Algemeen deel internationaal privaatrecht

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Algemeen deel internationaal privaatrecht"

Transcriptie

1 Algemeen deel internationaal privaatrecht 1. INLEIDING...5 A. PROBLEEMSTELLING EN DEFINITIE Algemeen De relatie van het IPR met andere rechtstakken...5 (1) Het privaatrecht...5 (2) De rechtsvergelijking...5 (3) Het volkenrecht...5 (4) Het grondwettelijk recht...5 B. BRONNEN Algemeen De Wet...6 (1) Het WIPR...6 (2) Andere wetgeving Europese regelgeving Verdragen Rechtspraak Rechtsleer...7 C. OVERZICHT HET INTERNATIONAAL PRIVAATRECHTELIJK PROCESRECHT...9 A. PROBLEEMSTELLING De problemen van internationale processsen Een alternatief: arbitrage...9 (1) Algemeen...9 (2) Basisbeginselen...9 B. PROCEDEREN VOOR DE OVERHEIDSRECHTER: OVERZICHT...9 C. HET EUROPEES INTERNATIONAAL BEVOEGDHEIDSRECHT Historisch overzicht Het toepassingsgebied van de Europese regeling inzake bevoegdheid en tenuitvoerlegging 10 (1) Ratione temporis...10 (2) Ratione materiae...10 (3) Ratione personae De interpretatie van de verordening en de verdragen De verschillende fora in de Brussel I- Vo (1) De exclusieve fora (art )...11 (2) Het geaccepteerde forum: art (3) De woonplaats van de verweerder als algemene bevoegdheidsgrond...13 (4) Alternatieve ora wegens een nauwe band tussen het geschil en een andere lidstaat...13 (5) Fora ter bescherming van zwakkere partijen...15 (6) Nevengeschikte fora...16 (7) Samenhang en connexiteit...17 (8) Aanhangigheid...17 (9) Voorlopige of bewarende maatregelen...17 D. HET BELGISCH INTERNATIONAAL BEVOEGDHEIDSRECHT Voorafgaande opmerkingen...18 (1) De plaats van het WIPR in de hiërarchie der rechtsnormen...18 (2) Onderzoek van internationale bevoegdheid De criteria nationaliteit, woonplaats en gewone verblijfplaats De verschillende fora in het Belgisch recht...18 (1) Woonplaats of gewoonlijke verblijfplaats...18 (2) Nevenvestingen...18 (3) Prorogatie...18 Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 1

2 (4) Derogatie...19 (5) Vorderingen tot vrijwaring, tot tussenkomst en tegenvorderingen...19 (6) Samenhang...19 (7) Voorlopige en bewarende maatregelen en uitvoeringsmaatregelen...19 (8) Het noodforum Interne bevoegdheid Internationale aanhangigheid...20 E. DE INTERNATIONALE BETEKENING VAN STUKKEN EG- verordening 1393/ (1) Algemeen - toepassingsgebied Het Haags verdrag van Andere bepalingen Gemeen recht...21 F. EUROPEES UNIFORM PROCESRECHT De Europese betalingsbevelprocedure Procedure voor geringe vorderingen (small claims)...21 G. ANDERE ASPECTEN VAN PROCESRECHT Algemeen De toegang van vreemdelingen voor de Belgische rechter Bewijsvoering...22 (1) Het toepasselijke recht...22 (2) De Europese bewijsverordening Andere procesrechtelijke vragen DE ERKENNING EN UITVOERBAARVERKLARING VAN VREEMDE RECHTERLIJKE BESLISSINGEN EN AKTEN...22 A. DE RECHTSKRACHT VAN VREEMDE VONNISSEN EN AKTEN Algemeen De akte of beslissing als feit waaraan het recht gevolgen koppelt De bewijskracht van een buitenlandse akte of beslissing...23 (1) Uitwendige bewijskracht...23 (2) Inwendige bewijskracht Erkenning van een buitenlandse akte of beslissing...23 (1) Principe...23 (2) Voorwaarden...23 (3) Gevolgen De titel tot tenuitvoerlegging...24 B. HET EUROPESE RECHT VAN HET ERKENNEN EN UITVOERBAAR VERKLAREN VAN BESLISSINGEN EN AKTEN De Brussel I- Verordening...24 (1) Algemeen...24 (2) Gevolg van de erkenning de plano...24 (3) De uitvoerbaarheidverklaring De Brussel IIbis- Verordening De verordening tot invoering van een Europese executoriale titel...25 C. HET BELGISCH GEMEEN RECHT VAN HET ERKENNEN EN UITVOERBAAR VERKLAREN VAN BUITENLANDSE VONNISSEN EN AKTEN Inleiding De voorafgaande formaliteit van de legalisatie...25 (1) Algemeen...25 (2) Voorwerp...26 (3) Bevoegde ambtenaren De akte of beslissing als feit Het inroepen van de bewijskracht van een vreemd vonnis of akte De erkenning van rechterlijke beslissingen...26 (1) Principe...26 (2) De erkenning van rechtswege zonder procedure...26 Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 2

3 (3) De erkenning door een rechter...26 (4) Over te leggen documenten...27 (5) Gronden tot weigering...27 (6) Gevolgen...27 (7) Procedure De erkenning van authentieke akten...28 (1) Wijze van erkenning...28 (2) Voorwaarden Uitvoerbaarverklaring...28 (1) Voorwerp...28 (2) Voorwaarden De vermelding en overschrijving van buitenlandse rechterlijke beslissingen en authentieke akten inzake staat en bekwaamheid...28 (1) Algemeen...28 (2) Administratieve informatie- uitwisseling Specifieke gronden tot weigering CONFLICTENRECHT...29 A. DE ALGEMENE TECHNIEKEN VAN HET CONFLICTENRECHT Het aanwijzen van het toepasselijke recht...29 (1) Een verwijzingsregel of conflictenregel...29 Algemeen...29 Soorten en vindplaats...29 De opbouw van de verwijzingsregels en complexe verwijzingsregels...29 (2) De herverwijzing...30 (3) De verwijzing naar een niet- geünificeerd rechtsstel De federale clausule...30 (4) Kwalificatieconflicten...30 (5) De hiërarchie in de verwijzingsregels...31 (6) De intertemporele conflicten in het internationaal privaatrecht...31 (7) Het conflit mobile Het toepassen van vreemd recht...31 (1) Ambtshalve toepassing van de Belgische verwijzingsregel...31 (2) Ambtshalve toepassing van het vreemde recht...31 Algemeen...31 Kwalificaties binnen vreemd recht...32 (3) Cassatiecontrole...32 (4) Voorvragen Het afwijken van vreemd recht...32 (1) De exceptie van internationale openbare orde...32 Algemeen...32 Gevolg...33 Kenmerken...33 (2) Voorrangsregels (imperatief recht)...33 Algemeen...33 Buitenlandse voorrangsregels en autolimitatieve regelingen...33 Communautaire voorrangsregels...34 (3) De wetsontduiking...34 Algemeen...34 Sanctie...34 (4) De algemene uitwijkclausule...34 B. DE NATIONALITEIT Omschrijving Voor- en nadelen van de verwijzing naar de nationaliteit...35 (1) Algemeen...35 (2) Alternatief: de verwijzing naar de gewone woon- of verblijfplaats Het oude Belgische nationaliteitsrecht...35 (1) Algemeen...35 (2) Overgangsrecht Het nieuwe Belgische nationaliteitsrecht...36 (1) Algemeen...36 Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 3

4 (2) De toekenning door afstamming...36 (3) Toekenning door geboorte op het Belgisch grondgebied...36 (4) Het huwelijk en de Belgische nationaliteit...36 (5) De naturalisatie...37 (6) Verlies van de Belgische nationaliteit...37 (7) Herverkrijging...37 (8) De bestrijding van bipatriditeit Nationaliteitsconflicten- en betwistingen...38 (1) Negatieve conflicten...38 (2) Positieve conflicten...38 Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 4

5 1. Inleiding A. Probleemstelling en definitie 1 Algemeen In de huidige gemondialiseerde wereld bestaan landsgrenzen haast niet meer. Die internationalisering brengt automatisch meer internationale transacties en problemen met zich mee. Vaak hebben die aanknopingspunten in verschillende landen. Dat betekent dat niet elk land zomaar op alle rechtsvragen zijn eigen recht kan toepassen, en in de mate van het mogelijke moeten samenwerken. Het internationaal privaatrecht zoekt naar de regels die toelaten een privaatrechtelijk conflict op te lossen dat onstaat wanneer meerdere rechtsstelsels met elkaar in samenloop komen. Het IPR heeft dus een interterritoriale dimensie. Het IPR heeft ook een intertemporele dimensie. Omdat regels veranderen (en op verschillende tijdstippen veranderen in verschillende landen), stelt zich voortdurend de vraag hoe nieuw en oud recht zich verhouden. Maar ook het recht over die verhoudingen wijzigt, waardoor er overgangsrecht over overgangsrecht ontstaat. Het voorgaande zou de indruk kunnen wekken dat we met internationaalrechtelijke regels te maken hebben. Dat is echter slechts ten dele ware. Heel wat regels van internationaal privaatrecht zijn nog altijd nationaal geregeld. Elk land bepaalt zelf wanneer zijn recht toepasbaar is. 2 De relatie van het IPR met andere rechtstakken (1) Het privaatrecht Het IPR regelt het recht dat van toepassing is om privaatrechtelijke relaties. Het bepaalt welk recht er van toepassing is op de relaties tussen twee privé-personen, of op de overheid als die privaatrechtelijk optreedt (iure comercii). Dat neemt niet weg dat er heel wat imperatieve bepalingen zijn, bijvoorbeeld in het arbeidsrecht. (2) De rechtsvergelijking Er is een innige band tussen het IPR en de rechtsvergelijking. Immers, in een casus van IPR komt steeds vreemd recht te kijken. We moeten dus niet alleen dat recht vinden, maar het soms ook vergelijken, om zo te kijken welk land de gunstigste oplossing biedt. Het is steeds nodig een casus verschillende keren op te lossen, om zo het beste forum te kiezen (forum shopping). (3) Het volkenrecht Het volkenrecht is evenzeer belangrijk in het kader van het IPR. Veel IPR is geregeld in verdragen, en aldus rijst de vraag naar de werking en interpretatie daarvan. Ook het recht van internationale economische organisaties (zoals de WTO) heeft een invloed. Tot slot heeft eigenlijk het hele IPR te maken met de vragen naar de soevereiniteit van een bepaald land en de immuniteit van (bepaalde) inwoners van een land (denken we maar aan diplomatieke medewerkers). (4) Het grondwettelijk recht Het IPR raakt ook aan het grondwettelijk recht. Immers, het regelt in belangrijke mate de grenzen van de staatsmacht en bepaalt in welke mate overheidsambtenaren (zoals die van Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 5

6 de Burgerlijke stand) mogen optreden. Daarnaast regelt het de bevoegdheden van onze rechtbanken, bepaalt wie Belg is en wat de rechten van vreemdelingen zijn. Daarnaast valt er makkelijk een parallel te trekken tussen het internationaal conflictenrecht en het interfederaal conflictenrecht. Dat laatste is bijvoorbeeld sterk ontwikkeld in de VSA, waar het moet regelen welke van de 50 staten bevoegd is in het geval er meerdere aanknopingspunten zijn. Ook in België stelt zich steeds meer de vraag naar de regels die van toepassing zijn op conflicten met aanknopingspunten in verschillende gewesten of gemeenschappen. Als een Vlaming in Wallonië werkt, welke regels zijn dan van toepassing? Wat als twee gemeenschappen hun regels willen toepassen? Er is immers geen hiërarchie van normen. Alle normen van de verschillende deelstaten (en de federale overheid) zijn gelijkwaardig. In België bestaat evenwel geen interfederaal conflictenrecht. In tegenstelling tot het Hof van Cassatie gaat het Grondwettelijk Hof er immers van uit dat er nooit een conflict tussen twee regels van verschillende federale entiteiten kan zijn. Aangezien elke regelgever slechts kan normeren binnen het hem toegewezen territorium (gewest/taalgebied), zou elke uitbreiding daarvan een bevoegdheidsconflict uitmaken, dat dan door het Grondwettelijk Hof als arbiter wordt opgelost. Toch is die visie misschien te beperkt. Het IPR heeft in belangrijke mate een modus vivend tussen de verschillende landen tot stand gebracht. Wellicht kunnen daaruit lessen getrokken worden, en kan een voorbeeld genomen worden aan de VSA. Een voorbeeld van de doorwerking van die problematiek in het privaatrecht betreft de problematiek rond de wetten betreffende het taalgebruik in sociale zaken. Het Vlaamse Taaldecreet bepaalde dat het van toepassing was op relaties van werknemers met een werkgever die in het Vlaamse taalgebied een exploitatiezetel hebben of er mensen te werk stellen. Het Franstalige decreet ging nog verder en verklaarde zich bindend voor werkgevers die ofwel domicilie, hun maatschappelijke zetel, exploitatiezetel of maatschappelijke zetel in het Franse taalgebied hebben, of zelfs gewoon Franstalig personeel tewerkstellen. Het Arbitragehof oordeelde dat deze decreten hun territoriale boekje te buiten gingen en vernietigde alle criteria behalve de exploitatiezetel. B. Bronnen 1 Algemeen Het IPR is omvangrijk. Er zijn ontelbare bronnen die een rol kunnen spelen. Dat was vroeger nog erger. Voor de invoering van het Wetboek van Internationaal Privaatrecht was er geen overzichtelijke geheel van de Belgische regelgeving, die verspreid stond in allerlei wetten en bovendien steunde op veel jurisprudentieel werk. Die veelheid van bronen doet onmiddellijk nieuwe interpretatievragen rijzen. Er stelt zich niet alleen vraag naar de hiërarchie van rechtsbronnen, maar ook naar het toepassingsgebied van de verschillende bronnen. Zo zijn er verdragen met één land, met meerdere landen, met specifieke toepassingsgebieden, enz. Inzake de hiërarchie van rechtsbronnen gelden de klassieke regels. Verdragenrecht gaat voor op Belgisch recht (en het WIPR verwijst regelmatig naar de toepasselijke verdragen). Europees recht gaat voor op verdragenrecht, tenzij het de EG is die een verdrag heeft gesloten. 2 De Wet (1) Het WIPR De belangrijkste wet inzake IPR is het WIPR (BB p. 381). Het wetboek trad in werking op 1 oktober 2004, waardoor er nog heel wat overgangsvragen rijzen (cf. art. 127 WIPR en Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 6

7 infra). Het wetboek was een consolidatie van de toenmalige stand van het recht. Het systematiseert het IPR, wat tot een belangrijke vereenvoudiging ervan geleid heeft. Bij de interpretatie van het WIPR is de Memorie van Toelichting (BB. P. 398) uitermate belangrijk. (2) Andere wetgeving Niet alle bepalingen van IPR zijn in het wetboek beland. Zo is de internationale adoptie nog altijd in het BW geregeld. Daarnaast bevatten heel wat wetten bepalingen van IPR die specifiek op die wetgeving van toepassing zijn (zoals het geval is bij de wetgeving over auteursrecht of concessies. Ook de deelstaten mengen zich steeds meer in het IPR. 3 Europese regelgeving De EU-wetgeving, zoals die tot uiting komt in de richtlijnen en verordeningen, is uiterst belangrijk geworden. Zowel op het vlak van bevoegdheid en exequatur heeft Europa ingrijpend opgetreden. Het was ook de inspirator van belangrijk conflictenrecht, bijvoorbeeld op het vlak van verzekeringen of consumententransacties. Het verdrag van Lissabon zal dat nog versterken, aangezien er een extra bevoegdheidsoverdracht is. Europa treedt in de eerste plaats op via verordeningen. Art. 61 en 65 EG laten de EG toe maatregelen te nemen op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke en op het gebied van samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen, voor zover dat (voor art. 65 EG) vereist is voor de goede werking van de interne markt. Volgens sommige auteurs is het IPR per definitie grensoverschrijdend en nodig voor een goede werking van de interne markt, en stellen zich hier dus weinig problemen. Europa kan dus het IPR makkelijk mee vorm geven om zo de gekende vier vrijheden te realiseren. Immers, als er twee regelingen op één situatie van toepassing zijn, belemmert dat de interne markt. De regelen die de interne markt regelen hebben dus ook een impact IPR. Zo moeten lidstaten bijvoorbeeld regelingen van andere lidstaten respecteren en mogen ze slechts redelijke eisen stellen. Bovendien treedt Europa steeds meer op als het orgaan dat internationale verdragen sluit, eerder dan de lidstaten. Zo heeft het EHJ zich opgeworpen als hoogste interpretator van het Lugano-verdrag (zie verder). Bij dat alles moet de EG in principe het subsidiariteitsprincipe respecteren, maar dat is door de praktijk uitgehold. 4 Verdragen Er blijven heel wat (vooral extra-europese) verdragen met een impact op het IPR. Er verdragen over bijna alle aspecten van het IPR. 5 Rechtspraak Door de invoering van het WIPR verloor de rechtspraak even wat aan belang, maar de gediversifieerde IPR-praktijk heeft ondertussen alweer nieuwe vragen doen rijzen. De rechtspraak is dan ook volop bezig met de interpretatie van het WIPR. Ook inzake de temporele toepassing van het wetboek rijzen heel wat vragen waar de rechtspraak een antwoord op zoekt. 6 Rechtsleer In de chaos van voor het WIPR was de rechtsleer de enige houvast. Dat is door de invoering van het wetboek even minder zo geweest, maar zoals voor de rechtspraak evolueert de Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 7

8 praktijk enorm snel en maakt dat er nood is aan rechtsgeleerde commentaar om nieuwe ontwikkelingen te duiden en te systematiseren. C. Overzicht Deze cursus omvat voornamelijk drie onderdelen: 1. Het recht inzake internationale bevoegdheid. Dit zijn de regels die bepalen wanneer de Belgische rechters bevoegd zijn voor een geschil met een grensoverschrijdende dimensie. 2. Het conflictenrecht. Dit is het recht dat bepaald welk materieel recht van toepassing is op bepaald geschil. Soms kunnen conflictrechtelijke regels met elkaar in conflict komen. In dat geval zijn er collisieregels, die bepalen wat welke regel in zo n geval primeert. 3. Het exequaturrecht. Deze regels bepalen in welke mate Belgische overheden akten mogen opstellen in grensoverschrijdende zaken en in welke mate buitenlandse akten in ons land rechtsgevolgen teweeg kunnen brengen. Het is belangrijk in stappen te redeneren. Eerst en vooral stelt zich de vraag naar bevoegde rechter. Dat is een vraag die losstaat van het toepasselijke recht. Zo kan het zijn dat de Belgische rechter bevoegd is, maar Nederlands recht zal moeten toepassen. We moeten dus het IPR van de bevoegde rechter toepassen om te kijken welk materieel recht van toepassing is. Toch is die tweedeling niet absoluut. Zoals we zullen zien verwijst het bevoegdheidsrecht soms naar het materiële recht, waardoor opnieuw conflictrechtelijke vragen rijzen. Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 8

9 2. Het internationaal privaatrechtelijk procesrecht A. Probleemstelling 1 De problemen van internationale processsen Procederen over de grenzen heen brengt heel wat problemen met zich mee. In de eerste plaats zijn er de kosten die de afstand met zich meebrengt. Er is het probleem van de taal. Daarnaast is er ook steeds een onzekerheid, niet alleen over de uitkomst, maar ook over de vraag of de dwanguitvoering wel zal slagen. Soms kan er ook geprocedeerd worden in meerdere landen (fora). De vraag rijst dan welk land het meest geschikt is. Daarbij spelen procesrechtelijke en materieelrechtelijke elementen mee. Een van de moeilijkheden in het IPR is dus de keuze van een goed forum (forum shopping). Soms heeft dit tot gevolg dat er twee parallelle processen lopen. Dat resulteert soms in een race om als eerste een vonnis te krijgen en dat in het andere land te laten erkennen. 2 Een alternatief: arbitrage (1) Algemeen Een alternatief voor een internationale procedure is een beroep op arbitrage. Daarbij komen de partijen overeen dat ze hun geschil zullen voorleggen aan één of meer arbiters. Arbitrage kan zowel gebeuren door beroep te doen op een instelling, met eigen reglementen ( institutionele arbitrage ) of door ad hoc een arbiter aan te wijzen. Daarbij komen de partijen zelf overeen hoe de procedure zal verlopen. Het voordeel van arbitrage is dat het snel en confidentieel is. De kostprijs kan soms wel hoog uitvallen. (2) Basisbeginselen De partijautonomie is het fundament van de procedure. De partijen bepalen bijvoorbeeld wie arbiter is, welk recht van toepassing is en waarover de arbiter zich mag uitspreken. De arbiter mag zich dan ook uitspreken over zijn eigen bevoegdheid als de partijen dat uitdrukkelijk overeenkomen. Over de vraag of de rechter dan nog daarover mag oordelen bestaat wat discussie. De arbitrageovereenkomst is autoom. De ongeldigheid van het hoofdcontract heeft geen weerslag op het arbitragegeding, zelfs al is het arbitragebeding opgenomen in het hoofdcontract. Dat is alleen niet zo als het bestaan van de arbitrageovereenkomst onzeker is. Een arbitrale uitspraak heeft gezag van gewijsde als ze niet in strijd is met de openbare orde, en als een aantal essentiële principes zoals de rechten van de verdediging zijn gerespecteerd. Er is in principe geen verschil tussen nationale en internationale arbitrage. Beide genieten in beginsel dezelfde erkenning, wat vragen van IPR doet rijzen. Toch worden de Belgische beginselen van openbare orde minder streng toegepast in internationale gevallen. Daarnaast zijn er ook Europese regels over grensoverschrijdende arbitrage (BB p. 366). B. Procederen voor de overheidsrechter: overzicht (zie slide 12 les 3) Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 9

10 C. Het Europees internationaal bevoegdheidsrecht 1 Historisch overzicht Een belangrijk stuk van het internationaal procesrecht is Europees geregeld. Oorspronkelijk was deze materie geregeld in het EEX-verdrag (1968) (BB p. 65), dat van toepassing was in burgerlijke en handelszaken. Het bevatte voorschriften inzake de internationale bevoegdheidsverdeling en de erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen. Het EHJ was na 1971 bevoegd om het verdrag uit te leggen. In 1988 werd een gelijkaardig verdrag gesloten met de EFTA-landen, het EVEX-verdrag (ook wel het verdrag van Lugano genoemd) (BB p. 122). Door de uitbreiding van de Unie werd dit verdrag steeds minder belangrijk en geldt nog slechts voor Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein, in hun relaties met EG-landen en in hun onderlinge relaties. In 2000 werd het EEX-verdrag vervolgens omgevormd tot een Europese verordening, de Brussel I-verordening. Het EEXverdrag was enkel nog belangrijk voor Denemarken, maar ook dat land valt via een verdrag (BB p. 159) sinds 2007 onder de toepassing van de Brussel I-verordening. Ook het EVEX-verdrag wordt vernieuwd (BB p. 162). In wat volgt wordt enkel de Brussel I-verordening besproken. 2 Het toepassingsgebied van de Europese regeling inzake bevoegdheid en tenuitvoerlegging (1) Ratione temporis Art. 66 jo. 76 bepaalt dat de Brussel I-verordening van toepassing is op vorderingen die ingesteld zijn na 1 maart Voor lidstaten die toetraden in 2004 en 2007 geldt de datum van toetreding. Voor Denemarken geldt 1 juli 2007 als datum. Ook de hiërarchie is belangrijk. De toepassing van de Brussel I-verordening heeft voorrang op de toepassing van het verdrag met Denemarken (art. 68) en op de toepassing van het EVEX-verdrag (art. 64 e.v. EVEX 2007). (2) Ratione materiae Art. 1 (1) bepaalt dat de verordening van toepassing is in burgerlijke en handelszaken. Dit begrip heeft een autonome Europese betekenis. Het moet dus niet uitgelegd worden aan de hand van het recht van de lidstaten, maar wel volgens de doelen en de systematiek van de verordening en volgens de algemene beginselen die de rechtssystemen van de lidstaten gemeen hebben. Art. 1 (1) en (2) sluiten een aantal zaken uit, die buiten de bevoegdheid van de EG vallen, of geregeld worden in andere verdragen of verordeningen. (3) Ratione personae De Brussel I-Vo. is principieel toepasbaar zodra de verweerder zijn woonplaats in een lidstaat heeft, ongeacht zijn nationaliteit (art. 2). Wat de woonplaats is, wordt anders bepaald voor natuurlijke en rechtspersonen. Voor natuurlijke rechtspersonen moet aan de hand van het interne recht van het forum nagegaan worden of aldaar een woonplaats is (art. 59 (1)), zo niet moet de rechter hetzelfde procédé toepassen op andere lidstaten om te kijken of daar een woonplaats is. Dat geldt pas als de rechter concludeert dat de verweerder geen woonplaats heeft in het forum.voor rechtspersonen geldt dat hun woonplaats is op de plaats waar de rechtspersoon zijn statutaire zetel, hoofdbestuur of hoofdvestiging heeft (art. 60 (1)). Als die zich in verschillende lidstaten bevinden, dan heeft de eiser de keuze. Art. 4 (1) verduidelijkt dat principe. Als de verordening principieel toepasbaar is zodra de verweerder zijn woonplaats in een lidstaat heeft, is hij a contrario niet van toepassing als Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 10

11 de verweerder geen woonplaats in een lidstaat heeft. Het gemeen recht van de lidstaten is van toepassing. Dat gemeen recht mag EU-onderdanen niet discrimineren op basis van nationaliteit (art. 4 (2)). Het toepassingsgebied van de verordening wordt wel uitgebreid door art. 22 (cf. supra), dat ook geldt als geen van beide verweerders een woonplaats in een lidstaat heeft. Ook art. 23 voorziet in een uitzondering. Als één van beide partijen zijn woonplaats in een lidstaat heeft, dan kunnen de partijen een overeenkomst sluiten over welk gerecht bevoegd zal zijn. Dit gerecht is exclusief bevoegd, als het tenminste gaat om een gerecht van een van de lidstaten. 3 De interpretatie van de verordening en de verdragen Het Europees Hof van Justitie is exclusief bevoegd om de Brussel I-verordening te interpreteren. De hoogste gerechtelijke instanties op nationaal niveau zijn dan ook verplicht een prejudiciële vraag te stellen als ze geconfronteerd worden met een interpretatievraag betreffende de verordening. Ook de Raad, de Commissie en de in lidstaten kunnen vragen stellen aan het Hof. Wat het verdrag met Denemarken betreft, geldt ongeveer hetzelfde. Art. 2 van het verdrag van 19 oktober 2005 maakt de Brussel I-Vo. van toepassing, en omdat er gestreefd wordt naar een zo uniform mogelijke toepassing, is de rechtspraak van het Hof hier ook van belang. Het EVEX-verdrag kent geen formeel interpretatiemechanisme, maar voorziet wel in de uitwisseling van informatie (zie protocol 2). 4 De verschillende fora in de Brussel I-Vo. (1) De exclusieve fora (art ) ALGEMEEN Art. 22 en 23 bevatten bepalingen die een bepaald forum exclusief bevoegd maken. Als deze bepalingen van toepassing zijn is het met andere woorden niet nodig om de andere bevoegdheidsgronden te onderzoeken. Als er twee exclusieve rechtbanken zijn, moet de tweede rechter die wordt aangesproken de zaak verwijzen naar de eerste rechtbank (art. 29). ART. 22 Art. 22 bevat een limitatieve lijst van dwingende bevoegdheidsgronden. De bewoordingen bij uitsluiting moeten uitermate ruim geïnterpreteerd worden en sluiten elk ander artikel uit, inclusief art. 23. De rest van het artikel moet evenwel restrictief geïnterpreteerd worden. Bovendien moet de rechter ambtshalve onderzoeken of art. 22 van toepassing is (art. 25). Art. 22 omvat: Betwistingen inzake zakelijke rechten op onroerende goederen (art. 22 (1), eerste zin). Het gaat dus logischerwijze om zakenrechtelijke rechtsvorderingen, en niet om allerlei persoonlijke rechtsvorderingen. Bevoegd is het forum waar het onroerend goed gelegen is. Betwistingen inzake huur-verhuur en pacht van onroerende goederen (art. 22 (1)). Bevoegd is het forum waar het onroerend goed gelegen is. Dat geldt niet voor vorderingen die slechts zijdelings verband houden met het gebruik van het gehuurde, zoals een vordering omdat het vakantieplezier misgelopen is. Ook gemengde overeenkomsten vallen niet onder deze bepaling. Een voorbeeld is een reis waarbij de reisorganisator een goed verhuurt, maar ook bijvoorbeeld het vervoer regelt. Tot slot zijn voor huurovereenkomsten van minder dan zes maanden tussen onderdanen van dezelfde lidstaat ook de gerechten van die lidstaat bevoegd. Betwistingen over de geldigheid en ontbinding van vennootschappen (art. 22 (3)). De gerechten van de plaats van vestiging zijn bevoegd. Om te bepalen wat de Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 11

12 plaats van vestiging is moet het recht van het forum worden toegepast, en niet art. 60. Enkele andere bevoegdheidsgronden, inzake o betwistingen betreffende inschrijvingen in openbare registers (3). De rechters van de plaats waar de registers zijn gelegen zijn bevoegd. o betwistingen betreffende de registratie van intellectuele eigendomsrechten (4). De gerechten van de plaats waar de registratie wordt verzocht zijn bevoegd. o de tenuitvoerlegging van beslissingen. De gerechten van de plaats waar uitvoering wordt verzocht zijn bevoegd. ART. 23 De vrije keuze van de partijen speelt een belangrijke rol in de Brussel I-Vo. Als minstens één partij zijn woonplaats in een lidstaat heeft en de partijen een rechter van een lidstaat aanwijzen (progoreren), dan is die rechter in beginsel exclusief bevoegd, tenzij de partijen anders zouden overeenkomen (art. 23 (1)). Zelfs al het gaat om twee personen zonder woonplaats binnen de EU, is de aangewezen rechter exclusief bevoegd tot hij zich onbevoegd heeft verklaard op basis van zijn nationale recht (art. 23 (3)). Art. 23 is daarentegen niet van toepassing als de partijen een bepaalde rechter uitsluiten (derogeren). Een dergelijke clausule zal moeten beoordeeld worden op basis van het nationaal recht. Art. 23 stelt enkele simpele vormvereisten (art. 23 (1)-(2)). Die mogen niet aangevuld worden met voorwaarden uit het nationale recht, zoals taalvoorwaarden. Het beding kan één van de volgende vormen aannemen: Schriftelijk, of mondeling met schriftelijke bevestiging. Er zijn geen verdere vereisten. Het moet slechts duidelijk worden dat de partijen overeenkomst hebben bereikt, en dat aan de hand van de omstandigheden kan duidelijk worden over welk het geval het gaat. Statuten of ondertekende bestelbons zijn aanvaardbaar. Niet aanvaardbaar zijn niet-ondertekende bestelbons of voorwaarden die de andere partij niet kreeg, maar die slechts ergens gedeponeerd waren. Ook een elektronische mededeling volstaat, als de overeenkomst daarmee duurzaam geregistreerd wordt (art. 23 (2)). Mondeling met een schriftelijke bevestiging. De mondelinge overeenkomst moet bewezen worden, bijvoorbeeld door een latere erkenning. Een louter mondelinge overeenkomst volstaat evenwel niet. Het volstaat evenwel dat één partij een bevestiging stuurt naar de andere partij en dat die daartegen, na ontvangst, geen bezwaar maakt. Een mondelinge verwijzing naar algemene condities volstaat dus evenmin. Een vorm die toegelaten wordt door de handelswijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden. Een dergelijke handelswijze ontstaat bijvoorbeeld wanneer er herhaaldelijke handelsbetrekkingen plaatsvonden en er herhaaldelijk niet geprotesteerd werd tegen clausules in algemene voorwaarden. Eenmaal de gebruikelijke handelswijze is ontstaan is geen geschrift meer vereist. Een vorm die gebruikelijk is in de internationale handel en waarvan de partijen op de hoogte waren of hadden moeten zijn. Het gaat om handelsgewoontes uit een bepaalde sector van de internationale handel. In dat geval ontstaat een vermoeden van akkoord. Een beding ten gunste van derden is bindend. Indien in het nadeel van rechts-verkrijger: dan beslist het recht dat toepasselijk is op de overgang van de rechten enplichten of deze overgingen op de derde-verkrijger (cognossementen) (2) Het geaccepteerde forum: art. 24 Art. 24 voorziet dat als de verweerder berust in de dagvaarding, door te verschijnen voor de rechter, dan is die rechter toch bevoegd, tenzij de bedoeling van de partij was om de Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 12

13 bevoegdheid te betwisten, of tenzij er op deze manier een exclusieve bevoegdheid op basis van art. 22 wordt ontweken. (3) De woonplaats van de verweerder als algemene bevoegdheidsgrond PRINCIPE Het principiële aanknopingspunt in de Brussel I-Vo. het forum rei, de woonplaats van de gedaagde (art. 2). Slechts een uitzonderlijk nauwe band met een ander forum of een andere bepaling in de verordening kunnen de toepassing van deze bepaling uitsluiten, die immers van dwingend recht is. De verweerder met woonplaats in een lidstaat geniet bijkomende bescherming op basis van art. 3. Zij kunnen niet aangesproken worden op basis van het nationale recht van een lidstaat (wat logisch is gezien de voorrang van het Europees recht). Op dit principe bestaan drie uitzonderingen: De toepassing van art. 22. De toepassing van art. 23. Een aantal woonplaatsficties, met name inzake verzekerden (art. 9 (2)), consumenten (art. 15 (2)) en werknemers (art. 18 (2)). WOONPLAATS? Meteen stelt zich de vraag wat die woonplaats dan wel is. Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen natuurlijke personen en rechtspersonen. Voor natuurlijke personen (art. 59) geldt dat er moet gekeken worden naar de lex fori om te kijken of de verweerder in die lidstaat een woonplaats heeft (art. 59 (1)). Als dat niet het geval is, kijkt de rechter of er volgens het recht van andere lidstaten een woonplaats te vinden is (art. 59 (2)). Als meerdere woonplaatsen zijn kan de eiser dus in verschillende plaatsen dagvaarden en primeert de lex fori. Rechtspersonen (art. 60) worden geacht hun woonplaats te hebben op de plaats van hun statutaire zetel, ofwel van hun hoofdbestuur, ofwel van hun hoofdvestiging. Bevinden die zich in verschillende lidstaten, dan heeft de eiser de keuze. HET FORUM VAN DE MEDEVERWEERDER Als er meerdere verweerders zijn die allen hun woonplaats in een lidstaat hebben, kunnen ze allemaal in één van die lidstaten worden gedaagd (art. 6 (1)). Er is dan wel vereist dat er samenhang is tussen de verschillende zaken. (4) Alternatieve ora wegens een nauwe band tussen het geschil en een andere lidstaat OVEREENKOMSTEN Voor geschillen inzake overeenkomsten wordt aan de eiser een bijkomend forum geboden (art. 5 (1)): het forum executionis. Art. 5 (1) omvat twee delen: (b) bepaalt dat inzake koop-verkoop het forum de plaats van levering is (of de plaats waar had moeten geleverd zijn), terwijl voor diensten het forum de plaats is waar de dienst verstrekt is of had moeten verstrekt zijn. Alle andere verbintenissen vallen volgens (c) onder (a). (b) is niet van dwingend recht, en de partijen kunnen ervan afwijken. (a) bepaalt dat inzake overeenkomsten het forum de plaats is waar de verbintenis uitgevoerd is of had moeten uitgevoerd worden. Art. 5 (1), b) geeft aanleiding tot heel wat interpretatieproblemen. Zo moet aan de plaats van levering/uitvoering een autonome interpretatie worden gegeven, maar is het nog altijd niet duidelijk wat die plaats dan wel zou zijn. Het Hof van Justitie lijkt aan te geven dat het gaat om een feitenkwestie, maar dat is een slechte oplossing. Erauw stelt voor om voorlopig de conflictrechtelijke methode toe te passen (zie hieronder). Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 13

14 Ook over Art. 5 (1), a) bestaat heel wat rechtspraak. De precieze bewoordingen zijn uitermate belangrijk. In de eerste plaats gaat het om de plaats waar de verbintenis uitgevoerd is of had moeten uitgevoerd worden. Er moet dus gekeken worden welke specifieke verbintenis aan de vordering ten grondslag ligt. De plaats moet dan voor elk van die verbintenissen worden bepaald, wat in de praktijk tot gevolg kan hebben dat er voor één overeenkomst meerdere fora zijn. Het Hof van Justitie is evenwel bijzonder strikt. Slechts nevenvorderingen, die accessoir zijn bij een hoofdvordering, kunnen voor de rechter gebracht worden die bevoegd is voor de hoofdvordering. Om te betalen wat de plaats is moet eerst en vooral gekeken worden naar wat de partijen bepaald hebben. Is niets (geldig) bepaald, dan kijkt de rechter naar zijn eigen nationale recht (conflictrechtelijke methode). Moet de verbintenis op verschillende plaatsen worden uitgevoerd, dan heeft de eiser de keuze. Belangrijk is ook dat art. 5 (1) niet louter de lidstaat aanduidt, maar de specifieke rechter die bevoegd is. ONDERHOUDSVORDERINGEN Normaal wordt een forum actoris van de hand gewezen, maar om maatschappelijke redenen wordt daar voor onderhoudsvorderingen van afgeweken (art. 5 (2)). Er is bovendien, naast het normale forum rei, ook een forum connexitatis. De rechter die bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen betreffende de staat van personen mag ook kennis nemen van de onderhoudsvorderingen, tenzij de staat louter met de nationaliteit zou te maken hebben. Het begrip onderhoudsvorderingen wordt autonoom uitgelegd, en is uitermate breed. Zelfs een eigendomsoverdracht bestemd om in het onderhoud van een ex-echtgenote te zien valt eronder. Overheden kunnen daarentegen geen beroep doen op art. 5 (2) als ze onderhoudsgelden wil terugvorderen. Een recente verordening (2008) brengt vanaf 2011 een aantal vernieuwingen. ONRECHTMATIGE DAAD Geschillen betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad kunnen ook voor het forum delicti commissi gebracht worden het forum van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Ook preventieve maatregelen vallen daaronder. Het begrip verbintenis uit onrechtmatige daad wordt autonoom geïnterpreteerd en omvat elke aansprakelijkheid die geen verband houdt met een verbintenis uit overeenkomst. Daaronder vallen quasi-contracten niet. Ook over de frase de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan bestaat interpretatieve rechtspraak. Met het begrip wordt zowel de plaats bedoeld waar de schadeverwekkende handeling wordt gesteld (de locus acti) als de plaats waar de schade zich heeft gemanifesteerd (de locus damni). De locus damni moet wel strikt worden geïnterpreteerd. Het gaat om de plaats waar de initiële schade zich voordeed. Als er schade is in meerdere lidstaten, dan zijn er ook meerdere fora. Voor beledigingen via de pers of via andere media (zoals internet) zou dat een massa fora kunnen opleveren. Slechts in het forum rei kan over de volledige schade uitspraak worden gedaan. Rechters van andere lidstaten kunnen zich slechts uitspreken over de vergoeding voor de schade die in hun lidstaat is veroorzaakt. Een bijzonder geval is dat waarin er een strafzaak aanhangig is bij een bepaalde rechter. In dat geval kan die zich ook uitspreken over de burgerlijke vordering (art. 5 (4)). FILIALEN EN KANTOREN Rechtspersonen met een vestiging in een andere lidstaat dan die waar ze hun woonplaats hebben, kunnen ook in die lidstaat worden gedaagd voor geschillen die de exploitatie van die vestiging betreffen (art. 5 (5)). Het begrip vestiging heeft een autonome betekenis: het gaat om een materiële inrichting; een duurzame vestiging, waar handelingen in vertegenwoordiging gesteld worden tegenover derden. Agentuur valt bijvoorbeeld niet onder deze definitie, omdat er in dat geval te veel zelfstandigheid is. Het mag ook niet gaan om een afzonderlijke rechtspersoon, tenzij de schijn wordt gewekt dat het niet om Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 14

15 een zelfstandige inrichting gaat. Tot slot moet opgemerkt worden dat het weldegelijk de rechtspersoon is die gedaagd worden. (5) Fora ter bescherming van zwakkere partijen ALGEMEEN In een aantal gevallen voorziet de verordening in een aantal bijzondere regels die bepaalde zwakkere partijen moeten beschermen. Deze regels zitten vervat in afzonderlijke afdelingen, zodat ze de toepassing van de rest van de verordening uitsluiten, met uitzondering van art. 4, art. 5 (5) en art. 24 (art. 8, 15 en 18). VERZEKERINGSGESCHILLEN Art beschermen de verzekerde, de verzekeringsnemer, de begunstigde of de schadelijder. Ze beschermen de verzekeraar niet, en zijn a fortiori niet van toepassing in geschillen tussen beroepsverzekeraars. Drie hypotheses zijn denkbaar: De verzekerde daagt de verzekeraar. De verzekeraar kan gedaagd worden: o In zijn woonplaats (art. 9 (1), a), alsook op de plaats waar een filiaal tussenkwam (art. 5 (5)). o In een andere lidstaat: de woonplaats van de eiser, als het gaat om de verzekeringnemer, de verzekerde of een begunstigde (art. 9 (1), b) o In een andere lidstaat: de gerechten waar de vordering tegen de eerste verzekeraar is ingesteld, als het gaat om een medeverzekeraar. o Op de locus damni, als het gaat om een aansprakelijkheidsverzekering of om onroerende goederen of goederen die samen met een onroerend goed zijn verzekerd. o Op de plaats waar een geschil tegen de verzekerde bezig is, als de lex fori, een tussenkomst in vrijwaring toelaat (art. 11 (1)). De getroffene daagt de verzekeraar. Dezelfde regels gelden als voor de verzekerde (art. 11 (2)). De verzekeringsnemer of verzekerde kunnen voor hetzelfde gerecht in tussenkomst worden gedaagd, als het nationale recht dat toelaat (art. 11 (3)). De verzekeraar daagt een cliënt. De verzekeraar kan dagen: o Voor de gerechten van de woonplaats van verweerder (art. 12 (1)). o Voor het gerecht waar hij gedaagd is, als hij een tegenvordering instelt (art. 12 (2)). De partijen kunnen contractueel afwijken, maar dan moet aan een reeks voorwaarden voldaan zijn (art. 13). CONSUMENTENGESCHILLEN Een consument is een persoon die overeenkomsten sluit voor een gebruik dat niet als bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd. De verordening voorziet in een afwijkende regeling, die daarom ook eng moet worden geïnterpreteerd. Het gaat om gevallen waarin een zwakkere partij betrokken is. Als er geen economisch evenwicht is (wat in concreto wordt bekeken), vinden de bepalingen geen toepassing. Ook interpreteert het EHJ deze bepaling zo dat het moet gaan transacties die uitsluitend voor nietprofessionele doelstellingen gesteld worden, tenzij de professionele kant van de transactie maar marginaal is. Ook moet het weldegelijk gaan om een geschil over een overeenkomst. Art. 15 verfijnt het toepassingsgebied verder. De bescherming is van toepassing bij alle koopovereenkomsten van roerende goederen die op afbetaling gebeuren (art. 15 (1), a). Ook geschillen over de leningen en kredietovereenkomsten die met zo n verkoop gepaard gaan vallen onder deze afdeling (art. 15 (1), b). Voor andere overeenkomsten is er bescherming als de consument passief is en door de verkoper wordt aangezocht in de lidstaat van de consument. Dat omvat ook alle overeenkomsten over onroerende goederen. Twee hypotheses zijn denkbaar: De consument wil de andere partij dagvaarden. Hij kan dat: Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 15

16 o In zijn eigen woonplaats (forum actoris), of in de woonplaats van de verweerder (art. 16 (1)). o Op de plaats waar de andere partij een vestiging heeft, als die geen woonplaats in een lidstaat heeft (art. 15 (2)). De consument wordt gedaagd. Dat kan: o Voor de gerechten van de woonplaats van de consument (art. 16 (2)). o Voor het gerecht waar de consument een vordering instelde tegen de andere partij, als het gaat om een tegenvordering (art. 16 (3)). De mogelijkheid om per overeenkomst van deze regels af te wijken is uitermate beperkt (art. 17), opnieuw om de zwakkere partij te beschermen. ARBEIDSGESCHILLEN Art beschermen de werknemers. Twee hypotheses zijn denkbaar: De werkgever stelt een vordering in. Hij kan dat: o Voor het gerecht van de lidstaat waar de werkgever zijn woonplaats heeft (art. 19 (1)). Als er geen woonplaats is binnen een lidstaat, kan de werkgever gedaagd worden in de plaats waar hij een vestiging heeft die een band heeft met geschil (art. 18 (2)). o Op de (laatste) plaats van gewoonlijke tewerkstelling (art. 19 (2), a). Dit is een feitenkwestie. Het is de lidstaat waar de werknemer het grootste deel van zijn verplichtingen vervult. o Indien die plaats niet kan vastgesteld worden omdat er tewerkstelling is in verschillende lidstaten, dan op de plaats waar de vestiging die de werknemer heeft aangenomen zich bevindt. De werknemer stelt een vordering in. Hij kan dat: o In het forum rei (art. 20 (1)). o Voor het gerecht waar een zaak tegen hem aanhangig is, als het gaat om een tegenvordering (art. 20 (2)). Bevoegdheidsovereenkomsten zijn mogelijk maar moeten gesloten zijn na het geschil, of aan de werknemer meerdere mogelijkheden geven (art. 21). (6) Nevengeschikte fora MEDEVERWEERDERS Indien er meerdere verweerders zijn, kunnen zij voor het gerecht worden gedaagd van de woonplaats van één van hen (art. 6 (1)). Dat geldt enkel als de eerste verweerder zijn woonplaats in een lidstaat heeft. Het moet ook gaan om de woonplaats van een verweerder: als er bijvoorbeeld een forum executionis is, dan zal art. 6 (1) niet kunnen ingeroepen worden. Tot slot moet er samenhang tussen de verschillende vorderingen. Er moet een grond zijn om andere verweerders voor hetzelfde gerecht te dagen, met name dat de goede rechtsbedeling vereist dat verschillende samenhangende vorderingen samen behandeld worden, zodat er geen tegenstrijdige beslissingen kunnen zijn. VORDERING TOT TUSSENKOMST OF VRIJWARING Een derde persoon met woonplaats in een lidstaat kan door een procespartij geroepen worden in tussenkomst of vrijwaring voor de rechter van een lidstaat waar een procedure aanhangig is (art. 6 (2)). Deze bepaling doet geen afbreuk aan de exclusieve bevoegdheden ex art. 22 en 23 en mag niet gebruikt worden met als enige doel een derde voor een andere rechter dan zijn natuurlijke rechter te dagen. Er kunnen dan ook geen bijkomende vorderingen tegenover die derde worden ingeleid voor de rechter voor wie de derde in tussenkomst moet verschijnen. TEGENVORDERINGEN De verweerder met woonplaats in een lidstaat gedaagd is voor een rechter uit een lidstaat, kan een tegenvordering instellen voor diezelfde rechter (art. 6 (3)). Vereist is wel dat de tegeneis voortspruit uit de overeenkomst of uit het rechtsfeit waarop de oorspronkelijke Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 16

17 vordering gegrond is. Deze bepaling doet geen afbreuk aan art en aan de autonome afdelingen (consument, ). (7) Samenhang en connexiteit In principe voorziet de verordening niet in een forum voor samenhangende zaken. Vorderingen kunnen maar voor hetzelfde forum worden gebracht als dat forum voor elk van die vorderingen bevoegd is. Op dat principe bestaan een aantal uitzonderingen. Een eerste uitzondering bestaat in het kader van onderhoudsvorderingen (cf. supra) Een tweede uitzondering is voorzien in art. 6.4, dat handelt over het geval waarin er samenhang is tussen een zakelijke vordering betreffende een onroerend en een contractuele vordering, bijvoorbeeld omdat er een hypotheek gevestigd is. In dat geval is er onder voorwaarden een forum connexitatis causarum: dit is de plaats waar het goed gelegen is. De samenhangende vorderingen moeten wel tegelijkertijd, door dezelfde eiser en tegen dezelfde verweerder worden ingesteld. Art. 6.4 doet ook geen afbreuk aan een forumbeding in de zin van art. 23. Art. 28 voorziet in enkele procedureregels die dit opvangen. Dit is geen bevoegdheidsgrond! Art. 28 (1) verduidelijkt dat als samenhangende vorderingen voor rechters in verschillende lidstaten worden gebracht, de laatst aangesproken rechter de zaak kan aanhouden. Als beide vorderingen in eerste aanleg zijn, kan die rechter de zaak ook verwijzen op vraag van één van de partijen, maar slechts op voorwaarde dat de eerst aangesproken rechter bevoegd is en zijn nationale recht samenvoeging toelaat. Art. 28 (3) verduidelijkt wel dat die procedureregels slechts mogen gebruikt worden als de nauwe band tussen twee vorderingen een gelijktijdige behandeling vraagt of als er een gevaar is voor onverenigbare uitspraken. (8) Aanhangigheid Soms is er tussen twee partijen eenzelfde zaak aanhangig voor dezelfde rechter, en hebben die vorderingen hetzelfde voorwerp (het doel) en dezelfde oorzaak (dezelfde feiten en rechtsregels). In dat geval moet de tweede rechter de zaak ambtshalve aanhouden. Zodra de bevoegdheid van de eerste rechter vaststaat, moet de tweede rechter zich ambtshalve onbevoegd verklaren (art. 27). Het is uiteraard niet vereist dat beide partijen op beide processen fysiek aanwezig zouden zijn. Dit is een uitwerking van het principe lis alibi pendens: de forumkeuze is vrij, maar zodra een rechter gekozen is kan daar niet meer van worden afgeweken. (9) Voorlopige of bewarende maatregelen De rechter van het krachtens de Brussel I-Vo. bevoegde forum is ook bevoegd om voorlopige en bewarende maatregelen te nemen. Op dat principe biedt art. 31 een uitzondering voor de gevallen waarin het noodzakelijk is om in een specifieke lidstaat snel maatregelen te verkrijgen. De eiser kan in alle lidstaten voorlopige maatregelen vragen. Welke maatregelen mogelijk zijn hangt af van het nationale recht. Het EHJ stelt wel twee voorwaarden aan de toepassing van art. 31. Ten eerste moet er een band bestaan tussen de rechter en de gevraagde maatregel. Er moet met andere woorden een band bestaan tussen het forum en het voorwerp van de vordering. Ten tweede moet de rechter verzekeren dat zijn maatregelen een voorlopig karakter hebben. Die voorwaarden gelden zoals gezegd niet als de aangesproken rechter al gevat is op basis van een andere bevoegdheidsgrond, zoals die vermeld zijn in art Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 17

18 D. Het Belgisch internationaal bevoegdheidsrecht 1 Voorafgaande opmerkingen (1) De plaats van het WIPR in de hiërarchie der rechtsnormen Art. 2 WIPR herhaalt de normale hiërarchie der rechtsnormen. Dit is een aanwijzing voor de IPR-beoefenaar: er moet steeds rekening gehouden worden met het Europees recht en de internationale verdragen. Pas als er geen internationale of supranationale norm is, moet het WIPR worden toegepast (bv. in erfeniskwesties). (2) Onderzoek van internationale bevoegdheid De Belgische rechter onderzoekt zijn internationale bevoegdheid ambtshalve (art. 12 WIPR). Wel moet er rekening worden gehouden met het feit dat een vrijwillige verschijning tot bevoegdheid kan leiden (cf. infra), waardoor een exceptie van onbevoegdheid soms toch in limine litis moet worden opgeworpen. 2 De criteria nationaliteit, woonplaats en gewone verblijfplaats Art. 3 WIPR definieert wat verstaan moet worden onder nationaliteit, en hoe nationaliteitsconflicten moeten geworden opgelost. De nationaliteit is echter niet zo belangrijk in het kader van de bevoegdheid. Belangrijker is art. 4, dat definieert wat een woonplaats en een gewone verblijfplaats zijn: Natuurlijke personen hebben hun woonplaats op de plaats die in de bevolkingsregisters (en vreemdelingenregisters/wachtregisters) wordt aangeduid als hoofdverblijf, en hun gewone verblijfplaats op een plaats waar ze zich hoofdzakelijk gevestigd hebben, wat blijkt uit een duurzame band met de die plaats. Rechtspersonen hebben hun woonplaats op hun statutaire zetel, en hun voornaamste verblijfplaats op de plaats waar ze hun voornaamste vestiging hebben, wat onder meer bepaald wordt door rekening te houden met de locatie van het bestuurscentrum. 3 De verschillende fora in het Belgisch recht (1) Woonplaats of gewoonlijke verblijfplaats Behoudens andere regels zijn de Belgische rechters bevoegd als de verweerder zijn woonplaats of gewone verblijfplaats in België heeft (art. 5, 1, 1 WIPR). Als er meerdere verweerder zijn, volstaat het dat één van de verweerders zijn woonplaats of gewone verblijfplaats in België heeft (art. 5, 1, 2 WIPR)., tenzij de eiser de bedoeling had de medeverweerder van zijn natuurlijke rechter te onttrekken. (2) Nevenvestingen Rechtspersonen kunnen ook in België gedaagd worden voor geschillen die de exploitatie van een in België gelegen vestiging betreffen (art. 5, 2 WIPR). (3) Prorogatie Het is mogelijk dat de partijen de Belgische rechter bevoegd maken via een forumbeding. Art. 6, 1, lid 1 WIPR stelt een aantal voorwaarden. Als aan deze voorwaarden is voldaan, Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 18

19 is de Belgische rechter exclusief bevoegd. Ook de stilzwijgende forumkeuze (ook door vrijwillige verschijning) wordt aanvaard (art. 6, 1, lid 2 WIPR), tenzij de verschijning tot doel heeft de bevoegdheid te betwisten. Toch is een forumkeuze niet absoluut. De rechter kan zich op basis van art. 6, 2 WIPR onbevoegd verklaren als er geen enkele betekenisvolle band met België is (forum non conveniens). Dat zal echter uitzonderlijk zijn. Het volstaat bijvoorbeeld al dat een partij in België verblijft of dat Belgisch recht moet toegepast worden om de toepassing van art. 6, 2 WIPR uit te sluiten. (4) Derogatie Omgekeerd is ook mogelijk de Belgische rechtbanken onbevoegd te verklaren (art. 7 WIPR). Als die derogatieclausule rechtsgeldig is, moet de Belgische rechter zijn uitspraak uitstellen, tenzij voorzien kan worden dat de buitenlandse uitspraak in België niet zal kunnen uitgevoerd worden. (5) Vorderingen tot vrijwaring, tot tussenkomst en tegenvorderingen De Belgische rechters zijn bevoegd om vorderingen tot vrijwaring of tussenkomst te behandelen, als deze niet tot bedoeling hebben de gedaagde aan zijn natuurlijke rechter te onttrekken (art. 8, 1 WIPR). Ze zijn evenzeer bevoegd voor tegenvorderingen, als die voortvloeien uit een feit of handeling waarop de hoofdvordering waarvoor ze bevoegd zijn gegrond is (art. 8, 2 WIPR). (6) Samenhang In tegenstelling tot de Brussel I-Vo. erkent het Belgisch recht samenhang wel als een afzonderlijke bevoegdheidsgrond (art. 9 WIPR). De Belgische rechters zijn bevoegd als het wenselijk is twee nauw verbonden vorderingen samen te behandelen om tegenstrijdige beslissingen te voorkomen. (7) Voorlopige en bewarende maatregelen en uitvoeringsmaatregelen Ongeacht of de Belgische rechters bevoegd zijn voor de hoofdvordering, kunnen ze wel aangesproken worden voor voorlopige en bewarende maatregelen en uitvoeringsmaatregelen, tenminste als de maatregelen personen of goederen betreffen die zich in België bevinden (art. 10 WIPR). (8) Het noodforum Om rechtsweigering te vermijden voorziet art. 11 WIPR in een noodforum. De Belgische rechters zijn sowieso bevoegd wanneer de zaak nauwe banden heeft met België én het voor de rechtszoekende onmogelijk of onredelijk zou zijn om in het buitenland te procederen, bijvoorbeeld omdat dat absurd duur zou zijn of omdat een eerlijk proces niet kan gegarandeerd worden. 4 Interne bevoegdheid Soms wijzen de internationalebevoegheidsregels geen specifieke rechter aan, maar bepalen louter dat de Belgische rechters bevoegd zijn. In dat geval voorziet er art. 13 WIPR in een cascadeoplossing om de interne bevoegdheid te bepalen. In de eerste plaats moet gebruikgemaakt worden van het Gerechtelijk Wetboek. Voorziet dat niet in een oplossing, dan moet het WIPR worden toegepast. Is er nog altijd geen rechter bevoegd, dan zijn de rechters van het arrondissement Brussel bevoegd. Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 19

20 5 Internationale aanhangigheid Als de rechter merkt dat de voorliggende zaak ook aanhangig is voor een buitenlandse rechter, dan kan hij zich onbevoegd verklaren (art. 14 WIPR). Vereist is wel dat het gaat om een identieke vordering (zelfde partijen, zelfde voorwerp, zelfde oorzaak) en dat de rechter verwacht dat het buitenlandse vonnis in België zal kunnen uitgevoerd worden. Het is niet duidelijk wanneer een zaak aanhangig is. Bij gebrek aan een bepaling lijkt het erop dat dit moet beoordeeld worden naar Belgisch recht, al zou het wellicht meer opportuun zijn art. 30 Brussel I-Vo. toe te passen. E. De internationale betekening van stukken 1 EG-verordening 1393/2007 (1) Algemeen - toepassingsgebied Vanaf 13 november 2008 is voor betekening binnen de EG een nieuwe verordening van kracht (BB. P. 360). Deze verordening regelt de betekening in burgerlijke en handelszaken (art. 1). Naast traditionele methoden van betekening (art ) voorziet deze verordening dat elke staat aanduidt welke instellingen als ontvangende en verzendende instantie functioneren (art. 2). Daarnaast moet er een centrale instantie, die een coördineerde functie heeft. Wie wil betekenen in een andere lidstaat bezorgt zijn betekening aan de verzendende instantie, die het doorzendt naar de ontvangende instantie van de lidstaat, die binnen de maand zorgt voor de betekening. De verordening schrijft enkele formulieren voor die gebruikt moeten worden. De gebruikte taal is die van de ontvangende lidstaat, of een taal door die lidstaat aanvaard wordt. De akte zelf moet opgesteld zijn in een taal die de ontvanger begrijpt, zo niet kan hij weigeren of het stuk terugzenden (art. 8). Regularisatie is dan wel mogelijk. Art. 19 voorziet een regeling voor het geval de verweerder verstek laat. De rechter moet dan nagaan of de verweerder tijdig kennis heeft genomen van de dagvaarding, en zo niet, of de betekening rechtsgeldig en is gebeurd (lege fori). Zo niet houdt hij de beslissing aan, maar kan wel voorlopige en bewarende maatregelen treffen als de spoedeisendheid van de zaak dat vereist. Is er toch een veroordeling bij verstek, dan kan de rechter onder voorwaarden toelaten om toch rechtsmiddelen aan te wenden buiten de normale termijn. Art. 19 (2) voorziet dat landen kunnen afwijken, en ook een verstekvonnis kunnen toelaten op een drietal voorwaarden. Onder andere België voorziet daarin. 2 Het Haags verdrag van 1965 Het Haags verdrag (BB p. 58) trad in werking op 18 januari Het is nog steeds relevant voor betekeningen buiten Europa. Het mechanisme is ongeveer hetzelfde als binnen de EU. Naast een aantal gewone manieren van betekenen (art. 8-10) gebeurt de betekening via centrale autoriteiten, die lege fori betekenen als het adres gekend is. De eiser moet gebruikmaken van een bepaald formulier. Art voorzien in een regeling die gelijkaardig is aan die van art. 19 van de EGverordening 1393/ Andere bepalingen Artikel IV van protocol 1 bij EVEX voorziet dat, naast de regelingen in andere verdragen, een gerechtsdeurwaarder bepaalde stukken rechtstreeks naar een deurwaarder van het ontvangende land kan zenden. Deze regeling enkel nog relevant voor betekening in Denemarken (art. 20 EG-verordening 1393/2007). Daarnaast zijn er nog enkele beperkte bilaterale verdragen. Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 20

21 4 Gemeen recht Als de verweerder geen bekende woonplaats in België heeft, wordt de het gerechtsdeurwaardersexploot of de gerechtsbrief vervangen door een aangetekende brief (art. 40 en 46 Ger. W.). Voor vennootschappen kan worden betekend op een filiaal, op de maatschappelijke zetel of op hun bedrijfszetel (art. 42 Ger. W.). Heeft de verweerder noch in België noch in het buitenland een bekende woonplaats, dan gebeurt de betekening aan de procureur des Konings. Er moet aan herinnerd worden dat een betekening steeds mag gebeuren aan de verweerder in persoon, mocht die toevallig opgespoord worden. F. Europees uniform procesrecht 1 De Europese betalingsbevelprocedure Europa probeert de noodzaak aan exequaturrecht zo veel mogelijk te beperken. Vonnissen zouden zo veel mogelijk bindend moeten zijn in heel Europa. Dat kan door een Europese procedure. Eén van de procedures is de Europese betalingsbevelprocedure. Deze verordening (BB p. 327) moest een oplossing bieden voor het feit dat veel niet-betwiste vorderingen zeer moeilijk en traag konden worden ingewonnen. De betalingsbevelprocedure is facultatief en bestaat naast de bestaande nationale procedures (art. 1 (2)). Vereist is wel dat het gaat om een becijferde en opeisbare geldsom (art. 4) van een grensoverschrijdende aard, die door de schuldenaar niet betwist wordt tijdens de procedure (art. 1 (1), a). De eiser zoekt de rechter (die bevoegd is volgens de Brussel I-Vo.) aan door middel van een standaardformulier. De rechter doet slechts een marginale controle van de vordering en geeft, als er geen betwisting is, een executoriale titel. Het vonnis is dus meteen in heel Europa uitvoerbaar. 2 Procedure voor geringe vorderingen (small claims) Sinds 1 januari 2009 is er een tweede Europese procedure, die ingevoerd werd door de small claims -Vo. (BB p. 333). Ook deze procedure is facultatief (art. 1 (1)) en leidt tot een executoriale titel. Toch gaat het niet om een vergelijkbare procedure. Hier gaat over het verkrijgen van een beslissing. Bovendien is de procedure tegensprekelijk. De verordening kan slechts gebruikt worden als het hoofdbedrag van de vordering een waarde heeft van niet meer dan 2000 euro (art. 2 (1)). Het moet gaan om een grensoverschrijdende vordering in burgerlijke en handelszaken (art. 1 (1)). Toch zijn er een hele reeks uitsluitingen (art. 1 (2)). De procedure steunt op drie kenmerken: De procedure is tegensprekelijk. De partijen krijgen één kans om schriftelijk (art. 5 (1)) hun standpunten uiteen te zetten. Er wordt gebruikgemaakt van standaardformulieren. De procedure heeft een strak tijdschema, omdat ze snel moet afgelopen zijn. Er is echter geen duidelijke sanctie. Het nationaal procesrecht heeft een belangrijke aanvullende rol. De verordening is soms vaag, en dan bepaalt het nationale recht bijvoorbeeld of er een hoger beroep mogelijk is. G. Andere aspecten van procesrecht 1 Algemeen Het proces zelf verloopt grotendeels lege fori. Toch is niet alles Belgisch: Europa is tussengekomen op het vlak van bewijsvoering en voorziet in twee autonome procedures. Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 21

22 2 De toegang van vreemdelingen voor de Belgische rechter Vreemdelingen hebben principieel dezelfde rechten als Belgen om zich tot de Belgische rechter te wenden. Ze moeten daartoe wel bekwaam zijn volgens hun lex patriae. Wel kan van een vreemde eiser in limine litis een borgstelling (cautio iudicatum solvi) gevraagd worden door de verweerder (art Ger. W.). Dat moet verzekeren dat de verweerder de gerechtskosten kan terugvorderen. Dat is evenwel enkel mogelijk voor niet- EU-onderdanen. Omgekeerd hebben EU-onderdanen wel het recht om een borgstelling te eisen. 3 Bewijsvoering (1) Het toepasselijke recht Ook de bewijsvoering wordt geregeld door de lex fori. Dat geldt niet voor de bewijskracht van akten, die in principe wordt beoordeeld volgens de lex loci actus. Ook wettelijke vermoedens met betrekking tot de rechten van de partijen (verdeling van de bewijslast) worden niet geregeld door de lex fori, maar wel door de lex causae, het recht dat aan de vordering ten grondslag ligt. (2) De Europese bewijsverordening Rechters kunnen rogatoire opdrachten geven. Dit zijn opdrachten aan een gerechtelijke overheid om een bepaalde onderzoeksdaad te verrichten. De internationale kant daarvan wordt bepaald door enkele verdragen, en de Europese kant door de Bewijsverordening van 2001 (BB p. 269). Deze verordening is van toepassing in burgerlijke en handelszaken wanneer een bevoegd gerecht een ander gerecht verzoekt een handeling tot het verkrijgen van bewijs te stellen, of toelating vraagt om de handeling tot verkrijging van bewijs zelf te mogen stellen (art. 1 (1)). Het is belangrijk te herhalen dat deze verordening primeert op verdragen tussen Europese landen. De regeling lijkt op die voor de betekening van stukken. Elk land stelt een centraal orgaan in dat een coördinerende functie heeft (art. 3). Aanvragen worden evenwel rechtstreeks naar het gewenste gerecht gezonden, behoudens in uitzonderlijke omstandigheden (art. 2) Binnen de 90 dagen moet aan het verzoek gevolg zijn gegeven (art. 10 (1)), tenzij er een weigeringsgrond aanwezig. Die zijn echter zeer beperkt. Het onderzoek zelf gebeurt volgens nationaal recht (art. 10 (2)). 4 Andere procesrechtelijke vragen De lex fori geldt ook voor andere aspecten van procesrecht zoals de rechtspleging, de proceskosten en de taal van het proces. Ook de rechtsbijstand wordt door het Gerechtelijk Wetboek geregeld: bepaalde vreemdelingen kunnen ook een beroep doen op rechtsbijstand (art. 668 Ger. W.). 3. De erkenning en uitvoerbaarverklaring van vreemde rechterlijke beslissingen en akten A. De rechtskracht van vreemde vonnissen en akten 1 Algemeen Art WIPR regelen de rechtskracht van buitenlandse akten en vonnissen. Daarin bestaan verschillende gradaties. Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 22

23 2 De akte of beslissing als feit waaraan het recht gevolgen koppelt Soms kan het louter bestaan van een akte of vonnis een rechtsfeit zijn waaraan gevolgen worden gekoppeld, bijvoorbeeld omdat er een vonnis is dat een eiser reeds een schadevergoeding heeft toegekend. Daaraan zijn geen voorwaarden gekoppeld (art. 29 WIPR). 3 De bewijskracht van een buitenlandse akte of beslissing (1) Uitwendige bewijskracht Wanneer een buitenlandse akte of beslissing als bewijsstuk wordt aangevoerd, moet in de eerste plaats worden onderzocht of de akte of beslissing authentiek is (art. 22 WIPR). Er moet met andere woorden onderzocht worden of de akte of beslissing werkelijk uitgaat van de vreemde overheid. Ze moet dus voldoen aan alle voorwaarden van het land van het herkomst en gelegaliseerd zijn (art. 28 en 30 WIPR). De legalisatie is een procedure waarbij overheden in beide landen een controle uitoefenen. Die formaliteit werd in allerlei internationale normen gemilderd of afgeschaft. (2) Inwendige bewijskracht De inwendige bewijskracht van een akte of beslissing houdt in dat de akte als bewijs geldt voor alles wat de rechter of ambtenaar propriis sensibus heeft waargenomen (art WIPR), en slechts in die mate dat die feiten in het land van herkomst ook voor bewezen zouden gehouden worden. Enkel een gebrekkige uitwendige bewijskracht of de internationale openbare orde kunnen daar afbreuk aan doen. Er moet benadrukt worden dat niet elke feitelijke vaststelling wordt geacht bewezen te zijn. Er moet een eigen inbreng van de rechter of ambtenaar zijn geweest. Tot slot moet erop gewezen worden dat tegenbewijs met alle middelen mogelijk is (art. 26, 2 en 28, 2 WIPR). 4 Erkenning van een buitenlandse akte of beslissing (1) Principe De erkenning is de aanvaarding dat een bepaald buitenlands vonnis (art. 22, 3, 1 WIPR) of een bepaalde buitenlandse akte bindende kracht heeft in België. Bindende kracht (art. 22, 3, 2 WIPR) houdt in dat de gevolgen van de akte of van het vonnis door iedereen moeten aanvaard worden (materiële rechtskracht). Dat is iets anders dan de exceptie van gewijsde. (2) Voorwaarden Inzake vreemde akten stelt art. 27 WIPR dat de akte in België erkenbaar is als aan alle voorwaarden van het bevoegde forum is voldaan. Er is dus eerst een conflictrechtelijk onderzoek vereist. Daarnaast controleert de rechter marginaal of de internationale openbare orde niet in het gedrang komt en of er geen wetsontduiking is. Inzake vonnissen stelt art. 25 WIPR een aantal vereisten. Als aan die voorwaarden voldaan is, heeft het vonnis automatisch materiële rechtskracht (art. 22, 1, lid 2 WIPR). Er is geen rechterlijke tussenkomst vereist. Wel controleert iedereen die met het vonnis geconfronteerd wordt of aan de voorwaarden van art. 25 WIPR voldaan is. (3) Gevolgen Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 23

24 De erkenning heeft een positief en een negatief gevolg. Het positieve gevolg is dat het vonnis kracht of gezag van gewijsde krijgt. Het negatieve gevolg hangt daarmee samen: een erkenning sluit een nieuwe gerechtelijke procedure over hetzelfde voorwerp uit. 5 De titel tot tenuitvoerlegging Een vreemd vonnis is op zich geen titel tot tenuitvoerlegging. Een Belgische rechter moet het vonnis eerst uitvoerbaar verklaren volgens de lex fori. Daarbij kijkt hij of iets zich verzet tegen de gedwongen uitvoering van het vreemde vonnis. Nadat hij de uitvoerbaarheid verkregen heeft, kan de eiser zich tot de uitvoerende instantie wenden om zijn vonnis te laten uitvoeren. B. Het Europese recht van het erkennen en uitvoerbaar verklaren van beslissingen en akten 1 De Brussel I-Verordening (1) Algemeen De Brussel I-Vo. voorziet in een regeling voor de erkenning van beslissingen : elke beslissing gegeven door een gerecht (art. 32). De Brussel I-Vo. heeft het dus niet over authentieke akten. De erkenning daarvan valt onder het conflictenrecht. Er is een da plano erkenning: er is geen enkele vorm van proces vereist (art. 33 (1)) en er is geen onderzoek te gronde. Er worden slechts door iedereen die met het vonnis geconfronteerd wordt een aantal formele criteria getoetst (art. 34 en 35 (1)). Zo mag het vonnis niet kennelijk in strijd zijn met de internationale openbare orde en kan er nooit erkenning zijn als de exclusieve en bijzondere bevoegdheidsgronden werden miskend. Er is geen vordering mogelijk om de erkenning te laten weigeren, aangezien de toetsing niet door een rechter gebeurt. Wel is het mogelijk om een vordering tot erkenning in te stellen als een beslissing niet erkend zou worden (art. 33 (2)). Die vordering wordt in België voor de rechtbank van eerste aanleg gebracht, waarbij de plaats wordt bepaald door het Belgisch gemeen recht of door art. 22 (5), dat bepaalt dat de rechter van de gewone verblijfplaats van de verweerder exclusief bevoegd is voor tenuitvoerlegging van beslissingen. Als een vraag van erkenning opgeworpen als tussenvordering, is de rechter voor wie de zaak aanhangig is bevoegd (art. 33 (3)). De erkenning wordt behandeld volgens het gemeen recht. Tot slot moet opgemerkt worden dat de rechter de zaak kan aanhouden als tegen het vonnis waarvan de erkenning wordt gevraagd, een hoger rechtsmiddel is aangewend (art. 37 (1). (2) Gevolg van de erkenning de plano De erkenning levert een titel op, waardoor de schuldenaar genoodzaakt is om uit te voeren. Een rechter kan het vonnis ook aanwenden om schuldvergelijking toe te passen. Daarnaast heeft de erkenning tot gevolg dat een tweede proces met hetzelfde voorwerp in principe niet mogelijk is. Toch is nog geen dwanguitvoering mogelijk: daarvoor moet er een uitvoerbaarheidverklaring zijn. (3) De uitvoerbaarheidverklaring Het proces voor de uitvoerbaarheidverklaring verloopt lege fori wat betreft de gestelde vereisten. De verordening heeft uitdrukkelijk de bedoeling te voorzien in een snelle procedure. Daarom is de procedure in eerste instantie eenzijdig (art. 41). De rechter zal Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 24

25 op vraag van de iedere belanghebbende (art. 38 (1)) louter controleren of aan de formele vereisten van art is voldaan. Als dat het geval is, moet de eiser de beslissing aan de andere partij betekenen. Daarna begint een termijn voor beroep te lopen (art. 43 (5)), waarna de beslissing in kracht van gewijsde gaat. Ook een gedeeltelijke tenuitvoerlegging is mogelijk. Beide partijen kunnen desgevallend een rechtsmiddel aanwenden (art. 43 (1)). Daarna zal de zaak wel op tegenspraak behandeld worden en zal de rechter nagaan of aan de criteria van art. 34 en 35 (1) voldaan is (art. 45 (1)). De rechter mag evenwel nooit de juistheid van de vreemde beslissing onderzoeken (art. 45 (2)). 2 De Brussel IIbis-Verordening De Brussel IIbis-Vo. (BB p. 299) regelt problemen van erkenning en uitvoerbaarheidverklaring inzake de ontbinding van het huwelijk en ouderlijke zorg. Deze verordening wordt later besproken. 3 De verordening tot invoering van een Europese executoriale titel De EET-Vo. (BB p. 312) gaat verder dan de andere verordeningen. Ze is van toepassing op beslissingen en akten die verleden zijn sinds 21 januari 2005 (art. 26) en die betrekking hebben op burgerlijke en handelszaken (art. 2). De verordening schaft de noodzaak van een uitvoerbaarheidsverklaring af ten aanzien van niet-betwiste schuldvorderingen die in het land van oorsprong uitvoerbaar zijn verklaard (art. 3 (1) en 5). Het begrip nietbetwiste schuldvordering wordt evenwel strikt omschreven. Bovendien zijn er een aantal procedurele vereisten (art ), al is regularisatie mogelijk (art. 18). De schuldenaar te goeder trouw wordt beschermd als hij zich niet heeft kunnen verdedigen (art. 19). Vanuit Belgisch standpunt zijn er wat problemen, omdat de Belgische procedures niet aan de minimumvereisten van art voldoen. C. Het Belgisch gemeen recht van het erkennen en uitvoerbaar verklaren van buitenlandse vonnissen en akten 1 Inleiding Het WIPR bracht een verbetering in de exequaturrecht, dat tot dan uitermate onduidelijk was. Art. 126 WIPR regelt de werking in de tijd. Het WIPR is van toepassing op vonnissen en akten die dateren van 1 oktober 2004 of later. Als een oud vonnis onder het oude recht evenwel niet erkend zou worden, maar onder het nieuwe recht wel, dan is het nieuwe recht van toepassing. Art. 22, 3, 1 WIPR definieert een rechterlijke beslissing als elke beslissing die wordt gewezen door een instantie die rechtsmacht uitoefent. Dat is een brede definitie. Het begrip authentieke akte wordt niet gedefinieerd. In navolging van de Europese rechtspraak gaat het waarschijnlijk om akten die uitgaan van een door de overheid gemachtigde instantie, waarbij de authenticiteit zowel de handtekening als op de inhoud slaat. 2 De voorafgaande formaliteit van de legalisatie (1) Algemeen Een buitenlandse beslissing moet in beginsel gelegaliseerd worden alvorens iemand er zich op kan beroepen (art. 30, 1, lid 1 WIPR). Op die manier wordt de echtheid gecontroleerd. Dat principe is echter grotendeels uitgehold omdat talrijke internationale normen de legalisatie afschaffen. Dat is bijvoorbeeld gebeurd binnen de EU. Een andere belangrijke Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 25

26 internationale norm is het Apostilleverdrag (BB p. 54), dat de legalisatie vervangt door een eenvoudige procedure waarbij de staat van herkomst een apostille toevoegt (art. 4 Apostilleverdrag)). (2) Voorwerp Een buitenlands vonnis dat in het land van afkomst gelegaliseerd is, kan vervolgens ook in België worden gelegaliseerd. De legalisatie doet nietes meer dan de echtheid van de akte (handtekening, zegel ) onderzoeken. De legalisatie houdt geen enkele vorm van erkenning in. Ze betekent ook niet dat de inhoud als authentiek mag worden gezien. (3) Bevoegde ambtenaren Art. 30, 2 WIPR bepaalt dat de Belgische diplomatieke en consulaire ambtenaren bij uitsluiting bevoegd zijn. Heeft België geen afvaardiging in het betreffende land, dan gebeurt de legalisatie door de consul of diplomaat van een land dat de belangen van België daar waarneemt. Is ook dat niet mogelijk, dat is het Ministerie van Buitenlandse Zaken bevoegd. Dat is ook bevoegd om Belgische akten te legaliseren die in het buitenland de legalisatieprocedure zullen ondergaan (art. 45, 2, lid 2 BW). 3 De akte of beslissing als feit Elke buitenlandse beslissing of akte maakt op zich een rechtsfeit uit waarmee de rechter rekening kan houden (art. 29 WIPR), zonder dat de beslissing of akte moet erkend zijn. Dat is zeldzaam. 4 Het inroepen van de bewijskracht van een vreemd vonnis of akte Na legalisatie kunnen akten worden ingeroepen als bewijsmiddel. Vonnissen gelden tot bewijs van wat de rechter heeft vastgesteld, maar dan is wel vereist dat de beslissing voldoet aan alle voorwaarden die in het land van herkomst vereist zijn voor haar echtheid (art. 26, 1 WIPR). Voor akten geldt hetzelfde, maar moet ook aan de vormvoorwaarden van het WIPR voldaan zijn (art.28, 1 WIPR). Er moet dus eerst gekeken welk recht de vormvoorwaarden beheerst. Hier geldt het beginsel locus regit actum, maar daarop zijn uitzonderingen. Zo worden akten opgemaakt door consulaire medewerkers beheerst door het recht van hun zendstaat (auctor regit actum). Tegenbewijs kan met alle middelen van recht geleverd worden. Er geldt een exceptie van strijdigheid met de internationale openbare orde (art. 26, 1, lid 2 WIPR). 5 De erkenning van rechterlijke beslissingen (1) Principe In principe worden buitenlandse vonnissen in België de plano erkend als aan de voorwaarden voldaan is. Toch is ook een erkenning in rechte principieel mogelijk. De weigeringsgronden worden tot slot duidelijk omschreven. (2) De erkenning van rechtswege zonder procedure Elke overheid of ambtenaar (bv. notaris) controleert eigenhandig elke buitenlandse rechterlijke beslissing die aan hem voorgelegd wordt. Aan die beslissing om al dan niet te erkennen is uiteraard geen gezag van gewijsde gekoppeld. (3) De erkenning door een rechter Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 26

27 Wie onzeker is de erkenning of na weigering moet daarom een beroep doen op de rechter (art. 22, 2 WIPR). Dat kan door iedere belanghebbende. Aan de beslissing van de rechter komt uiteraard wel gezag van gewijsde toe. Een rechter kan zich ook over de erkenning uitspraken als incidentele vordering (art. 22, 1, lid 3 WIPR). (4) Over te leggen documenten Wie een rechterlijke beslissing wil laten erkennen moet de documenten bedoeld in art. 24 WIPR voorleggen: Een uitgifte van de beslissing zelf. Een document dat de beslissing in het land van oorsprong uitvoerbaar was en betekend of ter kennis gebracht werd. Bij een vonnis op verstek: een document waaruit blijkt dat het gedinginleidende stuk werd betekend of ter kennis gebracht. Ambtenaren kunnen niet erkennen zonder deze documenten, maar rechters hebben een marge. Ze kunnen termijnen toestaan, andere documenten aanvaarden of zelfs vrijstelling verlenen. (5) Gronden tot weigering De rechter of ambtenaar moet een aantal weigeringsgronden toetsen (art. 25, 1 WIPR). Dat mag evenwel nooit betekenen dat de buitenlandse beslissing herzien wordt (art. 25, 2 WIPR). De gronden zijn: Strijdigheid met de internationale openbare orde. Daarbij moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de band met de Belgische rechtsorde en de ernst van de veroorzaakte gevolgen. Het gaat dus om een feitenkwestie. Schending van de rechten van verdediging. De concrete procesrechtelijke regels zijn daarbij niet belang. De vraag is de fundamentele principes van o.m. art. 6 EVRM en van het Belgische procesrecht zijn nageleefd. Er is wetsontduiking. Dat is het geval als partijen een beslissing in het buitenland afdwingen met als enige bedoeling om te ontsnappen aan het recht wat het WIPR aanwijst. Dat zal eerder zeldzaam zijn. Er staat nog een gewoon rechtsmiddel open tegen de beslissing. Er kan dan wel voorlopige tenuitvoerlegging zijn (art. 23, 4 WIPR) Als er een Belgische beslissing was over hetzelfde geschil, of een buitenlandse beslissing die hier kan erkend worden. Als er voor het inleiden van de buitenlandse procedure al een procedure in België aanhangig was. De Belgische rechters exclusief bevoegd waren. De bevoegdheid van de buitenlandse rechter exorbitant was, met name door de loutere aanwezigheden van goederen of partijen, zonder rechtstreekse band met het geschil. Als er strijdigheid zou zijn met enkele bijzondere bevoegdheidsgronden. Als het gaat om de erkenning van een dwangsom. Daarvoor is een verbeurdverklaring vereist. (6) Gevolgen Door de erkenning krijgt het vonnis rechtskracht. Het is ook mogelijk dat de erkenning maar een gedeelte van het vonnis slaat. Dat is mogelijk als een goed afscheidbaar gedeelte van het vonnis onder een bepaalde weigeringsgrond valt. Het is ook mogelijk dat verschillende gedeeltes van een vonnis onder verschillende erkenningsregimes vallen. (7) Procedure Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 27

28 Art. 23 voorziet in een vereenvoudigde. De bevoegde rechter is de rechtbank van eerste aanleg, en in het kader van insolventieprocedures de rechtbank van koophandel. De territoriaal bevoegde rechter is die van de woon- of verblijfplaats van de verweerder, en bij gebreke daarvan van de plaats van uitvoering. Als dat niet mogelijk is de rechter van de woon- of verblijfplaats van de eiser bevoegd, en anders de rechter van het arrondissement Brussel. Het gaat om een korte procedure die wordt ingeleid via eenzijdig verzoekschrift. 6 De erkenning van authentieke akten (1) Wijze van erkenning Ook een akte wordt erkend zonder rechterlijke tussenkomst (art. 27, 1, lid 1 WIPR), na voorlegging van de documenten opgesomd in art. 24 WIPR. Na weigering staat beroep open bij de rechtbank van eerste aanleg (art. 27, 1, lid 4 WIPR jo. art. 23 WIPR) (2) Voorwaarden Er zijn vier voorwaarden waaraan de akte moet voldoen. Ten eerste moet ze voldoen aan de voorwaarden gesteld door het recht van de staat waar ze werd opgesteld (locus regit actum). Ten tweede moet de in de akte vervatte rechtshandeling voldoen aan de voorwaarden van het recht dat het WIPR aanwijst. Ook hier mag er bovendien geen sprake zijn van wetsontduiking, en mag de akte niet in strijd zijn met de openbare orde. 7 Uitvoerbaarverklaring (1) Voorwerp Een erkend vonnis kan daarom nog niet uitgevoerd worden. Er is eerst de tussenkomst van een rechter vereist. De procedure verloopt volgens art. 23 WIPR. (2) Voorwaarden Voor de uitvoerbaarverklaring is vereist dat de buitenlandse beslissing in het buitenland uitvoerbaar is (art. 22, 1, lid 1 WIPR, art. 24, 1, lid 3 WIPR en art. 27, 2 WIPR). Daarnaast moet aan de voorwaarden van art. 25 WIPR voldaan, met uitzondering van art. 25, 1, 4 WIPR (art. 22, 1, lid 4 WIPR en art en 2 WIPR). 8 De vermelding en overschrijving van buitenlandse rechterlijke beslissingen en authentieke akten inzake staat en bekwaamheid (1) Algemeen Art. 31 WIPR regelt de vermelding en overschrijving van vreemde vonnissen en akten in de registers van de burgerlijke stand, het wachtregister en het vreemdelingenregister. Het onderzoek gebeurt zoals de erkenning, wat niet verbaast, aangezien de vermelding en de overschrijving daar min of meer het equivalent van is. Art. 31 verwijst naar art. 24, 25 en 27 WIPR. Beroep staat open bij de rechtbank van eerste aanleg. (2) Administratieve informatie-uitwisseling Voor de ambtenaren is deze beoordeling niet eenvoudig. Daarom voorziet de wet in een aantal maatregelen die hen moeten bijstaan. De Koning kan richtlijnen uitvaardigen. De ambtenaar kan daarnaast advies inwinnen bij het Openbaar Ministerie. Dat doet evenwel niets aan het feit dat de erkenning de plano gebeurt. Een eerdere erkenning/afwijking is Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 28

29 niet bindend voor latere ambtenaren. Toch is een uniforme toepassing belangrijk, waardoor het nuttig lijkt dat de Koning richtlijnen uitvaardigt. Daarnaast voorziet de wet in de mogelijkheid voor de Koning om een databank aan te leggen, wat evenwel nog niet gebeurd is. Voor Belgen gaat de wet nog wat verder. Art. 48 BW bepaalt dat Belgen het recht hebben om buitenlandse akten en vonnissen te laten vermelden of overschrijven. Daarnaast hebben Belgen de mogelijkheid om hun buitenlandse akten of vonnissen neer te leggen bij de FOD Buitenlandse Zaken. Die voert een controle uit, kan afschriften verlenen en doet mededelingen aan de burgerlijke stand. Toch impliceert de neerlegging geen erkenning. 9 Specifieke gronden tot weigering Art. 39 (naam), 57 (verstoting), 72 (vreemde adopties), 95 (intellectuele eigendomsrechten), 115 (rechtspersoonlijkheid) en 121 (insolventie) WIPR vullen de weigeringsgronden van art. 25 WIPR aan. Deze worden besproken bij de betreffende hoofdstukken over conflictenrecht. 4. Conflictenrecht A. De algemene technieken van het conflictenrecht 1 Het aanwijzen van het toepasselijke recht (1) Een verwijzingsregel of conflictenregel ALGEMEEN Bij een verwijzingsregel wordt een bepaalde rechtsvraag op basis van een aanknopingspunt ondergebracht bij een bepaalde lex. Er is heel wat inkt gevloeid over de vraag wat voor welke materies het relevante aanknopingspunt was. Tegenwoordig bepaalt de wet dat. Een verwijzingsregel is in beginsel blind. Ze gaan niet op voorhand na welk materiaal recht van toepassing is. Dat principe is evenwel wat uitgehold. Technieken als de exceptie van openbare orde of de kwalificatie geven de rechter wat speelruimte. Daarnaast hebben bepaalde verwijzingsregels (bijvoorbeeld in consumentenzaken) weldegelijk een materiële inslag. SOORTEN EN VINDPLAATS Verwijzingsregels zijn terug te vinden in verdragen, Europese regelgeving, het WIPR en maar tegenwoordig veel minder in de rechtspraak. De praktijk wijst uit dat een rechter meestal het eigen recht zal moeten toepassen, omdat de bevoegdheid vaak al op gelijkaardige aanknopingspunten gebaseerd. Er zijn twee soorten verwijzingsregels. Unilaterale verwijzingsregels verwijzen naar het eigen recht (en dus naar zijn ruimtelijk werking), terwijl multilaterale verwijzingsregels op abstracte wijze een bepaald rechtstelsel aanwijzen. DE OPBOUW VAN DE VERWIJZINGSREGELS EN COMPLEXE VERWIJZINGSREGELS Een verwijzingsregel omvat drie aspecten: De te beoordelen feitelijke situatie of rechtsverhouding Het bindingselement met een bepaald land: de doorslaggevende aanknopingsfactor Het materiële voorwerp van de conflictenregels: de regels die de conflictenregel op de feitelijke situatie van toepassing maakt. Daardoor heeft de wetgever wat speelruimte. Hij kan dat ook door gebruik te maken van complexe verwijzingsregels: Cumulatieve aanknoping betekent dat aan regels van twee rechtstelsels moet voldaan zijn. Dat betekent dat er minder geldige rechtshandelingen zullen zijn. Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 29

30 Distributieve verwijzing betekent dat op verschillende aspecten van een rechtsverhouding worden verschillende rechtsstelsels toegepast. Bij alternatieve verwijzingsregels zijn er in volgorde verschillende rechtsstelsels van toepassing, en wordt het rechtsstelsel toegepast dat tot validatie leidt. Bij facultatieve verwijzingsregels kan de geldigheid van het recht uit één van meerdere toepasselijke regels worden afgeleid. Verwijzingsladders komen voor als er verschillende hypotheses mogelijk zijn. Dan wordt de ladder afgegaan tot één van de aangegeven hypotheses zich voordoet. De wil van de partijen speelt ook een grote rol. Partijen kunnen vaak een rechtskeuze doen. Vaak laat ook een objectieve verwijzingsregel hen de mogelijkheid om een aanknoping met een bepaald land te kiezen. (2) De herverwijzing De vraag stelt zich of we bij een verwijzing naar het vreemd recht ook het vreemde internationale privaatrecht in rekening moeten nemen. Dat zou evenwel kunnen impliceren dat het vreemde IPR terug naar België verwijst, of naar een derde land. Toch zijn er argumenten pro te bedenken. Immers, als een bepaald rechtsstelsel zich niet wil toepassen op een bepaald geschil, waarom zou België dat dan wel moeten doen. Tussen verschillende landen bestaan heel wat verschillen. België aanvaardt de renvoi principieel niet meer sinds de invoering van het WIPR. Het WIPR wil de rechtspraktizijnen niet verplichten om vreemd IPR op te zoeken, en gaat ervan uit dat de regels in het WIPR voldoende verfijnd zijn opgesteld om de renvoi te schrappen. Er zijn evenwel uitzonderingen inzake de bekwaam (art. 34 WIPR), erfenissen met betrekking onroerende goederen (art. 78, 2 WIPR) en de geldigheid van rechtspersonen (art. 110, lid 2 WIPR). (3) De verwijzing naar een niet-geünificeerd rechtsstel De federale clausule Soms zijn binnen eenzelfde staat verschillende privaatrechtelijke systemen van toepassing. In dat geval moeten we het interne conflictenrecht van die staat volgen om te kijken wel rechtsstelsel van toepassing is (art. 17 WIPR). Een uitzondering is het geval waarin het Belgisch IPR een territoriaal criterium hanteert. In dat geval beschouwen de kleinere (territoriale) entiteit alsof ze een land was en rechtstreeks aangewezen werd. Is er geen enkele sturing, dan moeten we kijken naar de nauwste binding. (4) Kwalificatieconflicten Een verwijzingsregel doet niets meer dan zich uitspreken over andere rechtsnormen. Het probleem is dat daarbij moet geweten wat de aard van de eigen rechtsregels is, wat de aard van de rechtsregels van het andere rechtsstelsel is, en of die overeenstemmen. Dat laatste kan nogal eens tegenvallen, omdat normen in hun eigen specifieke rechtsstelsel ingebed zijn. Het deel dat een echtgenoot bij overlijden krijgt, wordt in het ene land geregeld door het erfrecht, en in het andere door het huwelijksvermogensrecht. Er zijn verschillende manieren denkbaar op dit probleem op te lossen, maar de meest gebruikte (en eenvoudigste) manier is om de kwalificatie van de lex fori toe te passen. Dat wordt in het IPR opgevangen door telkens goed te omschrijven waarop een bepaalde verwijzingsregel betrekking heeft. Een te strikte toepassing zou immers leiden tot absurditeiten. Nadat het vreemd recht is afgewezen moet het natuurlijk ook nog worden toegepast. De interpretatie daarvan moet gebeuren volgens de vreemde rechtspraak en rechtsleer. Dit is de secundaire kwalificatie. Er rijzen evenwel problemen als die kwalificatie in strijd komt met de eerste kwalificatie. In dat geval primeert de eerste kwalificatie. Een uitzondering is het onderscheid tussen roerende en onroerende goederen, dat door de lex causae beheerst wordt. Hetzelfde geldt voor de nationaliteit. Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 30

31 Verdragen moeten evenwel verdragsuniform worden geïnterpreteerd. Begrippen moet op rechtsvergelijkende manier worden uitgelegd. Dat voorkomt dat een verdrag op verschillende manieren zou worden toegepast. (5) De hiërarchie in de verwijzingsregels Het WIPR bepaalt duidelijk dat verwijzingsregels het verdragen en communautair recht primeren op het WIPR (art. 2 WIPR). Zijn er daarentegen twee verdragen van toepassing, dan heeft de eiser de keuze. (6) De intertemporele conflicten in het internationaal privaatrecht Als het IPR wijzigt (zoals in 2004), heeft die wijziging in principe onmiddellijke werking of, bijvoorbeeld voor contracten, eerbiedigende werking. De retroactieve werking moet uitdrukkelijk bepaald worden (bv. art. 127, 3 WIPR voor wat betreft het huwelijk door personen van hetzelfde geslacht). Voor verschillende materies zijn er specifieke overgangsbepalingen (cf. art WIPR en infra). Hetzelfde beginsel geldt als het vreemde IPR of het vreemde materiële recht wijzigt. De overgangsbepalingen uit de lex causae, het aangewezen recht, bepalen hoe de wijziging moet worden toegepast in de tijd. Een probleem stelt zich als de rechtspraak wijzigt. In principe werkt rechtspraak de facto retroactief, al kunnen de verwachtingen van partijen eerbiedigende werking rechtvaardigen (een soort prospective ruling). (7) Het conflit mobile Er is een veranderingsconflict als het aanknopingspunt waaraan een vreemd rechtstelsel is vastgeknoopt een verandering ondergaat (iemand verandert bv. van nationaliteit, of een roerend goed wordt verplaatst). De wetgever kiest er meestal voor om het eerste aanknopingspunt te nemen. We moeten per materie kijken op welk ogenblik het aanknopingpunt moet gefixeerd worden. 2 Het toepassen van vreemd recht (1) Ambtshalve toepassing van de Belgische verwijzingsregel Art. 15 WIPR bepaalt duidelijk dat de rechter de Belgische verwijzingsregel in beginsel ambtshalve moet toepassen. Hij is dan desgevallend wel verplicht om de debatten te heropenen. Die principiële ambtshalve toepassing moet op twee punten genuanceerd worden: In suppletieve materies moet de rechter weliswaar de conflictrechtelijke problemen signaleren, maar hebben de partijen de keuze om dat te negeren. Er zal in dat geval Belgisch recht worden toegepast. De schending van een conflictenrechtelijke regel kan niet voor het eerst in Cassatie worden opgeworpen. (2) Ambtshalve toepassing van het vreemde recht ALGEMEEN Als de verwijzingsregel vreemd recht aanwijst, moet de rechter dat ambtshalve toepassen (iura novit curia) (art. 15, 1 WIPR). Desgevallend moet hij ook de debatten opnieuw openen. De rechter moet het vreemde recht toepassen zoals het leeft, dus met alle nuances uit rechtspraak en rechtsleer. Er zijn twee technieken die de rechter moeten helpen bij deze moeilijke oefening: De rechter kan eventueel beroep doen op de partijen (art. 15, 2, lid 1 WIPR). Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 31

32 Via een aantal verdragen kan de rechter vragen laten aan daartoe aangewezen buitenlandse instanties. KWALIFICATIES BINNEN VREEMD RECHT Als we vreemd recht toepassen moeten we aan rechtsvergelijking doen. Gelijkaardige termen kunnen in een ander rechtstelsel een andere invulling hebben. Omgekeerd kan het voorkomen dat ongelijke normen functioneel gelijk zijn. Bij de kwalificatie van vreemd recht moeten we niet kijken naar de dogmatische kant van de zaak, maar eerder een functionele gelijkwaardigheid nastreven: wat is de wil van de verschillende wetgevers. In dat kadert geeft het WIPR bijvoorbeeld een functionele definitie van verstoting (art. 57 WIPR). In dat verband mag de rechter enige vrijheid nemen bij de toepassing van het eigen recht. Adaptie is nodig omdat twee rechtstelsels uiteraard niet mooi op elkaar afgestemd zijn. Er kunnen lacunes zijn, of overlapping. (3) Cassatiecontrole Het Hof van Cassatie kan vanzelfsprekend nagaan of de feitenrechter het WIPR correct heeft toegepast. Belangrijker is evenwel dat Cassatie ook controle uitoefent op de toepassing van vreemd recht. Daarvoor is wel vereist dat de eiser in cassatie de schending van het buitenlandse recht aanbrengt als middel, en dat het middel eerst de schending van de toepasselijke verwijzingsregel aanvoert. Cassatie zal vervolgens nagaan of er manifeste misslagen is en of het vreemde recht is toegepast volgens de juiste bronnenleer. Cassatie zal niet creatief tussenbeide komen, de wettigheid controleren of proberen een eenheid van toepassing van het vreemde recht vast te leggen. (4) Voorvragen Soms leidt het oplossen van een ipr-vraag tot een nieuw vraagstuk. Als we verwijzen naar een rechtstelsel dat bepaalt dat kinderen die binnen een geldig huwelijk geboren zijn wettig zijn, dan moeten we ons afvragen wat een geldig huwelijk is. Dit is een voorvraag of incidentele vraag. De vraag stelt zich welk collisierecht we moeten toepassen om te kijken welk recht een antwoord biedt op een voorvraag. Sommige auteurs pleiten ervoor dat het IPR volgens de lex causae zou worden toegepast, wat tot een meer uniforme toepassing voor dat rechtsstelsel zou leiden. De meerderheid van de auteurs kiezen evenwel voor een pragmatische oplossing: de lex fori bepaalt welk recht de voorvraag bepaalt. Vanuit Belgisch standpunt passen we dus nogmaals Belgisch IPR toe op de voorvraag. Rond dat principe bestaan drie nuanceringen, waarvan één schijnbare: Als de incidentele vraag betrekking heeft op exequatur, dan wordt gewoon de lex fori inzake erkenningsleer toegepast, en niet de Belgische verwijzingsregels. De feitelijke en juridische vereisten voor het verwerven van een bepaalde nationaliteit worden steeds lege causae beoordeeld. Er is sprake van een oneigenlijke voorvraag als na de lex fori en de lex causae samenvallen na de eerste verwijzing. Dan stelt zich uiteraard geen probleem: het Belgische IPR wordt toegepast. 3 Het afwijken van vreemd recht (1) De exceptie van internationale openbare orde ALGEMEEN Art. 21 WIPR bepaalt dat een buitenlandse rechtsregel niet wordt toegepast als hij in strijd is met de openbare orde. Die openbare orde moet begrepen worden als de morele Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 32

33 ( goede zeden ), politieke en economische orde die in België is gevestigd, zoals de vrijheid van persoon, het eigendomsrecht of de monogamie. Toch moet er de nadruk op gelegd worden dat het gaat om de internationale openbare orde. Wat daaronder precies moet begrepen worden is niet duidelijk, maar het houdt in elk geval in dat het gaat om een kleiner geheel aan fundamentele principes dan de normale openbare orde. Enkel die regels die essentieel zijn voor het behoud van onze maatschappelijke ordening worden beschermd als er een aanknopingspunt is met het buitenland. GEVOLG Als de exceptie succesvol wordt toegepast, zal de buitenlandse rechtsregel vervangen worden door een andere bepaling van het betrokken rechtsstelsel, of door een overeenkomstige regel van Belgisch recht. KENMERKEN De exceptie van internatonale openbare orde is relatief. Ze leidt niet steeds ertoe dat de buitenlandse regel niet wordt toegepast. Vereist is dat relatie met ons land sterk genoeg is om de toepassing van de exceptie te verantwoorden, omdat de gevolgen voor onze rechtsorde ernstig zijn. Dat is een kwestie die in concreto moet beoordeeld worden. Als er in ons land nauwelijks of geen gevolgen zijn, heeft de exceptie minder kans op slagen. Sommige rechtspraak zal in dat geval de gevolgen toch erkennen. Toch zijn sommige schendingen (zoals slavernij) zo grof dat ook in dit geval geen erkenning kan zijn. Het begrip openbare orde is evolutief. We moeten daarbij steeds kijken naar de meest actuele maatschappelijke opvattingen, en niet van het moment waarop het voorwerp van het geschil tot stand kwam. Het feit of de mensenrechten al dan niet geschonden zijn zal een grote rol spelen bij de vraag naar het toepassen van de exceptie van internationale openbare orde. Veel verdragen voorzien ook in een exceptie van internationale openbare orde. Het praktische toepassingsgebied is kleiner geworden door de groei van het imperatief recht. (2) Voorrangsregels (imperatief recht) ALGEMEEN Sommige rechtsregels zijn zo dwingend gesteld dat ze primeren boven het normaal toepasselijke buitenlandse recht. Het gaat vaak om regels van quasi-publiekrecht, omdat er administratieve of strafrechtelijke sancties voorzien zijn (zoals bij arbeidscontracten). Art. 20, lid 1 WIPR bepaalt dat het WIPR geen afbreuk doet aan die bepalingen. Deze regels worden rechtstreeks toegepast. Het imperatieve karakter kan blijken uit de wettekst of uit de bedoeling van de wetgever. Die kan ook het ruimtelijke toepassingsgebied omschrijven, door bijvoorbeeld te bepalen dat slechts bepaalde voor een bepaald segment van de verwijzingsregel. Het verschil met de internationale openbare orde is dat de beschermde partij afstand kan doen van de bescherming die het imperatief recht hem biedt. 1 (zeggen de slides) BUITENLANDSE VOORRANGSREGELS EN AUTOLIMITATIEVE REGELINGEN Vroeger stond België weigerachtig tegenover de toepassing van buitenlands imperatief recht, maar tegenwoordig is het standpunt genuanceerder. Principieel moet de rechter het gehele buitenlandse recht toepassen, inclusief de dwingende bepalingen. Art. 20 WIPR specificeert dat de vreemde imperatieve bepaling moet worden toegepast als: De partijen daadwerkelijk gebonden zijn. 1 Bv. inzake arbeidsovereenkomsten: afstand doen = niet mogelijk (of is dat o.o. en gewoon slecht voorbeeld) of gelden andere regels in IPR? Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 33

34 Er geldingswil is, wat impliceert dat de vreemde wetgever wenste dat de imperatieve zou worden toegepast ongeacht het feit dat een geschil beheerst wordt door de lex causae. De betrokken bepaling van imperatieve aard is en de vreemde wetgever zijn werkingsveld effectief wou uitbreiden. De rechter de gevolgen van de toepassing of niet-toepassing goed tegen elkaar heeft afgewogen. Er is dus nog een beperkte beleidsruimte voor de rechter. Ook voor autolimitatieve regelingen gelden dezelfde principes. Dat zijn regelingen waarin de wetgever de gelding van zijn eigen bepalingen beperkt. Het Belgisch recht respecteert dat evenzeer. Art. 20 WIPR is gebaseerd op art. 7 EVO, dat ook in een beoordelingsmarge voor de rechter voorzag. De regeling is ook overgenomen in de Rome I-Verordening (art. 9), maar die is eerder terughoudend. Inzake contractrelaties moet buitenlands dwingend recht nauwelijks toegepast worden. COMMUNAUTAIRE VOORRANGSREGELS De Rome I en II-verordeningen bepalen dat als een niet-europees recht gekozen wordt, de dwingende bepalingen van Gemeenschapsrecht toch moeten prevaleren. (3) De wetsontduiking ALGEMEEN Er is wetsontduiking als iemand aanknopingspunten voor feiten en handelingen gebruikt met als enige bedoeling het normaal geldende recht (zowel lex fori als vreemd recht) te ontwijken. Met zo n feiten wordt principieel geen rekening gehouden (art. 18 WIPR). De ontduiking kan bestaan uit: De veinzing van aanknopingspunten. De werkelijke verlegging van een rechtsverhouding. Hier moet de ontduiking het enige doel geweest zijn. Wetsontduiking doet zich voor in gevallen waarin de partijen niet over vrijheid beschikken. In het kader van het contractenrecht kan er bijvoorbeeld moeten de partijen vrij de bevoegde rechter en het toepasselijke recht kunnen kiezen. SANCTIE De sanctie wordt geregeld door het ontweken rechtsstelsel. In België wordt de door ontduiking toepasselijk gemaakte wet genegeerd, doordat de buitenlandse rechtshandeling voor niet-tegenwerpelijk wordt gehouden (niet mogelijk voor nationaliteit). Ook de nietigheid is soms mogelijk. Vervolgens past de rechter de lex fori toe. Wetsontduiking is op basis van art. 25 WIPR ook een weigeringsgrond in de erkenningsleer. (4) De algemene uitwijkclausule In uitzonderlijke omstandigheden kunnen rechters op basis van art. 19 WIPR de andere verwijzingsregels opzij zetten ( veiligheidsklep ). Dat is het geval als de verwijzingsregels een recht aanwijzen waarmee het geschil geen echte band heeft, terwijl er een veel nauwere band met een ander land is. Daarbij moet de voorspelbaarheid in rekening genomen, zodat deze bepaling niet leidt tot rechtsonzekerheid. Hoe het ook zij, een beroep op art. 19 WIPR vereist een zeer goede motivering. Ze kan ook niet worden toegepast als het aangewezen recht voortvloeit uit een rechtskeuze van de partijen. Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 34

35 B. De nationaliteit 1 Omschrijving De nationaliteit van een persoon is een publiekrechtelijk gegeven, dat aan een persoon de toegang tot een grondgebied verzekerd, en hem een reeks politieke rechten geeft. Slechtst een beperkt aantal Belgische wetten discrimineert evenwel nog op basis van nationaliteit. Ook in het IPR verliest de nationaliteit langzaam aan belang. In andere landen is de nationaliteit wel belangrijk, en kan bijvoorbeeld een voorwaarde tot eigendomsverkrijging zijn. Op Europees niveau is het omgekeerde bezig: de vorming van een Europees burgerschap, met daaraan verbonden rechten, is volop in ontwikkeling. Europa probeert ook zoveel mogelijk om de criteria voor de verkrijging van de nationaliteit gelijk te trekken. Zoals gezegd is de nationaliteit een publiekrechtelijk gegeven, waarbij iedere staat autonoom bepaalt wie zijn nationaliteit krijgt (art. 2 WIPR codificeert het internationale recht hierin). Slechts het internationale gewoonterecht moet worden nageleefd. 2 Voor- en nadelen van de verwijzing naar de nationaliteit (1) Algemeen Het toepassen van een nationaliteitscriterium zou als voordeel kunnen hebben dat er een duidelijke en standvastige ordening zou kunnen komen, en dat het duidelijk is op welk recht op welke persoon van toepassing is. Dat is evenwel theorie geworden. In weinig gemondialiseerde samenlevingen stelden zich weinig problemen, maar dat is tegenwoordig uiteraard anders. Door de internationalisering stellen zich steeds meer dogmatische en principiële problemen. Apatriden en mensen met dubbele nationaliteit stellen tegenwoordig problemen, net als gemengde huwelijken, iets dat vroeger niet mogelijk was. De nationaliteit is dus minder belangrijker geworden, ook omdat het een belemmering is voor het vrij verkeer van personen. Mensen kunnen rechtsstelsels kiezen. (2) Alternatief: de verwijzing naar de gewone woon- of verblijfplaats De nationaliteit wordt om die redenen als criterium steeds meer vervangen door de gewone woon- of verblijfplaats. Dat heeft als voordelen dat het recht meer aansluit bij de actuele leefwereld van personen, wat de integratie bevordert. Ook zorgt het ervoor dat rechters minder vreemd recht moeten kennen. Het levert minder wrijvingen op, omdat seculier recht zich (in theorie) minder bezighoudt met het persoonlijke terrein. Tot slot zijn er ook minder excepties van internationale openbare orde nodig, omdat er niet eerst moet verwezen worden. Toch heeft dit criterium als nadeel dat het minder standvastig is, en dat er zich een conflit mobile voordoet als mensen verhuizen. Ook de kwalificatie van de gewone woon- of verblijfplaats stelt problemen. 3 Het oude Belgische nationaliteitsrecht (1) Algemeen Tot 1985 werd de verkrijging van de Belgische nationaliteit geregeld volgens het KB van 14 december Voor veel Belgen is dat recht dus nog relevant. Het oude recht had immers in principe geen terugwerkende kracht. Het oude nationaliteitsrecht was patriarchaal. Het volgde het ius sanguinis, maar enkel de mannelijke lijn werd gevolgd. Bovendien verloor of verkreeg een vrouw de nationaliteit als ze huwde met een man met een andere nationaliteit. Verder werd er een onderscheid Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 35

36 gemaakt tussen wettige en natuurlijke kinderen, en bracht enkel volle adoptie de Belgische nationaliteit met zich mee. (2) Overgangsrecht Er is geen verlies van nationaliteit voor wie Belg was op 1 januari De verkrijging door geboorte of adoptie gebeurde evenwel retroactief voor wie op 1 januari nog geen 18 jaar was. Vrouwen die hun Belgische nationaliteit verloren hadden door een huwelijk konden die recupereren door een herverkrijging. 4 Het nieuwe Belgische nationaliteitsrecht (1) Algemeen Het wetboek van 1984 (BB p. 489) had twee belangrijke doelstellingen. Ten eerste wilde het de bestaande discriminaties opheffen. Ten tweede kwam er een liberalisering, die later nog versterkt werd. Het werd makkelijker om de Belgische nationaliteit te verkrijgen, o.a. door de versterking van het ius soli-beginsel. De procedures werden sterk vereenvoudigd en in 1998 zelfs gratis gemaakt. De nationaliteitsverkrijging werd uitdrukkelijk gekoppeld aan de integratie van vreemdelingen, maar die vereiste werd in 2000 grotendeels afgeschaft. Er gaan stemmen op om ze weer in te voeren. (2) De toekenning door afstamming De Belgische nationaliteit kan vooreerst verkregen worden door een gewone afstammingsband (art. 8 WBN). Vereist is: Dat het kind in België geboren is en dat een ouder Belg is, of Dat het kind buiten België geboren is, maar de ouder Belg is en zelfs in België (of zijn kolonies) werd geboren, of anders, als de ouder een verklaring aflegt voor het kind 5 jaar is, of anders, als het kind apatride zou zijn. Daarnaast kan de nationaliteit ook verkregen worden door een adoptieve afstammingsband (art. 9 WBN). De voorwaarden zijn dezelfde als voor de geboorte. (3) Toekenning door geboorte op het Belgisch grondgebied Vier categorieën worden ook Belg door het loutere feit dat ze op Belgisch grondgebied geboren zijn (art WBN): Apatriden Vondelingen Migranten van de tweede generatie, op voorwaarde dat er een verklaring wordt afgelegd voor de 12 e verjaardag. Migranten van de derde generatie. (4) Het huwelijk en de Belgische nationaliteit De huwelijkssluiting heeft op zichzelf genomen geen invloed op de nationaliteit van de partners (art. 16, 1 WBN). Wel kan het huwelijk een element van verbondenheid met België uitmaken (art. 16, 2 WBN). Daarom kan de partner een nationaliteitskeuze doen (art. 15), als hij of zij gedurende drie jaar in België samenwoont met zijn of haar partner (en heel die tijd gehuwd waren). In sommige gevallen is er een verkorte termijn (art. 16, 2, 2 WBN). De problematiek van de schijnhuwelijkheden komt hier om de hoek kijken. Als een huwelijk wordt nietig verklaard, gaat de nationaliteit daarom ex tunc verloren. Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 36

37 (5) De naturalisatie Een vreemdeling kan verzoeken om genaturaliseerd te worden als hij voldoet aan de voorwaarden van art. 19 WBN: Ten volle 18 jaar oud zijn. Sedert minstens drie jaar in België wonen, of, voor erkende vluchtelingen en gelijkgestelden: minstens twee jaar. Verblijf buiten het land kan gelijkgesteld worden als er een werkelijke band met België was. Daarnaast met het wel duidelijk gaan om een wettig verblijf. De parlementaire praktijk zag vroeger geen graten in een onwettig verblijf. De procedure is gratis en bijzonder soepel (art. 21 WBN). De aanvraag wordt ingediend bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers of bij de Burgerlijke Stand. Het Openbaar Ministerie, de Dienst Vreemdelingenzaken en de Staatsveiligheid worden op de hoogte gebracht. Deze hebben vier maanden om te reageren. Als er geen gemotiveerd negatief advies komt, wordt het advies geacht positief te zijn. Is er een negatief advies, is daartegen een rechterlijk beroep mogelijk. De vreemdeling kan ook vragen dat het dossier toch naar het Parlement wordt gestuurd, en kan een verweerschrift toevoegen. Niet iedereen is even gelukkig met deze gang van zaken. De procedure dreigt af te glijden naar een administratie procedure zonder veel rechterlijke controle, waarbij er louter formele criteria worden toegepast, en er slecht een korte tijd is om te procederen. Bovendien is er hier strikt genomen geen recht op nationaliteitsverkrijging, hoewel de wet dat wel laat uitschijnen. De Raad van State vond dit onverenigbaar met de Grondwet. (6) Verlies van de Belgische nationaliteit De Belgische nationaliteit kan verloren worden: Door eigen toedoen o Momenteel verliest een Belg nog zijn nationaliteit als hij een andere nationaliteit aanneemt (art. 22, 1, 1 WBN), maar die regel wordt afgeschaft. o Door afstand van een meerderjarige die een vreemde nationaliteit heeft (art. 22, 1, 2 WBN). Dit kan door een eenvoudige verklaring. o Door ontheemding (art. 22, 1, 5 WBN). Dit komt voor als: De betrokkene in het buitenland geboren werd Van zijn 18 e tot zijn 28 e in het buitenland woonde Niet voor een Belgische rechtspersoon werkte Geen verklaring van behoud aflegde. Anders dan door eigen toedoen o De minderjarige die geadopteerd wordt of wiens ouders hun nationaliteit verliezen (art. 22, 1,3, 4 en 6 WBN). Door fraude of ernstige tekortkomingen aan de burgerplicht, als het gaat om personen die Belg geworden zijn door verkrijging. Dit is de gerechtelijke vervallenverklaring (art. 23 WBN). De vordering wordt ingesteld door het Openbaar Ministerie. Door de nietigheid van bepaalde frauduleuze handelingen tot verkrijging. (7) Herverkrijging Wie vroeger Belg was, kan zijn nationaliteit terugkrijgen op voorwaarde dat hij meerderjarig is en gedurende twaalf maanden in België heeft gewoond (art. 24 WBN). Dat gebeurt via een nationaliteitsverklaring. (8) De bestrijding van bipatriditeit Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 37

38 Het is om verscheidene redenen vervelend als mensen een dubbele nationaliteit hebben. Nationaliteitswetten zouden daarom moeten bepalen dat moeten proberen dubbele nationaliteiten te vermijden, door het verlies van hun eigen nationaliteit op te leggen, of door slechts nationaliteit toe te kennen bij afstand van de andere nationaliteit. België was daartoe bovendien verplicht op basis van de Conventie van Straatburg. België schond die Conventie door toe te laten dat vreemdelingen een dubbele nationaliteit verkregen. Dat werd opgelost door het betreffende hoofdstuk van de Conventie op te zeggen. Het probleem was evenwel dat er een discriminatie bestond, want Belgen die een andere nationaliteit verkregen verloren wel hun nationaliteit. Dit werd opgelost door toe te staan dat iemand zijn Belgische nationaliteit behoudt als hij een andere nationaliteit verwerft. 5 Nationaliteitsconflicten- en betwistingen (1) Negatieve conflicten Er is een negatief nationaliteitsconflict als iemand geen nationaliteit heeft. Dat is nochtans een mensenrecht. Deze conflicten worden opgelost door de verschillende nationale regelingen. (2) Positieve conflicten Er is een positief conflict als iemand twee of meerdere nationaliteiten heeft (multipatridie). Deze materie wordt geregeld in het Verdrag van Den Haag van 12 april 1930 (BB p. 16) Twee gevallen zijn mogelijk (zie ook art. 3 WIPR): Iemand is Belg en vreemdelingen tegenlijk: deze persoon wordt als Belg behandeld (art. 3). Heeft iemand meerdere buitenlandse nationaliteiten, dan wordt gekeken naar het land waar hij zijn gewone woon- of verblijfplaats heeft. Subsidiair kan gekeken worden met welk land een persoon het nauwst verbonden is. Academiejaar samenvatting internationaal privaatrecht - Jeroen De Mets 38

HET INTERNATIONAAL PRIVAATRECHTELIJK PROCESRECHT

HET INTERNATIONAAL PRIVAATRECHTELIJK PROCESRECHT HET INTERNATIONAAL PRIVAATRECHTELIJK PROCESRECHT Europees internationaal bevoegdheidsrecht Brussel I verordening in burgerlijke en handelszaken (Br I Vo) * Toepassingsgebied Br I Vo - temporeel : rechtsvorderingen

Nadere informatie

De erkenning en uitvoerbaarverklaring van vreemde rechterlijke beslissingen en akten

De erkenning en uitvoerbaarverklaring van vreemde rechterlijke beslissingen en akten De erkenning en uitvoerbaarverklaring van vreemde rechterlijke beslissingen en akten EXEQUATURRECHT Vroeger onduidelijkheid omtrent begrippen art. 22 31 WbIPR geeft definities + moet er een rechtelijke

Nadere informatie

Samenvatting Internationaal Privaatrecht

Samenvatting Internationaal Privaatrecht Samenvatting Internationaal Privaatrecht Geüpdatete versie van de VRG samenvattingen van Jeroen De Mets en Diether Vandenbussche - Aangevuld met nota s van Freya Van den Broeck Samenvatting IPR Bart De

Nadere informatie

BELGISCH INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT

BELGISCH INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT A.J.T. - MEMO'S - nr. 1. BELGISCH INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT Ingrid D'HAEYER Adjunct-hoofdadviseur Juridische Zaken NV KBC Bank INHOUD DEEL I. BELGISCH INTERNATIONAAL PRIVAATRECHTELUK PROCESRECHT Hoofdstuk

Nadere informatie

1. Internationaal privaatrechtelijk procesrecht

1. Internationaal privaatrechtelijk procesrecht 1. Internationaal privaatrechtelijk procesrecht 1.1 Europees internationaal bevoegdheidsrecht Voor de bepaling van de internationale bevoegdheid van de Belgische rechtbanken en rechters: Verdrag? Europese

Nadere informatie

ECHTSCHEIDINGEN KENNEN GEEN GRENZEN (regels van internationaal privaat recht)

ECHTSCHEIDINGEN KENNEN GEEN GRENZEN (regels van internationaal privaat recht) ECHTSCHEIDINGEN KENNEN GEEN GRENZEN (regels van internationaal privaat recht) Steeds meer worden we in de rechtspraktijk geconfronteerd met internationale echtscheidingen op basis van de volgende elementen:

Nadere informatie

INHOUD. Ten geleide De UNCITRAL Modelwet nu ook in België Maud Piers... v. De arbitrageovereenkomst en de arbitreerbaarheid Luc Demeyere...

INHOUD. Ten geleide De UNCITRAL Modelwet nu ook in België Maud Piers... v. De arbitrageovereenkomst en de arbitreerbaarheid Luc Demeyere... INHOUD Ten geleide De UNCITRAL Modelwet nu ook in België Maud Piers...................................................... v De arbitrageovereenkomst en de arbitreerbaarheid Luc Demeyere....................................................

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 2 JANUARI 2014 C.12.0463.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.12.0463.N 1. WIBRA BELGIË nv, met zetel te 9140 Temse, Frank Van Dyckelaan 7A, 2. WIBRA HOLDING bv, vennootschap naar Nederlands recht,

Nadere informatie

www.asser.nl/cursusaanbod-advocatuur

www.asser.nl/cursusaanbod-advocatuur Cursusaanbod Onderhoud Vakbekwaamheid (PO) voor de advocatuur T.M.C. Asser Instituut 6 dec 2013 IPR Familierecht. Echtscheiding en nevenvoorzieningen inzake boedelscheiding en alimentatie gewezen echtgenoten

Nadere informatie

VERDRAG BETREFFENDE DE RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID, DE ERKENNING EN DE TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN IN BURGERLIJKE EN HANDELSZAKEN

VERDRAG BETREFFENDE DE RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID, DE ERKENNING EN DE TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN IN BURGERLIJKE EN HANDELSZAKEN VERDRAG BETREFFENDE DE RECHTERLIJKE BEVOEGDHEID, DE ERKENNING EN DE TENUITVOERLEGGING VAN BESLISSINGEN IN BURGERLIJKE EN HANDELSZAKEN CONV/JUD/nl 1 PREAMBULE DE HOGE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, VASTBESLOTEN

Nadere informatie

2. Soorten en verband

2. Soorten en verband Bij dit alles moet de rechter de rechten van verdediging eerbiedigen. Dit betekent dat hij, wanneer hij de rechtsgrond wenst te wijzigen en aan te passen, de debatten dient te heropenen om partijen toe

Nadere informatie

Verdrag van Lugano betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

Verdrag van Lugano betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken Verdrag van Lugano betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken Ondertekend te Lugano op 30 oktober 2007 Preambule De hoge

Nadere informatie

HOOFDSTUK 1. AUTHENTIEKE AKTEN (ART. 28 WIPR)... 1

HOOFDSTUK 1. AUTHENTIEKE AKTEN (ART. 28 WIPR)... 1 Inhoud HOOFDSTUK 1. AUTHENTIEKE AKTEN (ART. 28 WIPR)... 1 Afdeling I. Inleiding...... 3 1. Algemeen...... 3 2. Omschrijving.... 3 3. Bewijskracht.... 4 A. Het oude recht... 4 B. Het huidige recht.....

Nadere informatie

Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke en handelszaken

Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke en handelszaken Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke en handelszaken De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Verlangende gemeenschappelijke bepalingen

Nadere informatie

VERDRAG. betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

VERDRAG. betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken 21.12.2007 NL Publicatieblad van de Europese Unie L 339/3 VERDRAG betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken PREAMBULE

Nadere informatie

Grensoverschrijdende erkenning en tenuitvoerlegging. mr. dr. M. Freudenthal

Grensoverschrijdende erkenning en tenuitvoerlegging. mr. dr. M. Freudenthal Grensoverschrijdende erkenning en tenuitvoerlegging mr. dr. M. Freudenthal Sdu Uitgevers Den Haag, 2009 Inhoud Afkortingen / XI Woord vooraf/xiii 1. Historische ontwikkelingen / 1 1.1. Inleiding/l 1.1.1.

Nadere informatie

The Impact of the ECHR on Private International Law: An Analysis of Strasbourg and Selected National Case Law L.R. Kiestra

The Impact of the ECHR on Private International Law: An Analysis of Strasbourg and Selected National Case Law L.R. Kiestra The Impact of the ECHR on Private International Law: An Analysis of Strasbourg and Selected National Case Law L.R. Kiestra Samenvatting Dit onderzoek heeft als onderwerp de invloed van het Europees Verdrag

Nadere informatie

De nieuwe Belgische arbitragewet

De nieuwe Belgische arbitragewet Belgisch Nederlands Colloquim Zee en Vervoersrecht 25/09/2014 De nieuwe Belgische arbitragewet door Sigrid Van Rompaey 14/10/2014 1 I. Historiek II. België een UNCITRAL land III. Arbitreerbaarheid IV.

Nadere informatie

Raad van de Europese Unie Brussel, 23 september 2014 (OR. en)

Raad van de Europese Unie Brussel, 23 september 2014 (OR. en) Raad van de Europese Unie Brussel, 23 september 2014 (OR. en) Interinstitutioneel dossier: 2014/0021 (E) 12052/14 JUSTCIV 206 WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN Betreft: BESLUIT VAN DE RAAD betreffende

Nadere informatie

Inhoud... Voorwoord... 1. Gebruikte afkortingen... 3. Verkort geciteerde boeken, wetenschappelijke artikelen en rapporten... 5

Inhoud... Voorwoord... 1. Gebruikte afkortingen... 3. Verkort geciteerde boeken, wetenschappelijke artikelen en rapporten... 5 Inhoud................................................ V Voorwoord............................................. 1 Gebruikte afkortingen..................................... 3 Verkort geciteerde boeken,

Nadere informatie

Verdrag inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed

Verdrag inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed Verdrag inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Geleid door de wens de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel

Nadere informatie

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken. van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken. van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken EUROPEES PARLEMENT 2009-2014 Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken 27.10.2010 2010/0067(CNS) ONTWERPADVIES van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken

Nadere informatie

Inleiding tot Recht. Uit Praktisch Burgerlijk Recht

Inleiding tot Recht. Uit Praktisch Burgerlijk Recht Inleiding tot Recht Uit Praktisch Burgerlijk Recht 1. Wat is recht? Een exacte definitie is niet te geven. Elke klassieke definitie bevat vier elementen: Gedragsregels, normen Doel = maatschappelijk leven

Nadere informatie

Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. (Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing)

Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. (Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing) 16.1.2001 L 12/1 I (Besluiten waarvan de publicatie voorwaarde is voor de toepassing) VERORDENING (EG) Nr. 44/2001 VAN DE RAAD van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning

Nadere informatie

Rolnummer 2485. Arrest nr. 84/2003 van 11 juni 2003 A R R E S T

Rolnummer 2485. Arrest nr. 84/2003 van 11 juni 2003 A R R E S T Rolnummer 2485 Arrest nr. 84/2003 van 11 juni 2003 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag betreffende de wet van 4 juli 2001 tot wijziging van artikel 633 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door

Nadere informatie

Europese IPR-verdragen

Europese IPR-verdragen Hans Van Houtte en Marta Pertegas Sender (red.) Europese IPR-verdragen Acco Leuven / Amersfoort INHOUD Voorwoord Personalia Bronnen die verkort aangehaald worden 9 1. Het toepassingsgebied van de Verdragen

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 16/09/2013

Datum van inontvangstneming : 16/09/2013 Datum van inontvangstneming : 16/09/2013 Vertaling C-442/13-1 Zaak C-442/13 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 6 augustus 2013 Verwijzende rechter: Oberster Gerichtshof (Oostenrijk)

Nadere informatie

(2) voor titels gewezen op of nà 10.01.2015 geen exequatur meer vereist is.

(2) voor titels gewezen op of nà 10.01.2015 geen exequatur meer vereist is. Gerhanko Gerechtsdeurwaarders Engelse Wandeling 2 k 5 8500 Kortrijk informeert u over : Verordening (EU) Nr.1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke

Nadere informatie

Organisatie van de rechtspraak - België

Organisatie van de rechtspraak - België Organisatie van de rechtspraak - België c) Nadere bijzonderheden over de rechterlijke instanties 1. Vredegerecht De vrederechter is de rechter die het dichtst bij de burgers staat. Hij wordt overeenkomstig

Nadere informatie

Belgisch Internationaal Privaatrecht

Belgisch Internationaal Privaatrecht Belgisch Internationaal Privaatrecht Bart VOLDERS & Liselot SAMYN Maklu Antwerpen-Apeldoorn Inhoudstafel Lijst van afkortingen 11 Voorwoord 13 DEEL I. COMMUNAUTAIRE RECHTSBRONNEN 15 A. Internationaal en

Nadere informatie

(Echt)scheiding en internationaal privaatrecht

(Echt)scheiding en internationaal privaatrecht (Echt)scheiding en internationaal privaatrecht mr. dr. A.R. van Maas de Bie 5e gewijzigde druk S d u U itg ev ers D e n H aag, 2014 Inhoudsopgave Voorwoord / 11 Afkortingenlijst / 17 i ï.i 1.2 1. 2.1 1.2.2

Nadere informatie

Artikel 1. Artikel 2. Artikel 3

Artikel 1. Artikel 2. Artikel 3 Artikel 1 1. Dit verdrag is van toepassing op de erkenning en tenuitvoerlegging van scheidsrechterlijke uitspraken, gewezen op het grondgebied van een andere Staat dan die waar de erkenning en tenuitvoerlegging

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 1 OKTOBER 2010 C.09.0563.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.09.0563.N D. W. E., eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel,

Nadere informatie

BEVOEGDHEID NA UITSLUITING ARBITRAGE

BEVOEGDHEID NA UITSLUITING ARBITRAGE 1 BEVOEGDHEID NA UITSLUITING ARBITRAGE BRUSSEL I 1. TOEPASSINGSGEBIED verbintenissen in geld uitdrukbaar onrechtmatige daad zakelijke rechten in betwisting vennootschapskwesties Personeel Woonplaats verweerder

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 31/08/2015

Datum van inontvangstneming : 31/08/2015 Datum van inontvangstneming : 31/08/2015 Vertaling C-417/15-1 Zaak C-417/15 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 29 juli 2015 Verwijzende rechter: Landesgericht für Zivilrechtssachen

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 28/12/2015

Datum van inontvangstneming : 28/12/2015 Datum van inontvangstneming : 28/12/2015 Vertaling C-618/15-1 Zaak C-618/15 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 23 november 2015 Verwijzende rechter: Cour de cassation (Frankrijk)

Nadere informatie

INHOUD. Inleiding... xvii DEEL I. INTERNATIONALE BEVOEGDHEID

INHOUD. Inleiding... xvii DEEL I. INTERNATIONALE BEVOEGDHEID INHOUD Inleiding........................................................... xvii DEEL I. INTERNATIONALE BEVOEGDHEID 1. Brussel I(bis)-Verordening: exclusieve bevoegdheids gronden en forumbedingen Geert

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2004 334 Wet van 6 juli 2004, houdende regeling van het conflictenrecht met betrekking tot het geregistreerd partnerschap (Wet conflictenrecht geregistreerd

Nadere informatie

TRACTATENBLAD KONINKRIJK DER NEDERLANDEN. JAARGANG 1976 Nr. 144

TRACTATENBLAD KONINKRIJK DER NEDERLANDEN. JAARGANG 1976 Nr. 144 25 (1976) Nr. 1 TRACTATENBLAD VAN HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN JAARGANG 1976 Nr. 144 A. TITEL Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname betreffende de wederzijdse erkenning

Nadere informatie

My Lawyer Info door Monard D Hulst

My Lawyer Info door Monard D Hulst JE T AIME MOI NON PLUS. DE NIEUWE EUROPESE COÖRDINATIEREGELS VOOR DE SOCIALE ZEKERHEID REVISITED VOOR BEDRIJFSLEIDERS De sociale zekerheid is per Europese lidstaat verschillend geregeld. Om te voorkomen

Nadere informatie

GEWOGEN RECHTSMACHT IN HET IPR. Over forum (non) conveniens en forum necessitatis. mr. F. Ibili

GEWOGEN RECHTSMACHT IN HET IPR. Over forum (non) conveniens en forum necessitatis. mr. F. Ibili GEWOGEN RECHTSMACHT IN HET IPR Over forum (non) conveniens en forum necessitatis mr. F. Ibili Kluwer - Deventer - 2007 LUST VAN AFKORTINGEN XIII 1 INLEIDING 1 1.1 Verkenning onderzoeksterrein 1 1.2 Afbakening

Nadere informatie

Inhoudstafel INHOUDSTAFEL... 5 LIJST VAN TABELLEN... 9 LIJST VAN PRAKTISCHE VOORBEELDEN... 11 I. INLEIDING... 13

Inhoudstafel INHOUDSTAFEL... 5 LIJST VAN TABELLEN... 9 LIJST VAN PRAKTISCHE VOORBEELDEN... 11 I. INLEIDING... 13 Inhoudstafel INHOUDSTAFEL... 5 LIJST VAN TABELLEN... 9 LIJST VAN PRAKTISCHE VOORBEELDEN... 11 I. INLEIDING... 13 II. HET OBJECTIEVE RECHT... 17 A. HET OBJECTIEVE EN SUBJECTIEVE RECHT... 17 1. Het objectieve

Nadere informatie

Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts

Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts Verdrag inzake het recht dat toepasselijk is op trusts en inzake de erkenning van trusts De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Overwegend dat de trust zoals die is ontwikkeld door de equitygerechten

Nadere informatie

ADMINISTRATIEVE INSTRUCTIES RSZ

ADMINISTRATIEVE INSTRUCTIES RSZ 1 of 10 ADMINISTRATIEVE INSTRUCTIES RSZ R S Z Kwartaal:2014/04 2 of 10 3 of 10 Inhoudstafel Grensoverschrijdende tewerkstelling Beginselen Geen akkoord Multi- en bilaterale akkoorden Lidstaten van de Europese

Nadere informatie

inachtneming van het bepaalde in artikel 4 voorlegt aan de geschillencommissie.

inachtneming van het bepaalde in artikel 4 voorlegt aan de geschillencommissie. Geschillenreglement VViN Artikel 1 - Definities In dit reglement gelden de volgende definities: 1. Eiser: de partij die een verzoek tot beslechting als bedoeld in lid 7 van dit artikel met inachtneming

Nadere informatie

Toelichting op de Regeling voor.nl-domeinnaamarbitrage

Toelichting op de Regeling voor.nl-domeinnaamarbitrage Toelichting op de Regeling voor.nl-domeinnaamarbitrage SIDN, 18 december 2002 Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (SIDN) registreert op verzoek domeinnamen onder het country code toplevel domein.nl.

Nadere informatie

MATERIE BEVOEGDHEID TOEPASSELIJK RECHT EXEQUATUR EXTRA Bestaan en afwezigheid Boek blz. 420 Art. 41 WbIPR Art. 39 WbIPR Boek blz.

MATERIE BEVOEGDHEID TOEPASSELIJK RECHT EXEQUATUR EXTRA Bestaan en afwezigheid Boek blz. 420 Art. 41 WbIPR Art. 39 WbIPR Boek blz. Bestaan en afwezigheid Boek blz. 420 Art. 41 Art. 39 Boek blz. 419 Naam Art. 36 Art. 37 - vaststelling Art. 39 Boek blz. 426 Art. 38 - verandering Staat en bekwaamheid Art. 3, Art. 32 Art. 34 Art. 39 Boek

Nadere informatie

Kristof ROOX. Assistent I.P.R. Universiteit Gent Advocaat De Bauw & Maeyaert

Kristof ROOX. Assistent I.P.R. Universiteit Gent Advocaat De Bauw & Maeyaert DE VEREENVOUDIGING VAN HET BELGISCH CONFLICTENRECHT INZAKE INTERNATIONALE KOOPOVEREENKOMSTEN TEN GEVOLGE VAN DE OPZEGGING VAN HET VERDRAG VAN DEN HAAG VAN 1955 Kristof ROOX Assistent I.P.R. Universiteit

Nadere informatie

HOGE RAAD VOOR DE ZELFSTANDIGEN EN DE KMO

HOGE RAAD VOOR DE ZELFSTANDIGEN EN DE KMO HOGE RAAD VOOR DE ZELFSTANDIGEN EN DE KMO N EU - Contractenrecht A03 Brussel, 9 december 2010 MH/SL/AS A D V I E S over DE CONSULTATIE VAN DE EUROPESE COMMISSIE OVER HET EUROPEES CONTRACTENRECHT VOOR CONSUMENTEN

Nadere informatie

Inhoudsopgave. Hoofdstuk 1 Inleiding J 5

Inhoudsopgave. Hoofdstuk 1 Inleiding J 5 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding J 5 1.1 Karakter van het rechtsgebied; grensoverschrijdend 15 1.2 Rechtsverscheidenheid en grensoverschrijdend rechtsverkeer 17 1.3 Internationaal privaatrecht is geen

Nadere informatie

LEIDRAAD BIJ DE INLEIDINGSZITTING VAN DE RECHTBANKEN VAN KOOPHANDEL VAN LIMBURG

LEIDRAAD BIJ DE INLEIDINGSZITTING VAN DE RECHTBANKEN VAN KOOPHANDEL VAN LIMBURG 1 LEIDRAAD BIJ DE INLEIDINGSZITTING VAN DE RECHTBANKEN VAN KOOPHANDEL VAN LIMBURG A. INTERNATIONALE RECHTSMACHT Overeenkomstig art. 26 EEX-Verord. (Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december

Nadere informatie

Verdrag betreffende het toepasselijke recht op vertegenwoordiging

Verdrag betreffende het toepasselijke recht op vertegenwoordiging Verdrag betreffende het toepasselijke recht op vertegenwoordiging De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Verlangend gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen betreffende het toepasselijke recht

Nadere informatie

Voorstel van decreet. van de heren Sven Gatz, Dirk Van Mechelen, Marino Keulen en Sas van Rouveroij. 367 ( ) Nr. 1 9 februari 2010 ( )

Voorstel van decreet. van de heren Sven Gatz, Dirk Van Mechelen, Marino Keulen en Sas van Rouveroij. 367 ( ) Nr. 1 9 februari 2010 ( ) stuk ingediend op 367 (2009-2010) Nr. 1 9 februari 2010 (2009-2010) Voorstel van decreet van de heren Sven Gatz, Dirk Van Mechelen, Marino Keulen en Sas van Rouveroij houdende wijziging van artikel 159

Nadere informatie

De reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag: aanpassing van de regelgeving noodzakelijk?

De reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag: aanpassing van de regelgeving noodzakelijk? De reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag: aanpassing van de regelgeving noodzakelijk? De zaak Plessers (C-509/17) We work for people, not clients Duurzaam samenwerken Excellent juridisch

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 19/06/2012

Datum van inontvangstneming : 19/06/2012 Datum van inontvangstneming : 19/06/2012 Vertaling C-218/12-1 Zaak C-218/12 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 10 mei 2012 Verwijzende rechter: Landgericht Saarbrücken (Duitsland)

Nadere informatie

1HANDELSRECHT VERDRAG VERJARING

1HANDELSRECHT VERDRAG VERJARING 1HANDELSRECHT VERDRAG VERJARING Mr. Luc Demeyere, advocaat, contrast European & Business Law (Brussel) Trefwoorden Bron Situering Bespreking 13 Verjaring Verdrag van New York Protocol - Weens Koopverdrag

Nadere informatie

Grensoverschrijdend erfrecht in Europa: wat moet elke notaris weten in 2015? KU Leuven

Grensoverschrijdend erfrecht in Europa: wat moet elke notaris weten in 2015? KU Leuven Grensoverschrijdend erfrecht in Europa: wat moet elke notaris weten in 2015? Prof. dr. P. Wautelet ULg Dra. E. Goossens KU Leuven 1. Een eerste kennismaking Wat u moet weten vooraleer de ErfrechtVo te

Nadere informatie

Productaansprakelijkheid en de consument in het internationaal privaatrecht

Productaansprakelijkheid en de consument in het internationaal privaatrecht Faculteit Rechtsgeleerdheid Universiteit Gent Academiejaar 2009-10 Productaansprakelijkheid en de consument in het internationaal privaatrecht Masterproef van de opleiding Master in de rechten Ingediend

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 10 SEPTEMBER 2007 S.07.0003.F/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. S.07.0003.F A. T., Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN LUIK.

Nadere informatie

KNIPPERLICHTEN 2012 ACTUALIA INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT. Bart Volders advocaat 2 februari 2012 BV o.v.v. BVBA

KNIPPERLICHTEN 2012 ACTUALIA INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT. Bart Volders advocaat 2 februari 2012 BV o.v.v. BVBA KNIPPERLICHTEN 2012 ACTUALIA INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT Bart Volders advocaat 2 februari 2012 BV o.v.v. BVBA Plan 1. Inleidende beschouwingen 2. Terugblik 2011 3. Vooruitblik 2012 (en verder) 2 Deel 1.

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 13 MAART 2015 C.14.0247.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.14.0247.N HONDA MOTOR EUROPE LIMITED, vennootschap naar het recht van het Verenigd Koninkrijk, met zetel te SL3 BQY Berkshire (Verenigd

Nadere informatie

EUROPESE UNIE Communautair Bureau voor Plantenrassen

EUROPESE UNIE Communautair Bureau voor Plantenrassen EUROPESE UNIE Communautair Bureau voor Plantenrassen BESLUIT VAN DE RAAD VAN BESTUUR VAN HET COMMUNAUTAIR BUREAU VOOR PLANTENRASSEN van 25 maart 2004 inzake de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr.

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2014 40 Wet van 22 januari 2014 tot wijziging van de Wet van 2 juli 2003 tot uitvoering van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van de Europese

Nadere informatie

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Brussel, 17.6.2003 COM(2003) 348 definitief 2003/0127 (CNS) Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD waarbij de lidstaten worden gemachtigd in het belang van de Europese

Nadere informatie