Sk-15 Koolstofchemie: stoffen en reacties
|
|
|
- Greta Vermeiren
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Auteurs Jan Lutgerink ; Dick Naafs Laatst gewijzigd 28 February 2016 Licentie CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie Webadres Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs Maken van Kennisnet. Wikiwijs Maken is een onderdeel van Wikiwijsleermiddelenplein, hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt, vergelijkt, maakt en deelt.
2 Inhoudsopgave Voor Ipadgebruikers Samenvatting Karakteristieke groepen Overzicht Voorbeelden Halogeenverbindingen Eigenschappen Naamgeving CKF's en Halonen PCB's Dioxinen Pesticiden Alcoholen Naamgeving Methanol Ethanol prim.,sec. en tertiaire alcoholen Meerwaardige alcoholen Fenolen Ethers Aldehyden en ketonen Alkanalen Alkanonen Carbonzuren Meerwaardige alkaanzuren Vetzuren Esters Oliën en vetten Aminen Aminozuren Reacties koolstofverbindingen Additiereacties Additie van halogenen Additie aan benzeen Pagina 1
3 Additie van waterstof en water Additiepolymerisatie Additie aan aldehyden en ketonen Substitutiereacties Radicaalsubstitutie Nucleofiele substitutie Zuur-basereacties Aminen en pyridine Aminozuren Condensatiereacties Vorming esters, ethers, amiden Condensatiepolymerisatie Hydrolysereacties Verzeping Zeep en werking van zeep Redoxreacties Koolstofverbindingen als reductor Herkenningsreactie van aldehyden Koolstofverbindingen als oxidator TOETS Over dit lesmateriaal Pagina 2
4 Voor Ipadgebruikers In dit arrangement zijn twee animaties opgenomen die alleen werken onder Adobe Shockwave Player. Dit bestand kun je downloaden bij gebruik van een desktopcomputer. Als de Adobe Shockwave player is gedownload, verschijnt alsnog een venster waarin toestemming wordt gevraagd om de plug-in uit te voeren. Hierop rechter muisknop indrukken en kiezen voor Deze plug-in uitvoeren. Pagina 3
5 Samenvatting Dit arrangement is aangepast aan de Nomenclatuurregels conform de nieuwe examenprogramma's van Havo (2015) en Vwo (2016). Koolstofverbindingen kunnen we indelen in verschillende klassen. Zo onderscheiden we koolwaterstoffen, die uitsluitend bestaan uit koolstofatomen en waterstofatomen. We beschreven ze in thema 6 (Koolwaterstoffen): Koolstofverbindingen waarin - naast waterstofatomen - ook andere atomen voorkomen, delen we in naar de zogenaamde karakteristieke groep. Karakteristieke groepen zijn atomen of atoomgroepen die in de plaats kunnen komen van een of meer waterstofatomen aan de koolstofketen. Karakteristieke groepen Door het invoeren van karakteristieke groepen ontstaan nieuwe soorten verbindingen met fysische en chemische eigenschappen die kenmerkend zijn voor de karakteristieke groep. Karakteristieke groepen bepalen dus ook de reacties waaraan een verbinding kan deelnemen. In dit thema beschrijven we de belangrijkste karakteristieke groepen en gaan we in op de belangrijkste reacties die we met koolstofverbindingen kunnen uitvoeren. Pagina 4
6 Karakteristieke groepen Karakteristieke groepen zijn atomen of atoomgroepen die in de plaats kunnen komen van een of meer waterstofatomen aan een koolstofketen. Door het invoeren van karakteristieke groepen ontstaan nieuwe soorten verbindingen met fysische en chemische eigenschappen die kenmerkend zijn voor de karakteristieke groep. Karakteristieke groepen bepalen dus ook de reacties waaraan een verbinding kan deelnemen. Belangrijke karakteristieke groepen in koolstofverbindingen. We geven eerst een overzicht van de belangrijkste karakteristieke groepen, waarmee we de vele koolstofverbindingen kunnen classificeren. Per karakteristieke groep laten we wat voorbeelden zien. Vervolgens geven we van elke karakteristieke groep een wat gedetailleerdere beschrijving. Overzicht De belangrijkste karakteristieke groepen, waarmee we de vele koolstofverbindingen kunnen classificeren, zijn: Voorbeelden In het vervolg van dit thema laten we de volgende klassen verbindingen aan de orde komen: halogeenverbindingen, alcoholen, ethers, aldehyden, ketonen, carbonzuren, esters en aminen. We geven van elke klasse een paar voorbeelden om een indruk te geven van de verscheidenheid aan verbindingen. Pagina 5
7 Halogeenalkanen: alkaanmoleculen, waarin één of meer waterstofatomen zijn vervangen door halogeenatomen. Voorbeelden: Alcoholen: koolwaterstoffen waarin een waterstofatoom is vervangen door een -OH groep. De plaatsaanduiding van de karakteristieke groep is onmiddellijk voor de naam van de karakteristieke groep. Voorbeelden: Ethers: koolwaterstoffen waarin waterstofatoom is vervangen door een - O - alkyl groep. Voorbeelden: Aldehyden: bevatten een dubbel gebonden O aan een primair C-atoom. Aangezien bij een aldehyde de dubbel gebonden altijd eindstandig zit, is dit koolstofatoom altijd nummer 1! Voorbeelden: Pagina 6
8 Ketonen: bevatten een dubbel gebonden O aan een secundair C-atoom. De plaatsaanduiding van de karakteristieke groep is onmiddellijk voor de naam van de karakteristieke groep. Voorbeelden: Bij propanon en butanon wordt in de naam geen -2- vermeld, omdat de dubbele binding altijd op koolstofatoom 2 zit, de plaatsaanduiding is hier overbodig! Carbonzuren: bevatten een - COOH groep. Het koolstofatoom van de -COOH groep al tijd nummer 1! Voorbeelden: Aminen: koolwaterstoffen waarin een H-atoom is vervangen door een - NH2 groep. De plaatsaanduiding van de karakteristieke groep is onmiddellijk voor de naam van de karakteristieke groep. Voorbeelden: Esters: bevatten een - COO-alkylgroep. Voorbeelden: Pagina 7
9 Halogeenverbindingen De halogenen F, Cl, Br en I komen zelden voor in organische verbindingen van levende cellen. Een voorbeeld waarbij dat wel het geval is, is het jood-houdende hormoon thyroxine (schildklierhormoon). Een aantal medicijnen bevat een of meer halogeenatomen en vele industriële en in de landbouw toegepaste verbindingen zijn halogeenverbindingen. Voor zover men heeft kunnen nagaan zijn verreweg de meeste halogeenverbindingen schadelijk; vele zijn kankerverwekkend. Alle toegepaste halogeenverbindingen worden synthetisch gemaakt (zie 'Additiereacties' en 'Substitutiereacties' in de paragraaf 'Reacties van koolstofverbindingen'). Vaak kom je de term gehalogeneerde koolwaterstoffen tegen. Dit zijn koolwaterstoffen waarin meestal meerdere H-atomen zijn vervangen door halogeenatomen. Enkele bekende voorbeelden zijn: trichloormethaan (chloroform), een oplosmiddel; monobroommethaan (methylbromide), grondontsmettingsmiddel; dichloordifluormethaan, koelvloeistof (een van de zogenaamde CFK s); broomchloordifluormethaan, blusvloeistof (een van de zogenaamde halonen); monochlooretheen of vinylchloride, grondstof voor polyvinylchloride (PVC); tetrafluoretheen, grondstof voor Teflon; 2-broom-2-chloor-1,1,1-trifluorethaan of halothaan, narcosemiddel. De CFK s en halonen rekenen we meestal tot een aparte klasse gehalogeneerde koolwaterstoffen. Andere klassen bekende (of beruchte) halogeenverbindingen zijn de PCB s en de dioxinen. Verschillende pesticiden behoren ook tot de halogeenverbindingen. Eigenschappen De brandbaarheid van gehalogeneerde koolwaterstoffen neemt snel af met het aantal halogeenatomen. Dus hoe meer halogeenatomen een verbinding bevat, hoe minder brandbaar die verbinding is. Aangezien gehalogeneerde koolwaterstoffen geen waterstofbruggen kunnen vormen, zijn ze onoplosbaar in water en alleen oplosbaar in apolaire oplosmiddelen. Pagina 8
10 Naamgeving De halogenen die aan een koolstofketen zijn gebonden, zetten we met naam en plaats aan de keten vóór de ketennaam van de verbinding, in alfabetische volgorde. Komt er meer dan één atoom van hetzelfde halogeen in een molecuul voor dan geven we dit aantal aan met een numeriek voorvoegsel. 3-broom-1,1-dichloorpropaan, want: broom komt voor chloor en zo laag mogelijke nummering. 2-broom-4-chloorpent-2-een, want: dubbele binding krijgt het laagste nummer (plaatsaanduiding direct voor het deel van de functionele naam waarop het betrekking heeft) en broom komt voor c hloor. 2,3-dibroom-4-chloorbutaan-1-ol, want: OH staat in tabel 66B boven de halogenen dus wordt het achtervoegsel -ol en krijgt dit tevens het laagste nummer (plaatsaanduiding direct voor het deel van de functionele naam waarop het betrekking heeft). Verder komt broom voor chloor. CKF's en Halonen CFK s Chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK s), soms ook freonen genoemd, is een verzamelnaam voor volledig gehalogeneerde verbindingen die bestaan uit een koolstofskelet van één of twee koolstofatomen waaraan chloor- en fluoratomen zijn gebonden. Het zijn vluchtige verbindingen met een grote thermische en chemische stabiliteit; ze zijn onoplosbaar in water. CFK s zijn niet giftig en hebben een zwakke geur. Ze werden gebruikt als drijfgas in spuitbussen, in isolatieschuim, als blus- en ontvettingsmiddel en als koelmiddel. De meest gebruikte CFK s zijn CCl3F (CFK-11) en CCl2F2 (CFK-12). Halonen Halonen zijn verwante verbindingen die ook broom bevatten en vooral worden gebruikt in brandblusapparatuur. De belangrijkste commerciële halonen zijn CClF2Br (halon-1211) en CF3 Br (halon-1301). Milieuproblemen In verband met de milieuproblemen die CFK s en halonen veroorzaken (aantasting van de ozonlaag in de stratosfeer en bijdrage aan het versterkt broeikaseffect) zijn ze inmiddels grotendeels vervangen door andere stoffen. Pagina 9
11 PCB's Polychloorbifenylen (PCB s) zijn een complex mengsel van verbindingen die een groot aantal chlooratomen bevatten. Bifenyl is een molecuul dat bestaat uit twee benzeenringen aan elkaar. Door reactie met chloor in aanwezigheid van een katalysator, zoals FeCl3, kunnen een of meer waterstofatomen aan de benzeenringen worden vervangen door chloor. Dit is een substitutiereatie. FeCl3 C6H6 + Cl > C6H5Cl + HCl chloorbenzeen Reactiemechanisme Polychloorbifenylen (PCB) worden synthetisch bereid door chloorgas te leiden door bifenyl. Hierdoor ontstaan twee aan elkaar gekoppelde benzeenkernen, waarin waterstofatomen zijn vervangen door chlooratomen (dit kan variëren van een tot tien atomen). Hierdoor verschilt niet alleen de structuur maar ook de giftigheid (toxiteit). De chemische formule voor een PCB is C12H10-xCLx. PCB's zijn olie-achtig, als er meer chlooratomen aanwezig zijn worden ze harsachtig en visceus. De stoffen zijn slecht oplosbaar in water, bestendig tegen hoge temperaturen, hebben een lage brandbaarheid, zijn goed oplosbaar in organische oplosmiddelen en zijn vrij resistent tegen agressieve chemicaliën. PCB s zijn schadelijk voor mens en dier. Doordat zij nauwelijks biologisch afbreekbaar zijn, hopen zij zich op in voedselketens. Dioxinen De bekendste van de dioxinen is TCDD, een afkorting van de systematische naam: 2,3,7,8TetraChloorDibenzo-p-Dioxine. Deze stof duiden we meestal kortweg aan met 'dioxine', maar eigenlijk is dit een soortnaam. Dioxinen kunnen ontstaan bij verbranding van chloorhoudende stoffen, zoals PVC, en in bepaalde industriële processen. Dioxinen zijn net als PCB s zeer bestendig en biologisch niet afbreekbaar. Wegens de extreem hoge giftigheid van dioxinen kunnen sporen ervan reeds schadelijk zijn. Pagina 10
12 2,3,7,8 tetrachloordibenzo-p-dioxine Pesticiden Een groep verbindingen die juist wordt gemaakt wegens hun giftigheid zijn pesticiden: middelen ter bestrijding van onkruid, ongedierte, schimmels, enzovoort. Pesticiden zijn lang niet altijd halogeenverbindingen, maar een aantal wel. Een bekend voorbeeld is DDT, dat werd gebruikt ter bestrijding van onder andere malariamuggen. Twee andere voorbeelden zijn lindaan en pentachloorfenol, die als schimmelwerend middel in producten voor houtveredeling en beits worden gebruikt. Dieldrin bron: Wikipedia Pagina 11 DDT bron: Wikipedia
13 Alcoholen Alcoholen zijn verbindingen met de karakteristieke groep OH (hydroxy-groep) aan het koolstofskelet. De OH-groep is een van de meest voorkomende karakteristieke groepen in organische moleculen van natuurlijke oorsprong. Wanneer in een alkaan een H-atoom is vervangen door een OH-groep heet de alcohol een alkanol. De alkanolen vormen een (belangrijke) subgroep van de alcoholen. De bekendste en meest toegepaste alkanol is ethanol. We onderscheiden drie verschillende typen alcoholen: primaire, secundaire en tertiaire alcoholen. Er bestaan ook meerwaardige alcoholen, verbindingen met twee of meer OH-groepen aan het koolstofskelet. Een apart soort alcoholen zijn de fenolen : verbindingen waarbij een OH-groep direct gebonden is aan een C-atoom van een aromatische ring. Een overzicht van alkanolen: Algemene formule van een alkanol: CnH2n+1OH of R-OH (chemici gebruiken vaak de letter R om een alkylgroep aan te duiden). Naamgeving Naamgeving De naam van een alcohol is samengesteld uit de hoofdketennaam met de uitgang -ol. De plaats van de OH-groep aan de keten geven we aan met een zo laag mogelijk plaatsnummer. Komt er meer dan één OH-groep in een molecuul voor, dan geven we dit aantal aan met numerieke voorvoegsels voor de uitgang -ol. Als een andere karakteristieke groep de hoofdgroep is gebruiken we het voorvoegsel hydroxy-. De karakteristieke groep die in tabel tabel 66B het hoogst staat, is de hoofdgroep. Pagina 12
14 Eigenschappen Zoals vrijwel alle organische verbindingen zijn ook alcoholen (goed) brandbaar. Door de aanwezigheid van de H-brugvormende OH-groep in het molecuul hebben de alkanolen relatief hoge kookpunten. Eveneens hierdoor hebben de lagere termen een uitgesproken hydrofiel karakter en mengen goed met water (zie het thema 'Moleculaire stoffen'). Methanol Methanol is het eenvoudigste alcohol. Het is een licht, vluchtige, kleurloze, brandbare vloeistof met een kenmerkende geur zeer vergelijkbaar met, maar iets zoeter dan, ethanol. Bij kamertemperatuur is het een (polaire) vloeistof en wordt gebruikt als antivries, oplosmiddel, brandstof, en als een denatureringsmiddel - toevoegingsmiddel voor ethanol vervaardigd voor industrieel gebruik deze toevoeging van methanol verleent vrijstelling voor industriële ethanol uit accijnzen voor sterke drank. Methanol wordt in de industrie gebruikt als oplosmiddel en als uitgangspunt voor synthesen. Bij inwendig gebruik kan methanol blindheid veroorzaken. Methanol wordt o.a. gemaakt uit aardgas (hoofdzakelijk methaan) en stoom en over een nikkelkatalysator geleid, waarbij stoom in overmaat aanwezig is in een verhouding van 3:1. Aardgas wordt dan gekraakt bij ongeveer 840 C: CH4(g) + H2O(g)? CO(g) + 3H2(g) Een deel van het gevormde koolstofmonoxide reageert verder met de stoom: CO(g) ) + H2O(g)? CO2(g) + H2(g) Pagina 13
15 Deze reacties zijn hoofdzakelijk endotherm. Dit synthesegas wordt vervolgens gecomprimeerd tot 100 bar en over een koper-katalysator geleid. De hoge druk is nodig om het evenwicht van de reacties te verschuiven naar rechts (principe van Le Châtelier). Hierdoor reageren koolstofmonoxide en waterstofgas met elkaar tot methanol: CO(g) + 2 H2(g)? CH3OH(g) Een alternatieve reactie is deze tussen koolstofdioxide en waterstofgas: CO2(g) + 3H2(g)? CH3OH(g) + H2O(g) Deze reacties zijn hoofdzakelijk exotherm. De ontstane ruwe methanol wordt via destillatie gezuiverd, waarbij de nevenproducten water, alkanen en ethanol verwijderd worden. Methanol is alom vertegenwoordigd in het milieu: het ontstaat in de anaërobe metabolisme van vele soorten bacteriën. Als gevolg daarvan is er een kleine fractie van methanoldamp in de atmosfeer. Methanol in de atmosfeer wordt geoxideerd met behulp van zonlicht en omgezet in koolstofdioxide en water. 2 CH3OH(g) + 3 O2(g)? 2 CO2(g) + 4 H2O(g) Bron: Wikipedia Ethanol De bekendste en meest toegepaste alkanol is ethanol, beter bekend onder de naam alcohol (alcoholhoudende dranken bevatten ethanol). Ethanol gebruiken we onder andere als desinfectans, als oplosmiddel, als component van motorbrandstof en van reinigingsmiddelen (spiritus) en als uitgangsstof bij de synthese van onder meer azijnzuur (zie 'redoxreacties') en ether (zie 'Condensatiereacties'). De twee belangrijkste productieprocessen voor ethanol zijn: vergisting van glucose hydratatie van etheen in aanwezigheid van een katalysator (zie 'Additiereacties'). Pagina 14
16 prim.,sec. en tertiaire alcoholen Primaire, secundaire en tertiaire alcoholen We onderscheiden drie verschillende typen alcoholen: primaire alcoholen: er is slechts één koolstofatoom aan het OH-dragende koolstofatoom gebonden (primaire alcoholen bevatten dus een CH2OH-groep: bijvoorbeeld propaan-1ol); secundaire alcoholen: er zijn twee koolstofatomen aan het OH-dragende koolstofatoom gebonden (secundaire alcoholen bevatten dus een CHOH-groep: bijvoorbeeld propaan-2ol); tertiaire alcoholen: er zijn drie koolstofatomen aan het OH-dragende koolstofatoom gebonden (tertiaire alcoholen bevatten dus een COH-groep: bijvoorbeeld 2methylpropaan-2-ol). Pagina 15
17 Meerwaardige alcoholen Er bestaan ook meerwaardige alcoholen, verbindingen met meer dan één OH-groep aan het koolstofskelet. Het eenvoudigste alkaandiol is ethaan1,2-diol (triviale naam glycol). Glycol gebruiken we onder meer als antivries in het koelwater van auto s en als grondstof voor plastics. Het wordt onder andere gemaakt uit etheen. propaan-1,2,3-triol (triviale namen glycerol en glycerine) is een alkaantriol. Glycerol gebruiken we onder andere veel in cosmetica en voor tandpasta. Glycerol wordt voornamelijk gewonnen uit eetbare vetten en oliën. Fenolen Fenolen zijn moleculen met een OH-groep direct gebonden aan een C-atoom van een aromatische ring. Fenolen hebben een aantal eigenschappen gemeen met de alcoholen, maar vertonen ook afwijkende eigenschappen. In tegenstelling tot alcoholen is fenol ook een zwak zuur: het H-atoom van de OH-groep kan als H+ afsplitsen. De eenvoudigste aromatische alcohol is benzenol (C6H5OH), benzeen met een OH-groep. Gewoonlijk wordt de triviale naam fenol gebruikt. Fenol is een belangrijke grondstof voor medicijnen, verf- en kunststoffen. Het wordt bereid uit benzeen, dat uit aardolie wordt gewonnen. Fenol is erg giftig. Pagina 16
18 Naamgeving De regels met betrekking tot de nummering en alfabetische plaatsing van de substituenten in de naam is nog steeds hetzelfde: zo laag mogelijk nummeren en in naam de substituenten op volforde van het alfabet plaatsen. De -OH groep bij de fenolen krijgt automatisch nummer 1! Pagina 17
19 Pagina 18
20 Ethers Ethers zijn verbindingen met een zuurstofatoom in de koolstofketen. De karakteristieke groep is de ethergroep: C-O-C. We spreken van alkoxyalkanen indien de keten verder uitsluitend alkylgroepen bevat: R-O-R. De alkoxygroep is op te vatten als een alkylgroep die met een zuurstofatoom aan de hoofdketen is gebonden. Alkoxyalkanen vormen een subgroep van de ethers. Ethoxyethaan (triviale naam ether) is de bekendste en meest toegepaste ether. Naamgeving In de naamgeving kiezen we de langste koolstofketen als hoofdketen. Achter de kortste alkylgroep die aan het zuurstofatoom is gebonden, voegen we het achtervoegsel oxy toe. Deze noemen we dan voor de naam van de langste keten die aan het zuurstofatoom is gebonden. Isomerie Alkoxyalkanen hebben dezelfde molecuulformule als alkanolen, het zijn structuurisomeren van elkaar (zie het thema 'Stereochemie'). Bijvoorbeeld ethanol en methoxymethaan hebben allebei de molecuulformule C2H6O. Pagina 19
21 Eigenschappen Door het ontbreken van een H-brugvormende groep in het molecuul hebben ethers relatief lage kookpunten en een uitgesproken hydrofoob karakter. Alkoxyalkanen zijn dikwijls vluchtige en zeer brandbare stoffen. Ze zijn chemisch gezien vrij inert en worden daarom vaak gebruikt als (apolair) oplosmiddel. Pagina 20
22 Aldehyden en ketonen Een aldehyde is een verbinding met een koolstofskelet waarin de karakteristieke groep -CHO voorkomt: Uitgebreide animatie over aldehyden en ketonen. (Voor deze animatie is Adobe Shockwave Player nodig.) Ketonen Een keton is een verbinding met een koolstofskelet waarin de karakteristieke groep C=O voorkomt: Pagina 21
23 Het zuurstofatoom is aan een secundair koolstofatoom gebonden; de carbonylgroep is dus tussen twee koolstofatomen ingesloten. Alkanalen Het bekendste alkanal is methanal. Het heeft als triviale naam formaldehyde. Het is bij kamertemperatuur gasvormig, heeft een erg irriterend en duidelijke geur en is redelijk oplosbaar in water. In water opgelost methanal noemen we formaline. Formaline wordt gebruikt als conserveermiddel voor organen. Een andere toepassing van formaldehyde is als grondstof voor ureumformaldehydelijm. Spaanplaat bevat deze lijmsoort. Naamgeving De naam van een aldehyde eindigt op 'al'. Alkanen met deze groep noemen we alkanalen : R - CHO. Pagina 22
24 Alkanonen Het bekendste alkanon is propanon, meestal aceton genoemd. Aceton is een vluchtige vloeistof met een frisse geur. Het is in alle verhoudingen mengbaar met water en wordt vaak gebruikt als oplosmiddel voor lakken, vernissen, kunststoffen (bijvoorbeeld PVC), vetten en kleefstoffen. Voor het oplossen van nagellak wordt ook vaak aceton gebruikt. Naamgeving De naam van een keton eindigt op 'on'. De keten wordt zo genummerd dat de dubbel gebonden O een zo laag mogelijk plaatsnummer krijgt. De eenvoudigste ketonen zijn de alkanonen, R-CO-R', waarbij R en R' alkylgroepen zijn. Pagina 23
25 Pagina 24
26 Carbonzuren In planten, plantaardige producten, in dieren en dierlijke producten en in het menselijk lichaam komen veel carbonzuren voor. De eenvoudigste carbonzuren zijn de alkaanzuren. Deze kunnen we afgeleid denken van een alkaan waarvan een H-atoom is vervangen door een -COOH groep. Er bestaan ook meerwaardige alkaanzuren, verbindingen met twee of meer COOH-groepen. Carbonzuren met een lange koolstofketen (6 tot 20 koolstofatomen), noemen we vetzuren. Alkaanzuren De alkaanzuren vormen een (belangrijke) subgroep van de carbonzuren. Algemene formule van een alkaanzuur: R-COOH (R is een alkylgroep). Een aantal alkaanzuren Naamgeving In de naamgeving tellen we het C-atoom van de karakteristieke groep op bij de hoofdketen en gebruiken we het achtervoegsel -zuur. Het koolstofatoom van de COOH-groep is altijd nummer 1 van de keten. Bij de naamgeving is de carbonzuurgroep altijd de hoofdgroep en bepaalt de uitgang in de naam van het molecuul. De andere karakteristieke groepen verschijnen dan als voorvoegsel in de naam. Als aan een keten drie of meer -COOH groepen zitten of wanneer de - COOH groep zich bevindt aan een ringsysteem, gebruiken we het achtervoegsel -carbonzuur. 'Carbo' in de naam geeft aan dat we het C-atoom van de karakteristieke groep dan niet rekenen bij de hoofdketen. Veel carbonzuren zijn bekend onder hun triviale naam. Eigenschappen De kookpunten van carbonzuren zijn relatief hoog door het optreden van H-bruggen tussen de carbonzuurgroepen van verschillende moleculen. Door het vormen van H-bruggen zijn de 'lagere' carbonzuren goed oplosbaar in water. Carbonzuren zijn zwakke zuren: het H-atoom van de COOH-groep kan als H+ afsplitsen (zie het thema 'Zuren en basen'). Mierenzuur (methaanzuur) wordt in rode mieren en brandnetels gevormd. Azijnzuur (ethaanzuur) is het oudst bekende zuur en ook tegenwoordig nog het belangrijkste alkaanzuur. Pagina 25
27 Zuiver azijnzuur stolt in een koele omgeving (smeltpunt 16,6 oc) tot een ijsachtige, vaste stof; het wordt daarom ook wel ijsazijn genoemd. Boterzuur (butaanzuur) is aanwezig in ranzige boter, in boterbloemen en in transpiratievocht. De onaangename geur wordt veroorzaakt door het aanwezige boterzuur. Een carbonzuur is een verbinding met een koolstofskelet waarin de karakteristieke carbonzuurgroep voorkomt: In planten, plantaardige producten, in dieren en dierlijke producten en in het menselijk lichaam komen veel carbonzuren voor. De eenvoudigste carbonzuren zijn de alkaanzuren. Deze kunnen we afgeleid denken van een alkaan waarvan een H-atoom is vervangen door een COOH groep. Er bestaan ook meerwaardige alkaanzuren, verbindingen met twee of meer COOH-groepen. Carbonzuren met een lange koolstofketen (6 tot 20 koolstofatomen), noemen we vetzuren. De alkaanzuren vormen een (belangrijke) subgroep van de carbonzuren. Algemene formule van een alkaanzuur: R-COOH (R is een alkylgroep). Naamgeving In de naamgeving tellen we het C-atoom van de karakteristieke groep op bij de hoofdketen en gebruiken we het achtervoegsel -zuur. Het koolstofatoom van de COOH-groep is altijd nummer 1 van de keten. Bij de naamgeving is de carbonzuurgroep altijd de hoofdgroep en bepaalt de uitgang in de naam van het molecuul. De andere karakteristieke groepen verschijnen dan als voorvoegsel in de naam. Als aan een keten drie of meer -COOH groepen zitten of wanneer de - COOH groep zich bevindt aan een ringsysteem, gebruiken we het achtervoegsel carbonzuur. 'Carbo' in de naam geeft aan dat we het C-atoom van de karakteristieke groep dan niet rekenen bij de hoofdketen. Veel carbonzuren zijn bekend onder hun triviale naam. Pagina 26
28 Eigenschappen De kookpunten van carbonzuren zijn relatief hoog door het optreden van H-bruggen tussen de carbonzuurgroepen van verschillende moleculen. Door het vormen van H-bruggen zijn de 'lagere' carbonzuren goed oplosbaar in water. Carbonzuren zijn zwakke zuren: het H-atoom van de COOH-groep kan als H+ afsplitsen (zie het thema 'Zuren en basen'). Mierenzuur (methaanzuur) wordt in rode mieren en brandnetels gevormd. Azijnzuur (ethaanzuur) is het oudst bekende zuur en ook tegenwoordig nog het belangrijkste alkaanzuur. Zuiver azijnzuur stolt in een koele omgeving (smeltpunt 16,6 oc) tot een ijsachtige, vaste stof; het wordt daarom ook wel ijsazijn genoemd. Boterzuur (butaanzuur) is aanwezig in ranzige boter, in boterbloemen en in transpiratievocht. De onaangename geur wordt veroorzaakt door het aanwezige boterzuur. Meerwaardige alkaanzuren Meerwaardige alkaanzuren Alkaandizuren zijn alkanen met twee COOH-groepen. Oxaalzuur (ethaandizuur) komt onder andere voor in rabarber en zuring en wordt daarom ook wel zuringzuur genoemd. Appelzuur (2-hydroxybutaandizuur) komt voor in appels. De vettige laag op de schil van appels bestaat uit alkanen met 27 en 29 koolstofatomen. Citroenzuur (2-hydroxy-1,2,3-propaantricarbonzuur) is een verbinding met drie COOH groepen. Pagina 27
29 Vetzuren Vetzuren De 'hogere' carbonzuren, carbonzuren met een lange koolstofketen (6 tot 20 koolstofatomen), noemen we vetzuren. Ze vormen de hoofdbestanddelen van verbindingen die vet of olie worden genoemd (zie 'Esters'). Als de koolwaterstofketen alleen enkelvoudige bindingen bevat spreken we van een verzadigd vetzuur. Komen in de koolwaterstofketen één of meer dubbele bindingen voor dan spreken we van een onverzadigd vetzuur (zie ook BINAS tabel 67B). Pagina 28
30 Esters Esters zijn verbindingen met een koolstofskelet waarin de karakteristieke estergroep -COOvoorkomt. Ze kunnen ontstaan door reactie van een carbonzuur met een alcohol. Esters komen veel in de natuur voor, ze hebben vaak aangename bloemen- en vruchtengeuren. De eenvoudigste voorbeelden van esters zijn de alkylalkanoaten. Een aparte groep esters zijn de oliën en vetten. Alkylalkanoaten Een alkylalkanoaat kunnen we opvatten als een alkaanzuur (R-COOH) waarvan het aterstofatoom van de zuurgroep is vervangen door een alkylgroep (R'). Algemene formule: RCOOR'. De estervorming: Naamgeving Bij de naamgeving van de esters is er keuze. Ethylethanoaat noemen we ook wel de ethylester van ethaanzuur of de ester van ethanol en azijnzuur. Met een diol kan een di-ester ontstaan, met een triol een tri-ester. Voorbeelden van mono-esters: Pagina 29
31 Eigenschappen Pagina 30
32 Bron: McMurry & Fay, Chemistry Vorming van esters en hydrolyse van esters. kn.nu/wwa825aa2 (youtu.be) Oliën en vetten Pagina 31
33 Belangrijke natuurlijk voorkomende esters zijn plantaardige en dierlijke oliën en vetten. Veruit de meeste (eetbare) oliën en vetten zijn tri-esters van glycerol en verschillende carbonzuren of vetzuren; ze worden daarom ook vaak triglyceriden genoemd. Namen en formules van vetzuren Vetten hebben de volgende algemene structuur: Als slechts een type vetzuur aanwezig is, zoals in bovenstaande structuur, spreken we van een 'eenvoudig triglyceride'; als twee of drie verschillende vetzuren aanwezig zijn, spreken we van 'gemengde triglyceriden'. Oliën zijn, per definitie, bij kamertemperatuur vloeibaar en worden gekenmerkt door een relatief hoog gehalte aan onverzadigde vetzuurresten. Vetten zijn bij kamertemperatuur vast; ze bestaan voor een belangrijk deel uit esters van verzadigde vetzuren. De meest voorkomende vetzuren in oliën en vetten zijn: stearinezuur, palmitinezuur, oliezuur, linolzuur, linoleenzuur en arachidonzuur (zie BINAS tabel 67B). Pagina 32
34 Percentuele vetzuursamenstelling van bekende vetten en oliën Enkele voorbeelden van esters van glycerol: Soorten vetzuren Het lichaam heeft elke dag vetten nodig. Bij een gezond eetpatroon komt tussen de 20 en 40% van de dagelijkse calorieën uit vet. Vetten zijn een belangrijke bron van de vitamines A, D en E en essentiële vetzuren. Maar niet alle vetten zijn hetzelfde. Een vet bestaat uit 'triglyceriden'. Eén vetmolecuul, een 'triglyceride', is een ester die bestaat uit een glycerolmolecuul met daaraan gekoppeld drie vetzuren. Deze vetzuren zijn er in twee vormen: verzadigde vetzuren en onverzadigde vetzuren. Onverzadigde vetzuren zijn op te delen in enkelvoudig onverzadigde vetzuren (EOV) en meervoudig onverzadigde vetzuren (MOV). Enkelvoudig verwijst naar het voorkomen van één dubbele binding in de scheikundige structuur van het vet, meervoudig verwijst naar het voorkomen van meer dubbele bindingen. Onverzadigde vetzuren kunnen voorkomen in de cis-variant en in de trans-variant, al worden in de praktijk vaak met onverzadigde vetzuren alleen de cis-varianten van onverzadigde vetzuren bedoeld. Transonverzadigde vetzuren worden in de praktijk meestal afgekort tot transvetzuren Pagina 33
35 Essentiële vetzuren Essentiële vetzuren zijn meervoudig onverzadigde vetzuren, die niet door ons lichaam gemaakt kunnen worden. Deze vetzuren moeten daarom in de voeding voorkomen. Essentiële vetzuren zijn vitale onderdelen bij de productie van hormonen in het lichaam. Deze vetzuren staan momenteel volop in de belangstelling, met name de omega-3 vetzuren. Hiertoe behoren alfa-linoleenzuur (ALA) uit plantaardige oliën en de vetzuren EPA en DHA uit vis. (In het lichaam kan ALA omgezet worden in EPA en DHA maar dit gebeurt slechts in geringe mate.) Naast de omega-3 vetzuren kennen we ook omega-6 vetzuren. De meest bekende hiervan is het essentiële linolzuur uit plantaardige oliën. Vloeibaar of vast Triglyceriden die (in het land van oorsprong) vloeibaar zijn bij kamertemperatuur worden oliën genoemd. Oliën bevatten veel onverzadigde vetzuren. Deze hebben een laag smeltpunt waardoor ze vloeibaar zijn bij kamertemperatuur. Verzadigde vetzuren en transvetzuren hebben daarentegen een hoog smeltpunt en zijn daardoor vast bij kamertemperatuur. De functionele eigenschappen van een triglyceride worden bepaald door de chemische eigenschappen (zoals ketenlengte, aantal dubbele bindingen en de locatie van de dubbele binding op de koolwaterstofketen) en de fysische eigenschappen (zoals smeltpunt) van de desbetreffende vetzuren. De chemische en fysische eigenschappen van het uiteindelijke vet of de olie worden bepaald door de vetzuren die het meest in het vet of de olie aanwezig zijn. Bijvoorbeeld als een vet hoofdzakelijk verzadigde vetzuren of transvetzuren bevat, dan bepalen deze vetzuren de chemische en fysische eigenschappen van het vet en zal het bij kamertemperatuur vast zijn. Bron: uit 'VETTE FEITEN' van het Productschap Margarine. Pagina 34
36 Vetten en oliën in ons voedsel. kn.nu/ww1a62185 (youtu.be) Pagina 35
37 Aminen Aminen zijn koolstofverbindingen die als het ware afgeleid zijn van ammoniak. We onderscheiden primaire secundaire en tertiaire aminen. Bij primaire aminen is één H-atoom in NH3 vervangen door een alkylgroep, bij secundaire en tertiaire aminen zijn respectievelijk twee en drie H-atomen vervangen door alkylgroepen. Ook bestaan quaternaire ammoniumverbindingen. Hierbij is het stikstofatoom gebonden aan vier verschillende alkylgroepen en heeft een positieve lading. Naamgeving De naam van een aminen is samengesteld uit de naam van het alkaan met de uitgang 'amine'. Komt er meer dan één dezelfde keten aan het stikstofatoom in een molecuul voor dan geven we dit aantal aan met een numeriek voorvoegsel. Als in een primair amine een andere karakteristieke groep de hoofdgroep is, gebruiken we het voorvoegsel 'amino-' van aminogroep (NH2-groep). Bijvoorbeeld: De aminogroep komt ook voor in aminozuren. Dat zijn koolstofverbindingen waarvan de moleculen als karakteristieke groepen zowel een amino- als een carbonzuurgroep bezitten. Eigenschappen Pagina 36
38 Voorbeelden van naamgeving bij aminen. Aminozuren Ofschoon er oneindig veel verschillende aminozuren denkbaar zijn, komen er slechts twintig verschillende voor in natuurlijke eiwitten. Deze twintig essentiële aminozuren verschillen alleen in de restgroep R (zie BINAS tabel 67C). Aminozuren hebben de bijzonderheid dat de moleculen zowel een zure als een basische groep bezitten: het zijn dus amfolyten (zie 'Zuur-basereacties' in de paragraaf 'Reacties van koolstofverbindingen'). Aminozuren Aminozuren zijn de bouwstenen van eiwitten. De algemene formule van de biologisch belangrijke aminozuren is: Pagina 37
39 Pagina 38
40 Reacties koolstofverbindingen De aanwezigheid van één of meer karakteristieke groepen in een molecuul is in hoge mate bepalend voor de reacties waaraan een verbinding kan deelnemen. We gaan in op een aantal reacties die we met koolstofverbindingen kunnen uitvoeren: substitutiereacties, additiereacties, zuur-basereacties, condensatiereacties, hydrolysereacties en redoxreacties. Pagina 39
41 Additiereacties Een additiereactie is een typische reactie van onverzadigde verbindingen met enkele soorten kleine moleculen, waarbij twee moleculen reageren tot één. De dubbele binding tussen twee koolstofatomen kan 'openspringen'. Dat betekent dat er tussen de twee koolstofatomen een enkele atoombinding overblijft en dat aan beide koolstofatomen plaats is voor het ontstaan van een nieuwe atoombinding. Aan een dubbele koolstof-koolstofbinding (C=C) kunnen adderen: halogenen (X2), waterstofhalogeniden (HX), waterstof (H2) en water (H2O). Sieger Kooij (leraar scheikunde bovenbouw havo/vwo) laat voorbeelden zien van de additie van achtereenvolgens waterstof, water en halogenen. Uitleg over additiereacties. kn.nu/ww584cd61 (youtu.be) Additie kan ook plaatsvinden aan moleculen met drievoudige bindingen, zoals de alkynen. Hierbij ontstaat een dubbele binding; aan deze dubbele binding kan dan opnieuw additie plaatsvinden. Onverzadigde verbindingen kunnen door veelvuldig onderlinge additiereacties polymeriseren (additiepolymerisatie). De dubbele binding tussen een koolstof- en een zuurstofatoom (C=O) in aldehyden en ketonen heeft ook additievermogen. Additie van halogenen De additie van halogenen (F2, Cl2, Br2 en I2) en waterstofhalogeniden (HF, HCl, HBr, HI) verloopt zeer gemakkelijk bij kamertemperatuur en er is geen licht of katalysator nodig. De reactie met broom werd vroeger algemeen gebruikt om onverzadigde verbindingen aan te tonen. Een oplossing van broom in water (broomwater) is bruin en dibroomalkanen zijn, evenals de onverzadigde verbindingen, kleurloos. Snelle ontkleuring van broomwater door een koolstofverbinding toont de aanwezigheid van onverzadigde koolstofketens aan. Broomwater is een reagens op onverzadigde verbindingen. Let op: Broomwater mag niet meer op scholen worden gebruikt! Broomwater reageert in het licht ook met alkanen, via een substitutiereactie. Ontkleuring in het licht zou dan kunnen betekenen dat we met een alkaan te maken hebben. Deze reactie verloopt echter zo langzaam, dat het verschil met de snelle additiereactie heel goed is te zien. Pagina 40
42 Additie aan benzeen De additie van chloor of broom aan benzeen verloopt zeer moeilijk en kan uitsluitend onder invloed van een katalysator plaatsvinden. Dit heeft te maken met de grote stabiliteit van de aromatische benzeenring die ontstaat door delocalisatie van drie elektronenparen. Daarom staan we hier even stil bij de structuur van benzeen en het verschijnsel mesomerie. Structuur van benzeen De eerste onderzoeker die de structuur van benzeen beschreef zoals we die nu kennen, was de Duitser Kekulé. Hij kwam tot de conclusie dat benzeen een vlakke cyclische structuur moet hebben met drie enkelvoudige en drie dubbele bindingen die om en om zijn geordend. Daar deze structuur niet overeenstemt met de gevonden lengte van de C C-binding (elke C C-binding = 140 pm) en een groot aantal chemische eigenschappen, stelde hij al in 1865 dat hier sprake moet zijn van dubbele bindingen die zo snel van plaats verwisselen dat we geen onderscheid tussen enkele en dubbele bindingen kunnen maken: Benzeen blijkt veel stabieler te zijn dan het denkbeeldige 1,3,5-cyclohexatrieen. De hydrogeneringsenergie van benzeen is kleiner dan de berekende hydrogeneringsenergie van 1,3,5cyclohexatrieen. De stabiliteit komt onder andere tot uitdrukking in de geringe reactiviteit van benzeen bij additiereacties. Ook substitutiereacties verlopen anders. Stabilisatie door mesomerie Dat het molecuul benzeen de voorkeur geeft aan deze situatie boven die met gelokaliseerde dubbele bindingen, betekent dat deze situatie gunstiger is. Mesomerie betekent altijd een verlaging van de energie van het molecuul (of ion)! Het energieverschil tussen deze toestand en die met gefixeerde dubbele bindingen in het hypothetisch molecuul 1,3,5-cyclohexatrieen kunnen we op de volgende wijze bepalen. Bij de additie van waterstof aan 1 mol van een molecuul dat één dubbele C-C-binding bevat, komt een hoeveelheid energie vrij van 1, J in de vorm van warmte, bijvoorbeeld: Voor een zesring met drie gefixeerde, dubbele bindingen zou deze reactie dus 3 1, J of 3, J warmte per mol opleveren. Bij de additie van waterstof aan benzeen blijkt echter slechts 2, J mol-1 aan warmte vrij te komen. Dit betekent dat benzeen stabieler is dan het niet bestaande molecuul cyclohexatrieen, dat drie geïsoleerde dubbele bindingen heeft. We noemen dit stabilisatie door mesomerie. Het enthalpieverschil?h van 1, J mol-1 noemen we de resonantie-enthalpie of stabilisatie-enthalpie. In een enthalpieschema ziet dit er als volgt uit: Pagina 41
43 Enthalpiediagram van benzeen en cyclohexaan Deze stabilisatie-enthalpie ten gevolge van de aromatische eigenschappen blijft zeker niet beperkt tot verbindingen van benzeen. Aromatische stabiliteit komen we ook tegen in ringverbindingen met heteroatomen zoals zuurstof, stikstof en zwavel, en in grotere ringsystemen. Deze moleculen zullen we niet bespreken. Additie van waterstof en water De additie van waterstof (hydrogenering) en van water (hydratatie) verloopt veel moeilijker dan die van de halogenen en de waterstofhalogeniden. Hydrogenering De additie van H2 noemen we hydrogenering. Alle reacties met waterstof verlopen alleen in aanwezigheid van een geschikte katalysator (Pt, Pd of Ni), wegens de hoge activeringsenergie van de reactie. De hoge activeringsenergie is het gevolg van de sterke atoombinding tussen de twee waterstofatomen (zie het thema 'Reactiesnelheid en chemisch evenwicht'). Hydrogenering wordt in de voedingsindustrie gebruikt om van vloeibare plantaardige oliën vaste vetten te maken. Een spijsolie bevat veel dubbele bindingen en heeft daardoor een laag smeltpunt. Door reactie mat waterstof ontstaan verzadigde vetten, die een hoger smeltpunt hebben. We noemen dit vetharding. Hydratatie De additie van H2O noemen we hydratatie. Alleen bij toevoegen van een speciale katalysator (spoor zuur, H3O+) vindt additie van water plaats: Pagina 42
44 De additie van water aan etheen is een belangrijk industrieel proces voor de bereiding van ethanol (zie Alcoholen). Additiepolymerisatie Etheen kan, onder bepaalde omstandigheden (hoge temperatuur en druk, initiator), met zichzelf reageren: etheenmoleculen koppelen, door hun openspringende dubbele bindingen, aan elkaar tot zeer lange ketenmoleculen. Dat zijn macromoleculen, meestal polymeren geheten. Etheen heet het monomeer voor het polymeer polyetheen: Met polymeren kunnen we vervormbaar materiaal maken, waarmee we een vorm kunnen maken met Pagina 43
45 een mal (extrusie). Alle moleculen met een dubbele binding kunnen polymeriseren, maar ook alkynen en alkadiënen kunnen polymeriseren. Sieger Kooij (scheikundeleraar bovenbouw havo/vwo) legt uit wat polymeren zijn aan de hand van voorbeelden uit het dagelijks leven (kunststoffen, eiwitten, koolhydraten, etc.) en hoe ze ontstaan. Hij gaat onder meer in op stucturen van twee belangrijke typen kunststoffen, thermoplasten en thermoharders. Uitleg over polymeren. kn.nu/ww4ff69eb (youtu.be) Hoe moet je polymeren tekenen? kn.nu/ww99e1522 (youtu.be) Additie aan aldehyden en ketonen De dubbele binding tussen een koolstof- en een zuurstofatoom in aldehyden en ketonen heeft ook additievermogen. Halogenen kunnen niet aan de C=O-groep adderen, omdat dan een zuurstofhalogeenbinding gevormd moet worden en die zijn niet stabiel. Waterstof, waterstofhalogenide en HOR-verbindingen kunnen wel adderen. Bijvoorbeeld, de additie van waterstof aan ethanal: Deze additiereactie kunnen we ook opvatten als een redoxreactie: het aldehyde wordt gereduceerd door waterstof tot een primair alcohol (zie 'Redoxreacties'). Pagina 44
46 Substitutiereacties Een substitutiereactie is een reactie waarbij in een molecuul een atoom (of atoomgroep) wordt vervangen door een ander atoom (of atoomgroep). Ter introductie laat Sieger Kooij (leraar scheikunde bovenbouw havo/vwo) een belangrijk verschil zien met een additiereactie: Substitiereactie van halogenen aan alkanen. kn.nu/ww2cb48fe (youtu.be) We maken een onderscheid tussen radicaalsubstitutie en nucleofiele substitutie en gaan wat verder in op het mechanisme van deze substitutiereacties. Radicaalsubstitutie Bij de reactie van alkanen met de halogenen chloor en broom kunnen een of meer waterstofatomen worden vervangen door halogeenatomen. Voor initiatie van deze reactie is licht nodig om het halogeen te activeren. Zo reageert methaan als volgt met chloor: Bij deze reactie treden radicalen op als tussenproducten. Het reactiemechanisme van deze reactie is een radicaalmechanisme. Het substitueren hoeft niet tot één H-atoom per molecuul beperkt te blijven. Alle H-atomen in methaan kunnen worden vervangen. Ook dichloormethaan, trichloormethaan en zelfs tetrachloormethaan kunnen in zeer kleine hoeveelheden worden gevormd. Alkanen en koolstofverbindingen met alkylgroepen reageren op dezelfde manier met chloor of broom als methaan. Bij alkanen met drie of meer koolstofatomen zijn er verschillende mogelijkheden: elk Hatoom kan worden vervangen door een halogeenatoom. Welk H-atoom wordt vervangen in een molecuul berust op louter toeval. In een mengsel van pentaan en chloor bijvoorbeeld, zullen na afloop in het reactievat én 1-chloorpentaan én 2-chloorpentaan én 3-chloorpentaan worden aangetroffen. Radicaalmechanisme De halogenering van alkanen onder invloed van licht verloopt in een aantal reactiestappen via een radicaalkettingproces: Pagina 45
47 Initiatie In de initiatie- of startreactie dissociëren chloormoleculen in losse chlooratomen. Van het bindend elektronenpaar gaat een elektron naar elk van beide atomen. Hierbij ontstaan chloorradicalen (Cl ). Een radicaal is een atoom of atoomgroep met een ongepaard ( vrij ) elektron (aangegeven met een stip). Radicalen zijn uiterst reactief en kunnen daardoor slechts kort bestaan. Deze radicalen brengen de reactie op gang. Propagatie De chloorradicalen plukken een waterstofatoom af van methaan, waarbij methylradicalen ( CH3) en HCl ontstaan. De methylradicalen reageren verder met chloormoleculen, waarbij opnieuw chloorradicalen ontstaan. De methylradicalen zijn daarbij omgezet in moleculen chloormethaan (CH3 Cl). De nieuw gevormde chloorradicalen reageren weer met methaanmoleculen. De twee reacties vormen samen een kettingreactie, een reactie die zichzelf in stand houdt. We noemen deze reacties propagatiereacties. Bij propagatiereacties ontstaan evenveel radicalen als er verdwijnen. Terminatie Aan het radicaalkettingproces komt pas een einde, als de radicalen verdwijnen door onderlinge botsing. Dit noemen we terminatie- of stopreacties. Omdat radicalen uitermate reactieve deeltjes zijn, is de concentratie van radicalen in reactiemengsels zeer klein. De botsingskans van een radicaal met een molecuul is veel groter dan die van radicalen onderling. Doordat vrijwel elke botsing tussen radicalen effectief is, treedt toch enige reactie op tussen radicalen. Er ontstaat bijvoorbeeld een zeer kleine hoeveelheid ethaan. animatie radicaalmechanisme (kies uit Reaction Mechanism Animation voor Free Radical Substitution ) Nucleofiele substitutie Een heel ander type substitutiereactie is de vervanging van een halogeenatoom door OH in de reactie van een halogeenalkaan met OH-. We noemen dit nucleofiele substitutie. Zo reageert broommethaan als volgt met natronloog: Pagina 46
48 Bij deze reactie spelen radicalen geen enkele rol, de reactie verloopt via ionen. Het reactiemechanisme van deze reactie is een ionair mechanisme. Nucleofiele substitutie is de vervanging van een atoom (of atoomgroep) aan een C-atoom door reactie met een nucleofiel deeltje. Nucleofiele deeltjes zijn negatieve ionen of moleculen met één of meer vrije elektronenparen. Ze reageren met andere deeltjes, die een atoomkern (kern = nucleus) hebben met een geheel of gedeeltelijk positieve lading. Daar komt ook de term nucleofiel (=kernlievend) vandaan. Een voorbeeld is de reactie van halogeenalkanen met natronloog tot alcoholen:?? OH- is het nucleofiele deeltje, het zoekt een positieve plaats in het molecuul op. Het koolstofatoom in de alkylgroep is ð+ doordat het halogeenatoom sterker elektronegatief is en ð- wordt. Vervanging van een H-atoom zal niet optreden. Reactiemechanisme De nucleofiele substitutiereactie kan via twee verschillende wegen (mechanismen) verlopen: de reactie verloopt in één stap. Het OH--ion hecht aan het C-atoom onder gelijktijdige loslating van het halogenide-ion: Een voorbeeld van dit type mechanisme is de reactie tussen OH--ionen en broommethaan. Een reactie die volgens dit mechanisme verloopt noemen we een SN2-reactie. Dit is de afkorting voor (tweede orde) bimoleculaire nucleofiele substitutie. Toelichting: de reactie verloopt in één stap, en dat is dan automatisch de snelheidsbepalende stap. Het aantal reagerende deeltjes in deze stap bedraagt twee: de reactie is bimoleculair. De reactie orde is dan ook twee. In het thema 'Reactiekinetiek en reactiemechanismen' gaan we in op de orde van een reactie. de reactie verloopt in twee stappen. In de eerste stap splitst het halogeenalkaanmolecuul in een halogenide-ion en een positief ion met de lading op het C-atoom, een carbokation. In de tweede stap reageert het OH--ion met het carbokation: Pagina 47
49 Een voorbeeld van dit type mechanisme is de reactie tussen OH--ionen en 2-chloor-2-methylpropaan. Een reactie die volgens dit mechanisme verloopt noemen we een SN1-reactie: de afkorting voor (eerste orde) monomoleculaire nucleofiele substitutie. Toelichting: de reactie verloopt in twee stappen, waarvan de eerste stap bepalend is voor de totale snelheid van de reactie. Bij de vorming van het carbokation is slechts één deeltje betrokken: de reactie is monomoleculair. De reactie is dan ook van de eerste orde. In het thema 'Reactiekinetiek en reactiemechanismen' gaan we in op de orde van een reactie. Factoren Factoren die invloed hebben op het type mechanisme zijn onder andere: Sterische hindering Naarmate er meer alkylgroepen aan het koolstofatoom zitten waaraan de substitutie plaats vindt, zal het voor een nucleofiel deeltje, zoals het OH--ion, moeilijker worden om het koolstofatoom te naderen. Het koolstofatoom wordt meer afgeschermd naarmate er meer en grotere groepen aan dat atoom zitten. Stabiliteit carbokation Des te stabieler het carbokation, des te makkelijker verloopt de reactie via het carbokation. De stabiliteit van carbokationen neemt toe naarmate er meer en langere alkylgroepen aan het positieve koolstofatoom zitten. De reden daarvan laten we hier buiten beschouwing. Bij een primair carbokation zit de positieve lading op een primair C-atoom, bij een secundair en tertiair carbokation op een secundair C-atoom, respectievelijk een tertiair C-atoom. Deze twee effecten hebben tot gevolg dat het mechanisme via het carbokation beter verloopt naarmate er meer en langere alkylgroepen aan het positieve koolstofatoom zitten. Hierdoor is het te verklaren dat de reactie bijna geheel volgens het éénstaps mechanisme verloopt bij substitutie aan primaire koolstofverbindingen en aan methylverbindingen (halogeenmethaan), en bijna geheel via het carbokation bij tertiaire koolstofverbindingen. Secundaire koolstofverbindingen kunnen via beide mechanismen verlopen. Het oplosmiddel heeft ook invloed. Naarmate het oplosmiddel sterker polair is, kunnen er gemakkelijker ionen worden gevormd, omdat deze door solvatatie gestabiliseerd kunnen worden. Het Pagina 48
50 mechanisme via het carbokation zal dan beter kunnen verlopen. In principe bestaat er dus altijd een concurrentie tussen beide reactiewegen. Bovenstaande factoren bepalen welke reactieweg de overhand zal hebben. Animatie SN1 en SN2-reacties (Voor deze animatie is Adobe Shockwave Player nodig. Kies binnen de pagina Reaction Mechanism Animation voor Free Radical Substitution ) Animaties SN1 en Sn2-reacties voor Ipadgebruikers Pagina 49
51 Zuur-basereacties Een zuur-basereactie is een reactie waarbij protonoverdracht optreedt (zie het thema 'Zuren en basen'). Organische zuren zijn alle zwak en kunnen tenminste één waterstofatoom afsplitsen als waterstofion. Voorbeelden zijn de carbonzuren en fenolen. Organische basen reageren in water als zwakke basen: ze hebben tenminste één stikstofatoom, dat aan het vrije elektronenpaar nog een waterstofion kan binden. Belangrijk zijn de aminen en ringvormige moleculen met een of meer stikstofatomen in de ring, zoals pyridine. Voorbeelden van organische verbindingen met zowel een zure als een basische groep zijn de aminozuren: het zijn amfolyten. Carbonzuren Carbonzuren kunnen het H-atoom van de COOH-groep als H+-ion afstaan: het zijn zwakke zuren. Het zuurrestion van een alkaanzuur heet alkanoaat-ion. Bijvoorbeeld, de dissociatie van ethaanzuur (azijnzuur) in water: Methaanzuur (mierenzuur) is het sterkste niet-gesubstitueerde alkaanzuur. De zuursterkte neemt af naarmate de koolstofketen langer wordt (zie BINAS tabel 49). De verzadigde en onverzadigde alkaanzuren kunnen, net als de anorganische zuren (bijvoorbeeld HCl, H2SO4) met een basische groep een zout vormen. Bijvoorbeeld, door reactie van ethaanzuur met natronloog ontstaat het zout natriumethanoaat. Fenolen Fenolen zijn alcoholen waarbij de OH-groep aan de aromatische ring zit. Fenol en andere fenolen kunnen het H-atoom van de OH-groep als H+-ion afstaan: het zijn zwakke zuren. Dit is een verschil met alkanolen, die in water niet merkbaar zuur reageren. Het zuurrestion van fenol heet fenolaat-ion. Bijvoorbeeld, de dissociatie van fenol in water: Aminen en pyridine Aminen Aminen kunnen net als ammoniak een H+-ion opnemen: het zijn zwakke basen. Het geconjugeerde zuur van een alkaanamine, een positief ion, heet alkaanaminiumion, of, in de oude benaming alkylammoniumion. Bijvoorbeeld, de reactie van methaanamine met water: Door reactie van aminen met een (oplossing) van een sterk zuur ontstaan aminiumzouten. Bijvoorbeeld, methaanamine met zoutzuur geeft een oplossing van methaanaminiumchloride (=methylammoniumchloride). Pyridine Pagina 50
52 Pyridine is een voorbeeld van een ander soort organische basen, die in de biochemie een belangrijke rol spelen, onder andere bij de bouw van DNA en RNA. In deze basen bevinden zich steeds een of meer stikstofatomen in een vijf- of zesring. Het stikstofatoom heeft een vrij elektronenpaaar, net als een amine, en kan daardoor een waterstofion opnemen. Aminozuren Aminozuren zijn kristallijne stoffen met een hoog smeltpunt (> 200 C) die redelijk goed oplosbaar zijn in water. Dit betekent dat het zoutachtige stoffen zijn. Aminozuren bestaan niet uit moleculen maar uit dipolaire ionen, meestal zwitterionen genoemd: een deeltje met aan de ene kant een pluslading en aan de andere kant een min-lading draagt. Deze ionen zijn ontstaan door een interne zuurbasereactie: overdracht van een proton van de carbonzuurgroep aan de aminogroep: De vergelijkingen van de zuur-base-evenwichten waaraan een aminozuur (in dit geval glycine, aminoethaanzuur) kan deelnemen zijn: Het iso-elektrisch punt van een aminozuur (pi) is de ph waarbij de netto-lading op het aminozuur nul is. Bij lage ph wordt het positieve ion gevormd en bij hoge ph het negatieve ion. De zuursterkte van de COOH groep en de basesterkte van de NH2 groep worden beïnvloed door de bouw van de rest van het molecuul. Sommige aminozuren hebben twee zure groepen, andere hebben twee basische groepen. Hierdoor ontstaan soms grote verschillen in de pi-waarde van de aminozuren (zie BINAS tabel 67C). Pagina 51
53 Condensatiereacties Een condensatiereactie is een reactie waarbij twee moleculen koppelen onder afsplitsing van een klein molecuul, meestal water. Condensatiereacties verlopen uitsluitend onder invloed van een katalysator. Alcoholen kunnen met carbonzuren een condensatiereactioe ondergaan, er ontstaat een ester. Alcoholmoleculen kunnen ook met elkaar condenseren, er ontstaat dan een ether. Ook aminen kunnen een condensatiereactie ondergaan met carbonzuren, hierbij ontstaat een amide. Polymerisatie via een condensatiereactie is mogelijk als een molecuul twee karakteristieke groepen heeft die kunnen condenseren (condensatiepolymerisatie). Deze reactie is vooral van belang bij het ontstaan van eiwitten uit aminozuren. Vorming esters, ethers, amiden Esters Alcoholen kunnen met carbonzuren reageren tot een ester. Met zwavelzuur als katalysator stelt zich het volgende evenwicht in: Bijvoorbeeld de condensatie van ethaanzuur en methanol tot methylethanoaat: Alcoholen kunnen ook veresteren met anorganische zuren, zoals zwavelzuur of salpeterzuur. Bijvoorbeeld de condensatie van ethanol met zwavelzuur: De naam van de gevormde ester is ethylwaterstofsulfaat. Aangezien de ester nog een zure OHgroep heeft aan het zwavelatoom, kan er met een tweede ethanolmolekuul diethylsulfaat ontstaan. De condensatie van zwavelzuur met een alcohol is een nevenreactie die optreedt bij de verestering van een alcohol met een carbonzuur, waarbij zwavelzuur als katalysator dient. Het is ook een evenwichtsreactie. Door destillatie kunnen we de ester scheiden van het gewenste product. Ethers In aanwezigheid van zwavelzuur en bij verhoogde temperatuur kunnen alcoholmoleculen ook met elkaar condenseren. Er ontstaat dan een ether: Pagina 52
54 Amiden Aminen kunnen ook via een condensatiereactie reageren met carbonzuren, hierbij ontstaat een (zuur)amide: Condensatiepolymerisatie Aminozuren kunnen met elkaar reageren. Door koppeling van twee aminozuren, bijvoorbeeld twee moleculen glycine (aminoethaanzuur), ontstaat een dipeptide: Voorbeeld van polyaminoethaanzuur: Pagina 53
55 Hydrolysereacties Hydrolyse betekent letterlijk ontleding door water. Esters kunnen met water reageren onder vorming van de alcohol en het zuur waaruit zij zijn ontstaan. Met zwavelzuur als katalysator stelt zich het volgende evenwicht in: Een bijzonder geval van hydrolyse is de verzeping van vetzuren, waarmee we zeep kunnen maken. We gaan nader in op de structuur en werking van zeep als wasactieve stof. Verzeping Een bijzonder geval van hydrolyse is de verzeping. Door in plaats van aangezuurd water een oplossing van een sterke base te nemen (NaOH, KOH) wordt de hydrolysereactie aflopend. Doordat het zout van het carbonzuur wordt gevormd, krijgt de terugreactie geen kans: De naam verzeping is afkomstig uit de zeepziederij. Wanneer we vetten in basisch milieu hydrolyseren ontstaan zouten van vetzuren. Door hun lange apolaire staart en polaire kop hebben deze wasactieve werking. Iedereen kent ze onder de naam zeep. Zeep en werking van zeep Zeep Zeep (en wasmiddelen) ontlenen hun waswerking aan de bijzondere bouw van de moleculen of ionen waaruit deze stoffen bestaan. De moleculen of ionen van een wasactieve stof (algemene naam: detergent) bestaan uit een lange apolaire staart met een polaire kop. Natuurlijke zeep Natuurlijke zeep wordt bereid uit dierlijke en plantaardige oliën en is de oudst bekende wasactieve stof. Een zeep is een natrium- of kaliumzout van een alkaanzuur. Een voorbeeld is natriumstearaat, de gewone huishoudzeep: C17H35COO-Na+. Pagina 54
56 De lange koolwaterstofketen is apolair en heeft dus geen goede wisselwerking met watermoleculen. De kop is een ion en heeft dus wel een goede wisselwerking met water, mede dankzij de waterstofbrugvorming. We spreken van een hydrofobe (=waterafstotende) staart en een hydrofiele (= waterminnende) kop. Door het tweeslachtig karakter gedragen zeepmoleculen zich in water zeer bijzonder. In water ontstaan micellen. Micellen zijn bolvormige structuren met de apolaire staarten naar binnen gekeerd en de polaire koppen naar buiten. Van buiten af gezien lijkt een micel op één groot negatief geladen ion, met de daarbij behorende positieve natriumionen. bron micel: wikipedia De polaire uiteinden van de ionen stoten elkaar af en willen zo ver mogelijk van elkaar verwijderd zijn. Daarentegen trekken de apolaire uiteinden elkaar aan door VanderWaalskrachten (zie het thema 'Moleculaire stoffen'). De optimale vorm voor een micel is dan ook de bolvorm. Bij het wasproces worden vetdruppeltjes van de huid of het wasgoed of van opgenomen in het apolaire centrum van deze micellen. Op deze wijze komt het vet los van de huid of het wasgoed en kunnen we het wegspoelen. Oppervlaktespanning Aan het wateroppervlak vormen de ionen een laag met de koppen in het water en de staarten parallel uit het water stekend. De buitenste laag van de vloeistof bestaat hierdoor uit apolaire staarten en gedraagt zich als een apolaire vloeistof. In plaats van sterke waterstofbruggen zijn nu aan het vloeistofoppervlak alleen de zwakke London-VanderWaals krachten werkzaam. De oppervlaktespanning is beduidend lager geworden. Vandaar dat detergentia ook oppervlakteactieve of grensvlakactieve stoffen worden genoemd. Synthetische zeep Pagina 55
57 Elk deeltje met een hydrofobe staart en een hydrofiele kop kan in principe als wasactieve stof dienen. De kop kan een negatief of positief ion zijn, maar ook een ongeladen groep die waterstofbruggen kan vormen. Tegenwoordig wordt veel gebruik gemaakt van synthetische zepen zoals de sulfonaatzepen: Hoe werkt zeep precies Het belangrijkste natuurlijke schoonmaakmiddel is gewoon water. Alle stoffen die van nature oplosbaar zijn in water kunnen, van huid en haar, door water worden verwijderd. Hierbij valt te denken aan suikers, stof, zouten en vetvrij vuil. Voor het verwijderen van vethoudend vuil kan zeep worden gebruikt. Zeep maakt gebruik van het feit dat olie en vet waterafstotend zijn, het vormt als het ware een brug tussen water en vethoudend vuil. Zeep heeft hiermee een zogenaamde waswerking. Het feit dat met zeep vethoudend vuil kan worden verwijderd, beter gezegd opgenomen en afgespoeld, komt voort uit de specifieke structuur van een zeepmolecuul. Dit werkt echter alleen met behulp van water. Het zeepmolecuul is zo georganiseerd, dat er gesproken kan worden over een duidelijke kop en een staart. De kop trekt water aan, dit wordt ook wel waterminnend of hydrofiel genoemd. De staart stoot water af, dit wordt ook wel waterafstotend of hydrofoob genoemd. Daarnaast trekt de staart olie aan en is dus olieminnend. Bij de waswerking werken zeep en water op drie manieren samen. Ten eerste zorgt zeep ervoor dat water zich beter over het oppervlak verspreidt. Ten tweede zorgt zeep voor de verbinding van vuil aan water en zeep, waardoor het kan worden weggespoeld en ten derde vormen ze tezamen met lucht schuim. Schoonmaken kan alleen wanneer het oppervlak goed vochtig is. Gek genoeg maakt water niet zomaar een oppervlak vochtig. Water heeft de neiging zich in druppels op te hopen. Zeep helpt water zich beter over het oppervlak te verspreiden in plaats van dat het er druppelsgewijs op blijft liggen. De watermoleculen zijn sterk verbonden en worden niet graag gesplitst. Wanneer zeep en water samenkomen, drukken de zeepmoleculen hun staart door het water oppervlak, om zover mogelijk weg te komen van het water. Zeep dient hierbij dus als oppervlakte spanningsbreker. Het resultaat is dat het water over een groter oppervlak wordt verspreid. Pagina 56
58 Bij meerdere staarten samen wordt het totale wateroppervlak doorboord, ofwel de oppervlaktespanning van het water wordt verlaagd. Het resultaat is dat het water zich beter over het vuile oppervlak verdeeld. Zeepmoleculen forceren het water in het oppervlak te dringen, waardoor het goed wordt bevochtigd. Een nat oppervlak is nog geen schoon oppervlak. Als zeep het water heeft geholpen het oppervlak te bevochtigen, komt de tweede functie van vuil verwijderen aan bod. Door de waterminnende koppen van zeep vormt zich een soort zeepfilm op het wateroppervlak. Het vethoudend vuil wordt in eerste instantie aan de zeepmoleculen gebonden. Doordat de waterafstotende eigenschap, de staarten richting vuil stuurt en de olie minnende eigenschap de staarten het vuil in drijft. De staart wurmt zich in het vuil. De zeepstaarten houden het vuil vast totdat het wordt afgespoeld. Pagina 57
59 Schuimvorming komt tot stand doordat lucht wordt ingesloten door water en zeep. De waterminnende koppen van de zeep drukken zich tegen het water en vormen zo tezamen een vlies om de lucht. Uiteindelijk wordt het vuil door de wasbeweging van bijvoorbeeld een borstel of de handen losgewerkt van het oppervlak en kan worden weggespoeld. Pagina 58
60 Redoxreacties In de koolstofchemie komen verscheidene soorten redoxreacties voor. Wij beperken ons hier tot de soorten waarbij de koolstofketen behouden blijft. We noemen dit ook wel voorzichtige redoxreacties. In feite zijn verbrandingsreacties en kraakreacties ook redoxreacties, maar hierbij wordt de koolstofketen afgebroken of gewijzigd. Additie- en substitutiereacties kunnen we ook als redoxreacties opvatten, maar gewoonlijk beschouwen we ze als aparte soorten reacties. Bij redoxreacties in de koolstofchemie is de koolstofverbinding gewoonlijk de reductor. Koolstofverbindingen als reductor Primaire en secundaire alcoholen kunnen we oxideren met de bekende oxidatoren uit de anorganische chemie, zoals dichromaat (Cr2O72-) en permanganaat (MnO4-) in een zuur milieu. Tertiaire alcoholen kunnen we niet oxideren met behoud van de koolstofketen. Aldehyden kunnen we oxideren tot carbonzuren. Algemeen: De algemene reductorhalfvergelijkingen zijn: Herkenningsreactie van aldehyden Een aldehyde kan aangetoond worden met het Tollensreagens of het Fehlingsreagens. In beide gevallen treedt een redoxreactie op. A. Tollensreagens Tollensreagens is een zogenaamde ammoniake zilveroplossing, zie NB1. De oxidator is: Ag(NH3)2+ Aan een oplossing met een aldehyde in een reageerbuis wordt het Tollensreagens toegevoegd, vervolgens wordt de reageerbuis verwarmd, voortdurend ronddraaiend, in een waterbad op ongeveer 80 oc. De aldehyde, R-CHO, reageert en wordt geoxideerd tot het corresponderende carbonzuur, R-COOH. Er ontstaat metallisch zilver, dat op de wand van de buis neerslaat als een zilverspiegel. De halfvergelijkingen zijn: Pagina 59
61 Na correctie voor het basisch milieu ontstaat de somvergelijking: NB1: Tollensreagens bereiden we als volgt: Maak een schone reageerbuis extra schoon door deze even met ammonia te koken. Schenk in de reageerbuis 2 ml 0,1 M zilvernitraatoplossing. Voeg hieraan enkele druppels 1 M natronloog toe. Er ontstaat een bruin neerslag van zilveroxide: Schenk er vervolgens zoveel 2 M ammonia bij, dat het neerslag juist weer oplost, volgens de reactie: NB2: Tollens reagens moeten we altijd vlak voor het gebruik bereiden. We mogen het niet bewaren, omdat in de oplossing een explosieve zilververbinding kan ontstaan. B. Fehlinsreagens Felingsreagens bestaat uit twee vloeistoffen: Fehlings A en Fehlings B. Vlak voor het gebruik mengen we deze twee vloeistoffen mengen met elkaar. Fehlings A is een oplossing van ongeveer 5% koper(ii)sulfaat in water. Fehlings B is een oplossing van kaliumnatriumtartraat, ook wel Seignettezout genoemd, en natriumhydroxide in water. Van beide vloeistoffen voegen we een kleine gelijke hoeveelheid toe aan de te onderzoeken stof. Vervolgens verwarmen we het mengsel. Indien de te onderzoeken stof een aldehyde-groep bevat, ontstaat een roodbruin neerslag. De aldehyde-groep wordt geoxideerd tot een carbonzuur-groep: R-CHO(aq) + 2 OH-(aq)? R-COOH(aq) + H2O(l) + 2e Het kopersulfaat wordt gereduceerd tot koper(i)oxide: 2 Cu2+(aq) + 2 OH-(aq) + 2e? Cu2O(s) + H2O(l) De volledige reactie is daarom: R-CHO(aq) + 2 OH-(aq) Pagina 60? R-COOH(aq) + H2O(l) + 2e
62 2 Cu2+(aq) + 2 OH-(aq) + 2e? Cu2O(s) + H2O(l) R-CHO(aq) + 4 OH-(aq) + 2 Cu2+(aq)? R-COOH(aq) + 2 H2O(l) + Cu2O(s) Het hierbij ontstane koper(i)oxide is de roodbruine neerslag. Koolstofverbindingen als oxidator Koolstofverbindingen als oxidator Aldehyden en ketonen kunnen we ook reduceren. Met H2 ontstaan respectievelijk primaire en secundaire alcoholen. Hier is de koolstofverbinding de oxidator en H2 de reductor. Dit type reactie (hydrogenering) rekenen we gewoonlijk tot de additiereacties (er verdwijnen dubbele bindingen). Reactie met natrium Alle koolstofverbindingen met een of meer OH-groepen reageren met natrium, of met de andere alkalimetalen. Deze reacties zijn in wezen dezelfde als die van natrium met water (zie het thema 'Redoxreacties'). Natrium is een zeer sterke reductor. De koolstofverbinding is in dit geval de oxidator. De algemene reactievergelijkingen van natrium met een alkanol is: Opmerkingen: Het natriumzout is meestal gesolvateerd in de vloeistof waarin de reactie plaatsvindt. Bij indampen ontstaat het vaste zout. Indien water aanwezig is, reageert het natrium met het water, omdat die reactie veel sneller verloopt. Bij notatie van de formules van zouten van koolstofverbindingen geven we vaak de ladingen van de ionen aan, om duidelijk te maken dat het zouten betreft en geen moleculaire stoffen. Bijvoorbeeld natriumethanolaat CH3-CH2O-Na+(s). Een notatie zonder ladingen, CH3 CH2 ONa (s), kan een covalente binding tussen het metaalatoom en de rest suggereren. Pagina 61
63 TOETS Toets kn.nu/l2thr Bij deze meerkeuzetoets maak je 24 vragen uit een bestand van 32 vragen. Aanbevolen tijd : circa 45 minuten. Aan het einde van de toets kun je op de knop 'bewijs van deelname/overzicht' drukken. J e krijgt je eerst een overzicht van het aantal goede en foute vragen te zien. Als je verder scrolt, kom je bij een samenvatting. Hier staan de vragen, het antwoord dat jij hebt gegeven en het juiste antwoord op de vraag. Daarnaast krijg je nog een stukje achtergrond informatie bij de foute antwoorden en vaak ook bij de goede antwoorden. Veel succes! e (havo-examen tijdvak) Een zeepoplossing bevat een stearaat als werkzame stof. Wat is de formule van het werkzame deeltje in deze zeepoplossing? a. C b. D c. A d. B Pagina 62
64 e (havo-examen tijdvak) Welke van de volgende structuurformules is een aminozuur? a. B b. A c. D d. C e (havo-examen tijdvak) Men kan 2-propanol veresteren met methaanzuur (mierezuur). Wat is de structuurformule van de gevormde ester? a. C b. B c. A d. D Pagina 63
65 e (havo-examen tijdvak) Wat moet in de volgende zin worden ingevuld? De structuurformule van polypropeen kan worden weergegeven door... (1) dit polymeer is een... (2) a. B b. C c. A d. D e (havo-examen tijdvak) Als men natriumacetaat verhit, ontstaan propanon en een stof X volgens: Wat is formule van stof X? a. Na2CO3 b. CO2 c. Na2O d. HCOONa Pagina 64
66 e (havo-examen tijdvak) Wanneer de carbonzuurgroepen van twee moleculen van een organisch zuur met elkaar reageren onder afsplitsing van één molecuul water, ontstaat één molecuul van een zogenaamd anhydride. Welke van de onderstaande structuurformules stelt het anhydride van methaanzuur (mierezuur) voor? a. B b. C c. A d. D e (havo-examen tijdvak) Met welke van deze stoffen als monomeer kan bovenstaande polymeerketen gevormd worden? Pagina 65
67 a. uitsluitend met II b. zowel met I als met II c. noch met I, noch met II d. uitsluitend met I e (havo-examen tijdvak) Onder bepaalde omstandigheden wordt bij additie van HBr aan onverzadigde koolwaterstoffen het waterstofatoom gebonden aan het koolstofatoom, waaraan reeds de meeste H-atomen gebonden zijn. Men laat onder deze omstandigheden 2 mol HBr adderen aan 1 mol van een koolwaterstof met de volgende structuurformule: Wat is de structuurformule van de stof die dan ontstaat? a. D b. A c. B d. C Pagina 66
68 e (havo-examen tijdvak) De verbindingen I en II hebben de onderstaande structuurformules: Welke van deze verbindingen kan met een NaOH-oplossing reageren? a. zowel I als II b. uitsluitend I c. uitsluitend II d. noch I, noch II Bij het kraken van aardolie ontstaan onder andere stoffen met de formule C2H4 en C4H8. Er is maar één stof met de formule C2H4. Er zijn meerdere isomeren met de formule C4H8. Hoeveel isomeren zijn er met de molecuulformule C4H8? a. 1 b. 2 c. 3 d. 4 e (havo-examen tijdvak) In een reactiemengsel bevinden zich o.a. de volgende radicalen: CH3 en CH2Cl Welk(e) van de onderstaande moleculen kan (kunnen) uit deze radicalen gevormd worden? a. I en III, maar niet II b. uitsluitend II c. alle drie d. uitsluitend I Pagina 67
69 e (havo-examen tijdvak) Tot welke groep stoffen behoort celluclose? a. koolhydraten b. eiwitten c. vetten d. polyesters e (havo-examen tijdvak) Uit welke van de stoffen, weergegeven door onderstaande structuurformules, kan door polycondensatie een polyester worden gevormd? a. uitsluitend uit II b. uitsluitend uit I c. noch uit I, noch uit II d. zowel uit I als uit II e (havo-examen tijdvak) De verbindingen propanal en cyclopropanol hebben onderstaande structuurformules Beschouw de volgende beweringen over deze verbindingen. I Ze hebben dezelfde molecuulformule. II Ze zijn isomeer. Welke van deze beweringen is juist? a. uitsluitend II b. noch I, noch II c. zowel I als II d. uitsluitend I Pagina 68
70 e (havo-examen tijdvak) Een stof heeft de molecuulformule C2H6O. Deze stof kan zijn: a. een alkanol, maar geen alkoxyalkaan b. noch een alkanol, noch een alkoxyalkaan c. een alkoxyalkaan, maar geen alkanol d. een alkanol of een alkoxyalkaan e (havo-examen tijdvak) Bij de reactie tussen chloor en een bepaalde koolwaterstof ontstaat uitsluitend een dichlooralkaan. Maak de juiste keuze bij (1) en (2). De koolwaterstof was een alkaan / alkeen (1); de reactie is een additiereactie / substitutiereactie (2) a. (1) alkaan (2) additiereactie b. (1) alkeen (2) substitutiereactie c. (1) alkeen (2) additiereactie d. (1) alkaan (2) substitutiereactie e (havo-examen tijdvak) Men wil de ester van methanol en methaanzuur (mierezuur) maken volgens: o Het kookpunt van de alcohol is 65 C. o van het zuur is van de ester is 101 C. o 31,5 C Wat kan men doen om de alcohol met het zuur zoveel mogelijk te veresteren? a. de gevormde ester afdestilleren b. natronloog toevoegen c. zoutzuur toevoegen d. water toevoegen e (havo-examen tijdvak) Men kraakt 1,0 mol hexaan (C6H14). Hierbij ontstaat 3,0 mol kraakgas, Dit kraakgas kan zijn: Pagina 69
71 a. 3 mol etheen b. 1 mol ethaan en 2 mol etheen c. 3 mol ethaan d. 1 mol ethaan en 1 mol etheen e (havo-examen tijdvak) Maak de juiste keuze bij (1) en (2) Een polymeer dat een drie dimensionale netwerkstructuur heeft, is een thermoharder / thermoplast (1) Zo'n stof zal bij sterke verhitting ontleden / zacht worden (2) a. (1) thermoharder (2) ontleden b. (1) thermoharder (2) zacht worden c. (1) thermoplast (2) ontleden d. (1) thermoplast (2) zacht woden e (havo-examen tijdvak) Maak een juiste keuze bij (1) en (2). De reactie van een alkeen met water is een additiereactie / substitutiereactie (1). Het reactieprodukt is een alkaan / alkanol (2). a. (1) substitutiereactie (2) alkanol b. (1) additiereactie (2) alkaan c. (1) additiereactie (2) alkanol d. (1) substitutiereactie (2) alkaan e (havo-examen tijdvak) Tot welke groepen voedingsstoffen behoren I en II? Pagina 70
72 a. (1) koolhydraten (2) eiwitten b. (1) vetten (2) eiwitten c. (1) vetten (2) koolhydraten d. (1) eiwitten (2) eiwitten e (havo-examen tijdvak) Bij welke van de volgende processen is O2 nodig? a. de hydrolyse van zetmeel onder invloed van speeksel. b. de omzetting van glucose in ethanol onder invloed van gist. c. de vorming van koolhydraten in groene planten onder invloed van licht. d. de omzetting van ethanol in azijnzuur onder invloed van micro-organismen. e (havo-examen tijdvak) Beschouw de volgende reactievergelijkingen: Welke van deze vergelijkingen geeft een additiereactie weer? a. zowel I als II b. uitsluitend II c. noch I, noch II d. uitsluitend I Pagina 71
73 e (havo-examen tijdvak) Als men ureum verhit, reageren twee moleculen onder afsplitsen van één molecuul ammoniak, NH3. Wat is de structuurformule van de organische stof die hierbij ontstaat? a. D b. B c. C d. A Pagina 72
74 Over dit lesmateriaal Colofon Vakinhoudelijk deel van een thema over koolstofchemie, omgezet in een Wikiwijs arrangement vanuit een prototype van een kennisbank scheikunde van het voormalige Ruud de Moor Centrum van de OU. Oorspronkelijke auteurs en samenstellers van de kennisbank: Jan de Dobbelaere, Ingrid Holtkamp en Jan Lutgerink. Aanpassingen door Dick Naafs en Jan Lutgerink. We werken de kennisbank sinds 2010 niet meer bij, maar we doen dit wel voor thema's die we hebben omgezet in Wikiwijs arrangementen. U kunt mailen naar Jan Lutgerink als u voorstellen heeft voor aanpassing, maar u kunt ook een kopie van het arrangement maken om het zelf aan te passen of uit te breiden voor gebruik in de les of voor zelfstudie door leerlingen. In een digitale handleiding kunt u zien hoe u dat moet doen. De kennisbank is ooit opgezet voor ondersteuning van beginnende docenten scheikunde. Ze bestond ook uit meerdere kennislagen: vakinhoud, vakdidactiek, toetsen, etc. De vakinhoud beschreven we als minimale parate kennis die een beginnend docent moet hebben om het vak te kunnen geven. Daaraan koppelden we didactische aanwijzingen en - waar relevant - kennis over preconcepten en misconcepten bij leerlingen. Sommige teksten zijn wellicht ook voor leerlingen geschikt, maar dat was niet de opzet van de kennisbank. We laten het aan de docent(e) over of dit materiaal geschikt is voor bijvoorbeeld zelfstudie van zijn/haar leerlingen. Auteurs Jan Lutgerink ; Dick Naafs Laatst gewijzigd 28 February 2016 om 20:43 Licentie Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding en publicatie onder dezelfde licentie vrij bent om: het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of bestandsformaat het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden. Meer informatie over de CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie Aanvullende informatie over dit lesmateriaal Van dit lesmateriaal is de volgende aanvullende informatie beschikbaar: Leerniveau VWO 2; HAVO 4; HAVO 1; VWO 6; HAVO; VWO 1; VWO; HAVO 3; VWO 3; HAVO 5; VWO 4; HAVO 2; VWO 5; Pagina 73
75 Leerinhoud en Scheikunde; doelen Eindgebruiker leraar Moeilijkheidsgraad gemiddeld Studiebelasting Pagina 74 0 uur en 50 minuten
76 Pagina 75
77 Pagina 76
78 Pagina 77
79 Pagina 78
80 Trefwoorden 1-propanol, aardgas, aardolie, aceton, additiepolymerisatie, additiereactie, additiereacties, alcohol, aldehyde, alifatisch koolwaterstof, alkaanzuur, alkanal, alkanoaat, alkanol, alkanon, alkeen, alkoxyalkaan, alkylalkanoaat, alkylgroep, alkyn, amine, amino, aminogroep, aminozuur, anaeroob, anaeroob metabolisme, andere toepassingen van koolstofverbindingen, apolaire staart, appelzuur, aromatische koolwaterstof, asymmetrische ether, azijnzuur, benzeen, benzenol, boterzuur, carbokation, carbonzuur, cfk, chemie, chemische eigenschap, chloorfluorkoolwaterstof, chloorradicaal, chloorverbinding, citroenzuur, condensatie, condensatiepolymerisatie, condensatiereactie, cyclisch koolwaterstof, cycloalkaan, cycloalkeen, cycloalkyn, cyclohexaan, ddt, detergent, di-ester, dieldrin, dioxine, dipeptide, drievoudige binding, dubbele binding, eiwit, elektronendelokalisatie, endotherm, enthalpiediagram, enthalpieschema, essentieel vetzuur, ester, ethyl, ethylacetaat, exotherm, fehlingreagens, fenol, fluorverbinding, formaldehyde, formaline, freon, fysische eigenschap, geconjugeerd, gehalogeneerd, gehalogeneerd koolwaterstof, gelokaliseerd, glucose, glycerol, glyceryltripalmitaat, glyceryltrostearaat, glycol, grensformule, grensvlakactieve stof, h-brug, halogeen, halogeenverbinding, het maken van stoffen, heteroatoom, hexaan, hoofdgroep, hoofdketen, hydratatie, hydrofiel, hydrofoob, hydrogenering, hydrogeneringsenergie, hydrolysereactie, hydroxy, hyydrolyse, iep, initiatie, ionair, ionair mechanisme, isoelektrisch punt, isomerie, karakteristieke groep, katalysator, kekule, ketenlengte, keton, kloostofverbindingen, koolstof, koolstofchemie, koolstofdioxide, koolstofverbinding, koolwaterstof, koolwaterstoffen, le chatelier, linoleenzuur, linolzuur, london-vanderwaalskracht, macromolecuul, meervoudig onverzadigd, meerwaardig, meerwaardig alcohol, mesomerie, methanol, methyl, micel, mierenzuur, milieuprobleem, molecuulmodel, monomoleculaire nucleofiele substitutie, naamgeving, namen en formules, natuurlijke zeep, nucleofiel, nucleofiele substitutie, numeriek voorvoegsel, oleaat, olie, oliezuur, omega-3vetzuur, omega-6-vetzuur, onvertakte verbinding, onvertakte verbindingen, onverzadigd, onverzadigd koolwaterstof, onverzadigde koolwaterstoffen, oplosmiddel, oppervlakteactieve stof, oppervlaktespanning, organische chemie, oxaalzuur, ozonlaag, palmitaat, palmitinezuur, pcb, peptide, peptidebinding, pesticide, plaatsnummer, plantaardig, polair, polaire kop, polychloorbifenyl, polyetheen, polymeer, polymerisatie, polypeptide, primair, propagatie, propyl, pvc, pyridine, radicaal, radicaalkettingproces, radicaalmechanisme, radicaalsubstitutie, radicalen, reactie, reactiemechanisme, reacties, reacties van koolstofverbindingen, reactiviteit, redoxreactie, redoxreacties, resonantie, resonantie-enthalpie, resonantieformule, resonantietheorie, ringsysteem, scheikunde, solvatatie, solvateren, stabilisatie, stabilisatie-enthalpie, stearaat, stearinezuur, sterische hindering, stoffen, structuren van koolstofverbindingen, structuurformule, substitutiereactie, substitutiereacties, symmetrische ether, synthetische zeep, tcdd, terminatie, tertiair, toepassingen van koolstofverbindingen, toepassingen van synthetische polymeren, tollensreagens, transvetzuur, triester, triglyceride, triviale naam, vanderwaalskracht, verbranden, verbranding, vergisten, vergisting, vertakte verbinding, vertakte verbindingen, verzadigd koolwaterstof, verzadigd vet, verzadigde koolwaterstoffen, verzadigde vetten, verzepen, vet, Pagina 79 vetzuren, voorvoegsel, vuil, wasactieve stof, waswerking, waterstofbrug, zeep, zeepmolecuul, zesring, zwitterion
81 Bronnen Bron Type Vorming van esters en hydrolyse van esters. Video Vetten en oliën in ons voedsel. Video Uitleg over additiereacties. Video Uitleg over polymeren. Video Hoe moet je polymeren tekenen? Video Substitiereactie van halogenen aan alkanen. Video Gebruikte Wikiwijs Arrangementen Naafs, Dick. (z.d.). Sk-15 toets. Pagina 80
Sk-15 koolstofchemie: stoffen en reacties
Auteur Laatst gewijzigd Licentie Webadres Jose Mastenbroek 30 march 2019 CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie https://maken.wikiwijs.nl/99040 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs van
Koolstofverbindingen 2
Koolstofverbindingen 2 Een samenvatting van hoofdstuk 15 1 Inleiding Koolstofverbindingen uit hoofdstuk 5 algemene voorbeeld naam formule Alkanen C n H 2n+2 2,3-dimethylbutaan Alkenen C n H 2n 2-methyl-2-
Domein C: Koolstofchemie. Subdomein: Toepassingen van synthetische polymeren
Domein C: Koolstofchemie Subdomein: Toepassingen van synthetische polymeren 28 verband leggen tussen de structuur van synthetische polymeren en de eigenschappen en toepassingen: (supersterke) vezel; kabel;
INTRODUCTIECURSUS BOUWCHEMIE HOOFDSTUK 5: ORGANISCHE CHEMIE
INTRODUCTIECURSUS BOUWCHEMIE HOOFDSTUK 5: ORGANISCHE CHEMIE OVERZICHT 1. Structuur van het koolstofatoom 2. Isomerie 3. De verzadigde koolwaterstoffen of alkanen 4. De alkenen 5. De alkynen 6. De alcoholen
Overzicht van reactievergelijkingen Scheikunde
verzicht van reactievergelijkingen Scheikunde Algemeen Verbranding Een verbranding is een reactie met zuurstof. ierbij ontstaan de oxiden van de elementen. Volledige verbranding Bij volledige verbranding
Bij het opstellen van de Lewisstructuur houd je rekening met de octetregel en het aantal valentie-elektronen.
Scheikunde SE4 Hoofdstuk 12 Paragraaf 2 Begrippenlijst: Valentie-elektronen: De elektronen in de buitenste schil van de atomen. Lewisstructuur: Elektronenformule. Octetregel: In elke schil van de atoom
Samenvatting koolstofchemie 1A
Samenvatting koolstofchemie 1A Homologe reeksen: Alkanen Alkenen Alkynen CnHn2+2 CnHn2 CnHn2-2 Substitutiereacties Substitutiereactie van halogenen (Cl2, F2, Br2, I2) aan alkanen verlopen alleen als er
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 2 en 3
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 2 en 3 Samenvatting door een scholier 2082 woorden 9 oktober 2005 6,4 56 keer beoordeeld Vak Scheikunde Scheikunde, hoofstuk 2 en 3 Par. 2.1 Fossiele brandstoffen Fossiele
Inhoudsopgave. LEERPLANDOELSTELLINGEN De leerlingen kunnen C1 54 de stofklassen op basis van de functionele groep herkennen.
Inhoudsopgave Carbonzuren en carbonzuurderivaten... 2 1. Karakteristieke groep en naamgeving... 2 2. Toepassingen en voorkomen... 2 3. Fysische eigenschappen... 3 3.1. Kook- en smeltpunt... 3 3.2. Oplosbaarheid...
6,5. Samenvatting door een scholier 2979 woorden 6 april keer beoordeeld. Scheikunde
Samenvatting door een scholier 2979 woorden 6 april 2011 6,5 34 keer beoordeeld Vak Methode Scheikunde Curie H2 Koolstofchemie I 2.1. Koolstof In koolstofverbindingen komen vaak waterstof, zuurstof en
Paragraaf 1: Fossiele brandstoffen
Scheikunde Hoofdstuk 2 Samenvatting Paragraaf 1: Fossiele brandstoffen Fossiele brandstof Koolwaterstof Onvolledige verbranding Broeikaseffect Brandstof ontstaan door het afsterven van levende organismen,
Koolstofverbindingen. CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie.
Auteur Laatst gewijzigd Licentie Webadres Emiel D 15 October 2015 CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie http://maken.wikiwijs.nl/60781 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs Maken van Kennisnet.
Spel Organische stoffen. Spelbord:
Spel Organische stoffen Spelbord: 1 Alkanen lossen niet op in 4 Van C5 ketens tot C18 ketens is de toestand bij kamertemperatuur vast. Fout Vloeibaar. 7 Bij een slechte verbranding van alkanen ontstaan
1 De bouw van stoffen
Inhoud 1 De bouw van stoffen 1 eigenschappen van stoffen 13 Mengsels en zuivere stoffen 13 D Oplossingen 15 Zuivere stoffen herkennen 15 Scheiding van mengsels 17 2 de opbouw van de materie 19 Moleculen
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 9
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 9 Samenvatting door Dylan 551 woorden 30 december 2016 9 4 keer beoordeeld Vak Methode Scheikunde Nova Paragraaf 1 Aardolie ( onzuivere stof ) - Organisch materiaal -
1. Beschrijf met behulp van structuurformules het mechanisme voor de vorming van ethaanthiol.
OEFENOPGAVEN Reactiemechanisme, mesomerie Thioverbindingen Wanneer men broomethaan met een oplossing van kaliumwaterstofsulfide (K + HS - ) laat reageren, ontstaat onder andere ethaanthiol, CH 3 CH 2 SH.
1.4 De langste koolstofketen wordt zodanig genummerd, dat de zijketens op de plaatsen met de laagste nummers komen, bijvoorbeeld.
1. Alkanen 1.1 Naamgeving alkanen 4 methaan () 8 decaan ethaan () 9 undecaan propaan () 10 dodecaan () 2 butaan () 11 tridecaan () 3 pentaan () 12 tetradecaan () 4 hexaan () 13 pentadecaan () 5 heptaan
Scheikunde Chemie Overal Hoofdstuk 5 Hoofdstuk 15 Hoofdstuk 18
Scheikunde Chemie Overal Hoofdstuk 5 Hoofdstuk 15 Hoofdstuk 18 Reactietypen Substitutiereactie Een atoom(groep) wordt vervangen door een andere atoomgroep. Bij halogenen gebeurt dat alleen onder straling.
H4sk-h3. Willem de Zwijgerteam. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie.
Auteur Laatst gewijzigd Licentie Webadres Willem de Zwijgerteam 20 september 2018 CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie https://maken.wikiwijs.nl/65592 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs
Basisscheikunde voor het hbo ISBN e druk Uitgeverij Syntax media
Hoofdstuk 11 Biomoleculen bladzijde 1 Opgave 1 Geef de reactie van de verbranding van glucose (C 6H 12O 6) tot CO 2 en water. C 6H 12O 6 + 6 O 2 6 CO 2 + 6 H 2O Opgave 2 Hoe luidt de reactie (bruto formules)
Samenvatting Scheikunde H12
Samenvatting Scheikunde H12 Samenvatting door Jacco 2854 woorden 22 mei 2018 10 1 keer beoordeeld Vak Methode Scheikunde Chemie overal 12 Molecuulbouw en stofeigenschappen 12.2 Lewisstructuren 12.2.1 Lewisstructuur
H10 Analyse. H10.2 Spectroscopie. H10.3 Spectrofotometrie. H10.4 Kwantitatieve analyse. H10.5 Chromatografie
H10 Analyse H10.2 Spectroscopie Een spectroscopie (licht) gaat via golflengtes. De eenheid op de x as is 1 /nm. Sommige stoffen of deeltjes adsorberen fotonen met specifieke golflengten. Dit gebeurt omdat
Koolstofchemie I. Scheikunde Havo 4
Koolstofchemie I Scheikunde Havo 4 2.5 Karakteris@eke groepen series in de koolstofchemie: homologe reeksen alcoholen aminen carbonzuren homologe reeksen alkanen alkenen alkanolen CH 4 methaan C 2 H 6
Oefenopgaven KOOLSTOFCHEMIE I
Oefenopgaven KOOLSTOFCHEMIE I vwo Inleiding Maak eerst de opgaven over dit onderwerp die bij havo staan. In dit document vind je alleen aanvullende opgaven. OPGAVE 1 Er zijn verschillende stoffen met de
Wat zijn anorganische of minerale stoffen? In hoeveel stofklassen zijn de anorganische stoffen in te delen?
Wat zijn anorganische of minerale stoffen? A. Deze stoffen komen hoofdzakelijk voor in de niet-levende natuur. In hoeveel stofklassen zijn de anorganische stoffen in te delen? B. 4 Welk van deze stofklassen
Samenvatting Pulsar Chemie (Scheikunde): boek 1
Samenvatting Pulsar Chemie (Scheikunde): boek 1 Hoofdstuk 1: Zouten 1: Atoombouw Reactie: hergroepering van atomen van het beginmolecuul naar het eindmolecuul Elektron: negatief geladen deeltje, onderdeel
Herhaling koolstoffen
Herhaling koolstoffen Hoofdstuk 17 Welkom Zwakke punten Herhaling H15 Extra opgaven H17 Periode 1 V6 Koolstofchemie III. 15.2 ReacGetypen SubsGtuGereacGe C 6 H 14 + Br 2 (aq) à C 6 H 13 Br + H + + Br -
Eindexamen scheikunde havo I
pgave (mono)stikstofmono-oxide Indien als antwoord stikstofoxide is gegeven 2 Een juiste verklaring leidt tot de uitkomst 7 (elektronen). elk atoom bevat 8 elektronen in totaal bevat het 2 - ion dus 2
3 h3 organische chemie. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie.
Auteur Laatst gewijzigd Licentie Webadres Its Academy 08 may 2015 CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie https://maken.wikiwijs.nl/51236 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet.
Hoofdstuk 3: Organische chemie - Koolwaterstoffen... 3
Hoofdstuk 3: Organische chemie - Koolwaterstoffen... 3 1. Alkanen... 3 1.1. Inleiding... 3 1.2. Bouw... 3 1.3. Naamgeving... 3 1.4. Isomerie... 4 1.5. Fysische eigenschappen... 4 1.6. Chemische eigenschappen...
Inleiding tot de organische chemie. Voorbereidingsdagen diergeneeskunde
Inleiding tot de 2011-2012 Inhoudstabel Hoofdstuk 1: De verbindingsklassen 1. Inleiding 3 1.1 Wat zijn koolstofverbindingen? 1.2 Waarom zijn er zoveel koolstofverbindingen? 1.3 Voorstellen van koolstofverbindingen
EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 5 OPGAVEN
MAVO-4 II EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN 1974 MAVO-4 Dinsdag 11 juni, 9.00 11.00 NATUUR-EN SCHEIKUNDE II (Scheikunde) OPEN VRAGEN Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 5 OPGAVEN
TF2 6VWO H 2, 3, 6, 7, 12, 14, 16 en 17 Antwoorden oefenopgaven
TF2 6VW 2, 3, 6, 7, 12, 14, 16 en 17 Antwoorden oefenopgaven Benzine (1993-II opgave I) Bij het maken van benzine wordt vaak een stof toegevoegd die de volgende structuurformule heeft: 3 3 3 3 4p 1 Geef
Fosfor kan met waterstof reageren. d Geef de vergelijking van de reactie van fosfor met waterstof.
1 Een oplossing van zwavelzuur en een oplossing van bariumhydroxide geladen beide elektriciteit. Wordt bij de zwavelzuuroplossing een oplossing van bariumhydroxide gedruppeld, dan neemt het elektrisch
Eindexamen scheikunde 1 vwo 2004-I
Eindexamen scheikunde 1 vwo 004-I 4 Beoordelingsmodel Zink 1 Een juist antwoord kan als volgt zijn geformuleerd: IJzerionen zijn Fe + of Fe 3+ en sulfide-ionen zijn en dat leidt tot de formule Fe of Fe
Eindexamen scheikunde 1 vwo I
Beoordelingsmodel Biobrandstofcel 1 maximumscore 2 berekening van de afname van het aantal mmol glucose per liter en van de toename van het aantal mmol Fe 2+ per liter in 150 uur: 1,03 ± 0,01 (mmol L 1
CENTRALE COMMISSIE VOORTENTAMEN SCHEIKUNDE TENTAMEN SCHEIKUNDE. datum : woensdag 26 januari 2011
CENTRALE COMMISSIE VOORTENTAMEN SCHEIKUNDE TENTAMEN SCHEIKUNDE datum : woensdag 26 januari 2011 tijd : 19.00 tot 22.00 uur aantal opgaven : 6 Iedere opgave dient op een afzonderlijk vel te worden gemaakt
5.2.5 - atomen uit de hoofdgroepen, het aantal elektronen op de buitenste schil afleiden uit hun plaats in het periodiek systeem;
Leergebied: groep Leerplannen LP Chemie 2e gr KSO GO 3.5.3 - op het periodiek systeem aanwijzen dat elementen waarvan de enkelvoudige stoffen overeenkomstige chemische eigenschappen hebben, onder elkaar
Eindexamen scheikunde havo 2011 - I
Beoordelingsmodel Uraanerts 1 maximumscore 2 aantal protonen: 92 aantal elektronen: 88 aantal protonen: 92 1 aantal elektronen: aantal protonen verminderd met 4 1 2 maximumscore 2 Voorbeelden van een juist
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 1 en 2
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 1 en 2 Samenvatting door een scholier 918 woorden 13 januari 2005 6,3 193 keer beoordeeld Vak Methode Scheikunde Chemie overal Hoofdstuk 1 1.2: De bouw van een atoom.
ßCalciumChloride oplossing
Samenvatting door R. 1673 woorden 17 februari 2013 8 1 keer beoordeeld Vak Methode Scheikunde Pulsar chemie Additiereactie Bij een reactie tussen hexeen en broom springt de C=C binding open. Aan het molecuul
UITWERKING CCVS-TENTAMEN 15 april 2019
l UITWERKING CCVS-TENTAMEN 15 april 2019 Frank Povel NB. Deze uitwerking is door mij gemaakt en is niet de uitwerking die de CCVS hanteert. Er kunnen dan ook op geen enkele wijze rechten aan deze uitwerking
Alleen de metalen zullen de stroom geleiden omdat deze vrije elektronen hebben, dit zijn dus alleen kalium en tin.
Alleen de metalen zullen de stroom geleiden omdat deze vrije elektronen hebben, dit zijn dus alleen kalium en tin. De metalen en de zouten zullen in gesmolten toestand stroom geleiden, de metalen hebben
H C H. 4-amino-2-pentanon propylmethanoaat 4-hydroxy-2-methyl-2-buteenzuur. 2,3-dihydroxypropanal
efenopgaven hoofdstuk 12 1 pgave 1 Geef de systematische naam van de volgende stoffen: 2 2 2 4-amino-2-pentanon propylmethanoaat 4-hydroxy-2-methyl-2-buteenzuur 2 2 -methoxycycolpentaancarbonzuur de ester
Uitwerkingen Basischemie laboratoriumonderwijs hoofdstuk 10
Uitwerkingen Basischemie laboratoriumonderwijs hoofdstuk 10 Opgave 10.1 Toepassingen van aardolie 1. benzine, brandstof voor motoren 2. asfalt, voor het maken van wegen 3. plastics, voor het maken van
Basisscheikunde voor het hbo ISBN e druk Uitgeverij Syntax media
Hoofdstuk 14 Chemische processen bladzijde 1 Opgave 1 Wat denk je, zijn de volgende processen continuprocessen of batch-processen? a productie van verschillende soorten medicijnen b productie van verschillende
Reactiemechanismen bij halogeenalkanen versie (2)
Reactiemechanismen bij halogeenalkanen samenvatting versie 17-1-2016 (2) Inhoud 1. Vorming van reactieproducten... 2 2. Elektrofiel en nucleofiel... 2 3. Polariteit van een covalente binding... 2 4. Verbreken
plastic Macroniveau: - Stoffen zachter maken: Stoffen hard maken: crosslink (dwarsverbinding): Composieten: Kevlar: Aramide-versterkte composieten:
plastic Macroniveau: - zichtbare en meetbare behoren tot dit niveau. - de eigenschappen op macroniveau hebben weer te maken met de eigenschappen op microniveau. Stoffen zachter maken: Voeg een stof toe
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 1 + 2
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 1 + 2 Samenvatting door K. 1077 woorden 22 maart 2016 6,1 9 keer beoordeeld Vak Scheikunde Impact 3 vwo Scheikunde hoofdstuk 1 + 2 Paragraaf 1: Stoffen bijv. Glas en hout,
Eindexamen vwo scheikunde pilot I
Duurzame productie van waterstof uit afvalwater 1 maximumscore 4 C 6 H 12 O 6 + 4 H 2 O 4 H 2 + 2 CH 3 COO + 2 HCO 3 + 4 H + molverhouding CH 3 COO : HCO 3 = 1 : 1 en C balans juist 1 coëfficiënt voor
Scheikunde II. Prof. Dr. I. De Vynck Prof. Dr. M.-F. Reyniers. 2 ste semester hoorcollege5
1 Scheikunde II Prof. Dr. I. De Vynck Prof. Dr. M.-F. Reyniers 2 ste semester 2002-2003 Scheikunde II 2 Belangrijke types chemische reacties 1. Substitutiereacties 3 nucleofiel elektrofiel radicalair 2.
Methanol. Formule. Brandalcohol, methylalcohol. Productie. (a) Productie van synthesegas. (i) Traditionele methoden
Methanol Formule CH3OH Naam Familie Productie Brandalcohol, methylalcohol Alcoholen (a) Productie van synthesegas (i) Traditionele methoden Methanol wordt vervaardigd uit synthesegas dat een mengsel is
Oefenopgaven KOOLSTOFCHEMIE II
efenopgaven KLSTFEMIE II vwo Inleiding Maak eerst de opgaven over dit onderwerp die bij havo staan. In dit document vind je alleen aanvullende opgaven. PGAVE 1 Als men 2 methylbutanal in water oplost,
WATER. Krachten tussen deeltjes. Intramoleculaire en intermoleculaire krachten
WATER Krachten tussen deeltjes Intramoleculaire en intermoleculaire krachten Intramoleculaire en intermoleculaire krachten De atomen in een molecuul blijven samen door intramoleculaire krachten (atoombinding)
Eindexamen scheikunde havo 2002-I
4. Antwoordmodel Rood kwik 1 Een juiste afleiding leidt tot de lading 5+. berekening van de lading van twee kwik(ii)ionen en zeven oxide-ionen: tweemaal 2+ optellen bij zevenmaal 2-1 conclusie 1 Indien
Oefenopgaven Polymeerchemie
Oefenopgaven Polymeerchemie VWO ANTWOORDMODEL Haarkleuring (2004-I) Het juiste antwoord kan als volgt zijn genoteerd: structuurformule van serine juist structuurformule van asparaginezuur juist Wanneer
Frank Povel. a1. De twee factoren zijn: 1. er moeten geladen deeltjes zijn; 2. de geladen deeltjes moeten zich kunnen verplaatsen.
UITWERKING CCVS-TENTAMEN 26 november 2014 Frank Povel NB. Deze uitwerking is door mij gemaakt en is niet de uitwerking die de CCVS hanteert. Er kunnen dan ook op geen enkele wijze rechten aan deze uitwerking
UITWERKING CCVS-TENTAMEN 27 juli 2015
UITWERKING CCVS-TENTAMEN 27 juli 2015 Frank Povel NB. Deze uitwerking is door mij gemaakt en is niet de uitwerking die de CCVS hanteert. Er kunnen dan ook op geen enkele wijze rechten aan deze uitwerking
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 1
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 1 Samenvatting door W. 1173 woorden 23 juni 2016 6,9 16 keer beoordeeld Vak Methode Scheikunde Nova Scheikunde Samenvatting H1 1 t/m 7 1 Atoombouw: Atoom: Opgebouwd uit
TF2 6VWO H 2, 3, 6, 7, 12, 14, 16 en 17 Oefenopgaven
TF2 6VW, 3, 6, 7, 12, 14, 16 en 17 efenopgaven Benzine (1993-II opgave I) Bij het maken van benzine wordt vaak een stof toegevoegd die de volgende structuurformule heeft: 3 3 3 3 4p 1 Geef de systematische
NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE
NATIONALE SCHEIKUNDEOLYMPIADE CORRECTIEMODEL VOORRONDE 1 (de week van) woensdag 3 februari 2010 Deze voorronde bestaat uit 24 meerkeuzevragen verdeeld over 6 onderwerpen en 3 open vragen met in totaal
Eindexamen scheikunde havo 2005-II
4 Beoordelingsmodel Jood-129 1 aantal protonen: 53 aantal elektronen: 53 aantal protonen: 53 1 aantal elektronen: gelijk aan aantal protonen 1 2 Een voorbeeld van een juist antwoord is: Er ontstaan geen
OEFENVRAAGSTUKKEN STEREOCHEMIE Hoofdstuk 16 PULSAR CHEMIE
OEFEVRAAGSTUKKE STEREOEMIE oofdstuk 16 PULSAR EMIE 1,2-dimethylcyclopropaan Als men diazomethaan, 2 2, laat reageren met trans-2-buteen ontstaan verscheidene reactieproducten. Van één van de reactieproducten
Uitwerkingen Basischemie laboratoriumonderwijs hoofdstuk 11
Uitwerkingen Basischemie laboratoriumonderwijs hoofdstuk 11 Opgave 11.1 Definitie Definitie van een molecuul Een molecuul is het kleinste deeltje van een moleculaire stof dat nog alle chemische eigenschappen
Scheikunde Samenvatting H4+H5
Scheikunde Samenvatting H4+H5 Hoofdstuk 4 4.2 Stoffen worden ingedeeld op grond van hun eigenschappen. Er zijn niet-ontleedbare stoffen en ontleedbare stoffen. De niet-ontleedbare stoffen zijn verdeeld
EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 8 OPGAVEN
MAVO-4 I EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN 1973 MAVO-4 Woensdag 9 mei, 9.00 11.00 NATUUR-EN SCHEIKUNDE II (Scheikunde) OPEN VRAGEN Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 8 OPGAVEN
Koolstofchemie versie 15-09-2015
Koolstofchemie versie 15-09-2015 Je kunt bij een onderwerp komen door op de gewenste rubriek in de inhoud te klikken. Wil je vanuit een rubriek terug naar de inhoud, klik dan op de tekst van de rubriek
Oefen-SE SE4 Havo 5. Micro-organismen
Oefen-SE SE4 Havo 5 Bij alle berekeningen moeten de antwoorden in wetenschappelijke notatie, in het juiste aantal significante cijfers en indien nodig met de juiste eenheid weergegeven worden. Micro-organismen
Samenvatting Chemie Overal 3 havo
Samenvatting Chemie Overal 3 havo Hoofdstuk 3: Reacties 3.1 Energie Energievoorziening Fossiele brandstoffen zijn nog steeds belangrijk voor onze energievoorziening. We zijn druk op zoek naar duurzame
7. Chemische reacties
7. Chemische reacties 1. Definitie Bij een chemische reactie verdwijnen één of meer stoffen en ontstaan één of meer nieuwe stoffen. De stoffen die verdwijnen noemen we de uitgangsstoffen of reagentia.
Heavy metal. CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie.
Auteur Laatst gewijzigd Licentie Webadres Dick Naafs 11 February 2015 CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie http://maken.wikiwijs.nl/57859 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs Maken van Kennisnet.
Eindexamen vwo scheikunde pilot I
Biodiesel uit plantaardig afval 16 maximumscore 2 De verbrandingswarmte van 1,0 L ethaanzuur bedraagt 3 1, 0 1, 05 10 5 6 8,72 10 10 = 15(MJ). 60,05 (Dit is kleiner dan 24 MJ L 1.) berekening van het aantal
H4SK-H3. Willem de Zwijgerteam. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie.
Auteur Laatst gewijzigd Licentie Webadres Willem de Zwijgerteam 28 February 2016 CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie http://maken.wikiwijs.nl/65592 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs
3 H3 Organische chemie. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie.
Auteur Its Academy Laatst gewijzigd 08 May 2015 Licentie CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie Webadres http://maken.wikiwijs.nl/51236 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs Maken van
4 Verbranding. Bij gele vlammen ontstaat roet (4.1)
4 Verbranding Verbrandingsverschijnselen (4.1) Bij een verbranding treden altijd een of meer van de volgende verschijnselen op: rookontwikkeling, roetontwikkeling, warmteontwikkeling, vlammen, vonken.
H 3 C C C CH 3 Br. Extra opgaven koolstofchemie VWO4 (I) Opgave 1
Extra opgaven koolstofchemie VWO4 (I) Opgave 1 Teken structuurformules van: a 1,4-dibroombutaan b 1,2,2-trichloorpropaan c 2-broom-3,5-dichlooroctaan d trichloormethaan (chloroform) e 1,1,1-trichloorethaan
Eindexamen scheikunde 1 vwo 2001-I
Eindexamen scheikunde vwo -I 4 Antwoordmodel Parkeerkaartje Het juiste antwoord is: S O 8 - + I - SO4 - + I S O 8 - voor de pijl en SO4 - na de pijl I - voor de pijl en I na de pijl Indien de volgende
UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VWO
UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: SCHEIKUNDE 1 NIVEAU: VWO EXAMEN: 2002-I De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen.
Waarschuwing: sommige dingen missen in deze samenvatting, ik vind deze namelijk vanzelfsprekend. Dit kan in jouw geval anders zijn, dus let op.
Waarschuwing: sommige dingen missen in deze samenvatting, ik vind deze namelijk vanzelfsprekend. Dit kan in jouw geval anders zijn, dus let op. Scheikunde samenvatting se 1 Hoofdstuk 1: scheiden en reageren
Eindexamen scheikunde havo 2001-I
Eindexamen scheikunde havo -I 4 Antwoordmodel Nieuw element (in de tekst staat:) deze atomen zijn eerst ontdaan van een aantal elektronen dus de nikkeldeeltjes zijn positief geladen Indien in een overigens
Hoofdstuk 3 Organische stoffen
oofdstuk 3 Organische stoffen 3.1 Organische stoffen Organische stoffen bestaan uit moleculen die opgebouwd zijn uit één of meer koolstofatomen die onderling en/of aan andere atomen gebonden zijn door
Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 20 vragen
MAVO-4 II EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN 1982 MAVO-4 Woensdag 15 juni, 9.00 11.00 NATUUR-EN SCHEIKUNDE II (Scheikunde) MEERKEUZETOETS Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 20
Eindexamen vwo scheikunde I
Waterstof uit afvalwater 1 maximumscore 4 C 6 H 1 O 6 + 4 H O 4 H + CH COO + HCO + 4 H + molverhouding CH COO : HCO = 1 : 1 en C balans juist 1 coëfficiënt voor H + gelijk aan de som van de coëfficiënten
Examen VWO. scheikunde 1,2. tijdvak 1 dinsdag 26 mei 13.30-16.30 uur. Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage.
Examen VWO 2009 tijdvak 1 dinsdag 26 mei 13.30-16.30 uur scheikunde 1,2 Bij dit examen horen een bijlage en een uitwerkbijlage. Dit examen bestaat uit 23 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 68 punten
Samenvatting Scheikunde H6 Water (Chemie)
Samenvatting Scheikunde H6 Water (Chemie) Samenvatting door een scholier 1237 woorden 6 april 2003 5,5 120 keer beoordeeld Vak Scheikunde 1 Inleiding - Water is een heel bekent begrip. De bekende molecuul
Eindexamen scheikunde havo 2000-I
4 Antwoordmodel et goud der dwazen aantal protonen: 3 aantal elektronen: 34 aantal protonen: 3 aantal elektronen: aantal protonen plus Voorbeelden van juiste antwoorden zijn: de geleidbaarheid bepalen,
vrijdag 28 oktober :40:59 Nederland-tijd Moleculaire stoffen 4havo hoofdstuk 2; Chemie Overal
+ Moleculaire stoffen 4havo hoofdstuk 2; Chemie Overal + 2.2 Elektrisch geleidingsvermogen Demo 2.1 Geleidt stroom als vaste stof: ja / nee Geleidt stroom als vloeistof: ja/nee Opgebouwd uit welke atoomsoorten?
Extra oefenopgaven H2 [naamgeving koolwaterstoffen, rekenen met molair volume]
Extra oefenopgaven H2 [naamgeving koolwaterstoffen, rekenen met molair volume] Gebruik bij deze opdrachten BINAS-tabellen 7 / 66C / 66D. Naamgeving koolwaterstoffen Bij de naamgeving kun je het onderstaande
SE voorbeeldtoets 5HAVO antwoordmodel
SE voorbeeldtoets 5AV antwoordmodel Stikstof Zwaar stikstofgas bestaat uit stikstofmoleculen waarin uitsluitend stikstofatomen voorkomen met massagetal 15. 2p 1 oeveel protonen en hoeveel neutronen bevat
Koolstofdioxide1985-II(I)
EXAMEN SCHEIKUNDE VWO 1985, TWEEDE TIJDVAK, opgaven Koolstofdioxide1985-II(I) Lucht bevat koolstofdioxide. Als lucht in water wordt geleid stelt zich onder andere het volgende evenwicht in: CO 2(g) CO
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 3
Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 3 Samenvatting door K. 1467 woorden 5 maart 2016 5,5 2 keer beoordeeld Vak Scheikunde Scheikunde Samenvatting H3 3V 3.1 Energie Fossiele brandstoffen -> nu nog er afhankelijk
EXAMEN SCHEIKUNDE VWO 1983 EERSTE TIJDVAK opgaven
EXAMEN SCHEIKUNDE VWO 1983 EERSTE TIJDVAK opgaven Eliminatie 1983-I(I) Als uit een molecuul twee atomen of atoomgroepen worden verwijderd waarbij in het molecuul een meervoudige binding ontstaat, dan spreekt
EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 5 OPGAVEN
MAVO-4 I EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN 1974 MAVO-4 Woensdag 8 mei, 9.00 11.00 NATUUR-EN SCHEIKUNDE II (Scheikunde) OPEN VRAGEN Dit examen bestaat voor iedere kandidaat uit 5 OPGAVEN
Bindingen. Suiker Suiker heeft de molecuulformule C 12 H 22 O 11
Bindingen Suiker Suiker heeft de molecuulformule C 12 H 22 O 11 1. Leg uit dat suiker een moleculaire stof is 2. Van suiker is de oplosbaarheid in water zeer hoog. Leg uit waarom suiker zo goed in water
Vragen bij deoefen- en zelftoets-module behorende bij hoofdstuk 2, 3, 4 en 5 van Unit 1 van Biology, Campbell,10 e druk Versie
Chemie van het leven Vragen bij deoefen- en zelftoets-module behorende bij hoofdstuk 2, 3, 4 en 5 van Unit 1 van Biology, Campbell,10 e druk Versie 2014-2015 Chemische achtergrond van leven 1. Atoomnummer
scheikunde vwo 2016-II
Chillen bij 60 C 1 maximumscore 4 Een juist antwoord kan als volgt zijn weergegeven: de peptidebindingen juist weergegeven 1 de restgroepen juist weergegeven 1 structuurformule van H 2 O en juiste waterstofbrug
