Financieringslastnormen 2018
|
|
|
- Ida Wauters
- 8 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Financieringslastnormen 2018 Advies voor de financieringslastnormen 2018 Marcel Warnaar Jasja Bos
2 Financieringslastnormen 2018 Advies voor de financieringslastnormen 2018 Nibud, oktober 2017
3 Voorwoord Dit document betreft het advies voor de financieringslastnormen voor hypothecaire financiering voor Dit document is opgesteld voor de wijziging van de Regeling Hypothecair Krediet. In het document staan de door het Nibud geadviseerde wijzigingen van de financieringslastnormen, met daarbij de achtergrond van deze adviezen. Dit advies bevat ook achtergrondinformatie over het gebruik van de financieringslastnormen, zodat het gebruikt kan worden als algemene beschrijving van de gehanteerde methode. Utrecht, oktober 2017
4 Samenvatting Het Nibud adviseert voor de Regeling Hypothecair Krediet de volgende aanpassingen. - In een separaat Excel bestand staan tabellen met financieringslastpercentages voor Wij adviseren deze tabellen op te nemen in de nieuwe Regeling. Deze tabellen bevatten dezelfde rentekolommen als in Wel is het startinkomen voor niet-aow-gerechtigden verhoogd van naar euro. - Het Nibud adviseert om de vuistregel voor tweeverdieners voor 2018 als volgt te laten luiden: Pas het financieringslastpercentage toe dat hoort bij het hoogste inkomen vermeerderd met 0,7 van het laagste inkomen op het gezamenlijke inkomen van beide partners. - Het Nibud adviseert de huidige regeling voor alleenstaanden te handhaven, met verhoging van het laagste inkomen tot euro. - Het Nibud adviseert de huidige regeling voor de minimale toetsrente te handhaven. - Het Nibud zal aangeven welke bedragen het gebruikt als extra woonlasten die een koopwoning met zich meebrengen ten opzichte van een huurwoning. - Het Nibud adviseert met betrekking tot de extra ruimte voor energiezuinige woningen: o Handhaaf de uitzondering van euro voor een lijst van maatregelen, de voormalige A++-woningen en woningen met een EI/EPC =< 0,6; o Maak één uitzondering voor woningen die gegarandeerd geen gebouwgebonden energieverbruik meer hebben. Het extra bedrag voor 2018 zal op euro gehandhaafd blijven. Dit moet worden aangetoond via een EI/EPC <=0. Ook de huidige Nul-op-demeterwoningen kunnen hieronder blijven vallen; o Voor verstrekkers die van de algemene explain-maatregel gebruik willen maken, zullen we aangeven met welke energiebedragen wij rekenen voor de standaardtabellen. In onderstaande figuur staat het gemiddelde verschil in maximale hypotheek weergegeven voor 2018 ten opzichte van 2017 over alle rentestanden. Het verschil wordt op twee manieren gepresenteerd, zowel op basis van de gemiddelde verwachte bruto loonstijging van 2,2 procent als op basis van geen loonstijging. De eerste benadering doet het meeste recht aan het feit dat de financieringslastpercentages gelden voor een heel jaar en geven de algemene ontwikkeling van de leencapaciteit in Nederland weer, bij gelijkblijvende rentestand.
5 De tweede benadering sluit aan bij individuele huishoudens die net voor of net na de jaarwisseling een hypotheek willen afsluiten en op dat moment geen loonsverhoging krijgen.
6 Inhoud VOORWOORD... 3 SAMENVATTING INLEIDING Aanleiding De rol van het Nibud Proces Leeswijzer DE METHODIEK VAN DE HYPOTHEEKNORMEN Criteria Betaalbaarheid Hanteerbaarheid Robuustheid Van netto woonlasten naar maximale hypotheek Bijkomende woonlasten Hypotheekvorm en brutering Stijgende hypotheeklasten tijdens de looptijd Minimale toetsrente Specifieke uitgangspunten Belangrijkste uitgangspunten FINANCIERINGSLASTPERCENTAGES Niet AOW-gerechtigden Resultaat niet AOW-gerechtigden Verschillen niet AOW-gerechtigden AOW-gerechtigden Aparte tabellen voor AOW-gerechtigden Specifieke uitgangspunten voor AOW-gerechtigden Resultaat AOW-gerechtigden Verschillen AOW-gerechtigden Niet-aftrekbare gedeelten Aparte tabellen voor niet-aftrekbare gedeelten Berekening hypotheek voor niet-aftrekbare gedeelten Specifieke uitgangspunten voor niet-aftrekbare gedeelten Resultaat niet-aftrekbare gedeelten Verschillen niet-aftrekbare gedeelten Tweeverdieners Vuistregel tweeverdieners Waarom aparte behandeling van het inkomen van de partner... 35
7 3.4.3 Effecten Vrijlating bij energiezuinige maatregelen Huidige regeling Aanleiding tot herziening De reguliere tabellen Advies vrijlating euro voor specifieke energiebesparende maatregelen Advies vrijlating euro voormalige A++-woningen en woningen met EI/EPC <= 0, Advies vrijlating Nul-op-de-meterwoningen Mogelijkheid tot maatwerk Samenvatting Aantoonbaar niet-kwetsbare groepen Afwijkende regeling voor aantoonbaar niet-kwetsbare groepen Advies voor Overige aspecten en ontwikkelingen Minimale toetsrente Verschil tussen huur en koop Het initiatief Handig! Aansluiting normen Consumptief Krediet en Hypothecair Krediet BESCHERMENDE WERKING VAN DE NORMEN VOOR VERSCHILLENDE GROEPEN HUISHOUDENS Methode Uitkomsten Marges voor verschillende huishoudtypen Marges na rentestijging Kanttekeningen BIJLAGE A: OVERZICHT UITGANGSPUNTEN BIJLAGE B: UITWERKING VOORBEELDBEREKENING B1 Niet-AOW gerechtigde B2: AOW-gerechtigden B3 Berekening van de marge voor andere huishoudtypen BIJLAGE C: MINIMALE EN VOORBEELDBEDRAGEN C1 Minimale bedragen C2 Voorbeeldbedragen BIJLAGE D: KOOPKRACHT BEGRIPPENLIJST... 70
8 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Dit document geeft advies over de financieringslastpercentages voor De financieringslastpercentages zijn een onderdeel van de Regeling Hypothecair Krediet. Deze Regeling reguleert de hypotheekverstrekking in Nederland. Huiseigenaren, verstrekkers en de overheid hebben belang bij een veilige en verantwoorde hypotheekverstrekking. De hypotheekmarkt is een markt waar hypotheekverstrekkers en (toekomstige) huiseigenaren een product uitwisselen. Deze markt en het product hebben echter een aantal bijzonderheden: 1. Er is een verschil in informatie, kennis en ervaring tussen beide partijen. De beter geïnformeerde hypotheekverstrekkers kunnen hier financieel voordeel uithalen ten nadele van de (toekomstige) huiseigenaar. Huiseigenaren laten zich meestal bijstaan door een adviseur. 2. Hypotheekverstrekking kent risico s. Dit zijn allereerst risico s voor de huiseigenaar. Wanneer hij de maandlasten niet meer kan opbrengen, kan hij zijn woning en andere bezittingen verliezen, of zelfs met een restschuld achterblijven. Vanwege de hoogte van de lening en de grote gevolgen van woningverlies gaat het om significante risico s. Wanbetaling is ook een risico voor de geldverstrekker. Wanneer eigenaren massaal hun maandlasten niet meer kunnen opbrengen en het onderpand onvoldoende opbrengt, kan dit de geldverstrekker in financiële problemen brengen. Wanneer veel geldverstrekkers en huiseigenaren problemen krijgen, kan dit gevolgen hebben voor de financiële stabiliteit en daarmee voor de reële economie. De Rijksoverheid heeft daarom belang bij een verantwoorde hypotheek verstrekking. 3. Hypotheekverstrekking biedt kansen. Zonder hypotheekverstrekking zou slechts een fractie van de Nederlanders een eigen woning kunnen bezitten. Het verlenen van krediet zorgt er voor dat huishoudens de mogelijkheid hebben passend te wonen en dat mensen kunnen verhuizen, wanneer de omstandigheden daarvoor geschikt zijn. Verhuizingen en verbeteringen van woningen brengen economische activiteit met zich mee. Vanwege deze redenen hebben huiseigenaren, hypotheekverstrekkers en de Rijksoverheid belang bij een verantwoorde hypotheekverstrekking.
9 1.2 De rol van het Nibud Sinds 2000 berekent het Nibud in opdracht van de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen de financieringslastpercentages die horen bij de normen voor een hypothecaire lening met Nationale Hypotheek Garantie (NHG). Deze financieringslastnormen zijn sinds 2007 onderdeel geworden van de Gedragscode Hypothecaire Financiering, die opgesteld is door het Contactorgaan Hypothecair Financiers. Daardoor worden ze sinds die tijd ook gebruikt voor niet-nhg-hypotheken. Verder gebruikt de Autoriteit Financiële Markten de financieringslastnormen als richtlijn bij haar toezichthoudende functie. Sinds 1 januari 2013 is er een ministeriële regeling van kracht die de inkomenscriteria voor het verstrekken van hypothecair krediet en regels voor het vaststellen van de maximale hoogte van het hypothecair krediet in verhouding tot de waarde van de woning beschrijft. De inkomenscriteria worden elk jaar aangepast aan de veranderde inkomens- en uitgavensituatie van huishoudens, en mogelijke andere ontwikkelingen. Dit document geeft het advies voor aanpassingen voor Proces Dit advies is opgesteld door het Nibud. Hierin worden de financieringslastnormen voor 2018 gepresenteerd, inclusief een aantal adviezen ter verbetering. Dit is gedaan na consultatie van een aantal partijen. Geconsulteerd zijn: - de Rijksoverheid: de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Financiën; - hypotheekverstrekkers: de Nederlandse Vereniging van Banken en het Verbond van Verzekeraars; - toezichthouders: de Autoriteit Financiële Markten en De Nederlandsche Bank; - de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen; - de Vereniging Eigen Huis. De Rijksoverheid kan dit advies gebruiken om een wijziging van de Regeling hypothecair krediet voor te bereiden. Op Prinsjesdag is de Rijksbegroting voor 2018 bekend gemaakt. De gepresenteerde koopkrachtverwachting voor 2018 is geen aanleiding geweest om aanpassingen te maken, zoals in bijlage D te zien is. Advies financieringslastnormen 2018 / 9
10 1.4 Leeswijzer Dit document is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk twee worden de hoofdlijnen van de methodiek beschreven. Hoofdstuk drie bevat de adviezen voor Dit hoofdstuk bevat tevens de verschillen ten opzichte van In hoofdstuk vier staan de effecten van de financieringslastnormen voor verschillende groepen huishoudens en omstandigheden beschreven. Dit gebeurt aan de hand van marges die huishoudens nog hebben bij maximale financiering. In de bijlagen zijn nadere detailleringen en een uitgebreidere toelichting op de uitgevoerde berekeningen opgenomen. De daadwerkelijke tabellen zijn in aparte documenten aangeleverd. 10 / Advies financieringslastnormen 2018
11 2 De methodiek van de hypotheeknormen 2.1 Criteria Bij het bepalen van de huidige methodiek is rekening gehouden met drie criteria: 1. Betaalbaarheid Uitgangspunt van de methodiek is dat de hypotheekverstrekking veilig en verantwoord is. In het ideale geval betekent dit dat voor elk individueel huishouden getoetst wordt of een hypotheeklast nu en in de toekomst draagbaar is, afgezet tegen het individuele huidige en toekomstige inkomsten- en uitgavenpatroon. 2. Hanteerbaarheid Een dergelijke individuele aanpak is ingewikkeld. Het achterhalen van de daadwerkelijke inkomsten en uitgaven van een huishouden is een tijdrovend proces en het is de vraag of het uitgavenpatroon voortgezet wordt in de nieuwe situatie die ontstaat na aankoop van een woning. Daarnaast zullen hypotheekverstrekker en consument zich ongemakkelijk voelen bij discussies over welke individuele uitgaven als luxe en welke als noodzakelijk gezien worden. Een dergelijke aanpak kan al snel tot subjectiviteit en willekeur leiden. Een zekere mate van standaardisering en het werken met gemiddelde uitgavenpatronen, is dan ook wenselijk. 3. Robuustheid Abrupte veranderingen in de leencapaciteit kunnen voor bepaalde groepen leiden tot meer of minder mogelijkheden op de woningmarkt. Het is daarom belangrijk om veranderingen geleidelijk door te voeren. Robuustheid is daarmee een derde criterium bij het opstellen van de financieringslastnormen. De globale uitwerking van de drie criteria staat in de volgende paragrafen Betaalbaarheid De ruimte die een huishouden heeft voor woonuitgaven wordt bepaald door het bruto inkomen te verminderen met de verschuldigde belastingen en premies, en met de kosten van levensonderhoud. Deze overige kosten dienen ook betaalbaar te blijven na het afsluiten van een hypotheek. Ze worden verder overige uitgaven genoemd. Het Nibud maakt bij de hoogte van de overige uitgaven onderscheid tussen minimale bedragen en voorbeeldbedragen. Minimale bedragen/basispakket De minimale bedragen zijn de bedragen die minimaal voor een huishouden beschikbaar moeten blijven. De minimale bedragen zijn afhankelijk van de huishoudsamenstelling maar onafhankelijk van het inkomen. De minimale bedragen zijn de kosten van het Advies financieringslastnormen 2018 / 11
12 basispakket, aangevuld met een buffer. Het basispakket is een pakket aan goederen en diensten die voor vrijwel elk huishouden vrijwel onvermijdbaar zijn. Het Nibud heeft dit basispakket samengesteld en bekijkt jaarlijks of het pakket nog alle goederen en diensten bevat die voor een huishouden moeilijk vermijdbaar zijn en past dat zo nodig aan. Aan het basispakket wordt een buffer toegevoegd om tot de minimale uitgaven te komen. Deze buffer bevat een tweetal elementen: - Een aantal uitgavenposten die niet volledig onvermijdbaar zijn, maar waarvan het niet realistisch is te veronderstellen dat huishoudens gedurende de gehele looptijd van de hypotheek daarvan af zullen zien, zoals de contributie van een vereniging of het op bezoek gaan bij familie. - Ruimte om enige persoonlijk onvermijdbare uitgaven op te vangen. Met persoonlijk onvermijdbare uitgaven bedoelen we uitgaven die niet voor iedereen noodzakelijk zijn, maar wel voor het individuele huishouden. Voorbeelden ervan zijn: o een gezin met kinderen o extra kosten van chronische ziekte of handicap o een zeer energie-onzuinige of onderhoudsgevoelige woning o bovengemiddelde pensioenverplichtingen o ondersteuning familieleden De hoogte van deze buffer is zodanig gespecificeerd dat beide elementen een rol spelen. Er moet gelden dat: - een paar (eenverdiener) zonder kinderen een bedrag aan niet volledig onvermijdbare uitgaven kan besteden, waardoor ze boven de niet-veel-maartoereikend armoedegrens van het SCP komen; - een paar (eenverdiener) met twee kinderen (1 onder en 1 boven de 12 jaar) het voor hen geldende basispakket voor de overige uitgaven kan betalen. Voorbeeldbedragen De voorbeeldbedragen zijn de uitgaven die een vergelijkbaar huishouden met een vergelijkbaar inkomen gemiddeld doet aan de verschillende uitgavenposten. Deze bedragen zijn dus afhankelijk van zowel de huishoudsamenstelling als het inkomen. De voorbeeldbedragen worden onder andere afgeleid van het Budgetonderzoek van het CBS. Normbedragen Het uitgangspunt voor de tabellen met financieringslastpercentages is dat bij een maximale hypotheeklast de overige uitgaven precies tussen de minimale bedragen en de voorbeeldbedragen uitkomen. Dit niveau zullen we verder aanduiden met de term normuitgaven. In figuur 1 wordt dit uitgangspunt schematisch weergegeven. Soms betekent dit dat voor de laagste inkomens alleen de minimale bedragen overblijven, omdat daar minimum- en voorbeeldbedragen gelijk zijn. 12 / Advies financieringslastnormen 2018
13 Figuur 1: Uitgangspunt bij de berekening van de hypotheeknormen Er is dus geen pakket aan normuitgaven, waar precies wordt omschreven aan welke uitgavenposten hoeveel dient te worden uitgegeven. Het is aan het individuele huishouden zelf om te bepalen of er bezuinigd moet worden en op welke posten er bezuinigd wordt ten opzichte van de voorbeeldbedragen, om te komen tot het bedrag van de normuitgaven. In bijlage C staat een nadere beschrijving van de hoogte van de uitgavenposten. Wijzigingen voor 2018 Het uitgavenniveau waarmee rekening gehouden wordt, is gebaseerd op gemiddelden van de afgelopen vier jaar (zie 2.1.3). Voor 2018 zijn nu de jaren gebruikt in plaats van Voor alle uitgavenposten geldt dat de hoogte is aangepast aan het prijspeil van Ook zijn voor 2017 enige wijzigingen in de samenstelling van het minimumpakket doorgevoerd. De belangrijkste daarvan zijn: - er is aansluiting gezocht bij de nieuwe richtlijnen voor voeding, zoals het Voedingscentrum die hanteert (de nieuwe Schijf van Vijf). Dit resulteert in iets lagere uitgaven voor het jaar er is overgestapt op een nieuwe berekening voor de minimale kosten van de niet volledig onvermijdbare uitgavenposten. Deze nieuwe berekening doet meer recht aan de verschillen in kosten tussen huishoudtypen. Dit resulteert in iets hogere overige uitgaven voor het jaar Daarnaast wordt de buffer nu toegepast voor alle inkomens en niet meer alleen voor inkomens tot euro. Dit omdat ruimte voor de niet volledig onvermijdbare Advies financieringslastnormen 2018 / 13
14 uitgaven en persoonlijke uitgaven voor alle huishoudens van belang is. De systematiek wordt daarmee tevens eenduidiger. Vanwege de middeling over vier jaar zal het effect van deze wijzigingen geleidelijk zijn weerslag krijgen op de financieringslastpercentages. Specifieke persoonlijk onvermijdbare uitgaven Met een aantal specifieke persoonlijke uitgaven houden hypotheekverstrekkers expliciet rekening bij het bepalen van de maximale hypotheek. Dit zijn onder andere: - uitstaand consumptief krediet - alimentatieverplichtingen - erfpachtcanonbetalingen Deze zaken zijn dus niet in de financieringslastpercentages verwerkt, maar worden bij de individuele advisering en verstrekking betrokken Hanteerbaarheid Voor het bepalen van hypotheeknormen wordt niet uitgegaan van het individuele uitgavenpatroon, maar van gemiddelde uitgavenpatronen. Het resultaat wordt gepresenteerd in een tabel met financieringslastpercentages. De financieringslastpercentages drukken de maximale bruto hypotheeklasten uit in een percentage ten opzichte van het toetsinkomen. Het toetsinkomen wordt afgeleid uit het bruto inkomen 1. Voor deze opzet is gekozen, omdat: - het bruto inkomen makkelijk geverifieerd kan worden aan de hand van de loonstrook of administraties; - de hoogte van de hypotheek berekend kan worden uit de bruto maandlasten. De tabel geldt in principe voor alle omstandigheden. Uitgangspunt is een huishouden van twee volwassenen, waarvan één partner inkomsten heeft. Slechts in beperkte mate wordt er rekening gehouden met individuele omstandigheden. Dit betreft huishoudens met een duidelijk afwijkend bruto-netto traject, dat wil zeggen dat een zelfde bruto inkomen leidt tot een duidelijk verschillend netto inkomen. Dit geldt voor: - AOW-gerechtigden - hypotheken waarvan de rente niet (volledig) aftrekbaar is - tweeverdieners 1 Zie de Tijdelijke Regeling, artikel / Advies financieringslastnormen 2018
15 Daarnaast zijn uitzonderingen mogelijk voor: - het treffen van energiezuinige maatregelen; - alleenstaanden met een relatief laag inkomen. Consumenten en hypotheekverstrekkers maken eigen afwegingen. Het kan voorkomen dat er minder verstrekt wordt dan mogelijk is volgens de tabellen. Dat kan komen omdat mensen niet hun maximale leencapaciteit hoeven te benutten bij de aankoop van een woning. Het kan ook zijn dat hypotheekverstrekkers minder willen uitlenen, bijvoorbeeld omdat er sprake is van persoonlijke verplichtingen of omdat het inkomen minder zeker is. Maatwerk mogelijk Soms wordt kritiek op de methode geuit, dat de financieringslastnormen dwingend zijn, en maatwerk daardoor niet mogelijk is. Dit is echter niet het geval. De Regeling hypothecair krediet geeft een aantal afwijkingsmogelijkheden: - als er sprake is van toekomstige beschikbare inkomsten uit vrij beschikbaar vermogen van de consument, indien die inkomsten redelijkerwijs te verwachten zijn; (artikel 2, lid 3a); - als er sprake is van een te verwachten structurele inkomensstijging binnen een redelijke termijn (artikel 2, lid 3b); - als het gaat om oversluiten (huiseigenaar blijft in de zelfde woning wonen, en hypotheekbedrag wordt niet verhoogd, artikel 4, lid 2); Daarnaast mag afgeweken worden als: b. de motivering van de afwijking wordt vastgelegd, met documenten wordt onderbouwd en berekeningen bevat waaruit blijkt dat de afwijkende situatie getoetst is op de in deze regeling gestelde normen en waarin wordt aangegeven waarom het verstrekken van het hypothecair krediet in de specifieke situatie verantwoord is; c. de aanbieder kan aantonen dat hij de juistheid van de gegevens waarop de afwijking is gebaseerd heeft gecontroleerd; en d. de aanbieder aantoonbaar heeft beoordeeld dat het aannemelijk is dat de aanleiding voor de afwijking een bestendige situatie is. Deze laatste is een open formulering en geeft hypotheekverstrekkers de mogelijkheid om elke denkbeeldige situatie op te vangen. Soms wordt gevraagd om een nadere invulling van dit artikel. Nadere omschrijving houdt echter het risico in dat de Regeling hypothecair krediet nog gedetailleerder wordt, terwijl die nog steeds niet volledig dekkend zal zijn. Ook dan zullen er nog steeds situaties zijn die niet volledig ingevuld zijn en waarvoor maatwerk gewenst is. Bijkomend risico van het gedetailleerder invullen is dat hypotheekverstrekking steeds meer gebaseerd gaat worden op de situatie van een huishouden op het huidige Advies financieringslastnormen 2018 / 15
16 moment, terwijl de hypotheeklasten gedurende een lange periode draagbaar moeten zijn. Het afgelopen jaar is tijdens het Platform Maatwerk 2 een aantal situaties besproken, waarbij de mogelijkheid tot maatwerk aan de orde is gekomen. In twee situaties heeft de toezichthouder AFM verduidelijkt wanneer maatwerk verantwoord kan worden toegepast. Het gaat daarbij om: - senioren met een aflossingsvrije hypotheek - senioren die willen verhuizen naar een goedkopere koopwoning Robuustheid Elk jaar worden de minimale bedragen en de voorbeeldbedragen aangepast. Om relatief grote wijzigingen in de tabellen met financieringslastpercentages van jaar tot jaar te voorkomen, worden sinds 2017 de tabellen gemiddeld. Dit gemiddelde betreft het voorgaande jaar en de drie daaraan voorafgaande jaren. Voor de hypotheeknormen voor 2018 zijn dus de jaren 2014 tot en met 2017 gebruikt. Tot en met 2016 werden alleen de overige uitgaven van de laatste vier jaren gemiddeld, niet de brutonettotrajecten. Bij het middelen van de overige uitgaven wordt gecontroleerd of de minimale bedragen van het voorafgaande jaar gewaarborgd zijn bij de berekende financieringslastpercentages. Iemand die nu een hypotheek afsluit, doet immers nú zijn uitgaven en geen gemiddelde uitgaven van de afgelopen vier jaar. Zo nodig worden de financieringslastpercentages aangepast om hieraan te voldoen. Deze correctie hoefden we voor 2018 niet toe te passen. 2 Kamerstukken 2016/2017, , nr / Advies financieringslastnormen 2018
17 2.2 Van netto woonlasten naar maximale hypotheek Bijkomende woonlasten Op de manier zoals beschreven in de vorige paragraaf wordt de netto ruimte voor woonlasten bepaald. Deze ruimte kan worden opgevuld met de lasten van de hypotheek en bijkomende woonlasten. De bijkomende woonlasten zijn: - de kosten voor onderhoud; - de onroerendezaakbelasting; - de premie voor de opstalverzekering; - de eigenaarslasten van het waterschap. De hoogte van de bijkomende woonlasten is afhankelijk van de waarde van de woning. De netto ruimte voor hypotheeklasten is gelijk aan de netto woonlasten minus de bijkomende woonlasten Hypotheekvorm en brutering De uiteindelijke tabel geeft de bruto lasten van een hypotheek weer. Daarom wordt de eerder berekende netto rentecomponent gebruteerd. Dit gebeurt via de lasten van een 30-jarige annuïteitenhypotheek in het eerste jaar. Als financieringslast van een hypothecair krediet geldt, ongeacht de vorm van het hypothecair k rediet, het berekende bruto jaarlijkse bedrag aan debetrente en aflossing behorende bij een hypothecair krediet met een annuïtair aflossingsschema gedurende 30 jaar. Dit is de hypotheekvorm met de laagste initiële maandlasten, waarbij fiscale aftrek mogelijk is. Vroeger lagere netto maandlasten in de praktijk Tot 2013 was het mogelijk om nieuwe aflossingsvrije hypotheken af te sluiten met fiscale aftrek. In de praktijk hadden veel huiseigenaren dan ook lagere netto maandlasten dan de lasten die volgens deze methodiek worden bepaald. De keuze van de hypotheekvorm voor het berekenen van de financieringslast is sinds het ontstaan van deze methodiek niet gewijzigd. De methodiek is oorspronkelijk bedoeld geweest voor de NHG, die een annuïtair aflopende borgstelling heeft. Ook in de periode dat spaar- en aflossingsvrije hypotheken in zwang waren, is het uitgangspunt altijd de annuïteitenhypotheek geweest. Daarmee hebben huizenkopers altijd de mogelijkheid gehad om volledig af te lossen en is er geen differentiatie ontstaan in leencapaciteit bij verschillende soorten hypotheken. Advies financieringslastnormen 2018 / 17
18 2.2.3 Stijgende hypotheeklasten tijdens de looptijd De fiscale aftrek is sinds 2013 voor nieuwe hypotheken alleen nog toegestaan bij een minimaal annuïtair aflosschema. Daarom worden sinds die tijd bijna uitsluitend nog nieuwe lineaire en annuïtaire hypotheken verstrekt. Een annuïteitenhypotheek heeft een jaarlijks stijgende netto last. De hoogte van de stijging hangt af van de rentestand en van het belastingvoordeel. In onderstaande figuur is voor een aantal scenario s weergegeven hoe groot die stijging is. In de eerste helft van de doorlooptijd van de hypotheek is deze stijging relatief beperkt. Pas vanaf het 23 e jaar is er één scenario waarbij de maximale inflatiedoelstelling van 2 procent wordt overschreden. De jaarlijkse stijging van de netto maandlast is hoger, naarmate het belastingtarief hoger is, en naarmate het rentepercentage hoger is. We hebben ook een scenario berekend (rente 5 procent) waarbij de afbouw van de hypotheekrenteaftrek wordt meegenomen van de huidige 50 procent naar 38 procent met stappen van 0,5 procentpunt 3. Dit is in figuur 2 de lijn met de lichtblauwe vierkanten. In dit scenario is vanaf het eerste jaar de stijging hoger (rond de 1,5 procent) dan zonder deze afbouw. De stijging is in de verdere jaren vrijwel constant. Op jaar 24 is de afbouw van de hypotheekrenteaftrek voltooid, en volgt de lijn de jaarlijkse stijging van vergelijkbare hypotheken. Figuur 2: Jaarlijkse stijging netto hypotheeklasten bij annuïtaire aflossing 3 Er is hierbij geen rekening gehouden met de compensatie van de verlaagde hypotheekrenteaft rek via belastingschijven en -tarieven. 18 / Advies financieringslastnormen 2018
19 Gelet op de ontwikkeling van de netto lasten tijdens de looptijd vinden we dat de betaalbaarheid voldoende gewaarborgd is Minimale toetsrente Bij gebruik van de tabel moet de toegestane maandlast omgerekend worden naar een hypotheekbedrag. Dit gebeurt met zogenaamde annuïteitenfactoren. Deze factoren hangen af van de rentestand: hoe lager de rentestand, hoe hoger de annuïteitenfactor. In principe wordt de annuïteitenfactor gehanteerd die hoort bij de aangeboden rentestand. Bij een rentestijging nemen de netto maandlasten toe. Daardoor kan de betaalbaarheid van de hypotheek op termijn onder druk komen te staan. Om dit risico te verminderen moet voor hypotheken met een korte rentevaste periode getoetst worden met een zogenaamde minimale toetsrente. Dat betekent dat de annuïteitenfactor gehanteerd dient te worden die hoort bij de minimale toetsrente in plaats van de annuïteitenfactor die hoort bij de lagere werkelijke rente. Hierdoor is de maximale hypotheek lager dan wanneer bij de daadwerkelijke (lagere) rente zou worden getoetst. Er ontstaat zo een buffer om toekomstige renteverhogingen te kunnen opvangen. In de Regeling hypothecair krediet is vastgelegd dat er een minimale toetsrente geldt voor hypotheken met een rentevaste periode korter dan tien jaar. In de Regeling voor 2018 wordt hier aan toegevoegd dat de minimale toetsrente niet geldt voor hypotheken die nog minder dan tien jaar lopen en binnen die tijd volledig zijn afgelost. De AFM stelt elk kwartaal de minimale toetsrente vast. De minimale toetsrente is 5 procent in het vierde kwartaal van Specifieke uitgangspunten Belangrijkste uitgangspunten In deze paragraaf staan de belangrijkste uitgangspunten voor de berekening van de financieringslastpercentages op basis van de gegevens van het jaar Een opsomming van alle uitgangspunten wordt gegeven in bijlage A. In bijlage B zijn voorbeelden uitgewerkt van de berekening van de financieringslastpercentages. De uiteindelijke financieringslastpercentages voor 2018 worden berekend als gemiddelde van de financieringslastpercentages op basis van de jaren 2014, 2015, 2016 en Voor de specifieke uitgangspunten van de jaren 2014, 2015 en 2016 verwijzen we naar eerdere rapporten. Algemeen - De financieringslastpercentages worden gepresenteerd in stappen van 0,5 procent. - De financieringslastpercentages worden naar beneden afgerond (op 0,5 procent). Dat betekent dat we de ongecorrigeerde percentages van de vier jaar middelen, en deze uitkomst naar beneden afronden. Advies financieringslastnormen 2018 / 19
20 Rente - Sinds 2015 is er bij het opstellen van de kolomrentes voor gekozen om de tabel op te stellen in twaalf kolommen met verschillende rentestanden. Voor die tijd waren er vijf kolommen. Dit ondervangt het schuiven met kolomrentes om de tabel elk jaar aan te laten sluiten bij de werkelijke rentestanden van dat moment. Gezien de huidige marktrentes adviseert het Nibud om voor 2018 de huidige indeling van de rentekolommen te handhaven. De tabellen beginnen dus met een rentestand van lager dan 1 procent en eindigen met een rentestand hoger dan 6 procent. - De financieringslastpercentages zijn berekend bij een rentepercentage dat precies het middelste percentage is uit de betreffende kolom. Dus bij 3,75 procent in de kolom 3,501-4,000 procent. Voor de uiteinden van de tabel is gerekend met een rentestand die 0,25 procent lager, resp. hoger ligt dan de grenswaarde. Dus bij 0,75 procent in de linkerkolom en 6,25 procent in de rechterkolom; - De financieringslastpercentages zijn bij oplopende rente niet-dalend. Niet-dalend wil zeggen dat het financieringslastpercentage bij een hogere rentestand niet lager mag zijn dan bij een lagere rentestand. - Het kan voorkomen dat de maximale hypotheek stijgt bij een hogere rentestand vanwege de oplopende financieringspercentages bij hogere rentestanden. Zeker op de grens van de kolommen komt dat voor. Wanneer dit nog gebeurt bij de middelste rentepercentages in een kolom, zijn de financieringslastpercentages zo veel mogelijk handmatig gecorrigeerd. Dus als een rentestand van 3,25 procent bij een bepaald inkomen een hogere hypotheek oplevert dan een rentestand van 2,75 procent, dan zijn de financieringslastpercentages gecorrigeerd. In dit geval door ofwel het financieringslastpercentage bij 3,25 procent met 0,5 procent te verlagen ofwel door het financieringslastpercentage bij 2,75 procent met 0,5 procent te verhogen. Daarbij dient de eis van niet-dalendheid van kracht te blijven. We streven er naar zo weinig mogelijk handmatige correcties te doen: liever één financieringslastpercentage handmatig wijzigen dan tien. Waarom stijgen financieringslastpercentages bij een hogere rente? Bij een hogere rentestand is het financieringslastpercentage hoger dan bij een lagere rentestand. Dit lijkt op het eerste gezicht tegenstrijdig. Een hogere rentestand betekent immers minder leenruimte. Toch is dit fenomeen juist. De methodiek gaat -bij hetzelfde bruto inkomen- uit van gelijke netto woonlasten, ongeacht de rentestand. Het financieringslastpercentage geeft echter de bruto lasten weer ten opzichte van het bruto inkomen. Bij gelijke netto maandlasten is bij een hogere rentestand het bedrag aan rente hoger en het bedrag voor aflossing lager dan bij een lagere rentestand. Omdat de rente aftrekbaar is, is bij een hogere rentestand een hoger bruto bedrag aan rente mogelijk dan bij een lagere rentestand. Dit extra bruto bedrag aan rente is over het algemeen groter dan het verlies aan aflossing. Daarom stijgt bij een hogere rente het bruto bedrag dat aan hypotheeklasten kan worden uitgegeven en daarmee het percentage ten opzichte van het inkomen. 20 / Advies financieringslastnormen 2018
21 Het uiteindelijke hypotheekbedrag hangt samen met het maandelijkse bedrag aan aflossing. Dat daalt bij een hogere rente. Daarom is bij een hogere rente het te lenen bedrag uiteindelijk lager, terwijl het financieringslastpercentage hoger is. Inkomen - De tabel wordt uitgerekend vanaf een bruto jaarinkomen dat ongeveer overeenkomt met het verwachte bruto minimumloon van januari Dit is iets gestegen ten opzichte van het bruto minimumloon van Het Nibud adviseert om de tabel voor niet-aow-gerechtigden te laten beginnen bij een inkomen van euro in plaats van euro. De tabel wordt vervolgens uitgerekend met stappen van 500 euro tot een inkomen van euro en daarna met stappen van euro tot en met een inkomen van euro. Inkomens waarbij de financieringslastpercentages gelijk blijven, worden niet in de tabel opgenomen; - Voor inkomens boven de euro zijn geen betrouwbare gegevens beschikbaar om tot passende financieringslastpercentages te komen. - De financieringslastpercentages zijn bij oplopend inkomen niet-dalend. Niet-dalend wil zeggen dat het financieringslastpercentage bij een hoger inkomen niet lager mag zijn dan bij een lager inkomen. Huishoudsituatie - De berekeningen zijn gebaseerd op een tweepersoonshuishouden zonder kinderen in een alleenverdienerssituatie. - Bij het opstellen van de tabellen zijn de fiscale gegevens van het jaar gebruikt. Een aantal maatregelen wordt stapsgewijs gedurende een periode van een groot aantal jaren ingevoerd, bijvoorbeeld de beperking van de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner en de beperking van het tarief van de hypotheekrenteaftrek. In die gevallen is de situatie voor het jaar gebruikt waarvoor de percentages zouden gaan gelden. Kenmerken van de woning - De waarde van de woning wordt in de tabel van 2017 vastgesteld op 100% van de maximale hypotheek, conform het te verwachten maximum aan loan-to-value voor 2018; in de afzonderlijke jaren is steeds het dan geldende maximum gebruikt. - De onderhoudskosten zijn afhankelijk van de waarde van de woning. In de berekeningen voor 2017 wordt een percentage van 1,069 procent gehanteerd voor de jaarlijkse onderhoudskosten; Dit percentage is afkomstig uit WoON2012. Het is onveranderd ten opzichte van vorig jaar. - De jaarlijkse overige eigenaarslasten met betrekking tot een eigen woning bedragen voor ,313 procent van de waarde van de woning. Dit bestaat uit de onroerendezaakbelasting voor eigenaren, de waterschapslasten en de opstalverzekering. Het percentage is afkomstig van COELO en is 0,0 023 procentpunt hoger dan vorig jaar. Advies financieringslastnormen 2018 / 21
22 - Voor het gebouwgebonden energieverbruik wordt uitgegaan van een woning met energielabel C. Hierbij is gebruik gemaakt van nieuwe gegevens van RVO over het gebouwgebonden verbruik van woningen naar type en bouwjaar. Voor de basisbedragen is dit een flatwoning. Voor de voorbeeldbedragen wordt het woningtype vastgesteld op basis van de verdeling van woningtypen naar de waarde van de woning. Deze verdeling naar waarde van de woning is afkomstig uit WoON2015 en daarna geïndexeerd met de CBS-index voor de waardeontwikkeling van woningen. Aandachtspunt: zeer lage inkomens Er zijn situaties denkbaar dat het bruto jaarinkomen van een huishouden onder de euro ligt. Dit geldt bijvoorbeeld voor parttime werkende alleenstaanden, zelfstandig ondernemers of huishoudens met eigen vermogen. Gezien de grote spreiding van het inkomen en de omstandigheden in deze groepen is het moeilijk daar een percentage voor te vinden. Daarom start de tabel bij een bruto inkomen van 0 euro, met dezelfde financieringslastpercentages als bij euro. Hoewel bij deze inkomens de hypotheek relatief klein zal zijn, moet in deze gevallen bedacht worden dat in sommige gevallen de overige uitgaven niet uit het lopende inkomen kunnen worden gedaan. 22 / Advies financieringslastnormen 2018
23 3 Financieringslastpercentages 2018 In dit hoofdstuk presenteren we de resultaten. Achtereenvolgens komen aan bod: - Niet AOW-gerechtigden - AOW-gerechtigden - Niet-aftrekbare gedeelten - Tweeverdieners - Energiebesparende maatregelen - Alleenstaanden met een laag inkomen. De daadwerkelijke tabellen zijn opgenomen in aparte documenten. Het Nibud adviseert deze tabellen te gebruiken voor de Wijzigingsregeling hypothecair krediet Advies financieringslastnormen 2018 / 23
24 3.1 Niet AOW-gerechtigden Resultaat niet AOW-gerechtigden 2018 In figuur 3 staan de financieringslastpercentages voor 2018 voor niet AOWgerechtigden grafisch weergegeven. De lijnen in de figuur lopen in eerste instantie steil op. Dit wordt veroorzaakt doordat huishoudens met een laag inkomen weinig belasting betalen. Hypotheekrente wordt dan slechts tegen het laagste tarief afgetrokken. Figuur 3: Financieringslastpercentages 2018 voor niet AOW-gerechtigden bij verschillende rentestanden 24 / Advies financieringslastnormen 2018
25 3.1.2 Verschillen niet AOW-gerechtigden In figuur 4 zijn de verschillen in financieringslastpercentages bij een rentestand tussen de 2,501 procent en 3,000 procent weergegeven tussen 2017 en Er is over het algemeen sprake van een afwisseling van gelijkblijvende financieringslastpercentages of van een daling met 0,5 procent bij de diverse rentestanden. Figuur 4: Verschillen in financieringslastpercentages tussen 2017 en 2018 Bij gelijkblijvend inkomen leidt dat over het algemeen tot een lichte daling van de maximale hypotheek. Dit is een normaal patroon. De financieringslastpercentages dalen normaal gesproken wanneer er sprake is van inflatie van de overige (nietwoon)uitgaven. Er is dan bij gelijkblijvend inkomen immers minder ruimte over voor de woonuitgaven. In werkelijkheid hebben huishoudens ook te maken met een inkomensstijging over het jaar heen. Voor 2018 verwacht het CPB een bruto-loonstijging van 2,2 procent. Als we die inkomensstijging meenemen, leidt dat tot een vrijwel gelijkblijvende leencapaciteit bij de lagere inkomens. In figuur 5 staan de verschillen tussen 2017 en 2018 in maximale hypotheek naar inkomen. Deze verschillen worden gepresenteerd zowel met als zonder een loonstijging van 2,2 procent. Advies financieringslastnormen 2018 / 25
26 De eerste benadering doet het meeste recht aan het feit dat de financieringslastpercentages gelden voor een heel jaar en geven de algemene ontwikkeling van de leencapaciteit in Nederland weer, bij gelijkblijvende rentestand. De tweede benadering sluit aan bij individuele huishoudens die net voor of net na de jaarwisseling een hypotheek willen afsluiten en op dat moment geen loonsverhoging krijgen. Figuur 5: Verschillen maximale hypotheek naar inkomen Vanaf inkomens van euro is er sprake van een grotere stijging. Dit heeft er deels mee te maken dat de inkomensstijging zorgt voor overschrijding van een inkomensgrens. 2,2procent van is namelijk meer dan euro, zodat in 2018 bij getoetst wordt. Meestal betekent dit een hoger financieringslastpercentage. In figuur 6 staan de verschillen tussen 2017 en 2018 in maximale hypotheek naar rentestand, zowel met als zonder de inkomensstijging van 2,2 procent. Te zien is dat bij lagere rentestanden de verandering in leencapaciteit lager uitvalt dan bij hogere rentes. Dit komt doordat bij de laagste rentes de aftrek van hypotheekrente veel kleiner is. 26 / Advies financieringslastnormen 2018
27 Figuur 6: Verschillen maximale hypotheek naar rentestand Bij de meeste inkomens ligt het financieringslastpercentage voor 2018 gelijk aan dat van 2017 of 0,5 procent daaronder. Door de middeling over vier jaar is het lastiger dan voorheen om aan te geven wat hiervan de oorzaak is. Voor 2018 vervalt de situatie van 2013 en komt die van 2017 daarvoor in de plaats. In figuur 7 staan de ongecorrigeerde financieringslastpercentages voor de jaren 2013 en 2017 bij een rentestand van 2,75 procent. Te zien is dat voor inkomens tot euro de percentages voor 2017 lager uitvallen dan voor Dit wordt voor een gedeelte veroorzaakt door de introductie van de buffer in Advies financieringslastnormen 2018 / 27
28 Figuur 7: Verschillen in ongecorrigeerde financieringslastpercentages tussen 2013 en 2017 Voorbeelden verschil inclusief loonstijging In tabel 2 staan voor een aantal inkomens de maximale hypotheken weergegeven in 2017 en Hierbij is rekening gehouden met een verwachte gemiddelde loonstijging voor 2018 van 2,2 procent. Tabel 2: Maximale hypotheek 2017 en 2018 (rente = 2,75%) Bruto jaarinkomen Bruto jaarinkomen 2018* Verschil * Er is rekening gehouden met een gemiddelde loonstijging van 2,2% in / Advies financieringslastnormen 2018
29 In tabel 3 staat de maximale hypotheek weergegeven in 2017 en 2018 bij een rente van 5 procent. Dit is de toetsrente die gehanteerd moet worden bij een rentevaste periode korter dan 10 jaar. Tabel 3: Maximale hypotheek 2017 en 2018 (rente = 5%) Bruto jaarinkomen Bruto jaarinkomen 2018* Verschil * Er is rekening gehouden met een gemiddelde loonstijging van 2,2% in AOW-gerechtigden Aparte tabellen voor AOW-gerechtigden AOW-gerechtigde huishoudens hebben een afwijkend bruto-nettotraject. De tarieven in de eerste twee belastingschijven zijn lager en AOW-gerechtigden hebben lagere heffingskortingen. Daarnaast hoeven AOW-gerechtigden geen pensioenpremie meer te betalen. Wel betalen zij zelf de inkomensafhankelijke bijdrage van de zorgverzekeringswet (IAB, bijdrage Zvw). Om deze redenen wordt sinds 2003 een aparte tabel voor AOW-gerechtigden gehanteerd Specifieke uitgangspunten voor AOW-gerechtigden De tabel met financieringslastpercentages voor AOW-gerechtigden heeft de volgende specifieke uitgangspunten: - Er is uitgegaan van een echtpaar, waarvan beide partners AOW-gerechtigd zijn. Er wordt van uitgegaan dat partners in ieder geval volledige AOW krijgen. Eventueel aanvullend pensioen wordt slechts door één partner ontvangen. - De tabel wordt uitgerekend vanaf een bruto jaarinkomen van euro. Dit ligt net iets boven de verwachte bruto AOW-uitkering van januari De tabel wordt vervolgens uitgerekend met stappen van 500 euro tot een inkomen van euro en daarna met stappen van euro tot en met een inkomen van euro. - De basisbedragen en de voorbeeldbedragen voor de overige uitgaven zijn gelijk gehouden aan die voor huishoudens jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd. - Er is geen rekening gehouden met de mogelijke belastingaftrek van specifieke zorgkosten of gemeentelijke ondersteuning. Er is namelijk ook niet uitgegaan van mogelijk hogere (niet-vergoede) ziektekosten voor deze groep in vergelijking met niet AOW-gerechtigden. Daarvoor zouden specifieke aannames nodig zijn over de extra ziektekosten van deze groep. Advies financieringslastnormen 2018 / 29
30 - Er is voor AOW-gerechtigden uitgegaan van de houdbaarheidsbijdrage, dat wil zeggen een lagere indexering van de bovengrens van de tweede belastingschijf voor belastingplichtigen die zijn geboren na Resultaat AOW-gerechtigden 2018 De financieringslastpercentages voor 2018 zijn hieronder grafisch weergegeven. Figuur 8: Financieringslastpercentages voor 2018 voor AOW-gerechtigden bij verschillende rentestanden Verschillen AOW-gerechtigden In figuur 9 staan de verschillen in maximale hypotheek tussen 2017 en 2018 naar inkomen. Bij AOW-gerechtigden is er een iets ander beeld dan bij de niet AOWgerechtigden. Bij de hogere inkomens is er ook zonder inkomensstijging sprake van verruiming. Dit heeft er mee te maken dat de koopkracht van AOW -gerechtigden de afgelopen jaren op peil is gehouden door fiscale maatregelen en niet door inkomensstijging. De aanvullende pensioenen zijn immers niet of nauwelijks geïndexeerd. De relatieve lastenverlichting voor AOW-gerechtigden heeft daarmee zijn weerslag op de financieringslastpercentages. Voor niet-aow gerechtigden hebben we voorbeelden met een gemiddelde loonstijging. Bij AOW-gerechtigden doen we dat niet. De verwachting is dat het aanvullend pensioen voor AOW-gerechtigden niet of nauwelijks geïndexeerd zal worden. 30 / Advies financieringslastnormen 2018
31 Figuur 9: Verschillen maximale hypotheek AOW-gerechtigden naar inkomen 3.3 Niet-aftrekbare gedeelten Aparte tabellen voor niet-aftrekbare gedeelten De reguliere tabel gaat uit van hypotheeklasten waarvan de volledige rente aftrekbaar is. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarbij dat niet het geval is. Dit geldt bijvoorbeeld voor buitenlands belastingplichtigen, voor huishoudens die te maken hebben met de bijleenregeling of voor mensen die een niet-lineaire of niet-annuitaire hypotheek afsluiten, terwijl ze niet onder de overgangsregeling vallen. Tot en met 2014 werd gebruik gemaakt van een vuistregel om het box-3 financieringslastpercentage te benaderen. Vanaf 2015 zijn aparte box-3-tabellen met financieringslastpercentages opgenomen in de Regeling hypothecair krediet Berekening hypotheek voor niet-aftrekbare gedeelten Voor hypotheekgedeelten waarvan de rente niet aftrekbaar is, worden daarom andere financieringslastpercentages gehanteerd. Wanneer de rente van de gehele hypotheek niet aftrekbaar is, kunnen deze zogenaamde box 3-financieringslastpercentages gehanteerd worden. Advies financieringslastnormen 2018 / 31
32 Wanneer slechts een deel van de rente niet aftrekbaar is, moeten de lasten van dit niet aftrekbare gedeelte gebruteerd worden. Deze brutering kan gedaan worden met de volgende factor: Financieringslastpercentage reguliere tabel / financieringslastpercentage box 3 tabel Deze factor dient ook gebruikt te worden voor de brutering van de (niet-aftrekbare) lasten van consumptief krediet. We merken dat dit in de praktijk niet altijd gebeurt. Voorbeeld: Inkomen euro; eigen-woningreserve (EWR) euro. Rente 2,75%. Financieringslastnorm 22,5% De annuïteit bij 2,75% is 0, Bruto jaarlast is 22,5% * = Jaarlast die hoort bij een eigen woning reserve van = (12 * * 0,00408). Deze last moet gebruteerd worden, omdat het rentegedeelte niet aftrekbaar is. De bruteringsfactor is te achterhalen via de financieringslastnorm in de box-3-tabel (19,0%). 22,5 / 19,0 = 1,184. De gebruteerde jaarlast van de EWR is dan 1,184 * is Er is dan nog = over voor een hypotheek waarvan de rente aftrekbaar is. Dit komt neer op een hypotheek van (5.453 / 12) / 0,00408 = euro. De totale hypotheek bedraagt dan (in box 1) (in box 3) is Specifieke uitgangspunten voor niet-aftrekbare gedeelten Sinds 2005 is de bijtelling van het eigenwoningforfait nooit hoger dan de af trek aan hypotheekrente. Als de bijtelling van het eigenwoningforfait hoger is dan de aftrek, dan wordt een extra aftrek gecreëerd zodat de totale aftrek gelijk wordt aan de resterende bijtelling. Daarom wordt de tabel zonder fiscaal voordeel berekend zond er rekening te houden met het eigenwoningforfait Resultaat niet-aftrekbare gedeelten 2018 In figuur 10 staan de financieringslastpercentages voor niet-aftrekbare gedeelten voor 2018 grafisch weergegeven. De afwezigheid van de fiscale component zorgt voor een gelijkmatiger beeld dan bij de tabel met aftrek. Verschillen tussen rentestanden treden op, omdat een lagere rente een hogere hypotheek impliceert, en daarmee een hogere woningwaarde. Deze hogere woningwaarde leidt tot meer bijkomende kosten. 32 / Advies financieringslastnormen 2018
33 Figuur 10: Financieringslastpercentages 2018 voor box-3 bij verschillende rentestanden Verschillen niet-aftrekbare gedeelten In figuur 11 staan de verschillen in maximale hypotheek tussen de box-3 tabel voor 2018 ten opzichte van 2017, zowel met als zonder loonstijging. Advies financieringslastnormen 2018 / 33
34 Figuur 11: Verschillen maximale hypotheek voor niet-aftrekbare gedeelten naar inkomen 3.4 Tweeverdieners Vuistregel tweeverdieners Voor het bepalen van de maximale financieringslast voor tweeverdieners wordt een vuistregel toegepast. Hierbij dient het financieringslastpercentage gebruikt te worden dat hoort bij het hoogste inkomen plus een factor van het tweede inkomen. Het financieringslastpercentage mag wel toegepast worden op het totale inkomen. De factor bedroeg 0 tot 2012, van 2012 tot 2015 een-derde, in 2016 een half en in ,6. Voorbeeld 2017: Partner 1 verdient euro en partner 2 verdient euro. Er geldt het financieringslastpercentage dat hoort bij ,6 * = euro. Bij een rente van 2,75% is dat 22,0% in Samen verdienen ze euro. De maximale bruto jaarlast is dan 22,0% x euro is euro. Soms wordt gedacht dat het tweede inkomen maar voor 0,6 wordt meegeteld bij het bepalen van het toetsinkomen (22,0% x ). Dat is dus niet zo. Het verschil in besteedbare inkomens tussen eenverdieners en tweeverdieners is de afgelopen jaren opgelopen en zal de komende jaren nog verder oplopen. De uitbetaling 34 / Advies financieringslastnormen 2018
35 van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner wordt gedurende 15 jaar versoberd. Daarom heeft het Nibud geadviseerd om voor 2016 de factor voor tweeverdieners te verhogen tot 0,5 en vervolgens de afbouw van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting te volgen. Voor 2017 is de factor voor tweeverdieners daarom verhoogd naar 0,6. Tabel 4 geeft het schema van de inperking aan. Tabel 4: Inperking overdraagbaarheid algemene heffingskorting tot en met 2023 Jaartal Factor van het tweede inkomen voor bepaling financieringslastpercentage Afgerond , , ,53 0, ,6 0, ,67 0, ,73 0, ,8 0, ,87 0, ,93 0, In navolging van de middeling van de inkomsten en uitgaven, zou ook de resulterende factor gemiddeld moeten worden. Dit leidt echter tot dusdanig kleine verschillen dat bij de invoering van de middeling vorig jaar er voor gekozen is om het bestaande schema te blijven volgen. Hieruit volgt dat de factor voor 2018 wordt verhoogd van 0,6 naar 0,7. Het Nibud adviseert de vuistregel voor 2018 te laten luiden: Pas het financieringslastpercentage toe dat hoort bij het hoogste inkomen vermeerderd met 0,7 van het laagste inkomen op het gezamenlijke inkomen van beide partners Waarom aparte behandeling van het inkomen van de partner De tabellen met financieringslastpercentages zijn gebaseerd op een eenverdienersituatie. Tot de jaren 80 was dit de meest voorkomende situatie in huishoudens. Over het algemeen stopten vrouwen met werken als zij kinderen kregen, of zelfs al als zij trouwden. Een hypotheek baseren op dat tweede inkomen was dan ook niet aan de orde. Vanaf de jaren 80 bleven vrouwen steeds vaker werken als ze trouwden of kinderen kregen. Dit gebeurde meestal parttime. In de jaren 90 besloten hypotheekverstrekkers het tweede inkomen dan ook mee te nemen. Dit deed men echter niet volledig. Advies financieringslastnormen 2018 / 35
36 Aan de ene kant bleef er zodoende nog financiële ruimte voor partners om minder te gaan werken bij gezinsuitbreiding. Bovendien konden de kosten van de gezinsuitbreiding zelf worden opgevangen. Aan de andere kant bleef er een impliciete buffer in stand. Tweeverdieners die beiden fulltime werken gebruiken hun volledige verdiencapaciteit. Zij kunnen niet extra inkomen genereren door méér te gaan werken. Wanneer bij een eenverdiener het inkomen terugvalt, zou de andere partner kunnen gaan werken en daarmee het huishoudinkomen op peil kunnen houden. Dit effect moet echter niet overschat worden: de afstand tot de arbeidsmarkt is voor een niet-werkende partner ongetwijfeld groot. Bij invoering is er niet voor gekozen om te werken met aparte tweeverdienerstabellen. Vanuit het oogpunt van hanteerbaarheid is er gewerkt met een vuistregel die werkte vanuit de bestaande tabel Effecten Figuur 12 bevat de effecten op de maximale hypotheek voor tweeverdieners, waarbij de bruto inkomens tussen de partners zich verhouden als 2:1. In de figuur staan zowel de effecten zonder en met loonstijging en de effecten van de verhoging van de factor van 0,6 naar 0,7. Te zien is dat het effect van de loonstijging groter is dan het effect van het verhogen van de factor. Figuur 12: Verschil in maximale hypotheek voor tweeverdieners 36 / Advies financieringslastnormen 2018
37 In tabel 5 staan drie voorbeelden van de totale effecten op de maximale hypotheek van 2017 naar 2018 voor tweeverdieners, inclusief loonstijging. In tabel 6 staan die voorbeelden voor een hoger rentepercentage van 5 procent. Tabel 5: Voorbeeld maximale hypotheek voor drie tweeverdieners (r = 2,75%) Bruto jaarinkomen & & & Bruto jaarinkomen 2018* & & & Verschil * Er is rekening gehouden met een gemiddelde loonstijging van 2,2% in Tabel 6: Voorbeeld maximale hypotheek voor drie tweeverdieners (r = 5%) Bruto jaarinkomen & & & Bruto jaarinkomen 2018* & & & Verschil * Er is rekening gehouden met een gemiddelde loonstijging van 2,2% in Advies financieringslastnormen 2018 / 37
38 3.5 Vrijlating bij energiezuinige maatregelen Huidige regeling Het is mogelijk een extra vrijlating in het maximale hypotheekbedrag te verkrijgen wanneer energiezuinige maatregelen worden genomen. Dit advies richt zich alleen op de vrijlating met betrekking tot het inkomen van het huishouden 4. Bij een lager energieverbruik dan gemiddeld is de energierekening lager en is er daarmee meer ruimte in het budget voor woonlasten. De energierekening wordt bepaald door zowel kenmerken van de woning als kenmerken van de bewoners. Voor de vaststelling van de extra ruimte in het budget is alleen gekeken naar de energiebesparing als gevolg van kenmerken van de woning zelf en niet naar mogelijke gedragseffecten van de bewoners. Gedragseffecten van de bewoners wat betreft energiegebruik zijn van dezelfde orde als gedragseffecten op andere uitgavenposten, zoals vakanties of roken. Ook voor deze gedragseffecten wordt geen onderscheid gemaakt in de financieringslastpercentages. De berekende vrijlatingen zijn dus alleen gebaseerd op gebouwgebonden energiebesparing. In de ministeriële regeling zijn de volgende extra vrijlatingen vastgelegd (art.4 lid 3): Een aanbieder van hypothecair krediet kan bij het treffen van energiebesparende voorzieningen in een woning het deel van het hypothecair krediet dat daarvoor is aangewend tot een bedrag van ten hoogste buiten beschouwing laten bij het vaststellen van de financieringslast. Tevens kan een bedrag van ten hoogste buiten beschouwing worden gelaten, indien het een aankoop van een woning betreft met een geldig energielabel van ten minste (A++) afgegeven voor 1 januari 2015 of een woning met een energie-index of een energieprestatiecoëfficiënt van ten hoogste 0,6. Voorts kan een bedrag van buiten beschouwing worden gelaten indien een hypothecair krediet wordt verstrekt voor de financiering van een NulopdeMeter-woning en ten aanzien van die woning een energieprestatiegarantie is afgegeven voor een periode van ten minste tien jaar. Dit lid is enkel van toepassing op hypothecair kredieten die worden verstrekt aan consumenten met een toetsinkomen van ten minste Daarnaast bestaat nog een vrijstelling voor energiezuinigheid ten opzichte van de waarde van de woning. Het betreft hier de mogelijkheid voor een hypotheek tot 106 procent van de waarde van de woning (in afwijking van de 100 procent in 2018) als daarmee energiebesparende maatregelen worden gefinancierd. Deze regeling is geen onderdeel van dit advies, omdat het niet direct de betaalbaarheid van de hypotheek raakt. 38 / Advies financieringslastnormen 2018
39 3.5.2 Aanleiding tot herziening De motie-ronnes (Kamerstukken II, 2015/16, , nr. 10) vraagt de Regering om de Regeling hypothecair krediet te actualiseren voor wat betreft de vrijlatingen in verband met energiebesparende maatregelen. Redenen die daartoe in de praktijk zijn geconstateerd: - De introductie van een vernieuwd energielabel vanaf 2015; - De regelingen worden weinig benut. Een onderzoek in het kader van het Platform Maatwerk toonde aan dat geldverstrekkers de regeling als complex ervaren. In de consultatieronde voor dit advies kwamen de volgende algemene opmerkingen naar voren: - De leennormen zijn waarschijnlijk niet de beste manier om verduurzaming te bewerkstelligen. Mensen die al maximaal lenen hebben vaak niet de wens en de middelen om de woning te verduurzamen. En het is de vraag of je mensen die al maximaal lenen nog meer wilt verstrekken. - De daadwerkelijke energiebesparing is moeilijk in te schatten en te controleren. Het energielabel biedt onvoldoende zekerheid. Mogelijk dat het werken met een energie-index, die is gebaseerd op een uitgebreide inventarisatie, beter werkt. - De reguliere tabel is gebaseerd op het gemiddelde energieverbruik van een woning met energielabel C. Om verduurzaming te stimuleren zou het uitgangspunt eigenlijk een energie onzuinige woning moeten zijn met een opslag voor meer energie zuinige woningen. - Er is verschil in aanpak tussen het treffen van energiebesparende maatregelen bij aankoop van de woning en bij bestaande eigenaren Deze overwegingen hebben geleid tot een aantal voorstellen voor aanpassing van de regeling. Het Nibud hanteert hierbij dezelfde drie criteria als in de rest van het advies: betaalbaarheid, hanteerbaarheid en robuustheid De reguliere tabellen Een van de mogelijkheden is om de reguliere tabellen verder te differentiëren naar de energiekwaliteit van de woning. Wij adviseren dat om de volgende redenen niet te doen: Betaalbaarheid De energierekening wordt bepaald door zowel kenmerken van de woning als kenmerken van de bewoners. Voor de vaststelling van de extra ruimte in het budget is alleen gekeken naar de energiebesparing als gevolg van kenmerken van de woning zelf en niet naar mogelijke gedragseffecten van de bewoners. Gedragseffecten van de bewoners wat betreft energiegebruik zijn van dezelfde orde als gedragseffecten op andere uitgavenposten, zoals vakanties of roken. Ook voor deze gedragseffecten wordt geen onderscheid gemaakt in de financieringslastpercentages. Advies financieringslastnormen 2018 / 39
40 Het gebouwgebonden deel van de energierekening is maar een klein deel van de totale huishouduitgaven (2 à 3%). Een verregaande differentiatie op dit gebied in de reguliere tabellen leidt daarmee tot relatief kleine verschillen in de maximale leencapaciteit. Op dit moment wordt voor de standaardtabellen de gemiddelde energieprestatie meegenomen. Dit is gespecificeerd als het verbruik bij energielabel C per woningtype. Deze verbruiken worden aangeleverd door RvO. Ze zijn dit jaar aangepast aan de huidige verbruikscijfers. Jaarlijks worden ze aangepast aan het prijspeil van energie. De gebouwgebonden energiekosten hangen af van het type woning, waarbij er een koppeling is tussen de waarde van de woning en het type woning. In deze methodiek stijgen daarmee de gebouwgebonden energiekosten naarmate de woning duurder is. Goedkopere woningen zijn over het algemeen appartementen, duurdere woningen zijn over het algemeen vrijstaande woningen. Hanteerbaarheid De huidige regelingen worden door geldverstrekkers als complex in uitvoering en administratie ervaren. Dit gegeven pleit eerder voor vereenvoudiging van de regeling dan voor verdergaande differentiatie. Daarnaast zou differentiatie betekenen dat van alle verkochte woningen de energiezuinigheid op een precieze manier bepaald dient te worden, bijvoorbeeld met de methodiek van de Energie-index (EI). De EI is een uitgebreide methode, waarvan het Vereenvoudigde Energielabel (VEL) zoals dat per 1 januari 2015 is ingevoerd, een afgeleide is. Zo n precieze bepaling met een EI is echter weer duur voor de woningeigenaar/koper en kan leiden tot afwijkingen ten opzichte van het VEL. Robuustheid Het introduceren van extra reguliere tabellen voor alle woningtypen met verschillende mate van energiezuinigheid zou leiden tot invoeringskosten. Verder zouden huishoudens niet op voorhand kunnen weten welke hypotheek ze kunnen krijgen. Dat gaat immers afhangen van de energiezuinigheid van de te kopen woning. Het Nibud adviseert daarom in de reguliere tabellen geen verdergaande differentiatie naar energiezuinigheid toe te passen en te onderzoeken of de uitzondering en en vrijlatingen in de toekomst beperkt kunnen worden tot maatregelen die een significante invloed hebben op de energierekening en daarmee de mogelijkheid bieden tot een significante verhoging van de leencapaciteit Advies vrijlating euro voor specifieke energiebesparende maatregelen Het werken met een lijst met maatregelen is in de praktijk lastig. Geldverstrekkers geven aan dat controle er op tijdrovend en complex is. Gezien het feit dat het gaat om 40 / Advies financieringslastnormen 2018
41 relatief kleine bedragen zijn hypotheekverstrekkers zeer terughoudend om hier tijd en moeite in te steken. Betaalbaarheid Onderzoek laat zien dat de lagere energiekosten en de relatief korte terugverdientijd van de maatregelen het interessant maken om hierin te investeren 5. Voor bestaande woningeigenaren gaat een verhoging van de hypotheek echter met extra kosten gepaard, zoals notariskosten en extra advieskosten, waardoor het voordeel duidelijk kleiner wordt. In dat geval is financiering via een andere manier (buiten een hypotheek) waarschijnlijk interessanter. Deze vrijlating zal in de praktijk vooral gebruikt worden als het gaat om maatregelen die getroffen worden bij de aankoop van de woning en waarbij financiering direct wordt meegenomen bij het sluiten van de hypotheek. Hanteerbaarheid Vanuit het oogpunt van hanteerbaarheid is het wenselijk om niet voor elke maatregel een apart vrijlatingsbedrag te specificeren, maar om met één vast bedrag te werken. Specificatie van dit ene bedrag is ingewikkeld, gezien het grote aantal mogelijke maatregelen dat op de lijst staat. Wanneer op deze lijst alleen kosten-efficiënte maatregelen staan (in verhouding tot de investering leveren ze een duidelijke energiebesparing op) en er een depotverplichting is (de hypotheek kan slechts verhoogd worden ter hoogte van het bedrag van de investering) is dat een afdoende toets om het maximale bedrag van euro te blijven hanteren zoals die nu al geldig is. Deze aanpak vergt echter het nodige van de geldverstrekker. Het Nibud adviseert om te onderzoeken of andere ondersteuningsmogelijkheden (zoals subsidies) effectiever en efficiënter zijn om energiebesparing te realiseren dan verhoging van de hypothecaire leencapaciteit, zeker voor bestaande woning-eigenaren. Robuustheid Vanuit robuustheid adviseert het Nibud de huidige regeling voorlopig te laten bestaan tot het onderzoek naar andere ondersteuningsmaatregelen is afgerond Advies vrijlating euro voormalige A++-woningen en woningen met EI/EPC <= 0,6 Betaalbaarheid Vanuit betaalbaarheid is het mogelijk om voor significant energiezuiniger woningen een significant bedrag aan extra hypotheek te verstrekken, omdat de energierekening (bij 5 Bijvoorbeeld Koumans en Partners (2014) Advies financieringslastnormen 2018 / 41
42 gelijkblijvend gedrag) duidelijk lager ligt dan wat bepaald is bij samenstelling van de reguliere tabel (een woning met energielabel C). Hanteerbaarheid De energie-index (EI voor bestaande woningen) of de energieprestatiecoëfficiënt (EPC, voor nieuwbouwwoningen) zijn nu gangbare maten om de energiezuinigheid van een woning precies in beeld te brengen. Zoals hiervoor al is toegelicht, vergt dat een uitgebreide inventarisatie van de woning tegen extra kosten. Voor kleine aanpassingen zullen de kosten van een dergelijke inventarisatie mogelijk niet opwegen tegen de mogelijke besparing en de daaruit voortvloeiende extra leenruimte. Dit pleit op zich om alleen een standaarduitzondering te bieden voor woningen die significant energiezuinig zijn. Robuustheid Vanuit robuustheid adviseert het Nibud om de EI/EPC-grens van 0,6 te blijven hanteren. Hiervoor is het bedrag van euro verantwoord. Het Nibud adviseert tevens om de woningen die voor 1 januari 2015 ten minste een A++-label hebben gekregen, ook onder deze regeling te houden Advies vrijlating Nul-op-de-meterwoningen Vanuit de consultatieronde kwamen twee bezwaren over deze regeling naar voren: - Het bedrag is te laag om een woning echt te kunnen verduurzamen naar het niveau van Nul-op-de-meter; - De huidige regeling voor Nul-op-de-meterwoningen is soms te beperkend voor andere alternatieven die hetzelfde doel bereiken. Betaalbaarheid Vanuit het oogpunt van betaalbaarheid adviseert het Nibud om de bestedingsruimte van het huishouden als uitgangspunt te houden voor de extra vrijlating en niet de kosten van de aanpassingen. Wanneer de investering niet opweegt tegen de te realiseren energiebesparing is het onverstandig om een extra hypotheek hiervoor af te sluiten. Voor toepassing van deze vrijlating is het op dit moment belangrijk dat er een energieprestatiegarantie moet zijn afgegeven waarmee de nodige zekerheid wordt verkregen dat bij gemiddeld en/of verwacht bewonersgedrag de besparing daadwerkelijk zal optreden. Hanteerbaarheid Vanwege de hanteerbaarheid adviseert het Nibud om het aantonen van de energiezuinigheid voor deze categorieën woningen uit te breiden met de EI/EPC. Daarmee kunnen alle bouwmethoden die hetzelfde doel bereiken onder deze vrijlating komen te vallen. Daarbij wil het Nibud uitgaan van een vrijlating voor woningen die per saldo gegarandeerd geen gebouwgebonden energiekosten meer hebben. Dit is immers 42 / Advies financieringslastnormen 2018
43 een nauwkeurig te berekenen voordeel in termen van maandlasten. Het gaat hierbij om een EI/EPC <= 0. Het vrij te laten bedrag is voor 2018 dan gelijk aan euro. Bij het berekenen van dat bedrag houden we een marge aan: het gaat om theoretische inschattingen van het gebouwgebonden verbruik en de theoretisch veronderstelde energiebesparing hoeft in de praktijk niet altijd op te gaan. Bij overgang op EI/EPC zou het begrip Nul-op-de-meter en het hanteren van een energieprestatiegarantie in een toekomstige wijziging van de Regeling hypothecair krediet kunnen vervallen. Robuustheid Vanuit robuustheid adviseert het Nibud om te onderzoeken of de huidige Nulopde Meterwoningen ook aan dit criterium voldoen en de uitzonderingsregeling tot die tijd te handhaven Mogelijkheid tot maatwerk De hiervoor beschreven vrijlatingen voor energiezuinige woningen zijn opgenomen in de Regeling hypothecair krediet. Daarnaast kunnen hypotheekverstrekkers tevens op individuele basis meer verstrekken, door middel van de algemene explain-clausule. Om dat laatste mogelijk te maken, zullen we aangeven met welke bedragen aan energie wij rekenen bij het bepalen van de reguliere tabellen. Hypotheekverstrekkers kunnen zo een eigen afweging maken om meer of minder hypotheek te verstrekken voor wonin gen met een afwijkend gebouwgebonden energieverbruik. Deze energiebedragen zijn te vinden in bijlage A Samenvatting Deze overwegingen hebben geleid tot een aantal voorstellen voor aanpassing van de regeling. Hieronder beschrijven we deze voorstellen in het kort: - Maak geen onderscheid in de reguliere tabellen naar energiezuinigheid van de woning; - De groep die niet of nauwelijks spaargeld heeft en zijn standaardleenmogelijkheden heeft benut, is een kwetsbare groep. Onderzoek of voor deze groep alternatieve n effectiever en efficiënter zijn om energiebesparing te realiseren dan een verruiming van de leencapaciteit. Laat tot die tijd de huidige vrijlating van euro met betrekking tot een lijst van maatregelen bestaan. - Handhaaf de regeling voor een extra bedrag van euro voor woningen met een EI/EPC <= 0,6. Laat woningen met een voormalig A++-label hier automatisch ook ander vallen; - Maak een vrijlating voor woningen die gegarandeerd geen gebouwgebonden energieverbruik hebben, d.w.z. met een EI/EPC <= 0. Het bedrag voor 2018 zal euro bedragen. Onderzoek of de huidige Nul-op-de-meterwoningen hier automatisch ook onder vallen; Advies financieringslastnormen 2018 / 43
44 - In bijlage A staan de energiebedragen die gebruikt zijn voor berekening van de reguliere tabel. Dit kunnen hypotheekverstrekkers gebruiken om van de algemene explain-maatregel gebruik te maken. 3.6 Aantoonbaar niet-kwetsbare groepen Afwijkende regeling voor aantoonbaar niet-kwetsbare groepen Voor de financieringslastnormen voor 2015 is een extra buffer ingevoerd voor huishoudens met een inkomen onder de euro. Zie voor een beschrijving van deze buffer paragraaf Invoering van deze buffer leidde over de hele breedte tot een verkrapping van de normen, ook voor huishoudens waarvoor al aparte buffers bestonden. Om die reden heeft het Nibud geadviseerd om verruiming toe te staan voor aantoonbaar nietkwetsbare huishoudens met een inkomen onder de euro. Deze verruiming is voor 2017 als volgt in de Regeling hypothecair krediet ingevuld: Indien het hypothecair krediet bedoeld is voor een consument die alleenstaand is en een toetsinkomen heeft dat hoger is dan en lager is dan , kan de aanbieder van hypothecair krediet bij het financieringslastpercentage ten hoogste drie procentpunten optellen, met dien verstande dat het aldus berekende financieringslastpercentage niet hoger mag zijn dan het financieringslastpercentage dat behoort bij een toetsinkomen van De hoogte van de ophoging van 3 procentpunt is gebaseerd op het gemiddelde verschil in financieringslastpercentage als gevolg van de invoering van een buffer in Advies voor 2018 Het Nibud vindt het nog steeds verantwoord om een extra verhoging te hanteren voor aantoonbaar niet-kwetsbare groepen. Bij alleenstaanden (met en zonder kinderen) zien we hoge marges (zie paragraaf 4.2.1). Hoewel deze regeling tot complexiteit leidt, adviseert het Nibud vanuit robuustheid de huidige regeling te handhaven. Alleen het minimuminkomen wordt opgehoogd om aan te sluiten bij de tabel voor Het Nibud adviseert de volgende regeling voor niet-kwetsbare groepen: Indien het hypothecair krediet bedoeld is voor een consument die alleenstaand is en een toetsinkomen heeft dat hoger is dan en lager is dan , kan de aanbieder van hypothecair krediet bij het financieringslastpercentage ten hoogste drie procentpunten optellen, met dien verstande dat het aldus berekende financieringslastpercentage niet hoger mag zijn dan het financieringslastpercentage dat behoort bij een toetsinkomen van / Advies financieringslastnormen 2018
45 3.7 Overige aspecten en ontwikkelingen Minimale toetsrente De minimale toetsrente moet nu gehanteerd worden bij hypotheken met een rentevaste periode tot 10 jaar. Deze bedraagt nu 5 procent. Omdat de marktrente voor hypotheken met een rentevaste periode van 10 jaar nu een stuk lager ligt dan 5 procent, zullen veel mensen kiezen voor een langere rentevaste periode en daardoor een hoger bedrag lenen. Zoals uit paragraaf blijkt, is een renteverhoging van 1,75 procent tot 5 procent na 10 jaar op te vangen. Bij hogere rentestijgingen zullen de maandlasten ook reëel gaan stijgen. Een verlenging van de minimale rentevastperiode of verhoging van de minimale toetsrente geeft meer zekerheid, maar lijkt bij de huidige marktrentes en de voorgestelde financieringslastpercentages niet noodzakelijk, gezien het voorbeeld in paragraaf Wel is het belangrijk dit jaarlijks te toetsen. In het Platform Maatwerk is voorgesteld om de minimale toetsrente niet meer te laten gelden voor hypotheken of hypotheekdelen die binnen 10 jaar volledig zijn afgelost, omdat daar het risico van een stijgende rente gering is. Het Nibud adviseert het voorstel uit het Platform Maatwerk voor hypotheken die binnen 10 jaar volledig zijn afgelost over te nemen en verder de huidige regeling voor de minimale toetsrente te handhaven Verschil tussen huur en koop Een van de aspecten die in het Platform Maatwerk aan de orde is gekomen is het verschil in woonlasten tussen huur en koop, zodat dit een rol kan spelen bij mogelijke explain-situaties. Het Nibud zal aangeven welke bedragen het gebruikt als extra woonlasten die een koopwoning met zich meebrengen ten opzichte van een huurwoning. Deze staan in bijlage A Het initiatief Handig! Op het ogenblik loopt er een pilot om hypotheken te verstrekken op basis van het S V- loon. Dit project, genaamd Handig!, maakt gebruik van de inkomensgegevens die afkomstig zijn van het UWV. Omdat het SV-loon een ander loonbegrip is dan het bruto loon voldoen de huidige tabellen met financieringspercentages niet helemaal. De Advies financieringslastnormen 2018 / 45
46 financieringslastpercentages geven immers de ruimte voor hypotheek aan ten opzichte van het bruto inkomen. Over het algemeen is het SV-loon lager dan het bruto loon, omdat de werknemersbijdrage voor het pensioenfonds al bij het SV-loon er afgehaald is. De financieringslastpercentages ten opzichte van het SV-loon zouden in dat geval iets hoger kunnen zijn. Het is mogelijk financieringslastpercentages ten opzichte van het SV-loon te berekenen. Bij het gebruik daarvan dient wel met de volgende zaken rekening gehouden te worden: - Er moet gecorrigeerd worden voor de fiscale bijtelling van de auto van de zaak. Deze is immers onderdeel van het SV-loon, maar niet van het bruto loon. Het UWV kan deze correctie aanleveren; - Er moet gecontroleerd worden of daadwerkelijk pensioen wordt opgebouwd. Bij berekening van de huidige financieringslastpercentages houden we rekening met pensioenopbouw door te werken met een gemiddelde pensioenpremie. Bij gebruik van SV-loon is niet op voorhand zeker dat er pensioen wordt opgebouwd. - Er moet gelet worden op grote onkostenvergoedingen. Op het ogenblik loopt een proef hiermee. Zolang deze niet afgerond en geëvalueerd is, adviseert het Nibud voorlopig geen nieuwe tabel op basis van SV-loon in de Regeling hypothecair krediet op te nemen Aansluiting normen Consumptief Krediet en Hypothecair Krediet Op het ogenblik zijn hypotheekverstrekkers en verstrekkers van consumptief krediet aan het onderzoeken of de normenkaders voor beide kredietsoorten beter op elkaar afgestemd kunnen worden. Hierbij wordt onder meer gekeken of de looptijd van een lening een grotere rol zou dienen te krijgen bij de acceptatie van een lening. Waarbij de normen voor langlopende leningen strenger dienen te zijn dan voor kortlopende leningen. Op het ogenblik is dit onderzoek nog niet afgerond. Daarom adviseert het Nibud om voor 2018 de voorgestelde financieringslastpercentages te gebruiken. 46 / Advies financieringslastnormen 2018
47 4 Beschermende werking van de normen voor verschillende groepen huishoudens Bij het berekenen van de maximale hypotheeklasten wordt voor de overige uitgaven van oudsher uitgegaan van de kosten van een huishouden van twee volwassenen zonder kinderen. Voor de inkomsten wordt ervan uitgegaan dat één volwassene inkomen uit arbeid ontvangt en de andere volwassene geen arbeidsinkomen ontvangt. De vraag is nu hoe een op deze manier vastgestelde maximale hypotheek past in het budget van huishoudens met een andere samenstelling. Welke marge hebben zij nog over in hun budget? Daartoe hebben we voor een aantal voorbeeldhuishoudens hun netto inkomenspositie berekend, evenals de voor die huishoudens geldende basisbedragen, voorbeeldbedragen en de daaruit voortvloeiende normbedragen. Het gaat hierbij om de volgende voorbeeldhuishoudens: - alleenstaande - alleenstaande ouder met 2 kinderen - alleenstaande ouder met 3 kinderen - paar zonder kinderen, eenverdiener - paar met 2 kinderen, eenverdiener - paar met 3 kinderen, eenverdiener - paar zonder kinderen, tweeverdieners - paar met 2 kinderen, tweeverdieners - paar met 3 kinderen, tweeverdieners Het eerste kind is tussen de 6 en 12 jaar oud, het tweede kind tussen 12 en 18, en het derde kind is ook tussen de 12 en 18 jaar oud. Er is dus geen rekening gehouden met de kosten van kinderopvang. Oudere kinderen zijn duurder dan jongere kinderen, bijvoorbeeld omdat ze meer kosten aan voeding en kleding met zich meebrengen. Deze extra kosten zijn over het algemeen hoger dan de netto kosten van kinderopvang (na aftrek van de kinderopvangtoeslag). Voor huishoudens met jongere kinderen zijn de marges dus iets hoger. Het gaat hier dus met nadruk om voorbeelden. Ook binnen de zo gedefinieerde groepen kunnen nog grote, logische verschillen in uitgavenpatronen voorkomen. 4.1 Methode Voor het basisbedrag is voor alle huishoudens gerekend met de methode zoals we die gebruiken voor het opstellen van de financieringslastnormen. De berekeningen zijn gedaan met de fiscale regels van 2017, de voorgestelde financieringslastpercentages voor 2018 en de basis- en voorbeeldbedragen van Deze laatste zijn dus niet over vier jaren gemiddeld, zoals bij het opstellen van de tabel met financieringslastpercentages wel gebeurt. Advies financieringslastnormen 2018 / 47
48 Daarmee geven ze een beeld van de huidige situatie, waarbij de normen gebaseerd zijn op de actuele situatie. Berekeningswijze Voor de diverse huishoudtypen gelden verschillende fiscale regelingen en toeslagen. Daardoor is het besteedbaar inkomen voor de diverse huishoudtypen verschillend bij een gelijk bruto inkomen. Naast het netto inkomen uit arbeid zijn een aantal ander e inkomstenbronnen meegerekend, zoals toeslagen. De hoogte van een aantal van de toeslagen hangt af van het verzamelinkomen. Hoe lager het verzamelinkomen, hoe hoger de toeslagen. Door hypotheekrenteaftrek daalt het verzamelinkomen en stijgen dus deze toeslagen. Vanuit het bruto inkomen wordt het netto inkomen uit arbeid berekend, alsmede de toeslagen en de heffingskortingen die niet via de loonstrook uitbetaald worden. Hierbij is nog geen rekening gehouden met de hypotheekrenteaftrek en het eigenwoningforfait. Op basis van de financieringslasttabellen wordt de maximale hypotheek berekend en de daarbij behorende waarde van de woning, de bruto hypotheeklasten, opgesplitst in rente en aflossing. Met de waarde van de woning en de te betalen rente, kan het belastingvoordeel berekend worden. Ook het extra bedrag aan toeslagen kan hiermee berekend worden. Daarmee kunnen de netto hypotheeklasten berekend worden. Wanneer de netto hypotheeklasten en de bijkomende eigenaarslasten (onderhoud, opstalverzekering, lokale heffingen) van het besteedbaar inkomen zonder eigen wo ning worden afgehaald, resteert een bedrag dat beschikbaar is voor de overige uitgaven. Door deze te confronteren met de hierboven gedefinieerde ondergrenzen is te zien hoe hoog de marge is. De marges worden berekend ten opzichte van drie uitgavenniveaus: 1. het minimale bedrag aan uitgaven. Dit is het basispakket voor een huishouden plus een bedrag voor niet volledig onvermijdbare uitgaven het voorbeeldbedrag. Dit is wat een vergelijkbaar huishouden aan de overige uitgaven besteedt. 3. het normbedrag. Dit is het gemiddelde van het basisbedrag en het voorbeeldbedrag. In bijlage B3 staat een voorbeeld van de berekening van de marges. 6 Bij het berekenen van de marges hebben we gedeeltelijk rekening gehouden met de nieuwe manier van berekening van de niet volledig onvermijdbare kosten. Als bedrag hebben we voor 3/4 het bedrag volgens de oude methode gehanteerd en voor 1/4 het bedrag volgens de nieuwe methode. Op deze manier berekend, geeft het aan dat de buffer voldoende is om het paar met twee kinderen boven de minimale bedragen te houden. De nieuwe berekening heeft echter in euro s meer invloed op grotere huishoudens dan op kleinere huishoudens. Het is daarom niet onwaarschijnlijk dat in de toekomst de buffer verhoogd wordt om ook voor paren met 2 kinderen een reëel bedrag aan niet volledig onvermijdbare uitgaven mee te rekenen. 48 / Advies financieringslastnormen 2018
49 4.2 Uitkomsten Marges voor verschillende huishoudtypen Tabel 7 bevat de marges per huishoudtype per maand voor de huishoudens met één inkomen. Tabel 8 bevat de marges voor de tweeverdieners. Tabel 7: Marges in euro s per maand, alleenverdieners (r=2,75%) inkomen t.o.v. minimum t.o.v. voorbeeld t.o.v. norm paar zonder kinderen paar zonder kinderen paar zonder kinderen paar zonder kinderen paar zonder kinderen paar zonder kinderen paar zonder kinderen paar zonder kinderen paar zonder kinderen alleenstaande zonder kinderen 20500* alleenstaande zonder kinderen 25000* alleenstaande zonder kinderen 30000* alleenstaande zonder kinderen alleenstaande zonder kinderen alleenstaande zonder kinderen alleenstaande zonder kinderen alleenstaande zonder kinderen alleenstaande zonder kinderen alleenstaande ouder 2 kinderen 20500* alleenstaande ouder 2 kinderen 25000* alleenstaande ouder 2 kinderen 30000* alleenstaande ouder 2 kinderen alleenstaande ouder 2 kinderen alleenstaande ouder 2 kinderen alleenstaande ouder 2 kinderen alleenstaande ouder 2 kinderen alleenstaande ouder 2 kinderen Advies financieringslastnormen 2018 / 49
50 alleenstaande ouder 3 kinderen 20500* alleenstaande ouder 3 kinderen 25000* alleenstaande ouder 3 kinderen 30000* alleenstaande ouder 3 kinderen alleenstaande ouder 3 kinderen alleenstaande ouder 3 kinderen alleenstaande ouder 3 kinderen alleenstaande ouder 3 kinderen alleenstaande ouder 3 kinderen paar 2 kinderen paar 2 kinderen paar 2 kinderen paar 2 kinderen paar 2 kinderen paar 2 kinderen paar 2 kinderen paar 2 kinderen paar 2 kinderen paar 3 kinderen paar 3 kinderen paar 3 kinderen paar 3 kinderen paar 3 kinderen paar 3 kinderen paar 3 kinderen paar 3 kinderen paar 3 kinderen Noot: * is inclusief verhoging van 3 procentpunt. 50 / Advies financieringslastnormen 2018
51 Tabel 8: Marges in euro s per maand, tweeverdieners (r = 2,75%) inkomen t.o.v. minimum t.o.v. voorbeeld t.o.v. norm paar zonder kinderen paar zonder kinderen paar zonder kinderen paar zonder kinderen paar 2 kinderen paar 2 kinderen paar 2 kinderen paar 2 kinderen paar 3 kinderen paar 3 kinderen paar 3 kinderen paar 3 kinderen Het paar zonder kinderen, eenverdiener, is de situatie waarop de reguliere tabellen met financieringslastpercentages geënt zijn. Omdat dit de standaardsituatie is, zou de marge ten opzichte van de norm bij de meeste inkomens op nul uit moeten komen. De marge is niet precies nul omdat: - de afrondingen en eisen van niet-dalendheid die zijn toegepast op de tabel met financieringslastpercentages, zijn niet in deze berekeningen betrokken; - de maximale hypotheken zijn uitgerekend met de tabel voor Deze tabel is berekend op de gemiddelde inkomsten en uitgaven van 2014 tot en met De marges zijn echter berekend op de inkomens- en uitgavenstructuur van alleen 2017; - Er is in een aantal jaren een extra buffer ingebouwd voor inkomens tot Te zien is dat de marge voor dit huishouden ten opzichte van de normbedragen inderdaad iets boven de nul uitkomt bij de verschillende inkomens. De marge ten opzichte van de basisbedragen neemt natuurlijk sterk toe naarmate het inkomen stijgt. Voor de kleinere voorbeeldhuishoudens met maar één inkomen (alleenstaanden en alleenstaande ouders) zijn de marges duidelijk groter. Ook de alleenstaande ouder met drie kinderen heeft nog een marge ten opzichte van de normbedragen. Voor de grotere voorbeeldhuishoudens met maar één inkomen (paren met kinderen) zijn de marges kleiner. Voor eenverdienende paren met twee kinderen, zijn de normbedragen niet haalbaar. De marge ten opzichte van de basisbedragen ligt net Advies financieringslastnormen 2018 / 51
52 boven nul. Omdat bij deze inkomens en gezinssamenstelling er weinig ruimte in het budget is, liggen basis- en voorbeeldbedragen dicht bij elkaar. De basisbedragen voor dit voorbeeldhuishouden zijn bij een minimuminkomen wel haalbaar. Omdat het kindgebonden budget vanaf het minimumloon wordt afgebouwd, stijgt het besteedbaar inkomen voor een paar, eenverdiener, met kinderen minder hard dan voor een paar, eenverdiener, zonder kinderen naarmate het bruto inkomen hoger is. Daardoor blijft de marge ten opzichte van de basisbedragen maar net boven nul, ook bij inkomens tot euro. Voor het voorbeeld van een paar met drie kinderen met maar één inkomen is dit niet het geval. Tot een inkomen van euro zijn de basisbedragen voor dit huishouden niet haalbaar. Het gaat hier echter om een zeer kleine groep. Voor de voorbeelden met tweeverdieners liggen de marges duidelijk hoger dan voor de voorbeelden met eenverdieners. Voor het voorbeeld van een paar met drie kinderen zijn de basisbedragen, en ook de normbedragen haalbaar bij een maximale hypotheek. Voordelen van het werken met één tabel Bij het bekijken van de marges voor de verschillende voorbeeldhuishoudens kan het idee ontstaan om de normen voor verschillende huishoudtypen te differentiëren. Alleenstaanden en paren zonder kinderen zouden dan meer kunnen lenen dan paren met kinderen. Toch kleven daar nadelen aan: - Een hypotheek wordt voor 30 jaar afgesloten en in die tijd kan het huishoudtype wijzigen. - Bij een praktische uitwerking is dan de vraag hoe ver gedifferentieerd dient te worden (aantallen kinderen, leeftijden kinderen, etc.). - Het kan leiden tot strategisch gedrag van consumenten en geldverstrekkers. Het verzwijgen van samenwoonwens, zwangerschap of kinderwens leidt dan tot een hogere hypotheek. - Het leidt tot vreemde situaties dat een paar zonder kinderen wel eerst een bepaalde hypotheek zou kunnen krijgen en vervolgens kinderen, maar dat dat andersom (eerst kinderen en vervolgens een hypotheek) niet zou kunnen. - Andere kenmerken dan alleen huishoudsamenstelling kunnen een verschillend uitgavenpatroon veroorzaken. Bijvoorbeeld wel/geen auto (van de zaak), chronische ziekte, etc Marges na rentestijging Op het ogenblik is de hypotheekrente historisch laag. Daardoor kunnen relatief hoge hypotheekbedragen worden afgesloten. De minimale toetsrente zorgt er voor dat deze hoge hypotheken alleen afgesloten kunnen worden, wanneer de rente minimaal 10 jaar 52 / Advies financieringslastnormen 2018
53 vast staat (of - in het nieuwe voorstel - als deze binnen 10 jaar volledig zijn afgelost). Maar wat gebeurt er nu, als de rente na die 10 jaar flink gestegen is? Dit hebben we als volgt gesimuleerd: - Sluit nu een maximale hypotheek af met een 10 jaar vaste rentestand van 1,75 procent. - Laat na 10 jaar de rente gestegen zijn tot 5 procent. Hierbij gaan we uit van een belastingaftrek van 40,8 procent. Binnen 10 jaar is de huidige aftrek nog maximaal 45 procent, dus dat is tot dan toe geen belemmering. Voor elk inkomen dat daaraan voldoet, zijn de effecten gelijk. We illustreren dit met een voorbeeld van een huishouden met een inkomen van euro. Tabel 9: Verloop hypotheek bij rentestijging na 10 jaar Situatie hypotheek annuiteit rente aflossing netto lasten Jaar 1 (r = 1,75%) Jaar 10 oude situatie (r = 1,75%) Jaar 10 nieuwe situatie (r = 5%) In de eerste 10 jaar is de annuïteit per maand gelijk. Wel verandert de verhouding tussen rente en aflossing in die 10 jaar. Er wordt steeds minder rente betaald en steeds meer aflossing. Door de aftrek van de hypotheekrente, stijgen de netto hypotheeklasten. Dit gebeurt met gemiddeld 0,5 procent per jaar. Een loonstijging van gelijke hoogte zou de betaalbaarheid daarmee in stand houden. Na 10 jaar is ruim euro afgelost en moet een nieuwe rentevaste periode worden afgesproken. Als op dat moment de rente 5 procent is, betekent dat een fors hogere annuïteit, ongeveer 280 euro per maand meer. De gestegen rentestand zorgt tevens voor een andere verdeling tussen rente en aflossing. De betaling aan rente stijgt en de betaling aan aflossing daalt. De renteaftrek zorgt er voor dat de netto lasten veel minder sterk stijgen: deze gaan maar 90 euro per maand omhoog. De verhoging in netto lasten tussen jaar 1 en jaar 10 bedraagt dan in totaal 130 euro per maand. Dit is een gemiddelde stijging van 1,8 procent per jaar. Wanneer het netto inkomen nominaal per jaar met een zelfde percentage stijgt, zou dat geen betalingsproblemen opleveren. Dit is geen onrealistische gemiddelde loonstijging. Daarmee zien we geen reden om nu de minimale toetsrente te veranderen. Advies financieringslastnormen 2018 / 53
54 4.3 Kanttekeningen Er zijn dus risicogroepen. De norm dekt niet alle gevallen af. Alleen al niet vanwege de reden dat er wordt uitgegaan van een gestandaardiseerd uitgavenpatroon van één specifiek huishouden. Er wordt in de normen rekening gehouden met een beperkt bedrag aan persoonlijk onvermijdbare uitgaven. Wanneer er sprake is van hoge persoonlijk onvermijdbare uitgaven kan dit tot te hoge hypotheken leiden, zoals de voorbeelden van grote gezinnen met een laag inkomen laten zien. Ook gedragsaspecten spelen geen rol in de normen. We gaan er impliciet van uit dat mensen goed met geld kunnen omgaan. Het is de vraag of de normen met al deze aspecten rekening moeten houden wanneer dat leidt tot een wellicht onnodige verkrapping voor de grootste groep huishoudens in Nederland. Het zou beter zijn dat hypotheekadviseurs en verstrekkers (en huishoudens zelf) gespitst zijn op deze risico s en in alle gevallen individueel blijven afwegen of een maximale hypotheek ook passend is. Hiervoor zouden richtlijnen/tools ontwikkeld kunnen worden die meer inzicht bieden in de risico s bij een maximale financiering voor individuele huishoudens. Ontwikkelingen in de toekomst Hoewel voor de meeste huishoudens de norm passend is bij de huidige stand van zaken, hoeft dat niet het geval te zijn wanneer de omstandigheden wijzigen gedurende de looptijd van de hypotheek. Belangrijkste oorzaak van financiële problemen is een inkomensterugval. In de methode zijn weliswaar buffers ingebouwd, maar deze zijn niet voldoende om een structurele significante inkomensterugval op te vangen. De afname van baan- en inkomenszekerheid is hierbij een belangrijk aandachtspunt. Verder kan de huishoudsamenstelling gedurende de looptijd veranderen en dat kan leiden tot extra kosten. Ook hoge persoonlijk onvermijdbare uitgaven kunnen zich pas in de loop van de tijd voordoen, bijvoorbeeld extra ziektekosten. In sommige gevallen zijn daarvoor verzekeringen mogelijk, of waar dat mogelijk is, de Nationale Hypotheek Garantie. 54 / Advies financieringslastnormen 2018
55 Bijlage A: Overzicht uitgangspunten In deze bijlage staan de gehanteerde uitgangspunten voor Hiermee worden de financieringslastpercentages van de situatie in 2017 berekend. De financieringslastpercentages voor 2018 bedragen het gemiddelde van de situaties in 2014, 2015, 2016 en Voor de uitgangspunten van deze voorgaande jaren verwijzen we naar eerdere rapporten. Fiscale input 2017 Pensioenfranchise Pensioenpercentage 5,99% belastingschijf belastingschijf belastingschijf tarief 1 (65min) 36,55% tarief 2 (65min) 40,80% tarief 3 (65min) 40,80% tarief 4 (65min) 52% tarief 1 (65plus) 18,65% tarief 2 (65plus) 22,90% tarief 3 (65plus) 40,80% tarief 4 (65plus) 52% maximale aftrekpercentage ,5% algemene heffingskorting (65min) algemene heffingskorting (65plus) eerste grens alg heffingskorting tweede grens alg heffingskorting afbouwpercentage alg heffingskorting 4,787% minimale algemene heffingskorting 0 afbouwpercentage AHK AOW 2,443% minimale AHK AOW 0 afbouw overdraagbare heffingskorting ,66% ouderenkorting inkomensgrens ouderenkorting ouderenkorting boven grens 71 arbeidskorting grens arbeidskorting grens arbeidskorting grens Advies financieringslastnormen 2018 / 55
56 arbeidskorting grens arbeidskorting opbouwpercentage laag 1,772% arbeidskorting opbouwpercentage hoog 28,317% arbeidskorting afbouwpercentage 3,60% arbeidskorting maximaal arbeidskorting minimaal na afbouw 0 standaardpremie zorgtoeslag minimumgrens zorgtoeslag percentage normzorgkosten min mp 5,055% percentage normzorgkosten boven min mp 13,46% Overige eigenaarslasten 1,382% Onderhoud 1,069% OZB 0,1256% waterschapslasten 0,0341% opstalverzekering 0,153% Bijkomende kosten aankoop op basis van maximale LTV in % bruto bedrag AOW voor 2 personen ZVW-percentage pensioen 5,40% belasting partner alleen AOW 0 maximumloon ZVW huidig minimaal bedrag r Eigenwoningforfait grens percentage bijtelling eigenwoningforfait grens eigenwoningforfait grens ,003 0 eigenwoningforfait grens , eigenwoningforfait grens ,006 0 eigenwoningforfait grens , eigenwoningforfait grens 6 > , De overige eigenaarslasten bedragen 1,382 van de waarde van de woning per jaar. Gebouwgebonden energieverbruik. Voor 2017 heeft het Nibud de volgende bedragen gehanteerd voor het gebouwgebonden energieverbruik om de reguliere tabel samen te stellen. Basisbedrag flat label C: jaarbedrag 720 euro. 56 / Advies financieringslastnormen 2018
57 Voorbeeldbedragen: Waarde woning Jaarbedrag gebouwgebonden energieverbruik > Advies financieringslastnormen 2018 / 57
58 Bijlage B: Uitwerking voorbeeldberekening Hieronder staan de berekeningen van twee voorbeeldinkomens uitgewerkt. Het gaat hier om de situatie van Het rentepercentage 2,75% is meegenomen in deze berekeningen. In de blokken 1 en 3 wordt de netto ruimte bij een bepaald bruto inkomen uitgerekend. Via een iteratief proces wordt berekend bij welke hypotheek de netto ruimte voor woonlasten volledig gevuld is. Hierbij wordt ook rekening gehouden met het belastingvoordeel en de zorgtoeslag. B1 Niet-AOW gerechtigde Tabel B1: Voorbeeldberekening niet AOW-gerechtigde (situatie 2017; r = 2,75%) Berekening belasting bruto jaarinkomen in (A) af: pensioenpremie werknemer basis sociale lasten/belastbaar loon = belasting zonder eigen huis belastbaar loon (= belastbaar inkomen) belasting eerste schijf belasting tweede schijf belasting derde schijf belasting vierde schijf heffingskorting totaal belasting 5180 = belasting met eigen huis belastbaar loon = af: hypotheekrente (*) bij: eigenwoningforfait (*) belastbaar inkomen = belasting eerste schijf belasting tweede schijf belasting derde schijf belasting vierde schijf heffingskorting totaal belasting 3969 = (*) uit iteratief proces 3. Berekening netto jaarinkomen in totaal bruto (A) af: pensioenpremie werknemer basis sociale lasten = belasting zonder eigen huis zorgtoeslag zonder eigen huis netto inkomen zonder eigen huis =(B) vereiste overige uitgaven / Advies financieringslastnormen 2018
59 max. netto ruimte voor woonlasten 6773 = Berekening financieringslast bruto hypotheeklasten 6506 (1) Waarvan rente 3652 (2) 6336 Waarvan aflossing 2854 (3) 4951 overige eigenaarslasten 1835 (4) 3183 hoogte hypotheek bruto hypotheeklast in % van inkomen 21,7%* =(1)/(A) 22,6%* belasting met eigen huis zorgtoeslag met eigen huis netto inkomen met eigen huis (C) netto ruimte voor woonlasten =(2)+(3)+(4)-(C- B) = = = 6772 = * Dit zijn de percentages zonder afronding en correcties voor niet-dalendheid. ** Door afronding kunnen sommige optellingen niet kloppend lijken. 1. Belasting zonder eigen woning Het belastingvoordeel wordt berekend door zowel het netto inkomen met eigen woning als het netto inkomen zonder eigen woning te berekenen. Het belastingvoordeel is het verschil tussen de twee netto inkomens. 2. Belasting met eigen woning De aftrekbare hypotheekrente bedraagt in dit geval 2,75 procent van de theoretische hypotheek. Het eigenwoningforfait wordt berekend over de WOZ-waarde van de woning. Deze wordt berekend als 100 procent van de theoretische hypotheek. Hiermee wordt dus rekening gehouden met een hypotheek die even hoog is als de waarde van de woning conform de maximale LTV van 100 procent in De heffingskorting is in het geval van een alleenverdienerssituatie: één keer de algemene heffingskorting, één keer de afgetopte overdraagbare algemene heffingskorting en een keer de arbeidskorting. 3. Berekening netto inkomen Het uitgangspunt is dat bij een maximale hypotheek er voor de overige uitgaven nog voldoende inkomen beschikbaar is. De vereiste overige uitgaven is het bedrag dat bij dat inkomen benodigd is voor uitgaven naast woonlasten. De maximale netto ruimte voor woonlasten is het netto inkomen zonder eigen woning minus de vereiste overige uitgaven. Advies financieringslastnormen 2018 / 59
60 4. Berekening financieringslast Via een iteratie wordt berekend wat bij een bepaald inkomen de maximale hypotheek is. Het uitgangspunt is een 30-jarige annuïteitenhypotheek. De annuïteit is gelijk aan de bruto ruimte en deze bestaat uit een deel rente en een deel aflossing. De rente is gelijk aan 2,75 procent van de hypotheek. De rest van de bruto ruimte is aflossing. De overige eigenaarslasten zijn afhankelijk van de waarde van de woning. D eze waarde is gelijk aan de hypotheek. Onder deze lasten vallen de kosten van onderhoud, de opstalverzekering en de OZB en waterschapsheffingen voor eigenaren. Deze overige eigenaarslasten maken geen deel uit van het financieringslastpercentage, maar wel van de netto ruimte voor woonlasten. Het financieringslastpercentage is de bruto hypotheeklast op jaarbasis als percentage van het bruto jaarinkomen. 60 / Advies financieringslastnormen 2018
61 B2: AOW-gerechtigden Tabel B2: Voorbeeldberekening AOW-gerechtigde (situatie 2017; r = 2,75%) Bruto jaarinkomen in AOW partner belastbaar loon partner = belasting zonder eigen huis belastbaar inkomen partner belasting eerste schijf belasting tweede schijf belasting derde schijf belasting vierde schijf Heffingskorting totaal belasting 1256 = belasting met eigen huis belastbaar inkomen partner af: hypotheekrente bij: eigenwoningforfait belastbaar inkomen = belasting eerste schijf belasting tweede schijf belasting derde schijf belasting vierde schijf heffingskorting totaal belasting 686 = berekening netto inkomen in Bruto jaarinkomen (A) af: premies ZVW beide partners af belasting AOW partner totaal inkomen = belasting zonder eigen huis zorgtoeslag zonder eigen huis netto inkomen zonder eigen huis =(B) vereiste overige uitgaven max. netto ruimte voor woonlasten 8611 = Berekening financieringslast bruto hypotheeklasten 7485 (1) waarvan rente 4202 (2) 8927 waarvan aflossing 3283 (3) 6975 overige eigenaarslasten 2111 (4) 4485 hoogte hypotheek bruto hypotheeklast in % van inkomen 25,0%* =(1)/(A) 31,8*% belasting met eigen huis zorgtoeslag met eigen huis netto inkomen met eigen huis = (C) = = netto ruimte voor woonlasten =(2)+(3)+(4)-(C-B) 8614 * Dit zijn de percentages zonder afronding, en correcties voor niet-dalendheid. = = Advies financieringslastnormen 2018 / 61
62 B3 Berekening van de marge voor andere huishoudtypen In onderstaande tabel staat een voorbeeld weergegeven voor een paar eenverdiener met twee kinderen, 1 onder de 12 jaar en 1 boven de 12 jaar. Bij deze inkomens is er een klein overschot ten opzichte van de basisbedragen. Tabel B3: Uitwerking paar met twee kinderen Bruto inkomens Netto inkomen Toeslagen/subsidies Besteedbaar inkomen Maximale hypotheek bij r=2,75% waarde woning Bruto hypotheeklasten Wv rente Wv aflossing Belasting en toeslagenvoordeel Netto hypotheeklasten Overige eigenaarslasten OVER Basis Marge t.o.v. basis per jaar Marge t.o.v. basis per maand / Advies financieringslastnormen 2018
63 Bijlage C: Minimale en voorbeeldbedragen De financieringslastnormen zijn normen voor veilig en verantwoord lenen. Bij een maximale lening volgens deze normen is er nog voldoende inkomen over voor het doen van overige uitgaven van levensonderhoud. Voor het vaststellen van de omvang van de overige uitgaven maakt het Nibud een onderscheid in minimale bedragen en voorbeeldbedragen. De minimale bedragen zijn de uitgaven die minimaal beschikbaar dienen te blijven. Deze minimale bedragen zijn afhankelijk van de huishoudsamenstelling, maar onafhankelijk van het inkomen. De voorbeeldbedragen zijn de uitgaven die een vergelijkbaar huishouden met een vergelijkbaar inkomen gemiddeld heeft aan de verschillende uitgavenposten. Deze bedragen zijn dus zowel afhankelijk van de huishoudsamenstelling als van het inkomen. De bedragen van de overige uitgaven voor levensonderhoud (o.a. voor dagelijkse boodschappen, energie, kleding en schoenen, verzekeringen, e.d.) verkrijgt het Nibud uit verschillende bronnen. Een belangrijke informatiebron is het Budgetonderzoek van het CBS. Ook verkrijgt het Nibud referentiecijfers van instanties als het Voedingscentrum en Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Uitgangspunt voor de berekeningen is een tweepersoonshuishouden zonder kinderen in een alleenverdienerssituatie. Advies financieringslastnormen 2018 / 63
64 Figuur C1: Minimale en voorbeeldbedragen, 2017 Hieronder wordt nader ingegaan op de samenstelling van de minimale bedragen en de voorbeeldbedragen. C1 Minimale bedragen De minimale bedragen zijn onder te verdelen in een basispakket, dat goederen en diensten bevat die voor elk huishouden noodzakelijk zijn en een bufferbedrag dat dient om enige persoonlijk onvermijdbare uitgaven te kunnen opvangen. Het basispakket is als volgt samengesteld. - Energie en water: dit is 90 procent van de kosten van gemiddeld gebruik naar huishoudtype in een flatwoning. - Lokale lasten: gemeentelijke en waterschapsheffingen. - Telefoon, televisie en internet: De kosten van het bellen bestaat uit de kosten van een maandelijks abonnement voor een mobiele telefoon en voor elk huishouden een TV- en internetaansluiting via de kabel. - Zorgverzekering: basisverzekering met een gemiddelde aanvullende verzekering en een goedkope tandartsverzekering. - Overige verzekeringen: o Aansprakelijkheidsverzekering: De premie is afhankelijk van de grootte van het huishouden. De premie voor de verzekering is zonder eigen risico. 64 / Advies financieringslastnormen 2018
65 o Inboedelverzekering: De waarde van de inboedel is vastgesteld op basis van de inboedelmeter. Er is rekening gehouden met regionale verschillen en het glas is mee verzekerd. De premie voor de verzekering is zonder eigen risico. o Uitvaartverzekering: voor huishoudens onder de 65 jaar is een uitvaartverzekering opgenomen. In de gemiddelde premie is rekening gehouden met geslacht. - Onderwijs: Alleen studiekosten voor kinderen worden gespecificeerd. Dit is bij dit huishoudtype niet aan de orde, - Kinderopvang. Dit is bij dit huishoudtype niet aan de orde. - Contributies en abonnementen: Alleen de kosten van een bankrekening zijn meegenomen. - Vervoer: Voor ieder lid van het huishouden de kosten van een fiets en bedrag voor openbaar vervoer ter hoogte van het voormalige tarief van één strippenkaart. - Kleding: Het bedrag aan kleding wordt gebaseerd op de gemiddelde aankopen van diverse kledingstukken vermenigvuldigd met de eerste-kwartielprijzen van het Centraal Bureau voor de Statistiek. - Inventaris: Deze bedragen zijn gebaseerd op het Nibud-basispakket voor inventaris. Dit betreft o.a. de stoffering, keukeninventaris en huishoudelijk apparatuur. - Niet-vergoede ziektekosten: In het basispakket zitten kosten die elk huishouden heeft. Dit betreft de huisapotheek: pleisters, aspirines e.d. Daarnaast wordt er vanuit gegaan dat het volledige bedrag voor het verplichte eigen risico opzij wordt gezet. - Vrijetijdsduitgaven: Hiervoor is geen bedrag opgenomen. - Voeding: De voedingspakketten zijn samengesteld door het Voedingscentrum en gaan uit van een gemiddeld dagelijks gezond voedingspatroon. - Reiniging: Een bedrag per huishouden en een bedrag per persoon op basis van Nibud-onderzoek. - Persoonlijke verzorging: Bedrag per persoon op basis van Nibud-onderzoek. - Niet volledig onvermijdbare kosten: Het Nibud hanteert hiervoor een bedrag gebaseerd op de volgende activiteiten: o Contributies/abonnementen o Bezoek ontvangen o Op bezoek gaan o Vakantie/uitgaan o (Extra) vervoer - Diversen: Hieronder vallen bijvoorbeeld, identiteitskaart, cadeaus, speelgoed. Het gaat om een bedrag per huishouden en een bedrag per persoon voor diverse uitgaven. Advies financieringslastnormen 2018 / 65
66 C2 Voorbeeldbedragen Naast de minimale uitgaven stelt het Nibud ook voorbeeldbedragen vast voor de uitgaven van verschillende huishoudtypen. In tegenstelling tot de minimale bedragen, zijn de voorbeeldbedragen wel afhankelijk van het inkomen. De inkomensafhankelijkheid wordt voornamelijk afgeleid uit de Budgetonderzoeken van het CBS. Omdat de inkomensafhankelijkheid per uitgavenpost kan verschillen, en ook per inkomensrange, is er geen lineair verband tussen het inkomen en het totaal van de voorbeeldbedragen. Op verschillende inkomensintervallen kan het verband met de uitgaven een verschillende hellingshoek hebben. Er is dus geen pakket voor hogere inkomens, maar er wordt per uitgavengroep gekeken hoe het bedrag zich ontwikkelt bij een hoger inkomen. Bij hogere inkomens is er een ruime mate van keuzevrijheid en is het voorschrijven van pakketten op detailniveau weinig zinvol. 66 / Advies financieringslastnormen 2018
67 Bijlage D: Koopkracht Het Nibud heeft voor 100 huishoudtypen berekend hoe hun koopkracht zich ontwikkelt tussen 2017 en 2018 op basis van de kabinetsplannen die op Prinsjesdag gepresenteerd zijn. In de tabel hieronder staan de verschillen in koopkracht voor 2018 ten opzichte van 2017 volgens die verwachtingen. Koopkracht is het verschil tussen inkomen en uitgaven. Een positief koopkrachteffect wil zeggen dat de inkomsten komend jaar harder zullen stijgen dan de uitgaven. De genoemde bedragen zijn in euro s per maand. Alle inkomsten en uitgaven zijn omgerekend naar gemiddelde maandbedragen. Het percentage is ten opzichte van het besteedbaar inkomen in 2017 van het voorbeeldhuishouden. Op basis van de op Prinsjesdag gepresenteerde prognoses voor 2018 hebben we de financieringslastpercentages uitgerekend op basis van de kenmerken van het jaar 2018 en deze vergeleken met de financieringslastpercentages op basis van de kenmerken van het jaar De in 2018 geldende financieringslastpercentages worden berekend als middeling van de financieringslastpercentages op basis van de kenmerken van de jaren 2014 tot en met Een verschuiving in percentages tussen 2017 en 2018 leidt dus maar voor een kwart tot aanpassing in de voor 2018 geldende percentages. Als we deze middeling meenemen, dan wijkt voor de huishoudens onder de AOWgerechtigde leeftijd geen van de 1140 berekende financieringslastpercentages meer dan 0,2 procentpunt af van de oorspronkelijk berekende financieringslastpercentages. Dit is ruim binnen de afrondingsmarge van 0,5 procentpunt. Voor de AOW-gerechtigde huishoudens ziet de koopkrachtontwikkeling er voor 2018 minder positief uit dan voor huishoudens onder de AOW-leeftijd. Ook voor de AOWgerechtigden leidt dit echter niet tot verschillen groter dan 0,5 procentpunt ten opzichte van de oorspronkelijk berekende financieringslastpercentages. Beide berekeningen geven aan dat de betaalbaarheid door de verwachte ontwikkelingen voor 2018 niet verslechtert als gevolg van de prognoses voor Daarom is er geen reden de eerder berekende financieringslastpercentages naar beneden bij te stellen. Advies financieringslastnormen 2018 / 67
68 Tabel D1: Koopkrachtontwikkeling van 100 huishoudens / Advies financieringslastnormen 2018
69 Advies financieringslastnormen 2018 / 69
70 Begrippenlijst Annuiteitenfactor Basispakket Bijkomende kosten Box-1 tabellen Box-3 tabellen Bruto hypotheeklasten Buffer Eigenwoningreserve Factor waarmee de bruto hypotheeklasten worden vermenigvuldigd om te komen tot de maximale hypotheek. Deze factor is afhankelijk van de rentestand Pakket aan goederen en diensten die voor elk huishouden in Nederland moeilijk vermijdbaar zijn. Onderhoud, lokale lasten voor woningeigenaren, premie voor de opstalverzekering Tabellen met financieringslastpercentages die gehanteerd dienen te worden als de hypotheekrente volledig aftrekbaar is Tabellen met financieringslastpercentages die gehanteerd dienen te worden als de hypotheekrente niet volledig aftrekbaar is De rente en aflossing die huishoudens per periode betalen aan de hypotheekverstrekker Met de term buffer bedoelen we hier een maatregel die er voor zorgt dat de maximale hypotheek voor huishoudens die afwijken van het standaardhuishouden verantwoord blijft. Afhankelijk van de context worden verschillende soorten buffers onderscheiden: - Buffers die samenhangen met een ander netto besteedbaar inkomen dan het referentiehuishouden. Bijvoorbeeld de tweeverdienersbuffer. - Buffers die samenhangen met een andere hypotheekvorm dan het uitgangspunt is van de tabellen. Bijvoorbeeld door te werken met een minimale toetsrente. - Buffers voor persoonlijk onvermijdbare uitgaven. De eigenwoningreserve is het bedrag dat ontstaat uit de overwaarde (positief of negatief) bij verkoop van de (oude) eigen woning(en). verkoopt. Dit bedrag beïnvloedt de hoogte van het bedrag waarover men rente mag aftrekken bij een nieuwe hypotheek of lening. 70 / Advies financieringslastnormen 2018
71 Financieringslastpercentage Marge Minimale bedragen Minimale toetsrente Netto hypotheeklasten Normuitgaven Nul-op-de-meterwoning Overige uitgaven Referentiehuishouden Toetsinkomen Het percentage van het bruto inkomen dat aan bruto hypotheeklasten kan worden besteed Met het begrip marge geven we de ruimte aan die bij een maximale hypotheek resteert in het huishoudbudget voor overige uitgaven. De minimale bedragen zijn de bedragen die minimaal voor een huishouden beschikbaar moeten blijven. De minimale bedragen zijn afhankelijk van de huishoudsamenstelling maar onafhankelijk van het inkomen. De minimale bedragen zijn de kosten van het basispakket, aangevuld met een buffer. Rentestand waarop de maximale hypotheek gebaseerd moet worden bij hypotheken met een rentevastperiode die korter is dan 10 jaar (tenzij de looptijd korter is dan 10 jaar). Voor het derde kwartaal van 2017 bedraagt de minimale toetsrente 5 procent. Bruto hypotheeklasten minus de belastingteruggaaf als gevolg van de hypotheekrenteaftrek minus het extra bedrag aan toeslagen als gevolg van de hypotheekrenteaftrek Bedrag voor overige uitgaven dat een huishouden beschikbaar moet hebben bij een maximale hypotheek een woning waarvan de ingaande en uitgaande energiestromen voor gebouwgebonden energie bij een normaal leefpatroon op jaarbasis gelijk zijn aan of lager zijn dan nul en met een additionele energieopwekkingscapaciteit voor gebruikersgebonden energie van ten minste: kwh indien het een vrijstaande of half vrijstaande woning betreft; kwh indien het een rijwoning betreft; of kwh indien het een appartement betreft; Niet-woonuitgaven, d.w.z. de uitgaven zonder de hypotheeklasten, en bijkomende kosten. Het huishouden waarop de tabellen met financieringslastpercentages gebaseerd zijn, namelijk een paar zonder kinderen, eenverdiener. Het inkomen waarvan een aanbieder van hypothecair krediet uitgaat bij het bepalen van het maximale hypothecair krediet. Advies financieringslastnormen 2018 / 71
72 Toetsrente Voorbeeldbedragen De rentestand waarvan een aanbieder van hypothecair krediet uitgaat bij het bepalen van het maximale hypothecair krediet. Bedrag dat een vergelijkbaar huishouden gemiddeld uitgeeft aan overige uitgaven 72 / Advies financieringslastnormen 2018
Financieringslastnormen 2017
Financieringslastnormen 2017 Advies voor de financieringslastnormen 2017 Marcel Warnaar Jasja Bos Financieringslastnormen 2017 Advies voor de financieringslastnormen 2017 Nibud, oktober 2016 Voorwoord
Financieringslastnormen 2016
Financieringslastnormen 2016 Advies voor de financieringslastnormen 2016 Marcel Warnaar Jasja Bos Financieringslastnormen 2016 Advies voor de financieringslastnormen 2016 Nibud, oktober 2015 Voorwoord
Maximale hypotheek en energielabels
Maximale hypotheek en energielabels Maximale hypotheek en energielabels Nibud, 2012 Voorwoord Extra hypotheek voor energiebesparende maatregelen of woningen met een zuinig energielabel, het Nibud geeft
Energiezuinige woningen en de financieringslasttabellen 2011
Energiezuinige woningen en de financieringslasttabellen 2011 Energiezuinige woningen en de financieringslasttabellen 2011 / 2 Energiezuinige woningen en de financieringslasttabellen 2011 Nibud, 2011 3
Samenvatting. Toetskader hypothecaire kredietverlening
Samenvatting Toetskader hypothecaire kredietverlening Toetskader hypothecaire kredietverlening Inleiding De AFM heeft naar aanleiding van de reacties op haar voorstellen in het consultatiedocument Toetskader
juli 2013 Extra hypotheek voor energieneutrale woningen
juli 2013 Extra hypotheek voor energieneutrale woningen Auteurs Marcel Warnaar Jasja Bos Inhoudsopgave 1 INLEIDING... 3 2 METHODE... 4 2.1 Inleiding... 4 2.2 Energielasten in de standaard berekening...
Meenemen studieleningen bij acceptatie hypothecair krediet
Meenemen studieleningen bij acceptatie hypothecair krediet Nibud, mei 2016 Het ministerie van BZK heeft het Nibud advies gevraagd hoe de studieschuld meegenomen dient te worden bij hypotheekverstrekking,
Nota Kredietnormen. 1. Aanleiding. 2. De huidige kredietnormen
Nota Kredietnormen 1. Aanleiding Naar aanleiding van de FSC-bijeenkomst in november 2014 over de LTV heeft het Comité om verdere analyses gevraagd. Eén van de vraagstukken betreft de mogelijke beleidsmaatregelen
Annuïtair of lineair aflossen?
1 Annuïtair of lineair aflossen? Vind de hypotheekvorm voor jouw situatie Een publicatie van 2 Over eyeopen MEEUWENLAAN 98-100 1021 JL AMSTERDAM 020 303 1160 [email protected] eyeopen is je eigen digitale
Hierna zal de berekening van de compensatie overkreditering worden toegelicht.
1. Inleiding Bij kredietverlening aan particulieren worden normen gehanteerd om te bepalen hoeveel krediet u op basis van uw persoonlijke omstandigheden maximaal verleend mag worden. Indien er meer krediet
Hierna worden de belangrijkste stappen in de berekening van uw compensatie overkreditering toegelicht.
Uitwerking compensatieberekening Eerste hypotheek of combi hypotheek Cliënt : Voorbeeld Beoordeling : Eerste hypotheek of combihypotheek Afgesloten in het jaar : 2006 Verstrekt krediet : 200.000,-- De
Wijzigingen / Werkinstructie NHG 2014 & Ministeriële regeling Hypothecair krediet. 30 december 2013 Operational Support / Peter Frank V1.
Wijzigingen / Werkinstructie NHG 2014 & Ministeriële regeling Hypothecair krediet 30 december 2013 Operational Support / Peter Frank V1.0 1 18-12-2012 NHG 2014 Vanaf 1 januari 2014 zijn de nieuwe Voorwaarden
Wie in 2014 een eigen woning heeft of graag een woning wil kopen, moet rekening houden met een aantal ontwikkelingen.
Hypotheekgids 2014 Inleiding Wie in 2014 een eigen woning heeft of graag een woning wil kopen, moet rekening houden met een aantal ontwikkelingen. De wijzigingen op het gebied van hypotheek en wonen zijn
Wijzigingen NHG en Kredietbeleid Florius per 1 januari 2013
Wijzigingen NHG en Kredietbeleid Florius per 1 januari 2013 Inleiding De wet- en regelgeving op het gebied van hypotheken verandert per 1 januari 2013. Hierdoor wijzigen ook de NHG normen en het kredietbeleid
Hierna worden de belangrijkste stappen in de berekening van uw compensatie overkreditering toegelicht.
Uitwerking compensatieberekening Eerste hypotheek of combi hypotheek Cliënt Voorbeeld Beoordeling : Eerste hypotheek Afgesloten in het 2006 Verstrekt krediet 200.000,00 De eerste hypotheek (1H) wordt beoordeeld
Onderstaande berekeningen zijn gebaseerd op de acceptatiecriteria en de nieuwe beheercriteria zoals deze vanaf 2014 voor NHG gaan gelden:
Berekeningen maximale hypotheken Onderstaande berekeningen zijn gebaseerd op de acceptatiecriteria en de nieuwe beheercriteria zoals deze vanaf 2014 voor NHG gaan gelden: Acceptatiecriteria De acceptatiecriteria
Algemene informatie hypotheken (starter)
Algemene informatie hypotheken (starter) Wij zetten de belangrijkste begrippen voor u op een rijtje: Hypotheekvormen... 2 Annuïteitenhypotheek... 2 Lineaire hypotheek... 2 Leningvormen... 2 Doorlopend
Consumptief krediet (met hypothecaire zekerheid in tweede rang) (2H/CK)
Uitwerking compensatieberekening Consumptief krediet (met hypothecaire zekerheid in tweede rang) (2H/CK) Cliënt: Voorbeeld Beoordeling Consumptief krediet (CK) Afgesloten in het jaar : 2006 Verstrekt krediet
Klantprofiel Hypotheken
Klantprofiel Hypotheken Klant 1 Klant 2 Naam.. Ondernemer ja nee ja nee Sinds.. Sinds. Dienstverband Fulltime Fulltime Part-time uur Part-time uur Vast Vast Flex/uitzend Flex/uitzend Bepaalde tijd Bepaalde
NVM-Betaalbaarheidsanalyse. 2000-Q1 tot en met 2014-Q4
NVM-Betaalbaarheidsanalyse 2000-Q1 tot en met 2014-Q4 NVM Data & Research 15 januari 2015 1 Samenvatting De (theoretische) betaalbaarheidsindex maakt in het vierde kwartaal van 2014 nog steeds een opwaartse
WELKOM! Harrie-Jan van Nunen MFP. Senioren en de eigen woning
WELKOM! Harrie-Jan van Nunen MFP Senioren en de eigen woning Programma 2 1. Aflossingsvrij; Een tikkende tijdbom? 2. Rekenen met verminderd inkomen 3. Nieuwe (NHG-)norm voor senioren in de praktijk 4.
Koopkracht van 65-plussers met aanvullend pensioen in 2009
Koopkracht van 65-plussers met aanvullend pensioen in 2009 Nibud, februari 2009 In opdracht van de NVOG Koopkracht van 65-plussers met aanvullend pensioen in 2009 Nibud, februari 2009 In opdracht van de
Nieuwe Gedragscode Hypothecaire Financieringen (Bron: De Hypotheekshop)
Nieuwe Gedragscode Hypothecaire Financieringen (Bron: De Hypotheekshop) De Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) heeft een nieuwe Gedragscode Hypothecaire Financieringen opgesteld. Het Ministerie van
Starterslening en Koopsubsidie
Starterslening en Koopsubsidie Voor starters op de woningmarkt is het kopen van een woning de laatste jaren niet eenvoudiger geworden. Ondanks de lage hypotheekrente en regelingen zoals Nationale Hypotheek
Consumptief krediet (met hypothecaire zekerheid in tweede rang) (2H/CK)
Uitwerking compensatieberekening Consumptief krediet (met hypothecaire zekerheid in tweede rang) (2H/CK) cliënt Voorbeeld Beoordeling consumptief krediet (CK) Afgesloten in het jaar 2006 Verstrekt krediet
Voorbeeld gebaseerd op een goede adviespraktijk m.b.t. bruto/netto berekening: man, 44 jaar en vrouw, 40 jaar Verstrekte hypotheek in 2006 195.
Casussen fiscaliteit In dit document biedt de AFM u als financiële dienstverleners enkele uitgewerkte praktijkvoorbeelden aan die de AFM heeft aangetroffen bij haar onderzoek. Er zijn voorbeelden die in
special MILJOENENNOTA 2014 uitgaven 267,0 miljard inkomsten 249,1 miljard De miljoenennota en uw portemonnee.
MILJOENENNOTA 2014 special De miljoenennota en uw portemonnee. inkomsten 249,1 miljard uitgaven 267,0 miljard Het kabinet heeft op Prinsjesdag bekend gemaakt hoe de begroting, met daarin het bezuinigingspakket
5.1.3 Gemeentelijke Uitvoeringsregels Starterslening (als bijlage bij de verordening Starterslening)
5.1.3 Gemeentelijke Uitvoeringsregels Starterslening (als bijlage bij de verordening Starterslening) Algemeen In deze uitvoeringsregels worden beschreven: Kenmerken van de Starterslening; Voorwaarden aan
Uitgangspunten en adviessamenvatting
Uitgangspunten en adviessamenvatting Amsterdam, 24 april 2015 Geachte heer de Groot en mevrouw de Groot, Het is ons een genoegen hierbij een samenvatting te geven van de uitgangspunten die bepalend zijn
Binnenkort hebt u een afspraak met één van onze adviseurs. Om u goed van dienst te kunnen zijn, hebben wij informatie van u nodig.
Uw Klantprofiel Binnenkort hebt u een afspraak met één van onze adviseurs. Om u goed van dienst te kunnen zijn, hebben wij informatie van u nodig. Waarom een Klantprofiel? Het Klantprofiel heeft als doel
COELO Woonlastenmonitor 2010
COELO Woonlastenmonitor 2010 Gaasterzijl vergeleken met gemeenten in de regio COELO Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden COELO Woonlastenmonitor 2010 Gaasterzijl vergeleken met
Mede namens de minister van Wonen, Wijken en Integratie De minister van Financiën,
Directie Financiële Markten Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag Datum Uw brief (Kenmerk) Ons kenmerk 24 mei 2007 FM 2007-00924 U Onderwerp Vragen van
2) Wanneer gaan de verschillende maatregelen in? Per 1 januari 2013
Oktober 2012 Nieuws hypotheekrenteaftrek Zoals het er nu voorstaat zal er vanaf 2013 alleen aftrek worden genoten voor hypotheekrente bij minimaal een annuïtaire aflossing. Op dit moment mag je nog de
Binnenkort heb je een afspraak met één van onze adviseurs. Om je goed van dienst te kunnen zijn, hebben wij informatie van je nodig.
het klantprofiel Binnenkort heb je een afspraak met één van onze adviseurs. Om je goed van dienst te kunnen zijn, hebben wij informatie van je nodig. Waarom een klantprofiel? Het klantprofiel heeft als
Bewustzijnstoets. Hoe het werkt. Geldigheid. Partner. Score
Bewustzijnstoets Je bijbouwe hypotheek wijzigen zonder advies is mogelijk, maar dit is niet voor iedereen geschikt. Als je zonder advies je hypotheek wil wijzigen, dan moet je zelfstandig kennis en ervaring
Hoe zit het met op 31-12-2012 al bestaande hypotheken vanaf 1-1-2013?
Hoe zit het met op 31-12-2012 al bestaande hypotheken vanaf 1-1-2013? Voor alle op 31 december 2012 bestaande hypotheken blijven de oude hypotheekregels van kracht. Oversluiten van een bestaande schuld
Hypotheekrecht en - vormen
Hypotheekrecht en - vormen Wat is een hypotheek? Een hypotheek is in theorie een zekerheidsrecht. Wanneer u een hypotheek afsluit, geeft u het recht van hypotheek aan de geldverstrekker. Dit recht van
Financiële gevolgen van het afschaffen van de buitengewone uitgavenregeling
Financiële gevolgen van het afschaffen van de buitengewone uitgavenregeling Toelichting bij de uitkomsten van de rekenvoorbeelden I Toelichting bij de Buitengewone uitgaven Het bepalen van de aftrek buitengewone
COELO Woonlastenmonitor 2008
COELO Woonlastenmonitor 2008 Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden coelo, Groningen 2008 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen
Hoe het werkt. Geldigheid. Partner. Score
Je bijbouwe hypotheek verhogen zonder advies is mogelijk, maar dit is niet voor iedereen geschikt. Als je zonder advies je hypotheek wil wijzigen, dan moet je zelfstandig kennis en ervaring hebben opgedaan
De VFN leden nemen jaarlijks deel aan een self assessment waarin de naleving van de code wordt getoetst.
Toelichting bij de VFN Gedragscode per 01-01-2012 Artikel 1, reikwijdte Dit artikel beoogt de reikwijdte van de VFN Gedragscode ten opzichte van de Gedragscode Hypothecaire Financieringen (GHF) vast te
Uitgangspunten en adviessamenvatting
Uitgangspunten en adviessamenvatting Amsterdam, 24 april 2015 Geachte heer de Groot en mevrouw de Groot, Het is ons een genoegen hierbij een samenvatting te geven van de uitgangspunten die bepalend zijn
Te weinig verschil Verschil tussen de hoogte van uitkeringen en loon is belangrijk. Het moet de moeite waard zijn om te gaan werken.
Hoofdstuk 4 Inkomen Paragraaf 4.1 De inkomensverschillen Waardoor ontstaan inkomens verschillen. Inkomensverschillen ontstaan door: Opleiding Verantwoordelijkheid Machtspositie Onregelmatigheid of gevaar
VOORWAARDEN & NORMEN wijzigingen per 1 januari 2014
VOORWAARDEN & NORMEN wijzigingen per 1 januari 2014 Vanaf 1 januari a.s. zijn de Voorwaarden en Normen 2014 van kracht. Deze zijn van toepassing op offertes die worden afgegeven vanaf 1 januari 2014 en
Informatiedocument De Erfpachter BV
Informatiedocument De Erfpachter BV U staat op het punt om een woning te kopen. De Erfpachter BV. wil u via dit Informatieboek informeren over De Erfpachter BV. Hieronder zetten we graag voor u uiteen
Consultatie nieuwe hypotheekrichtlijnen
Opgesteld door: Aangeboden door: Consultatie nieuwe hypotheekrichtlijnen De AFM doet voorstellen voor nieuwe richtlijnen voor de verstrekking van hypotheken. Deze nieuwe richtlijnen moeten consumenten
Bijlage: Vaststelling eigen bijdrage en besteedbaar inkomen voor een aantal categorieën.
Bijlage: Vaststelling eigen bijdrage en besteedbaar inkomen voor een aantal categorieën. Beschrijving van de eigen bijdrage systematiek Deze bijlage geeft een beschrijving van de wijze waarop de eigen
financiële dienstverlening
Algemene gegevens cliënt Algemene gegevens partner Naam : Naam : Geboortedatum : Geboortedatum : Algemene Kennis en Ervaring 1. Wat weet u van hypotheken? 2. Wat weet u van beleggingsproducten? 3. Wat
NVM-Betaalbaarheidsanalyse. 2000-Q1 tot en met 2012-Q1
NVM-Betaalbaarheidsanalyse 2000-Q1 tot en met 2012-Q1 NVM Data & Research 2 april 2012 Inhoudsopgave 1 Samenvatting... 3 2 Inleiding: beschrijving van de gebruikte betaalbaarheidsindicatoren en grafieken...
COELO Woonlastenmonitor 2009
COELO Woonlastenmonitor 2009 Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden coelo, Groningen 2009 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen
KLANTPROFIEL VOOR 2 personen
UW KLANTPROFIEL Een financieel advies wordt niet alleen uitgebracht op basis van uw huidige financiële situatie en wensen en doelstellingen, maar ook op basis van uw kennis van, ervaring met en risicobereidheid
Inkomenseffecten van het basisinkomen 2.0
Inkomenseffecten van het basisinkomen 2.0 Effect van de invoering van het basisinkomen op het inkomen van een aantal voorbeeldhuishoudens Jasja Bos, Marjan Verberk-De Kruik Inkomenseffecten van het basisinkomen
Klantprofiel. Waaruit blijkt dat?
Klantprofiel Wat is uw burgerlijke staat? o Alleenstaand o Gehuwd(gemeenschap van goederen) o Gehuwd(huwelijkse voorwaarden) o Samenwonend met samenlevingscontract o Samenwonend zonder samenlevingscontract
Belastingplan 2013: Wet herziening fiscale behandeling eigen woning
Regelingen en voorzieningen CODE 3.2.3.30 verwachte wijzigingen Belastingplan 2013: Wet herziening fiscale behandeling eigen woning bronnen Informatieblad Woningmarkt 18.9.2012 Vragen en antwoorden over
Betaalbaarheid van de woonlasten
Betaalbaarheid van de woonlasten De betaalbaarheid van de woonlasten is tussen 2009 en 2014 flink toegenomen: afhankelijk van het type woning is de consument netto tussen de 18,8% en 23,1% minder aan zijn
Machiel van Dijk Financiële planning en advies. Voorbeeld financieel plan light
Machiel van Dijk Financiële planning en advies Voorbeeld financieel plan light 23 mei 2018 1 Inleiding Dit rapport geeft een overzicht van uw huidige en toekomstige inkomsten, uitgaven en vermogensontwikkeling.
KLANTPROFIEL VOOR DHR. HYPOTHEEK
UW KLANTPROFIEL Een financieel advies wordt niet alleen uitgebracht op basis van uw huidige financiële situatie en wensen en doelstellingen, maar ook op basis van uw kennis van, ervaring met en risicobereidheid
Verandering van de koopkracht van chronisch zieken en gehandicapten in 2014. Nibud, september 2013
Verandering van de koopkracht van chronisch zieken en gehandicapten in 2014 Nibud, september 2013 Verandering van de koopkracht van chronisch zieken en gehandicapten in 2014 Nibud, september 2013 In opdracht
Koopkracht in perspectief. In opdracht van de gezamenlijke ouderenbonden, ANBO, PCOB, Unie KBO Nibud, 2008
Koopkracht in perspectief In opdracht van de gezamenlijke ouderenbonden, ANBO, PCOB, Unie KBO Nibud, 2008 Koopkrachtberekeningen 2007-2008/ 2 Koopkracht in perspectief In opdracht van de gezamenlijke ouderenbonden,
GEMEENTELIJKE UITVOERINGSREGELS VROM STARTERSLENING GEMEENTE VOORST
1 Bijlage 1: Gemeentelijke Uitvoeringsregels VROM Starterslening Gemeente Voorst Algemeen In deze uitvoeringsregels worden beschreven: Definities gebruikt bij de aanvangsdraagkrachttoets en de draagkrachthertoets
