STAATSCOMMISSIE VOOR HET INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT
|
|
|
- Nele Timmermans
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 STAATSCOMMISSIE VOOR HET INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT Mevr. mr W. Sorgdrager Minister van Justitie Postbus EH 's-gravenhage 's-gravenhage, 18 april 1997 Excellentie, Bij brief van 1 oktober 1996 (Uw kenmerk /96/9) is de Staatscommissie verzocht advies uit te brengen omtrent voor te stellen wijzigingen van bepalingen van het Verdrag van Brussel 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX) en van het Verdrag van Lugano 1988 betreffende hetzelfde onderwerp (EVEX). Eenzelfde verzoek is gericht aan de Adviescommissie voor het Burgerlijk Procesrecht. De voorzitter van deze Adviescommissie, de heer mr J.L.R.A. Huydecoper, heeft de Staatscommissie voorgesteld een gezamenlijk overzicht van prioriteiten verdienende punten aan U voor te leggen en heeft daartoe bij brief van 21 januari 1997 de Staatscommissie een lijst van knelpunten toegezonden. De Staatscommissie heeft ingestemd met dit voorstel. Met de hiernavolgende uiteenzetting, waarin rekening is gehouden met de opmerkingen van de Adviescommissie voor het Burgerlijk Procesrecht, moge U als volgt worden bericht. Knelpunten EEX 1. Algemeen 1.1 Het formele toepassingsgebied van de bevoegdheidsregeling De regeling van het formele toepassingsgebied van de bevoegdheidsregeling is gebrekkig. Uit art. 2 t/m 4 laat zich afleiden dat de bevoegdheidsregeling formeel van toepassing is, indien de verweerder, ongeacht zijn nationaliteit, woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat. Maar hierop bestaan kennelijk nogal wat uitzonderingen. Art. 4 noemt er maar één: art. 16. Maar het is duidelijk dat ook art. 17 en mogelijk art. 18 en art. 24 een uitzondering vormen. Mede met het oog op het voornemen van de Haagse Conferentie om een mondiaal jurisdictie- en executieverdrag tot stand te brengen, is het wenselijk meer duidelijkheid te scheppen ten aanzien van het toepassingsgebied van het EEX. Het verdient daarbij aanbeveling het formele toepassingsgebied van de bevoegdheidsregeling in één algemene bepaling te regelen, zoals ook het geval is met
2 - 2 - het formele toepassingsgebied van de erkennings- en tenuitvoerleggingsregeling (art. 25). Een minderheid in de Staatscommissie is van oordeel dat de aanvaardbaarheid van de bevoegdheidsregels van het EEX niet afhangt van de vraag of de verweerder al dan niet woonplaats heeft in het verdragsgebied en dat er ook overigens geen overtuigende grond is om voor de toepasselijkheid van die regels onderscheid te maken tussen verweerders met woonplaats in, en verweerders met woonplaats buiten het verdragsgebied. 1.2 Samenloop van het EEX met bijzondere verdragen De in art. 57 neergelegde regeling van de samenloop van het EEX met bijzondere verdragen is lacuneus en onduidelijk. Over deze samenloopregeling (tot stand gekomen bij gelegenheid van het eerste Toetredingsverdrag) is reeds veel te doen geweest. De huidige regeling is nog steeds een bron van verwarring en verdient een grondige herziening. Zie o.a. L. Strikwerda, Brunner-bundel (1994), blz. 389 e.v. Met name de regel dat bij samenloop van een executieverdrag over een bijzonder onderwerp met het EEX het eerstbedoelde verdrag vóór gaat (art. 57, lid 2, onder b, tweede alinea), strijdt met de thans zowel in Nederland als elders heersende opvatting dat bij samenloop van executieverdragen niet het lex specialis-beginsel, maar het beginsel van de favor executionis beslist. Zie HR 5 januari 1990, NJ 1991, 591 nt. JCS. 1.3 Woonplaats en vestigingsplaats Uit art. 52 en 53 volgt dat de uitleg van de begrippen woonplaats en vestigingsplaats geen verdragsautonome begrippen zijn, doch zijn overgelaten aan het nationale recht c.q. het ipr van de aangezochte rechter. Aangezien deze begrippen een belangrijke rol vervullen in de bevoegdheidsregeling van het verdrag is het gewenst, mede met het oog op de eenvormige toepassing van de verdragsregeling, dat het verdrag het begrip woonplaats en vestigingsplaats definieert en dus tot verdragsautonome begrippen maakt. Wat de vestigingsplaats van vennootschappen en rechtspersonen betreft is de Staatscommissie van oordeel dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de exclusieve bevoegdheidsregel van art. 16 aanhef en sub 2 en de overige bevoegdheidsregels. Ten aanzien van de exclusieve bevoegdheidsregel zou, nu deze regel betrekking heeft op geschillen inzake de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van vennootschappen of rechtspersonen, de huidige verwijzing naar het ipr van de rechter gehandhaafd dienen te blijven, zulks met het oog op de door deze bevoegdheidsregel beoogde "Gleichlauf" van bevoegdheid en toepasselijk recht. Ten aanzien van de overige bevoegdheidsregels zou voor de omschrijving van het begrip vestigingsplaats aansluiting
3 - 3 - gezocht kunnen worden bij art. 3 EU-Insolventieverdrag en wellicht bij art. 4 EVO. 2. De bevoegdheidsregeling (Titel II) 2.1 Art. 5 sub 1 (het forum contractus) De Staatscommissie is van oordeel dat de alternatieve bevoegdheidsregel van art. 5 sub 1 inzake geschillen over verbintenissen uit overeenkomst geschrapt dient te worden, althans in zijn reikwijdte beperkt dient te worden. Het Hof van Justitie van de EG is reeds vele malen geroepen om uitleg te geven aan art. 5 sub 1, maar nog steeds vormt de bepaling een bron van onzekerheden. Met name is niet duidelijk wat verstaan moet worden onder "overeenkomst", wat geldt bij pluraliteit van verbintenissen, of de bepaling kan worden toegepast bij verbintenissen om niet te doen en andere moeilijk localiseerbare verbintenissen enz. Bovendien pakt de bepaling in de praktijk uit als een forum actoris, hoewel dit forum blijkens art. 3 als exorbitant moet worden aangemerkt. In de literatuur, met name ook in Nederland (H.E. Ras, TvP 1975, blz. 867/868; J.P. Verheul, NILR 1976, blz. 349; P. Vlas, Heemskerk-bundel, 1991, blz. 307 e.v., blz. 314), bestaat een duidelijke voorkeur om de bepaling te schrappen. Zie met name Vlas t.a.p. Bij handhaving van art. 5 sub 1 dient ernaar gestreefd te worden de thans bestaande verschillen tussen het EEX en het EVEX met betrekking tot de regeling inzake de arbeidsovereenkomst weg te werken. Overigens zou het aanbeveling verdienen de regeling van de bevoegdheid met betrekking tot geschillen over individuele arbeidsovereenkomsten (art. 5 en art. 17) te verplaatsen naar afdeling 3 van titel II. 2.2 Art. 5 sub 3 (het forum delicti) De alternatieve bevoegdheidsregel van art. 5 sub 3 inzake geschillen over verbintenissen uit onrechtmatige daad behoeft herziening. Het begrip "plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan" is onduidelijk. Het Hof van Justitie heeft reeds een aantal malen uitspraak gedaan over de uitleg van dit begrip (Kalimijnen, Dumez France, Marinari, Shevill). Scherpe contouren heeft het begrip echter nog niet gekregen. Voorts zou in de bepaling moeten worden aangegeven of het forum delicti ook gebruikt kan worden in geval van een dreigende onrechtmatige daad. 2.3 Art. 13 t/m 15 (door consumenten gesloten overeenkomsten)
4 - 4 - De bevoegdheidsregeling inzake consumentenovereenkomsten (art. 13 t/m 15) moet in overeenstemming worden gebracht met art. 5 EVO. De definitie van het begrip consumentenovereenkomst in art. 13 EEX wijkt af van het overeenkomstige begrip in art. 5 van het EVO. Aangezien het EVO mede tot doel heeft het EEX beter tot zijn bestemming te laten komen verdient het aanbeveling de definitiebepalingen op elkaar af te stemmen. 2.4 Art. 17 en 18 (forumkeuze) De artt. 17 en 18 inzake de forumkeuze zijn voor de rechtspraktijk belangrijke bepalingen. Bij gelegenheid van de verschillende Toetredingsverdragen is art. 17 meermalen gewijzigd. Gevolg is dat het artikel een lappendeken van bepalingen is geworden. Vereenvoudiging is gewenst. Bovendien is het formele toepassingsgebied van de bepalingen onduidelijk. Zie L. Strikwerda, "25 jaar Offerhauskring"-bundel, 1987, blz. 197 e.v. en Th.M. de Boer, Voskuil-bundel, 1992, blz. 27 e.v. Het effect van forumclausules in algemene voorwaarden verdient nadere aandacht en, mede in verband met de bescherming van particulieren, nadere, algemene regeling in afdeling 3 van titel II. 2.5 Art. 21 en 22 (litispendentie en connexiteit) Het begrip "het gerecht, waarbij de zaak het laatst is aangebracht" als bedoeld in de artt. 21 en 22 dient een verdragsautonome betekenis te krijgen. In de zaak Zelger-Salinitri (HvJ 7 juni 1984, zk 129/83, NJ 1985, 331) heeft het Hof van Justitie beslist dat het nationaal procesrecht van ieder der gerechten waarbij een zaak is aangebracht, bepalend is voor het tijdstip van aanbrengen van de zaak. De verschillende rechtsstelsels lopen nogal uiteen. Van die ongelijkheid kan misbruik worden gemaakt door eisers die bij een forum voor hetwelk een vroeg moment geldt naar deszelfs nationale recht te shoppen, indien van dat forum een gunstige uitspraak wordt verwacht. Het instrument daarvoor is de vordering tot een declaratoir van niet-aansprakelijkheid. Dit heeft zich voorgedaan in de Tatry-zaak (HvJ 6 december 1994, zk C-406/92, NJ 1995, 659, r.o. 37 e.v.) Voorts is de Staatscommissie van oordeel dat de onduidelijkheid die ten gevolge van de uitspraak van het Hof van Justitie inzake Gubisch tegen Palumbo (8 december 1987, zk 144/86, NJ 1989, 420) is ontstaan over de onderlinge verhouding van art. 21 en 22 weggenomen zou dienen te worden. Zie de noot van J.C. Schultsz onder het arrest in de NJ. 2.6 Art. 24 (voorlopige en bewarende maatregelen)
5 - 5 - Art. 24 bevat een lacune: de bepaling geeft niet aan op welke gronden de rechter zich bevoegd mag achten een voorlopige of bewarende maatregel te geven. Mede gezien de Denilauler-uitspraak van het Hof van Justitie (21 mei 1981, zk 125/79, NJ 1981, 184), waarin werd beslist dat ex parte beslissingen niet onder het EEX kunnen worden erkend en ten uitvoer gelegd, verdient het volgens enkele leden van de Staatscommissie aanbeveling dat in art. 24 wordt opgenomen dat slechts bevoegd is de rechter van het land waar de maatregel uitgevoerd moet worden. In ieder geval is gewenst dat in het kader van art. 24, mede in verband met art. 5 sub 3 en art. 6 sub 1, nader wordt aangegeven in welke gevallen bevoegdheid bestaat om geboden of verboden met extraterritoriale werking te geven. Vgl. HR 24 november 1989, NJ 1992, 404 nt. DWFV. 3. De erkennings- en tenuitvoerleggingsregeling (Titel III) 3.1 Bevoegdheid als erkenningsvoorwaarde Uit art. 28 lid 1 en 3 volgt dat schending van de bevoegdheidsregels in beginsel geen grond voor weigering van erkenning oplevert. Op dit belangrijke beginsel wordt een aantal uitzonderingen gemaakt. Een deel van deze uitzonderingen betreft de bevoegdheidsregels waaraan het beschermingsbeginsel ten grondslag ligt (afd. 3 van titel II). Echter niet alle bevoegdheidsregels die gebaseerd zijn op het beschermingsbeginsel zijn uitgezonderd, met name niet die met betrekking tot arbeidsgeschillen. Deze zouden ook onder de uitzondering moeten worden gebracht. Een minderheid in de Staatscommissie is van oordeel dat schending van de bevoegdheidsregels nimmer grond voor weigering van erkenning behoort op te leveren en pleit dus voor het schrappen van de leden 1 en 2 van art. 28. De Staatscommissie vertrouwt dat hiermee is voldaan aan Uw verzoek inzake mogelijke herzieningen van het Verdrag van Brussel 1968 (EEX) en het Verdrag van Lugano 1988 (EVEX). Teneinde een tijdige voorbereiding door de Nederlandse delegatie mogelijk te maken, is een afschrift van dit advies d.d. heden naar de behandelend ambtenaar van Uw departement, de heer mr F.J.A. van der Velden, gezonden. Namens de Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht tekenen met de meeste hoogachting,
6 - 6 - E.N. Frohn wnd. Secretaris A.V.M. Struycken Voorzitter
4. De voorzieningenrechter heeft bij beschikking van 28 maart 2007 het verzoek van AXA ingewilligd.
Conclusie 07/12652 Mr L. Strikwerda Parket, 5 sept. 2008 conclusie inzake TNT Express Nederland B.V. tegen AXA Versicherung AG Edelhoogachtbaar College, 1. Inzet van deze exequaturprocedure is een vraag
www.asser.nl/cursusaanbod-advocatuur
Cursusaanbod Onderhoud Vakbekwaamheid (PO) voor de advocatuur T.M.C. Asser Instituut 6 dec 2013 IPR Familierecht. Echtscheiding en nevenvoorzieningen inzake boedelscheiding en alimentatie gewezen echtgenoten
Grensoverschrijdende erkenning en tenuitvoerlegging. mr. dr. M. Freudenthal
Grensoverschrijdende erkenning en tenuitvoerlegging mr. dr. M. Freudenthal Sdu Uitgevers Den Haag, 2009 Inhoud Afkortingen / XI Woord vooraf/xiii 1. Historische ontwikkelingen / 1 1.1. Inleiding/l 1.1.1.
BELGISCH INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT
A.J.T. - MEMO'S - nr. 1. BELGISCH INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT Ingrid D'HAEYER Adjunct-hoofdadviseur Juridische Zaken NV KBC Bank INHOUD DEEL I. BELGISCH INTERNATIONAAL PRIVAATRECHTELUK PROCESRECHT Hoofdstuk
HET INTERNATIONAAL PRIVAATRECHTELIJK PROCESRECHT
HET INTERNATIONAAL PRIVAATRECHTELIJK PROCESRECHT Europees internationaal bevoegdheidsrecht Brussel I verordening in burgerlijke en handelszaken (Br I Vo) * Toepassingsgebied Br I Vo - temporeel : rechtsvorderingen
» Samenvatting. JPF 2013/101 Rechtbank Den Haag 22 mei 2013, C/09/416244; ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2361. ( mr. Bellaart mr. Brakel mr.
JPF 2013/101 Rechtbank Den Haag 22 mei 2013, C/09/416244; ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2361. ( mr. Bellaart mr. Brakel mr. Brandt ) [De man] te [woonplaats], hierna: de man, advocaat: mr. C.A. Lucardie te s-gravenhage.
Rechtspraak.nl - Zoeken in uitspraken
Page 1 of 5 LJN: BD7584, Hoge Raad, 07/12596 Datum uitspraak: 07-11-2008 Datum publicatie: 07-11-2008 Rechtsgebied: Civiel overig Soort procedure: Cassatie Inhoudsindicatie: Internationaal privaatrecht.
Productaansprakelijkheid en de consument in het internationaal privaatrecht
Faculteit Rechtsgeleerdheid Universiteit Gent Academiejaar 2009-10 Productaansprakelijkheid en de consument in het internationaal privaatrecht Masterproef van de opleiding Master in de rechten Ingediend
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2014 40 Wet van 22 januari 2014 tot wijziging van de Wet van 2 juli 2003 tot uitvoering van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van de Europese
Europese IPR-verdragen
Hans Van Houtte en Marta Pertegas Sender (red.) Europese IPR-verdragen Acco Leuven / Amersfoort INHOUD Voorwoord Personalia Bronnen die verkort aangehaald worden 9 1. Het toepassingsgebied van de Verdragen
GEWOGEN RECHTSMACHT IN HET IPR. Over forum (non) conveniens en forum necessitatis. mr. F. Ibili
GEWOGEN RECHTSMACHT IN HET IPR Over forum (non) conveniens en forum necessitatis mr. F. Ibili Kluwer - Deventer - 2007 LUST VAN AFKORTINGEN XIII 1 INLEIDING 1 1.1 Verkenning onderzoeksterrein 1 1.2 Afbakening
Hof van Cassatie van België
2 JANUARI 2014 C.12.0463.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.12.0463.N 1. WIBRA BELGIË nv, met zetel te 9140 Temse, Frank Van Dyckelaan 7A, 2. WIBRA HOLDING bv, vennootschap naar Nederlands recht,
Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke en handelszaken
Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen in burgerlijke en handelszaken De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Verlangende gemeenschappelijke bepalingen
Forumshoppen voor een negatieve verklaring voor recht bij een dreigende schadeclaim?
Forumshoppen voor een negatieve verklaring voor recht bij een dreigende schadeclaim? M r. J. S. K o o i j * 1. Inleiding Een partij die een schadeclaim boven haar hoofd heeft hangen heeft een keuze: stilzitten
The Impact of the ECHR on Private International Law: An Analysis of Strasbourg and Selected National Case Law L.R. Kiestra
The Impact of the ECHR on Private International Law: An Analysis of Strasbourg and Selected National Case Law L.R. Kiestra Samenvatting Dit onderzoek heeft als onderwerp de invloed van het Europees Verdrag
COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD
COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Brussel, 17.6.2003 COM(2003) 348 definitief 2003/0127 (CNS) Voorstel voor een BESLUIT VAN DE RAAD waarbij de lidstaten worden gemachtigd in het belang van de Europese
SAMENVATTING EN CONCLUSIE: FORUMKEUZE IN HET NEDERLANDSE INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT
SAMENVATTING EN CONCLUSIE: FORUMKEUZE IN HET NEDERLANDSE INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT 1 Het onderwerp van deze dissertatie is forumkeuze in het internationale privaatrecht op het gebied van burgerlijke
collegebanken Het grensoverschrijdend GAT/LUK en ROCHE Prof. Willem A. Hoyng
Leiden Revisited: een middag terug in de collegebanken Het grensoverschrijdend verbod in IE zaken na GAT/LUK en ROCHE Prof. Willem A. Hoyng Crossborders Historie Tot 1986 Octrooi (IE recht) is geldig voor
Inhoudsopgave. Hoofdstuk 1 Inleiding J 5
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding J 5 1.1 Karakter van het rechtsgebied; grensoverschrijdend 15 1.2 Rechtsverscheidenheid en grensoverschrijdend rechtsverkeer 17 1.3 Internationaal privaatrecht is geen
Raad van de Europese Unie Brussel, 23 september 2014 (OR. en)
Raad van de Europese Unie Brussel, 23 september 2014 (OR. en) Interinstitutioneel dossier: 2014/0021 (E) 12052/14 JUSTCIV 206 WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN Betreft: BESLUIT VAN DE RAAD betreffende
STAATSCOMMISSIE VOOR HET INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT
STAATSCOMMISSIE VOOR HET INTERNATIONAAL PRIVAATRECHT Secretariaat: Spui 186-2511 BW 's-gravenhage tel (070) 3460974 - fax (070) 3625235 - e-mail [email protected] Zijne Excellentie de heer Mr. A.H. Korthals
(Echt)scheiding en internationaal privaatrecht
(Echt)scheiding en internationaal privaatrecht mr. dr. A.R. van Maas de Bie 5e gewijzigde druk S d u U itg ev ers D e n H aag, 2014 Inhoudsopgave Voorwoord / 11 Afkortingenlijst / 17 i ï.i 1.2 1. 2.1 1.2.2
Rechtsmacht volgens de Erfrechtverordening
Rechtsmacht volgens de Erfrechtverordening De Europese Erfrechtverordening in de praktijk Seminar d.d. 8 september 2016 Mr. J.G. (Jan-Ger) Knot Belang 1. Bevoegdheid gerechten tot beslechting grensoverschrijdende
Betreft: conceptwetsvoorstel vereenvoudiging en digitalisering procesrecht in hoger beroep en cassatie
(7) ' 000 111111111111111111111111111111 (.0 1-.^1 21:a. Aan de Minister van Veiligheid en Justitie De heer mr. I.W. Opstelten Postbus 20301 2500 EH DEN HAAG Cr) LA) Den Haag, 27 juni 2014 Dossiernummer:
Eenheid en verdeeldheid in Europa: EEX- Verordening versus CMR en het vrij verkeer van vonnissen
Europees Internationaal Privaatrecht Eenheid en verdeeldheid in Europa: EEX- Verordening versus CMR en het vrij verkeer van vonnissen Mr. P.H.L.M. Kuypers* De EEX-Verordening laat regels in verdragen over
Arbeidshof Antwerpen, tweede kamer, arrest van 12 april 2002
Arbeidshof Antwerpen, tweede kamer, arrest van 12 april 2002 Arbeidsovereenkomst overeenkomst gesloten vóór 1 januari 1988 - bevoegdheid en toepasselijk recht Contrat de travail contrat conclu avant le
Hof van Cassatie van België
1 OKTOBER 2010 C.09.0563.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.09.0563.N D. W. E., eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel,
L. Strikwerda. Inleiding tôt het Nederlandse internationaal privaatrecht. vijfde druk
L. Strikwerda Inleiding tôt het Nederlandse internationaal privaatrecht vijfde druk Wolters-Noordhoff Groningen Inhoud Afkortingen 16 I Inleiding 19 A Begrip en functie van het internationaal privaatrecht
Verdrag inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed
Verdrag inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Geleid door de wens de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel
Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom
COUR DE JUSTICE BENELUX GERECHTSHOF ~ Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom Nadere conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda (stuk A 2005/1/13)
herschikking Brussel I.
Europees internationaal privaatrecht Herschikking Brussel I over Italiaanse torpedo s, de afschaffing van het exequatur en andere wijzigingen in het Europese IPR-procesrecht in burgerlijke en handelszaken
De erkenning en uitvoerbaarverklaring van vreemde rechterlijke beslissingen en akten
De erkenning en uitvoerbaarverklaring van vreemde rechterlijke beslissingen en akten EXEQUATURRECHT Vroeger onduidelijkheid omtrent begrippen art. 22 31 WbIPR geeft definities + moet er een rechtelijke
Europees Economisch en Sociaal Comité ADVIES
Europees Economisch en Sociaal Comité ECO/360 Belastingheffing - Richtlijn moedermaatschappij / dochteronderneming Brussel, 25 maart 2014 ADVIES van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel
WIJ BEATRIX, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
WET van 11 december 1980, houdende uitvoering van het op 18 maart 1970 te 's- Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken WIJ
Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken
Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Verlangend
Datum van inontvangstneming : 16/09/2013
Datum van inontvangstneming : 16/09/2013 Vertaling C-442/13-1 Zaak C-442/13 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 6 augustus 2013 Verwijzende rechter: Oberster Gerichtshof (Oostenrijk)
De arbeidsovereenkomst in internationaal privaatrechtelijk perspectief. Drie kernvragen voor de Nederlandse jurist 1
De arbeidsovereenkomst in internationaal privaatrechtelijk perspectief. Drie kernvragen voor de Nederlandse jurist 1 Z. Even en E. van Kampen* Een Duitse werknemer werkt ten behoeve van een Schots bedrijf
Datum van inontvangstneming : 28/02/2013
Datum van inontvangstneming : 28/02/2013 Vertaling C-45/13-1 Datum van indiening: Zaak C-45/13 Verzoek om een prejudiciële beslissing 28 januari 2013 Verwijzende rechter: Oberste Gerichtshof (Oostenrijk)
COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD
COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Brussel, 20.11.2001 COM(2001) 680 definitief Voorstel voor een BESCHIKKING VAN DE RAAD waarbij de lidstaten worden gemachtigd in het belang van de Europese Gemeenschap
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2011 2012 32 582 EU-voorstel: Verordening jurisdictie, erkenning en afdwinging van rechterlijke uitspraken op civiel en handelsgebied (Brussel I) (COM(2010)748)
Kroniek. 76 T C R 2 0 1 1, n u m m e r 2. IPR-procesrecht
Kroniek IPR-procesrecht In deze kroniek zal aandacht worden besteed aan een aantal arresten van het Hof van Justitie over de uitleg van de EEX- Verordening (PbEG L 12/2001, p. 1; hierna: EEX-Vo). In het
de Rechtspraak Raad voor de rechtspraak Ministerie van Veiligheid en Justitie mr. F. Teeven Postbus 20301 2500 ER DEN HAAG
Ministerie van Veiligheid en Justitie mr. F. Teeven Postbus 20301 2500 ER DEN HAAG Directie Strategie en Ontwikkeling bezoekadres Kneuterdijk 1 2514 EM Den Haag correspondentieadres Postbus 90613 2509
De Rome II-Verordening
tschap eming De Rome II-Verordening Inleiding Sinds het verdrag van Amsterdam op 1 mei 1999 in werking is getreden, behoort het zorg dragen voor de bevordering van de verenigbaarheid van de in de lidstaten
Datum van inontvangstneming : 28/12/2015
Datum van inontvangstneming : 28/12/2015 Vertaling C-618/15-1 Zaak C-618/15 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 23 november 2015 Verwijzende rechter: Cour de cassation (Frankrijk)
ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer) 9 januari 1997 *
ARREST VAN 9.1.1997 ZAAK C-383/95 ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer) 9 januari 1997 * In zaak C-383/95, betreffende een verzoek aan het Hof krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging
Verdrag van Lugano betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
Verdrag van Lugano betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken Ondertekend te Lugano op 30 oktober 2007 Preambule De hoge
15445/1/06 REV 1 wat/hor/mg 1 DG H 2B
RAAD VAN DE EUROPESE UNIE Brussel, 24 november 2006 (01.12) (OR. en) 15445/1/06 REV 1 COPEN 119 NOTA van: het voorzitterschap aan: de Raad nr. vorig doc.: 15115/06 COPEN 114 nr. Comv.: COM(2005) 91 def.
