Blad : Pagina 1 van 6 TOEPASSINGSGEBIED Brabant Drenthe Flevoland Friesland Groningen Limburg Overijssel 1. DOELSTELLING Het tot stand brengen van een goede en veilige huisaansluiting voor woningen in deelnetten met een gasdruk van ten hoogste 100 mbar. Deze instructie omschrijft de eisen die gesteld worden aan de opstelling van de gasmeter in woningen en het aanbrengen van de aansluitleiding vanaf de hoofdleiding tot en met de gasmeterbeugel. 2. TECHNISCHE AFBAKENING De instructie is van toepassing voor gasaansluitingen in nieuwbouw van laagbouwwoningen met een aansluitcapaciteit van ten hoogste 10 m³/h (G4/G6). Voor gasaansluitingen in gebieden met zakkende grond geldt, als aanvulling op deze instructie, de werkinstructie Geb-0005.I Constructie gasaansluitleidingen in gebieden met zakkende grond. ( zie bijlage) 3. TERMEN / DEFINITIES Voor termen en definities wordt verwezen naar de in deze instructie vermelde normen en regelgeving en de () werkinstructie Gzz-0001.R definities en begrippen Gas. 4. WERKWIJZE 4.1 Algemeen De standaard gasaansluiting voor huishoudelijk gebruik betreft in nieuwbouw een meteropstelling voor een G4 of G6 gasmeter en een aansluitleiding (PE SDR 17,6) van hoofdleiding tot hoofdkraan. Verbindingen in de aansluitleidingen worden altijd trekvast uitgevoerd, inclusief de aftakking op de hoofdleiding. De meteropstelling omvat een gasvoerende meterbeugel, die zowel links als rechts kan worden aangesloten en afgedopt, compleet met een in- en uitlaat gaskogelkraan, overstroomkap (30 mbar) of huisdrukregelaar (100 mbar) en voorgemonteerde meterkoppelingen. De meterkoppeling aan inlaatzijde moet met een gele zegelkap worden verzegeld. Aan de uitlaatzijde van de beugel bevindt zich een tweede haakse kogelkraan voorzien van drukmeetnippel (klantzijde) en een overgangspunt waarop de installateur de binneninstallatie van de woning kan aansluiten (knelkoppeling 22 mm Cu.) In de meterkast is de aansluitleiding voorzien van een telescopisch uitgevoerde kunststof schutbuis, die door middel van een stelschroef wordt vastgezet. Aan de bovenzijde van de schutbuis dient een zegelkap ter afsluiting van de hoofdkraankoppeling en de schutbuis te worden aangebracht. Aan de onderzijde wordt de schutbuis over het fixatie-element geschoven. Het fixatie-element wordt gemonteerd op de invoerbuis volgens de montage-instructies van de leverancier van de meterbeugelpakketten (invoerbuis inkorten tot 20 mm boven de vloerplaat en controleren of de invoerbuis vertikaal is aangebracht in de vloerplaat).
Blad : Pagina 2 van 6 Daar waar een meterput aanwezig is, wordt vanaf de geveldoorvoer tot aan meterbeugel een PEKO-buis gebruikt waarvan de mantel van PE als beschermbuis fungeert (zie 4.5). Daar waart een kelder aanwezig is, wordt in principe een korte PEKO toegepast voor de gevelpassage en wordt de kelderleiding uitgevoerd in koper (zie 4.6). 4.2 Standaard materialen Voor elke toepassing zijn meterbeugelpakketten beschikbaar om een gasmeteropstelling te kunnen maken. Deze meterbeugelpakketten bestaan uit een: - inlaatkogelkraan/koppeling combinatie; - meterbeugel al dan niet met regelaar; - uitlaatkogelkraan met knelkoppeling; - telescopische beschermbuis, afdichtingsplug en montagemateriaal. De overige materialen zoals gasmeter, aansluitzadel, gasaansluitstuk, buismateriaal en verloopkoppeling, zijn los verkrijgbaar. 4.2.1 Meterbeugel In elk meterbeugelpakket bevindt zich een montage-instructie met tekening van de leverancier. Het is mogelijk de gasvoerende meterbeugel zowel links als rechts aan te sluiten. Alle montagehandelingen blijven dan dezelfde, en constructief is deze methode identiek. De verbindingen van de kogelkraan en de einddop aan de meterbeugel wordt gemaakt met een (trekvaste) klikverbinding waarbij de gasafdichting wordt verkregen door twee o-ringen. Na montage dient de trekvastheid en gasafdichting van kraan en einddop te worden vastgesteld door te kijken of de kraan en plug in één vlak zitten met de meterbeugel (zie montageinstructies). 4.2.2 Afwijking in de maatvoering Afwijkingen van de positie van de invoermantelbuis t.o.v. de standaard kunt u met de gasvoerende beugel corrigeren. In voorwaartse richting is deze verstelbaar van 4 tot 12 cm tot de achterwand. In zijwaartse richting kan de beugel 4 cm naar links en rechts versteld wordend. 4.3 Aanleg NEN-7244-6 betreffende specifieke eisen van aansluitleidingen is van toepassing. De gronddekking bedraagt ten minste 40 cm in particuliere grond en 50 cm in openbare straten en wegen. Tevens dient voor de gronddekking en ligging het gemeentelijke normprofiel te worden aangehouden. Het aanbrengen van de aansluitleiding in lengte richting onder gesloten bestrating is niet toegestaan. De meterkast moet voldoen aan de norm NEN 2768 en Bouwbesluit. Een landelijk veel toegepast voorbeeld is bv. het vouwblad Richtlijnen voor meterkasten in laagbouwwoningen. In dit vouwblad is aangegeven dat de vloer van de meterkast kan worden uitgevoerd als prefab bodemplaat met KOMO-keur, volgens KIWA-BRL3801. 4.4 Aanleg bij aanwezigheid van gebogen mantelbuis (invoerbuis) De PE-buis invoeren in de daarvoor bestemde mantelbuis. De meterbeugel monteren volgens de montage-instructie van de leverancier. De uniforme aansluitconstructies laten twee diameters toe: 25 mm PE sdr 17,6 wanddikte 2,3 mm voor aansluiting op 100 mbar net 32 mm PE sdr 17,6 wanddikte 2,3 mm voor aansluiting op 30 mbar net
Blad : Pagina 3 van 6 a. 100 mbar invoerbuis (tekening nummer HG-G4/G6-100-IB) Deze tekening geeft weer de montage van een standaard huisaansluiting op een 100 mbar net, waarbij de PE buis 25 x 2,3 mm door de invoerbuis wordt geschoven. Daar waar 25 mm te veel drukverlies oplevert, wordt voor de gevel over gegaan op een grotere diameter (bv. 32, 40 of 50 mm). De aansluitleiding in de woning is altijd 25 mm. b. 30 mbar invoerbuis (tekening nummer HG-G4/G6-30-IB) Deze tekening geeft weer de montage van een standaard huisaansluiting op een 30 mbar net, waarbij de PE buis 32 x 2,3 mm door de invoerbuis wordt geschoven. Daar waar 32 mm te veel drukverlies oplevert, wordt voor de gevel of in de schutbuis over gegaan op een grotere diameter (bv 40 of 50 mm). De aansluitleiding op de meterbeugel is altijd 32 mm. 4.5 Aanleg bij aanwezigheid van invoerput Bij deze toepassing is het aanbrengen van een PE aansluitleiding tot aan de meteropstelling niet mogelijk. Op circa 0,5-1 meter voor de gevel gaat de PE leiding over in PEKO buis. a. 100 mbar invoerput (tekeningnummer HG-G4-G6-100-IP 25 MPE) Deze tekening geeft de montage weer van een huisaansluiting bij sanering op een 100 mbar net, waarbij de PEKO leiding (15/25) door de mantelbuis en de invoerput loopt. Een overgangskoppeling buiten de gevel biedt de mogelijkheid om over te gaan naar 25 mm of 32 mm PE buis. b 100 mbar invoerput (tekeningnummer HG-G4-G6-100-IP 32 MPE) Deze tekening geeft de montage weer van een huisaansluiting bij sanering op een 100 mbar net, waarbij de PEKO leiding (22/32) door de mantelbuis en de invoerput loopt. Een overgangskoppeling c. 30 mbar invoerput (tekeningnummer HG-G4-G6-30-IP 32 MPE) Deze tekening geeft de montage weer van een huisaansluiting bij sanering op een 30 mbar net, waarbij de PEKO leiding (22/32) door de mantelbuis en de invoerput loopt. Een overgangskoppeling 4.6 Aanleg bij aanwezigheid van Kelder Voor aanleg door een kelder is een speciale korte PEKO beschikbaar met een lengte van 1,20 m. Kort na binnenkomst in de kelder moet onbeschermd koperen buis kwaliteit halfhard- worden toegepast. De verbindingen bestaan uit hulpstukken met drukpassingseind (persfittingen). De koperen aansluitleiding dient spanningsvrij, stevig en duurzaam te zijn bevestigd. De leidingen behoren bij afsluiters, bochten en koppelingen te zijn ondersteund. De afstand tussen de bevestigingen is maximaal 60 maal de buitenmiddellijn. De koperen gasleiding wordt over een regelmatige afstand gemarkeerd met een gele sticker met de opdruk GAS. Er wordt minimaal 1 sticker tussen 2 bevestigingsbeugels aangebracht. De leiding is, conform de normering, hierdoor goed herkenbaar als gasleiding waardoor verwarring met andere koperen leidingen zoals drinkwater wordt voorkomen. Vermijd contact van koperen buis met kalkproducten en wapeningijzer in het beton. Bij muur- en vloerdoorvoeringen moet een kunststof mantelbuis gebruikt worden. a. 100 mbar Kelderdoorvoer (tekeningnummers HG-G4-G6-100-Kelder 25 MPE) Deze tekening geeft de montage weer van een huisaansluiting bij sanering op 100 mbar net met een korte PEKO leiding (15/25 gevelpassage) en half-hard koper in de kelder. Een overgangskoppeling buiten de gevel biedt de mogelijkheid om over te gaan naar 25 mm of 32 mm PE buis.
Blad : Pagina 4 van 6 b. 100 mbar Kelderdoorvoer (tekeningnummers HG-G4-G6-100-Kelder 32 MPE) Deze tekening geeft de montage weer van een huisaansluiting bij sanering op 100 mbar net met een korte PEKO leiding (22/32 gevelpassage) en half-hard koper in de kelder. Een overgangskoppeling c 30 mbar invoerput (tekeningnummer HG-G4/G6-30-Kelder 32 MPE) Deze tekening geeft de montage weer van een huisaansluiting bij sanering op 30 mbar net met een korte PEKO leiding (22/32 gevelpassage) en half-hard koper in de kelder. Een overgangskoppeling 4.7 PEKO-constructie De PEKO-constructie is een aansluitleiding die bestaat uit een gasvoerende leiding van (zachtgegloeid) koper en een mantelbuis van PE, voorzien van een koppeling t.b.v. aansluiting op de PE aansluitleiding buiten in de grond. Een PEKO 15/25 is standaard voorzien van een steunbusset voor een PE buis 25 mm(wd 2,3). Bij een PEKO 22/32 is standaard een steunbusset voor een PE buis 32 mm (wd 2,3) aangebracht. Voor overgang op een andere leidingdiameter c.q. wanddikte dienen de van toepassing zijnde steunbussets te worden aangebracht in de overgangskoppeling. Aan de andere zijde wordt de koperen buis aan de hoofdkraan bevestigd door een knelkoppeling. De koperen PEKO-buiseinden zijn niet uitgegloeid. Een PEKO mag niet worden ingekort. Het is belangrijk de juiste lengte te kiezen. 4.7.2 Aandachtspunten bij transport De leidingen moeten zoveel mogelijk recht vervoerd worden. Grote lengtes mogen manshoog worden gebogen. De stofkappen aan de buiseinden mogen niet worden verwijderd. 4.7.3 Montage van PEKO-buis Een PEKO wordt aangelegd volgens de montage voorschriften van de leverancier. Zorg dat de PEKO niet knikt en dat de overgangskoppeling buiten de gevel op ca. 0,5-1 m afstand van de gevel zit. Binnenshuis is het belangrijk dat de PEKO met geringe overlengte wordt gelegd om geen spanning op de meterbeugel te krijgen. Aandachtspunten A. De stofkappen laten zitten tot het moment van aansluiten. Scherpe bochten moeten worden voorkomen (attentie: het PE knikt eerder dan het koper). B. De PEKO constructie mag nooit ingekort worden (t.g.v. de niet-uitgegloeide uiteinden). C. De koppeling ligt op 0,5 tot max. 1 meter buiten de gevel. D. De PEKO constructie wordt met leidingbeugel en klemblokken op de achterwand van de meterruimte gemonteerd. E. Bij toepassing in kelders moet speciale aandacht besteedt worden aan de geveldoorvoering. F. Strak werk is met PEKO niet uitvoerbaar, dus daar waar grote lengten worden overbrugd, moet onbeschermd koperen buis - kwaliteit halfhard- worden toegepast. De verbindingen bestaan uit hulpstukken met drukpassing eind (persfittingen). G. De leiding wordt in de meterkast verder afgemonteerd met een kunststof zegelkap die om de kraankoppeling wordt aangebracht. H. Montage PE-buis in overgangskoppeling PEKO volgens montagevoorschriften leverancier.
Blad : Pagina 5 van 6 4.8 Drukverlies De totale drukverdeling over de verschillende componenten van het gasdistributiesysteem is door het netwerkbedrijf, afhankelijk van de omstandigheden en de netsituatie, te bepalen. Als voorwaarde geldt: de te hanteren verbruiken zijn de werkelijke of te verwachten verbruikersbelastingen naar gelang de woonomgeving. Hanteer niet zonder meer de metercapaciteit. de te garanderen gasdruk na de gasmeter moet minimaal 23,4 mbar bedragen. het te hanteren drukverlies over de meterbeugel (30 mbar) is afhankelijk van de verbruikersbelasting. Als vuistregel geldt; t/m 4 m³/u = 0,6 mbar en t/m 6 m³/u = 0,8 mbar de gasdruk dient direct voor de hoofdkraan minimaal te bedragen: - deelnet 30 mbar : 24,0 mbar tot 4 m³/u - deelnet 30 mbar : 24,2 mbar tot 6 m³/u - deelnet 100 mbar : 35,0 mbar (i.v.m. juiste werking gasdrukregelaar). Voor het vaststellen van drukverlies en leidingdiameters gebruikt u de standaard applicatie Gda-0006.I Drukverliesberekeningen Gasaansluitingen LD. 4.9 Aanbrengen afdichtingsplug De plug bestaat uit twee delen die na montage een optimale afdichting geeft tussen gasvoerende leiding en mantelbuis ( buitengevel). De standaard doorvoeropening is een kunststof mantelbuis (63 x 3 mm) met een inwendige diameter van 57 mm. In de ruimte tussen de doorvoeropening en aansluitleiding (PEKO of PE) wordt de afdichtingsplug gemonteerd. In onderstaande tabel 2 is aangegeven welk type afdichtingsplug van toepassing is. Mantelbuis Ø 63x3 mm Afdichtingplug PE 25 mm of PEKO 15/25 mm PE 32 mm of PEKO 22/32 mm 57 x 25 mm 57 x 32 mm X X Tabel 2: Afdichtingsplug 4.10 Sterkte- en dichtheidsbeproeving Het beproeven op sterkte en dichtheid van aansluitleidingen dient te geschieden in overeenstemming met de (veiligheids)instructie: - VWI G-12 Het beproeven op sterkte en dichtheid van LD-aansluitleidingen - TI Gdb-0019.I Aanvullende technische bepalingen op sterkte- en dichtheidsbeproeving 4.11 Aansluiten, ontluchten en in bedrijfnemen van gasaansluitleiding De zich in de leiding bevindende lucht dient te worden verwijderd door een ononderbroken gasstroom die aan het begin van de leiding wordt ingelaten en aan het einde van de leiding wordt afgeblazen. Dit dient te gebeuren overeenkomstig de veiligheidsinstructie: - VWI G11 Het aansluiten en in bedrijf nemen van LD-aansluitleidingen incl. meteropstellingen - VWI G13 Het ontluchten van LD-aansluitleidingen
Blad : Pagina 6 van 6 4.12 Binnenleiding Met de gasvoerende meterbeugel wordt op de haakse uitlaatkraan aan de installateur een vast punt (knelkoppeling 22 mm Cu) aangeboden waarop de binnenleiding kan worden aangesloten. De meter is daardoor spanningsvrij te monteren. 5. OPMERKINGEN Het opleveren van gesloten en geopende huisaansluitingen staat vermeld in instructies: - Geb-0003.I Opleveren van standaardaansluitingen Gas Gesloten - Geb-0002.I Opleveren van standaardaansluitingen Gas Open 6. BIJLAGEN / REFERENTIES Tekeningen standaard huisaansluiting Gas G4/G6: 100 mbar invoerbuis (tekening nummer HG-G4-G6-100-IB 25 MPE 30 mbar invoerbuis (tekening nummer HG-G4-G6-30-IB 32 MPE 100 mbar invoerput (tekening nummer HG-G4-G6-100-IP 25 MPE 100 mbar invoerput (tekening nummer HG-G4-G6-100-IP 32 MPE 30 mbar invoerput (tekening nummer HG-G4-G6-30-IP 32 MPE 100 mbar kelder (tekening nummer HG-G4-G6-100-Kelder 25 MPE 100 mbar kelder (tekening nummer HG-G4-G6-100-Kelder 32 MPE 30 mbar kelder (tekening nummer HG-G4-G6-30-Kelder 32 MPE Geb-0005.I Constructie gasaansluitleidingen in gebieden met zakkende grond. Gda-0006.I Standaard applicatie Drukverliesberekeningen Gasaansluitingen LD