Voortgezet onderwijs Klas 1 en 2 vmbo en havo/vwo Niveau 1F en 2F. Docentenhandleiding. Willemien Tak-Stoop



Vergelijkbare documenten
Inleiding 7. Deel 1 BASISVAARDIGHEDEN SPELLING 9

Basisspelling is onderdeel van de Bundel Basisprogramma's. Deze bundel bevat ook Basis Werkwoordspelling en Basisgrammatica.

Toelichting bij de kaartjes die in het opzoekboekje spelling en werkwoordspelling zijn opgenomen

Basis Werkwoordspelling is onderdeel van de Bundel Basisprogramma's. Deze bundel bevat ook Basisspelling en Basisgrammatica.

Dit programma is gemaakt voor leerlingen van groep 5 en 6 van de basisschool, het praktijkonderwijs, vmbo bbl en mbo 1.

Basisspelling. Doelgroepen Basisspelling. Omschrijving Basisspelling

Het Muiswerkprogramma Grammatica op maat bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw.

Visuele Leerlijn Spelling

Dit programma is gemaakt voor leerlingen van groep 7 en 8 van de basisschool, alle niveaus van het vmbo en mbo 1 en 2.

Dit programma is gemaakt voor leerlingen vanaf groep 6 van de basisschool, alle niveaus van het vmbo en mbo 1 en 2.

Dit programma is gemaakt voor leerlingen van groep 5 en 6 van de basisschool, het praktijkonderwijs, vmbo bbl en mbo 1.

Spelling Werkwoorden. Doelgroep Spelling Werkwoorden. Omschrijving Spelling Werkwoorden

LESSTOF. Basis Werkwoordspelling

Werkwoordspelling 1F. Doelgroepen Werkwoordspelling 1F. Omschrijving Werkwoordspelling 1F

Werkwoordspelling op maat

LESSTOF. Basis Werkwoordspelling

Dit programma is gemaakt voor leerlingen van groep 4 en 5 van de basisschool, het praktijkonderwijs, vmbo bbl en mbo 1.

Kernwoord Uitleg Voorbeeld

LESSTOF. Spelling Werkwoorden

Eigen vaardigheid Taal

Dit programma is gemaakt voor leerlingen van groep 4 en 5 van de basisschool, het praktijkonderwijs, vmbo bbl en mbo 1.

Gevarieerde Spelling is een programma voor het leren van de belangrijkste spellingregels van het Nederlands.

Basisgrammatica. Doelgroep Basisgrammatica

Dit programma is gemaakt voor leerlingen van groep 7 en 8 van de basisschool, alle niveaus van het vmbo en mbo 1 en 2.

Dit programma is gemaakt voor leerlingen van eind groep 3 en groep 4 van de basisschool, het praktijkonderwijs, vmbo bbl en mbo 1.

Het Muiswerkprogramma Basisgrammatica bestrijkt de grammatica die nodig is voor het leren van de Nederlandse spelling en zinsbouw.

Online cursus spelling en grammatica

Basis Werkwoordspelling

Indien je de regels uit dit bestand kunt toepassen en je kent de stappen die je in het schema moet maken, dan beheers je de werkwoordspelling goed.

Spelling 1F. Doelgroepen Spelling 1F. Omschrijving Spelling 1F

Leerlijn Spreken & luisteren groep 5

LESSTOF. Werkwoordspelling 3F

als iets niet letterlijk is bedoeld.

Dyslexiebehandeling. Informatiepakket leerkracht:

LESSTOF. Spelling Werkwoorden

LESSTOF. Basisgrammatica

LESSTOF. Werkwoordspelling 1F

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

LESSTOF. Werkwoordspelling 2F

Spelling 2F. Doelgroepen Spelling 2F. Omschrijving Spelling 2F

LESSTOF. Werkwoordspelling 1F

LESSTOF. Werkwoordspelling op maat

LESSTOF. Basisgrammatica

1.Taalzee. 2. De zee Hieronder zie je een voorbeeld van hoe een stukje zee er uit kan zien.

Inhoud. 1 Spelling 5. Noordhoff Uitgevers bv

Ezel- en kikkerwoorden Groep 7 Week 1

BLOK 2: les 1 en 2. groep 4) en leren de woorden correct te schrijven (cat. 14) REGEL: 14: Lange klanken aan het eind van een klankgroep:

IN DRIE STAPPEN NAAR EEN FOUTLOZE WERKWOORDSPELLING. werkwoordspelling.com M.Kiewit

DPS. Communicatie. Werkblad: werkwoordspelling

Opbrengstgericht werken en spelling

Leestekens 3F. Doelgroepen Leestekens 3F. Omschrijving Leestekens 3F

Grammatica 2F. Doelgroepen Grammatica 2F. Omschrijving Grammatica 2F. meewerkend voorwerp. voegwoord alle woordsoorten

(werkwoordelijk gezegde)

Optimaal zicht op spelling

(ZAKELIJKE) TAALVERZORGING 1 NEDERLANDS

Wat is Digi-Spelling?

PIT HAVO-2 +HAVO/VWO Onderdeel: Spelling H1 en H2 Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:

Taaljournaal, tweede versie

LESSTOF. Grammatica op maat

Onderdeel: Grammatica -- RKW Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Extra oefeningen voor werkwoordspelling

De bovenkamer. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands. colofon

Product Informatie Blad Toets Engels

LESSTOF. Grammatica op maat

LESSTOF. Basisspelling

Overzicht toetsen en oefeningen Grammatica I. Grammatica I

werkwoordspelling brochure

Voor welke groepen? Voor het onderdeel spelling is er materiaal voor de groepen 4 t/m 8.

instapkaarten spelling

Referentiekaders. Doorlopende leerlijn Taal en Rekenen (Meijerink) 2. Station en de referentiekaders 6

Onderdeel: LEZEN Docent: RKW Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:

Lesbrief groep 5/6. Beste ouders,

De bovenkamer. Het gebruik van De bovenkamer bij Taal actief. Josée Coenen. een kleurrijke grammatica van het Nederlands

Methodeanalyse Talent

instapkaarten spelling

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

(ZAKELIJKE) TAALVERZORGING 2 NEDERLANDS

Thema 10. We ruilen van plek

De leerlijn spelling CED-Groep

Werkwoorden. Hebben en zijn. De twee belangrijkste werkwoorden in het Nederlands zijn hebben en zijn. Ik ben Thomas. Ik heb een fiets.

Inhoud. 1 Spelling 10

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Taal Spelling & leestekens

LESSTOF. Werkwoordspelling op maat

Formuleren voor gevorderden

Thema 4. Straatmuzikanten

LESSTOF. Formuleren 1F

Getallen 1 is een computerprogramma voor het aanleren van de basis rekenvaardigheden (getalbegrip).

Onderdeel: Spelling Algemene informatie: Wat moet je kennen: Wat moet je kunnen: Toetsing:

2 Lesstof Formuleren

Hoe spel ik een werkwoord?

Het belangrijkste doel van de studie in hoofdstuk 3 was om onafhankelijke effecten van visuele preview en spellinguitspraak op het leren spellen van

Naam: Mijn doelenboekje. Grammatica. Werelden - Eilanden - Dorpen 5 / 6 / 7 / 8.

Product Informatie Blad Toets Engels

Hoe leer ik uit... Naam: Klas:

Programma van Inhoud en Toetsing (PIT)

Leestekens op maat is een programma voor het aanleren van een juist gebruik van leestekens.

Transcriptie:

Voortgezet onderwijs Klas 1 en 2 vmbo en havo/vwo Niveau 1F en 2F Docentenhandleiding Willemien Tak-Stoop

INHOUDSOPGAVE 1 Trainer Basisvaardigheden Spelling in het kort blz. 3 2 Trainer Basisvaardigheden Spelling en Over de drempels blz. 5 3 Didactiek Trainer Basisvaardigheden Spelling blz. 7 4 Inhoud Trainer Basisvaardigheden Spelling blz. 11 5 Planning en organisatie blz. 12 6 Lestips en verantwoording blz. 14 7 Begrippenlijst niveau 1F/2F blz. 44 8 Antwoorden oefenboek blz. 51 2010 Noordhoff Uitgevers 2

1 Trainer Basisvaardigheden Spelling in het kort Waarom Trainer Basisvaardigheden Spelling? In 2008 verscheen het rapport Over de drempels met taal en rekenen van de Expertgroep, waarin gepleit wordt voor meer aandacht in het onderwijs voor de basisvaardigheden taal en rekenen. De Expertgroep werd door de overheid ingesteld om onderzoek te doen naar vermeende achterstanden in het voortgezet onderwijs op het gebied van taal en rekenen. Het rapport stelt vast dat leerlingen in het voortgezet onderwijs, maar ook in vervolgopleidingen veel moeite (blijven) houden met rekenen, lezen en taalvaardigheid. Eén van de onderdelen waar volgens het rapport slecht op wordt gescoord, is de spelling van de Nederlandse taal. De Trainer Basisvaardigheden Spelling is ontwikkeld naar aanleiding van de aanbevelingen in het rapport Over de drempels met taal en rekenen. De Trainer Basisvaardigheden Spelling (vanaf nu Trainer) biedt de leerling de mogelijkheid zijn spellingvaardigheid te diagnosticeren en te verbeteren op de punten waar dat nodig is. Daarnaast biedt de Trainer de mogelijkheid de spellingvaardigheid te onderhouden. Het rapport Over de drempels met taal en rekenen is uitgangspunt geweest bij de ontwikkeling van de Trainer. In het onderdeel 2 Trainer Basisvaardigheden Spelling en Over de drempels leest u meer over de bevindingen van de Expertgroep. Wat is de Trainer Basisvaardigheden Spelling? Digitale Trainer De Trainer bestaat uit de digitale Trainer, een oefenboek, een leerlingvolgsysteem en een digitale docentenhandleiding. De digitale Trainer is de kern van de methode, waar de leerling zelfstandig mee kan werken. Hierin staat alle theorie, die ondersteund wordt door audio en animaties. De leerling kan op verschillende manieren met de Trainer werken. 1. De leerling maakt de diagnostische test (de Conditietest) en wordt van daaruit verwezen naar onderdelen waarop hij onvoldoende heeft gescoord. 2. De leerling werkt systematisch het hele pakket door of slechts een onderdeel, dat hij onvoldoende beheerst. De leerling werkt in vier fasen (,2 en 3 en de Wedstrijd) aan de verbetering van zijn spellingvaardigheid: remediërende fase, oefenen, oefenen/inslijpen en oefeningen voor het hogere niveau. Om zijn vaardigheid te onderhouden kan de leerling putten uit ruim 3000 unieke opdrachtzinnen en woorden. De Trainer heeft een leerlingvolgsysteem waardoor u de vorderingen van de leerling kunt volgen. Oefenboek Het oefenboek is vooral bedoeld om het oefenen met de Trainer klassikaal in te leiden. De uitleg van de theorie komt overeen met de theorie in digitale Trainer. Het verdient echter de voorkeur dat u als docent klassikale uitleg geeft met de theorie uit de digitale Trainer. Vervolgens staan er van en 2 enkele voorbeeldopdrachten in het oefenboek. Na de uitleg van de theorie kunt u uw leerlingen die voorbeeldopdrachten laten maken om te zien of er nog vragen zijn die het zelfstandig doorlopen van de digitale Trainer in de weg zouden kunnen staan. Mochten er geen vragen meer zijn dan gaat de leerling naar de 2010 Noordhoff Uitgevers 3

digitale Trainer waar hij in verschillende fasen (, 2 en 3 en de Wedstrijd) kan oefenen met ruim 2500 unieke opdrachtzinnen en woorden. Digitale docentenhandleiding Naast een verantwoording en de achtergronden van de Trainer vindt u in de docentenhandleiding bij alle onderdelen uitgebreide didactische toelichting en tips. Er is een begrippenlijst, waarin waar relevant de verschillende benamingen van het basisonderwijs en voortgezet onderwijs zijn opgenomen. Verder staan achterin de antwoorden van de opdrachten van het oefenboek. Overzicht arrangement In de digitale Trainer vindt u: diagnostische toetsen (Conditietest) alle theorie, ondersteund door audio en animaties oefeningen in vier fasen ( 3 Trainingen en de afsluitende Wedstrijd) uitleg bij de moeilijke begrippen leerlingvolgsysteem In het oefenboek vindt u: alle theorie voorbeeldopdrachten bij alle theorie uitgebreide begrippenlijst In de digitale docentenhandleiding vindt u: verantwoording didactische toelichting en tips bij alle onderdelen planning en organisatie begrippenlijst + verschil benaming basisonderwijs - voortgezet onderwijs antwoorden opdrachten oefenboek 2010 Noordhoff Uitgevers 4

2 Trainer Basisvaardigheden Spelling en Over de drempels Referentieniveaus In het rapport Over de drempels met taal en rekenen wordt de schoolloopbaan van leerlingen verdeeld in referentieniveaus. Er zijn in totaal vier referentieniveaus die in elkaar overlopen. De overgang van een niveau naar het volgende niveau, wordt een drempel genoemd. De indeling van referentieniveaus is als volgt: 1F : eind primair onderwijs 2F : eind vmbo 3F : eind mbo-4 en havo 4F : eind vwo Een leerling in groep 8 van het basisonderwijs zit idealiter op niveau 1F, het fundamentele niveau van deze leerling. Over de drempels stelt dat leerlingen steeds gestimuleerd moeten worden op een niveau hoger te komen, het streefniveau. De drempel naar dat hogere niveau is S. Voor een leerling uit groep 8 van het basisonderwijs is 2F het streefniveau. In schema: Referentieniveau 1 1F eind primair onderwijs 2 1S drempel 2F eind vmbo 3 2S drempel 3F eind mbo-4 en havo 4 3S drempel 4F eind vwo 4S drempel hbo / wo In Over de drempels wordt elk niveau verbonden met bepaalde kennis en spellingvaardigheden. Alle stof in de Trainer is gebaseerd op de referentieniveaus uit Over de drempels. Dat betekent dat een leerling, die de Trainer op alle onderdelen succesvol heeft afgerond en zijn spellingvaardigheid onderhoudt, de spelling beheerst op de niveaus 1F/2F. Ook het streefniveau 2F is opgenomen in de Trainer. De leerling oefent de spelling in geïsoleerde oefeningen; elk onderdeel wordt apart geoefend. Zodra binnen één categorie (bijvoorbeeld de persoonsvorm) alle onderdelen succesvol zijn afgerond, heeft de leerling toegang tot een oefening waarin de verschillende onderdelen door elkaar worden bevraagd. In het voorbeeld van de categorie de persoonsvorm worden de persoonsvorm tegenwoordige tijd en verleden tijd dan door elkaar bevraagd. Deze oefenvorm waarin de verschillende onderdelen door elkaar worden bevraagd - de Wedstrijd - is de drempel 2S naar niveau 2F. In de Trainer worden de niveaus 1F en 2F samen in één product aangeboden. De belangrijkste redenen daarvoor zijn: De niveaus 1F en 2F liggen dicht bij elkaar. De scheidslijn tussen deze niveaus is niet altijd scherp, waardoor het soms moeilijk is een keuze voor 1F of 2F te maken. Een van de sterke aanbevelingen van het rapport Over de drempels is, dat leerlingen gestimuleerd moeten worden om een hoger niveau te bereiken. Daarvoor is het noodzakelijk dat het naast hogere niveau dan ook wordt aangeboden. 2010 Noordhoff Uitgevers 5

Doorlopende leerlijnen Een andere aanbeveling die Over de drempels doet, is het garanderen van doorlopende leerlijnen binnen het onderwijsstelsel. Doorlopende leerlijnen moeten zorgen voor een naadloze aansluiting tussen de verschillende onderwijssectoren, zodat de leerling altijd makkelijk kan overstappen. In de Trainer is rekening gehouden met die doorlopende leerlijnen. Er is nadrukkelijk gekeken naar het niveau groep 7/8 in het basisonderwijs en naar de benaming van de begrippen en de uitleg van de theorie in het basisonderwijs. In de Trainer wordt, waar relevant, zowel de benaming opgenomen die gebruikt wordt in het basisonderwijs als gebruikt worden in het voortgezet onderwijs. De uitleg van de theorie is zo, dat zowel de leerling die net van de basisschool komt als de leerling in de volgende jaren van het voortgezet onderwijs de theorie begrijpt. Sommige begrippen hebben op de basisschool een andere benaming dan op het voortgezet onderwijs. In een uitgebreide begrippenlijst staan alle begrippen en daar waar relevant is ook de benaming uit het basisonderwijs opgenomen. U vindt de begrippenlijst in deze docentenhandleiding en in het oefenboek. Uiteraard zijn de begrippen ook opgenomen in de theorieschermen van de Trainer. 2010 Noordhoff Uitgevers 6

3 Didactiek Trainer Basisvaardigheden Spelling 1 Digitale Trainer Met de Trainer werkt de leerling zelfstandig aan zijn spellingvaardigheid. Dit gebeurt in fasen: - diagnosticeren (de Conditietest) - theorie (ondersteund met audio en animaties) - remediëren - oefenen/inslijpen - onderhouden Diagnosticeren: de Conditietest De leerling kan bij het starten van de Trainer een Conditietest doen. Hiermee wordt de spellingvaardigheid van de leerling in kaart gebracht. Op basis van de score op de Conditietest kan de leerling zien welke onderdelen hij onvoldoende beheerst en welke onderdelen hij dus zal moeten oefenen. De spelling in de Trainer is onderverdeeld in zes categorieën. Binnen die categorieën zijn subcategorieën. De Conditietest wordt op het niveau van de categorie afgenomen. Kijk voor een uitgebreid inhoudsoverzicht op p. 11 van deze handleiding. De opdrachtzinnen en -woorden die de leerling tegenkomt in de Conditietests, zijn van hetzelfde niveau als die hij tegenkomt in de Trainingen (oefeningen). Ook de hoeveelheid woorden en zinnen is zodanig dat een representatief beeld ontstaat van de spellingvaardigheid van de leerling op het betreffende onderdeel. Tip: U zou als afsluiting van het jaar of als eindtoets uw leerlingen de Conditietest nog eens kunnen laten maken om te kijken of de leerling zijn spellingvaardigheid heeft verbeterd. De onderdelen in de diverse Conditietests worden verschillend genormeerd, omdat sommige onderdelen zwaarder wegen dan andere onderdelen. Op de volgende pagina ziet u in schema per Conditietest de hoeveelheid opdrachten en de norm. 2010 Noordhoff Uitgevers 7

Categorie Subcategorie Aantal zinnen / norm Werkwoordspelling Voorbereiding 16 / 12 Persoonsvorm 24 / 18 Werkwoordsvormen die geen persoonsvormen 20 / 15 zijn Luisterwoorden Voorbereiding 12 / 8 Luisterwoorden 8 / 6 Lange en korte Voorbereiding 4 / 3 klinkerregel Lange en korte klinkerregel 8 / 6 Samengestelde Verlengingsregel 8 / 6 woorden Aaneenschrijven 20 / 15 Verkleinwoorden 4 / 3 Inprentwoorden Inprentwoorden uit het Nederlands 8 / 6 Hoofdletters, leestekens en Andere woordtekens Inprentwoorden uit een andere taal 8 / 6 Hoofdletters 8 / 6 Leestekens 12 / 8 Andere woordtekens 16 / 12 De drie Trainingen (oefenfasen) worden steeds voorafgegaan door een theoriescherm, waarin ondersteund door audio en animaties, de theorie wordt uitgelegd. Daar waar mogelijk wordt de theorie in stappenplannen aangeboden. De vaste volgorde van de te nemen stappen biedt de leerling houvast bij het aanleren van de spellingregels. Het werken met algoritmes heeft het voordeel dat, wanneer de stappen goed gevolgd worden, het met zekerheid tot het juiste antwoord leidt. Remediëren en oefenen/inslijpen: de Trainingen en de Wedstrijd In het rapport Over de drempels wordt opgemerkt dat leerlingen in het basisonderwijs de spellingregel op zeker moment weliswaar krijgen aangeboden, maar dat die regel vervolgens nauwelijks meer aandacht krijgt. De leerlingen maken daarna af en toe nog eens een oefening over dat betreffende spellingsitem, maar daar blijft het vaak bij. De spellingregel zakt daardoor bij veel leerlingen weg, waardoor steeds opnieuw dezelfde spellingfouten worden gemaakt. In de Trainer is om die reden een remediërende fase ingebouwd, waarin de leerling zich de spellingregel (opnieuw) eigen maakt. Nadat de Conditietest is gemaakt, gaat de leerling aan de slag met de oefeningen bij de onderdelen waarop slecht is gescoord. Deze oefeningen heten Trainingen. Er wordt in de Trainer in drie fasen geoefend:, 2 en 3. : remediërende fase Na het theoriescherm volgt. In doorloopt de leerling verplicht alle stappen van het stappenplan van de betreffende spellingregel, voordat hij of zij het antwoord kan geven. Het is dus niet mogelijk om direct antwoord te geven. Niet alleen bij, maar bij alle Trainingen kan de leerling de theorie op ieder moment raadplegen. Soms wordt bij stappen die de leerling moet zetten vóórdat hij het antwoord kan geven, een 2010 Noordhoff Uitgevers 8

tip aangeboden. Deze hulpmiddelen zorgen voor een hoge slagingskans, wat motiverend werkt voor leerling. Als de leerling een fout antwoord geeft, dan krijgt hij feedback. Maakt de leerling een fout in één van de (tussen)stappen, dan verschijnt een rode kaart achter het antwoord. De leerling kan pas verder als hij zijn fout heeft verbeterd. Heeft de leerling een fout (eind)antwoord gegeven, dan worden de letters waar de fout zit rood onderstreept. Dit stelt de leerling in de gelegenheid zelf de fout te herstellen. Hij kan dan de eerdere stappen nog eens na gaan, om te kijken waar de fout precies zit. Deze manier van feedback verdient de voorkeur boven de 'gangbare' manier, waarbij direct het juiste antwoord wordt gegeven, omdat de leerling zich bewust moet worden (zelf moet nadenken) over de gemaakte fout en het geven van het juiste antwoord. De behaalde score wordt rechts bovenin het scherm bijgehouden. De leerling kan zien hoeveel pogingen hij heeft gedaan én hij kan zien hoeveel goede antwoorden er nodig zijn om door te gaan naar de volgende Training, in dit geval Training 2. Zodra de leerling de norm heeft gehaald, mag hij door naar de volgende Training. Bij elke Training is een maximaal aantal pogingen vastgesteld. Dit is gedaan, omdat anders het gevaar bestaat dat leerlingen in een Training blijven hangen, omdat ze de norm niet halen. U kunt de scores van iedere afzonderlijke leerling bekijken, zodat u kunt zien welke leerling is doorgegaan omdat hij de norm heeft gehaald of omdat hij het maximum aantal pogingen heeft gedaan. Training 2: oefenen Als de leerling de spellingregel in de vorm van het stappenplan in heeft doorlopen, moet de leerling in Training 2 als laatste stap van het stappenplan direct de juiste schrijfregel aanklikken. Hierna mag hij het antwoord geven. Doet de leerling dit fout, dan moet hij dezelfde opdracht, maar dan in, doen waarbij hij verplicht alle stappen van de spellingregel doorloopt. Als dit goed is gegaan, gaat de leerling weer verder in Training 2 met een nieuwe opdrachtzin. In Training 2 heeft de leerling ook de beschikking over de theorie, zonodig krijgt de leerling bij een stap een handige tip. De feedback in Training 2 wordt op dezelfde manier gegeven als in. Maakt de leerling een fout bij een (tussen)stap, dan verschijnt een rode kaart. Maakt de leerling echter een fout bij het (eind)antwoord, dan moet hij tijdelijk terug naar. Ook in Training 2 wordt de score rechts bovenin het beeldscherm bijgehouden, net als het totaal aantal pogingen. Ook in Training 2 is een maximaal aantal pogingen vastgesteld, zodat de leerling niet in Training 2 blijft hangen. Zodra de leerling de norm heeft gehaald of het maximaal aantal pogingen heeft bereikt, mag hij door naar Training 3. Training 3: oefenen/inslijpen In Training 3 moet de leerling direct het goede antwoord geven zonder het doorlopen van de (tussen)stappen. Er wordt vanuit gegaan dat de leerling in deze fase de spellingregel beheerst. Als de leerling een fout antwoord geeft, wordt de fout in het antwoord rood onderstreept. De leerling gaat niet meer terug naar. Na het doorlopen van en Training 2 moet de leerling de stof inmiddels zo beheersen dat hij in staat geacht kan worden zelf tot het goede antwoord te komen. Overigens heeft hij nog steeds twee hulpmiddelen: het theoriescherm en een tip die hij kan oproepen. 2010 Noordhoff Uitgevers 9

Wedstrijd Als een leerling binnen een subcategorie (bijvoorbeeld Persoonsvorm) alle Trainingen heeft gedaan (van persoonsvorm tegenwoordige tijd, persoonsvorm verleden tijd met en zonder klinkerverandering), dan beheerst hij de betreffende onderwerpen op niveau 1F. Om de leerling op een hoger niveau te brengen - of: de drempel naar niveau 2F over te helpen -, bevat de Trainer de Wedstrijd. In de Wedstrijd worden alle onderwerpen binnen een subcategorie door elkaar heen bevraagd. In de Wedstrijd wordt dus gekeken of de leerling de verschillende onderwerpen ook beheerst wanneer die niet meer geïsoleerd, maar gecombineerd en willekeurig door elkaar worden bevraagd. Aan het eind van de Wedstrijd wordt de score opgemaakt van de goede antwoorden. De leerling kan in de Wedstrijd zijn fouten dus niet meer verbeteren. Onderhouden Voor het onderhouden van de spellingsvaardigheid wordt in de aanbevelingen in het rapport Over de drempels bijzondere aandacht gevraagd. Leerlingen zouden nadat ze een spellingitem hebben geoefend hun vaardigheid weer kwijtraken, doordat ze die vaardigheid te weinig blijven oefenen. Naast de conditietest, de trainingen en de wedstrijd, is het mogelijk op elk niveau een aparte oefening te doen waarmee de leerlingen hun spelling onderhouden. Hier hoeft de leerling niet verplicht de trainingen te doorlopen, maar krijgt hij/zij een aantal schermen met oefeningen van een bepaald onderdeel aangeboden. Bij een score lager dan 75% wordt de leerling wel doorverwezen naar de trainingen. De Trainer biedt aan de hand van ruim 3000 unieke oefenzinnen en woorden ruimschoots oefenmateriaal om de spellingsvaardigheid te onderhouden. 2 Oefenboek Het oefenboek is vooral bedoeld om het oefenen met de Trainer klassikaal in te leiden. De uitleg van de theorie komt overeen met de theorie in de digitale Trainer. Vervolgens staan er van en 2 enkele voorbeeldopdrachten in het oefenboek. Na de uitleg van de theorie kunt u uw leerlingen die voorbeeldopdrachten laten maken om te zien of er nog vragen zijn die het zelfstandig doorlopen van de digitale Trainer in de weg zouden kunnen staan. Mochten er geen vragen meer zijn dan gaat de leerling naar de digitale Trainer waar hij in verschillende fasen (, 2 en 3 en de Wedstrijd) kan oefenen met ruim 3000 unieke opdrachtzinnen en woorden. 2010 Noordhoff Uitgevers 10

4 Inhoud Trainer Basisvaardigheden Spelling De Trainer bevat voor niveau 1F/ 2F de volgende onderdelen: Categorie Subcategorie Werkwoordspelling Voorbereiding Persoonsvorm Werkwoordsvormen die geen persoonsvormen zijn Herkennen van werkwoorden Vinden van de persoonsvorm Tegenwoordige of verleden tijd? Enkelvoud of meervoud? Persoonsvorm tegenwoordige tijd Persoonsvorm verleden tijd met klinkerverandering Persoonsvorm verleden tijd zonder klinkerverandering Hele werkwoord en onvoltooid deelwoord Voltooid deelwoord Bijvoeglijk naamwoord afgeleid van voltooid deelwoord Gebiedende wijs Luisterwoorden Voorbereiding Wat zijn luisterwoorden? -f- of -v- -s- of -z- Luisterwoorden Het schrijven en controleren van luisterwoorden Lange en korte klinkerregel Samengestelde woorden Inprentwoorden Hoofdletters, leestekens en andere woordtekens Voorbereiding Lange en korte klinkerregel Verlengingsregel Aaneenschrijven Verkleinwoorden Inprentwoorden uit het Nederlands Inprentwoorden uit een andere taal Hoofdletters Leestekens Andere woordtekens Woorden in klankgroepen verdelen Onderscheid lange en korte klinker Lange en korte klinkerregel Verlengingsregel Alleen grondwoorden Grondwoorden met tussen -s Grondwoorden met voorvoegsels en/of achtervoegsels Grondwoorden met tussenletter -e of -en Grondwoorden met achtervoegsel en tussenletter -e Verkleinwoorden Inprentwoorden uit het Nederlands Inprentwoorden uit een andere taal Hoofdletters in een woord Hoofdletters in een zin Punt, komma en dubbele punt Vraagteken en uitroepteken Aanhalingstekens Afbreekteken weglatingsstreepje Koppelteken Trema Apostrof 2010 Noordhoff Uitgevers 11

5 Organisatie en planning Organisatie De digitale Trainer is de kern van de methode, waar de leerling zelfstandig mee kan werken. Er zijn vier mogelijkheden om met de Trainer te werken: 1. De leerling maakt de diagnostische toets (de Conditietest). Afhankelijk van het resultaat van de Conditietest worden er oefeningen geselecteerd voor de leerling. De onderdelen waar slecht op gescoord is, worden door de Trainer klaargezet. U kunt de leerling als afsluiting of als eindtoets de Conditietest nog eens laten doen om te kijken of de leerling zijn spellingvaardigheid heeft verbeterd. 2. U selecteert als docent die oefenstof die de leerling moet gaan doen. De leerling zoekt in de inhoudsopgave in de digitale Trainer de betreffende oefenstof op. 3. U legt de theorie klassikaal uit met de digitale theorie van de Trainer, die u met een beamer projecteert. Mocht er geen mogelijkheid zijn om de theorie met een beamer te projecteren dan kunt u de theorie klassikaal inleiden aan de hand van de theorie in het oefenboek. Na de uitleg van de theorie kunt u uw leerlingen de voorbeeldopdrachten in het oefenboek laten maken om te zien of er nog vragen zijn die het zelfstandig doorlopen van de digitale Trainer in de weg zouden kunnen staan. Mochten er geen vragen meer zijn dan gaat de leerling naar de digitale Trainer waar hij in verschillende fasen (, 2 en 3 en de Wedstrijd) kan oefenen met ruim 3000 unieke opdrachtzinnen en woorden. 4. U wilt dat uw leerlingen hun spellingvaardigheid onderhouden. De leerling (of u) kiest een onderdeel in de digitale trainer en vervolgens voor spelling onderhouden, waarna er verschillende deelonderwerpen worden aangeboden. Na een aantal oefenzinnen (per onderdeel wisselend) verschijnt een scorescherm, waaruit kan blijken dat er nog onderdelen beter geoefend moeten worden. De Trainer biedt aan de hand van ruim 3000 unieke oefenzinnen en woorden ruimschoots oefenmateriaal om de spellingsvaardigheid te onderhouden. Planning Digitale Trainer en oefenboek De Trainer Basisvaardigheid Spelling biedt theorie en oefenstof voor ongeveer 60-70 uur. Er wordt daarbij vanuit gegaan dat de leerling dan alle theorie en opdrachten zowel in het oefenboek als in de digitale Trainer doorloopt. Individueel zullen er echter grote verschillen zijn, doordat: iedere leerling naar behoefte zal oefenen. de ene leerling de te behalen score in een minimaal aantal pogingen bereikt, terwijl de andere daarvoor het maximale aantal pogingen nodig heeft. de mate waarin de leerling de Trainer gebruikt voor het onderhouden van de spellingsvaardigheid sterk zal verschillen. Digitale Trainer 2010 Noordhoff Uitgevers 12

De digitale Trainer is de kern van de methode. De leerling kan direct met de digitale Trainer aan de slag, zonder het oefenboek vooraf te gebruiken. De digitale Trainer biedt theorie en oefenstof voor ongeveer 55-60 uur. Er wordt daarbij vanuit gegaan dat de leerling dan alle theorie en opdrachten in de digitale Trainer doorloopt. Ook hier zullen om dezelfde redenen als hierboven beschreven individueel echter grote verschillen zijn. Oefenboek Het oefenboek is vooral bedoeld om de theorie en de opdrachten in de Trainer klassikaal in te leiden. U bespreekt klassikaal een spellingsitem of verschillende spellingitems binnen een subcategorie. De Trainer bevat voor ongeveer 15 uur aan theorie en voorbeeldopdrachten. 2010 Noordhoff Uitgevers 13

6 Lestips en verantwoording 0 Algemene inleiding In de Trainer Basisvaardigheden Spelling leren leerlingen dat gespelde woorden in drie hoofdgroepen te onderscheiden zijn: regelwoorden, luisterwoorden en inprentwoorden. Bij de regelwoorden moet de leerling de regels kennen en weten wanneer deze toegepast moeten worden. Werkwoordsvormen en woorden als paard (want paarden is met een -d-) zijn voorbeelden van regelwoorden. Bij de luisterwoorden staat de basale klank-tekenkoppeling centraal. en kunnen eenvoudige, korte woorden als boom en roos zijn, maar ook langere en moeilijker woorden kunnen luisterwoorden zijn, zoals bloesemtuin. Bij de inprentwoorden voldoen de luister- en de regelstrategie niet: er moet ook ingeprent worden. De schrijfwijze van het woord heeft met de herkomst van het woord te maken. Er zijn inprentwoorden waarbij de moeilijkheid zit in het feit dat een klank met verschillende letters geschreven kan worden: ij/ei, au/ou/auw/ouw, etc. Er zijn ook inprentwoorden waarvan de schrijfwijze te maken heeft met een andere taal: fauteuil, container. In het volgende onderdeel vindt u lestips en verantwoording bij de theorieschermen en Trainingen bij de verschillende spellingitems. De omkaderde passages zijn bedoeld voor remedial teachers. 2010 Noordhoff Uitgevers 14

1 Werkwoordspelling Werkwoorden zijn regelwoorden. In dit onderdeel worden de regels voor de werkwoordspelling aangeboden. Om werkwoorden goed te kunnen spellen, moet een leerling in staat zijn een werkwoord te herkennen en de persoonsvorm in een zin te vinden. Ook moet hij weten of een werkwoordsvorm in de tegenwoordige of verleden tijd en in het enkelvoud of meervoud staat. Hier wordt bij de Voorbereiding aandacht aan besteed. De spelling van de persoonsvorm en van werkwoordsvormen die geen persoonsvorm zijn, wordt aan de hand van een algoritme aangeboden. Wanneer bij de oefeningen zinnen worden aangeboden, zijn dat uitsluitend enkelvoudige zinnen. 1.1 Voorbereiding 1.1.1 Herkennen van werkwoorden Werkwoorden kunnen een handeling (lopen), een gebeurtenis (zinken) of een toestand (slapen) aangeven. Laat leerlingen voorbeelden van werkwoorden verzinnen en/of werkwoorden uitbeelden, die door de anderen geraden moeten worden. Het is belangrijk dat leerlingen alle vormen van het werkwoord in een zin herkennen. Laat van een aantal werkwoorden de verschillende vormen (zoals van het voorbeeld dansen) bedenken. Trainingen Er zijn twee typen oefeningen binnen, 2 en 3. Leerlingen moeten in een zin op de werkwoordsvormen klikken. Er worden ook zinnen met meer dan één werkwoord aangeboden. Bij de andere oefenvorm moeten de werkwoorden in een reeks woorden aangeklikt worden; er is dan geen context die steun kan geven. In een enkel geval kan een woord (bijvoorbeeld staat, vraag) zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord zijn. 1.1.2 Het vinden van de persoonsvorm Een handige tip voor leerlingen is: als er maar één werkwoord in de zin staat, is dat over het algemeen de persoonsvorm. In de Trainer Basisvaardigheden Spelling geldt de tijdproef als de belangrijkste methode om de persoonsvorm van een zin te vinden. Sommige leerlingen hebben moeite met het omzetten van tegenwoordige naar verleden tijd en andersom. U kunt dan de suggestie geven de woorden vandaag en gisteren te laten gebruiken. Omdat de tijdproef niet altijd werkt, wordt hier ook de vraagproef aangeboden. Deze proef werkt echter niet in die gevallen waar de zin met een vragend voornaamwoord begint. U kunt in die gevallen de getalsproef nog uitleggen. De getalsproef is niet opgenomen, omdat die een duidelijke kennis van de kern van de zin en de koppeling van persoonsvorm en onderwerp vraagt. Als het onderwerp van de zin herkend wordt, kan met de getalsproef eenvoudig de persoonsvorm gevonden worden. Verandert het onderwerp van getal, dan verandert ook de persoonsvorm van getal. 2010 Noordhoff Uitgevers 15

Trainingen De leerling moet de persoonsvorm van een zin aanklikken. Elk woord van de zin is aanklikbaar, dus ook andere werkwoordsvormen zijn aanklikbaar. Wel is er voor gekozen om voor niveau F1/F2 alleen enkelvoudige zinnen aan te bieden. 1.1.3 Tegenwoordige tijd of verleden tijd? Om het stappenplan goed te doorlopen moet de leerling beslissen of de persoonsvorm in de tegenwoordige of in de verleden tijd staat. Over het algemeen volstaat de vraag of het over nu of over toen gaat. Soms worden leerlingen in de war gebracht door de betekenis van bepaalde woorden in de zin. De voltooid tegenwoordige tijd wordt wel eens als verleden tijd ervaren, vandaar de nadruk op het voorbeeld Ik heb een ipod gekregen. Zinnen die in de verleden tijd staan en die verwijzen naar de toekomst (Je zou me toch volgende week helpen?), kunnen ook tot verwarring leiden. Trainingen Leerling moeten aangeven of zinnen in de tegenwoordige of verleden tijd staan. Er staan misleidende zinnen bij, waarin woorden als vandaag en morgen gecombineerd worden met een persoonsvorm in de verleden tijd en woorden als gisteren met een persoonsvorm in de tegenwoordige tijd. 1.1.4 Enkelvoud of meervoud? Om het stappenplan goed te doorlopen moet de leerling ook beslissen of de persoonsvorm enkelvoud of meervoud is. Over het algemeen vinden leerlingen dit niet moeilijk. Soms moeten ze niet alleen afgaan op de betekenis, want dat kan tot foute antwoorden leiden. Daarom wordt het voorbeeld De hele club staat te dansen gegeven. Trainingen Leerlingen moeten aanklikken of de persoonsvorm in het enkelvoud of in het meervoud staat. Er staan misleidende zinnen bij waarin het lijkt over meer te gaan, terwijl de persoonsvorm toch in het enkelvoud staat. 2010 Noordhoff Uitgevers 16

1.2 Persoonsvorm 1.2.1 De spelling van de persoonsvorm tegenwoordige tijd Bij de uitleg van de stam moeten leerlingen er op gewezen worden dat de stam vaak samenvalt met de ik-vorm, maar niet altijd. Leg daarom uit dat leerlingen de stam kunnen vinden door het hele werkwoord te nemen en daar -(e)n af te halen. Geef daarbij voorbeelden met v/f èn s/z: voorbeeld: verhuizen - stam is hele werkwoord zonder -en: verhuiz - de ik-vorm = ik verhuis (in het Nederlands eindigen woorden niet op een -z-) voorbeeld: leven - stam is hele werkwoord zonder -en: dra(a)v - de ik-vorm = ik draaf (in het Nederlands eindigen woorden niet op een -v-) In de Trainer Basisvaardigheden Spelling wordt geen aandacht besteed aan het volgende. Als de persoonsvorm al op een -t- eindigt, dan wordt er niet nog een -t- achter geplaatst, maar wordt bij het enkelvoud altijd de stam geschreven (hij zit). Bij een enkele leerling moet dit wellicht expliciet besproken worden. Trainingen De leerling doorloopt drie Trainingen. In moeten de leerlingen alle stappen van het stappenplan doorlopen. Voor ze de persoonsvorm kunnen typen, moeten ze bij elke stap aanklikken wat juist is. Tenslotte typen ze de persoonsvorm. In Training 2 gebruiken ze het verkorte plan en klikken ze alleen op het juiste schrijfblok. Als dit goed gaat, kunnen ze de juiste schrijfwijze typen. Gaat dit niet goed, dan gaan ze terug naar en wordt het hele stappenplan doorlopen. In Training 3 typen ze direct de juiste schrijfwijze van de persoonsvorm. Als het antwoord niet goed is, krijgt de leerling de een rode kaart als feedback. De letters die fout zijn in het antwoord worden rood onderstreept, zodat de leerling kan zien waar de fout zit. Ook foutief gebruikte hoofdletters en leestekens worden fout gerekend. 1.2.2 De spelling van de persoonsvorm verleden tijd met klinkerverandering De termen sterke en zwakke werkwoorden worden niet expliciet gebruikt. Als leerlingen bekend zijn met de termen, dan is er uiteraard geen bezwaar tegen om dit wel te doen. Een ezelsbruggetje kan dan zijn: we noemen bepaalde werkwoorden sterk, omdat ze zo sterk zijn dat ze klinkers kunnen veranderen. Zwakke werkwoorden kunnen dat niet. Het kan zijn dat een leerling niet weet of er klinkerverandering optreedt. Deze leerling weet niet of het slaapten of sliepen is. Daar wordt in de Trainer Basisvaardigheden Spelling geen aandacht aan besteed, omdat het meer te maken heeft met taalgevoel dan met spelling. en van werkwoorden waarbij leerlingen soms twijfelen, zijn: denken, zwemmen, stinken, begrijpen, blinken, vragen, knijpen en schenken. De verleden tijd van scheppen kan afhankelijk van de betekenis zowel schepte(n) als schiep(en) zijn. 2010 Noordhoff Uitgevers 17

Bij de persoonsvorm verleden tijd met klinkerverandering enkelvoud die niet op [t] eindigt, verschijnt de regel 'Je hoort wat je moet schrijven'. Ook bij het meervoud gaat deze regel op. Formeel is de formulering Je hoort wat je moet schrijven niet helemaal juist. Voor liepen gaat de regel op: je mag hier schrijven wat je hoort. Maar bij boden en floten moet ook een andere regel toegepast worden, namelijk de lange klinkerregel. Daar schrijf je dus niet wat je hoort. Afhankelijk van welke onderdelen van de Trainer Basisvaardigheden Spelling de leerlingen al hebben doorgewerkt, is het zinvol hier op te wijzen. Trainingen Net als bij de persoonsvorm tegenwoordige tijd doorloopt de leerling drie Trainingen, die op dezelfde manier zijn opgebouwd. In een enkel geval wordt een onregelmatige verleden tijdsvorm gevraagd: weten/wist(en). U kunt leerlingen wijzen op dergelijke onregelmatige vormen, die niet in het stappenplan passen. Ze vormen meestal geen probleem, omdat ze goed te horen zijn en frequent gebruikt worden. en zijn: komen/kwam(en), moeten/moest(en), mogen/mocht(en), kopen/kocht(en) en kunnen/kon(den). 1.2.3 De spelling van de persoonsvorm verleden tijd zonder klinkerverandering Er zijn leerlingen die wanneer de stam eindigt op een andere letter dan een -d- of een -t- twijfelen, omdat ze het niet goed horen of weten. In dat geval is er een hulpmiddel. In plaats van het bekende Kofschip hebben we gekozen voor het Fokschaap Tex. Voordelen hiervan zijn dat er gemakkelijker een concrete voorstelling van te maken is (zie ook de illustratie in de digitale Trainer en het oefenboek), dat de term (daardoor) gemakkelijker te onthouden is, dat de letter -x- er aan toegevoegd is en dat de letter -t- erbij staat. De toevoeging van die laatste letter lijkt wellicht overbodig, omdat op een andere plaats in het stappenplan al ontdekt zou zijn dat de stam op een -t- eindigt, waarna het schrijfblok al aangeeft hoe de vorm geschreven moet worden. Het voordeel is echter dat deze -t- als geheugensteuntje kan dienen. Leerlingen onthouden soms wel dat er iets is met het Kofschip, maar weten niet meer of je in de verleden tijd dan -te(n) of -de(n) krijgt. Bij Fokschaap Tex kan het ezelsbruggetje zijn dat je in dat geval de -t- van Tex in de verleden tijd krijgt, dus -te(n). Het blijft belangrijk er bij de stam op te wijzen dat er uitgegaan moet worden van het hele werkwoord. De kans is dan kleiner dat er bij de werkwoorden met -z- en -v- verkeerd geredeneerd wordt en dat zijn nu juist de werkwoorden waarbij het meest getwijfeld wordt tussen -te(n) of -de(n). 2010 Noordhoff Uitgevers 18

Leerlingen die moeite houden met de keuze tussen -te(n) of -de(n) kunt u laten oefenen met de tussenstap van Fokschaap Tex. en: verbazen: de laatste letter van de stam is een -z. Die zit niet in Fokschaap Tex. Dus -de(n) = verbaasde(n). boffen: de laatste letter van de stam is een -f. Die zit wel in Fokschaap Tex, dus -te(n) = bofte(n). U kunt er op wijzen dat leerlingen vooral goed moeten opletten na een -s of een -f, omdat daarna zowel -te(n) als -de(n) kan komen. Fokschaap Tex helpt dan bij de keuze: viste komt van vissen laatste letter stam = -s -te(n) reisde komt van reizen laatste letter stam = -z -de(n) stofte komt van stoffen laatste letter stam = -f -te(n) leefde komt van leven laatste letter stam = -v -de(n) Nog een ezelsbruggetje: u kunt zeggen dat in viste en stofte een echte -s en -f staat en in reisde en leefde een valse -s en -f. De -s in reisde en de -f in leefde komen immers niet voor in het hele werkwoord -en. Trainingen Ook hier worden Trainingen op de drie niveaus gegeven volgens dezelfde opzet als bij de persoonsvorm tegenwoordige tijd en de persoonsvorm verleden tijd met klinkerverandering. 2010 Noordhoff Uitgevers 19

1.3 Werkwoordsvormen die geen persoonsvorm zijn Inleiding Met het stappenplan bij Werkwoordsvormen die geen persoonsvorm zijn is het mogelijk om zonder grammaticale kennis de werkwoordsvormen toch goed te spellen. De termen infinitief, onvoltooid deelwoord en voltooid deelwoord worden weliswaar gebruikt, maar de leerling kan via een eenvoudige ja/nee-redenering ontdekken met welke vorm hij te maken heeft. De voorbeelden van het onvoltooid (of tegenwoordig) deelwoord zijn gevallen waarin het onvoltooid deelwoord wordt gebruikt als bepaling van gesteldheid. De juiste spelling zou ook aan de hand van de verlengingsregel beredeneerd kunnen worden en dus bij dat onderdeel besproken kunnen worden, maar is vanwege de in het oog springende relatie met werkwoorden hier meegenomen. Ook de spelling van de voltooide deelwoorden op -d of -t kan met de verlengingsregel beredeneerd worden. We adviseren om die regel echter niet te noemen, omdat de zwakke spellers deze regel dan ook gaan toepassen bij werkwoordsvormen waar dat juist niet mag. We kiezen ervoor om leerlingen te zeggen dat de werkwoordspelling uitsluitend met het stappenplan beredeneerd moet worden. 1.3.1 Hele werkwoord en onvoltooid deelwoord Wanneer er geen woordenboek gebruikt mag of kan worden om de juiste schrijfwijze van het hele werkwoord op te zoeken, dan kan de leerling in ieder geval goed luisteren en nagaan of de korte of lange klinkerregel gebruikt moet worden, zoals in liggen en slapen. Aan onvoltooide deelwoorden op -de wordt geen aandacht besteed. De spelling daarvan is niet problematisch. Trainingen Leerlingen moeten aanklikken of de onderstreepte werkwoordsvorm in een zin het hele werkwoord of een onvoltooid deelwoord is. 1.3.2 Voltooid deelwoord Hoewel het voltooid deelwoord vanzelf overblijft als het stappenplan gevolgd wordt, hebben sommige leerlingen toch moeite met het onderscheiden van onvoltooide en voltooide deelwoorden. U kunt de redenering dan nog explicieter laten maken. : gerekend. Is het het hele werkwoord? Nee, want dat is rekenen. Hoor je hele werkwoord +[t]? Nee, want dat is rekenend. Het is dus een voltooid deelwoord. Er is een groep werkwoorden waarbij het voltooid deelwoord dezelfde vorm heeft als de infinitief (en de persoonsvorm tegenwoordige tijd meervoud). Dat kan betekenen dat de leerling bij het volgen van dit deel van het stappenplan de verkeerde conclusie trekt en denkt te maken te hebben met een infinitief in plaats van met een voltooid deelwoord. Omdat deze fout te maken heeft met grammatica en geen gevolgen heeft voor de spelling, wordt hier geen aandacht aan besteed in de Trainer Basisvaardigheden Spelling. en van dergelijke werkwoorden zijn: vergeten, ontvangen, behangen, beladen, herladen, behouden. 2010 Noordhoff Uitgevers 20

Als leerlingen het hele stappenplan vanaf het begin volgen zich dus zouden afvragen of ze te maken hebben met een persoonsvorm en de tijdproef toepassen is de kans op vergissing tussen persoonsvorm en infinitief of voltooid deelwoord klein. Om de leerlingen wat meer inzicht in de zinsstructuur te bieden, kunt u laten zien dat een voltooid deelwoord vaak samen met een vorm van de werkwoorden worden, hebben of zijn voorkomt. Om te checken of ze te maken hebben met een voltooid deelwoord, zouden leerlingen een eenvoudig proefzinnetje kunnen maken. : hij / het + heeft / is / wordt + een vorm van het werkwoord. Die vorm is dan het voltooid deelwoord. Over het algemeen wordt in Nederland de slot-n niet uitgesproken, vandaar dat de leerling gevraagd wordt of aan het eind de doffe [e] te horen is. In sommige delen van het land kan het zinvol zijn hier even bij stil te staan, omdat daar juist een duidelijke slot-n wordt uitgesproken en de doffe [e] minder hoorbaar is. Sommige leerlingen vinden het moeilijk om een woord langer te maken, zeker wanneer er daardoor een niet-bestaand woord ontstaat, zoals gegaloppeerde. Een tip kan zijn zich dan te baseren op de verleden tijd van het werkwoord: galoppeerde(n). Fokschaap Tex (voor toelichting zie persoonsvorm verleden tijd zonder klinkerverandering) geeft in ieder geval uitsluitsel. Trainingen De leerling doorloopt de drie trainingen volgens de bekende opzet. In doorloopt hij of zij het hele stappenplan, in Training 2 wordt alleen de laatste stap van het stappenplan herhaald en in Training 3 mag direct een antwoord ingevuld worden. Bij de vraag wat je aan het eind hoort als je het woord langer maakt (stap 2), wordt een tip gegeven over het Fokschaap Tex. Als een leerling het dus niet weet of hoort, wordt hij eraan herinnerd dat dit met het Fokschaap Tex bepaald kan worden. 1.3.3 Het bijvoeglijk naamwoord afgeleid van een voltooid deelwoord De behandeling van de schrijfwijze van bijvoeglijke naamwoorden die van het voltooid deelwoord zijn afgeleid, hoort eigenlijk niet bij de werkwoordspelling. Uit praktische overwegingen is er toch voor gekozen om het bijvoeglijk naamwoord afgeleid van het voltooid deelwoord in de werkwoordspelling op te nemen. U kunt aangeven dat het hier gaat om woorden in een zin, die lijken op werkwoorden, maar het niet zijn. De voltooide deelwoorden die niet eindigen op -en, maar op een -n (gedaan, gestaan, gegaan) worden niet apart behandeld, omdat de schrijfwijze geen problemen oplevert. Benadruk dat bij het schrijven van de kortste vorm indien nodig (dus na een korte of een lange klank) de klinkerregels toegepast moeten worden. en: 2010 Noordhoff Uitgevers 21

De brief wordt verwacht. (volt. dw.) - de verwachte brief: met één -t, want dat is zo kort mogelijk; De appel is verrot. (volt. dw.) - de verrotte appel: met -tt, want dat is zo kort mogelijk. Volgens de korte klinkerregel moet de medeklinker na de korte [o] verdubbeld worden; De leerling is geslaagd. (volt. dw.) - de geslaagde leerling: met één -d, want dat is zo kort mogelijk; Het meisje is verkleed. (volt. dw.) - het verklede meisje: de tweede klankgroep eindigt op een lange klinker [ee], dus volgens de lange klinkerregel schrijf je dan één -e. Er kan verwarring ontstaan over het verschil tussen de persoonsvorm verleden tijd en het bijvoeglijk naamwoord afgeleid van voltooid deelwoord. Laat met behulp van het stappenplan het verschil zien tussen bijvoorbeeld verontrustte en verontruste. De aanhoudende storm verontrustte de reizigers. - Verontrustte is persoonsvorm verleden tijd zonder klinkerverandering, want met de tijdproef verandert verontrustte in verontrust. - Het werkwoord verontrusten heeft een stam op -t. - Schrijf stam + te(n): verontrust + te = verontrustte De leraar kon de verontruste ouders kalmeren. - Verontruste is bijvoeglijk naamwoord afgeleid van voltooid deelwoord op -t. (kon is de persoonsvorm, want met de tijdproef verandert kon in kan.) - Schrijf de kortste vorm, dus schrijf verontruste met één -t. 1.3.4 Gebiedende wijs De gebiedende wijs is een bijzondere persoonsvorm en hoort dus eigenlijk niet in deze categorie thuis. We hebben ervoor gekozen om de gebiedende wijs als een aparte categorie te bespreken. Wanneer de gebiedende wijs namelijk zonder onderwerp gebruikt wordt, dan kan de leerling deze persoonsvorm niet vinden met de tijd-, vraag- of getalsproef. Het bespreken van het verschil tussen Draai u om en Draait u zich even om, voert hier te ver. Trainingen In een zin moet de gebiedende wijs ingevuld worden. Ook hier worden foutief gebruikte (of vergeten) hoofdletters fout gerekend. 2010 Noordhoff Uitgevers 22

2 Luisterwoorden In dit onderdeel gaat het over de spelling van de luisterwoorden. Bij deze woorden staat de basale klank-tekenkoppeling centraal. en kunnen eenvoudige, korte woorden als boom en roos zijn, maar ook langere en moeilijker woorden kunnen luisterwoorden zijn, zoals bloesemtuin. 2.1 Voorbereiding Op basis van de foutendatabase in Over de drempels beperken we ons in de Voorbereiding tot het bespreken van doffe [e], sch/schr, f/v en s/z: dit zijn volgens het rapport de klanktekenkoppelingen waar fouten mee gemaakt worden. 2.1.1 Wat zijn luisterwoorden? Om luisterwoorden goed te kunnen spellen, moeten leerlingen herkennen wat luisterwoorden zijn en wat geen luisterwoorden zijn. Aan het herkennen van luisterwoorden wordt bij de Voorbereiding aandacht besteed. U kunt bij de inleiding van dit onderdeel volstaan met het aangeven dat er drie typen woorden, namelijk luister-, regel- en inprentwoorden, zijn. Het is niet belangrijk uitvoerig uit te leggen wat regelwoorden en inprentwoorden zijn. U kunt volstaan met simpele en duidelijke voorbeelden van regelwoorden (paard) en inprentwoorden (nou-nauw, pijl-peil en fauteuil). Er is geen enkel bezwaar om bij de regelwoorden ook voorbeelden van werkwoordsvormen te geven (word/wordt, gebeurt/gebeurd), want ook dat zijn duidelijke voorbeelden van regelwoorden. Het is niet nodig voorbeelden als jaren en bruggen te geven. Voor sommige leerlingen zijn de lange en de korte klinkerregel geen bekende regels en de introductie kan met dergelijke voorbeelden nodeloos uitgebreid en/of ingewikkeld worden. Bij de oefeningen kan immers volstaan worden met de uitleg dat jaren geen luisterwoord is, omdat je de lange [aa] hoort en er maar één a geschreven staat. Het is bij deze categorie woorden immers van belang te weten of het wel of geen luisterwoord is en niet wat voor type woord het wel is. In de Trainer Basisvaardigheden Spelling hebben we het over de doffe [e]. Andere mogelijke termen zijn de stomme [e] of de [sjwa]. De klank wordt dof genoemd, omdat het een onbeklemtoonde klank is. De klank komt voor in het woord de, maar ook in vorig en heerlijk. We spreken af dat we de schrijfwijze -e- de luisterschrijfwijze noemen. De andere twee schrijfwijzen moeten ingeprent worden. 2010 Noordhoff Uitgevers 23

Klankverkleuring voor de r De -r- wordt wel de plaagletter genoemd, omdat bepaalde klanken er anders door gaan klinken, verkleuren. Leerlingen die hier nog fouten mee maken, zijn gebaat bij uitleg hierover. De -r- doet de [ee] van weet anders klinken: weer klinkt een beetje als wir. De [ee] klinkt een beetje als een [i]. Onthoud dat er in het Nederlands bijna geen woorden met -ir zijn (behalve de woorden met het voorvoegsel -ir). Als je dus een soort [i] voor de -r hoort, kun je bijna altijd eer schrijven. De -r doet de [eu] van deuk anders klinken: deur klinkt een beetje als dur(f). De [eu] klinkt een beetje als een [u]. Onthoud dat er in het Nederlands bijna geen woorden met -ur zijn. Je kunt, als je twijfelt tussen -eur en -ur, zo n woord overdreven lang [zoals deur: lang aanhouden] en overdreven kort [zoals durf] uitspreken. : je kunt kleurig wel overdreven lang uitspreken maar niet overdreven kort, dus het moet met de -eu van deur. De -r doet de [oo] van kook anders klinken: koor klinkt een beetje als kor(t). De [oo] klinkt een beetje als een [o]. Als je twijfelt tussen -oor en -or, dan kun je het woord overdreven lang uitspreken [zoals kóóóór] en overdreven kort [zoals kort], zodat je hoort of je -oor of -or moet schrijven. : het is beóóórdelen en niet beòrdelen, dus beoordelen is met de -oo van kook. Trainingen Leerlingen moeten in een zin op de luisterwoorden klikken. In die zinnen worden de woorden het en een aangeboden. Deze worden uitgesproken als t en n en het zijn dus geen luisterwoorden. Veel leerlingen hanteren bij het lezen van het en een de spellinguitspraak en zullen de woorden daardoor als luisterwoorden ervaren. Bespreek met leerlingen het volgende: - bij het: Je kunt dit een luisterwoord noemen, maar vaak hoor je t en geen het. - bij een: Dit is eigenlijk geen luisterwoord, want je hoort n. Als je uitspraak één is, is dit wel een luisterwoord. Bij de trainingen worden het en een niet als luisterwoorden beschouwd. Woorden met inprenttekens zijn geen luisterwoorden. De volgende verklaringen zijn nuttig: bijvoorbeeld bij zocht: Dit is geen luisterwoord. Je hoort een [g] en je schrijft geen -g, maar -ch; bijvoorbeeld bij hij, zijn: Dit is geen luisterwoord. Je moet weten welke ij/ei je moet schrijven; bijvoorbeeld bij gehouden: Dit is geen luisterwoord. Je moet weten welke ou/au/ouw/auw je moet schrijven; bijvoorbeeld bij computer: Dit is geen luisterwoord. Je hoort een [k] en je schrijft een -c. Je hoort een [j] achter de -p en die schrijf je niet. Je hoort een [oe] en je schrijft een -u; bijvoorbeeld bij gefeliciteerd: Dit is geen luisterwoord. Je hoort een lange [ee] en je schrijft één -e. Je hoort een lange [ie] en je schrijft een -i. Je hoort een [s] en je schrijft een -c. Je hoort een lange [ie] en je schrijft een -i. Je hoort aan het eind een [t] en je schrijft een -d; 2010 Noordhoff Uitgevers 24

bijvoorbeeld bij examenvrees: Dit is geen luisterwoord. Je hoort [ks] en je schrijft x. Je hoort een lange [aa] en je schrijft een a; bij -ig en -lijk: Dit is geen luisterwoord. Je hoort een doffe -e- en je schrijft een -i en een -ij. Bij de regelwoorden in de zinnen is het niet nodig de regels uitgebreid te bespreken. U kunt volstaan met het beargumenteren waarom een woord geen luisterwoord is: bijvoorbeeld bij koninginnedag: Dit is geen luisterwoord. Je hoort een lange [oo] en je schrijft één -o (lange klinkerregel). Je hoort in [inne] één [n], maar je schrijft er twee (korte klinkerregel); bijvoorbeeld bij gered: Dit is geen luisterwoord. Je hoort aan het eind een [t] en je schrijft een -d. U kunt ook aangeven dat werkwoorden altijd met het stappenplan (dus met regels) gespeld moeten worden.; bijvoorbeeld bij verroeste: Dit is geen luisterwoord. Je hoort in [verroes] één [r], maar je schrijft er twee; bijvoorbeeld bij verbod: Dit is geen luisterwoord. Je hoort aan het eind een [t], maar je schrijft een -d (verlengingsregel). Bij de slot-n kennen we in Nederland verschillende varianten: het woord lopen wordt uitgesproken als [lope], [loopm] en [lopen]. We hebben er voor gekozen de slot-n als luisterklank goed te rekenen, zodat woorden als plaatsen en kinderen luisterwoorden zijn. 2.1.2 -f- of -v-? Bij veel woorden is het bij de juiste uitspraak van het losse woord goed te horen of een -f- of een -v- geschreven moet worden. In deze gevallen is er dus sprake van een eenduidige klank-tekenkoppeling en kan de leerling schrijven wat hij hoort. Soms twijfelen leerlingen over wat ze horen en dan helpt het om hun de twee alternatieven overdreven aan te bieden of uit te laten spreken: ze kunnen dan meestal goed aangeven welk alternatief de juiste uitspraak is. Er blijven woorden over waar niet te horen is welke letter geschreven moet worden. U kunt deze woorden laten inprenten. Er zijn ook woorden waarbij u de onderliggende verklaring kunt geven. In opvallend hoor je een [f]: dat komt door de [p] die ervoor staat. In het grondwoord vallen hoor je wel de [v] en op basis van gelijkvormigheid (de grondwoordregel) schrijf je dus ook in opvallend een -v. 2010 Noordhoff Uitgevers 25