van ontstaan, het beloop en de duur van de ziekte) dan door lichamelijk onderzoek duidelijk. In veel gevallen komt men zonder technische hulpmiddelen uit. Het aantonen van een ontsteking in de subarachnoïdale ruimte kan alleen betrouwbaar gebeuren door middel van een lumbaalpunctie. De aard van een spierziekte komt soms pas aan het licht door middel van een spierbiopt. 2.5 Follow-up is ook een methode van onderzoek Wanneer bij de anamnese, het onderzoek en het hulponderzoek geen waarschijnlijke diagnose kan worden gesteld, kan deze uit het verdere beloop van de ziekte alsnog duidelijk worden. Vaak is het nuttig om bij onbegrepen klachten of onzekere symptomen de patiënt gewoon nog een tweede keer opnieuw te zien en te onderzoeken, bijvoorbeeld na enkele weken, in plaats van maar onmiddellijk bij het eerste consult ongericht hulponderzoek aan te vragen. In de tussentijd kan de patiënt dan proberen een scala van klachten nog eens op te schrijven of een dagboekje bij te houden. Normale klachten en bevindingen kortdurende, soms ritmische spiercontracties (myoklonieën) kortdurende spierkramp (kuit, buikspieren, sphincter ani) schokken van de benen bij inslapen (nocturnal jerks) kortdurende pijnscheuten, jeuk zonder aanleiding prikkelingen tot complete anesthesie bij compressie van de perifere zenuwen (liggen op een arm, benen over elkaar, iets zwaars dragen) hoofdpijn (drukkend en kloppend) na een hevige inspanning of emotie lichte inprentings-, concentratie- en woordvindingsstoornissen bij vermoeidheid, chronische pijnklachten of slaapgebrek anisocorie (10% van de bevolking), hippus pupillae, (wisselende pupildiameter), blikbeperking van de ogen bij kijken naar boven tot 20% asymmetrie van het gezicht in rust scheefstand van de uvula pseudopositieve lasègue (korte hamstrings) afwezige masseterreflex, afwezige buikhuidreflexen (dikke mensen, slappe buikhuid na bevalling), indifferente voetzoolreflex hoge symmetrische reflexen met enkele slagen clonus Wanneer na voldoende speurwerk geen diagnose kan worden gesteld, kan het nuttig zijn een tweede mening bij een collega te vragen. Een frisse kijk op de zaak kan soms tot onverwachte inzichten leiden. Ten slotte komt het in de neurologie regelmatig voor dat een aandoening pas verklaard kan BSL - KER_BK_2KZM - 3261r4_9789031392162 025

26 Klinische neurologie worden in de loop van de tijd. Follow-up over maanden tot jaren kan daarvoor nodig zijn. 2 Neurologische stoornissen, min of meer fysiologisch bij ouderen verminderde reuk en smaak lichte ptosis, nauwe pupillen, convergentiezwakte, verminderd omhoogzien presbyacusis (perceptieverlies voor hoge tonen) atrofie en krachtsvermindering van de kauwspieren lichte atrofie zonder functiestoornis van kleine handspieren licht verminderde kracht van rompspieren en bekkengordelspieren fasciculaties (vrij grof) in de kuitspieren versterkte fysiologische tremor verminderd evenwicht, vooral bij snel draaien lopen met kleinere passen, iets minder meezwaaien van de armen algehele verhoging van de spiertonus onvermogen om zich actief te ontspannen afwezige achillespeesreflex (indien dubbelzijdig) verminderde vibratiezin van de benen verminderde inprenting verminderde slaapbehoefte BSL - KER_BK_2KZM - 3261r4_9789031392162 026