grondwaterka rt van nederland

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "grondwaterka rt van nederland"

Transcriptie

1 grondwaterka rt van nederland 00 lelystad / harde 20 west 26 west/oost dienst grondwaterverkenning ÏD

2

3 OL. 10c22SC 1 grondwaterka rt van nederland lelystad / harde 20 west 26 west/oost 1 dienst grondwaterverkenning ïd 1

4 1 -

5 J1OC'2 3 GRONDWATERKAART V A N N E D E R L A N D LELYSTAD /1-TARDERWIJK Kaartbiaden 20 West, 26 West en Oost Inventarisatieraort Auteurs : Ing. F.G. Aelmans H. Houtman Opdrachtgever : Directie Waterhuishouding en Waterbeweging van Rijkswaterstaat Rapport rir. : GWK 38 Datum : Februari 1985 DIENST GRONDWATERVERKENNING TNO Delft / Oost e r w o ide

6 1 INHOUD Blz. LIJST VAN FIGUREN LIJST VAN BIJLAGEN SAMENVATTING III V VII 1. INLEIDING De geohydrologische verkenning van Nederland Reeds verricht onderzoek Werkwijze en verantwoording 5 2. WATERHUISHOUDKUNDIGE TOESTAND Algemeen Neerslag en verdamping Open wateren Flevoland Waterbalans voor Flevoland GEOLOGIE Geologische geschiedenis Lithostratigrafie GEOHYDROLOGISCHE OPBOUW Geohydrologische schematisering van de ondergrond Slecht doorlatende deklaag Eerste watervoerend pakket Eerste scheidende laag Tweede watervoerend pakket Tweede scheidende laag Derde watervoerend pakket Derde scheidende laag Vierde (matig) watervoerend pakket Slecht doorlatende basis GEOHYDROLOGISCHE PARAMETERS Algemeen Transmissiviteit

7 II Blz Bergingscofficint Verticale hydraulische weerstand BERGING EN BEWEGING VAN HET GRONDWATER De st±jghoogte van het grondwater Tijdstijghoogtelijnen Isohypsenpatroon Grondwaterstroming HYDROGEOCHEMIE Algemeen Prestatie van chemische gegevens Watertypen Indelingsmethode volgens Piper Collins staafdiagrammen Chlorfdegehalten van het grondwater Hardheid van het grondwater CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Algemeen Geohydrologische opbouw van de ondergrond Geohydrologische parameters Grondwaterstroming Chemische samenstelling van het grondwater 77 Overzicht nota's en rapporten, betrekking hebbend op de geohydrologie van het Ijsselmeergebied.

8 III LIJST VAN FIGUREN Blz. Figuur 1. Stand grondwaterkaart van Nederland per 31 december Figuur 2. Stand regionaal geo-elektrisch onderzoek per 31 december Figuur 3. Ligging van het oriderzoekgebied en de Randmeren 4 Figuur 4. Afwateringsgebied van het IJsselmeer (uitgezonderd de Rijn) 6 Figuur 5. Neerslag, Penman-verdamping en neerslaga, b en c overschot over de periode Figuur 6. De in 1973 uitgeslagen hoeveelheid water in Flevoland 10 Figuur 7. De boven-tertiaire en kwartaire formaties gerangschikt naar ouderdom en genese Diepteligging van de bovenkant van de Figuur Formatie van Oosterhout in m -NAP 17 Figuur 9. Diepteligging van de bovenkant van de Formatie van Maassluis in m -NAP 18 Figuur 10. Chrono-/lithostratigrafische eenheden in relatie tot de geohydrologische opbouw 22 Figuur 11. Geschematiseerde geohydrologische opbouw van de ondergrond, met type-indeling van de verschillende combinaties van watervoerende pakketten 24 Figuur 12. Top en dikte derde scheidende laag 30 Figuur 13a. Transmissiviteit (kd-waarde) van het eerste watervoerend pakket op kaartblad 26W, 0 33 Figuur 13b. Transmissiviteit (kd-waarde) van het eerste watervoerend pakket op kaartbiad 20W 34 Figuur 14. Transmissiviteit (kd-waarde) van het tweede watervoerend pakket 36 Figuur 15. Transmissiviteit (kd-waarde) van het derde watervoerend pakket 38 Figuur 16. Transmissiviteit (kd-waarde) van het 'diepe' watervoerend pakket 39

9 IV Blz. Figuur 17. Bergingscoëfficint uit pompproef (s 1 ) versus uit vergelijking geschatte waarde (s 2 ) 41 Figuur 18. Elastische bergingscofficiënt als functie van pakketdikte (D) en diepteligging (d 1 ) van de top van het watervoerend pakket 42 Figuur 19. Verticale weerstanden van het afdekkend pakket 44 Figuur 20. Verticale weerstanden in de eerste scheidende laag 46 Figuur 21. Tijdstijghoogtelijnen waarnemingsput 26D-23 (periode ) 49 Figuur 22. Tijdstijghoogtelijnen waarnemingsput 26A-18 (periode ) 50 Figuur 23. Tijdstijghoogtelijnen waarnemingsput 26H-144 (periode ) 51 Figuur 24a. Stijghoogte van het diepere grondwater in Figuur 24b. Stijghoogte van het diepere grondwater in Figuur 24c. Stijghoogte van het diepere grondwater in Figuur 25. Piper driehoeksdiagram en indeling grondwatertypen 58 Figuur 26. Verbreiding grondwatertypen < 25 m -NAP 60 Figuur 27. Verbreiding grondwatertypen m -NAP 61 Figuur 28. Verbreiding grondwatertypen m -NAP 62 Figuur 29. Relatie calcium- en chioridegehalte 66 Figuur 30. Isohalinen (mg/l) op < 30 m -NAP 68 Figuur 31. Isohalinen (mg/l) op m -NAP 69 Tabel 1. Bemalingscijfers voor Flevoland in Tabel 2. Kwel in Flevoland van 1970 t/m 1974 (mm/dag) 12 Tabel 3. Zoutbezwaar in Oostelijk en Zuidelijk Flevoland (in 10 6 kg chioride) 13 Tabel 4. Relatie tussen watertypen (volgens mdelingsmethode van Piper) en zoutgehalten 63 Tabel 5. Kwalificatiegrenzen van de hardheid van grondwater in mol/m 3 74

10 LIJST VAN BIJLAGEN Bijlage Legenda geohydrologische profielen 1611 Bijlage Geohydrologisch profiel 1-1' 1612 Bijlage Geohydrologisch profiel L-L' kaartblad 1613 Bijlage Geohydrologisch profiel M-M' 26W Bijlage Geohydrologisch profiel N-N' 1615 Bijlage Geohydrologisch profiel 0-0' 1616 Bijlage Geohydrologisch profiel A-A' 1617 Bijlage Geohydrologisch profiel B-B' 1618 Bijlage Geohydrologisch profiel C-C' kaartblad 1619 Bijlage Geohydrologisch profiel D-D' 20W 1620 Bijlage Geohydrologisch profiel E-E' 1621 Bijlage Ceohydrologisch profiel F-F' 1622 Bijlage Top en dikte slecht doorlatende deklaag (26W, 0) 1623 Bijlage Top en dikte slecht doorlatende deklaag (20W) 1624 Bijlage Top en dikte eerste (plus tweede, plus derde) watervoerend pakket (26W, 0) 1625 Bijlage Top en dikte eerste (plus tweede, plus derde) watervoerend pakket (20W) 1626 Bijlage Top en dikte eerste scheidende laag (26W, 0) 1627 Bijlage Top en dikte eerste scheidende laag (20W) 1628 Bijlage Top en dikte tweede (plus derde) watervoerend pakket (26W, 0) 1629 Bijlage Top en dikte tweede plus derde watervoerend pakket (20W) 1630 Bijlage Top en dikte tweede scheidende laag (26W, 0) 1631 Bijlage Top en dikte derde watervoerend pakket (26W, 0) 1632

11 VI Bijlage 19 Isohypsen van het grondwater in het eerste watervoerend pakket op (26W, 0) 1633 Bijlage 20. Collins staafdiagrammen (20W) 1634 Bijlage 21. Collins staafdiagrammen (26W, 0) 1635 Bijlage 22. Diepte tot het zoet-zout grensviak en gemiddelde hardheid in het 'ondiepe' en 'diepe' watervoerende pakket (26W, 0) 1636

12 VII S NEN VATT ING Het gekaarteerde gebied beslaat de kaartbiaden 20 West, 26 West en 26 Oost. Het omvat de westelijke en zuidelijke helft van het Ijsselmeer met delen van de noordwestelijke Veluwe en het Gooi met uitzondering van West-Friesland, dat reeds behandeld is op grondwaterkaart Alkmaar 1979 (19W, 190, 20A) van DGV-TNO. Waterhuishoudkundig worden er zowel diep gelegen polders aangetroffen als ook hoge gebieden zonder zichtbare afwatering. Kaartbiad 20 West omvat voornamelijk open water. Ook geologisch is een grote verscheidenheid waarneembaar, vooral in de afzettingen, ouder dan Onder-Pleistoceen. Op kaartblad 26 West komt een diep glaciaal bekken voor en op kaartblad 26 West en Oost worden stuwwallen aangetroffen. Geohydrologisch valt het gebied in twee delen uiteen; enerzijds de Veluwe, het Gooi, de randmeren en het Markermeer, waar infiltratie plaatsvindt, anderzijds de Flevopolders en West-Friesland waar kwel optreedt. Een deklaag komt over het gehele gebied voor, uitgezonderd het "oude land". De eerste scheidende laag bezit in het glaciale bekken onder Zuidelijk Flevoland een grote dikte, en reikt tot aan de tweede scheidende laag. Deze eerste scheidende laag, behorend tot de Eem en Drente Formatie, bestaat voornamelijk uit veen, klei en glaciale bekkenklei met zandige trajecten en scheidt het eerste van het tweede watervoerend pakket. Deze laag komt ook buiten het glaciale bekken voor, onder Oostelijke Flevoland en in de wijde omgeving van Enkhuizen waar hij is gebouwd uit klei en veen van de Eemformatie. De tweede scheidende laag bestaat voornamelijk uit een dunne taaie kleilaag, behorend tot de Formatie van Enschede en scheidt het tweede en derde watervoerend pakket. De basis van het derde watervoerend pakket wordt globaal gevormd door de top van de Formatie van Maassluis. In deze laatste formatie wordt nog een matig watervoerend pakket onderscheiden. De mariene afzettingen van de Formatie van Oosterhout vormen de slecht doorlatende basis van het geohydrologische systeem. Door het al dan niet voorkomen van slecht doorlatende lagen geven de daaruit voortvloeiende combinaties van watervoerende pakketten aanleiding tot een indeling in vijf typen.

13 VIII Getracht is een beeld te schetsen van een aantal belangrijke geohydrologische parameters (kd-, c- en S-waarden) aan de hand van pompen putproeven en door schattingen aan de hand van boorbeschrijvingen. 1 Uit de stijghoogtekaart blijkt dat de belangrijkste aanvulling van het grondwater plaatsvindt op de Veluwe en ook wel in het Gooi. Verder vindt infiltratie in het Markermeer plaats. Afvoer vindt plaats door middel van kwel uit de Flevopolders. Het grondwater vanuit het Gooi stroomt overwegend in noordelijke tot noordoostelijke richting, terwijl het grondwater van de Veluwe in noordwestelijke richting wegstroomt. Het spanningsverschil tussen diep en ondiep grondwater is in veel gevallen zo groot, dat er een belangrijke opwaartse component in de grondwaterstroming aanwezig is. In de zuidwestelijke helft van het kaartblad bevindt zich een enkele honderden meters dik zoet-waterlichaam, dat ter plaatse van Zuidelijk Flevoland voor een groot deel is afgedekt door een zoutwaterlens. Deze lens wordt in stand gehouden door de daar voorkomende geologische structuur in de vorm van een dikke laag bekkenklei. Aan de rand van deze klei welft de zoet-zout grens, in verband met de daar optredende sterke kwel, tot vlak aan het maaiveld op.

14 / KAART VAN - N E D E R L A N D _ V Topografische 1978' km ,///Ç 1980///// y/%, A 1 98O /4 2 / Â / 746,984/f// //975/ ///1/// _/ 1974/// S _/ 197V. Y Dienst Grondwaterverkenning TNO 1 in bewerking eerste versie (inventarisatierapport) uitgebracht 5o L/ LXXXXKJ herziene versie uitgebrac'ht ' jaartal laatste uitgave S / FIGUUR 1: STAND GRONDWATERKAART VAN NEDERLAND PER 31 DECEMBER 19e 1637

15 -2-- KAART VAN N E D E R L A N D met bladindeling van de Topograflache Kaart (_J 9 7H 13 GUUR 2: STAND REGIONAAL GEO-ELEKTRISCH ONDERZOEK PER 31 DECEMBER

16 -3-1. INLEIDING 1.1. De geohydrologische verkenning van Nederland In 1965 werd door de Minister van Verkeer en Waterstaat aan de Centrale Organisatie TNO opdracht verleend tot een geohydrologische verkenning van Nederland, ten behoeve van een doelmatig gebruik en beheer van het grondwater. Met de uitvoering van deze opdracht werd in 1967 de Dienst Grondwaterverkenning TNO (DGV-TNO) belast. De verkenning omvat in eerste instantie een inventarisatie van geologische, hydrologische en geohydrologische gegevens. Na interpretatie worden deze gegevens in profielen en kaarten verwerkt en vormen met de toelichting een voorlopige uitgave van de Grondwaterkaart van Nederland (inventarisatierapport). Het inventarisatierapport vormt de basis voor de planning en uitvoering van aanvullend onderzoek. De resultaten daarvan worden gepresenteerd in deelrapporten. Wanneer dit zinvol wordt geacht, wordt een herziene versie van de Grondwaterkaart vervaardigd (voortgangsverslag), waarin de gegevens van het inventarisatierapport, de deelrapporten en de resultaten van andere aanvullende onderzoeken, die intern en extern werden verricht, zijn verwerkt. Inmiddels zijn door de Dienst Grondwaterverkenning TNO van een aantal gebieden inventarisatierapporten vervaardigd; van enkele daarvan is inmiddels een herziene en uitgebreide versie verschenen. De stand van deze verkenning van Nederland per 31 december 1984 is weergegeven in figuur 1. Met betrekking tot aanvullend onderzoek wordt door de Dienst Grondwaterverkenning onder andere geo-elektrisch onderzoek verricht. De stand van deze onderzoeken, voor zover het een regionale studie betreft, is weergegeven in figuur 2. Het onderhavige rapport betreft de geohydrologische inventarisatie van het gebied bestreken door de kaartbladen 20 West, 26 West en Oost (volgens kaartbladnummering Topografische Kaart 1 : ). De ligging van het gebied is aangegeven in figuur 3.

17 -4- TAVOREN Ijsselmeer LEMMER MEDEMBLI ENKHUIZE URK Hoornsche Hop 4' B 20- Ci D Ketel meer Vosse meer NARKERMEER EDAM Drontermeer Gouw zee 129 schcinl

18 Reeds verricht onderzoek Door verschillende instanties is in voorgaande jaren onderzoek uitgevoerd, dat direct of indirect betrekking heeft op de geohydrologie van het gebied. Een groot deel van deze onderzoeken hielden verband met (eventuele) inpoldering van delen van het IJsselmeergebied; de uitvoerende of opdrachtgevende instanties waren veelal de Rijkswaterstaat, te weten de directie Zuiderzeewerken en de directie Waterhuishouding en Waterbeweging - District Noord. De Rijks Geologische Dienst heeft aangaande de geologie in het gebied of de directe omgeving diverse rapporten uitgebracht. Een aantal studies, vastgelegd in rapporten en nota's zijn door het Rijksinstituut voor Drinkwatervoorziening gepubliceerd. In het onderzoekgebied of in het aangrenzende gebied zijn door de Dienst Grondwaterverkenning regionale geohydrologische en geo-elektrische onderzoeken verricht. Bovengenoemde onderzoeken zijn evenals lokale of van secundair belang geachte onderzoeken, voor zover bekend, in de literatuurlijst opgenomen. Deze is opgesteld door de Co6rdinatiegroep Geohydrologisch Onderzoek Ijsselmeergebied en is aangevuld door de Dienst Grondwaterverkenning Werkwijze en verantwoording De resultaten van de eerdergenoemde onderzoeken zijn deels in dit rapport opgenomen in de vorm van gegevens in kaarten en profielen of verwerkt in de tekst. Daarnaast werd ter vervaardiging van de kaarten en profielen een systematische inventarisatie en analyse van basisgegevens uitgevoerd. De genventariseerde geologische, hydrologische en geohydrologische gegevens zijn in hoofdzaak afkomstig uit archieven van de Rijks Geologische Dienst, het Rijksinstituut voor Drinkwatervoorziening en de Dienst Grondwaterverkenning. Van de zijde van de Dienst Grondwaterverkenning TNO is het tekenwerk van kaarten en profielen van de hand van J.J. de Mooy en H.J. Karwofodi; het typewerk is verzorgd door mej. I.E. Hiert en mevr. G.P. van Dullemen-van Paassen.

19 -6-7TY L LORENTZ- SLUIZEN STEVINSLUI ÈN LEEUWARDEN. t. GRONI NGEN ASSEN z IJSSELMEER :..:::' ANP - 1,1.AMSTERDAM... DEVENTER LHASSELO : ENSCHE DEN HAAG t.... MOGS.. LIJMGEN - Tr' (. ' \ DORDREC T DEN BOSCH '0 TILBURG kanaal EINDHOVEN VENLO ) jn... 1 t-.. MAASTR IC HT... RORMOND Begrenzingen van he't of wateri ngsgebied Polderland binnen het afwuteringsgebied een deel Loost bovendien elders km FIGUUR 4 : AFWATERINGSGEBIED VAN HET IJSSELMEER (UITGEZONDERD DE RIJN) a

20 -7-2. WATERHUISHOUDKUNDIGE TOESTAND 2.1. Algemeen Het onderzoekgebied bestaat voor een groot gedeelte uit open water en recent ingepolderd land en voor een betrekkelijk klein gedeelte uit zo te noemen oud land. Tussen de polders en het oude land liggen de diverse randmeren zoals het Veluwemeer, Wolderwijd, Nuldernauw, Nijkerkernauw, Eemmeer en Gooimeer. Het open water wordt gevormd door Markermeer en Ijsselmeer; indien eventueel een gedeelte van het Markermeer ingepolderd zou worden, ontstaan aan de Westzijde eveneens randmeren (figuur 3). Figuur 4 geeft een overzicht van het IJsselmeer en haar afwateringsgebied, uitgezonderd de Rijn. De waterhuishoudkundige toestand van het onderzoekgebied is onverbrekelijk verbonden met grotere eenheden van zowel open water als ingepolderd gebied, zodat een beschrijving van het gehele systeem moet worden gegeven Neerslag en verdamping De statistiek van de neerslag en verdampingsgegevens is gepresenteerd voor de periode Na deze tijd is echter de inpoldering van Zuidelijk Flevoland gereed gekomen, zodat enige verandering in neerslag en verdamping verwacht kan worden. Ten einde de ook een indruk te krijgen van deze laatste periode zijn van de jaren de gemiddelde jaarcijfers van de neerslag vermeld voor de verschillende regenstations (fig. 5a). 1 Over de periode bedraagt de gemiddelde neerslag (N) per jaar circa 700 mm in het westen en circa 775 mm in het Oosten van het onderzoekgebied (figuur 5a). In de maand maart viel gemiddeld de minste neerslag en in augustus de meeste, respectievelijk 40 min en 80 mm. Dit laatste neerslagcijfer kon op de Veluwe zelfs 95 mm/maand bedragen. De hoeveelheid neerslag gemeten op de neerslagstations tussen 1970 en 1980 (zie figuur 5a) is niet gelijk. Zo is de hoeveelheid neerslag op de Veluwe aanzienlijk groter dan op Zuidelijk Flevoland. De verdamping van open water (E) in mm per jaar volgens Penman berekend, is weergegeven in figuur 5b. Hiervan afgeleid is het gemiddeld neerslagoverschot per jaar in min afgebeeld (N-0,7E)

21 Wz 1 \682)2/3 (782) a) Gemiddelde hoeveelheid neerslag per jaar, in mm(n) regenstations : 1 oostvaardersdiep 5 elspeet 2 nijkerk (sluis) 6 hulshorst 3 putten 7 harderwijk L lelystad (704)gem. hoeveelheid neersla over b) Gemiddelde hoeveelheid verdamping per jaar, volgens Penman, in mm (Eo) & o x cl Gemiddelde neerslagoverschot per jaar, in mm (N - 0,7 Eo) FIGUUR S a bc: NEERSLAG,PENMAN-VERDAMPING EN NEERSLAGOVERSCHOT OVER DE PERIODE (schaal ) 161

22 -9- (fig. 5c). Hieruit is af te lezen dat in het Gooi en o.p de Veluwe een gemiddeld neerslagoverschot voorkwam van respectievelijk 275 en 300 mm per jaar, terwijl langs het Oostvaardersdiep het neerslagoverschot minder dan 200 min/jaar bedroeg Open wateren De totale oppervlakte van het IJsselmeer bedraagt 1980 kin 2; na de voltooiing van de dijk tussen Lelystad en Enkhuizerzand vond een tweedeling plaats, namelijk in het Markermeer met een oppervlakte van 610 km 2 en het Kleine IJsselmeer met 1230 km 2. Het resterende open water is de IJmeerboezem (inclusief de zuidelijke randmeren en het Oostvaardersdiep) en de westelijke randmeren met oppervlakten van respectievelijk 140 en 200 kin 2. Het totale waterbezwaar van het IJsselmeer (inclusief het Markermeer) bedraagt ca. 16,5 miljard in 3 in een gemiddeld jaar, waarvan circa 10 miljard m 3 wordt aangevoerd door de Ijssel, ca. 5 miljard in 3 uit het afwateringsgebied en ca. 1,5 miljard m 3 van de neerslag op het meer. De verdamping bedraagt gemiddeld 1,3 miljard in 3 per j aar. Het peil in het IJsselmeer en de randmeren wordt bijna uitsluitend beheerst door het overtollige water via de spuisluizen in de Afsluitdijk (waarvan de lozing een enkele keer gestremd is) af te voeren. De afvoer via de Noord-Hollandse, Friese en Croningse boezems en de onttrekking t.b.v. drinkwatervoorziening bedraagt circa 1,8 miljard m3 /jaar. Sinds de voltooiing van dijk Lelystad-Enkhuizen wordt 1 a 2 miljard in 2 (vooral gedurende het zomerhalfjaar) extra afgevoerd via het Noordzeekanaal om het zoutgehalte van het Markermeer zo laag mogelijk te houden (doorspoelen van dit meer met relatief zoet water uit het IJsselmeer) Flevoland, bestaande uit Oostelijk ( ha) en Zuidelijk Flevoland ( ha) heeft twee afwateringseenheden en wel de Hoge (1) en de Lage (2) afdeling (respectievelijk en ha). De polderpeilen van beide afdelingen zijn respectievelijk 5,20 en 6,20 m -NAP. Door opstuwing van tochten treden plaatselijke hogere peilen op.

23 ,-.-, t, t. c,_ - : - -, ,, 20A -,- - E?UIZEN t -' --r. ; / ;-.'-, -.,ç, -.- r : > / \ :-.:-:-:-:-:-: , ::-:-:: :-:-::-:-:::-::-::-:-:-:::::: C 20 0 / :-:: ::-: ::: :-: : :-: -: ::-::: 'vlarkerrneer L i 1'! &? - 1f1!1IA A ki 1 vy JrI1I frk + -'- q-4 26A 26B ' 26E 2,6 F,- 1,\ e, B L4CQ,van UFFEL \ / ::: 26C Z 26 '. 26,< idelijk -Flevolaryd - 7 HW 26-." -' DEN -(HUIZEN ; 1' '1 hoge afdeling SCÏlddt i:,ju.'juu lage afdeling FIGUUR 6: DE IN 1973 UITGESLAGEN HOEVEELHEID WATER IN 106 m 3 UIT 3-MAANDELIJKSE BERICHTEN VAN DE RWS, DIRECTIE ZZW

24 De gemalen "Colijn" (Ketelhaven), "Lovink" (Hardersluis) en "de Blocq van Kuffeler" (Oostvaardersdiep) lozen het overtollige water van de Hoge afdeling. Het waterbezwaar van de Lage afdeling wordt afgevoerd door de gemalen "Wortman" (Lelystad-haven), "Colijn" en "de Blocq van Kuffeler". Er kan ook ook water van de Hoge Vaart naar de Lage Vaart worden gevoerd via een overlaat in de Larser tocht en de Kampersluis nabij Ketelhaven. De bemalingscapaciteit bedraagt 10 en 13 mm/etm voor respectievelijk de Hoge en de Lage afdeling, waarbij geen rekening wordt gehouden met het aflaten van water van de Hoge naar de Lage Vaart, Op twee plaatsen kan het water worden ingelaten o.a. via een inlaatduiker bij het gemaal Colijn. Door een hevelinstallatie onttrekt de viskwekerij bij Lelystad zijn benodigde hoeveelheid water aan het IJsselmeer en voert het af, indien nodig, naar de Lage Vaart. Tabel 1 : Bemalingscijfers 1973 (zie figuur 6) Flevo land Hoge afdeling "Colijn" 42 x 10 6m3 "Lovink" 17 x 10 6 m3 203 x 10 6m3 "de Blocq van 144 x 10 6m3 Kuffeler" Lage afdeling "Colijn" 76 x 10 6m 3 "Wortman" 216 x 10 6m3 408 x 10 6m3 "de Blocq van 116 x 10 6m3 Kuffeler " Totaal 611 x 10 6 m 3 Deze lozing bedraagt ca. 4% van het totale waterbezwaar van het IJsselmeer Waterbalans voor Flevoland De waterbalans is opgesteld voor het jaar De formules, grootheden en aanduidingen hiervoor en de overige gegevens zijn uit de driemaandelijkse berichten van de dienst der Zuiderzeewerken overgenomen. Een waterbalans bestaat uit de posten berging (B), aanvoer (N + K + 1) en afvoer (IJ ± V), waartussen de volgende relatie bestaat: B = (N + K + 1) - (U + V)

25 Onder de berging (B) wordt verstaan de toename in kanalen, tochten, sloten en bodem gedurende een beschouwde periode. De aanvoer bestaat uit de som van de neerslag (N), de ingelaten hoeveelheid water (1) en de kwel minus de infiltratie (K). De afvoer wordt gevormd door de uitgeslagen hoeveelheid water (U) (figuur 6), vermeerderd met de verdamping (V). Voor Flevoland worden voor 1973 de volgende jaartotalen gegeven, uitgedrukt in mm (mm 3 /mm 2 ) en waarbij verondersteld is, dat de berging over ggn jaar of langer is te verwaarlozen. aanvoer: afvoer : N+I+K800+K U + V = V 91 K - V = mm Gedurende de wintermaanden januari, februari en december overheerste de kwel (K) de verdamping (V), die over deze periode vrijwel is te verwaarlozen. januari : K -V+ 4,6nun februari : " = 13,1 mm december : " = 24,4 mm Als aanvulling op de bovenstaande kan de aan de dienst der Zuiderzeewerken ontieende onderstaande tabel 2 dienen (rapp. ZZWB-N ). Gegeven wordt de kwel over de jaren in de verschillende afdelingen van de Flevopolders (in mm/dag). Deze cijfers zijn berekend uitgaande van een gelijke gemiddelde kwel in Oost Flevoland na inpoldering van Zuid Flevoland. jaar Oostelijk Flevoland Zuidelijk Flevoland lage afdeling hoge afdeling lage afdeling hoge afdeling ,30 2,05 0,81 0, ,34 2,25 0,87 0, ,11 1,68 0,55 0, ,02 0,80 1,04 0, ,18 1,84 0,59 0, Oostelijk plus Zuidelijk Flevoland: 1,10 mm/dag Tabel 2: Kwel in Oostelijk en Zuidelijk Flevoland (mm/dag)

26 Het zoutbezwaar dat door kwel in de jaren is veroorzaakt is weergegeven in tabel 3. De bedragen gelden voor Oostelijk en Zuidelijk Flevoland tesamen en zijn uitgedrukt in 10 6 kg chloride. jaar Cl'gehalte Tabel 3: Zoutbezwaar door kwel in Oostelijk en Zuidelijk Flevoland (in 10 kg chloride).

27 GEOLOGIE In dit hoofdstuk wordt in het kort de geologie van het beschouwde gebied beschreven, waarbij de nadruk valt op die aspecten die voor de geohydrologie van direct belang worden geacht. De beschrijving gaat tot aan de laat-tertiaire afzetting omdat de afzettingen daaronder niet geacht worden van belang te zijn voor de kringloop van het water, daar er geen belangrijke grondwaterbewegingen meer plaatsvinden, die doorlopen tot de ondiepe grondlagen (fig. 10) Geologische geschiedenis Gedurende het Tertiair werden in het kaarteergebied dikke pakketten mariene sedimenten afgezet. De laat-tertiaire afzettingen, behoren tot de Formaties van Breda en Oosterhout. Tegen het einde van het Tertiair begon een geleidelijk terugtrekken van de zee, maar pas gedurende het Onder-Pleistoceen hield de mariene sedimentatie op (Formatie van Maassluis) om plaats te maken voor fluviatiele afzettingen. De Formaties van Tegelen en Urk werden door Rijn- en Maassedimenten opgebouwd, de Formaties van Harderwijk en Enschede door sediinenteri van oostelijke rivieren uit Noord- en Midden Duitsland. De grenzen tussen de diverse fluvioglaciale afzettingen werden veelal gemarkeerd door verschillen in klimaatscondities door opeenvolgende koude en warme klimaatsperioden. Met de komst van het landijs, gedurende de Saale-ijstijd, traden grote veranderingen op. In deze periode is het gebied bedekt geweest door landijs, dat vanuit Scandinavië tot ver in Nederland doordrong. Door ijstongen werden op enkele plaatsen in het beschouwde gebied diepe bekkens gevormd en het aanwezige sediment werd tot stuwwallen omhooggedrukt. Na het afsmelten zijn de bekkens in eerste instantie opgevuld met kleiafzettingen behorende tot de Formatie van Drente. Tot deze formatie behoren eveneens de fluvioglaciale zanden, die door smeltwaterstromen vanaf de stuwwallen zijn afgezet. Gedurende de hiernavolgende warme perioden, het Eemien, steeg de zeespiegel ten gevolge van de afsmelting van het landijs; de zee transgredeerde over het onderzoekgebied. Mariene afzettingen vulden gedeeltelijk de glaciale bekkens op en bestaan in het algemeen uit

28 -15-. Afzettingen in Afzettingen von Afzettingen von Afzettingen in CHRONOSTRATIGRAFIE verband met lokale grote zee en Landijs herkomst rivieren bij de ku5t N ZN ZN ZN Z Form v Kootwijk E HOLOCEENJ Form v Singraven Bctuwc Formatie Westtorrd Form v. 8 R * M Formatie c tweichelien Form n. Twente Formatie van.3 E V P B Krettenheye > 1 o R. M EEM EN Form. v. Astcn V Eern Formatie C SAALIEN HOLSTEI NIEN ELSTERIEN F _Drente 1 Fv.PecioI _ 1_ 'r Form v. E'rrdhoven -\_ Formv.IJrk v. Veghet lu CROMERIEN 4, COMPLEX" Form Sier kset < 0 Form M.4-. In Enschedef_fl MENAPIEN 1 chem Fe- [chem Q. WAALIEN '(ten R*M de(e) IB p Fom Harderwijk. EBURONIEN.3 0 -t, c 3 o Form van Tegelen TIGLIEN R M Form van Maasslus 1 ( Niarien PRAETIGLIEN J M BOVEN ( Reuverien) C Form. v. Kiezel- Form van 4, U 0 ONDER (Brunssumierr Schcem- oötiet Oosterhoot da o R M (Manen) W BOVEN 4 v. Fonm von Breda U MIDDEN Heksen 0 ber (ten de'e) (Ma r i en) ONDER E = Eolische afzettingen R = Rijn Koude tijd -. P = Periglociate afzettingen M = Maas Complexe eenheid bestaande uit 9 = Beekafzettingert 0 = Oostelijke noord- tenminste 4 warme en 3 koude V = Veen duitse rivieren en tijden voorlopers Nog ortbenoemd,voorlopig bij Formatie van Urk FIGUUR7: DE BOVEN-TERTIAIRE EN KWARTAIRE FORMATIES GERANGSCHIKT NAAR OUDERDOM EN GENESE (volgens de RGD,1975) 1 643

29 kleien en fijnzandige slibhoudende afzettingen (Eem Formatie). In de latere periode hervatten de rivieren vanuit het zuiden (Rijn en Maas) hun sedimentatie in het gebied en vormden zo de grofzandige afzettingen van de Formatie van Kreftenheye. De laatste glaciale periode van het Pleistoceen is het Weichselien, waarin het landijs Nederland niet bereikt. De afzettingen in deze tijd zijn van lokale veelal eolische herkomst; het zijn in het algemeen fijne al dan niet slibhoudende fijne zanden (Formatie van Twente). In het onderzoekgebied zijn in het Holoceen onder sterk wisselende omstandigheden van mariene, lacustriene, brak water dan wel terristische aard verschillende lithologische afzettingen gevormd, variërend van grove tot fijne zanden, lichte tot zware klei en veen Lithostratigrafie In figuur 7 is de tabel van de boven-tertiaire en kwartaire formaties, gerangschikt naar ouderdom en genese, weergegeven. Deze is overgenomen uit publicaties van de Rijks Geologische Dienst; voor uitgebreidere informatie omtrent ouderdom, sedimentatie-omstandigheden en afzettingen wordt verwezen naar de "Toelichting bij geologische overzichtskaarten van Nederland" (RGD, 1975). Formatie van Breda Deze formatie bestaat uit min of meer glauconietrijke groen-grijze tot groen-zwarte zanden, zandige klei en klei, plaatselijk schelphoudend. In het onderzoekgebied is de diepte van het voorkomen van deze formatie niet bekend. Formatie van Oosterhout Binnen deze formatie worden overwegend scheiphoudende, zwak glauconiethoudende kleien, zandige kleien en zanden aangetroffen. In enkele boringen is de diepte tot de bovenzijde van de formatie vastgesteld. Hieruit blijkt dat deze bovenzijde in het algemeen in noordwestelijke richting helt (figuur 8). De diepte in het zuidelijk deel van het onderzoekgebied is ca. 270 meter en in het westen 380 meter -NAP.

30 T 204 E- 1 UIZEN : : t 1 1 LLS - arkermeer \ ~ 1...., _ \7. -', / , r - / P A 26B 26E 2IF''.. / C M ' LuideIijFIevoIand,-' HIDERWIJK 1 >7.: t DEN r-uen j 322 Lokatie boring met diepte tot bovenkant Form. van Oosterhout globale lijn van gelijke diepte schaal FIGUUR 8: DIEPTELIGGING VAN DE BOVENKANT VAN DE FORMATIE VAN OOSTERHOUT IN M -NAP IRGO 1983) 1644

31 : - Noo-cd _I11. ' 204 :' BUZEN - 1 $ ;, -,.-' \ 1..._ ,....-! C 20 0 t -., - /, 1 'Aarkermeer 1 1 ;\ /( '' /4 -,» 1» /7. ' t 1 / 7? ' _. ' -.r. t ' t '... _ _-f v. 4' > 2 26A F / iel - - \ \\ Zu,deI 6 IevoIand 26//\ DERWIJK '\ DENUIZEN 231!22- r.... /... r..: / '1\ Lokatie boring met diepte tot bovenkant Form. van MaassLuis globale lijn van gelijke diepte... SCfldL I:LDV.UUU FIGUUR 9: DIEPTELIGGING VAN DE BOVENKANT VAN DE FORMATIE VAN MAASSLUIS IN M -NAP (RGD 1979) (GLOBAAL TOP MATIG WATERVOEREND PAKKET)

32 Formatie van Maassluis Deze formatie bestaat uit grove en fijne zanden met ingeschakelde kleilagen of kleilenzen. De top van deze formatie helt in het algemeen eveneens van oost naar west (figuur 9); deze bovenzijde bevindt zich op een diepte van ongeveer 200 meter in het oosten tot 280 meter in het westen. Formatie van Tegelen De lithologische opbouw van deze formatie is sterk wisselend, het betreft zowel kleien als fijne en grove, soms grindhoudende zanden. De afzettingen van deze formatie zijn niet in het gehele gebied aanwezig. Formatie van Harderwijk Afzettingen van deze formatie komen in het gehele gebied voor. De eenheid bestaat overwegend uit fluviatiele grove zanden, met plaatselijk inschakelingen van klei of fijn zand. Bij afwezigheid van afzettingen van de Formatie van Tegelen, rust de Formatie van Harderwijk op de afzettingen van de Formatie van Maassluis. Formatie van Enschede Deze formatie bestaat overwegend uit grove witte zanden. Een deel van de afzettingen van de Formatie van Enschede is in de Saaie-ijstijd gestuwd, waardoor in de oorspronkelijke vrij vlakke bovenzijde vooral in het ijstongbekken niveauverschillen zijn ontstaan. - De onderkant is niet zelden gemarkeerd door een dunne zwak zandige kleilaag. Formatie van Urk De grove, grindhoudende zanden van deze formatie komen in grote delen van het gebied voor. Het voorkomen en de ligging is sterk beenvioed door de Saale-ijstijd; in het bekken onder Zuid-Flevoland zijn de afzettingen volledig weggedrukt. Het bovenste deel is veelal fijnkorrelig (soms leemiagen) Formatie van Drente Tot deze formatie worden gerekend alle afzettingen, die direct samenhangen met de landijsbedekking gedurende het Saalien. Grote

33 dikte van kleiige afzettingen komt voor in het bekken, terwijl in andere delen van het gebied in deze periode grove zanden zijn afgezet of geen afzettingen van deze formatie, o.a. in hooggelegen gebieden worden aangetroffen. De diepte van het glaciale bekken onder Zuidelijk Flevoland bedraagt ca. 100 meter; naar de randen neemt deze dikte zeer snel af. Eem Formatie Met de komst van de Eemzee wordt het glaciale bekken verder opgevuld met klei en fijn slibhoudend zand. In de hoger gelegen delen van het gebied worden geen afzettingen uit deze periode aangetroffen; in het centrale deel van het Markermeer treffen we Eemafzettingen aan waarin echter geen samenhangende kleilaag aanwezig is. Formatie van Kreftenheye De hiertoe behorende afzettingen zijn grotendeels grove grindhoudende Rijnafzettingen, welke niet overal in het onderzoekgebied worden aangetroffen. Formatie van Twente De eolische en moeras afzettingen behorend tot deze formatie zijn vrijwel in het hele gebied gevormd uit materiaal van lokale her - komst. Het zijn in het algemeen fijne zanden waarin siltige en humeuze lagen kunnen voorkomen. Westlandformatie Gedurende het Holoceen worden in grote delen van het gebied klei- en veenlagen gevormd. Getijdegeulen worden opgevuld met zand of zavel. In de hoger gelegen gebieden zijn de afzettingen afwezig; naar het westen neemt de dikte toe tot ca. 14 meter. Op de Veluwe worden dikke pakketten stuifzand neergelegd van de Formatie van Kootwijk.

34 GEOHYDROLOGISCHE OPBOUW 4.1. Geohydrologische schematisering van de ondergrond Voor de geohydrologische schematisering is uitgegaan van lithologische kenmerken, omdat verschillen daarin sterk doorwerken in verschillen in hydraulische doorlatendheid c.q. de weerstand tegen grondwaterstroming. Grinden en zanden hebben een grotere doorlatendheid dan kleien, veenlagen en fijne slibhoudende zanden; de grondwaterstroming zal derhalve bij voorkeur verlopen via de grovere sedimenten. In het algemeen dient nog te worden opgemerkt dat stratigrafische begrenzingen niet noodzakelijkerwijs met lithologische begrenzingen overeenkomen. Bij de geohydrologische schematisering gaat het om een karakterisering van de ondergrond vanuit het perspectief van grondwaterstroming. Sommige lagen of laagpakketten vormen relatief goed doorlatende complexen en worden watervoerende pakketten genoemd. Andere daarentegen laten het grondwater verhoudingsgewijs moeilijk door en worden daarom slecht doorlatende lagen genoemd. Deze laatste kunnen weer worden onderverdeeld in slecht doorlatende deklaag, scheidende laag en slecht doorlatende basis, al naar gelang zij aan de opper - vlakte, tussen twee watervoerende pakketten of aan de onderzijde van het beschouwde grondwatersysteem voorkomen. Afhankelijk van de aangetroffen situatie en de gewenste mate van detaillering, kunnen ook matig doorlatende lagen worden onderscheiden. De schematisering is een vereenvoudigde voorstelling van de werkelijkheid. Naast subjectiviteiten in de interpretatie spelen mede een rol de invalshoek van waaruit men schematiseert (type geohydrologisch probleem) en de schaal c.q. de verhouding tussen gebiedsgrootte en de dimensies van de diverse lagen. In het onderzoekgebied is de opbouw van de ondergrond tussen polder- en watergebieden versus het hoger gelegen vasteland sterk verschillend. De verschillen betreffen voornamelijk de jongere pleistocene en holocene afzettingen; in de gestuwde gebieden zijn deze afzettingen veelal niet aanwezig, terwijl ze in de poldergebieden van groot belang zijn en ze onder het Markermeer in diverse hoedanigheden voorkomen. De

35 -22- CHRONOSTRATGRAFIE LITHOSTRATIGRAFE LITHOLO31E HYDROGEOLOGIE HOLOCEEN Westiand Formatie kleien, Veen, fijne en marig fijne (slibhoudende) zanden OEKLAAG Formatie van Twente fijne (slibhoudende) zanden ie WATERVOEREND III > Weichselien 1 Formatie van igrove PAKKET grindhoudende - 1 Kreftenhe'e zanden emien fijne Eem Formatie siibhoudende zanden 1 grove zander Saatien Form. v. Drente deitagen 1 - Hotsteinien - LU LiJ CD Ln UJ --J matig grove en Elsterien grove 2e WATERVOEREND D Formatie van UrI< grindhoudende PAKKET Cromerien complex - Menapien Forma ed--- zanden grove cheibende\' LAAG Waalien grove zanden met Formatie van fijnzandige of Eburonien Harderwijk kleiige lenzen 3e WATERVOERENO PAKKET LLJ Tiglien Praetigiien Formatie van Tegeten Formatie van Maassluis fijne en matig grove (slibhoudende) zanden, kleilagen 3e SCHEIDENDE LA e WATERVOERENO PAKKET - BOVEN 1_i LJ 2 ONDER 0 Formatie van Oosterhout kleilagencomplex SLE >«DOORLATENOE'K ' '/ K BASIS K FIGUUR 10, CHRONO-/LITHOSTRATTGRAFISCHE EENHEDEN IN RELATIE TOT DE GEOHYDROLOGISCHE OPBOUW 1

36 schematisatie van de opbouw van de ondergrond is in belangrijke mate bepaald door de situatie van de afzettingen in het ijstongbekken. De relatie tussen (litho)stratigrafie en geohydrologie (figuur 10) is als volgt: - De holocene klei- en veenlagen vormen de slecht doorlatende deklaag. - De zanden van de Formaties van Twente, Kreftenheye en/of de Eem Formatie vormen het eerste watervoerend pakket (ondanks de plaatselijk zeer geringe dikte van het pakket zanden). - De kleien van de Eem Formatie hebben tesamen met de kleien van de Formatie van Drente een zodanig stagnerende functie dat deze tot de eerste scheidende laag gerekend kunnen worden. Fijnere en grovere zanden van de Eem Formatie en mogelijk ook van de Formatie van Drente vormen plaatselijk zandlagen in de eerste scheidende laag aan de randen van het glaciale bekken. - Het tweede watervoerend pakket wordt gevormd door alle afzettingen tussen de klei van de Formatie van Drente en de klei van de Formatie van Enschede. - De tweede scheidende laag wordt gevormd door een dunne kleilaag in de Formatie van Enschede - Het derde watervoerend pakket betreft alle andere afzettingen tot aan de bovenzijde van de Formatie van Maassluis. - In de Formatie van Naassluis wordt nog een matig watervoerend pakket onderscheiden. - De slecht doorlatende basis wordt gevormd door de kleiege afzettingen van de Formatie van Oosterhout (fig. 9). Aan deze schematisatie, aangeduid als type 1 (zie fig. 11) kleven enige bezwaren: 1. Zij is niet toepasbaar in het glaciale bekken waar de eerste scheidende laag tot de kleilaag van de Formatie van Enschede reikt of deze zelfs vervangt. Hier vormt de eerste scheidende laag de top van het derde watervoerend pakket (type 5). Waar buiten het bekken, de eerste of tweede scheidende laag ontbreken of uitsluitend zandig zijn ontwikkeld, zijn de aanwezige watervoerende afzettingen te schematiseren tot de typen 2, 3 of 4 (in feite opgebouwd uit combinaties van het eerste, tweede en derde watervoerend pakket).

37 zw NO het Gooi Zuidelijk Flevoland Oostelijk Flevoland TYPE TYPE TYPE TYPE TYPE NAP E LLJ 1- UJ D schaal: horizontaal 1 : vertikaal 1 : FIGUUR 11: GESCHEMATISEEROE GEOHYDROLOGISCHE OPBOUW VAN DE ONDERGROND, MET TYPE INDELING VAN DE VERSCHILLENDE COMBINATIES VAN WATERVOERENDE PAKKETTEN

38 De onderkant van het derde watervoerend pakket wordt verondersteld samen te vallen met de top van de Formatie van Maassluis. Waarschijnlijk is deze simplificatie onjuist, omdat enerzijds de Formatie van Tegelen scheidende kleilagen kan bevatten terwijl anderzijds de top van de Formatie van Maassluis zandig ontwikkeld kan zijn. Aangezien echter onvoldoende diepe boringen voorhanden zijn om de regionale verbreiding en dikte van de kleilagen vast te stellen, wordt voor de basis van het derde watervoerend pakket in het algemeen de top van de Formatie van Maassluis aangenomen. In de profielen (bijlagen 2 t/m 12) komt de schematisatie tot uitdrukking. De legenda bij de profielen is als bijlage 1 toegevoegd. In de overige bijlagen is getracht de duidelijkheid en leesbaarheid van de kaarten te vergroten door de onderscheiden typen watervoerende pakketten in de legenda op elke bijlage te vermelden. Op deze bijlagen (schaal 1 : ) is het onderzoekgebied verdeeld in twee stukken, namelijk kaartbiad 20 west en 26 west en Oost, waardoor de kaarten een hanteerbare grootte kregen Slecht doorlatende deklaag (bijlagen 13 a en b) Tot de slecht doorlatende deklaag worden gerekend de holocene kleien veenlagen, met dien verstande dat het mogelijk is dat binnen het pakket klei- en veenlagen lokaal zandlenzen kunnen voorkomen. De opbouw van de slecht doorlatende deklaag is eveneens sterk wisselend wat betreft de verhoudingen van klei, veen en zand. Op de bijlagen is verbreiding van het basisveen zowel als hêt voorkomen van zandlagen in de deklaag aangegeven. Op kaartbiad 20 west, globaal overeenkomend met het Markermeer, bedraagt de dikte in het zuid-oosten ca. 6 meter en in het noord-westen ca. 13 meter (bijlage 13b). In het algemeen geschiedt de diktetoename geleidelijk; langs de zuidrand van het kaartblad treden over korte afstanden betrekkelijk grote verschillen in dikte op, b.v. over een afstand van 500 meter een toe- of afname van ca. 8 meter in de buurt van het Oostvaardersdiep. In he't westen van Zuidelijk Flevoland (bijlage 13a) is de gemiddelde dikte minder (ca. 5 tot 10 meter). In het oostelijk deel, waar de 1

39 dikte vaak 1 a 2 meter bedraagt, is de deklaag plaatselijk waarschijnlijk afwezig. In oostelijk Flevoland is de deklaag eveneens slechts enkele meters dik en kan de aanwezigheid ervan niet met zekerheid worden aangetoond met behulp van de ter beschikking staande boorbeschrijvingen. De gepresenteerde bijlage geeft een globale indicatie omtrent het voorkomen en de dikte van de deklaag. Wat betreft de kleiige holocene afzettingen op het vasteland, de Veluwe en het Gooi, mag worden gesteld dat deze vrijwel afwezig zijn, hoewel op enkele verspreide plaatsen enkele meters klei aan de oppervlakte is aangetroffen Eerste watervoerend pakket (bijlage 14 a en b) Onder het eerste watervoerend pakket wordt verstaan het eerste pakket zandige afzettingen dat onder maaiveld wordt aangetroffen en van voldoende regionaal belang is. Plaatselijk kunnen kleilagen van de Formatie van Twente of van de bovenkant van de Eem Formatie in het eerste watervoerend pakket voorkomen. Op grond van deze definitie kunnen in het onderzoekgebied drie typen eerste watervoerend pakket worden onderscheiden (zie figuur 11): type 1/3/5 Het eerste watervoerend pakket bestaat in hoofdzaak uit de zandige afzettingen van de Formatie van Twente, tezamen met de aangrenzende holocene zanden en/of zanden van de Eem Formatie en de Formatie van Kreftenheye. De basis wordt gevormd door kleiige afzettingen van de Eem Formatie en/of de Formatie van Drente. Dit eerste type voldoet aan de definitie van een eerste watervoerend pakket en stemt tevens overeen met de algemene afspraken van benamingen in de geohydrologische schematisatie. Dit eerste watervoerend pakket komt voor in een gebied in de omgeving van Enkhuizen langs de noordrand van kaartblad 20 west (profiel D D') en in grote delen van Zuidelijk en Oostelijk Flevoland (voorzover het kaartblad 26 oost betreft). Het voorkomen is in het algemeen gekoppeld aan de verbreiding van de kleiige afzettingen in de Eem Formatie.

40 type 2 type 4 Het tweede type eerste watervoerend pakket bestaat uit zandige afzettingen boven de tweede scheidende laag, binnen het gebied waar de eerste scheidende laag ontbreekt. In feite vindt er een samenvoeging plaats van het eerste en tweede watervoerend pakket volgens de benamingen van algemene geohydrologische schematisatie. In de profielen wordt dit eerste watervoerend pakket dan aangeduid als le + 2e watervoerend pakket. Dit type wordt aangetroffen onder de zuid-westrand van Zuidelijk Flevoland en het gebied rond Putten-Ermelo en hangt globaal samen met het voorkomen van de kleilaag in de Formatie van Enschede en het ontbreken van bovenliggende kleilagen van de Eem Formatie en de Formatie van Drente. Dit type komt daar voor waar de eerste scheidende laag en de tweede scheidende laag (kleilaag in de Formatie van Enschede) beide ontbreken. Dit watervoerend pakket bestaat uit alle afzettingen onder de deklaag, indien aanwezig, tot aan de bovenkant van het matig watervoerend pakket (Formatie van Maassluis). Kleiige afzettingen met geringe verbreiding van de Formaties van Eem en Drente worden tot dit watervoerend pakket gerekend. Dit type watervoerend pakket komt overeen met het eerste, tweede en het derde watervoerend pakket volgens de algemene schematisatie. In de profielen is dit eerste watervoerend pakket aangeduid als le + 2e + 3e watervoerend pakket. Dit type watervoerend pakket komt voornamelijk voor buiten het gebied van het ijstongbekken, onder het Gooi, de Veluwe en het centrale deel van het Markermeer. 9 Op grond van deze indeling ontstaan voor het eerste watervoerend pakket zeer grote verschillen in dikte. Het watervoerend pakket behorende tot het eerste type, veelal opgesloten tussen de holocene afzettingen en de kleiige afzettingen van de Eem Formatie, heeft een dikte van maximaal ca. 40 meter. Het watervoerend pakket behorende tot het tweede type, waarbij de eerste scheidende laag ontbreekt, heeft een dikte van 90 tot 130 meter. Wat betreft de basis van het

41 watervoerend pakket behorende bij type 4 moet worden verwezen naar figuur 9, waarop deze globaal is aangegeven; kleilagen van de Formaties van Harderwijk/Tegelen of Maassluis vormen de basis van het watervoerend pakket. De dikte op bijlage 14 a en b is schematisch aangegeven in verband met de globale indicatie van de basis; in het algemeen bedraagt de dikte ca. 250 meter. Plaatselijk kunnen dunne klei,leem en veenlagen van de Formatie van Twente of van het terristische deel van de Eem Formatie in het eerste watervoerend pakket voorkomen. In de profielen over kaartbiad 26 west en oost komen de genoemde typen duidelijk tot uitdrukking en eveneens de complexe opbouw van het gebied Eerste scheidende laag (bijlage 15 a en b) In het algemeen wordt de eerste scheidende laag gevormd door de kleiige afzettingen van de Eem Formatie en/of de Formatie van Drente. De dikte in de gebieden buiten het glaciale bekken varieert van minder dan 1 tot 10 meter; de scheidende laag wordt daar voornamelijk door Eemklei gevormd. In vele gevallen biedt de gepresenteerde kaart een globaal beeld van het voorkomen; de begrenzingen en dikten zijn niet erg nauwkeurig omdat het aantal boringen gering is en de spreiding ervan slecht. Tevens is de aangetroffen dikte onder Oost-Flevoland vaak zo gering dat de correlatie over vaak grote afstanden twijfelachtig is. De presentatie moet dan ook worden beschouwd als een indicatie over het voorkomen en de dikte van de scheidende laag aldaar. In het glaciale bekken bereiken de Eemkleilagen samen met de glaciale klei echter een grote dikte met waarden tot meer dan 80 meter. Aan de randen aan de oost- en westkant van dit glaciale bekken bevindt zich tussen de Eemklei en de glaciale klei een fijn tot grofzandig pakket in de eerste scheidende laag met een dikte tussen 20 en 30 meter Tweede watervoerend pakket (bijlage 16 a en b) Het tweede watervoerend pakket is per definitie het pakket zandige afzettingen onder de eerste scheidende laag. Bij aanwezigheid van een tweede scheidende laag is er sprake van het tweede watervoerend

42 pakket, in engere betekenis (type 1, figuur 11). Dit pakket wordt gevormd door de (matig) grove zanden van de Formaties van Urk en Enschede. Deze situatie komt voor ten westen en ten oosten van het glaciale bekken. De dikte van het watervoerend pakket varieert daar tussen 20 en 75 meter. Onder her Eemmeer en onder Oostelijk Flevoland ontbreekt de tweede scheidende laag zodat daar het watervoerend pakket n geheel vormt met het derde watervoerend pakket (type 3). De dikte onder het Eemmeer bedraagt circa 160 meter terwijl onder Oostelijk Flevoland een dikte van 160 meter tot meer dan 200 meter wordt bereikt. In glaciale bekken komt geen tweede scheidende laag voor omdat dit pakket daar tegen de zeer dikke eerste scheidende laag uitwigt (type 5) Tweede scheidende laag (bijlage 17) Deze laag bestaat uit een dunne, enkele meters dikke, taaie kleilaag van de Formatie van Enschede. Voorkomen en verbreiding van deze laag zijn slechts zeer globaal bekend. De laag komt voornamelijk voor ten noord-westen en ten Oosten van het diepe glaciale bekken, terwijl ter plaatse van het bekken de tweede scheidende laag door glaciale erosie is opgeruimd. De tweede scheidende laag wigt aan de randen van dit bekken dan ook uit. De mate van contact tussen de beide scheidende lagen is onzeker wegens gebrek aan gegevens. De top van deze laag ligt in het beschouwde gebied op een diepte tussen 80 en 100 meter -NAP. Een kartering van het voorkomen van de laag is op kaartblad 20 West, wegens het ontbreken van voldoende diepe boringen aldaar, achterwege gebleven Derde watervoerend pakket (bijlage 18) Dit pakket wordt gevormd door grove zanden van de Formatie van Harderwijk en de fijn tot matig grove, soms slibhoudende zanden van de Formatie van Tegelen. 1-let pakket bestaat als zelfstandige eenheid daar waar de tweede scheidende laag voorkomt (type 1 en 2) en waar onder het glaciale bekken de eerste scheidende laag de top van het watervoerend pakket vormt (type 5). De dikte van het watervoerend pakket behorende bij type 1 en 2 bedraagt globaal 100 tot meer dan 160 meter. Onder het glaciale bekken (type 5) varieert de dikte tussen de 110 en 140 meter. De top van het derde watervoerend pakket ligt tussen 80 en 110 m -NAP.

43 tt., : 20g E UIZEN \ - -oö-(d- \, '\ Zw &4w, ' \......,/ C 200 \ :: :- - -,. :.k. \ / /( / \ \rkermeer \,- ' ' t :::::::::::::: 1 \ \,. : :»;::::::::::::::.:::::::::::::::::::.::::::, /, ',;» r... :;z '. 26A - -\ \ -»- k'44:-: :, --- t \ " \ öf3-rtd \ 268' 26E 26F \ \ + - / 1 ; -- // 26C 26/22 Z d / d -- L: : - _! 0 a n -,v - )+.o / HDERWJiK ( > w: / 22 r33 / -4 4 F0 flfl.-. 1 / -- -, './'.tci'.w... lokatie boring -224 top 3e scheidende laag in meters tav. NAP 33 dikte 3 e scheidende Laag in meters -.V 4r scr)aal 1:Z Lijn van gelijke diepte in m -NAP FIGUUR 12: TOP EN DIKTE 3e SCHEIDENDE LAAG (Klei in Form. van Harderwijk, Forrn. van Maassluis)

44 Derde scheidende laag (figuur 12) Deze laag is opgebouwd uit kleige delen van de Formatie van Tegelen en/of Harderwijk en kleige afzettingen uit de bovenkant van de Formatie van Maassluis. De top van de laag is aangetoont aan de hand van een zevental boringen. Het karakter van deze kaart is dan ook zeer globaal. De diepte van de top van de derde scheidende laag ligt tussen 280 meter in het noordwesten tot 180 meter in het zuiden en westen van het beschouwde gebied. 4.9 Vierde (matig) watervoerende pakket In de Formatie van Maassluis komen zaridige, slibhoudende lagen voor die tesamen het vierde matig watervoerend pakket vormen. De bovenkant van die laag ligt globaal op een diepte van 200 á 300 meter -NAP (fig. 9). De dikte varieert van 50 tot ca. 150 meter Slecht doorlatende basis Hoewel omtrent de (kleiîge) afzettingen van de Formatie van Oosterhout weinig gegevens in het onderzoekgebied bekend zijn, mag - op grond van de algemene lithologische kenmerken van deze formatie - worden aangenomen dat zij de basis vormen van het geohydrologische systeem. De top van de formatie ligt tussen 300 en 450 m -NAP (fig. 8). 1

45 GEOHYDROLOGISCHE PARANETERS 5.1. Algemeen De hydraulische eigenschappen van de ondergrond - als medium waarin het grondwater zich bevindt - kunnen kwantitatief worden aangeduid met behulp van z.g. geohydrologische parameters. Deze parameters komen voor in de vergelijkingen welke stroming en berging van het grondwater beschrijven. Om hydraulische berekeningen met betrekking tot het grondwater te kunnen uitvoeren, zal men een indruk moeten hebben van de ter plaatse geldende waarden van gn of meer geohydrologische parameters. De meest belangrijke parameters zijn de transmissiviteit (kd-waarde) en de bergingscoëfficiënt (S-waarde) van de watervoerende pakketten en de verticale hydraulische weerstand (c-waarde) van de slecht doorlatende lagen. Strikt genomen worden zij niet uitsluitend door de eigenschappen van de ondergrond bepaald, omdat andere factoren - zoals temperatuur, druk en overige eigenschappen van het grondwater - eveneens de parameterwaarde beïnvloeden. De plaatselijk optredende variaties als gevolg van deze factoren zijn in het algemeen zeer gering, zodat de geohydrologische parameters in praktische zin kunnen worden beschouwd als een uitdrukking van de hydraulische eigenschappen van het doorstroomde medium. Ter bepaling van deze parameters op lokale schaal wordt veelal gebruik gemaakt van pomp- of putproeven. Als aanvulling van gegevens wordt nog gebruik gemaakt van de resultaten van capaciteitsproeven, hoewel de hieruit berekende kd-waarden een veel geringere mate van betrouwbaarheid hebben. Hetzelfde geldt eveneens voor de verschillende schattingsmethoden, waarbij meestal gebruik wordt gemaakt van vastgestelde correlaties tussen geohydrologische parameters en kenmerken van de betreffende lagen of pakketten (lithologie, dikte, diepteligging e.d.) Transmissiviteit De transmissiviteit is een maat voor de energieverliezen welke het water ondervindt bij horizontale verplaatsing binnen een watervoe-

46 26A 26B { / 2 ; T 26C JDFN 50 26D ei,k - FIevoIand C /ERW ' 21 ' 5o0 ' // / O,-O/ \ «T w 71 ckatie pompproef met ko-waarde in m 2 /d uit boorbeschrijvingen geschatte ko-waarde in m2/d schaal 1 : [ eerste wafervoerend pakket (type 1,3 en 5, fig.11) grens verbreiding je scheidende laag FIIUUR 13a: TRANSM(SSIVITEIT (kd-waarde) VAN HET EERSTE WATERVOEREND PAKKET

47 -34-20A ( schaal lokatie pompproef met kd-waorde in m 2 /d uit boorbeschrijvingen geschatte kd-waarde in m 2 /d 1 eerste +tweede (+derde) watervoerend pakket (type 2 en 4; fig.11) 1 eerste watervoerend pakket (type 1 en 3; fig. 11) «öôö» grens verbreiding 1e scheidende Laag FIGUUR 13b:TRANSMISSIVJTEIT (kd WAARDE) VAN HET EERSTE WATERVOEREND PAKKET OP KAARTBLAD 20W 1650

48 rend pakket. Naarmate de transmissiviteit groter is, zijn de energieverliezen per eenheid van massa en per eenheid van afgelegde weg geringer en zal de grondwaterstroming minder worden gehinderd door het doorstroomde medium. De transmissiviteit wordt uitgedrukt in m 2 /d. Binnen het onderzoekgebied zijn weinig gegevens, berustend op resultaten van pompproeven, betreffende transmissiviteiten van de watervoerend pakketten voorhanden. De globale indicaties voor het onderzoekgebied zijn afgeleid uit gegevens in o.a. de Gelderse Vallei (RID, 1978, mededeling 78-4), uit IWACO rapport 420a of uit korrelgrootteverdelingen van grondmonsters waaruit een k-waarde is geschat. Deze schattingen per laag van de diverse pakketten worden daarna vermenigvuldigd met de dikte van deze laag. Aangenomen wordt dat de som van alle produkten een benadering vormt van de transmissiviteit. De transmissiviteit van het eerste watervoerend pakket is grotendeels bepaald aan hand van korrelgrootte verdelingen uit boorbeschrijvingen. Verder zijn de resultaten van een aantal pompproeven op de figuren 13a en b vermeld. Betreffende de pompproeven op locaties 20D-19 en 81 zullen de uitkomsten van 300 m 2 /dag waarschijnlijk te hoog zijn. Enerzijds omdat op de locatie van pompproef 20D-19 geen eerste scheidende laag aanwezig is, waardoor het tweede watervoerend pakket in de kd-waarde bijdraagt, anderzijds omdat op locatie 20D-81 weliswaar het eerste watervoerend pakket gescheiden is van het tweede watervoerend pakket, maar de verbreidingsgrens van de scheidende laag vlak langs de locatie loopt. Gezien de hoge uitkomst van 300 m 2 /dag met een dikte van het eerste watervoerend pakket van ca. 10 meter (met bijbehorende regionale k-waarde van ± 10 m/dag) zal eveneens het tweede watervoerend pakket bijdragen aan de totale kd-waarde. Vorengaande in aanmerking nemende, lijkt dat voor het eerste watervoerend pakket als zelfstandige eenheid de kd-waarden van dit pakket minder zijn dan 50 m 2 /dag in de omgeving van het Wolderwijd en langs de westrand van het glaciale bekken in de omgeving van het Eemmeer. Waarden van 50 tot 250 m 2 /dag komen vooral voor in het centrale deel van Zuidelijk en Oostelijk Flevoland en ten oosten van Enkhuizen. Transmissiviteiten tussen 250 en 500 m 2 /dag worden aangetroffen in het centrale deel van het Zuide-

49 36 UIZEN \ T:11zti ) \\ 'o -,\., kt - '\\ ' %... s%..s...: ) '. ; 1 \ e e r / \\ \i jr -:: 1 r ::::: -NJ sc1 / t z... J - - / 2 26B) 26E l ol IJK ;_ _. --:. v ,.-Ç ',%4 -: lokatie pompproef met ko-waarde van 2100 m2/dag lijn van gelijke ko-waarde in m 2/dag geen 2e watervoerend pakket aanwezig / LJ/ QVU FIGUUR 14: TRANSMISIVITEIT (ko-waarde) VAN HET TWEEDE WATERVOEREND PAKKET (Bron IWACO) 1651

50 lijk Flevoland en in een strook langs de noord-west rand van het glaciale bekken. Waarden van 500 tot 800 m 2 /dag zijn te vinden boven de glaciale klei in het centrum van de Markermeer, even als in een strook langs de stuwwal ten zuid-oosten van Huizen. 1] Van het tweede en derde watervoerend pakket is er door gebrek aan boringen geen kd-waarde geschat middels korreigrooteverdelingen maar is de kd-waarde bepaald aan de hand van een door pompproeven bepaalde k-waarde, welke is gekoppeld aan respectievelijke pakketdikten. IWACO (rapport 420a) hanteert voor de k-waarden van het tweede watervoerend pakket een groote van 20 m/dag, en voor het derde watervoerend pakket een k-waarde die varieert van 25 tot 75 m/dag. Deze variatie is afhankelijk van het aandeel van het grove of het fijne deel van de Formatie van Harderwijk in de opbouw van het pakket. Figuur 14 toont het doorlaatvermogen van het tweede watervoerend pakket zoals door IWACO (rapport 420) is bepaald. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat in dit rapport sprake is van verregaande schematisatie, waarbij niet zozeer de aanwezigheid van een scheidende laag bepalend is voor de verbreiding van een watervoerend pakket, maar veeleer de stratigrafische niveaus waarin deze scheidende lagen voor kunnen komen. Hieruit volgt dat bijna overal in het te beschouwen gebied een eerste, tweede of derde watervoerend pakket te onderscheiden is. De kd-waarden van het tweede watervoerend pakket varieren van nihil onder Zuidelijk Flevoland tot ca m 2 /dag in het westen van Zuidelijk Flevoland. Onder het Markermeer variëren de waarden om 1200 m 2 /dag. Dezelfde schematisatie methode en daaruit voortvloeiende schatting van de dikte van het derde watervoerend pakket levert met eerder genoemde k-waarden van 25 tot 75 m/dag het beeld van de doorlatendheid in fig. 15 (eveneens uit IWACO, rapp 420). De doorlatendheid beloopt waarden van 6000 m 2 /dag in het oosten tot 900 m 2 /dag in het westen van het gebied. Fig. 16 afkomstig van het RID (mededelingen 78-4) toont de kd-waarden van het diepe watervoerend pakket, dat niet uitsluitend gelijk is aan het derde watervoerend pakket, maar ook overeenkomt met het eerste + tweede + derde of met tweede + derde watervoerend pakket tesamen. De verrichtte pompproeven hebben

51 1

52 ', : \ 204'\ E 8UIZE\ 1 - j. \ uw, Q1 :- (2.3 \ ---w ' ' \ '. - T \ / / "' 1'' : :.*: // jf., '\, : : : : : : :::: : :: : :: : :: : : : : : : : ::zw :::: 20 C t t ::::::t : : :: 1 ::: :: : : M T e T m e e r U' J \ cp : jç.7 J J -, -*.. (4 :-: :: :-: :-: : :: vf-: : : ::::: : t.., : /k:.::.:.:.:':.:.: :: : :: :.' ç Ii- :.:.:.:.:.:.\ o ' 2 b 0 \ \ \ A / 268,' < \\ 26E / 7 kn nl 2 - HUIZEN \L /7900 / (2.3} T jk 'okatie pompproef met ko-waarde van 6000 m 2 /dag 1900 (2+3) met betrekking tot het geheel of gedeeltelijke 2 e + 3e watervoerend pakket 5000 lijn van gelijke ko-waarde in m 2 /dag FIGUUR 15: TRANSMISSIVITEIT (ko-waarde) VAN HET OEROE WATERVOERENO PAKKET (Bron IWACO) 1652

53 -39- : ::::: : : : : : :-: : :: :: : : : : : :-:-:-:: :::-::. :;:::::-::: , arkermeer.. ' :: > / s--- - L-: :::::::.:....::::: 26A E 26F \\ 5 \ (1 :::::: 26C 26 6,; H-\/ n E%EN)" _.z...,...l... ;i.:../. :::::::.::::. lokatie pompproef met ko-waarde van 7500 m 2 /dag 7500 (onttrekking uit 2e (2+3) plus 3 e watervoerend pakket) _7000. Lijn van gelijke ko-waarde in m 2/dag ( - srhii FIGUUR 16: TRANSMISSIVITEIT (kd waarde) VAN HET DIEPE WATERVOERENO PAKKET (types 3, 4 en 5) (uit RIO-medede(ingen 78-4) 1653

54 meestal ook op het tweede watervoerend pakket betrekking vanwege het ontbreken van een reële scheidende laag aldaar. De gecombineerde waarden van de transmissiviteiten van beide pakketten levert in het zuid-oosten van het gebied een kd-waarde op van minder dan 7000 m 2 /dag oplopend tot meer dan m 2 /dag in het noordwesten onder het Markermeer. De gemiddelde k-waarden voor het gecombineerde tweede en derde watervoerend pakket wordt door het RID aan de hand van pompproeven geschat op ca. 50 m/dag. In alle gevallen zijn de grofzandige afzettingen van de Formatie van Enschede en Harderwijk de hoofdoorzaak van de hoge transmissiviteiten Bergingscoëfficiënt De bergingscoëfficiënt van een watervoerend pakket wordt gedefinieerd als de hoeveelheid water die per eenheid van oppervlak vrijkomt of geborgen wordt in het watervoerend pakket, per eenheid van stijghoogteverandering binnen dat pakket. Deze parameter is dimensieloos en kan met behulp van pompproeven experimenteel bepaald worden. Voor freatische pakketten komt de bergingscoëfficiënt qua getalwaarde ongeveer overeen met de effectieve porositeit; in het geval van spanningswater kunnen schattingen worden gedaan op basis van enige kennis betreffende elasticiteit van water en het korrelskelet (Van der Gun, 1979, jaarverslag DGV). In de afgeleide schattingsformule voor de elastische bergingscoëfficiënt is in het artikel aandacht besteed aan de samendrukbaarheid van het korrelskelet en de samendrukbaarheid van de poriëninhoud. Uit deze beide onderdelen van de elastische bergingscoëfficiënt is hiervoor een uitdrukking afgeleid door S te integreren over de pakketdikte. Worden top en basis van het watervoerend pakket aangegeven door de (bij benadering tijdsonafhankelijke) diepten d 1 en d 2 beneden maaiveld, uitgedrukt in meters, dan geldt als benadering: S = 1,8 x 10 6 (d 2 -d 1 ) + 8,6 x 10 4 (d 2 0 ' 3 - d 1 0 ' 3 ) Deze formule is toegepast bij pompproeflokaties en de uitkomst is vergeleken met de bepalingen van de pompproef. Beide gegevens zijn uitgezet in figuur 17, waaruit een goede overeenkomst blijkt tussen experimenteel bepaalde en geschatte waarden van de elastische bergingscoëfficiënt.

55 -41- S2 1 / 1 io FIGUUR 17: BERGINGSCOËFFICTËNT UIT POMPPROEF(S 1 ) VERSUS UIT VERGELIJKING GESCHATTE WAARDE

56 _ 5- _EEEEE op Iri 7J!4-II E/EEEEE / 3 -E : / //LLH D(m) FIGUUR 18: ELASTISCHE BERGINGSCOËFFICIËNT ALS FUNCTIE VAN PAKKETDIKTE(D) EN DIEPTELIGGING(d1) VAN DE TOP VAN HET WATERVOEREND PAKKET 1655

57 Op grond van deze resultaten lijkt een toepassing van de schattingsformule of de grafische weergave ervan (figuur 18), mede op grond van de geringe kosten er inspanning, als globale benadering voor de elastische bergingscoëfficiënt zeer zinvol. Aangezien in het onderzoekgebied geen gegevens voorhanden zijn omtrent de elastische bergingscoëfficiënt kan met behulp van de eerdergenoemde schattingsmethode een orde van grootte worden bepaald voor het belangrijkste watervoerend pakket. Voor het derde watervoerend pakket, onder het glaciale bekken, wordt de top van het pakket aangetroffen op ca. 100 meter en de dikte van het pakket bedraagt ca. 200 meter. Als indicatie voor de elastische bergingscoëfficint ter plaatse geldt dan een waarde van ca. 1,7 x 10. In de gebieden waar ondiepe scheidende lagen voorkomen of zelfs ontbreken, ligt de top van het watervoerend pakket tussen ca. 100 en 10 meter beneden maaiveld; de corresponderende dikte is ca. 200 tot 300 meter. De geschatte waarden voor de elastische bergings-. cofficiënt liggen voor deze gebieden tussen 1,7 x 10 en 3,6 x Verticale hydraulische weerstand De verticale hydraulische weerstand van een slecht doorlatende laag is het quotiënt van de (verzadigde) dikte van die laag en de gemiddelde verticale doorlatendheidscoëfficiënt. Deze parameter (c waarde) heeft de dimensie van tijd en wordt gewoonlijk uitgedrukt in dagen. De verticale hydraulische weerstand van een laag kan worden bepaald met behulp van pompproeven of uit de analyse van een lokaal of regionaal waterstromingsbeeld. Ook kunnen schattingen worden verricht op grond van lithologische kenmerken, zoals dikte en diepteligging van de laag. Het c waarden kaartje van de slecht doorlatende deklaag (fig. 19) is overgenomen uit het IWACO rapport no De volgende daar gemaakte aannames zijn afgeleid uit pompproeven en waterbalansstudies. Voor de deklaag is een c waarde genomen van 100 maal de dikte van het pakket. Indien er basisveen aanwezig is worden daar nog 2000 dagen bij opgeteld. De aldus gevormde c waarde varieert van 200 dagen in het zuid oosten tot meer dan 3000 dagen in het noord westen. Voor de

58 A 2OB TT/ / cn fl) wz \ fll O FZ F2 F2 oz rso - oz FZ schaal 2OO - lijn van gelijke c -waarden 1 wz7 pakket wadzand in en op de hol. klei 1 begrenzing van het basisveen FZ pakket fijn zand in en op de hol. klei holocene geul met kleiige oudere zandige afzettingen in en onder opvulling de oude zeektel holocene geul met zandige opvulling zuigput (deklaag ontbreekt) FIQUUR19: VERTICALE WEERSTANDEN VAN HET AFDEKKEND PAKKET(NAAR IWACO RAPPORTNR. 420) 16

59 ingesneden geulen geldt dat naar gelang hun opvulling zandig of klei!g is, er een vaste weerstand van respectievelijk 100 en 400 dagen kan worden verondersteld. Tevens is door de aanwezigheid van zandwinputten de afdekkende laag opgeruimd op sommige plaatsen in de randmeren, in het bijzonder in de randmeren bij Harderwijk en Huizen en langs de dijk Enkhuizen-Lelystad. De c-waarden van deze soms tot in het tweede watervoerend pakket doorgezette putten zal sterk verschillen maar kan in het algemeen op 100 dagen gesteld worden. Het c-waarden kaartje van de eerste scheidende laag (fig. 20) is voor wat betreft Oostelijk Flevoland afgeleid uit de gecombineerde c-waarde kaarten van Eem en glaciale klei en leem lagen uit RID-mededelingen 78-4 en rapport 420 van IWACO. Hierbij is de volgende aan voornoemde RID-publicatie ontleende formule gebruikt: c = o. d (h + d) waarbij c = evenredigheids constante (etm/m2 ) welke empirisch wordt bepaald d = dikte van de scheidende laag (m) h = dikte van het met water verzadigde lagenpakket boven de scheidende laag (m) Voor de Eemlagen is een o.-waarde van 30 dagen/m 2 aangehouden, en voor de glaciale kleileemlagen een a-waarde van 10 dagen/m 2. Voor de glaciale bekkenklei onder Zuidelijk Flevoland is een o.-waarde van 100 d/m2 bepaald, waarbij echter daar waar de bekkenklei samenvalt met de Eemklei de c-waarden door het RID via een numeriek model zijn bepaald. Dit is het geval onder het centrale gedeelte van Zuidelijk Flevoland. C-waarden van 1000 tot dagen worden aangetroffen onder oostelijk Flevoland en langs de randen van het glaciale bekken. In het glaciale bekken lopen de c-waarden op tot dagen. Vanaf een waarde van dagen kan de laag als ondoorlatend worden beschouwd. Ten oosten en zuiden van Enkhuizen komen waarden voor van ca. 500 tot ca dagen. Voor kaartbiad 20 West is volstaan met het vermelden van de c-waarden bij de putlocaties. Wegens het grillige verloop van het c-waarden patroon aldaar, zouden lijnen van gelijke c-waarden een te speculatief karakter hebben.

60 lokatie boring met c-waarden in dagen schaal grens verbreiding l scheidende laag Lijn van gelijke c-waarden 1e scheidende Laag aanwezig FIGUUR 20: VERTICALE WEERSTANDEN VAN DE EERSTE SCHEIDENDE LAAG 1657

61 Over de tweede scheidende laag is wat betreft de doorlatenheid van deze laag niets bekend. Wel is bekend dat deze laag een grotere c-waarde moet bezitten dan de min of meer equivalente Kedichem klei ten zuiden van het inventarisatie gebied. Hiermee rekening houdend kan geschat worden dat de c-waarden kan variëren van 500 dagen tot meer dan 1200 dagen.

62 6. BERGING EN BEWEGING VAN HET GRONDWATER 6.1. De stijghoogte van het grondwater De stijghoogte van het grondwater in een bepaald punt (ook wel piezometrisch niveau genoemd) is het niveau dat zich instelt in een al dan niet denkbeeldige waarnemingsput, waarvan het (oneindig kleine) filter in het beschouwde punt is gesteld. Als referentievlak voor de stijghoogte wordt het NAP-vlak gebruikt. Resultaten van stijghoogtemetingen en daaruit eventueel via een correctie op zoutgehalte af te leiden stijghoogteverschillen geven belangrijke informatie met betrekking tot de berging c.q. de bergingsverandering en de beweging van het grondwater Tijdstijghoogtelijnen Het verloop van grondwaterstanden in gén punt uitgezet tegen de tijd wordt weergegeven door middel van tijdstijghoogtelijnen (figuur 21). Ter correlatie is de neerslag in dezelfde figuur weergegeven. In de figuur is het tijdstijghoogteverloop van 2 filterdiepten uitgezet van put 26D-23, gelegen in Zuidelijk Flevoland. Het tijdstijghoogteverloop van het ondiepe filter (diepte 23,2-24,2 m -NAP) van put 26D-23 wordt onder meer bepaald door: - periode verdere ontwatering c.q. diepere drainage van het poldergebied nabij de boring; - variaties in neerslag-verdamping. Het stijghoogteverloop van het diepe filter (diepte 103,2-104,2 m -NAP) wordt naar verwachting bepaald door variaties in neerslag en luchtdruk. De onderlinge vergelijking van de tijdstijghoogtelijnen van de filters van put 26D-23 geeft geen indicatie omtrent de samenhang van de stijghoogte aan. Dit is op grond van de dikke kleilaag ter plaatse (profiel N-N') tussen beide filters ook niet te verwachten. In figuur 22 is het tijdstijghoogteverloop gepresenteerd van 3 filters van waarnemingsput 26A-18 (Oostvaardersdiep). De tijdstijg-. hoogtelijnen van de filters op de diepten 47,3-48,3 en 97,3-98,3 m -NAP tonen wat betreft de figuratie en absolute waarde onderling een grote overeenkomst. Tussen beide filters bevindt zich geen

63 -/.9- c 2C L.0 ni z 1 8C (1) Q) - loc / / fieterdiepte 103,2-104,2 m -NAP DERDE WATERVOEREND PAKKET c 0 c -4-, in 300 REGENSTATON N'JKERKSLU (zie fig. 5a) E 1000 E c 20,5C in ü) in 80 ci ,00 500,2C,4 0,60 filterdiepte 23,2-24.2m -NAP EERSTE WATERVOEREND PAKKET 80 5,00 20 n A A A ~ 1 A A V v /-V ' 1 V - v v FIGUUR 21: TIJDSTIJGH000TELIJNEN WAARNEMINGSPUT

64 duidelijke scheidende laag. Voorgenoemde tijdstijghoogtelijnen wijken sterk af van die van filterdiepte 122,3-123,3 m -NAP. Dit moet het gevolg zijn van de aanwezigheid van een kleilaag (tweede scheidende laag) tussen de filters. Het stijghoogteverschil wordt echter voor een deel door de verschillende zoutgehalten van het grondwater in de verscheidene filters veroorzaakt. Zo bedraagt het positieve stijghoogteverschil van 1.42 m tussen de twee filters aan weerzijden van deze scheidende laag na correctie op zoutgehalte nog maar ca. 0,76 meter (effectieve drukhoogteverschil over deze laag). Opvallend in de 3 tijdstijghoogtelijnen is de grote daling in het begin van 1968; deze daling hangt samen met de aanvang van de inpoldering van Zuidelijk Flevoland. In daaropvolgende jaren (1969 tot 1972) daalde de grondwaterstijghoogte nog ongeveer ggn meter in de relatief ondiepe filters. De grote verlaging in 1975 en begin 1976 werd veroorzaakt door de bemaling ten behoeve van de bouwput voor een schutsluis aldaar; in het diepe filter is hiervan geen invloed merkbaar. De stijghoogte is na 1976 in de drie filters, met uitzondering van enige fluctuaties, Vrij constant. In figuur 23 is het stijghoogteverloop in waarnemingsput 26H-144 (diepte 56,8-57,8 m -NAP) weergegeven. Deze put, gelegen ten oosten van Ermelo, toont een stijghoogtezakking aan vanaf Het beeld van andere waarnemingsputten verder op de Veluwe, zoals put 33A-65, welke reeds vanaf 1956 wordt waargenomen, tonen aan dat hier sprake is van een langjarige trend. Omstreeks de jaren valt een stijghoogte-optimum waar te nemen en een laagste stand in Sinds 1978 beweegt het stijghoogteniveau zich weer in opwaartse richting Isohypsenpatroon Na de drooglegging van de Noordoostpolder (1942), Oostelijk Flevoland (1957) en Zuidelijk Flevoland (1968) heeft het stromingsbeeld van het grondwater in het IJsselmeergebied een aantal veranderingen onçiergaan. Ter illustratie van de gevolgen van inpolderingen zijn de globale isohypsenpatronen gecorrigeerd naar zoet grondwater voor de jaren 1956, 1967 en 1973 weergegeven in figuren 24a, b en c. Zij hebben betrekking op het diepe watervoerende pakket onder de Eem- en glaciale kleilagen, en indien deze niet aanwezig zijn, op het niveau van 20 a 30 meter -NAP.

65 -53- 'DEN OEVE TAVOREN Ijs set meer ER NIEDENIBLII< t 1 E URK Hoornsche Hop Keteimeer e.r meer' ROGC'E \BOTS LUI. EDAM - Dronterme zee' Ar MUIDEN Nuldernauw /,f,4/ NIJKERKERSLUIS N. Q FIGUUR 24e: ZOET WATER STIJGH000TE VAN HET DIEPERE GRONDWATER IN 1956 (RWS,ZZW) schaal 1:400000

66 DEN OEVE REN J ssel meer LEMMER MEDEMBLIK / E 5 / URK HOOR Hoornsche Hop Ketelmeer 1 mk / EDAM \\IVossekJ \ meer ROGGE-\\ 1 J BOTSLUI.. LIn 1 ( q Drontermeer ELBURG HARDERWIJK MUIDEN 1' 2) 74JKERKERSLUIS Nulder?nc ç CO FIGUUR 24b ZOETWATER STIJGHOOGTE VAN HET DIEPERE GRONDWATER IN 1967 (RWSZZW) schaal

67 -55.- TAVOREN 1)-, 11 EDEMBLIK \Lmeer 7 LEMM ER CV EN<HUIZE Ln UR K HOOF Hoornsche Nop Kete!meer meet \ EDAM MARKERMEER Vosse - meer ROGGE- / Drontermeer Gouw zee - ELBURG (1 Umeer MU IDE N / Gooimeer Wolder- HARDERWIJK wijd Nulder nauw NIJKERKERSLUIS ) fl - 1fl 'D co FIGUUR 24c: ZOET WATER STIJGH000TE VAN HET DIEPERE GRONDWATER IN 1973 (RWS,ZZW) schaal

68 Van het onderzoekgebied is een isohypsenkaart vervaardigd van het eerste watervoerend pakket op grond van waarnemingen op 28 augustus 1978 (bijlage 19). De laagste grondwaterstanden komen voor langs de Lage en Hoge Vaart; de hoogste standen op de Veluwe en in mindere mate in 't Gooi Grondwaterstroming Uit de isohypsen is de stromingsrichting van het grondwater af te leiden; de stromingsrichting is loodrecht op de isohypsen. Op grond van deze af te leiden stromingsrichting en de onderlinge afstand van de isohypsen (helling stijghoogteoppervlak) is op de eerder genoemde bijlage 19 te zien dat de grootste stroming plaatsvindt vanaf de Veluwe naar de polders en vanaf het Gooi naar dit lager gelegen gebied. Op de bijlage zijn alle filterdiepten en de bijbehorende gecorrigeerde stijghoogten op 28 augustus 1978 vermeld. Hieruit is af te lezen dat het diepe grondwater onder de dikke tweede scheidende laag een veel hoger potentiaal bezit; de verschillen in stijghoogten onder en boven de kleilaag bedragen soms meer dan een meter. Aan de randen van deze kleilaag mag daardoor een grote verticale opwaartse stroming worden verwacht, van zoet grondwater. Dit stromingspatroon moet zich hier lang voor de inpoldering bevonden hebben, daar de veranderingen door de inpoldering teweeg gebracht, op regionale schaal, slechts van zeer geleidelijke aard zijn.

69 HYDROGEOCHEMIE 7.1. Algemeen De chemische samenstelling van grondwater geeft belangrijke aanwijzingen omtrent de oorsprong en de geschiedenis van het grondwater. Daarnaast zijn de chemische eigenschappen bepalend voor de bruikbaarheid van het water voor diverse doeleinden. In het onderzoekgebied is de belangstelling vooral gericht op het chloridegehalte, omdat hierdoor grotendeels de bruikbaarheid wordt bepaald en vaak de oorsprong en geschiedenis van het water is af te lezen. De presentatie van de chemische gegevens en eventuele indeling in watertypen kunnen op diverse manieren geschieden; de keuze blijft veelal discutabel. Daarom zal kort worden ingegaan op enkele manieren van presentatie en de keuze voor dit rapport worden toegelicht Presentatie van chemische gegevens De gegevens omtrent de chemische samenstelling van een watermonster worden op een analyseformulier in mg/l vermeld. Voor een enkel monster is dit de beste wijze om eventuele gebruikers inzicht te geven in de bruikbaarheid van het betreffende water. Ook bij lokaal onderzoek en vastgestelde eisen is dit een doeltreffende presentatie. Bij grotere hoeveelheden gegevens weergegeven op kaarten van grotere schaal is de presentatie niet meer zo specifiek; de presentatievormen geven dan meer algemene indicatoren voor de waterkwaliteit. Om dit meer algemene beeld te interpreteren zijn regionale kennis van de ondergrond, grondwaterstroming en kwaliteitsbenvloeders vereist. Een Schoellergrafiek geeft de belangrijkste anionen en kathionen in mg/l aan. Vooral bij vergelijking van watersoorten is deze grafische weergave geschikt. Het aantal gegevens per grafiek is echter beperkt en wanneer het totaal aantal weer te geven analyses van een gebied te groot is, wordt deze wijze van presentatie minder goed uitvoerbaar. Bij grotere hoeveelheden gegevens en grotere gebieden is het aantrekkelijk het chemische karakter vast te leggen in piperdiagrammen en Collins staafdiagrammen. Door het percentage van de milliequivalen-

70 -58-3 \V/V 5 \ x /\ / \ II Ca Kationen 1+) Percentage van het totaal Anionen (-) aantal milli -equivalenten (mval) Onderverdeling gebieden (lonen in mval) Grondwatertypen Gebied 1 : (HCO + CO) (Ca+ Mg) Type 1: Caiciumbicarbonaat kenmerkend Gebied (HCOCO) (Na + K) }> 50% Type 2: Alkalicarbonaat kenmerkend Gebied (SO + Cl-) + Mg) } Type 3: Nietcarbonaten hardheid kenmerkend Gebied (SOC1) (NJa 4 + K) 50% Type 4 Alkalinietcarbonaten kenmerkend Gebied Geen der kation anion paren - } > 50% Type 5: Overgangstype 1 FIGUUR 25: PIPER ORIEHOEKS DIAGRAM EN INDELING GRONDWATERTYPEN 1664

71 ten van de belangrijkste anionen en kathionen in beschouwing te nemen en te presenteren, wordt een indicatie gegeven van de watertypen of de herkomst van het water, waaruit weer de verandering van de samenstelling in de stromingsrichting kan worden afgeleid. Het voordeel van de Collins staafdiagrammenkaart (bijlage 20 en 21) is dat de verhoudingen van de belangrijkste ionen in mval/l in het grondwater per putfilter goed worden weergegeven (7.3.2). De geo-hydrochemische profielopbouw van de ondergrond is in horizontale zowel als verticale zin goed te volgen. Tevens zijn via de bijvermelde waarde van het Cl'-gehalte in mg/l, de andere ionen eveneens om te rekenen naar hun gehalte in mg/l. Om op een overzichtelijke manier voorkomen en verbreiding van verschillende watertypen uit de beelden is de staafdiagrammenkaart echter minder geschikt. Dit kan beter gebeuren via de weergave van de verspreiding van verschillende watertypen waarvan de indeling is verkregen volgens het piper driehoeksdiagram (7.3.1.). Hierbij wordt van de zelfde ionen in mval/liter gebruik gemaakt als bij het Collins staafdiagram. De gegevens betreffende de verbreiding van de grondwatertypen zijn ontleend aan een publicatie van RWS-Dienst der Zuiderzeewerken (nota B70-9). 7.3 Watertypen Indelingsmethode volgens Piper Aan de hand van piper driehoeksdiagrammen zijn een aantal grondwatertypen te onderscheiden. Bepalend hierbij is welke combinatie van kathionen en anionen meer dan 50% uitmaakt, van de totale opgeloste ionen concentratie (in milli-equivalenten). Figuur 25 toont de verschillende watertypen en hun plaats in het piper driehoeksdiagram. Bij toenemende totale ionenconcentratie en daaraan gekoppelde Cl'-ionen concentratie valt in het onderzoekgebied een verschuiving van watertype 1 naar watertype 4 waar te nemen (tabel 4). Watertype 1 zal dus hoofdzakelijk als zoet water en watertype 4 als zout water voorkomen.

72 -60-.r t1ui1ti 1 \ 1 Grondwatertypen volgens piper T ] lkalinietcarbonaten 1 overgangsfype 1 1 calciumcarbonaat V/ nietcarbonatenhardheid alkalicarbonaat Totale ionenconcentrafie (mg /1) S > llflllllhlli schaal 1 250,000 [ode FIGUUR 26: VERBREIDING GRONDWATERTYPEN IN RELATIE TOT HET TOTALE ZOUTGEHALTE (<25 m-nap) 665

73 -61-1 GrondwatertvDen voloens ober Totale ionenconcentratie (mg/l) [ode 1 alkalinietcarbonaten overgangs type calciumcarbonaat V/ nietcarbonatenhardheid alkaticarbonaat > FIGUUR 27: VERBREIDING GRONDWATERTYPEN IN RELATIE TOT HET TOTALE ZOUTI3EHALTE (25-50 m -NAR)

74 nç :::.: :: 1:: : :::::... 20A r O) Z E N ( ) ( 6 76) 7 ii 7 (, \ \ 20C 20D S..., '... S 'S S :... r j E J ' H. :: :.: 1 Grondwatertypen volciens ijier 1 1 alkalinietcarbonaten 1 1 overgangstype t calciumcarbonaat nietcarbonatenhardheid atkalicarbonaat Totale ionenconcenfrafie (mg/l) > schaal [ode FIGUUR 28: VERBREIDING GRONDWATERTYPEN IN RELATIE TOT HET TOTALE ZOUTGEHALTE (50-75 m -NAP)

75 Totale ionen concentr. (mg/l) >2000 Cl'-gehalte(mg/l) < >750 optreden types 1, voorname- types 1, voornamewatertypen 4 en 5; lijk type 4 en 5; lijk type afgeleid van het 3 in min- 1 2 en 3 in 4 piperdiagram dere mate mindere mate Tabel 4: Relatie tussen watertypen (volgens indelingsmethoden van piper) en zoutgehalten De verbreiding van de verschillende watertypen is voor de niveaus tot 25, van en van meter diepte weergegeven op de figuren 26, 27 en 28. Omdat de verscheidene watertypen alleen iets zeggen over de relatieve verhouding c.q. de dominantie van verschillende combinaties van ionen, is in de figuren eveneens de grootte van de totale ionenconcentraties (mg/l) tot uitdrukking gebracht Collins staafdiagrammen Evenals bij het piperdiagram worden alleen de belangrijkste kath- en anionen in beschouwing genomen, te weten van Ca, Mg, Na, HCO 3 en SO 4 en Cl. In het staafdiagram worden zij naar onderstaand voorbeeld ingedeeld Ca Mg Na HCO. SO 4 C1 De bijbehorende filterdiepte is aan de linkerzijde van het staafje vermeld. Door de vermelding van de mg/l chioride aan de rechterzijde is het mogelijk om de mg/l van de andere anionen en kathionen te berekenen. De bovenzijde van het staafje presenteert de verhoudingen van de kathionen (50% van de milliequivalenten) en de onderzijde de verhoudingen van de anionen (50% van de milliequivalenten). Wanneer

76 per staafje het gegeven aantal mg/l chioride wordt gedeeld door 35,46 vindt men het aantal milliequivalenten chloride; via de verhoudingsgewijze onderverdeling van het staafje levert dit getal het uitgangspunt om het aantal milliequivalenten van de andere ionen te berekenen. Vervolgens dient het gevonden aantal milliequivalenten van Ca", Mg", Na' HCO 3 ' en SO 4 ' respectievelijk met 40,02; 12,16; 22,30; 61,01 en 48,04 vermenigvuldigd te worden om het aantal mg/l per ion te vinden. De verhouding in mval der onderscheiden ionen of combinaties daarvan tesamen met enkele absolute waarden voor Cl'-gehalten, hardheid of ionen-concentratie bepalen het watertype. Voor de benaming van de watertypen wordt de indeling aangehouden van W. Geirnaert (in H 0 (4) 1971 nr. 6). 2 Calciumcarbonaat water (geînfiltreerd regenwater) hardheid meestal 1 a 25 mol/in 3 Cl gehalte meestal < 20 mg/l SO 4 gehalte meestal < 5 mg/l (sulfaatreductie) Natriumchloride water (zout of brak water) Cl gehalte zeer hoog (circa ng/l) SO 4 gehalte hoog Natriumcarbonaat water (kathionen uitwisseling: verzoeting) Na+ > Cl + SO 4 Cl variabel (meestal < 500 mg/l) SO 4 meestal laag door sulfaatreductie Calciumchloride water (kathionen uitwisseling: verzilting) Ca > HCO 3 + SO 4 Cl meestal hoog (> 1000 mg/l) Mengwater tussen de typen a of c enerzijds en b of d anderzijds. De totale ionenconcentratie varieert sterk.

77 f. Infiltratiewater lage totale ionenconcentratie lage hardheid (meestal < 1 mol/m 3 ) laag chloridegehalte (< 35 m/l) SO 4 gehalte procentueel hoog Met kathionen uitwisseling, bij typen c en d wordt bedoeld de vervanging aan de oppervlakte van formatiedeeltjes (vooral klei) gebonden kathionen door andere kathionen, als gevolg van een evenw±chtsverstoring van in oplossing zijnde en gebonden kathionen. Dit is bijvoorbeeld het geval na een transgressie wanneer zout water in contact komt met zoet water in de ondergrond. Alleen de uitwisseling van Na+ en Ca ionen wordt beschouwd. Zo is er sprake van calciumchloride water als er een overmaat van Ca ionen over HCO 3 + SO 4 ionen aanwezig is als gevolg van brak of zout water indringing in zoet grondwater, waardoor aan de formatiedeeltjes gebonden Ca-ionen (in zoet grondwater) gedeeltelijk zijn vervangen door Na+ ionen. Op omgekeerde wijze zal natriumcarbonaat water ontstaan. De Collins staafdiagrammen van kaartblad 20 west (bijlage 20) en kaartbladen 26 West en Oost (bijlage 21) geven een beeld van de verticale geohydrochemische profielopbouw. Per lokatie kan, indien meer filters aanwezig zijn, de variatie van de verschillende kathionen en anionen worden bestudeerd en het bijbehorende watertype worden vastgesteld. Als voorbeeld kan dienen boring 26D-10 (bijlage 21). In de bovenste filters wordt natriumchloridewater aangetroffen en op grotere diepte calciumbicarbonaatwater. Een ander exemplarisch geval is boring 26D-42 (bijlage 21). De chioridegehalten in mg/l spreken voor zich, terwijl de verdeling van calcium en natriuin in het zoete deel aan verschuiving onderhevig is. Ook de percentages van Mg en SO veranderen in deze presentatie van de verhoudingen van kathionen en anionen. Bijlage 20 toont op grond van de Cl'-cijfers dat in het algemeen zout water (het zoute water is in het algemeen van het type natriumchloridewater) in de ondergrond aanwezig is, maar in enkele gebieden, meestal ondiep, komt ook brak water voor.

78

79 In huidige brakke of zoute gebieden op kaartblad 20A, B en C waar zoet en zout grondwater in het verleden elkaar verdrongen hebben of in verbinding staan, lijkt het mogelijk een relatie te leggen tussen Ca- en chloridegehalte (figuur 29). Vooral ten behoeve van bestudering van kationenuitwisseling zou een dergelijke relatie, uitgedrukt in een verhouding of diagram mogelijk inzicht kunnen verschaffen. Anderzijds kan op grond van 99n der parameters een uitspraak worden gedaan omtrent de grootte van de andere; tenminste voorzover de chloridegehalten meer dan 150 mg/l bedragen Chloridegehalte van het grondwater De verdeling van zoet en zout grondwater wordt sterk bepaald door geologische factoren d.w.z. de gevormde sedimenten en het milieu waarin deze sedimenten zijn afgezet. Tevens spelen hierbij de vroegere en huidige stromingssystemen in de ondergrond een belangrijke rol. In het onderzoekgebied zijn gedurende het Pleistoceen en Holoceen meerdere transgressies geweest tijdens welke ook afzettingen in manen milieu zijn gevormd. In de omgeving van het onderzoekgebied zijn door het landijs stuwheuvels gevormd, vanwaar reeds gedurende duizenden jaren een grondwaterstroming naar het lager gelegen gebied bestaat. Het eerste menselijk ingrijpen heeft pas enkele decennia geleden plaatsgevonden, zodat de invloed daarom op de zoet-zoutverdeling nog niet tot uiting is gekomen. Wel is door de verzoeting van het oppervlaktewater na de afsluiting van het IJsselmeer eveneens de bovenste 5 a 10 meter van het grondwater verzoet (verzilting door diffusief transport). De gepresenteerde gegevens omtrent het voorkomen van zout grondwater zijn weliswaar niet op een zelfde tijdstip bepaald maar geven de huidige situatie toch goed weer, omdat na de inpolderingen alleen zeer lokaal grote veranderingen teweeg zijn gebracht door bijvoorbeeld onttrekkingen. De situatie van de zoet/brak/zoutverdeling in regionaal verband is weergegeven op de figuren 30 en 31. Figuur 30 geeft het isohalinen patroon op een diepte van minder dan 30 -NAP. De filterpunten

80 T J6d;,. J IT\ JooQ \ t 1.) J'\ - -' : : :: : ::: :-::::: : : :: :::::::: -:: :: : : 1.:..: ::.:.:::: -: : Z9 C 200 \ rs%\( '1h \ - '\ 1 a r m e e r / - ' I 7 1: - : /,,,/ - 1OO 2000 j r'... t 26A 26'E 2tF7 - f soo DERVVIJK lok 100 :... scriaat Ujn vn gelijke wrde van het chloridegehalte HGUUR 30: ISOHALINEN (Cl' in mg/l) OP <30 m -NAP 3307

81 3306 ' 1 k i 'Euizz N ',-w J_ \ \, -, r e f ' _3 ( M. )ft\) ;:' - ç \ 1 K Siiiii 20 \ \ Iq ' \ \ \ t1a k\ermer\, 1.A( /:Aliør " 1 1 i \ / /t J Frir H 26A 1 / 1 \. 26B 26E 2&F , - : / ::: LIJdø& 1. LJ'J WJJ lijn van gelijke waarde van het chloridegehalte FIGUUR 31: ISOI-IALINEN (CL' in mg/l) OP rn -NAP 1

82 bevinden zich boven de eerste scheidende laag, gevormd door de Formaties van Eem en Drente. Figuur 31 geeft het isohalinen patroon weer op een diepte tussen 30 en 60 meter. Hier bevinden de filters zich onder de eerste scheidende laag behalve in het glaciale bekken onder Zuid Flevoland waar deze zich in zandige trajecten in de Eemformatie bevinden. Bijlage 22 toont de diepte tot het zoet/zout grensvlak; deze grens wordt aangehouden op 150 mg/l Cl ~, indien niet sprake is van een nadere onderverdeling in zoet-brak-zout. Voor het gebied van 20 west is geen afzonderlijke bijlage gemaakt, aangezien de ondergrond nagenoeg volledig verzilt is, zoals langs de noordrand van de kaartbiaden 26 west en 26 oost eveneens het geval lijkt te zijn. Helemaal zeker is dit laatste namelijk niet, omdat op de noordelijk helft van 26 oost tussen Larserbos en Biddinghuizen geo-elektrische metingen het voorkomen suggereren van een zoetwaterlens op grote diepe onder het overigens zoute grondwater (zie geo-elektrisch onderzoek Lelystad-Harderwijk, 1983 DGV-TNO). In het centrale deel van Zuid-Flevoland komt eveneens een zoetwaterlens onder zout water voor (inversietype T), maar plaatselijk wordt boven dit zoute water weer zoet water aangetroffen (inversietype II). Deze gebieden met een diep gelegen zoetwaterpakket komen voor in Zuidelijk Flevoland, langs de oostrand van Oostelijk Flevoland en ten noorden van Naarden. Het voorkomen kan worden verklaard uit de stromingsrichting van het grondwater gedurende duizenden jaren vanaf de Veluwe en 't Gooi. De gebieden hangen globaal samen met het voorkomen van scheidende lagen. In hoeverre het zoete water onder Oostelijk Flevoland doorloopt onder de tweede scheidende laag is onduidelijk. In de gebieden NW van de Veluwe, uitlopend in noordwestelijke richting tot het Oostvaardersdiep en vanaf het Gooi naar het noorden komt het zoete water tot aan maaiveld. Door het ontbreken van de kleilagen is in deze gebieden het totale pakket verzoet in de stromingsrichting. In de geohydrologische profielen (bijlage 2 t/m 12) is ook de zoet/ brak/zout situatie weergegeven. Hieronder volgt een korte toelichting:

83 Profiel 1-1' (bijlage 2) Profiel 1-1' loopt van NW naar ZO door de kaartbiaden 26 west en 26 oost. Op kaartbiad 26A komt in de ondergrond alleen maar brak of J zout grondwater voor; behalve in boring 26A-36 aan het Oostvaardersdiep wordt zoet grondwater aangetroffen. De rest van het profiel ligt globaal in de afstromingsrichting van de Veluwe en het grondwater is in het algemeen zoet. Enkele restanten van mariene invloed, vooral in de kleiige pakketten (Eemzee) zijn aanwezig. De grootst aangetoonde diepte van het zoet/zout grensviak in dit profiel is ca. 350 m -mv in de omgeving van Harderwijk. Profiel L-L T (bijlage 3) Profiel L-L' staat loodrecht op het voorgaande profiel; alleen boringen 26A-4 en 26A-36 geven informatie over een zoetwaterlichaam. Opvallend is echter het brakke water dat onder de tweede scheidende laag aangetroffen is in boring 26A-18. Waarschijnlijk is dit brakke water het resultaat van een stromingscomponent vanuit 't Gooi, hoewel het niet is uitgesloten dat het hier gaat om fossiel grondwater van lokale herkomst. Profiel M-M' (bijlage 4) Het verloop en de diepteligging van zoet/brak/zout grensviakken bij Naarden en in Oostelijk Flevoland zijn onduidelijk. Het gepresenteerde vlak kan onjuist zijn indien, zoals reeds op enkele plaatsen aangetoond, kleilagen van Tegelen-ouderdom als buffer tussen stilstaand zout water b6ven, en een zoetwaterstroom 6nder de klei fungeren. Het ontbreken van voldoende informatie over deze afsluitende lagen en de chemische samenstelling van het grondwater op grotere diepte (ca. 200 a 250 m -mv) noopt tot de gegeven presentatie. Profiel N-N' (bijlage 5) In deze doorsnede is weer duidelijk dat de scheidende jong pleistocene kleilagen stagnerend werken op het verzoetings/verziltingsproces; de kleilagen bevatten brak en/of zout water terwijl in de overige afzettingen tot op grote diepte zoet water wordt aangetrof-

84 fen, dat vanaf de Veluwe door de ondergrond is aangevoerd. De verbreidingsgrenzen in Oostelijk Flevoland zijn niet nauwkeurig vast te leggen; het is aannemelijk dat de diverse processen een grillig patroon hebben gevormd en thans nog vormen. Profiel 0-0' (bijlage 6) Opvallend in dit profiel is de aanwezigheid van zout en brak water ter plaatse van boring 26F-1; hetgeen in verbinding zal staan met het brakke en zoute water onder Oostelijk Flevoland. Als mogelijke oorzaak is aan te voeren een gestagneerde stroming vanaf de Veluwe in deze richting door aanwezigheid van minder goed doorlatende lagen; ter plaatse van de boring echter is het watervoerend pakket grofzandig ontwikkeld. Voor de zout/brak verdeling op kaartblad 20 west kan de bespreking van de profielen van dit kaartblad (bijlagen 7 t/m 12) inzicht verschaffen. De verdeling van brak en zout grondwater op een diepte tussen 10 en 30 m -NAP is weergegeven op bijlage 22. Profiel A-A' (bijlage 7) In het algemeen is de ondergrond verzilt; het chloridegehalte bedraagt meer dan 1000 mg Cl. Alleen in het zuidwesten en noordoosten treft men respectievelijk zoet/brak en brak grondwater aan. Beide gebieden behoren tot een systeem gelegen buiten het onderzoekgebied. Profiel B-B' (bijlage 8) Het profiel loopt evenwijdig aan A-A' en vertoont dezelfde verdeling van brak en zout grondwater. Zoet water wordt niet aangetroffen. Profiel C-C' (bijlage 9) Deze doorsnede is nog meer zuidoostelijker gelegen dan beide voorgaande profielen. De ondergrond is verzilt en hoort bij het verzilte noordelijk deel van de kaartbladen 26 west en Oost. In het profiel wordt een lens van brak water aangetroffen van enkele tientallen meters dikte (zie ook bijlage 22).

85 Profiel D-D' (bijlage 10) Dit west-oost profiel loopt van het vasteland van Noord-Holland naar het IJsselmeer. Geconstateerd wordt dat de ondergrond zout water bevat met enkele lenzen brak water. Opmerkelijk is de brakke lens onder de eerste scheidende laag onder het IJsselmeer. Profiel E-E' (bijlage 11) In deze doorsnede wordt, uitgezonderd enkele lenzen brak water, uitsluitend zout grondwater aangetroffen. Profiel F-F' (bijlage 12) Het zoute water is ook in dit profiel in de ondergrond aanwezig, voor een deel tot aan maaiveld. Aan de west- en oostzijde treffen we enkele tientallen meters brak water aan; in boring 19H-82 tot ca. 50 m -NAP zelfs zoet water, dat deel uitmaakt van het zoet grondwater voorkomen onder Hoorn en omgeving (ten westen van dit kaartblad). Samenvattend zijn enkele algemene opmerkingen te maken op grond van het chloridegehalte van het grondwater. De samenstelling van het grondwater weerspiegelt de algemene geohydrologische opbouw van het gebied en de grote grondwaterstromingen, die gedurende lange perioden constant zijn geweest. De recente wijzigingen in het stromingsbeeld zijn nog te kortstondig om op grond van de hier gepresenteerde gegevens zichtbaar te zijn. Het genfiltreerde water op het vasteland, voornamelijk Veluwe en 't Gooi, is kwalitatief over grote afstanden in de ondergrond te vervolgen, hoewel de invloed niet in alle richtingen even groot is (geweest); de belangrijkste stroming vanaf de Veluwe is in de richting van Zuidelijk Flevoland. Het diepe water met een geringer chloridegehalte komt als kwel vooral voor langs de randen van het met Eem- en glaciale kleilagen opgevulde glaciale bekken onder Zuidelijk Flevoland, wat in de chemische samenstelling zichtbaar is. Diepere kleilagen van Enschede en Tegelen-ouderdom fungeren als scheidingsvlak; onder deze kleilagen stroomt zoet, en geleidelijk aan brakker wordend water, tot ver door in "zoute" gebieden.

86 Hardheid van het grondwater In het algemeen kan worden gesteld dat in de infiltratiegebieden Vrij zacht water voorkomt; in de stromingsrichting neemt de hardheid toe. De mate waarin dit plaatsvindt, is afhankelijk van o.a. de mineralogische samenstelling van de doorstroomde afzettingen en de verblijftijd in deze pakketten. In het onderzoekgebied is de aandacht kwalitatief echter veel meer gericht op het chloridegehalte, omdat deze de belangrijkste kwalitatieve parameter is. Op grond hiervan is afgezien van uitgebreide hardheidskaarten, aangezien deze slechts voor een klein deel van het gebied van belang zouden zijn. Een indruk van de hardheid van het grondwater in een bepaald gebied en op een bepaalde diepte kan worden verkregen uit de gegevens op bijlage 22 en in de profielen. Op bijlage 22 zijn van een diepte van 10 tot circa 50 en van50 tot circa 150 meter onder maaiveld de gemiddelde hardheden uitgezet, voor zover sprake is van zoet grondwater (Cl' < 150 mg/l). Het blijkt dat bijna overal sprake is van zacht tot vrij zacht water (tabel 5). Hardheidswaarden van ± 1 mol/m 3 zijn algemeen. In het diepere watervoerend pakket bevindt zich nog iets zachter water: 0,9 mol/m 3. Waar een sterke opwaartse stroming is zoals langs de Knardijk, bezit ook het ondiepere grondwater deze waarde. Langs het Gooi, ten noordoosten van Huizen, bevindt zich iets harder water, met waarden tussen 1 en 2 mol/m 3. mol/m 3 kwalificatie < 0,5 zeer zacht 0,5-1,0 zacht 1,0-2,0 vrij zacht 2,0-3,0 vrij hard 3,0-5,0 hard > 5,0 zeer hard Tabel 5: Kwalificatiegrenzen van de hardheid van grondwater in mol/m3

87 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 8.1. Algemeen In dit rapport is gebruik gemaakt van gegevens die veelal door anderen zijn verzameld en reeds in meer of mindere mate zijn geinterpreteerd of bewerkt. Aantallen en spreiding van de gegevens zijn meestal bepaald door een groot aantal factoren en zijn niet altijd in eerste instantie op een systematische regionale verkenning afgestemd. De betrouwbaarheid en nauwkeurigheid ervan zijn slechts op subjectieve wijze aan te geven; gedeeltelijk is in dit verslag door het meer of minder waarde toekennen aan bepaalde gegevens hiermee rekening gehouden. Objectieve normen liggen aan dit wegingsproces nauwelijks ten grondslag. Onderstaand wordt getracht na te gaan in hoeverre de gegeven informatie als voldoende volledig en voldoende nauwkeurig mag worden beschouwd. Deze analyse vindt plaats voor elk van de volgende onderwerpen: - geohydrologische opbouw van de ondergrond - geohydrologische parameters - grondwaterstroming - chemische samenstelling van het grondwater Er zal vervolgens worden getracht een richting aan te geven, waarin kennisverrijking moet plaatsvinden; indien mogelijk specifiek per activiteit uitgewerkt als aanbeveling Geohydrologische opbouw van de ondergrond De indruk bestaat dat in grote lijnen de opbouw van de ondergrond goed bekend is. Toch zal voor bepaalde inzichten, bijvoorbeeld zoetwaterstroom, een betere kennis vereist zijn van de diepere scheidende lagen dan die van de Eem- en Drenteformatie. Evenzo is het ten behoeve van kwel- en infiltratieberekeningen zinvol om de ondiepere kleilagen nauwkeuriger vast te stellen. Tenslotte wordt er op gewezen, dat de Veluwerand met zijn zijn aparte problemen door de scheefgestelde lagen in dit rapport erg schematisch als 99n pakket doorlatende afzettingen behandeld is.

88 Conclusie De geohydrologische opbouw van de ondergrond tot 100 meter diepte is in grote lijnen voldoende bekend; wat betreft de diepere ondergrond en in het bijzonder de tweede scheidende laag zijn er onvoldoende gegevens. Voor specifieke of lokale doeleinden zal de bestaande kennis eveneens onvoldoende zijn. De lokaal variërende complicaties door stuwing van de ondergrond op de Veluwe en TJtrechtse Heuvelrug kunnen met de huidige gegevens niet gekarteerd worden. Aanbevelingen Op grond van voorgaande conclusie is een gerichte uitbreiding van informatie voor regionale doeleinden alleen voor diepten groter dan 100 meter zinvol. Zo zouden diepe boringen tot 300 meter gemaakt moeten worden onder Oostelijk Flevoland ten einde aard en voortzetting van het inversiesysteem met diep zoetwater onder zoutwater te bestuderen dat zich van Biddinghuizen naar het westen uitstrekt zinvol. Voor meer lokale studies moet steeds een aparte afweging tussen kosten en kennisvermeerdering worden gemaakt. Dit laatste geldt ook voor de gestuwde gebieden van tjtrechtse Heuvelrug en de Veluwe Geohydrologische parameters De beoordeling omtrent de kennis van de geohydrologische parameters geschiedt erg subjectief, aangezien de gegevens geleverd worden door andere onderzoeksinstanties en/of gegenereerd zijn via een modelstudie. De indruk bestaat dat grote extrapolaties van transmissiviteiten en hydraulische weerstanden plaatsvinden vanuit enkele gegevens uit pompproeven. De nauwkeurigheid en betrouwbaarheid worden dan ook voor grotere regionale studies niet hoog ingeschat; voor meer lokale doeleinden is de huidige kennis onvoldoende. Conclusie De huidige kennis van de geohydrologische parameters in het onderzoekgebied kan worden gezien als een grove benadering van betreft getalwaarde en gebied waarop dit getal betrekking heeft.

89 Aanbevelingen Het in bestaande situaties uitgebreide potnpproeven verrichten, is een mogelijkheid. Echter voor een goed inzicht in de gecompliceerde ondergrond is het aantal vereiste pompproeven zo groot dat dit financieel onhaalbaar zal zijn. Modelstudies kunnen goedkoper inzicht verschaffen in de geohydrologische parameters. Dit is voornamelijk het geval als in het model geohydrologische gegevens zodanig ingebracht kunnen wordendat te grote schematisaties vermeden worden. Op grond van de zo verworven inzichten moeten dan verdere conclusies worden geformuleerd Grondwaterstroming De algemene trends van stroming zijn vrij goed bekend, zoals de afstroming van de hoger gelegen gebieden, Veluwe en 't Gooi, naar de polders. De gepresenteerde figuren en bijlagen geven het algemene beeld weer en zijn een goede benadering van de werkelijkheid. Conclusie Omtrent de algemene grondwaterstroming is de kennis redelijk tot goed. Op kleinere schaal lijkt nadere studie gewenst om meer lokale stromirigspatronen te onderscheiden. Dit kan bijvoorbeeld aan de hand van het gestelde in de aanbevelingen van 8.5 Grondwatersystemen dienen dan aan chemische grondwaterpatronen te worden gerelateerd. Aanbevelingen Het lijkt erg zinvol om na voltooiing van de totale inventarisatie van het IJsselmeergebied een complete en gerichte studie aan te vangen naar de stromingspatronen in het gebied. Ondertussen moeten de inzichten omtrent de benodigde informatie en de invloed ervan op deze patronen worden verdiept. Een voorstudie op korte termijn naar een goede presentatie van stromingen in zoete, brakke en zoute gebieden volgens de nieuwste inzichten is wel zinvol Chemische samenstelling van het grondwater De presentaties in dit rapport zijn onvolledig voor wat betreft de hoeveelheid betrouwbare informatie die voorhanden is. De verwerking

90 van het grote aantal gegevens volgens 99n van de algemeen gebruikelijke presentatietechnieken is zeer tijdrovend en nauwelijks toelaatbaar binnen een inventarisatieperiode. Tevens dienden zich tijdens deze periode nieuwe technieken aan om grote hoeveelheden gegevens systematisch en met uitgebreidere interpretatietechnieken te bewerken. In dit rapport is een gedeeltelijke vastlegging in Collings-staafdiagrammen en driehoeksdiagrammen van Piper gepresenteer alsmede een vergelijking van 2 parameters (Ca en Cl) voor een deel van het onderzoekgebied. Conclusie Het aantal gegevens omtrent de chemische samenstelling van het grondwater lijkt in eerste instantie voldoende om verder te bestuderen of hiermee de vereiste kennis kan worden bereikt. Aanbevelingen Het complete huidige gegevensbestand op systematische wijze voor het gehele IJsselmeergebied bewerken zoals dit gebeurd is in het hydrochemisch onderzoek Oost-Nederland. Het resultaat, zoals de technieken via factoranalyse thans leveren, zal naar verwachting een algemeen totaal overzicht zijn van zowel waterkwaliteiten, als van grondwaterstromingssystemen en hun processen. Achteraf kan dan een beoordeling worden gegeven omtrent de representativiteit van de gegevens voor plaats en tijd en in hoeverre en waar de kennis onvoldoende zou kunnen zijn.

91 1 Overzicht nota's en rapporten, betrekking hebbend op de geohydrollogie van het IJsselmeergebied.

92 RIJKSINSTITTJUT VOOR DRINKWATERVOORZIENING 1938 Rapport inzake een geohydrologisch onderzoek te behoeve van de Noordoostpolder. W. Krul Nota inzake de gevolgen van een vergroting van de wateronttrekking aan Het Gooi ten aanzien van de grondwaterstand in Het Gooi en zijn randgebieden Nota inzake een onderzoek naar de mogelijkheden van grondwaterwinningen in Oostelijk Flevoland Geohydrologisch onderzoek in verband met de droogmaking van de Markerwaard (RID-hydraulisch model). G.P. Felius Geohydrologische gegevens centraal deel IJsselmeer. Modelonderzoek Zuiderzeewerken (grondwateranalogen). Nota B Rapport inzake de resultaten van een modelonderzoek naar de invloed van de droogmaking van de IJsselmeerpolders op de diepe grondwaterstand in het Pleistoceen. (Beslaat het vierkant gevormd door: Rhenen, Leiden, Den Helder en Meppel) Watervoorziening Het Gooi Rapport inzake een geohydrologisch onderzoek op de nieuwe waterwinplaats Holk van de N.V. W.M.G Rapport inzake een onderzoek naar het te verwachten waterbezwaar van de bouwput van het Sluizencomplex te Enkhuizen De hydrologie van de Veluwe Nota betreffende de waterbalans van een ruimte in het noordwestelijk deel van de Veluwe Nota betreffende chemische samenstelling van het grondwater van de Veluwe Nota inzake uitgangpunten van programma van onderzoek voor de bepaling van de optimale grondwateronttrekking aan de Gelderse Vallei Zandwinning Weesp Nota betreffende de uitkomst van de in maart 1972 op de waterwinplaats aan de Hoge weg te Amersfoort gehouden pompproef. 1

93 RIJKSINSTITUUT VOOR DRINKWATERVOORZIENING (vervolg) 1973 Nota inzake de resultaten van de in 1971 te Barneveld gehouden pompproeven Nota inzake de resultaten van de te voorjaar 1972 te Zwartebroek gehouden pompproeven Inter±mnota inzake de hydrologische konsekwenties van de geprojecteerde grondwaterwinning te Flindhorst The origin of brackish groundwater in the lower parts of the Netherlands. C.R. Meinardi; Mededelingen nr Nota betreffende de resultaten van de in 1972 te Huinerbroek gehouden pompproeven De chemische samenstelling van het grondwater van de Veluwe. C.R. Meinardi; Mededeling nr Brackish groundwater bodies as a result of geological history and hydrological conditions. C.R. Meinardi; Mededelingen nr Beken en Sprengen rond de Veluwe, een eerste indruk omtrent kwaliteit en kwantiteit van het afgevoerde water (m.o.a. beken in de Gelderse Vallei) Geohydrologische gegevens van zuidelijk Flevoland en de Gelderse Vallei. C.R. Meinardi Ceohydrologische gegevens van zuidelijk Flevoland en de Gelderse Vallei. C.R. Meinardi; RID-mededeling De tijdsafhankelijkheid van de verlagingen als gevolg van grondwaterwinning nabij Glinhorst (Gelderse Vallei). Ir. H.A.J. van Lanen, ir. G.J. Hey; RID-mededeling 78-5.

94 RIJKS GEOLOGISCHE DIENST 1957 Rapport over de waterkerende lagen in het randgebied van de Markerwaard (met 19 bijlagen) Litho-stratigrafische eenheden in het Nederlandse pleistoceen. Meded. Geol. Stichting; N.S. 12 pp 31-64; J.I.S. Zonneveld De geologische gesteldheid van het zuidelijk IJsselmeer en het aangrenzende randgebied. le rapport; '60-2e; '62-4e; '68-9e; '72-12e Stratigrafische gesteldheid van de bodem. Zuidelijke kom van IJsselmeergebied en de erin voorkomende waterkerende lagen. Rapport nr Toelichting bij de geol.-kaart van Nederland 1: blad Steenwijk Oost (160) Geol. Stichting; W.M. ter Wee Onderzoek Oostermeent (ten westen van Huizen). Rapport nr De geologische opbouw van de oostelijke Veluwe. Rapport nr Geologie van de Utrechtse Heuvelrug. Rapport nr Geologisch onderzoek van het IJsselmeer en aangrenzende kustgebied. Rapporten t/m XIV Geologie van de provincie Utrecht. Rappor nr. 812 III Geologie van de provincie Utrecht. Rapport nr Geologisch onderzoek van de Gelderse Vallei. Rapport nr. 999, Geologisch onderzoek van Zuidelijk Flevoland en omgeving. Rapport nr Toelichting bij de geologische overzichtskaarten van Nederland. W.H. Zagwijn en C.J. van Staalduinen 1975 Geologische overzichtskaarten van Nederland. Kaarten, profielen, toelichting Geologisch onderzoek van het Nederlandse Waddengebied. C.J. van Staalduinen, et al.

95 RIJKS GEOLOGISCHE DIENST (vervolg) 1978 Lithostratigrafie van de mariene, Oud Pleistocene, en Jong Tertiaire afzettingen in de provincie Noord-Holland. J.B. Breeuwer en S. Jelgersma Geologische profielen Noord-Holland. J.B. Breeuwer en S. Jelgersma (niet gepubliceerd) Lithostratigrafie van de mariene, Oud Pleistocene en Jong Tertiaire afzettingen in de provincie Noord-Holland. J.B. Breeuwer en S. Jelgersma Geologie van de provincie Noord-Holland. Rapport nr. O.P Samenstelling en verbreiding Holocene afdekpakket in Noord- Holland. Rapport nr Geologisch onderzoek in verband met studie schadeverwachting inpoldering Markerwaard. Rapport nr E.F.J. de Mulder en J.H.A. Bosch Geologisch onderzoek in verband met de zandwinning in het Markerineer. Rapport Rijks Geologische Dienst. W. de Gans.

96 DIVERSEN 1942 Hydrologisch onderzoek Het Gooi. Provinciaal Waterleidingbedrijf van Noord-Holland Geohydrologische gesteldheid van het zuidelijk randgebied der IJsselmeerkom. A. Volker De berekening van de ondergrondse afstroming uit de Veluwe naar het IJsselmeer (+ bijlage Edelinan: een dirnensionale stroming van een niet homogene vloeistof). A. Volker. Centrale commissie voor drinkwatervoorziening. Subcommissie: Bruikbaarheid Eemmeer De hydrologie van het diepere grondwater onder het IJsselmeergebied. A. Volker. Med. aan de 8e werkvergadering Hydral. Cali De drooglegging van IJrkerland en de verdrogingsverschijnselen in het Randgebied van het oude land tussen Lemmer en Blokzijl. Commissie van Steen Wateronderzoekingen in de binnenpolder "het bedijkte Rondebroek". 3 banden + bijlagen. Commissie inzake indrogende gronden rondom de Noordoostpolder deel IIIA ' Origine eaux saumtres a grandes profondeurs dans le sous-sol des polders hollandaises. A. Volker; UGGI-AIHS Assembie gnrale de Bruxelles 1951 TOME II Geo-elektrisch onderzoek bij de uitvoering der Zuiderzeewerken. De ingenieur 69, M Verlaging van den grondwaterspiegel onder Amsterdam. Ir. J.Th. Thijne Geologische Geschiedenis van Nederland. Toelichting bij de geologische overzichtskaart 1: A.J. Pannekoek. Staatsuitgeverij De wording van het Noordoostpolder gebied. A.J. Wiggers; disseratie Source of brackish groundwater in Pleistocene formations beneath the Dutch polderland. Economic Geology Rapport inzake het geo-elektrisch onderzoek in het Randgebied van Zuidelijk Flevoland. Rijkswaterstaat, Dienst van de Waterhuishouding; J.C. van Dam.

97 DIVERSEN (vervolg) 1965 De bodem van Overijssel, de Noordoostpolder en Oostelijk Flevoland. Toelichting bij blad 3 van de bodemkaart van Nederland, schaal 1: Stichting voor Bodemkartering; P. Ente, J.C.F.M. Haans en M. Knibbe Bodemkaart van Nederland, schaal 1: Kaartbladen 26 West-Harderwijk en 32 West-Amersfoort. Stichting voor Bodemkartering A semi qualitative study of the hydrogeology of the North Netherlands. Gischier 1967 disseratie Verh. K.N.M.G. Mijnbouw Gen. Geol. Serie deel Kwelproblemen. TNO symposium; C.H. de Jong Korte inleiding TNO-bijeenkomst kwelverschijnsel. C.H. de Jong Ervaringen met kweloverspoelingen. G.P. Felius Interim rapport Drinkwater uit het IJsselmeer. Werkgroep Spaarbekken Ijsselmeer Seismisch refractie onderzoek het Gooi. Dienst Grondwaterverkenning TNO; rapport nr. 53. P.G. van Dongen Eemgebied. Kwelonderzoek Eemnes. Provinciale Waterstaat Utrecht Drinkwatervoorziening Het Gooi, le rapport. Technische Werkgroep Het Gooi Sedimentary geology of the holocene in lake IJssel region. P.J. Ente. Geol. & Mijnbouw 50 pp Resultaten van het grondmechanisch onderzoek, uitgevoerd in het kader van het onderzoek naar de te verwachten zettingen op het eiland Marken, als gevolg van de drooglegging van de Markerwaard. Laboratorium voor Grondmechanica, rapport nr. CO I. Idem: rapport nr. CO I (zetting gevolgen paalfuneringen) Het zoutvoorkomen in de ondergrond van de lage gedeelten van Nederland. H 2 0 (6), 1973, nr. 18; C.R. Meinardi.

98 DIVERSEN (vervolg) 1973 Geologische gevolgen van de inpoldering van de Markerwaard. Technische Hogeschool Delft; H. Houweling Geohydrologische kartering Het Gooi. Provinciale Waterstaat van Noord-Holland An east-west geohydrological section across the Netherlands. Breeuwer, Jelgersma, Ned. Verh. Kon. Ned. Geol. Mijnb.k. Gen. 29, Verslag van het onderzoek dat eind 1972 is verricht naar de hydrologie en de hoedanigheid van water en slib in en rond het Naardermeer. Provinciale Waterstaat Noord-Holland; J. Klinkspoor Verslag van een temperatuuronderzoek van het grondwater in de Flevopolder. Vrije Universiteit van Amsterdam; S.J. de Jong Het Gooi geohydrologisch onderzoek. Doctoraalscriptie TH Delft, afdeling Civiele Techniek; Elzenga De bodem van Noord-Holland. Toelichting bij blad 5 van de bodemkaart van Nederland, schaal 1: Stichting voor Bodemkartering; L.J. Pons en M.F. van Oosten Drinkwatervoorziening Het Gooi, 2e rapport. Technische Werkgroep Het Gooi Een indikatie omtrent de gevolgen van grondwaterwinning in Zuidelijk Flevoland en bij pompstation Holk bijlagen. Eindrapport Studiegroep van Geohydrologisch Onderzoek in Z.-Flevoland en omgeving Rapport Studiegroep Zuidelijk-Flevoland e.o The geology of the northern part of Flevoland in relation to the human occupation in the atlantic time De betekenis van de tertiaire en oud- en middeipleistocene sedimenten voor de hydrologie van Noord-Holland. Instituut voor Cultuurtechniek en Waterhuishouding; Nota 996; A.B. Pomper Geohydrologische aspecten van belang voor de aanleg van het Spaarbekken Ijsselmeer. Technische Werkgroep Spaarbekken IJsselmeer; TWSIJ IJ-meer en omgeving, een hydrologisch modelonderzoek. Afstudeerverslag TH Delft; H. Houweling.

99 DIVERSEN (vervolg) 1979 De invloed van de Markerwaard inpoldering op de zoet-zoutverdeling in de diepe ondergrond. Scriptie T.H. Delft; F.A.M. Helmich Geohydrologische aspecten van belang voor de aanleg van het Spaarbekken IJsselmeer. Technische Werkgroep Spaarbekken IJsselmeer; Subgroep geohydrologie; ZZWB-N TX Consequences hydrologiques de l'abaissement artificiel du plan d'eau dans un polder a asscher pour les rgions priphriques. Publ. no. 37 AIHS Assembie gnérales Rome TOME II Onderzoek Markerwaard; geohydrologisch onderzoek naar de gevolgen van de inpoldering voor de grondwaterstijghoogte in het oude land. IWACO B.V., rapport 420.

100 RIJKSWATERSTAAT/DIENST DER ZUIDERZEEWERKEN 1932 De invloed van kwelverschijnselen in het stroomgebied van het IJsselmeer op de kwaliteit van het meerwater Kwel en chloorproblemen in de toekomstige IJsselmeerpolders. J.P. Mazure Aanvulling nota "De kwel onder de Afsluitdijk". (Water en Zoutbezwaar in IJsselmeer Geohydrologische gesteldheid van de Wieringermeer. ZZW-rapport nr Voorlopige resultaten en conclusies van een onderzoek naar de invloed van grondwaterstroomen op het chloorgehalte van het grondwater in de IJsselmeerkom. A. Volker, nota nr Het kwelverschijnsel in polders en randkanaal tussen de Z.O.-polder en de Veluwe. A. Volker Geohydrologische gesteldheid van het oude land tussen Lemmer en Blokzijl. A. Volker Schade aan gebouwen in het randgebied van de Noordoostpolder. C.H. de Jong Nota betreffende het civiel-technische gedeelte van het herstelplan voor deel randgebied van de Noordoostpolder. C.H. de Jong Bepaling van doorlaatfaktoren. Afdeling Waterloopkunde; C.H. de Jong en A. Volker De verklaring van het zoutgehalte van het opkwellende water in de Noordoostpolder. A. Volker Opmerkingen betreffende de kwel in de Noordoostpolder. A. Volker Problmes hydrologiques des Polders anchs dans le Zuiderzee. A. Volker Een methode voor het berekenen van de hydrologische gevolgen van de drooglegging van Flevoland op het gebied tussen Elburg en Harderwijk. C.H. de Jong.

101 RIJKSWATERSTAAT/DIENST DER ZIJIDERZEEWERKEN (vervolg) 1956 Potentiaalberekeningen voor enkele waarnemingsputten in Noord-Holland. Van Eemschoten, nota B Hydrologische consequenties van de aansluiting van de Marker - waard aan Noord-Holland. Nota B Bepaling van het chloorgehalte van het diepe grondwater in het gebied van de Groninger wadden en de Lauwerzee door geo-elektrisch onderzoek. Nota B Opmerking over Hoofdstukken III en IV van het rapport "Spanning aan de Rand", van ir. S.J. Meijer. Nota B56-6; C.H. de Jong De klink in het Randgebied van de Noordoostpolder. Nota B Hydrologische consequenties van de aansluiting van de Markerwaard aan Noord-Holland. Nota B Verlaging van de grondwaterstanden in het pleistoceen onder Amsterdam. Nota B56-11; v. Eemschoten Aanvulling van "Verlaging van de grondwaterstanden in het pleistoceen onder Amsterdam", Nota B Nota B56-11A; v. Eemschoten 1957 Geo-elektrisch onderzoek op het IJsselmeer. Bepaling van het zoutgehalte in het diepe grondwater. Rapporten en medewerkingen betreffende de Zuiderzeewerken, nr Geologisch onderzoek in verband met de inpoldering van de Markerwaar. C.H. de Jong Aanvulling op het interimrapport inzake het onderzoek naar de invloed van de droogmaking van de Zuidelijke IJsselmeerpolders op de grondwaterstand in Amsterdam. Afdeling B, ZZW; C.H. de Jong Inklinking kleilaag Beemster. Nota B59-4; C.H. de Jong.

102 RIJKSWATERSTAAT/DIENST DER ZTJIDERZEEWERKEN (vervolg) 1959 Niet-permanente stroming voor het geval van een cirkelvormige polder in Holland profiel met samendrukbare bovenlaag. Nota B-59-16; C.H. de Jong Oplossing berekeningsgeval A 10 van aanvulling B Nota B59-23; C.H. de Jong Onderzoekingsprogramma (voorlopig) niet-permanente grondwaterstroming in Hollands profiel. Nota B59-21; C.H. de Jong Potentiaalverlaging door cirkelvormige polder in Hollands profiel met plaatselijke afwijkende C-waarde. Nota B59-17; C.H. de Jong Onderzoekingsprogramma voor de inrichting en vormgeving van het randmeer langs Zuidelijk Flevoland. Nota B Onderzoek toestand van zwembad "de Sijpel" Harderwijk. Onderzoek naar phreatisch vlak in Amsterdam. Nota B59-3; C.H. de Jong Opmerkingen op III C 2 en III C 5 van Interimrapport geohydrologie IJsselmeerpolders-Amsterdam. Nota B59-4; C.H. de Jong Verslag van de bespreking inzake de invloed van de droogmaking van de Zuidelijk IJsselmeerpolders op de grondwaterstand onder Amsterdam, gehouden op Nota B Metingen Veluwemeer augustus Nota B59-20; Rietveld Invloed droogmaking Oostelijk-Flevoland op waterstand zwembad "de Sijpel" Harderwijk. Nota B De invloed van 0.-Flevoland op de hydrologische gesteldheid van het Veluwe-randgebied en de klachten naar aanleiding daarvan. Nota B60-22; G.P. Felius Waterspanning in bekkenklei onder Zuidelijk Flevoland. Meting met behulp van waterspanningsmeters. Laboratorium voor Grondmechanica, nr Notitie inzake bescherming waterwinplaats Flevoland. Nota B61-3; C.H. de Jong.

103 RIJKSWATERSTAAT/DIENST DER ZUIDERZEEWERKEN (vervolg) 1962 Inklinkingsonderzoek Noord-Holland. Laboratorium voor Grondmechanica, CO-10122/ De water- en chioridebalans van het Veluwemeer. NOta B62-22/ Rapport inzake het geo-elektrisch onderzoek in Noord-Holland. J.C. van Dam Application of a horizontal viscous flow model to the groundwater situation in the IJsselmeerpolders. Nota B63-15; M.A. Shahin The effect of the annual fluctuation of the waterlevel in the Veluwe lake on the elevation of the piezometric heads in het coastal region of the Veluwe aquifer in the Netherlands. M.A. Shahin Investigations of groundwater flow problem by means of reducal scale inodels. Nota B63-14; M.A. Shahin De werkwijze bij het inrichten van een giepe waarnemingsput in het IJsselmeer (Boring Enkhuizerzand 20 /2X). Nota B64-4; P. Felius Geohydrologisch aspect van het trace noordelijke dijk van de Markerwaard. Nota B64-5A Rapport inzake het geo-elektrisch onderzoek in het randgebied van Zuidelijk Flevoland. J.C. van Dam The network for the groundwater investigations in the Zuiderzee area (Netherlands). G.P. Felius Invloed van de drooglegging van de IJsselmeerpolders op maaiveidhoogten. Nota B65-13; C.H. de Jong Zandwinning in het IJsselmeergebied. Nota B65-; C.H. de Jong 1965 Grondwaterbeheer IJsselmeerpolders. Nota Opmerkingen over ontwerp grondwaterwet. Nota B67-10; C.H. de Jong De uitkomsten van de onderzoekingen naar de zettingen onder de IJsselmeerdijk nabij Schardam. Nota ; G.P. Felius.

104 RIJKSWATERSTAAT/DIENST_DER ZUIDERZEEWERKEN (vervolg) 1968 Stijghoogten omgeving Zeewolde. Nota B Geohydrologische gegevens Ketelmeer en omgeving. Nota B69-4A Geohydrologische gegevens centraal deel Ijsselmeer. Nota B69-4A Geohydrologische gesteldheid van het gebied rondom Zeewolde. Nota B69-6; N.D.F. Leniger Geohydrologische gegevens van Marken. Nota B70-2; A. Mente Toepassing indelingsmethode van Piper op grondwater van IJsselmeergebied en Noord-Holland. Nota B70-9; A. Mente Geologische gegevens IJsselmeergebied en Noord-Holland. Nota B-7014; A. Mente en N.D.G. Leniger Geohydrologische gegevens Marken. Nota B70-2; A. Mente Het opsporen en winnen van grondwater. Nota B70-23; A. Mente Stijghoogten van het diepe grondwater in het zuidwestelijke deel van Zuid-Flevoland. Nota B71-4; C.H. de Jong Programma geohydrologisch onderzoek Nota B71-3; C.H. de Jong Geohydrologische gesteldheid van het gebied rondom het Veluwemeer tussen Harderwijk en Nijkerk. Nota B72-25; F.A.M. Claessen Zandwinning in het IJsselmeergebied bezuiden de dijk Enkhuizen-Lelystad. Nota B72-4; C.H. de Jong Richtlijnen voor het herstellen van het waterkerend vermogen van moeilijk doorlatende grondlagen na doorboring in verbuisde boorgaten en het boren in waterkerende dijken. Nota B73-10; G.P. Felius.

105 RIJKSWATERSTAAT/DIENST DER ZUIDERZEEWERKEN (vervolg) 1974 Veranderingen grondwaterregime onder Noord-Holland ten gevolge van de Markerwaardaanleg. Nota ZZW, nr. B87-13; F.A.M. Claessen Waterspanning en bekkenkle! onder Zuidelijk Flevoland. Meting met behulp van waterspanningsmeters. Laboratorium voor Grondmechanica. Co /145; Co Stijghoogten van het diepe grondwater in het zuidwestelijk deel van Zuidelijk Flevoland. Nota B Konimentaar op het rapport "Vooruitzichten tot ondergrondse verwijdering van afvalstoffen". Nota B74/14; F.A.M. Claessen Mogelijkheden om het effect van de IJsselmeerpolders op het bestaande grondwaterregime te beperken. Nota N74-12; F.A.M. Claessen Berekening van het kwel- en chloridebezwaar in Flevoland en de Noordoostpolder. ZZWB-N ; F.A.M. Claessen Het grondwaterstanden-archief na ZZWB-M ; Kasemier Het grondwaterstanden-archief ZZW afdeling B tot ZZWB-M751004; Kasemier Overzicht formulieren, tabellen en kaarten van geohydrologisch archief afd. W.L. ZZWB-M ; Kasemier Kwel Spaarbekken. ZZWB-N ; C.H. de Jong Geohydrologische gevolgen van de aanleg van de Markerwaard. Nota Hydrologisch onderzoek naar de recente verlaging van het Naardermeer-peil. Nota ZZWB-N ; F.A.M. Claessen Grondmechanisch onderzoek Eemkleilagen Ijsselmeer. Laboratorium voor Grondmechanica Delft. Rapport CO /21.

106 RIJSKWATERSTAAT/DIENST DER ZUIDERZEEWERKERN (vervolg) 1977 Vooronderzoek betreffende infiltratie door middel van putten in het IJsselmeergebied. IWACO BV; rapport 327. Importance of water pressure observations in day layers for groundwater investigations. C.H. de Jong, General anunlely IGGU. Waterbalansberekeningen Zuidelijk-Flevoland. C.H. de Jong.

107 RIJKSDIENST VOOR DE IJSSELMEERPOLDERS 1975 Onderzoek naar het optreden van lekkage van spanningswater langs heipalen in Almere-Haven. Intern rapport R.IJ.P. no. 354, K.G. de Jong en E. Schultz Over de bepaling van de geohydrologische bodemconstanten uit een tweetal pompproeven in de zuidiob van Zuidelijk Flevoland. Flevobericht G.A. Ven Markerwaard. Atlas bodemgesteidheid en bodemgeschiktheid. P.J. Ente, et al Zuidelijk Flevoland, atlas bodemgesteldheid en bodemgeschiktheid Een model ter bepaling van de invloed van de grachten van Almere-Stad op de kwel en de stijghoogte. R.IJ.P. - afd. Waterhuishouding; A. Overwater & E. Schultz Pompproef van 22 december 1975 nabij tijdelijk kantoor Z.IJ.P./ R.IJ.P. In Almere-Haven. R.IJ.P. - afdeling Waterhuishouding; J. de Boer Bestemmings- en inrichtingsmogelijkheden van gebied Hulkestem, op basis van de bodemkundige en hydrologische gesteldheid. R.IJ.P.-rapport 1976 Bbw. G. Benning Gecontroleerde stortplaats nabij Lelystad. R.IJ.P.-rapport Bbw. G.A. Ven, R.W. Greiner, E.A.J.M. Hendriks, J. Konings en J. Smit Geohydrologisch en grondmechanisch onderzoek ten behoeve van de bouw in Almere-Haven. Overdruk nr. 121, augustus Tevens gepubliceerd in Polytechnisch tijdschrift, bouwkundige wegen- en waterbouw, jaargang 32, nr. 8. J.E.G. Bouman, K.G. de Jong, E. Schultz en R.J. Zee Waterbalansstudie zandwinpunt op de kavels AZ 100 en 101. R.IJ.P.-rapport Abw. J.E.G. Bouman en K.G. de Jong Stedelijk grondwater; gebruik, hinder en beheer. H 20, tiende jaargang nr. 17, 18 augustus E. Schultz en R.H.J. Kremer.

108 RIJKSDIENST VOOR DE IJSSELNEERPOLDERS (vervolg) 1978 De ontwatering van de stedelijke en recreatieve gebieden in de Flevopolders in de winter R.IJ.P.-rapport Abw. H. Bouwers en H. Leehuis Onderzoek naar de wijze van bouwrijp maken in twaalf plaatsen in Nederland. Flevobericht nr W. van Dijk, H. Hengeveld en A. Overwater Waterbalansstudie van het grachtpand M-B in Almere-Haven. R.IJ.P.-rapport Abw. K.G. de Jong en J.E.G. Bouman De stijghoogte van het grondwater in de bovenlaag van het pleistoceen in Almere, periode april 1977 t/m maart R.IJ.P.-rapport Abw. K.G. de Jong tjrban groundwater: usage, iinpediments and administration. Verslagen en mededelingen. Commissie voor hydrologisch onderzoek T.N.O. 's-gravenhage R.H.J. Kremer en E. Schultz De waterbeheersing van Almere. R.IEJ.P.-rapport Abw. Werkgroep Waterbeheersing Almere De ontwateringstoestand in Zuidelijk Flevoland in de winter van R.IJ.P.-rapport Abw Water in new towns in the IJsselmeerpolders. Flevobericht nr J.A. v.d. Berg, A.K. Constandse, R.W. Greiner, J. de Jong, M. Loenen, K. Rijniersce en E. Schultz Hydrological computations in relation to the building of Almere. Bijdrage International Symposium on specific aspects of hydrological computations for water projects. Leningrad, J.E.G. Bouman en E. Schultz Verwerking en archivering voor hydrologische gegevens bij de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders. Cultuurtechnisch Tijdschrift september 1979 nr. 2. J.E.G. Bouman.

109 RIJKSDIENST VOOR DE IJSSELMEERPOLDERS (vervolg) Grondwaterstandskaarten voor het oostelijk deel van Oostelijk Flevoland. Flevobericht no W. Brinkhorst. Een indrukapparaat voor het plaatsen van waarnemingsfilters. Overdruk nr K.G. de Jong. The Geology of the northern part of Flevoland in relation to the human occupation in the atlantic time. Overdruk nr P.J. Ente 1983 Geohydrologisch aspecten bij de aanleg van de Markerwaard. Februari Studierapport grondwaterbeheer in Flevoland. Maart Toelichting bij de aanvraag voor een vergunning tot het onttrekken van 10 miljoen m 3 grondwater per jaar op pompstation fledite in Zuidelijk Flevoland. R.IJ.P.-rapport Abw. ir. F.H.M. van de Ven.

110 DIENST GRONDWATERVERKENNING TNO Grondwaterkaart van Nederland 1975 Overijsselsche Vecht. Kaartbladen 21 Oost, 22 West en Oost en 23 West. F.G. Aelmans IJsseldal. Kaartbladen 27 West en Oost en 33 West en Oost. F.G. Aelmans Overijsselsche Vecht. Kaartbiaden 21 Oost, 22 West en Oost en 23 West. F.G. Aelmans Utrecht ten Noorden van Lek en Nederrijn (Voortgangsverslag). Kaartbiaden 31 Oost, 32 West, 38 Oost en 39 West. J.A.M. van der Gun Alkmaar. Kaartbladen 19 Oost en West en 20A. R. Lageman en M. Homan Zandvoort/Amsterdam. Kaartbladen 24 Oost en 25 West en Oost. H. Speelman en H. Houtman Medemblik. Kaartbiad 14. E.G. Lekahena en J.B.M. Langbein Lelystad/Zwolle. Kaartbladen 20 Oost en 21 West. H. Uil.

111 DIENST GRONDWATERVERKENNING TNO Geo-elektrische onderzoeken 1963 Onderzoek N.O.-Polder, Kop van Overijssel. Kaartbladen 15F, G; 16A, B, C, D, G; 20E, F; 21A, B, C, D, E, G. J. Csonka Refr. onderzoek 't Gooi. Kaartbiad 26C. P.C. van Dongen Rapport inzake een geo-elektrisch en geothermisch onderzoek in de Gelderse Vallei. J. Csonka Zuidelijk Flevoland. G.F.J. Jeurissen en T. Stavenga Oost-Utrecht. Kaartbladen 32 West en 39 West. H.R. Schoute Harderbroek. Kaartbiad 26 Oost. R. Lageman Alkmaar. Kaartbladen 19 West en Oost en 20A. R. Lageman Lelystad/Zwolle. Kaartbiaden 20 Oost en 21 West. W. van Dalfsen en W.J.M.K. Senden Zandvoort/Amsterdam. Kaartbladen 24 Oost en 25 West en Oost. H. Speelman en W.J.M.K. Senden Medemblik. Kaartbladen 14 West en Oost en 15C. E.G. Lekahena Oldenbroek. W.J.M.K. Senden Stavoren/Steenwijk. Kaartbladen 15, 16 West. W.J.N.K. Senden.

112 RIJKSWATERSTAAT/DIRECTIE WATERRIJISHOUDING EN WATERBEEGING DISTRICT NOORD 1980 Onderzoek Markerwaard. Geohydrologisch onderzoek naar de gevolgen van de inpoldering voor de grondwaterstijghoogten in het oude land. IWACO BV rapport 420, Plan Lievense. Waterloopkundige en geohydrologische aspecten bij diverse locaties van energiebekkens in het Markermeer en Ijsselmeer. Nota WWNO-N , Geohydrologisch onderzoek Markerwaard. FIESTA-berekeningen naar de gevolgen van eventuele aanleg van de Markerwaard voor het huidige grondwaterregime. IWACO BV rapport 420-E 2, Geohydrologisch onderzoek Marken en kustgebied van Noord- Holland. District Noord, directie Waterhuishouding en Waterbeweging, Lelystad. WWNO-N Een onderzoek in Noord-Holland naar de geohydrologische aspecten van de aanleg van de Markerwaard; directie Waterhuishouding en Waterbeweging, district Noord, Lelys tand. WWNO-N , maart 1983.

113 RIJSKWATERSTAAT/DIRECTIE WATERHUISHOUDING EN WATERBEWEGING 1962 Rapport inzake het geo-elektrisch onderzoek in Noord-Holland. J.C. van Dam. R.W.S.-dienst voor de Waterhuishouding en Waterbeweging Rapport inzake het geo-elektrisch onderzoek in het randgebied van Zuidelijk Flevoland. J.C. van Dam Een globale berekening van de kwel en infiltratie in Noord- Holland, Friesland en Groningen. U.fa WH

114

115 L Opgebrachte grond Grind Grindig c.q. sterk grindig Uiterst grof t/m middel grof zand (300u m ,-i m) E Middel Matig grof tfn matig fijn zand (150,um-300,'um) fijn t/m uiterst fijn zand 50 1um - 150,1m) Zwak stibhoudend 45 West j45 Oost Scheiding kaartbladen T 45 West en 45Oost (1:50000) 4 A l Doorsnijding profiel 4-4' 45A Koartblad 454 (1: 25000) 26 Nummer van de boring 1961 Jaartal boring Geofysische boorgatmeting IJI Slibhoudend EDI Sterk slibhoudend EIlil [[0 Klei c.q. zandige klei IffJ E1 JJ Leem Afwisseling zand- en kleilaagjes Klei brokjes cq. veel kleibrokjes Stenen c.q. veel stenen Veen Veen brokjes Plantenresten c.q. veel plantenresten [III] LII Schelpen c.q. veel schelpen Onbekend GcLIj Glauconiethoudend sn Humeus Permanente elektrode opstelling tri 454 Kaartblad Nummer geo-elektrische meting. i Filter :: 2e WATERVOEREND PAKKET JJ SLECHT DOORLATENDE OFONDOORLATENDE BASIS 99 Einddiepte in m beneden maaiveld p Filterstelling 1< Geleidingsvermogen (K) in ms/m bij 20 0 C CL Chloridegehalte (CL) in mg/1 H Totale hardheid (H) in mol/m 3 BRA Grens tussen zoet en brak grondwater gebaseerd op een chioridegehalte van 150 mg/l 1 Goed doorlatend 1: t Matig doorlatend Slecht doorlatend Slecht doorlatende of ondoorlatende basis 40 Formatieweerstand 40 Ohm.m Storing of breuk DIENST GRONDWATERV ERKENNING JJ 1 LEGENDA GEOHYDROLOGISCHE PROFIELEN 1985 SCHAAL KAARTBLAO BULAGE - 20west. 26w10 1 1

De geomorfologie in het gebied wordt voor een belangrijk deel bepaald door de stuwwalvorming tijdens de Saale-ijstijd (afbeelding I.1).

De geomorfologie in het gebied wordt voor een belangrijk deel bepaald door de stuwwalvorming tijdens de Saale-ijstijd (afbeelding I.1). De geomorfologie in het gebied wordt voor een belangrijk deel bepaald door de stuwwalvorming tijdens de Saale-ijstijd (afbeelding I.1). Afbeelding I.1. Vorming stuwwal Nijmegen en stuwwal Reichswald Zandige

Nadere informatie

Geohydrologisch onderzoek Centrumplan Oldebroek

Geohydrologisch onderzoek Centrumplan Oldebroek Notitie Contactpersoon Wietske Terpstra Datum 2 februari 2006 Kenmerk N001-4425137TER-pla-V01-NL 1.1 Bodemopbouw De regionale bodemopbouw is afgeleid uit de Grondwaterkaart van Nederland 1 en boorgegevens

Nadere informatie

Projectnummer: D03011.000284. Opgesteld door: Ons kenmerk: Kopieën aan: Kernteam

Projectnummer: D03011.000284. Opgesteld door: Ons kenmerk: Kopieën aan: Kernteam MEMO Onderwerp Geohydrologisch vooronderzoek Amsterdam, WTC 5C, 2 oktober 2013 Van mw. M. Duineveld MSc. Afdeling IBZ Aan ZuidasDok Projectnummer D03011.000284. Opgesteld door mw. M. Duineveld MSc. Ons

Nadere informatie

Bijlage 1. Geohydrologische beschrijving zoekgebied RBT rond Bornerbroek

Bijlage 1. Geohydrologische beschrijving zoekgebied RBT rond Bornerbroek Bijlage 1 Geohydrologische beschrijving zoekgebied RBT rond Bornerbroek Bijlagel Geohydrologische beschrijving zoekgebied RBT rond Bornerbroek Bodemopbouw en Geohydrologie Inleiding In deze bijlage wordt

Nadere informatie

14. Geohydrologie Zuidbuurt eemnes Tauw Kenmerk N001-4524746BTM-V01 06-12-2007

14. Geohydrologie Zuidbuurt eemnes Tauw Kenmerk N001-4524746BTM-V01 06-12-2007 14. Geohydrologie Zuidbuurt eemnes Tauw 06-12-2007 Notitie Concept Contactpersoon Maaike Bevaart Datum 6 december 2007 Geohydrologie Zuidbuurt Eemnes 1 Inleiding Ter voorbereiding op de ontwikkeling van

Nadere informatie

Aquiferkaarten van Nederland

Aquiferkaarten van Nederland Aquiferkaarten van Nederland Inleiding Met behulp van de zelf ontwikkelde kd-lineaal (zie het hoofdstuk over doorlatenheden op deze website) is aan de hand van een 3-tal boorbeschrijvingen een viertal

Nadere informatie

1 Glaciale invloeden op basis van U1-metingen

1 Glaciale invloeden op basis van U1-metingen 1 Glaciale invloeden op basis van U1-metingen 1.1 Samenvatting In de ondergrond van Nederland worden waterspanningen (u1) bij sonderingen gemeten die ver boven de heersende waarde van de stijghoogte kunnen

Nadere informatie

RING ZUID GRONINGEN HAALBAAR DANKZIJ COMBINATIE HEREPOORT

RING ZUID GRONINGEN HAALBAAR DANKZIJ COMBINATIE HEREPOORT dia 1 RING ZUID GRONINGEN HAALBAAR DANKZIJ COMBINATIE HEREPOORT Helperzoomtunnel Jan Pieter Schuitemaker Helperzomtunnel dia 3 Geologie Noordoost Nederland GEOLOGISCHE ONTWIKKELINGEN WAAR WE IN DE GEOTECHNIEK

Nadere informatie

Geohydrologische adviezen De Wehme a/d Nieuwstad te Vorden

Geohydrologische adviezen De Wehme a/d Nieuwstad te Vorden Geohydrologische adviezen De Wehme a/d Nieuwstad te Vorden Opdrachtnummer : 1220128 Opdrachtgever : Wooncorporatie ProWonen Postbus 18 7270 AA BORCULO Coördinaten: X = 218.040 Y = 457.210 Datum : 14 december

Nadere informatie

BIJLAGE BIJ BRIEF (MET ALS KENMERK: ) Opdrachtgever: Project: Gemeente Nijkerk Historisch onderzoek aan de Stoutenburgerlaan Amersfoort/

BIJLAGE BIJ BRIEF (MET ALS KENMERK: ) Opdrachtgever: Project: Gemeente Nijkerk Historisch onderzoek aan de Stoutenburgerlaan Amersfoort/ BIJLAGE BIJ BRIEF (MET ALS KENMERK: 110301.001725) Opdrachtgever: Project: Gemeente Nijkerk Historisch onderzoek aan de Stoutenburgerlaan Amersfoort/ Nijkerk Het betreft het plangebied voor het toekomstige

Nadere informatie

* * Rapport van de. werkgroepen. hydrologie en. geochemie

* * Rapport van de. werkgroepen. hydrologie en. geochemie F # * * Rapport van de werkgroepen hydrologie en geochemie Inhoud Biz. SAMENVATTING INLEIDING 4 6 Hoofdstuk 1 Geohydrologie van Midden Nederland 1.1 Inleiding 1.2 Ontstaansgeschiedenis 1.3 Deelgebieden

Nadere informatie

D I E N S T GRONDWATERVERKENNING TNO Delft

D I E N S T GRONDWATERVERKENNING TNO Delft GRONDWATERKAART V A N N E D E R L A N D Inventarisatierapport West-Brabant Kaartbiaden: 43 Oost en 44 West 441 Auteurs: J.B.M. Langbein Drs. E.G. Lekahena Datum : decerriber 1976 D I E N S T GRONDWATERVERKENNING

Nadere informatie

Infiltratieonderzoek autobedrijf Van den Brink Rosendaalsestraat 437-441

Infiltratieonderzoek autobedrijf Van den Brink Rosendaalsestraat 437-441 Notitie Contactpersoon Wietske Terpstra Datum 25 oktober 2011 Kenmerk N001-4817394TER-mfv-V01-NL Infiltratieonderzoek autobedrijf Van den Brink Rosendaalsestraat 437-441 1 Inleiding Autobedrijf Van den

Nadere informatie

1 Aanleiding. Notitie / Memo. HaskoningDHV Nederland B.V. Water

1 Aanleiding. Notitie / Memo. HaskoningDHV Nederland B.V. Water Notitie / Memo Aan: Waterschap Hunze & Aa's Van: Carolien Steinweg/Martijn van Houten Datum: 15 januari 2018 Kopie: Ons kenmerk: WATBF7316N001F1.0 Classificatie: Projectgerelateerd HaskoningDHV Nederland

Nadere informatie

Projectnummer: C01012.100139.0400/LB. Opgesteld door: Tristan Bergsma. Ons kenmerk: 078572453:0.2. Kopieën aan: Cees-Jan de Rooi (gd)

Projectnummer: C01012.100139.0400/LB. Opgesteld door: Tristan Bergsma. Ons kenmerk: 078572453:0.2. Kopieën aan: Cees-Jan de Rooi (gd) MEMO ARCADIS NEDERLAND BV Beaulieustraat 22 Postbus 264 6800 AG Arnhem Tel 026 3778 911 Fax 026 4457 549 www.arcadis.nl Onderwerp: Beknopte watersysteemanalyse de Knoop, Doetinchem Arnhem, 29 juli 2015

Nadere informatie

96-(224) 2.0 LOSSE GESTEENTEN

96-(224) 2.0 LOSSE GESTEENTEN 96-(224) 2.0 LOSSE GESTEENTEN Grondboor en Hamer, jrg. 43, no. 5/6, p. 225-227, 3 fig., november 1989 AFZETTINGEN VAN RIJN EN MAAS IN LIMBURG W.M. Felder* In de loop van het Mioceen, 10 tot 7 miljoenn

Nadere informatie

Grondwatereffectberekening Paleis het Loo. 1. Inleiding. 2. Vraag. Datum: 16 september 2016 Goswin van Staveren

Grondwatereffectberekening Paleis het Loo. 1. Inleiding. 2. Vraag. Datum: 16 september 2016 Goswin van Staveren Grondwatereffectberekening Paleis het Loo Project: Grondwatereffectberekening Paleis het Loo Datum: 16 september 2016 Auteur: Goswin van Staveren 1. Inleiding Voor de ondergrondse uitbreiding van het museum

Nadere informatie

Inspectie van de bodem middels een vooronderzoek ter plaatse van de percelen C 2552 en C 2553 in Breda

Inspectie van de bodem middels een vooronderzoek ter plaatse van de percelen C 2552 en C 2553 in Breda *OMWB524761* Postbus 75 5000 AB Tilburg 013 206 01 00 [email protected] http://www.omwb.nl Inspectie van de bodem middels een vooronderzoek ter plaatse van de percelen C 2552 en C 2553 in Breda Vooronderzoek

Nadere informatie

Figuur 1: Hoogteligging plangebied ( AHN, Rijkswaterstaat)

Figuur 1: Hoogteligging plangebied ( AHN, Rijkswaterstaat) 2.6 Geohydrologie 2.6.1 Algemeen Ten behoeve van het ontwerp van de locatie dient inzicht te worden verkregen in de opbouw van de bodem, de heersende grondwaterregimes en de terreingesteldheid. In deze

Nadere informatie

Inhoudsopgave. Bijlagen en Figuren. Behorende bij het Woordenboek van de NVLB. Nederlandse Vereniging van Leveranciers van Bouwgrondstoffen

Inhoudsopgave. Bijlagen en Figuren. Behorende bij het Woordenboek van de NVLB. Nederlandse Vereniging van Leveranciers van Bouwgrondstoffen Nederlandse Vereniging van Leveranciers van Bouwgrondstoffen Bijlagen en Figuren Behorende bij het Woordenboek van de NVLB Inhoudsopgave Figuur 1 Stratigrafische tabel / geologische tijdschaal... 2 Figuur

Nadere informatie

Nieuwe vijver aan de Groen van Prinstererlaan.

Nieuwe vijver aan de Groen van Prinstererlaan. Nieuwe vijver aan de Groen van Prinstererlaan. Medio 2015 heeft een graafmachine een grote kuil gegraven onderaan het talud op de hoek van de Groen van Prinstererlaan en de Thorbeckelaan (zie onderstaande

Nadere informatie

Titel van de presentatie 11-07-2012 16:24

Titel van de presentatie 11-07-2012 16:24 2 in relatie tot het grondwater Inhoud van de presentatie Geologische opbouw ondergrond Zeeland Opeenvolging van verschillende lagen Ontstaanswijze Sedimenteigenschappen Indeling ondergrond in watervoerende

Nadere informatie

Watertoets Klaproosstraat 13, Varsseveld

Watertoets Klaproosstraat 13, Varsseveld Notitie Contactpersoon Inkie Goijer Datum 1 augustus 2008 Kenmerk N002-4579913IGO-evp-V03-NL 1.1 Inleiding De watertoets De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst op de mate waarin

Nadere informatie

Invloed damwand Meers-Maasband op grondwaterstroming

Invloed damwand Meers-Maasband op grondwaterstroming NOTITIE Onderwerp Invloed damwand Meers-Maasband op grondwaterstroming Project Grensmaas Opdrachtgever Projectbureau Consortium Grensmaas Projectcode HEEL14-29 Status Definitief Datum 18 mei 2016 Referentie

Nadere informatie

Groundwater Technology B.V. Syncera IT Solutions B.V. D06B0126 F:\data\project\Info06\D06B0126\Quickscan ondergrond Lisse_v3.doc

Groundwater Technology B.V. Syncera IT Solutions B.V. D06B0126 F:\data\project\Info06\D06B0126\Quickscan ondergrond Lisse_v3.doc postadres Postbus 5076 6802 EB ARNHEM t 026-7513500 f 026-7513818 www.syncera-geodata.nl bezoekadres Westervoortsedijk 50 6827 AT ARNHEM Quickscan ondergrond Lisse Lithologische, stratigrafische en geohydrologische

Nadere informatie

Roestig land. De Wijstgronden

Roestig land. De Wijstgronden Roestig land De Wijstgronden Verslag van de lezing en excursie van Professor R. T. van Balen en Nico Ettema voor de Werkgroep Geologie en Landschap. Bedafse Bergen, Uden. 10.00-1600 uur. Een mooie herfstdag.

Nadere informatie

De projectlocatie ligt globaal op de coördinaten: X = 140.650 en Y = 447.600.

De projectlocatie ligt globaal op de coördinaten: X = 140.650 en Y = 447.600. Bijlage I Technische beoordeling van de vergunningsaanvraag van Ontwikkelingsverband Houten C.V. voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van de bouw van een parkeerkelder onder het nieuw realiseren

Nadere informatie

Ontdek de ondergrond. 3D informatie toegepast in het veenweidegebied Roula Dambrink, Jan Stafleu

Ontdek de ondergrond. 3D informatie toegepast in het veenweidegebied Roula Dambrink, Jan Stafleu Ontdek de ondergrond 3D informatie toegepast in het veenweidegebied Roula Dambrink, Jan Stafleu Geologische Dienst Nederland Onderdeel van TNO Doel: geowetenschappelijke data beheren en beschikbaar stellen,

Nadere informatie

Watertoets De Cuyp, Enkhuizen

Watertoets De Cuyp, Enkhuizen Watertoets De Cuyp, Enkhuizen Definitief Bouwfonds Ontwikkeling Grontmij Nederland B.V. Alkmaar, 6 april 2009 Verantwoording Titel : Watertoets De Cuyp, Enkhuizen Subtitel : Projectnummer : 275039 Referentienummer

Nadere informatie

Beschrijving lithostratigrafische eenheid

Beschrijving lithostratigrafische eenheid Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO Princetonlaan 6 Postbus 80015 3508 TA Utrecht tel. 030 256 48 50 fax 030 256 48 55 Beschrijving lithostratigrafische eenheid Naam beschrijver:

Nadere informatie

Rapport. wonen limburg. BP Aan de Kreppel (fase 2) te Heythuysen. Vooronderzoek conform NEN 5725

Rapport. wonen limburg. BP Aan de Kreppel (fase 2) te Heythuysen. Vooronderzoek conform NEN 5725 Rapport wonen limburg BP Aan de Kreppel (fase 2) te Heythuysen Vooronderzoek conform NEN 5725 Wonen limburg Inhoudsopgave Inhoudsopgave 1 Inleiding... 1 2 Vooronderzoek conform NEN 5725... 2 2.1 Locatiebeschrijving...

Nadere informatie

kade Peil vaart -0.4 Gws binnen kuip -3.9 Waterdruk die lek veroorzaakt

kade Peil vaart -0.4 Gws binnen kuip -3.9 Waterdruk die lek veroorzaakt Notitie Aan: Waternet Van: Ben van der Wal, Geert Kerkvliet Datum: 28 mei 2015 Kopie: Gemeente Amsterdam Ons kenmerk: INFRABD3912N004F02 Classificatie: Project gerelateerd HaskoningDHV Nederland B.V. Infrastructure

Nadere informatie

HISTORISCH ONDERZOEK. conform de NEN 5725:2009 STEEG 13 TE SEVENUM

HISTORISCH ONDERZOEK. conform de NEN 5725:2009 STEEG 13 TE SEVENUM HISTORISCH ONDERZOEK conform de NEN 5725:2009 STEEG 13 TE SEVENUM 20 februari 2017 Colofon Rapport: Historisch bodemonderzoek Steeg 13 te Sevenum Projectnummer: 5348bo0117 Status: definitief Datum: 20

Nadere informatie

Onderzoeksrapportage naar het functioneren van de IT-Duiker Waddenweg te Berkel en Rodenrijs

Onderzoeksrapportage naar het functioneren van de IT-Duiker Waddenweg te Berkel en Rodenrijs Notitie Contactpersoon ir. J.M. (Martin) Bloemendal Datum 7 april 2010 Kenmerk N001-4706565BLL-mya-V02-NL Onderzoeksrapportage naar het functioneren van de IT-Duiker Waddenweg te Berkel en Rodenrijs Tauw

Nadere informatie

Formatie Samenstelling Geohydrologische betekenis mv. tot 5 Nuenen Groep fijn en matig fijn zand,

Formatie Samenstelling Geohydrologische betekenis mv. tot 5 Nuenen Groep fijn en matig fijn zand, Memo memonummer 1 datum 4 mei 2016 aan K. Willemsen Bureau Verkuylen van A. Schuphof Antea Group kopie M. Booijink Antea Group project Infiltratieonderzoek te Dorst projectnr. 409915 betreft Resultaten

Nadere informatie

Distributiemodel, deel C

Distributiemodel, deel C Opdrachtgever: Deltares, deel C (Noord) Oost en Zuid Nederland Auteurs: Susanne Groot Rudolf Versteeg Durk Klopstra Elmi van den Braak Koen Wouters PR1640.10 april 2009 Inhoud 17 Vallei en Eem... 17-1

Nadere informatie

Grondwater effecten parkeergarage en diepwand Scheveningen

Grondwater effecten parkeergarage en diepwand Scheveningen Notitie / Memo Aan: Kees de Vries Van: Anke Luijben en Jasper Jansen Datum: 25 januari 2017 Kopie: Ons kenmerk: WATBE5026-136N001D0.2 Classificatie: Projectgerelateerd HaskoningDHV Nederland B.V. Water

Nadere informatie

Geohydrologie van Flevoland - Houden we voldoende zoet water?

Geohydrologie van Flevoland - Houden we voldoende zoet water? Geohydrologie van Flevoland - Houden we voldoende zoet water? Kennisdag bodem en water Flevoland 4 februari 2019 Kristiaan Petie hydroloog Inhoud - Waar komt het zout vandaan? - Waar zit het zout nu? -

Nadere informatie

Kaart 13: Afwateringsgebieden. Afwateringsgebieden. Legenda. IJsselmeer IJsselmeer bij bijzondere omstandigheden

Kaart 13: Afwateringsgebieden. Afwateringsgebieden. Legenda. IJsselmeer IJsselmeer bij bijzondere omstandigheden 28 Watersysteem en ondergrond Het IJsselmeergebied is het grootste zoetwaterbekken van Nederland en zal in de toekomst steeds belangrijker worden voor de strategische zoetwatervoorziening. Daarnaast vormt

Nadere informatie

1 Inleiding 3 1.1 Aanleiding 3 1.2 Doel 4 1.3 Gebruikte gegevens 4

1 Inleiding 3 1.1 Aanleiding 3 1.2 Doel 4 1.3 Gebruikte gegevens 4 Pagina 2 van 12 Inhoudsopgave 1 Inleiding 3 1.1 Aanleiding 3 1.2 Doel 4 1.3 Gebruikte gegevens 4 2 Geologie 5 2.1 Opbouw 5 2.1.1 Boringen 5 2.1.2 Sonderingen 6 2.2 Doorlatendheden 7 2.3 Ondergrond van

Nadere informatie

Effectberekeningen. Aanleg kolk plangebied De Kolk in Wapenveld. Definitief. Gemeente Heerde Postbus AD Heerde

Effectberekeningen. Aanleg kolk plangebied De Kolk in Wapenveld. Definitief. Gemeente Heerde Postbus AD Heerde Effectberekeningen Aanleg kolk plangebied De Kolk in Wapenveld Definitief Gemeente Heerde Postbus 175 8180 AD Heerde Grontmij Nederland B.V. Arnhem, 12 juni 2009 Verantwoording Titel : Effectberekeningen

Nadere informatie

NL3D. Inleiding. Werkwijze. Boringen. Geologisch raamwerk

NL3D. Inleiding. Werkwijze. Boringen. Geologisch raamwerk NL3D Inleiding NL3D (Nederland in 3D) geeft een gedetailleerd driedimensionaal beeld van de ondergrond. In het model is de ondergrond opgedeeld in voxels (blokken) van 250 bij 250 meter in de horizontale

Nadere informatie

Geohydrologische situatie Burg. Slompweg

Geohydrologische situatie Burg. Slompweg Notitie Contactpersoon Johannes Weemstra Datum 21 november 2012 Kenmerk N003-1210450WEJ-rrt-V01-NL Geohydrologische situatie Burg. Slompweg 1 Inleiding In opdracht van de gemeente Steenwijkerland heeft

Nadere informatie

3. Hydrologie van Nederland

3. Hydrologie van Nederland 3. Hydrologie van Nederland 3.1. Geologie In Nederland liggen voornamelijk de geologische lagen van het Kwartair aan de oppervlakte. De oudere lagen uit het Tertiair liggen op grotere diepte; alleen in

Nadere informatie

Modelberekeningen. 1 Geohydrologische berekeningen

Modelberekeningen. 1 Geohydrologische berekeningen Modelberekeningen 1 Geohydrologische berekeningen 1.1 Inleiding Ter onderbouwing van de beheersmaatregel zijn geohydrologische berekeningen uitgevoerd, waarmee de grondwaterstroming door het scherm kan

Nadere informatie

1 Inleiding en projectinformatie

1 Inleiding en projectinformatie Project: Groenhorst College te Velp Onderwerp: hemelwater infiltratieonderzoek Datum: 9 november 2011 Referentie: 25.515/61341/LH 1 Inleiding en projectinformatie Het Groenhorst College, gelegen aan de

Nadere informatie

HISTORISCH BODEMONDERZOEK AAN HET JULIALAANTJE 28 TE RIJSWIJK

HISTORISCH BODEMONDERZOEK AAN HET JULIALAANTJE 28 TE RIJSWIJK HISTORISCH BODEMONDERZOEK AAN HET JULIALAANTJE 28 TE RIJSWIJK Bron: google.nl Opdrachtgever: Plaats: Gemeente Rijswijk Rijswijk Adviesbureau: VanderHelm Milieubeheer B.V. Plaats Berkel en Rodenrijs Projectcode:

Nadere informatie

E Van. Hydrologisch onderzoek invloed bemaling tunnelbak op VOCL verontreiniging

E Van. Hydrologisch onderzoek invloed bemaling tunnelbak op VOCL verontreiniging Aan Omgevingsdienst West-Holland Behandeld door Eline Heemskerk T.a.v. De heer H.M. de Boo E [email protected] Van E. Heemskerk T 015-7511880 Betreft Actualiserend bodemonderzoek Van Leeuwenpark

Nadere informatie

Ons Kenmerk: IBZ7339. Versie. Definitief. Datum: 1 mei Kopiën aan:

Ons Kenmerk: IBZ7339. Versie. Definitief. Datum: 1 mei Kopiën aan: MEMO Onderwerp: IO 08-Me-70 Bepalen waterbezwaar voor bemaling Piet Kranenbergpad Opgesteld door: L.F.M. van Beek Van: IBZ Aan: Gemeente Amsterdam Ons Kenmerk: IBZ7339 Versie Definitief Datum: 1 mei 2017

Nadere informatie

Notitie. De kamp. Figuur 1 Locatie De Kamp in Cothen. Referentienummer Datum Kenmerk 4 oktober 2010 300342. Betreft Geohydrologisch onderzoek Cothen

Notitie. De kamp. Figuur 1 Locatie De Kamp in Cothen. Referentienummer Datum Kenmerk 4 oktober 2010 300342. Betreft Geohydrologisch onderzoek Cothen Notitie Referentienummer Datum Kenmerk 4 oktober 2010 300342 Betreft Geohydrologisch onderzoek Cothen 1 Inleiding De gemeente Wijk bij Duurstede is gestart met de ontwikkeling van een woningbouwprogramma

Nadere informatie

Rapport. Waterhuishoudingsplan Drielanden te Harderwijk. Opdrachtgever. Gemeente Harderwijk Postbus AC HARDERWIJK

Rapport. Waterhuishoudingsplan Drielanden te Harderwijk. Opdrachtgever. Gemeente Harderwijk Postbus AC HARDERWIJK Rapport Waterhuishoudingsplan Drielanden te Harderwijk projectnr. 14792-11271 revisie 01 09 december 2005 Opdrachtgever Gemeente Harderwijk Postbus 149 3840 AC HARDERWIJK datum vrijgave beschrijving revisie

Nadere informatie

Stichting voor Bodemkartering ~ : 'AGsSNINGEN MBLIOTHBiK

Stichting voor Bodemkartering ~ : 'AGsSNINGEN MBLIOTHBiK r STICHTING VOOfc BODEMKARTEftlNG Stichting voor Bodemkartering WAGENINGEN ~ : 'AGsSNINGEN MBLIOTHBiK Directeur; Dr.Ir. F..G. Pijl: Rapport no. 543. RAPPORT BETREFFENDE DE BODEMGESTELDHEID VAM ENIGE PERCELEN

Nadere informatie

1 Kwel en geohydrologie

1 Kwel en geohydrologie 1 Kwel en geohydrologie 1.1 Inleiding Grondwater in de omgeving van de grote rivieren in Nederland wordt door verschillen in het peil sterk beïnvloed. Over het algemeen zal het rivierpeil onder het grondwatervlak

Nadere informatie

TOEGEPASTE GEOLOGIE EN HYDROGEOLOGIE

TOEGEPASTE GEOLOGIE EN HYDROGEOLOGIE TOEGEPASTE GEOLOGIE EN HYDROGEOLOGIE Grondwaterwinningsmogelijkheden in de ondiepe watervoerende lagen ter hoogte van de NV te Ardooie (Fase 1) ) 1\Ü. /.AfL. 111111 UNIVERSITEIT GENT Fase 1 -I- Ondiep

Nadere informatie

Beschrijving geohydrologische situatie Vondelpark en Willemsparkbuurt te Amsterdam

Beschrijving geohydrologische situatie Vondelpark en Willemsparkbuurt te Amsterdam Notitie Projectleider drs. A.J. (Arjan) Varkevisser Adviseur drs I.A. (Inger) de Groot Datum 19 november 2013 Kenmerk N001-1217942AJA-vvv-V01-NL Beschrijving geohydrologische situatie Vondelpark en Willemsparkbuurt

Nadere informatie

van A. van der Scheer en E. van der Veen datum: juni 1985 Te verwachten zetting bij ophoging van gedeelten van de Binnenschelde nabij Bergen op Zoom

van A. van der Scheer en E. van der Veen datum: juni 1985 Te verwachten zetting bij ophoging van gedeelten van de Binnenschelde nabij Bergen op Zoom -..-.. -- - -. =?at +< J'N pttn RIdKSolt-';,ri:~l \/UC>R 08 Srnedinghuls. Leiystad van A. van der Scheer en E. van der Veen datum: juni 1985 Te verwachten zetting bij ophoging van gedeelten van de Binnenschelde

Nadere informatie

Aantal pagina's 5. Doorkiesnummer +31(0)88335 7160

Aantal pagina's 5. Doorkiesnummer +31(0)88335 7160 Memo Aan Port of Rotterdam, T.a.v. de heer P. Zivojnovic, Postbus 6622, 3002 AP ROTTERDAM Datum Van Johan Valstar, Annemieke Marsman Aantal pagina's 5 Doorkiesnummer +31(0)88335 7160 E-mail johan.valstar

Nadere informatie

LABORATORIUM VOOR TOEGEPASTE GEOLOGIE EN HYDROGEOLOGIE

LABORATORIUM VOOR TOEGEPASTE GEOLOGIE EN HYDROGEOLOGIE LABORATORIUM VOOR TOEGEPASTE GEOLOGIE EN HYDROGEOLOGIE VERSLAG BETREFFENDE DE MOGELIJKHEID TOT WINNING VAN GRONDWATER IN PERIODES VAN LAGE GRONDWATERSTAND VOOR HET DOMEIN " TER DUINEN " TE NIEUWPOORT.&i6EL.

Nadere informatie

MONITORING GRONDWATERSTANDEN 3E OOSTERPARKSTRAAT EN VROLIKSTRAAT TE AMSTERDAM

MONITORING GRONDWATERSTANDEN 3E OOSTERPARKSTRAAT EN VROLIKSTRAAT TE AMSTERDAM Briefrapport betreffende MONITORING GRONDWATERSTANDEN 3E OOSTERPARKSTRAAT EN VROLIKSTRAAT TE AMSTERDAM Opdrachtnummer: 1109-0036-001 Veurse Achterweg 10, Postbus 63, 2260 AB, Leidschendam, Tel: 070-3111333.,

Nadere informatie

DIENST DER ZUIDERZEEWERKEN

DIENST DER ZUIDERZEEWERKEN DIENST DER ZUIDERZEEWERKEN Sweelinckplein 14 's-g RAVEN HAGE Teiefoon 070-39.dl. 00 PUBLICATIE nr.: 21 WORDING EDI OPBOW VAN DE POLDER ZUIDELIJK FLEVOLAND 1 Terwijl de ontginning van de derde IJsseSmeerpolder,

Nadere informatie

5 Fase III: Granulaire analyses

5 Fase III: Granulaire analyses 5 Fase III: Granulaire analyses Op een selectie van de boringen zijn granulaire analyses uitgevoerd, meestal meerdere monsters per boring. Bij het bepalen van de korrelgrootteverdelingen is gebruik gemaakt

Nadere informatie

Matrix modelgebieden versus geologische eenheden

Matrix modelgebieden versus geologische eenheden Matrix modelgebieden versus geologische eenheden TNO Geologische Dienst Nederland Versiehistorie Documentversie GeoTOP versie Toelichting 4 april 2012 GeoTOP v1.1 Initieel document met modelgebieden, -Overflakkee,,,

Nadere informatie

Betreft: Variatie in grondwaterpeilen en bodemopbouw (bureaustudie) ter plaatse van de Landgoed Huize Winfried te Wapenveld (gemeente Heerde).

Betreft: Variatie in grondwaterpeilen en bodemopbouw (bureaustudie) ter plaatse van de Landgoed Huize Winfried te Wapenveld (gemeente Heerde). Projectnummer 2013-11-002: Variatie in grondwaterpeilen en bodemopbouw Landgoed Huize Winfried Natuurbegraven Nederland T.a.v. de heer W. Peters Postbus 29 5201 AA s-hertogenbosch Betreft: Variatie in

Nadere informatie

Middelburg Polder Tempelpolder. Polder Reeuwijk. Reeuwijk. Polder Bloemendaal. Reeuwijksche Plassen. Gouda

Middelburg Polder Tempelpolder. Polder Reeuwijk. Reeuwijk. Polder Bloemendaal. Reeuwijksche Plassen. Gouda TNO Kennis voor zaken : Oplossing of overlast? Kunnen we zomaar een polder onder water zetten? Deze vraag stelden zich waterbeheerders, agrariërs en bewoners in de Middelburg-Tempelpolder. De aanleg van

Nadere informatie

De projectlocatie ligt globaal op de coördinaten: X = 140.125 en Y = 455.100.

De projectlocatie ligt globaal op de coördinaten: X = 140.125 en Y = 455.100. Bijlage I Technische beoordeling van de vergunningsaanvraag van de Gemeente Utrecht voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van het tot stand brengen van de Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV) baan

Nadere informatie

Beschrijving lithostratigrafische eenheid

Beschrijving lithostratigrafische eenheid Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO Princetonlaan 6 Postbus 80015 3508 TA Utrecht tel. 030 256 48 50 fax 030 256 48 55 Beschrijving lithostratigrafische eenheid Naam beschrijver:

Nadere informatie

I Hili RIJKSUNIVERSITEIT GENT

I Hili RIJKSUNIVERSITEIT GENT I LABORATORIUM VOOR TOEGEPASTE GEOLOGIE EN HYDROGEOLOGIE BEREKENING VAN DE HOEVEELHEID WIT ZAND IN DE ONDERGROND VAN HET PROVINCIAAL DOMEIN ZILVERMEER EIGENDOM VAN DE NIEUWE ZANDGROEVEN VAN MöL _A L_ I

Nadere informatie

Distributiemodel, deel F

Distributiemodel, deel F Opdrachtgever: Rijkswaterstaat, RIZA, deel F Brielse Dijkring Auteur: Rudolf Versteeg Elmi van den Braak PR1640.10 april 2009 Inhoud 40 Brielse Dijkring... 40-1 40.1 Inleiding... 40-1 40.2 Gebiedsbeschrijving...

Nadere informatie

Ministerie van Verkeer en Waterstaat opq. Zonewateren. 28 juli 2004

Ministerie van Verkeer en Waterstaat opq. Zonewateren. 28 juli 2004 Ministerie van Verkeer en Waterstaat opq Zonewateren 28 juli 2004 Ministerie van Verkeer en Waterstaat opq Zonewateren 28 juli 2004 Inhoudsopgave........................................................................................

Nadere informatie

Geohydrologisch onderzoek

Geohydrologisch onderzoek Geohydrologisch onderzoek Hogenkampseweg te Renkum Gemeente Renkum Projectnummer: P2232. Datum: 2 februari 25 Versie: definitief Geohydrologisch onderzoek Hogenkampseweg te Renkum Gemeente Renkum Opdrachtgever:

Nadere informatie

Kloosterstraat. Loon op Zand. Geohydrologisch onderzoek en waterparagraaf SAB. juli 2009 concept

Kloosterstraat. Loon op Zand. Geohydrologisch onderzoek en waterparagraaf SAB. juli 2009 concept Kloosterstraat Loon op Zand Geohydrologisch onderzoek en waterparagraaf SAB juli 2009 concept Kloosterstraat Loon op Zand Geohydrologisch onderzoek en waterparagraaf dossier : C6592.01.001 registratienummer

Nadere informatie

Haak om Leeuwarden Midden + onderdoorgangen Westelijke invalsweg

Haak om Leeuwarden Midden + onderdoorgangen Westelijke invalsweg Haak om Leeuwarden Midden + onderdoorgangen Westelijke invalsweg Geolock foliewand als verticaal afsluitende voorziening P.G. van Duijnen (Huesker, voorheen Mobilis) H.A. de Jong (Mobilis) A.P. de Lange

Nadere informatie

het noordelijk deel (nabij de woningen) en het zuidelijk deel. Vanwege de invloed naar de omgeving is alleen het noordelijk deel beschouwd.

het noordelijk deel (nabij de woningen) en het zuidelijk deel. Vanwege de invloed naar de omgeving is alleen het noordelijk deel beschouwd. partner in bouwputadvies en grondwatertechniek 1/5 Project : HT140056 Park Waterrijk Hekelingen Datum : 1 September 2014 Betreft : Nota waterhuishouding Opsteller : M. (Marco) Zieverink, MSc Documentstatus

Nadere informatie

Documentnummer AMMD

Documentnummer AMMD MEMO Kopie aan V. Friedrich-Drouville Van H. Meuwese Onderwerp impact aanleg Oeverdijk en peilbeheer Tussenwater op grondwaterstand dijk en achterland Datum 20 december 2016 Inleiding In dit memo is de

Nadere informatie

Plaats binnen WBI. Stochastische Ondergrond Schematisatie (SOS) Globale SOS. Marc Hijma (Deltares)

Plaats binnen WBI. Stochastische Ondergrond Schematisatie (SOS) Globale SOS. Marc Hijma (Deltares) Stochastische Ondergrond Schematisatie (SOS) Globale SOS Marc Hijma (Deltares) Pilot/cursus SOS en Piping 14 september 2016 Plaats binnen WI 1 2 Veel variatie in de ondergrond 3 Klei 7 8 4 5 Stochastisch:

Nadere informatie

Modelonzekerheid in GeoTOP

Modelonzekerheid in GeoTOP Modelonzekerheid in GeoTOP TNO Geologische Dienst Nederland Versiehistorie Documentversie GeoTOP versie Toelichting 24 juni 2014 GeoTOP v1.2 De in dit document beschreven modelonzekerheid is opgenomen

Nadere informatie

Beschrijving lithostratigrafische eenheid

Beschrijving lithostratigrafische eenheid Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO Princetonlaan 6 Postbus 80015 3508 TA Utrecht tel. 030 256 48 50 fax 030 256 48 55 Beschrijving lithostratigrafische eenheid Naam beschrijver:

Nadere informatie

TOELICHTING OP DE raatwfc V- 1 -'

TOELICHTING OP DE raatwfc V- 1 -' TOELICHTING OP DE raatwfc V- 1 -' ISEMWV. -:aio.- M E. ia ^^^ ^^-B^'nYt^T^-n.MET DE ZOHERGROND-.i.RSTANDEN TIJDENS DROGE I?E JAREN IN DE GEBIEDEN WAAR AL OF NIET VERANDERING IN DE PRODUKTIEWAARDE IS TE

Nadere informatie

Relatie Diep - Ondiep

Relatie Diep - Ondiep Relatie Diep - Ondiep De Groote Meer en omgeving 1 Inleiding... 1 2 Opzet model... 2 2.1 Berekende grondwaterstand / stijghoogte. 4 2.2 Waterbalans... 8 3 Invloed onttrekking uit diepe pakket... 9 4 Conclusie...

Nadere informatie

Historisch onderzoek Achthovenerweg 49 Leiderdorp

Historisch onderzoek Achthovenerweg 49 Leiderdorp Milieutechniek Rouwmaat Groenlo bv Postbus 74 Den Sliem 93 7140 AB Groenlo 7141 JG Groenlo TEL. 0544-474040 FAX. 0544-474049 Historisch onderzoek Achthovenerweg 49 Leiderdorp Opdrachtgever : SAB Arnhem

Nadere informatie

Beschrijving lithostratigrafische eenheid

Beschrijving lithostratigrafische eenheid Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO Princetonlaan 6 Postbus 80015 3508 TA Utrecht tel. 030 256 48 50 fax 030 256 48 55 Beschrijving lithostratigrafische eenheid Naam beschrijver:

Nadere informatie

Factsheet: NLGWSC0004 Zout grondwater in ondiepe zandlagen

Factsheet: NLGWSC0004 Zout grondwater in ondiepe zandlagen Factsheet: NLGWSC0004 Zout grondwater in ondiepe zandlagen -DISCLAIMER- De informatie die in deze factsheet wordt weergegeven is bijgewerkt tot en met 25 april 2014. Deze factsheet dient gezien te worden

Nadere informatie

ACHTERGRONDDOCUMENT. Ontwikkelingsvisie en Beheerplan voor de landgoederen Nieuw- en Oud Amelisweerd en Rhijnauwen. Juni 2008

ACHTERGRONDDOCUMENT. Ontwikkelingsvisie en Beheerplan voor de landgoederen Nieuw- en Oud Amelisweerd en Rhijnauwen. Juni 2008 ACHTERGRONDDOCUMENT Ontwikkelingsvisie en Beheerplan voor de landgoederen Nieuw- en Oud Amelisweerd en Rhijnauwen Juni 2008 Inhoud deel I BASISGEGEVENS 1. Bodem, grondwater en hydrologie 2. Historie van

Nadere informatie

Matrix modelgebieden versus geologische eenheden

Matrix modelgebieden versus geologische eenheden Matrix modelgebieden versus geologische eenheden TNO Geologische Dienst Nederland Versiehistorie Documentversie GeoTOP versie Toelichting 4 april 2012 GeoTOP v1.1 Initieel document met modelgebieden, -Overflakkee,,,

Nadere informatie

Opbarstrisico in kaart

Opbarstrisico in kaart Opbarstrisico in kaart donderdag 20 november 2014 Mattijs Borst 27-11-2014 Overzicht Wat is opbarstgevaar? De plaats van opbarsten in het rioolontwerp Opbarstgevaar eerder in het ontwerpproces Indicatieve

Nadere informatie