STATUUT PERSONEEL GEMEENSCHAPSONDERWIJS
|
|
|
- Tine van der Linden
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 STATUUT PERSONEEL GEMEENSCHAPSONDERWIJS Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming Oktober 2006
2 Naast deze brochure geeft het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming tal van andere publicaties uit. Voor een overzicht kunt u terecht op de website Een papieren versie van de catalogus kunt u bekomen bij: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming Agentschap voor Onderwijscommunicatie Cel Publicaties Hendrik Consciencegebouw (5 de verdieping - 5 A 18-21) Koning Albert II-laan Brussel Tel.: Fax: [email protected] Inhoudelijke informatie : COLOFON Samenstelling: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming Agentschap voor Onderwijscommunicatie Verantwoordelijke uitgever: Frieda Minne, afdelingshoofd Agentschap voor Onderwijscommunicatie Koning Albert II-laan 15, 1210 Brussel Depotnummer: D/2006/3241/239 Druk: Copycenter Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming 2
3 VOORWOORD Het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs werd sinds zijn inwerkingtreding reeds meermaals gewijzigd. De meest recente wijzigingen zijn deze aangebracht door het decreet van 7 juli 2006 betreffende het onderwijs XVI. Deze brochure biedt u de volledig gecoördineerde versie, geldig vanaf 1 september [...]:betekent dat de tekst volledig werd opgeheven. Hou er rekening mee dat deze publicatie slechts een momentopname is. Voor de meest actuele stand van zaken kan u best het personeelsstatuut online raadplegen ( 3
4 4
5 INHOUDSTAFEL blz. HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen en definitie 9 artikel 1 tot artikel 5bis HOOFDSTUK II. - Plichten 15 artikel 6 tot artikel 12 HOOFDSTUK IIbis. - Aansprakelijkheid 16 artikel 12bis HOOFDSTUK IIter. - Bijstand 16 artikel 12ter HOOFDSTUK IIquater. - Ter beschikking stellen van personeelsleden ten artikel 12quater behoeve van gebruikers 16 HOOFDSTUK III. - Wervingsambten 17 Afdeling I. - Algemene bepalingen 17 artikel 13 tot artikel 16 Afdeling II. - Tijdelijke aanstelling en tijdelijke personeelsleden 17 artikel 17 tot artikel 27 Afdeling III. - Vacantverklaring met het oog op mutatie 29 artikel 28 tot artikel 29 en vaste benoeming Afdeling IV. - Mutatie 32 artikel 30 tot artikel 34ter Afdeling V. - Vaste benoeming 34 artikel 35 tot artikel 40ter Afdeling VI. - Ondersteunend en beleids- en ondersteunend 39 artikel 40quater tot personeel artikel 40octies Afdeling VII. - Scholengemeenschappen in het basisonderwijs 40 artikel 40novies HOOFDSTUK IV. - Evaluatie 41 artikel 41 HOOFDSTUK V. - Selectie en bevordering 41 artikel 41bis tot artikel 55 5
6 HOOFDSTUK Vbis. - Vastbenoemde personeelsleden tijdelijk 50 artikel 55bis tot artikel 55ter belast met een andere opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt HOOFDSTUK Vter. - Mandaat 51 artikel 55quater tot artikel 55quaterdecies HOOFDSTUK Vquater. - Mandaat van de algemeen directeur 54 artikel 55quinquiesdecies tot artikel 55octiesdecies HOOFDSTUK Vquinquies. - Mandaat van coördinerend directeur 55 artikel 55vicies HOOFDSTUK VI. - Rechten van personeelsleden bij het 56 artikel 56 overnemen van onderwijsinstellingen HOOFDSTUK VIbis. - Rechten van personeelsleden bij wijziging 56 artikel 56bis van de samenstelling van een scholengemeenschap HOOFDSTUK VIter. - Concordantie 57 artikel 56ter HOOFDSTUK VII. - Maatregelen van orde 58 artikel 57 Afdeling I. - Overplaatsing in het belang van de dienst 58 artikel 58 Afdeling II. - Preventieve schorsing 59 artikel 59 tot artikel 59bis Afdeling III. - De terbeschikkingstelling wegens ambts- 59 Artikel 60 ontheffing in het belang van de dienst HOOFDSTUK VIII. - Tuchtregeling 59 artikel 60bis Afdeling I. - Tuchtstraffen 60 artikel 61 tot artikel 69 Afdeling II. - Doorhaling van de tuchtstraffen 63 artikel 70 Afdeling III. - De raad van beroep 63 artikel 71 tot artikel 73 HOOFDSTUK VIIIbis. - Functiebeschrijving 64 artikel 73bis tot artikel 73ter 6
7 HOOFDSTUK VIIIter. - Evaluatie 65 artikel 73quater Afdeling I. - De evaluatie 65 artikel 73quinquies tot 73septies Afdeling II. - De evaluatie "onvoldoende" 66 artikel 73octies tot artikel 73terdecies HOOFDSTUK IX. - Administratieve standen 68 Afdeling I. - Algemene bepalingen 68 artikel 74 tot artikel 75 Afdeling II. - Dienstactiviteit 68 artikel 76 tot artikel 77quinquies Afdeling III. - Non-activiteit 71 artikel 78 tot artikel 81 Afdeling IV. - Terbeschikkingstelling 72 artikel 82 tot artikel 85 HOOFDSTUK X. - Definitieve ambtsneerlegging 74 artikel 86 tot artikel 88bis HOOFDSTUK XI. - Slot-, opheffings- en overgangsbepalingen 76 artikel 89 tot artikel 104 7
8 8
9 De Vlaamse Raad heeft aangenomen en Wij, regering, bekrachtigen hetgeen volgt: HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen en definitie Artikel 1. Artikel 2. Dit decreet regelt een aangelegenheid zoals bedoeld in artikel 59bis, 2, 2, van de Grondwet. Het kan worden aangehaald als het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs. 1. Dit decreet is van toepassing op de volgende personeelscategorieën: - het bestuurs- en onderwijzend personeel met inbegrip van de godsdienstleerkrachten; - het opvoedend hulppersoneel; - het paramedisch en sociaal personeel; - het psychologisch, orthopedagogisch en medisch personeel; - het technisch personeel; - het administratief personeel; - het ondersteunend personeel; - het beleids- en ondersteunend personeel; - het personeel van de pedagogische begeleidingsdienst; - het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel; die in het gemeenschapsonderwijs worden tewerkgesteld bij de scholengroep of in de volgende instellingen: - de scholen van het basisonderwijs en de instellingen van het secundair onderwijs en deeltijds kunstonderwijs, in welke vorm ook; - de autonome internaten en tehuizen; - de semi-internaten en de opvangcentra; - de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel, verder aangeduid als CLB; - [ ] 9
10 Artikel 3. - de centra voor volwassenenonderwijs. - [...] 2. Dit decreet is niet van toepassing op de voordrachtgevers zoals bedoeld in de artikelen 68 en 69 van het decreet van 5 juli 1989 betreffende het onderwijs. 3. De Vlaamse regering bepaalt de nadere omschrijving van de in 1 genoemde categorieën. In afwachting hiervan blijven evenwel de bestaande wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen van kracht. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder: 1 de ARGO: de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs bedoeld in het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs; 2 de centrale raad: de raad met die naam bedoeld in artikel 5 van het bijzonder decreet van 19 december 1988; 3 de instelling: de scholen van het basisonderwijs en de instellingen voor secundair onderwijs en deeltijds kunstonderwijs, de centra voor volwassenenonderwijs, de autonome internaten en tehuizen, de semi-internaten, de opvangcentra, de pedagogische begeleidingsdienst en de centra voor leerlingenbegeleiding en in voorkomend geval hun permanente ondersteuningscel. Het internaat toegevoegd aan een onderwijsinstelling, maakt deel uit van die instelling; 4 het schooljaar: de periode van 1 september tot 31 augustus van het daaropvolgend jaar voor het kleuter-, lager en secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en voor de CLB s; 5 de titularis: het personeelslid dat in een vacante betrekking vast benoemd, tijdelijk aangesteld of tot de proeftijd toegelaten is, met uitzondering van wie voor een tijd de tijdelijke titularis vervangt; 6 de bekwaamheidsbewijzen: de door de Vlaamse regering voor het ambt bepaalde bekwaamheidsbewijzen; 7 de godsdienst: één van de erediensten bedoeld in artikel 8 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving; 8 de godsdienstleerkrachten: de godsdienstleraar en de leermeester godsdienst; 9 een ambt: een functie die in de onderwijssector wordt uitgeoefend en door de Gemeenschap wordt gefinancierd. De Vlaamse regering stelt de verschillende ambten vast en maakt een indeling in wervings-, selectie- en bevorderingsambten. Zolang de Vlaamse regering geen uitvoering heeft verleend aan deze bepaling blijft de bestaande reglementering van kracht; 10
11 10 een betrekking: de concrete werkgelegenheid in een bepaald ambt in een instelling, uitgedrukt in een door de inrichtende macht bepaald aantal prestatie-eenheden per week en, indien het een onderwijsopdracht betreft, met vermelding van het onderwijsniveau, het vak en de specialiteit ervan of een ermede gelijkgestelde activiteit, en in voorkomend geval, de graad of cyclus en de onderwijsvorm of de opleidingsvorm. Als het gaat om een opdracht in een ambt van het ondersteunend personeel vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste niveau van bekwaamheidsbewijs. Als het gaat om een opdracht in een ambt van het beleids- en ondersteunend personeel dan vermeldt de inrichtende macht eveneens het vereiste opleidingsniveau. Een betrekking kan volledig of onvolledig zijn. Een volledige betrekking stemt overeen met het aantal prestatie-eenheden vereist voor een ambt met volledige prestaties. Een personeelslid dat deeltijds werkt, heeft het recht dat deze prestaties maximaal over een proportioneel aantal halve dagen per week worden gespreid; 11 een vacante betrekking: de betrekking die niet is toegewezen aan een tot de proeftijd toegelaten of vast benoemd personeelslid; 12 opdracht van een personeelslid: aantal prestatie-eenheden per week door een personeelslid verricht in een bepaald ambt in een instelling en, indien het een onderwijsopdracht betreft, in een bepaald onderwijsniveau, in een bepaald vak en de specialiteit ervan of een ermede gelijkgestelde activiteit, en in voorkomend geval, de graad of cyclus en de onderwijsvorm of de opleidingsvorm. De prestatie-eenheid is de basiseenheid die voor een bepaald ambt door de Vlaamse regering wordt vastgesteld; 13 de mutatie: de benoeming en affectatie aan een andere scholengroep of een instelling van een andere scholengroep in een betrekking van het ambt waarin het personeelslid vastbenoemd is; 14 de lokale bestuursorganen: de in artikel 5, 1, 2 en 3, van het bijzonder decreet van 19 december 1988 bedoelde bestuursorganen alsmede de in artikel 5, 2, van hetzelfde bijzonder decreet bedoelde bestuurslichamen; 15 contractueel personeelslid: personeelslid dat werd aangenomen met een arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten; 16 lokaal comité: het inzake arbeidsvoorwaarden en personeelsaangelegenheden bevoegde lokaal overlegorgaan of onderhandelingsorgaan; 17 vacature: elke volledige of onvolledige betrekking die, ofwel definitief vacant is, ofwel tijdelijk vacant is, voor een periode van tenminste tien werkdagen; 18 het Gemeenschapsonderwijs: het Gemeenschapsonderwijs zoals bepaald in artikel 3 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; 11
12 19 gemeenschapsonderwijs: het gemeenschapsonderwijs zoals bedoeld in artikel 2 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; 20 Raad van het Gemeenschapsonderwijs: de Raad van het Gemeenschapsonderwijs zoals bedoeld in artikel 5 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; 21 afgevaardigd bestuurder: de afgevaardigd bestuurder van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs zoals bedoeld in artikel 5 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; 22 scholengroep: de scholengroep zoals bedoeld in artikel 5, 6 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; 23 raad van bestuur: de raad van bestuur van een scholengroep zoals bedoeld in artikel 5, 5 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; 24 directeur: de directeur van een school of een centrum voor leerlingenbegeleiding zoals bedoeld in artikel 5, 2 en 16 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; 25 algemeen directeur: de algemeen directeur zoals bedoeld in artikel 5, 3 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; 26 college van directeurs: het college van directeurs zoals bedoeld in artikel 5, 3 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; 27 instellingshoofd: het hoofd van een instelling zoals bedoeld in artikel 2, 1. Voor de pedagogische begeleidingsdienst wijst de afgevaardigd bestuurder een personeelslid van de pedagogische begeleidingsdienst als instellingshoofd aan; 28 scholengemeenschap: de scholengemeenschap zoals bedoeld in artikel 2, 28 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs en de scholengemeenschap basisonderwijs zoals bedoeld in artikel 3, 52bis, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs; 29 vormingscentrum: de permanente ondersteuningscel voor de gefinancierde centra voor leerlingenbegeleiding, zoals bedoeld in artikel 89 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding; 30 raadsman: een advocaat, een personeelslid van een instelling of wat de werknemer betreft, een vertegenwoordiger van een erkende vakorganisatie en wat de werkgever betreft, een vertegenwoordiger van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs; 31 bevoegde instantie van de godsdienst of betrokken eredienst: de instantie of personen die de bevoegdheid op basis van de eigen interne regelgeving hebben, of de instantie of personen die van het representatieve orgaan van de eredienst of van het hoofd van de eredienst de bevoegdheid krijgen; 12
13 Artikel raadsman bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer: de erkende vereniging van de niet-confessionele gemeenschap, vermeld in het decreet van 1 december 1993 betreffende de inspectie en begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken. Voor de toepassing van dit decreet dienen de woorden "centrale raad", "de lokale bestuursorganen" en "bestuur" gelezen te worden als: "het bestuursorgaan of de bestuursorganen die ten aanzien van de instellingen de bestuurshandelingen verrichten overeenkomstig de door of krachtens de wet, het decreet en inzonderheid het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs of het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs toegewezen bevoegdheden." 1. Voor het berekenen van de dienstanciënniteit in het gemeenschapsonderwijs: a) bestaat het aantal dagen, gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen gerekend van het begin tot het einde van de ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden met uitzondering van de zomervakantie, als ze in die activiteitsperiode vallen. Dat aantal wordt vermenigvuldigd met 1,2. In afwijking hiervan bestaat voor het administratief personeel, de administratief medewerker van het beleids- en ondersteunend personeel, de administratief medewerker van het ondersteunend personeel en voor de personeelsleden van de CLB's, de semi-internaten en de opvangcentra, het aantal dagen gepresteerd als tijdelijk aangesteld personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, uit al de kalenderdagen van het begin tot het einde van een ononderbroken activiteitsperiode, met inbegrip van alle vakantieperioden. Dit aantal wordt niet vermenigvuldigd met 1,2. De dagen, gepresteerd in een andere hoedanigheid dan die van tijdelijk personeelslid in een betrekking met volledige dienstprestaties, worden gerekend vanaf het begin tot het einde van een ononderbroken periode van dienstactiviteit, met inbegrip van alle vakantieperioden; b) worden de dagen gepresteerd in een betrekking met onvolledige dienstprestaties, die ten minste de helft bedraagt van het aantal uren vereist voor de betrekking met volledige dienstprestaties, op dezelfde grond in aanmerking genomen als de dagen gepresteerd in een betrekking met volledige dienstprestaties. Het aantal dagen gepresteerd in een betrekking die niet de helft bedraagt van het aantal uren, vereist voor een betrekking met volledige dienstprestaties wordt met de helft verminderd; c) mag het aantal dagen gepresteerd in twee of meer gelijktijdig uitgeoefende betrekkingen met volledige of onvolledige dienstprestaties nooit meer bedragen dan het aantal dagen gepresteerd in een betrekking met volledige dienstprestaties die tijdens dezelfde periode wordt uitgeoefend; d) vormen dertig dagen een maand; 13
14 Artikel 5. Artikel 5bis. e) worden als diensten beschouwd de diensten door het personeelslid in het Gemeenschapsonderwijs gepresteerd in de stand dienstactiviteit alsook het verlof dat hem is toegekend overeenkomstig artikel 77. Eveneens als diensten worden beschouwd de perioden tijdens welke het personeelslid zich in de administratieve stand van terbeschikkingstelling bevindt zoals bepaald in artikel 82, a), c) en e); f) komen de dagen gepresteerd in een ambt van godsdienstleerkracht slechts in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in datzelfde ambt. De diensten die - zowel in het gemeenschaps- als in het gesubsideerd onderwijs - gepresteerd werden tussen 1 september 1975 en 31 augustus 2001 in het ambt van godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst en die in aanmerking komen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit, komen in aanmerking voor de berekening van de dienstanciënniteit in dat ambt.; g) kan gedurende een schooljaar een dienstanciënniteit van maximaal 360 dagen worden verworven. 2. Voor de berekening van de dienstanciënniteit komen de hiervoor bedoelde diensten enkel in aanmerking indien ze gepresteerd werden in hoofdambt. 3. De regering bepaalt op welke wijze de volgende diensten mee in aanmerking worden genomen voor het berekenen van de dienstanciënniteit in de centra voor leerlingenbegeleiding in het gemeenschapsonderwijs: 1 contractueel personeelslid bij een PMS-centrum van het gemeenschapsonderwijs; 2 contractueel personeelslid bij een equipe voor medisch schooltoezicht; 3 klerk, gepresteerd vóór de overdracht naar het gemeenschapsonderwijs en tijdens de wettelijke vooropzegperiode na de overdracht met toepassing van artikel 201 van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-ii; 4 gesubsidieerd contractueel personeelslid. De nuttige ervaring is de tijd doorgebracht in het onderwijs of de tijd gedurende welke een persoon, als werknemer in een particuliere of openbare dienst of als zelfstandige een beroep of een ambacht heeft uitgeoefend. Zij wordt aangetoond op de wijze bepaald door de Vlaamse regering. Zolang de Vlaamse regering geen uitvoering heeft verleend aan deze bepaling blijft de bestaande reglementering van kracht. Artikel 19, 2 en 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 7 oktober 1997 betreffende de nuttige ervaring als bekwaamheidsbewijs voor personeelsleden van het onderwijs, wordt bekrachtigd met ingang van 1 september
15 HOOFDSTUK II. - Plichten Artikel 6. Artikel 7. Artikel 8. Artikel 9. Artikel 10. Artikel 11. Artikel 12. De personeelsleden moeten het belang behartigen van het gemeenschapsonderwijs en van de instelling waarin zij tewerkgesteld zijn. Zij behartigen daarenboven het belang van de leerlingen, de cursisten en de consultanten. De personeelsleden vervullen de taken die hun worden opgedragen, persoonlijk en nauwgezet, met inachtneming van de verplichtingen die hun door of krachtens de wet of het decreet of bij dienstorder zijn opgelegd. De personeelsleden moeten zich in hun dienstbetrekkingen en in hun omgang met de leerlingen, de ouders van de leerlingen en het publiek op een correcte wijze gedragen. De personeelsleden moeten alles vermijden dat het vertrouwen van het publiek kan schaden of afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van hun functie in het onderwijs. Het is de personeelsleden verboden rechtstreeks of door een tussenpersoon, zelfs buiten hun ambt doch omwille ervan, giften, geschenken, beloningen of enig ander voordeel aan te nemen. In de uitoefening van hun ambt moeten de personeelsleden de neutraliteit in acht nemen en aan het pedagogisch project van het gemeenschapsonderwijs gestalte geven. Zij mogen daarenboven hun gezag niet aanwenden voor politieke of commerciële doeleinden. De godsdienstleerkrachten en de leermeesters en de leraars niet-confessionele zedenleer moeten meewerken aan de realisatie van het pedagogisch project van het Gemeenschapsonderwijs en het schoolwerkplan. Behoudens overmacht mogen de personeelsleden de uitoefening van hun ambt niet onderbreken zonder voorafgaande toestemming van de rechtstreekse hiërarchische overheid. De personeelsleden zijn ertoe gehouden het ambtsgeheim te bewaren. 1. Onverminderd de toepassing van de strafwetten wordt iedere overtreding door een vast benoemd personeelslid en door een personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur van de in dit hoofdstuk vermelde bepalingen, al naar het geval, bestraft met een van de in artikel 61 bepaalde tuchtstraffen. 15
16 2. Elke overtreding van de in dit hoofdstuk vastgestelde plichten wordt, nadat het personeelslid zich behoorlijk heeft kunnen verdedigen, opgenomen in het beoordelings- of evaluatiedossier. HOOFDSTUK IIbis. - Aansprakelijkheid Artikel 12bis. Ingeval het personeelslid bij de uitvoering van zijn ambt de werkgever of derden schade berokkent, is hij enkel aansprakelijk voor zijn bedrog en zijn zware schuld. Voor lichte schuld is hij enkel aansprakelijk als die bij hem eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomt. De werkgever kan de vergoedingen en de schadeloosstellingen die hem krachtens dit artikel verschuldigd zijn en die na de feiten met het personeelslid zijn overeengekomen of door de rechter vastgesteld, op de wedde inhouden in de voorwaarden als bepaald bij artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. HOOFDSTUK IIter. - Bijstand Artikel 12ter. Een personeelslid kan zich in de procedures, bepaald krachtens dit decreet, steeds laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman. HOOFDSTUK IIquater. - Ter beschikking stellen van personeelsleden ten behoeve van gebruikers Artikel 12quater. 1. Behoudens de krachtens decreet bepaalde gevallen, kan een personeelslid niet ter beschikking worden gesteld van derden die over deze personeelsleden enig gedeelte van het gezag uitoefenen dat normaal aan de werkgever toekomt. Geldt evenwel niet als de uitoefening van een gezag in de zin van het eerste lid, het naleven door de derde van de verplichtingen die op hem rusten inzake het welzijn op het werk, alsook instructies die door de derde worden gegeven in uitvoering van een contractuele of statutaire rechtsverhouding die hem met de werkgever verbindt, inzonderheid in het kader van een vorm van samenwerking tussen scholen of een scholengemeenschap. 16
17 2. De rechtshandeling waarbij een personeelslid in dienst wordt genomen om ter beschikking te worden gesteld van een gebruiker in strijd met de bepaling van het eerste lid, is nietig vanaf het begin der uitvoering van de tewerkstelling bij de gebruiker. HOOFDSTUK III. - Wervingsambten Artikel 13. Artikel 14. Artikel 15. Afdeling I. - Algemene bepalingen De wervingsambten worden uitgeoefend door personeelsleden die ofwel tijdelijk aangesteld ofwel vast benoemd zijn. Zij worden toegewezen door werving volgens de hieronder bepaalde regels. Het personeelslid ondertekent bij de eerste indiensttreding het pedagogisch project, de gehechtheids- en neutraliteitsverklaring van het gemeenschapsonderwijs. De prioriteitswetten van 3 augustus 1919 en 27 mei 1947 zijn niet van toepassing op de wervingsambten. Artikel 16. [ ] Artikel 17. Afdeling II. - Tijdelijke aanstelling en tijdelijke personeelsleden 1. Om als tijdelijk personeelslid te kunnen worden aangesteld moet het personeelslid op het ogenblik van de aanstelling voldoen aan volgende voorwaarden: 1 onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie is, behoudens door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling; 2 de burgerlijke en politieke rechten geniet, behoudens een door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in 1 ; 3 houder is van een bekwaamheidsbewijs zoals bedoeld in artikel 3, 6 ; 4 voldoet aan de bepalingen van de taalwetten ter zake; 5 van onberispelijk gedrag zijn, zoals dat blijkt door een attest van goed zedelijk gedrag dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven; 6 voldoet aan de dienstplichtwetten; 17
18 Artikel 18. Artikel zich kandidaat hebben gesteld op een wijze bepaald door de het college van directeurs. 2. Bij de indiensttreding moet het personeelslid een medisch attest voorleggen, dat niet langer dan één jaar tevoren werd afgegeven en waaruit blijkt dat hij in een zodanige gezondheidstoestand verkeert, dat hij geen ziekten of gebreken heeft die een gevaar vormen voor de gezondheidstoestand van de leerlingen. 3. Niemand kan als tijdelijk aangesteld personeelslid worden aangesteld in strijd met de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens onstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling. 4. Bij gebrek aan kandidaten kan de directeur of raad van bestuur al naar gelang het geval afwijken van de in 1, 7, genoemde verplichting. 5. Onverminderd de bepalingen van dit decreet worden de godsdienstleerkrachten, de leermeesters niet-confessionele zedenleer en de leraars secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer door de directeur geworven, op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst, respectievelijk de bevoegde instantie van de niet-confessionele zedenleer. 6. Een tijdelijke aanstelling van een personeelslid dat houder is van een "ander bekwaamheidsbewijs" is in duur beperkt tot het lopende schooljaar. 1. Elke aanstelling in een wervingsambt en elke wijziging ervan moeten schriftelijk worden vastgesteld en ten minste vermelden: 1 de benaming en het adres van de instelling en de scholengroep waartoe de instelling behoort; 2 de identiteit van het personeelslid; 3 het uit te oefenen ambt en de omvang van de betrekking. Bovendien wordt in het geschrift vermeld of het gaat om een aanstelling in een vacante of een niet-vacante betrekking en in dit laatste geval desgevallend de naam van de titularis van de betrekking en, in voorkomend geval, van het afwezige personeelslid dat hem tijdelijk vervangt. 2. Bij ontstentenis van een geschrift, wordt het personeelslid geacht aangesteld te zijn voor het ambt, voor de opdracht en in de betrekking die het werkelijk uitoefent. 1. De kandidaten voor een tijdelijke aanstelling moeten zich bij de scholengroep kandidaat stellen vóór 15 juni. 2. De kandidatuur geldt voor de duur van het schooljaar waarvoor zij werd ingediend. 18
19 Artikel 20. Artikel Laatstejaarsstudenten kunnen zich kandidaat stellen en voor een aanstelling in aanmerking komen als zij uiterlijk op 15 oktober schriftelijk aan de scholengroep laten weten dat zij aan de aanstellingsvoorwaarden voldoen. 1. De tijdelijke aanstelling gebeurt door de directeur. 2. In afwijking van de bepaling van 1 gebeurt de tijdelijke aanstelling in een autonoom internaat of bij de scholengroep door de raad van bestuur, op voorstel van het betrokken instellingshoofd. 3. In afwijking van de bepaling van 1 gebeurt de tijdelijke aanstelling in het vormingscentrum en de pedagogische begeleidingsdienst door de afgevaardigd bestuurder, op voorstel van het betrokken instellingshoofd. 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden en de instellingen, met uitzondering van deze van het basisonderwijs en het secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren. 2. Een tijdelijke aanstelling in een instelling kan gebeuren in een vacante en/of niet vacante betrekking voor een bepaalde of voor een doorlopende duur. De tijdelijke aanstelling van doorlopende duur is een recht onder de voorwaarden van dit artikel. 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur indien het in één of meer instellingen van dezelfde scholengroep: 1 gespreid over ten minste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen; 2 als laatste evaluatie geen beoordeling of evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende" heeft verkregen. Indien het personeelslid niet werd beoordeeld of geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn; 3 niet werd ontslagen. Het recht geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen: 1 in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren; 2 in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren. 19
20 Het personeelslid dat een beroep wenst te doen op het recht van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur moet, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgend schooljaar, vóór 15 juni bij de raad van bestuur, kandideren met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in één of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dit vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. Het recht op tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden bedoeld in hoofdstuk Vbis voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor zij een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. 4. De anciënniteit bedoeld in 3 wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden. Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit, in afwijking van artikel 4, berekend op basis van prestaties in één of meer instellingen die vanaf 1 april 1999 behoren tot dezelfde scholengroep. Voor het bepalen van de anciënniteit bedoeld in dit artikel wordt, in afwijking van artikel 4, 1, a, het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd. In afwijking van artikel 4, 2, dient voor de vaststelling van het recht bedoeld in 3 in het onderwijs voor sociale promotie en het deeltijds kunstonderwijs die dienstanciënniteit niet in hoofdambt verworven te zijn. 5. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor dat ambt waarin de in 3 bedoelde anciënniteit is verworven en waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. Is de in 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. Is de in 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. 6. Een personeelslid dat krachtens 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in één of meer instellingen van de scholengroep. 20
21 7. Het personeelslid dat in toepassing van artikel 61, 6, werd afgedankt heeft op basis van prestaties geleverd voor de afdanking geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. 8. Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, op voorwaarde dat hij nog niet is aangesteld voor een voltijdse betrekking of geen voltijdse betrekking heeft waarvan hij titularis is. 9. Wanneer de directeur over verscheidene vacatures beschikt, moet hij bij voorrang betrekkingen die definitief vacant zijn toewijzen aan personeelsleden met een recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. 10. Vastbenoemde personeelsleden die in één of meer instellingen van dezelfde scholengroep een betrekking met onvolledige prestaties in hoofdambt hebben, komen prioritair en in de hieronder vermelde volgorde in aanmerking voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, voorzover van toepassing: 1 in instellingen van dezelfde scholengroep, die niet tot een scholengemeenschap behoren; 2 in instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren. 11. Personeelsleden met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur die hun betrekking niet effectief kunnen opnemen omwille van ziekte, een arbeidsongeval of moederschapsrust behouden hun recht op zulke aanstelling. Zij kunnen aangesteld worden en voor de duur van hun afwezigheid volgens de geldende regels vervangen worden. 12. Behoudens andersluidende overeenkomst met de directeur en op straffe van verlies van zijn recht op de aangeboden betrekking, moet het personeelslid dat zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur doet gelden, die betrekking in haar geheel aanvaarden, zoals ze wordt aangeboden. Die bepaling is niet van toepassing op de personeelsleden die binnen de scholengroep, een niet-voltijdse betrekking uitoefenen en deze opdracht willen uitbreiden. De toepassing van deze paragraaf mag niet leiden tot onverantwoorde pedagogische opsplitsing van de te begeven opdracht. 13. Indien een personeelslid met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur de aanstelling van een ander personeelslid betwist, geeft de directeur inzage van de administratieve documenten van het personeelslid waarvan hij de aanstelling betwist. 14. De directeur moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid. Artikel 22, artikel 24, artikel 25 en artikel 26 gelden niet voor de personeelsleden aangesteld voor doorlopende duur. 21
22 Artikel 21bis. 15. Wanneer een personeelslid wordt ontslagen vooraleer het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven voor één of meer instellingen van de scholengroep, en het wordt na dit ontslag opnieuw aangeworven door de scholengroep die het ontslag heeft gegeven, of het blijft verder fungeren in een andere instelling van dezelfde scholengroep, dan wordt dit personeelslid voor de toepassing van 3 geacht niet ontslagen te zijn geweest. 16. Voor de toepassing van dit artikel worden ten aanzien van de personeelsleden van het vormingscentrum, de bevoegdheden van de directeur van het CLB uitgeoefend door de afgevaardigd bestuurder. 17. Personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor doorlopende duur in een CLB, kunnen met behoud van hun rechten op deze tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, tijdelijk worden tewerkgesteld in: 1 een permanente ondersteuningscel, of 2 de stuurgroep, of 3 de internettensamenwerkingscel, of 4 een tijdelijk project, omschreven in het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding. 1. Dit artikel is van toepassing op de personeelsleden en de instellingen van het basisonderwijs en het secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren. 2. Een tijdelijke aanstelling in een instelling kan gebeuren in een vacante en/of niet vacante betrekking voor een bepaalde of voor een doorlopende duur. De tijdelijke aanstelling van doorlopende duur is een recht onder de voorwaarden van dit artikel. 3. Een personeelslid heeft recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur indien het in één of meer instellingen van dezelfde scholengemeenschap: 1 gespreid over ten minste drie schooljaren een dienstanciënniteit heeft van ten minste 720 dagen, waarvan 600 effectief gepresteerd, waarbij eveneens worden beschouwd als effectief gepresteerde dagen: zaterdagen, zondagen, wettelijke verlofdagen en schoolvakanties, voorzover deze binnen de aanstellingsperiode vallen. Het zwangerschapsverlof en de periode van verwijdering uit een risico in het kader van bedreiging door een beroepsziekte en/of moederschapsbescherming worden tot een maximum van 210 dagen meegerekend als effectief gepresteerde dagen voorzover die dagen binnen de aanstellingsperiode vallen; 2 als laatste evaluatie geen beoordeling of evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende" heeft verkregen. Indien het personeelslid niet werd beoordeeld of geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn; 3 niet werd ontslagen. 22
23 Het recht geldt in de volgende volgorde voor de betrekkingen: 1 in de instellingen van dezelfde scholengemeenschap ongeacht het net; 2 in de instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep; 3 in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. Het personeelslid dat een beroep wenst te doen op het recht van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur moet, op straffe van verlies van zijn recht voor het volgend schooljaar, vóór 15 juni bij de raad van bestuur, kandideren met een ter post aangetekende brief. Als het personeelslid in één of meer instellingen van de scholengroep een eerste maal effectief wordt aangesteld voor doorlopende duur in het ambt waarvoor hij het recht heeft verworven, dan geldt dit vanaf dat ogenblik als een over de schooljaren doorlopende kandidatuur voor dat ambt. Het recht op tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur geldt niet voor de personeelsleden bedoeld in hoofdstuk Vbis voor wat betreft het volume van hun vastbenoemde opdracht, waarvoor zij een verlof hebben verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. 4. De anciënniteit bedoeld in 3 wordt vastgesteld op 30 juni voorafgaand aan het schooljaar waarin het personeelslid zijn recht op de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laat gelden. Voor de toepassing van dit artikel wordt de anciënniteit, in afwijking van artikel 4, berekend op basis van prestaties: - in één of meer instellingen die sinds de oprichting van de scholengemeenschap tot die scholengemeenschap behoren; - in één of meer instellingen van het basisonderwijs die vanaf 1 september 2005 behoren tot dezelfde scholengemeenschap; - in één of meer instellingen die vanaf 1 april 1999 behoren tot dezelfde scholengroep. Voor het bepalen van de anciënniteit bedoeld in dit artikel wordt, in afwijking van artikel 4, 1, a, het aantal gepresteerde dagen niet met 1,2 vermenigvuldigd. 5. Het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur geldt voor dat ambt waarin de in 3 bedoelde anciënniteit is verworven en waarvoor het personeelslid het vereiste bekwaamheidsbewijs of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. 23
24 Is de in 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar, dan geldt dit recht voor dit ambt en voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. Is de in 3 bedoelde anciënniteit verworven in een ambt van leraar voor een vak of een specialiteit waarvoor het personeelslid een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit, dan geldt dit recht voor dit ambt, dit vak of deze specialiteit en daarenboven ook voor alle vakken en specialiteiten waarvoor het personeelslid een vereist bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of bij overgangsmaatregel, bezit. 6. Een personeelslid dat krachtens 5 recht verworven heeft op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, verliest dit recht in het betrokken ambt wanneer hij vervolgens vijf opeenvolgende schooljaren geen diensten heeft gepresteerd in één of meer instellingen van de scholengemeenschap. 7. Het personeelslid dat in toepassing van artikel 61, 6, werd afgedankt heeft op basis van prestaties geleverd voor de afdanking geen recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. 8. Een personeelslid kan het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur laten gelden voor elke vacature die in de loop van het schooljaar ontstaat, op voorwaarde dat hij nog niet is aangesteld voor een voltijdse betrekking of geen voltijdse betrekking heeft waarvan hij titularis is. 9. Wanneer de directeur over verscheidene vacatures beschikt, moet hij bij voorrang betrekkingen die definitief vacant zijn toewijzen aan personeelsleden met een recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur. 10. Vastbenoemde personeelsleden die in één of meer instellingen van de scholengemeenschap een betrekking met onvolledige prestaties in hoofdambt hebben, komen prioritair en in de hieronder vermelde volgorde in aanmerking voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, voor zover van toepassing: 1 in instellingen van dezelfde scholengemeenschap; 2 in instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep; 3 in instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. 11. Personeelsleden met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur die hun betrekking niet effectief kunnen opnemen omwille van ziekte, een arbeidsongeval of moederschapsrust behouden hun recht op zulke aanstelling. Zij kunnen aangesteld worden en voor de duur van hun afwezigheid volgens de geldende regels vervangen worden. 24
25 Artikel Behoudens andersluidende overeenkomst met de directeur en op straffe van verlies van zijn recht op de aangeboden betrekking, moet het personeelslid dat zijn recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur doet gelden, die betrekking in haar geheel aanvaarden, zoals ze wordt aangeboden. Die bepaling is niet van toepassing op de personeelsleden die binnen de scholengemeenschap een niet-voltijdse betrekking uitoefenen en deze opdracht willen uitbreiden. De toepassing van deze paragraaf mag niet leiden tot onverantwoorde pedagogische opsplitsing van de te begeven opdracht. 13. Indien een personeelslid met recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur de aanstelling van een ander personeelslid betwist, geeft de directeur inzage van de administratieve documenten van het personeelslid waarvan hij de aanstelling betwist. 14. De directeur moet de beëindiging van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur steeds schriftelijk motiveren en meedelen aan het personeelslid. Artikel 22, artikel 24, artikel 25 en artikel 26 gelden niet voor de personeelsleden aangesteld voor doorlopende duur. 15. Wanneer een personeelslid wordt ontslagen vooraleer hij het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur heeft verworven voor één of meer instellingen van de scholengemeenschap, en hij wordt na dit ontslag opnieuw aangeworven door een instelling van de betrokken scholengemeenschap of hij blijft verder fungeren in deze scholengemeenschap, dan wordt dit personeelslid voor de toepassing van 3 geacht niet ontslagen te zijn geweest. 1. Het tijdelijk aangesteld personeelslid moet tijdens elke ononderbroken aanstelling met een minimale duur van acht weken en tenminste éénmaal per schooljaar en vóór 30 april beoordeeld worden. De na 30 april aangestelde personeelsleden moeten gedurende deze aanstellingsperiode niet beoordeeld worden. Daartoe maakt het instellingshoofd uiterlijk op het einde van iedere activiteitsperiode over het tijdelijk aangesteld personeelslid een gemotiveerd beoordelingsverslag op dat eventueel eindigt met de vermelding "onvoldoende". In dit verslag worden de periode en het ambt vermeld waarop de beoordeling betrekking heeft. Elke vermelding "onvoldoende" wordt schriftelijk geformuleerd, met redenen omkleed en aan het betrokken personeelslid medegedeeld. 2. Het tijdelijk personeelslid dat de vermelding "onvoldoende" heeft bekomen, kan hiertegen binnen zeven kalenderdagen na kennisneming gemotiveerd bezwaar aantekenen bij het instellingshoofd van de instelling waar het de vermelding heeft gekregen. 25
26 Artikel 23. Het instellingshoofd zendt het beoordelingsverslag samen met het bezwaar binnen zeven kalenderdagen na de ontvangst van het bezwaar aan de algemeen directeur. Binnen de zeven kalenderdagen na die verzending wijst het college van directeurs iemand aan om een onderzoek ter plaatse in te stellen. Daarvoor kan een beroep worden gedaan op de centrale diensten van het Gemeenschapsonderwijs, met inbegrip van de pedagogische begeleidingsdienst. Het betrokken personeelslid wordt gehoord, tenminste behoorlijk opgeroepen. Het onderzoek wordt binnen dertig kalenderdagen na de verzending zoals hierboven bedoeld, afgesloten met een beoordelingsverslag. Als dit beoordelingsverslag niet wordt besloten met de conclusie "onvoldoende", vervangt het de beoordeling die door het instellingshoofd werd gegeven. 3. De godsdienstleerkrachten en de leermeesters en leraars niet-confessionele zedenleer worden beoordeeld door de directeur. Bij die beoordeling mag geen rekening worden gehouden met vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten, die uitsluitend de zaak zijn van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of van de niet-confessionele zedenleer. Een tijdelijke aanstelling in een wervingsambt eindigt van rechtswege en zonder vooropzeg voor het geheel of een deel van de opdracht: a) bij de terugkeer van de titularis van de betrekking of van het personeelslid dat hem tijdelijk vervangt; b) op het ogenblik dat de betrekking van het tijdelijk aangesteld personeelslid geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen aan een ander personeelslid: - door toepassing van de reglementering op de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de wedertewerkstelling; - door een nieuwe affectatie of mutatie; - door vaste benoeming; - door toepassing van artikel 55duodecies in samenhang met 55 quaterdecies; - door toepassing van artikel 53; c) op het ogenblik dat het tijdelijk personeelslid vast wordt benoemd in deze betrekking; d) [ ] e) uiterlijk op het einde van het schooljaar of de leergang waarvoor de aanstelling werd gedaan, onverminderd de toepassing van de reglementering inzake reaffectatie en wedertewerkstelling. Deze bepaling is eveneens van toepassing ten aanzien van de personeelsleden die werden aangeworven overeenkomstig de voorheen bestaande 26
27 Artikel 24. rechtspositieregeling. Ze is evenwel niet van toepassing op de personeelsleden die tijdelijk zijn aangesteld voor doorlopende duur; f) bij de inruststelling wegens het bereiken van de leeftijdsgrens; g) bij toepassing van artikel 24; h) door afschaffing van de betrekking; i) voor de personeelsleden die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 17; j) voor de personeelsleden die werden aangesteld met miskenning van de in artikel 21 of 21bis bedoelde voorrangsregels; k) op het ogenblik dat wordt vastgesteld dat de betrekking buiten de reglementaire normen werd opgericht. 1. Elk tijdelijk aangesteld personeelslid kan, zonder opzegging, om dringende redenen worden ontslagen. Onder dringende redenen wordt verstaan de ernstige tekortkoming die het voortduren van de tijdelijke aanstelling onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt. Ontslag om dringende redenen overeenkomstig de bepalingen van dit artikel kan niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan het instellingshoofd. Alleen de dringende redenen waarvan kennis is gegeven bij een ter post aangetekende brief, verzonden binnen drie werkdagen na het ontslag, kunnen worden aangewend ter rechtvaardiging van het ontslag. Het ontslag om dringende redenen wordt gegeven: - door de directeur; - door de raad van bestuur voor het personeelslid aangesteld bij de scholengroep of, op voorstel van het betrokken instellingshoofd door de raad van bestuur voor het personeelslid aangesteld in een autonoom internaat; - door de afgevaardigd bestuurder voor het personeelslid aangesteld in het vormingscentrum of de pedagogische begeleidingsdienst. Tegen het ontslag om dringende redenen is beroep mogelijk overeenkomstig artikel 69. Het beroep is niet opschortend. 2. De dienstperiode voorafgaand aan het ontslag om dringende redenen wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van de in artikel 21, 3 en artikel 21bis, 3, bedoelde dienstanciënniteit. Het betrokken personeelslid verliest bovendien elk prioriteitsrecht op tijdelijke aanstelling in de instelling, in de instellingen die ressorteerden onder dezelfde lokale raad, in de scholengroep en ook in de scholengemeenschap waar hem het ontslag om dringende redenen gegeven werd. 27
28 Artikel 25. Artikel 26. Een tijdelijk aangesteld personeelslid kan zijn ambt neerleggen met inachtneming van een opzeggingstermijn van zeven kalenderdagen. Het instellingshoofd kan met een kortere termijn instemmen. Die instemming blijkt uit een geschrift. 1. Met inachtneming van een opzeggingstermijn van vijftien kalenderdagen kan de aanstelling van het tijdelijk aangesteld personeelslid worden beëindigd indien hem in het in artikel 22 bedoelde gemotiveerde beoordelingsverslag de vermelding "onvoldoende" werd toegekend. De beëindiging van de aanstelling gebeurt: - door de directeur; - door de raad van bestuur voor het personeelslid aangesteld bij de scholengroep of, op voorstel van het betrokken instellingshoofd, door de raad van bestuur voor het personeelslid aangesteld in een autonoom internaat; - door de afgevaardigd bestuurder voor het personeelslid aangesteld in het vormingscentrum of de pedagogische begeleidingsdienst. 2. Bij ontslag in toepassing van 1 wordt de dienstperiode waarvoor aan het personeelslid de beoordeling "onvoldoende" werd toegekend, niet in aanmerking genomen voor de berekening van de in artikel 21, 3, en 21bis, 3, bedoelde dienstanciënniteit. Dit personeelslid verliest bovendien elk prioriteitsrecht op tijdelijke aanstelling in de instelling, in de instellingen die ressorteerden onder dezelfde lokale raad, in de respectieve scholengroepen van die instellingen, en voor het basisonderwijs, en voor het secundair onderwijs, ook in de scholengemeenschappen waar de beoordeling "onvoldoende" werd toegekend. 3. Voor het ontslag gebaseerd op de beoordeling van een godsdienstleerkracht of een leermeester of leraar niet-confessionele zedenleer, conform artikel 22, 3, is het advies nodig van de bevoegde inspecteur-adviseur levensbeschouwelijke vakken. Brengt die een ongunstig advies uit, dan kan het ontslag maar worden gegeven met een tweederde meerderheid binnen de raad van bestuur. Ontslag op basis van vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten kan maar worden gegeven op voorstel van het hoofd van de erkende instantie van de erkende godsdienst, respectievelijk de voorzitter van de erkende vereniging van de nietconfessionele gemeenschap. 4. De in dit artikel bedoelde adviezen worden verstrekt binnen een termijn van veertien kalenderdagen. 28
29 Artikel Op straffe van nietigheid geschiedt de mededeling waarbij op grond van artikel 26 een einde wordt gemaakt aan de tijdelijke aanstelling, door afgifte van een geschrift waarin het begin en de duur van de opzeggingstermijn zijn aangegeven. De handtekening van het personeelslid op het duplicaat van dit geschrift geldt enkel als bericht van ontvangst van de mededeling. De mededeling kan ook geschieden bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag na datum van verzending. Het ontslag gegeven bij aangetekende brief verstuurd gedurende een vakantieperiode wordt opgeschort tot de eerste kalenderdag na deze vakantie. 2. Wanneer het personeelslid wiens aanstelling met toepassing van de artikelen 26 en 27, 1, wordt beëindigd, reeds eerder bij tuchtmaatregel was teruggezet tot de tijdelijke aanstelling, wordt, zo nodig, de duur van de opzeggingstermijn verlengd afhankelijk van het aantal arbeidsdagen die krachtens de werkloosheidsreglementering zijn vereist om op werkloosheidsuitkering te kunnen aanspraak maken. Tijdens die opzeggingstermijn geniet het personeelslid de bruto-wedde verbonden aan het ambt waarin het, voor zijn terugzetting, vast benoemd was. Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn. Artikel 23, 1, b) en e), is niet van toepassing op dit personeelslid. Artikel 28. Afdeling III. - Vacantverklaring met het oog op mutatie en vaste benoeming 1. De raad van bestuur maakt jaarlijks de lijst op van de betrekkingen die hij vacant verklaart. Hij raadpleegt daartoe de betrokken instellingshoofden en, voor wat de instellingen in het basisonderwijs betreft, die tot een scholengemeenschap behoren, de scholengemeenschap. 2. Voor de opstelling van deze lijst wordt rekening gehouden met: 1 het bestaan van een vacante betrekking in de instelling op 15 april voorafgaand aan de oproep; betrekkingen die tussen 15 april en 1 september vacant worden ten gevolge van de pensionering of de terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen van de titularis kunnen eveneens vacant worden verklaard; 2 de stabiliteit van de betrekking na 1 september volgend op de oproep, rekening houdend met de geldende rationalisatie- en omkaderingsnormen. 3. De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen wordt elk jaar vóór 15 mei openbaar gemaakt, samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie of vaste benoeming moeten worden ingediend. 29
30 Artikel 28bis. Als op 1 september volgend op de vacantverklaring een wijziging plaatsvindt in de samenstelling van de scholengemeenschap waarvan de instelling deel uitmaakt, of waarvan zij vanaf 1 september deel zal uitmaken, moet in de procedure worden bepaald dat kan worden gekandideerd tot minstens 15 september. 3bis. In het basisonderwijs en deeltijds kunstonderwijs en in de instellingen die niet behoren tot het secundair onderwijs, het onderwijs voor sociale promotie of de CLB's deelt de Raad van Bestuur voor het schooljaar de vacante betrekkingen mee na 15 september 2003 en vóór 15 oktober De vacante betrekkingen worden vastgesteld in functie van de toestand op 15 september De vacante betrekkingen die werden meegedeeld vóór 15 mei 2003 op basis van de toestand op 15 april 2003 hebben geen uitwerking. 4. De Vlaamse Regering kan voor de categorieën van personeelsleden die ze aanwijst, de vaste benoeming afhankelijk maken van een onderwijsopdracht waarvan zij het minimum bepaalt. Bij de vaststelling van deze categorieën zal de Vlaamse Regering zich inzonderheid laten leiden door de situatie op de arbeidsmarkt, door het aantal wegens ontstentenis van betrekking in deze categorie ter beschikking gestelde vast benoemde personeelsleden en de specifieke kenmerken van sommige ambten, vakken en specialiteiten. 1. In afwijking van artikel 28, 1 tot en met 3 geldt dit artikel voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het onderwijs voor sociale promotie. 2. De raad van bestuur maakt jaarlijks de lijst op van de betrekkingen die hij vacant verklaart. Hij raadpleegt daartoe de betrokken instellingshoofden, en, voor wat betreft de instellingen van het gewoon secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren het bestuur van de scholengemeenschap, over: 1 het bestaan van een vacante betrekking in de betrokken instelling(en) op 15 april voorafgaand aan de oproep; betrekkingen die tussen 15 april en 1 september vacant worden ten gevolge van de pensionering of de terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen van de titularis kunnen eveneens vacant worden verklaard; 2 de stabiliteit van de betrekking na 1 september volgend op de oproep, rekening houdend met de geldende rationalisatie- en omkaderingsnormen. De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen wordt elk jaar vóór 15 mei openbaar gemaakt, samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie of vaste benoeming moeten worden ingediend. Als op 1 september volgend op de vacantverklaring een wijziging plaatsvindt in de samenstelling van de scholengemeenschap waarvan de instelling deel uitmaakt, of waarvan zij vanaf 1 september deel zal uitmaken, moet in de procedure worden bepaald dat kan worden gekandideerd tot minstens 15 september. 3. In afwijking van 2 deelt de raad van bestuur tijdens het schooljaar de lijst mee van vacant verklaarde betrekkingen in de categorie van het ondersteunend personeel in het buitengewoon secundair onderwijs, na 15 september 2006 en vóór 30
31 Artikel 28ter. 15 oktober De vacante betrekkingen worden vastgesteld in functie van de toestand op 15 september De vacante betrekkingen in de categorie van het opvoedend hulppersoneel en administratief personeel in het buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de internaten, die werden meegedeeld vóór 15 mei 2006 op basis van de toestand op 15 april 2006 hebben geen uitwerking. 4. In afwijking van 2 deelt de raad van bestuur tijdens het schooljaar de lijst van vacant verklaarde betrekkingen in de opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs mee na 15 november en vóór 15 december De vacante betrekkingen worden vastgesteld in functie van de toestand op 15 november De vacante betrekkingen in opleidingsvorm 3 van het buitengewoon secundair onderwijs die werden meegedeeld vóór 15 mei 2002 op basis van de toestand op 15 april 2002, hebben geen uitwerking. 5. In afwijking van 2 deelt de raad van bestuur in het gewoon secundair onderwijs de vacante betrekkingen in de vakken AV gedragswetenschappen en AV cultuurwetenschappen in de studierichting humane wetenschappen mee na 15 oktober en vóór 15 november Deze vacante betrekkingen worden vastgesteld in functie van de toestand op 15 oktober In afwijking van 2 deelt de raad van bestuur in het gewoon secundair onderwijs de vacante betrekkingen in het vak AV sport mee na 15 oktober en vóór 15 november Deze vacante betrekkingen worden vastgesteld in functie van de toestand op 15 oktober De vacante betrekkingen in het vak TV en PV sport die in toepassing van artikel 28bis, 2, werden vacant verklaard tijdens het schooljaar , hebben geen uitwerking ten aanzien van de overheid. 7. Met het oog op de vaste benoemingen op 1 januari 2007 in de centra voor volwassenenonderwijs worden, in afwijking op 2 en rekening houdend met artikel 57 van het decreet van 2 maart 1999 tot regeling van een aantal gelegenheden van het volwassenenonderwijs, de vacante betrekkingen in het vak of de specialiteit grafische technieken in de vierde graad BSO beschouwd als vacante betrekkingen in het vak of de specialiteit grafische technieken in de derde graad TSO. 1. In afwijking van artikel 28, 1 tot en met 3 geldt dit artikel voor de CLB s. 2. De raad van bestuur maakt jaarlijks de lijst op van de betrekkingen die hij vacant verklaart. Hij raadpleegt daartoe de betrokken directeur over: 1 het bestaan van een vacante betrekking in de betrokken CLB s op 15 april voorafgaand aan de oproep; betrekkingen die tussen 15 april en 1 september vacant worden ten gevolge van de pensionering of de terbeschikkingstelling voorafgaand aan het rustpensioen van de titularis kunnen eveneens vacant worden verklaard; 31
32 Artikel de stabiliteit van de betrekking na 1 september volgend op de oproep, rekening houdend met de geldende rationalisatie- en omkaderingsnormen. Voor het vormingscentrum maakt de afgevaardigd bestuurder de lijst op. De lijst van de vacant verklaarde betrekkingen wordt elk jaar vóór 15 mei openbaar gemaakt, samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie of vaste benoeming moeten worden ingediend. 3. In afwijking van 2 kan de lijst van de vacante betrekkingen in 2001 worden openbaar gemaakt tot uiterlijk 15 oktober Een betrekking die hetzij deel uitmaakt van een instelling, afdeling, vestigingsplaats, graad, cyclus of andere onderverdeling die ingevolge de toepassing van rationalisatieregelen in progressieve opheffing is, hetzij slechts voor een beperkte duur kan worden ingericht, komt niet in aanmerking voor een vacantverklaring of een benoeming in vast verband In afwijking op 1 komt een betrekking die wordt ingericht in uren-leraar, lesuren of lestijden die worden toegekend in het kader van het geïntegreerd onderwijs in het basis- en secundair onderwijs en het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon basis- en secundair onderwijs, wel in aanmerking voor vacantverklaring en vaste benoeming. Deze bepaling geldt voorzover de betrekking in toepassing van de rationalisatieregelen niet onderhevig is aan progressieve opheffing zoals bepaald in 1. Artikel 30. [...] Artikel 31. Afdeling IV. - Mutatie 1. Een personeelslid kan binnen dezelfde scholengroep op zijn verzoek een nieuwe affectatie krijgen in een vacante betrekking van het ambt waarin het vast benoemd is, voor zover die betrekking, krachtens de reglementering ter zake, niet door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking werd gesteld. Dit verzoek is niet vereist wanneer de nieuwe affectatie geschiedt binnen een pedagogische entiteit die bestaat uit enerzijds één instelling met een eerste graad en anderzijds uit één instelling met een tweede en derde en eventueel vierde graad van het secundair onderwijs, die behoort tot dezelfde inrichtende macht en die in hetzelfde gebouwencomplex is gelegen. De criteria en modaliteiten van deze affectatie worden onderhandeld in het bevoegde onderhandelingscomité. Een personeelslid kan, op zijn verzoek, worden gemuteerd in een vacant verklaarde betrekking, voor zover die betrekking, krachtens de reglementering ter zake, niet 32
33 Artikel 32. Artikel 33. Artikel 34. door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een personeelslid dat wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking werd gesteld. De betrekking kan bij wijze van affectatie of mutatie worden toegewezen aan het personeelslid dat in die betrekking werd gereaffecteerd. 2. Voor de affectatie of mutatie van een godsdienstleerkracht, een leermeester nietconfessionele zedenleer of een leraar secundair onderwijs belast met nietconfessionele zedenleer is de instemming vereist van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst, respectievelijk de bevoegde instantie van de nietconfessionele zedenleer. De raad van bestuur bepaalt de wijze waarop de aanvragen tot affectatie of mutatie worden ingediend. De nieuwe affectatie of mutatie wordt toegekend door de raad van bestuur. Vooraf wordt het betrokken instellingshoofd geraadpleegd. 1. Het personeelslid verliest bij een nieuwe affectatie of mutatie zijn vroegere affectatie binnen de perken van de nieuwe opdracht. Het personeelslid dat wordt gemuteerd, moet in de scholengroep die het verlaat, ontslag nemen voor de opdracht waarvoor het wordt gemuteerd. De overgang van de ene naar de andere scholengroep moet zonder onderbreking gebeuren. 2. Vastbenoemde personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra kunnen overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling muteren naar het gemeenschapsonderwijs. Artikel 34bis. [ ] Artikel 34ter. De diensten die vóór deze mutatie gepresteerd werden in hetzelfde ambt worden gelijkgesteld met diensten gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs. De mutaties en nieuwe affectaties van personeelsleden die in de periode van 1 februari 1996 tot en met 1 januari 1998 plaatsvonden in een ambt in het gewoon secundair onderwijs, het buitengewoon secundair onderwijs, het onderwijs voor sociale promotie, het deeltijds kunstonderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de psycho-medischsociale centra voor het buitengewoon onderwijs en de psycho-medisch-sociale vormingscentra, zijn niet onderworpen aan de bepalingen van Titel III van het decreet van 16 april 1996 houdende tijdelijke beperking inzake programmatie en benoeming in sommige onderwijssectoren. 33
34 Afdeling V. - Vaste benoeming Artikel 35. Artikel 36. Een vacant verklaarde betrekking in een wervingsambt kan slechts door benoeming worden toegewezen: 1 indien, overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen, die betrekking niet door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld personeelslid; 2 indien de betrekking niet reeds door een nieuwe affectatie of mutatie is toegewezen. Een vacant verklaarde betrekking kan, in afwijking van het 1 van het vorig lid, door benoeming worden toegewezen aan een personeelslid dat daarin is gereaffecteerd of wedertewerkgesteld. 1. Een personeelslid kan in vast verband worden benoemd als hij op het ogenblik van de vaste benoeming voldoet aan de bepalingen van artikel 17, met uitzondering van 1, 7, en daarenboven: 1 op 30 juni voorafgaand aan de datum waarop de benoeming ingaat ten minste 720 dagen dienstanciënniteit telt, waarvan 360 dagen in het betrokken ambt. Als het een leraar betreft in het bezit van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs kan de raad van bestuur eisen dat, van de 720 dagen er 360 werden gepresteerd in het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking. Voor het administratief, het statutair meesters-, vak- en dienstpersoneel, het personeel van de opvangcentra, de administratief medewerker in het basisonderwijs en het gewoon secundair onderwijs en de personeelsleden van de CLB's moeten de bedoelde 720 dagen dienstanciënniteit bereikt zijn op 31 augustus voorafgaand aan de datum waarop de benoeming ingaat; 2 zich kandidaat heeft gesteld in de vorm en binnen de termijn vermeld in de oproep tot de kandidaten; 3 [ ] 4 op 31 december voorafgaand aan de vaste benoeming voor doorlopende duur is aangesteld in het ambt waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld, niet tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van de scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. Behoort de instelling waar het personeelslid voor doorlopende duur is aangesteld tot een scholengemeenschap, dan vervult het personeelslid deze voorwaarde voor alle instellingen van deze scholengemeenschap. Is het personeelslid op 31 december voor doorlopende duur aangesteld in het ambt van leraar, dan geldt dit als een aanstelling in dat ambt voor alle vakken en 34
35 Artikel 36bis. specialiteiten waarvoor het personeelslid het recht op een aanstelling van doorlopende duur heeft opgebouwd, zoals bepaald in artikel 21, 5, en artikel 21bis, 5. De bepaling van het eerste lid is niet van toepassing: - op een personeelslid dat werd aangesteld bij wijze van reaffectatie of wedertewerkstelling; - op een personeelslid bedoeld in hoofdstuk Vbis voor wat betreft het volume van zijn opdracht waarvoor hij is vast benoemd en waarvoor hij een verlof heeft verkregen om tijdelijk een andere opdracht uit te oefenen. Dit personeelslid moet, voor zover hij het ambt van leraar uitoefent, 360 dagen dienstanciënniteit hebben verworven in het vak of de specialiteit van de vacant verklaarde betrekking. 5 als laatste evaluatie of beoordeling geen evaluatie of beoordeling met eindconclusie "onvoldoende" heeft verkregen. Als het personeelslid niet werd geëvalueerd of niet werd beoordeeld, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn. De benoeming is slechts mogelijk indien de betrekking in hoofdambt wordt uitgeoefend. In afwachting dat de Vlaamse regering uitvoering verleent aan het in 3 bepaalde blijven de bestaande reglementaire beschikkingen van kracht zoals ze bestaan op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet. Voor de scholen van het basisonderwijs zijn de bepalingen met betrekking tot de scholengemeenschappen zoals bedoeld in 1 en in het tweede en derde lid van 4 niet van toepassing tijdens de schooljaren en Voor de berekening van de in 1 bedoelde dienstanciënniteit wordt voor het meesters-, vak- en dienstpersoneel rekening gehouden met de diensten gepresteerd onder het contractuele stelsel. Voor benoemingen moet de raad van bestuur bij voorrang putten uit de contractuelen in dienst bij een instelling of een scholengroep. Voor deze contractuelen is evenwel een dienstanciënniteit van dagen vereist. De anciënniteit wordt berekend overeenkomstig artikel De vastbenoemde personeelsleden die een betrekking met onvolledige prestaties in hoofdambt uitoefenen, hebben, met het oog op de uitbreiding van hun vaste benoeming voorrang op alle tijdelijke personeelsleden voor vacant verklaarde betrekkingen, op voorwaarde dat zij: 1 ofwel in het bezit zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs voor de aangeboden prestaties en zij daarenboven in de scholengroep vast benoemd werden voor hetzelfde ambt; 2 ofwel in het bezit zijn van een voldoende geacht bekwaamheidsbewijs en zij daarenboven in de scholengroep vast benoemd werden in hetzelfde ambt, en voor de leraren in dezelfde vakken of specialiteiten als de aangeboden prestaties. 35
36 Artikel Indien een personeelslid vast benoemd is in instellingen die behoren tot een scholengemeenschap, dan geldt de voorrang in de volgende volgorde voor de betrekkingen: 1 in instellingen van dezelfde scholengemeenschap, ongeacht het net; 2 in instellingen van een andere scholengemeenschap van dezelfde scholengroep; 3 in instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren. Indien een personeelslid vastbenoemd is in instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren, dan geldt de voorrang in de volgende volgorde voor de betrekkingen: 1 in de instellingen van dezelfde scholengroep die niet tot een scholengemeenschap behoren, 2 in de instellingen van dezelfde scholengroep die tot een scholengemeenschap behoren. 3. Voor de scholen van het basisonderwijs zijn de bepalingen betreffende de scholengemeenschappen zoals bedoeld in 2 niet van toepassing tijdens de schooljaren en De vaste benoeming gebeurt door de raad van bestuur op voorstel van het instellingshoofd, en voor het vormingscentrum en de pedagogische begeleidingsdienst door de afgevaardigd bestuurder. Onverminderd de bepalingen van dit decreet, wordt een godsdienstleerkracht benoemd op voordracht van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst, na advies van de directeur. Onverminderd de bepalingen van dit decreet, wordt een leermeester nietconfessionele zedenleer of leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer benoemd op voordracht van de erkende vereniging van de nietconfessionele gemeenschap, zoals bedoeld in het decreet betreffende de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken van 1 december 1993, na advies van de directeur. 2. Bij ontstentenis van andere kandidaten wordt het personeelslid dat een vacant verklaarde betrekking waarneemt en de in artikel 36 gestelde voorwaarden vervult, behoudens gemotiveerde afwijzing, vast benoemd. 3. Elke vaste benoeming wordt toegekend op 1 januari na de vacantverklaring, voor zover de betrekking op dezelfde datum nog vacant is. 36
37 Artikel 38. Artikel 39. Artikel 39bis. De Vlaamse regering bepaalt de gevolgen van een nieuwe vaste benoeming ten aanzien van de door het betrokken personeelslid voorheen reeds verkregen vaste benoeming, met dien verstande dat een personeelslid slechts vast benoemd kan zijn ten belope van maximaal één voltijdse betrekking. Het voltijds karakter wordt bepaald in functie van de prestaties vereist voor een voltijdse betrekking in het ambt van de nieuwe benoeming. Dit artikel is niet van toepassing op de benoemingen die gebeurd zijn overeenkomstig de rechtspositieregeling die vóór 1 april 1991 van toepassing was. 1. De raad van bestuur wijst de instelling aan waar het vast benoemd personeelslid zijn betrekking opneemt. Die affectatie vermeldt de omvang van de opdracht. 2. Met ingang van 1 september 2000 krijgen de leden van het meesters-, vak- en dienstpersoneel, evenals het ondersteunend personeel ter uitvoering van de rekenplichtigheid zoals bepaald in artikel 96, 4 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs een definitieve affectatie bij de scholengroep. 1. Zonder afbreuk te doen aan het principe dat een personeelslid wordt geaffecteerd aan een instelling die onder de raad van bestuur ressorteert, kunnen de leden van het opvoedend hulppersoneel, het administratief personeel en het ondersteunend personeel van de instellingen die de scholengroep vormen, voor de vervulling van opdrachten in hun instelling voor andere instellingen van de scholengroep of voor de totaliteit van de scholengroep worden ingezet. 2. [ ] Artikel 40. [...] Artikel 40bis. 1. Onverminderd de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking en reaffectatie geldt de draagwijdte van de vaste benoeming binnen dezelfde categorie en binnen een zelfde soort ambt: 1 voor het ambt en het volume van de betrekking waarvoor het personeelslid vast benoemd is, en voor de leraren, voor alle vakken en specialiteiten van dat ambt waarvoor betrokkene het vereiste of het hiermee gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs bezit; 2 voor het ambt en het volume van de betrekking waarvoor het personeelslid vast benoemd is, en voor de leraren, het vak of de specialiteit waarin betrokkene zijn opdracht uitoefent op het ogenblik van de vaste benoeming, indien het 37
38 Artikel 40ter. personeelslid vast benoemd is met een voldoende geacht of het hiermee gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs. Deze bepaling geldt ook voor de vaste benoemingen die werden toegekend overeenkomstig de reglementering die van toepassing was vóór de inwerkingtreding van dit decreet. 2. Voor de toepassing van dit artikel worden als vereiste en voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen beschouwd, zowel de door organieke bepalingen als door overgangsbepalingen erkende bekwaamheidsbewijzen. 3. Voor de toepassing van dit artikel dient onder soort ambt te worden begrepen: het wervings-, selectie- of bevorderingsambt. 4. De Vlaamse regering bepaalt de regels volgens welke de vaste benoeming, de nieuwe affectatie en de mutatie worden meegedeeld aan het departement Onderwijs opdat zij zouden uitwerking hebben ten aanzien van de overheid. 1. [...] 2. Het personeelslid dat de leeftijd van 55 jaar heeft bereikt, wordt op zijn verzoek vast benoemd in een vacante betrekking in een wervingsambt, op voorwaarde dat hij: 1 de voorwaarden vervult voor vaste benoeming; 2 de vaste benoeming bij de raad van bestuur aanvraagt; 3 vanaf 1 februari voorafgaand aan de datum van vaste benoeming in dienst is in de instelling waar de betrekking te begeven is; 4 tijdelijk personeelslid is of voor een onvolledige betrekking vast benoemd is. De betrekking hoeft niet vacant verklaard te worden. Die vaste benoeming heeft steeds 1 januari als ingangsdatum. 3. De raad van bestuur heeft de mogelijkheid om het personeelslid dat in de scholengroep wordt gereaffecteerd of wedertewerkgesteld in een vacante betrekking, op zijn verzoek vast te benoemen in die betrekking. De betrekking hoeft niet vacant verklaard te worden. Die vaste benoeming heeft steeds 1 januari als ingangsdatum. 38
39 Artikel 40quater. Afdeling VI. - Ondersteunend en beleids- en ondersteunend personeel Onderafdeling A. - Secundair onderwijs Deze onderafdeling is van toepassing op het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de internaten. Artikel 40quinquies. Voor de toepassing van hoofdstuk III wordt rekening gehouden met de bepalingen van Titel XI - Ondersteunend personeel van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs voor aanstellingen in betrekkingen van opvoeder en administratief medewerker. Artikel 40sexies. Voor de toepassing van hoofdstuk III worden de diensten gepresteerd in ambten van de categorie van het opvoedend hulppersoneel en/of het administratief personeel beschouwd als zijnde gepresteerd in een ambt van het ondersteunend personeel. Artikel 40septies. Onderafdeling B. - Basisonderwijs 1. De personeelscategorie beleids- en ondersteunend personeel bestaat uit de wervingsambten die door de Vlaamse Regering worden vastgelegd. 2. De ambten bedoeld in 1 kunnen via voltijdse of deeltijdse betrekkingen worden ingevuld. 3. In volgende betrekkingen van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel is vaste benoeming, mutatie of affectatie mogelijk: 1 de betrekkingen die het aantal prestatie-eenheden omvatten dat overeenkomt met 4 uren of een veelvoud van 4; 2 de betrekkingen die bestaan uit de helft van het aantal prestatie-eenheden vereist voor een ambt met volledige prestaties. 4. In volgende betrekkingen van de ambten van het beleids- en ondersteunend personeel zijn geen vaste benoeming, mutatie of affectatie mogelijk: 1 de betrekkingen die worden opgericht op basis van de puntenenveloppe voor de scholengemeenschap zoals bedoeld in artikel 125duocedies van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs; 39
40 Artikel 40octies. 2 de betrekkingen die worden opgericht op basis van de punten die worden overgedragen zoals bedoeld in artikel 153sexies, 4, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. De Vlaamse regering bepaalt de administratieve en geldelijke toestand van de personeelsleden van het beleids- en ondersteunend personeel. In afwachting dat de Vlaamse regering nieuwe uitvoeringsbesluiten vastlegt voor de personeelsleden van het beleids- en ondersteunend personeel van het basisonderwijs, gelden voor: 1 de administratieve medewerker de bepalingen die van toepassing zijn voor de administratieve medewerker in het secundair onderwijs met betrekking tot: - de prestatieregeling; - de jaarlijkse vakantieregeling; - de verlofregeling; - de bezoldiging. 2 de beleidsmedewerker de bepalingen die van toepassing zijn voor het onderwijzend personeel met betrekking tot: - de jaarlijkse vakantieregeling; - de verlofregeling. Artikel 40novies. Afdeling VII. - Scholengemeenschappen in het basisonderwijs 1. Zonder afbreuk te doen aan de principes dat een personeelslid wordt geaffecteerd aan een instelling, kunnen: 1 de leden van het bestuurspersoneel van de scholen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor de totaliteit van de scholengemeenschap worden ingezet; 2 de leden van het beleids- en ondersteunend personeel van de scholen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor en in andere scholen van de scholengemeenschap of voor de totaliteit van de scholengemeenschap worden ingezet; 3 de leden van het onderwijzend personeel van de scholen die de scholengemeenschap vormen, voor de vervulling van opdrachten voor andere scholen van de scholengemeenschap worden ingezet. 40
41 2. De leden van het beleids- en ondersteunend personeel kunnen overeenkomstig 1, 2, worden ingezet in de scholen van dezelfde scholengemeenschap, met dien verstande dat: - deze personeelsleden geaffecteerd worden aan de instelling waar de betrekking reglementair wordt ingericht; - de afstand over de openbare weg tussen de instelling van affectatie en de school waar het personeelslid wordt ingezet nooit meer dan 25 km mag bedragen. Dit geldt niet als het personeelslid instemt om over een grotere afstand ingezet te worden. 3. Onverminderd de bepalingen van artikel 18, worden in het geschrift waarin de aanstelling wordt vastgesteld, de bepalingen inzake inzetbaarheid opgenomen zoals bedoeld in 1 en 2. HOOFDSTUK IV. - Evaluatie Artikel De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen inzake de evaluatie van de in artikel 2 bedoelde personeelsleden die vast benoemd zijn en aangesteld zijn voor doorlopende duur, met uitzondering van de instellingshoofden en de leden van de pedagogische begeleidingsdiensten. Deze evaluatie betreft de waarde, de geschiktheid, de prestaties, de verdiensten van het personeelslid en zijn inzet voor het Gemeenschapsonderwijs of de instelling. 2. De godsdienstleerkrachten en de leermeesters en de leraars niet-confessionele zedenleer worden geëvalueerd door het instellingshoofd. In die evaluatie mag geen rekening worden gehouden met de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten. Deze zijn bij uitsluiting zaak van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of van de niet-confessionele zedenleer. 3. De Vlaamse regering bepaalt, met eerbiediging van de rechten van verdediging de mogelijkheden van beroep tegen de evaluatie "onvoldoende" met dien verstande dat de procedure met betrekking tot het beroep tegen evaluatie "onvoldoende" overeenkomt met de procedure inzake beroep tegen tuchtmaatregelen. Het beroep schort de evaluatie op. HOOFDSTUK V. - Selectie en bevordering Artikel 41bis. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het bevorderingsambt van directeur zoals bedoeld in hoofdstuk Vter noch op het mandaat van algemeen directeur bedoeld in 41
42 Artikel 41ter. hoofdstuk Vquater noch op het mandaat van coördinerend directeur bedoeld in hoofdstuk Vquinquies. De artikelen 31 tot 34 zijn van overeenkomstige toepassing op de selectie- en bevorderingsambten. Artikel 41quater. Artikel 42. Artikel 43. Artikel Een volledige betrekking in een selectie- of bevorderingsambt wordt steeds toegekend hetzij aan één personeelslid, hetzij aan twee personeelsleden die elk met een halftijdse betrekking worden belast. 2. In afwijking van 1 kan in het onderwijs voor sociale promotie en in het deeltijds kunstonderwijs een betrekking in een selectieambt worden toegekend aan één of meerdere personeelsleden en een betrekking in een bevorderingsambt aan één of twee personeelsleden. Een vacant verklaarde betrekking in een selectie- of bevorderingsambt kan door toelating tot de proeftijd slechts worden toegewezen: 1 indien zij, overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen, niet door reaffectatie of wedertewerkstelling moet worden toegewezen aan een wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking gesteld personeelslid; 2 indien de betrekking niet reeds door een nieuwe affectatie of mutatie is toegewezen. Een vacant verklaarde betrekking kan, in afwijking van 1 van het vorig lid, door toelating tot de proeftijd worden toegewezen aan een personeelslid dat daarin is gereaffecteerd of wedertewerkgesteld. Een betrekking die hetzij deel uitmaakt van een instelling, afdeling, vestigingsplaats, graad, cyclus of andere onderverdeling die ingevolge de toepassing van rationalisatieregelen progressief wordt opgeheven, hetzij slechts voor een beperkte duur kan worden ingericht, komt niet in aanmerking voor een vacantverklaring of een benoeming in vast verband. De raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum: de afgevaardigd bestuurder - maakt de betrekkingen die hij vacant verklaart bekend samen met een beschrijving van de wijze waarop de kandidaturen voor mutatie en vaste benoeming moeten worden ingediend. Deze bekendmaking gebeurt ten minste één maal per jaar. Hij raadpleegt daartoe de instellingshoofden en ook het bestuur van de scholengemeenschap over het bestaan van een vacante betrekking in de instelling. 42
43 Artikel 45. Artikel 46. Artikel 47. Voor de scholen van het basisonderwijs zijn de bepalingen betreffende de scholengemeenschappen zoals bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing tijdens de schooljaren en De raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum: de afgevaardigd bestuurder - beslist over de toelating tot de proeftijd. Hij raadpleegt daartoe het instellingshoofd. Een kandidatuur kan, gemotiveerd, worden afgewezen. Om toegelaten te worden tot de proeftijd in een selectie- of bevorderingsambt, moet het personeelslid op het ogenblik van de toelating tot de proeftijd voldoen aan de volgende voorwaarden: 1 houder zijn van het voorziene vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, organiek of bij overgangsmaatregel; 2 tijdens de laatste evaluatie of bij ontstentenis hiervan de laatste beoordeling geen "onvoldoende" hebben bekomen. Indien het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt aan deze voorwaarde geacht voldaan te zijn; 3 voldoen aan de algemene wervingsvoorwaarden, bedoeld in artikel 14 en 17, 1 tot en met 4; 4 beschikken over de bekwaamheden vereist voor het ambt. Deze bekwaamheden en het profiel op basis waarvan zij zijn vastgelegd, worden door de raad voor het gemeenschapsonderwijs vastgelegd. Zij worden getest in een proef die wordt georganiseerd onder de verantwoordelijkheid van de raad voor het gemeenschapsonderwijs; 5 zich bij de raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum: de afgevaardigd bestuurder - bij een ter post aangetekende brief kandidaat hebben gesteld in de vorm en binnen de termijn vermeld in de oproep tot de kandidaten. 1. Benoeming in een selectie- of bevorderingsambt kan enkel geschieden indien de betrekking wordt uitgeoefend als hoofdambt. 2. De Vlaamse regering bepaalt de regels volgens welke de toelating tot de proeftijd, de vaste benoeming, de nieuwe affectatie en de mutatie in een selectie- of bevorderingsambt worden meegedeeld aan het departement Onderwijs opdat zij zouden uitwerking hebben ten aanzien van de overheid. 3. Artikel 40bis is van overeenkomstige toepassing op de selectie- en bevorderingsambten. 43
44 Artikel 48. Artikel 48bis. Artikel 48ter. Artikel De proeftijd omvat een periode van 12 maanden effectief gepresteerd in de betrekking van het ambt waarin het personeelslid tot de proeftijd is toegelaten. Deze proeftijd is éénmaal verlengbaar voor 12 maanden. Gedurende de proeftijd behoudt het personeelslid zijn aanspraak op de betrekking waarin het geaffecteerd was vóór zijn toelating tot de proeftijd. Gedurende de proeftijd wordt die betrekking niet vacant verklaard. De prestaties die een personeelslid dat toegelaten is tot de proeftijd levert tijdens de periode dat hij belast is met het mandaat van algemeen directeur of met het mandaat van coördinerend directeur worden beschouwd als effectieve prestaties. 2. Tenzij hierover ongunstig advies wordt uitgebracht en onverminderd artikel 49, 2, wordt het personeelslid bij het beëindigen van de proeftijd in vast verband benoemd. Het instellingshoofd is bevoegd om advies uit te brengen. Voor het ambt van directeur formuleert vanaf 1 januari 2000 de algemeen directeur een advies aan de raad van bestuur. 3. De vaste benoeming gebeurt door de raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum door de afgevaardigd bestuurder. Vooraleer wordt beslist een personeelslid niet vast te benoemen, moet het worden gehoord. Het personeelslid moet vooraf op de hoogte zijn gebracht van de motieven. Het kan zich laten bijstaan door een raadsman. In afwijking van de bepalingen van dit hoofdstuk heeft, bij uitbreiding van een kleuterschool tot basisschool, de directeur van de betrokken kleuterschool voorrang voor een vaste benoeming in het ambt van directeur van de basisschool. De raad van bestuur kan dit personeelslid evenwel ook toelaten tot de proeftijd. Indien hij, na het verstrijken van de proeftijd dit personeelslid niet vast benoemt in het ambt van directeur van de basisschool, moet hij zijn beslissing met redenen omkleden. In afwijking van de bepalingen van dit hoofdstuk moet een personeelslid dat reeds deeltijds vast benoemd is in een selectie- of bevorderingsambt, met het oog op een uitbreiding van vaste benoeming in hetzelfde ambt geen proeftijd meer doorlopen. De raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdiensten en het vormingscentrum de afgevaardigd bestuurder - kan dit personeelslid vast benoemen mits het voldoet aan de bepalingen van artikel 46, 1 tot en met Het in een selectie- of bevorderingsambt vast benoemd personeelslid wordt door de raad van bestuur geaffecteerd in de vacante betrekking waarin het zijn proeftijd heeft volbracht. 44
45 Artikel 49bis. Artikel Indien de in 1 bedoelde betrekking tijdens de proeftijd of op het einde van de proeftijd niet meer kan worden ingericht of wanneer tijdens de proeftijd blijkt dat het personeelslid onregelmatig tot de proeftijd werd toegelaten, neemt het personeelslid de in artikel 48, 1, bedoelde betrekking, waarop het zijn aanspraken heeft behouden, opnieuw op. Zonder afbreuk te doen aan het principe dat een personeelslid, toegelaten tot de proeftijd of benoemd, wordt geaffecteerd aan een bepaalde instelling, kunnen de directeur, de directeur aangesteld bij mandaat, de onderdirecteur en de adjunct-directeur van de instellingen die de scholengroep vormen, voor de vervulling van opdrachten voor andere instellingen van de scholengroep of voor de totaliteit van de scholengroep worden ingezet. 1. Voor het waarnemen van een selectie- of bevorderingsambt kan de raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum: de afgevaardigd bestuurder - op voordracht van het college van directeurs een personeelslid aanwijzen: 1 indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is; 2 in een betrekking waarin op grond van artikel 43 geen benoeming mogelijk is; 3 in afwachting van een toelating tot de proeftijd die moet gebeuren uiterlijk op het einde van het tweede volledige schooljaar volgend op de datum waarop de betrekking vacant is geworden. Tijdens die periode blijft het personeelslid titularis van het ambt waarin het vast benoemd is. 2. Het personeelslid dat wordt aangesteld voor het waarnemen van een selectie- of bevorderingsambt moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 46, 1 tot en met 4. Wanneer er geen kandidaten zijn die aan de gestelde voorwaarden voldoen: 1 kan van de bepalingen van artikel 46, 4, worden afgeweken; 2 kan in afwijking van artikel 46, 1, een personeelslid met een ander bekwaamheidsbewijs worden aangesteld. Deze aanstelling is beperkt tot de duur van het lopende schooljaar. 3. Een aanstelling voor het waarnemen van een selectie- of bevorderingsambt is slechts mogelijk na voorafgaande toepassing van artikel 42, Een waarnemende aanstelling in een selectie- of bevorderingsambt eindigt voor het geheel of een deel van de opdracht volgens artikel 23, 1, a, b, c, d, f, h, en k, op 45
46 het ogenblik dat de betrekking van het tijdelijk waarnemend personeelslid geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen aan een personeelslid door toelating tot de proeftijd overeenkomstig artikel 45, dan wel door vaste benoeming en bij toepassing van de artikelen 52 en In afwijking van de bepalingen van 2 en 4 heeft een personeelslid, dat in de periode van 1 september 1985 tot en met 31 augustus 1990 gedurende tenminste 240 dagen per schooljaar tijdelijk was aangesteld met een coördinatieopdracht in het deeltijds beroepssecundair onderwijs, voorrang voor waarnemende aanstelling in het selectieambt van coördinator in het centrum voor deeltijds beroepssecundair onderwijs waar de betrekking werd uitgeoefend. Het personeelslid moet aantonen dat het aan deze voorwaarden voldoet. 6. Voor een periode van maximaal zestig dagen mag de oproep van de kandidaten zich beperken tot de personeelsleden van de instelling. Bij toepassing van deze bepaling en in afwijking van 4 eindigt de aanstelling uiterlijk na het verstrijken van voormelde termijn van maximaal zestig dagen. Artikel 50bis. [ ] Artikel 50ter. Artikel 51. Artikel 52. Artikel De personeelsleden waarnemend aangesteld in een selectie- of bevorderingsambt conform artikel 50, worden in die aanstelling beoordeeld, overeenkomstig de bepalingen van artikel 22, 1 en Het instellingshoofd wordt beoordeeld door de raad van bestuur. Het instellingshoofd kan bezwaar aantekenen bij de raad van beroep. Elke waarnemende aanstelling in een selectie- of bevorderingsambt moet schriftelijk worden vastgelegd in overeenstemming met het bepaalde van artikel 18. Een personeelslid dat tot de proeftijd in een selectie- of bevorderingsambt werd toegelaten of met het waarnemen ervan belast werd, kan: a) vrijwillig afzien van de voltooiing van de proeftijd of afstand doen van zijn aanstelling als waarnemend personeelslid; b) uit het ambt worden verwijderd na toepassing van de in artikel 53, b) bepaalde procedure. Het personeelslid dat beroep doet op a) dient, behoudens onderlinge overeenstemming, een vooropzeg van vijftien kalenderdagen te geven. Een personeelslid dat werd benoemd in een selectie- of bevorderingsambt kan: 46
47 Artikel 53bis. Artikel 54. a) vrijwillig afzien van de vaste benoeming in het betrokken ambt; b) uit het ambt worden verwijderd, bij een met redenen omklede beslissing, door de raad van bestuur - en voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum door de afgevaardigd bestuurder. Het betrokken personeelslid moet in elke fase van de procedure gehoord, ten minste behoorlijk opgeroepen worden. Het mag zich laten bijstaan door een raadsman. 1. Een vastbenoemd directeur kan met een andere opdracht worden belast: 1 met zijn instemming, door de algemeen directeur; 2 ofwel door de raad van bestuur van de scholengroep, op voorstel van de algemeen directeur, met een gewone meerderheid; 3 ofwel door de raad van bestuur van de scholengroep, met een 2/3e meerderheid; 4 ofwel op voorstel van de afgevaardigde bestuurder door de Raad van het Gemeenschapsonderwijs met een gewone meerderheid in het kader van het beleidsmatig toezicht. 2. De vastbenoemde directeur neemt een betrekking op in het wervingsambt waarin hij voorheen was vast benoemd bij de scholengemeenschap of de scholengroep waar hij als directeur was aangewezen, tenzij het personeelslid en de raad van bestuur van de scholengroep akkoord gaan met een andere opdracht. Deze opdracht wordt gegenereerd uit het opdrachtenpakket dat aan de instelling waar het personeelslid als directeur is benoemd, werd toegekend. 3. Het personeelslid behoudt de wedde verbonden aan het ambt van directeur. 4. Wanneer een vastbenoemde directeur met een andere opdracht wordt belast, wordt de betrekking van directeur onmiddellijk vacant. 1. Bij het beëindigen van de vaste benoeming in een selectie- of bevorderingsambt krachtens artikel 53, neemt het personeelslid een betrekking op in de instelling of bij de scholengroep waar het was geaffecteerd vóór zijn benoeming in het selectieof bevorderingsambt, tenzij het personeelslid en de raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst: de afgevaardigd bestuurder - akkoord gaan met een nieuwe affectatie in de scholengroep of met mutatie. 2. Het personeelslid van wie de vaste benoeming werd beëindigd krachtens artikel 53, b), kan binnen "hetzelfde ambt" geen beroep doen op zijn anciënniteit voor een betrekking. 47
48 Artikel De Vlaamse regering bepaalt de nadere administratieve en geldelijke gevolgen van deze maatregel. 1. In afwijking op de bepalingen van dit hoofdstuk en zonder dat het zich kandidaat moet stellen, wordt het lid van het ondersteunend personeel dat bij overgangsmaatregel vast benoemd is met een diploma van het niveau lager secundair onderwijs, en het lid van het administratief, meesters-, vak- en dienstpersoneel dat vast benoemd is, en negen jaar dienstanciënniteit telt in de categorie van het ondersteunend, administratief, meesters-, vak- en dienstpersoneel vast benoemd in het selectieambt waarop het aanspraak kan maken, zonder dat dit selectieambt vacant is. Voor het meesters-, vak- en dienstpersoneel komen enkel de statutaire diensten in aanmerking. 2. In afwijking op de bepalingen van dit hoofdstuk en zonder dat het zich kandidaat moet stellen, wordt het lid van het ondersteunend personeel met recht op weddenschaal 202, dat vast benoemd is en dat negen jaar dienstanciënniteit telt in deze categorie vast benoemd in hetzelfde ambt met weddeschaal 203. In afwijking op de bepalingen van dit hoofdstuk en zonder dat het zich kandidaat moet stellen, wordt het lid van het ondersteunend personeel dat bij overgangsmaatregel vast benoemd is met een diploma van het niveau lager secundair onderwijs, en dat negen jaar dienstanciënniteit telt in deze categorie, vast benoemd in hetzelfde ambt met weddeschaal 201. De diensten gepresteerd in de ambten van de categorieën van het ondersteunend personeel, het administratief personeel en het opvoedend hulppersoneel, worden in aanmerking genomen voor het berekenen van deze negen jaar dienstanciënniteit. De diensten gepresteerd vóór 1 september 1998 in de voormelde categorieën komen eveneens in aanmerking voor de berekening van deze negen jaar dienstanciënniteit. 2bis. In afwijking op de bepalingen van dit hoofdstuk en zonder dat hij zich kandidaat moet stellen, wordt de administratief medewerker in de categorie van het beleidsen ondersteunend personeel met recht op weddenschaal 202, die vast benoemd is en die negen jaar dienstanciënniteit telt in deze categorie, vast benoemd in hetzelfde ambt met weddenschaal 203. In afwijking op de bepalingen van dit hoofdstuk en zonder dat hij zich kandidaat moet stellen, wordt de administratief medewerker van de categorie van het beleidsen ondersteunend personeel die bij overgangsmaatregel aangesteld is en vast benoemd is met een diploma van het niveau lager secundair onderwijs, en die negen jaar dienstanciënniteit telt in deze categorie, vast benoemd in hetzelfde ambt met weddenschaal 201. In afwijking op het eerste en tweede lid, hebben de personeelsleden die op 1 januari 2004 vast benoemd worden in het ambt van administratief medewerker en die op 1 september 2003 negen jaar dienstanciënniteit tellen in deze categorie, recht op de verhoogde weddenschaal met ingang van 1 september
49 De diensten gepresteerd als administratief medewerker in de categorie van het beleids- en ondersteunend personeel, worden in aanmerking genomen voor het berekenen van deze negen jaar dienstanciënniteit. 3. In afwijking van dit hoofdstuk en zonder dat het zich kandidaat moet stellen, kan de raad van bestuur een lid van het ondersteunend personeel of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs dat vast benoemd is in deze categorie, de hogere weddenschaal 106 toekennen. Wanneer de instelling minder dan 400 leerlingen telt, kan de raad van bestuur deze hogere weddenschaal toekennen aan één voltijdse betrekking van het ondersteunend personeel of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs. Wanneer de instelling 400 tot 900 leerlingen telt, kan de raad van bestuur deze hogere weddenschaal toekennen aan twee voltijdse betrekkingen van het ondersteunend personeel of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs. Wanneer de instelling meer dan 900 leerlingen telt, kan de raad van bestuur deze hogere weddenschaal toekennen aan drie voltijdse betrekkingen van het ondersteunend personeel of van het opvoedend hulppersoneel in het deeltijds kunstonderwijs. 3bis. In afwijking op de bepalingen van dit hoofdstuk en in afwijking op 3, kan de raad van bestuur een personeelslid dat in het voltijds gewoon secundair onderwijs of het buitengewoon secundair onderwijs vast benoemd is in een ambt van het ondersteunend personeel en dat in toepassing van artikel 100quinquies werd geconcordeerd, vast benoemen in hetzelfde ambt met een hogere weddenschaal. Bij deze vaste benoeming moet steeds rekening worden gehouden met het diplomaniveau van het personeelslid. Het personeelslid hoeft zich geen kandidaat te stellen voor deze vaste benoeming. De vaste benoeming in hetzelfde ambt met een hogere weddenschaal, heeft tot gevolg dat de betrekking de puntenwaarde krijgt verbonden aan deze hogere weddenschaal, zoals bepaald in artikel 97 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. De vaste benoeming in hetzelfde ambt met een hogere weddenschaal kan slechts plaatsvinden voor zover de verplichtingen inzake reaffectatie en wedertewerkstelling zijn nageleefd. 4. In het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs kunnen de personeelsleden van categorieën van het administratief personeel, het ondersteunend personeel en het opvoedend hulppersoneel slechts toepassing maken van dit artikel wanneer zij als laatste evaluatie geen evaluatie met als eindconclusie "onvoldoende" hebben gekregen. 49
50 Indien het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn. HOOFDSTUK Vbis. - Vastbenoemde personeelsleden tijdelijk belast met een andere opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt Artikel 55bis. 1. Na toepassing van en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk III. - Wervingsambten en van de overgangsbepalingen van dit decreet en de bepalingen van hoofdstuk V. - Selectie en bevordering kan een opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt tijdelijk worden toegewezen aan een vastbenoemd personeelslid of een personeelslid dat is toegelaten tot de proeftijd van het gemeenschapsonderwijs, van het gesubsidieerd onderwijs, van de gesubsidieerde centra, van de inspectie, van de pedagogische begeleidingsdienst of van de inspectie en de begeleiding van de levensbeschouwelijke vakken, met uitzondering van de gesubsidieerde hogescholen bedoeld in het decreet van 13 juli Het vastbenoemde personeelslid kan, met zijn instemming, geheel of gedeeltelijk afzien van de uitoefening van de opdracht waarvoor het vast benoemd is om in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt tijdelijk belast te worden met een andere opdracht waarvoor het niet vast benoemd is. 3. Het vastbenoemde personeelslid wordt met de andere opdracht belast overeenkomstig de bepalingen van dit decreet die ofwel de tijdelijke aanstelling in een wervingsambt regelen, met uitzondering van de bepalingen inzake de kandidaatstelling en de voorrang, ofwel de waarnemende aanstelling in selectie- en bevorderingsambten. 4. Tijdens de periode gedurende welke het personeelslid tijdelijk belast wordt met een andere opdracht en voor de beëindiging ervan, gelden de regels die voor de tijdelijke personeelsleden van toepassing zijn op het ambt waarin het personeelslid tijdelijk fungeert. 5. In afwijking van 4 wordt het vastbenoemde personeelslid tijdens de periode van tijdelijke of waarnemende aanstelling verder beschouwd als vastbenoemd personeelslid voor de toepassing van de reglementaire bepalingen inzake: 1 het bevallingsverlof; 2 het verlof wegens een bedreiging door een beroepsziekte en het verlof wegens moederschapsbescherming; 3 het verlof wegens ziekte of gebrekkigheid, met inbegrip van arbeidsongevallen, van ongevallen op de weg van en naar het werk en van beroepsziekten; 4 de anciënniteit voor het bepalen van het recht op verlof wegens ziekte of gebrekkigheid; 5 de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten. 50
51 Artikel 55ter. Het eerste lid van deze paragraaf geldt eveneens voor het vastbenoemde personeelslid dat overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III. - Wervingsambten als tijdelijk personeelslid wordt aangesteld. 6. De personeelsleden met een tijdelijke opdracht, conform 1, worden in die opdracht beoordeeld, overeenkomstig de bepalingen van artikel 22, 1 en 2. Het personeelslid dat de beoordeling "onvoldoende" heeft gekregen, kan van de tijdelijke opdracht worden ontheven. 7. In dit artikel wordt met tijdelijke aanstelling bedoeld, de tijdelijke aanstelling van bepaalde duur. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regeling van de administratieve en geldelijke toestand van de vastbenoemde personeelsleden die tijdelijk belast worden met een andere opdracht in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt waarvoor ze niet vastbenoemd zijn. HOOFDSTUK Vter. - Mandaat Artikel 55quater. [...] Artikel 55quinquies. 1. Elke nieuwe aanstelling in het bevorderingsambt van directeur wordt bij mandaat toegewezen. Deze toewijzing gebeurt: 1. voor de CLB's: vanaf 1 september 2000; 2. voor het gewoon en buitengewoon basis- en secundair onderwijs, het onderwijs voor sociale promotie en het deeltijds kunstonderwijs: vanaf een door de Vlaamse regering te bepalen datum. 2. Elke aanstelling bij mandaat in een ambt van directeur wordt schriftelijk vastgesteld op de wijze en met de vermeldingen bepaald in artikel Onverminderd artikel 55terdecies komen de personeelsleden die vóór een datum die de Vlaamse regering bepaalt tot de proeftijd zijn toegelaten of die belast zijn met het tijdelijk waarnemen van een vacante of niet-vacante betrekking van directeur op een datum die de Vlaamse regering bepaalt en tot op het ogenblik van de vaste benoeming tijdelijk belast blijven met dezelfde betrekking, nog in aanmerking voor een vaste benoeming in dit ambt. Artikel 55sexies. De raad van bestuur - voor het vormingscentrum: de afgevaardigd bestuurder - bepaalt de wijze van vacantverklaring en kandidaatstelling. 51
52 Artikel 55septies. Om in een mandaat van directeur aangesteld te kunnen worden, moet het personeelslid bij de aanvang van dat mandaat voldoen aan de volgende voorwaarden: Artikel 55octies. 1 houder zijn van het vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs, bij organieke bepaling of overgangsmaatregel; 2 de betrekking uitoefenen in hoofdambt; 3 als laatste evaluatie geen evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende" verkregen hebben. Indien het personeelslid niet werd geëvalueerd, wordt deze voorwaarde geacht voldaan te zijn; 4 voldoen aan de algemene wervingsvoorwaarden bedoeld in artikel 14 en 17, 1 tot en met 4; 5 zich kandidaat hebben gesteld in de vorm en binnen de termijn die de raad van bestuur - voor het vormingscentrum: de afgevaardigd bestuurder - bepaalt. 6 beschikken over de bekwaamheden vereist voor het ambt. Deze bekwaamheden en het profiel op basis waarvan zij zijn vastgelegd worden door de raad voor het gemeenschapsonderwijs vastgelegd. Zij worden getest in een proef die wordt georganiseerd onder de verantwoordelijkheid van de raad voor het gemeenschapsonderwijs. De raad van bestuur - voor het vormingscentrum: de afgevaardigd bestuurder - kan specifieke vorming opleggen. De bepalingen inzake reaffectatie en wedertewerkstelling zijn niet van toepassing op de betrekkingen die toegewezen werden bij mandaat. Artikel 55novies. Prestaties geleverd tijdens een mandaat worden in aanmerking genomen voor de administratieve en geldelijke anciënniteit van het personeelslid. Artikel 55decies. Als een personeelslid zonder vaste benoeming in het onderwijs aangesteld wordt bij mandaat, wordt dit zowel voor de administratieve als voor de geldelijke toestand beschouwd als een tijdelijke aanstelling. Artikel 55undecies. 1. Het mandaat heeft een onbepaalde duur. 2. De raad van bestuur - voor het vormingscentrum: de afgevaardigd bestuurder - kan een einde stellen aan een mandaat: 52
53 1 met een gemotiveerde opzeg van 3 maanden; 2 om dringende redenen volgens de procedure, bedoeld in artikel De raad van bestuur - voor het vormingscentrum: de afgevaardigd bestuurder - moet een einde stellen aan een mandaat: 1 na een definitieve evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende"; 2 door toepassing van artikel 23, 1, a, f, h, i en k en artikel 86, 1 tot Een personeelslid dat belast is met een mandaat van directeur kan op 1 september vrijwillig afzien van het mandaat. Hij deelt dit per aangetekende brief mee aan de raad van bestuur - voor het vormingscentrum: de afgevaardigd bestuurder -, vóór 1 april van hetzelfde jaar. Artikel 55duodecies. In onderling overleg kan van beide data worden afgeweken. 1. Bij de beëindiging van een mandaat van directeur neemt het vastbenoemd personeelslid een betrekking op bij de raad van bestuur en in de instelling van aanwijzing volgens zijn vaste benoeming voorafgaand aan het mandaat, tenzij het personeelslid en de raad van bestuur - voor het vormingscentrum: de afgevaardigd bestuurder - akkoord gaan met een mutatie. 2. Bij de beëindiging van een mandaat van directeur ingevolge een evaluatie "onvoldoende" neemt het personeelslid een betrekking op bij de raad van bestuur en in de instelling van aanwijzing volgens zijn vaste benoeming voorafgaand aan het mandaat. Dit personeelslid kan binnen "hetzelfde ambt" geen beroep doen op zijn anciënniteit voor een betrekking. Artikel 55terdecies. Het betrokken personeelslid wordt voor de duur van het lopende schooljaar ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking. Het personeelslid belast met een mandaat van directeur in een vacante betrekking, wordt op zijn verzoek op de leeftijd van 55 jaar vast benoemd in deze betrekking, op voorwaarde dat hij: 1 de voorwaarden vervult voor vaste benoeming; 2 mandaathouder is van de betrekking waarin hij wordt benoemd; 3 de vaste benoeming bij de raad van bestuur - voor het vormingscentrum: de afgevaardigd bestuurder - aanvraagt. Die vaste benoeming heeft steeds 1 januari als ingangsdatum. 53
54 Artikel 55quaterdecies. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regeling van de administratieve en geldelijke toestand van de personeelsleden die worden aangesteld bij mandaat. HOOFDSTUK Vquater. - Mandaat van algemeen directeur Artikel 55quinquiesdecies. 1. Het mandaat van algemeen directeur, zoals bedoeld in Hoofdstuk III - afdeling 4 van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het Gemeenschapsonderwijs wordt toegewezen of beëindigd volgens de voorwaarden en op de wijze zoals bepaald in dat decreet. Het mandaat wordt toegekend voor onbepaalde duur en kan op elk ogenblik op gemotiveerde wijze worden beëindigd. 2. Wanneer het mandaat van algemeen directeur vacant is, richt de raad van bestuur een oproep tot alle directeurs van de scholen van de scholengroep om zich kandidaat te stellen voor het mandaat van algemeen directeur. De raad van bestuur bepaalt de termijn waarbinnen de kandidaten zich kandidaat moeten stellen. Deze termijn bedraagt ten minste 10 kalenderdagen. 3. De raad van bestuur stelt vooraf de criteria vast op grond waarvan de kandidaten worden beoordeeld en deelt deze criteria bij de oproep mee aan de kandidaten. 4. Om in een mandaat van algemeen directeur aangesteld te kunnen worden, moet het personeelslid bij de aanvang van dat mandaat beschikken over de bekwaamheden vereist voor het ambt. Deze bekwaamheden en het profiel op basis waarvan zij zijn vastgelegd worden door de raad voor het gemeenschapsonderwijs vastgelegd. Zij worden getest in een proef die wordt georganiseerd onder de verantwoordelijkheid van de raad voor het gemeenschapsonderwijs. Artikel 55sexiesdecies. De raad van bestuur deelt de gemotiveerde beslissing tot toewijzing van het mandaat van algemeen directeur schriftelijk mee aan alle kandidaten. Artikel 55septiesdecies. 1. Bij beëindiging van het mandaat van algemeen directeur duidt de raad van bestuur onverwijld een lid van het college van directeurs aan dat tot de dag waarop de nieuwe algemeen directeur zijn mandaat opneemt, de bevoegdheden van algemeen directeur uitoefent. 2. Indien de algemene vergadering of de Raad van het Gemeenschapsonderwijs het mandaat van de algemeen directeur beëindigt, wordt deze beslissing onverwijld medegedeeld aan de voorzitter van de raad van bestuur. De beëindiging van het mandaat door deze organen heeft uitwerking de dag volgend op de ontvangst van de beslissing tot beëindiging van het mandaat bij de voorzitter van de raad van bestuur. 54
55 3. In afwijking tot hetgeen bepaald is in de 1 en 2, neemt de voorzitter van het college van directeurs de functie van algemeen directeur waar vanaf 1 januari 2000 tot de dag waarop de raad van bestuur een algemeen directeur aanstelt. Artikel 55octiesdecies. De directeur van een onderwijsinstelling die het mandaat van algemeen directeur uitoefent, kan aanspraak maken op een bijwedde indien de instellingen die behoren tot de scholengroep waarvan hij algemeen directeur is, ten minste 2000 regelmatig ingeschreven leerlingen tellen op 1 februari van het voorafgaande schooljaar. Voor de scholengroep gelegen in de BSD wordt geen minimaal aantal leerlingen vereist. De Vlaamse regering bepaalt de grootte van de bijwedde en de modaliteiten van de toekenning. In afwijking van het bepaalde in artikel 71 van het decreet van 15 juli 1997 betreffende het onderwijs-viii, wordt de overname van een onderwijsinstelling voor de gelding van dit artikel geacht reeds op 1 februari van het voorafgaand schooljaar te hebben plaatsgevonden. HOOFDSTUK Vquinquies. - Mandaat van coördinerend directeur Artikel 55vicies. 1. Op voordracht van de scholengemeenschap van het secundair onderwijs kan de scholengroep een personeelslid voltijds of twee personeelsleden elk halftijds bij mandaat aanstellen tot coördinerend directeur van die scholengemeenschap als het personeelslid belast is met taken voor de totaliteit van de instellingen die deel uitmaken van de scholengemeenschap. Het personeelslid moet tijdelijk aangesteld zijn of vast benoemd zijn als directeur aan een instelling van de scholengemeenschap. 2. De directeur die belast wordt met het mandaat van coördinerend directeur kan aanspraak maken op een bijwedde, indien de instellingen die behoren tot de scholengemeenschap ten minste 2000 regelmatig ingeschreven leerlingen tellen op 1 februari van het voorafgaande schooljaar. De Vlaamse regering bepaalt de grootte van de bijwedde en de modaliteiten voor de toekenning. In afwijking van het bepaalde in artikel 71 van het decreet van 15 juli 1997 betreffende het onderwijs-viii, wordt de overname van een onderwijsinstelling voor de gelding van dit artikel geacht reeds op 1 februari van het voorafgaand schooljaar te hebben plaatsgevonden. 55
56 HOOFDSTUK VI. - Rechten van personeelsleden bij het overnemen van onderwijsinstellingen Artikel De personeelsleden van een instelling die door het Gemeenschapsonderwijs wordt overgenomen, verkrijgen op hun verzoek de hoedanigheid van personeelslid van het gemeenschapsonderwijs. 2. De personeelsleden bedoeld in 1 gaan, al naar gelang het geval zij vastbenoemd of tijdelijk aangesteld zijn in de instelling die overgenomen wordt, als vastbenoemd of tijdelijk aangesteld personeelslid over. Voor overname in de hoedanigheid van tijdelijk personeelslid komen in aanmerking de personeelsleden die op de laatste effectieve lesdag voor de overname in dienst zijn en voor hun prestaties door de Vlaamse Gemeenschap worden bezoldigd. 3. De diensten gepresteerd in het gesubsidieerd onderwijs worden beschouwd als diensten gepresteerd in het gemeenschapsonderwijs. Voor de toepassing van dit decreet worden de diensten gepresteerd in een ambt, betrekking, vak of specialiteit in de overgenomen instelling geacht gepresteerd te zijn in hetzelfde ambt, dezelfde betrekking, hetzelfde vak of dezelfde specialiteit in de scholengroep, en, in voorkomend geval, de scholengemeenschap die na overname bevoegd is voor de instelling. 4. Een kandidatuurstelling voor een tijdelijke aanstelling of voor een vaste benoeming gedaan bij de inrichtende macht die haar instelling overlaat, wordt geacht gedaan te zijn bij de raad van bestuur die de instelling overneemt. De mededeling van de vacante betrekkingen met het oog op een vaste benoeming in de instelling die wordt overgenomen, wordt eveneens geacht gedaan te zijn bij de raad van bestuur die deze instelling overneemt. 5. De personeelsleden die voor de overname recht hadden op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, zoals bedoeld in artikel 21, 3, of 21bis, 3, behouden dit recht na de overname. HOOFDSTUK VIbis. - Rechten van personeelsleden bij wijziging van de samenstelling van een scholengemeenschap Artikel 56bis Wanneer een instelling die voorheen niet tot een scholengemeenschap behoorde, toetreedt tot een scholengemeenschap, dan worden de diensten die voor de toetreding tot de scholengemeenschap in deze instelling werden gepresteerd in een ambt, betrekking, vak of specialiteit geacht ook gepresteerd te zijn in dat ambt, deze betrekking, dat vak of deze specialiteit in deze scholengemeenschap. 56
57 Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die in toepassing van dit decreet reeds werd gedaan bij de raad van bestuur of inrichtende macht van de betrokken instelling, wordt geacht ook gedaan geweest te zijn voor de scholengemeenschap waartoe de instelling zal behoren. 2. Wanneer een instelling die voorheen tot een scholengemeenschap behoorde, toetreedt tot een andere scholengemeenschap, dan worden de diensten die voor de toetreding tot deze andere scholengemeenschap in deze instelling werden gepresteerd in een ambt, betrekking, vak of specialiteit geacht ook gepresteerd te zijn in dat ambt, deze betrekking, dat vak of deze specialiteit in deze andere scholengemeenschap. Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die in toepassing van dit decreet reeds werd gedaan bij de raad van bestuur of een inrichtende macht van de scholengemeenschap of de scholengroep, wordt geacht ook gedaan geweest te zijn voor de scholengemeenschap waartoe de instelling zal behoren. 3. Wanneer een instelling uit een scholengemeenschap treedt, en niet opnieuw toetreedt tot een scholengemeenschap, dan worden de diensten die in deze instelling in de scholengemeenschap werden gepresteerd in een ambt, betrekking, vak of specialiteit steeds geacht gepresteerd te zijn in dat ambt, deze betrekking, dat vak of deze specialiteit in deze instelling. Een kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling die in toepassing van dit decreet reeds werd gedaan bij de raad van bestuur of een inrichtende macht van de scholengemeenschap, wordt geacht ook gedaan geweest te zijn bij de betrokken raad van bestuur. 4. Voor het basisonderwijs gelden de bepalingen van dit hoofdstuk met ingang van 1 mei HOOFDSTUK VIter. - Concordantie Artikel 56ter. 1. De Vlaamse Regering kan bij het wijzigen van een personeelscategorie, een ambt, een vak, een specialiteit of de classificatie van een vak of specialiteit, ambtshalve concordanties opstellen. Een ambtshalve concordantie is de omzetting van de bestaande benaming van een personeelscategorie, een ambt, een vak, een specialiteit of een classificatie van een vak of specialiteit naar een nieuwe benaming. 2. Voor de toepassing van dit artikel kan de Vlaamse Regering de nadere administratieve en geldelijke bepalingen voor de betrokken personeelsleden vastleggen. Het betreft bepalingen inzake: - de prestaties geleverd als tijdelijk personeelslid; - de rechten met betrekking tot de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur; 57
58 - de kandidaatstelling voor een tijdelijke aanstelling, een toelating tot de proeftijd, een vaste benoeming of een mutatie; - de vacantverklaring van betrekkingen met het oog op een toelating tot de proeftijd, een vaste benoeming of een mutatie; - de draagwijdte van de vaste benoeming; - de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling; - de bekwaamheidsbewijzen; - de weddenschalen. 3. Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming worden de concordanties die voor 1 september 2005 werden vastgelegd, beschouwd als zijnde vastgelegd overeenkomstig dit artikel. HOOFDSTUK VII. - Maatregelen van orde Artikel 57. De maatregelen van orde bedoeld in dit hoofdstuk zijn enkel van toepassing op de vast benoemde personeelsleden. De in dit hoofdstuk bedoelde maatregelen van orde zijn geen tuchtmaatregelen. Artikel 58. Afdeling I. - Overplaatsing in het belang van de dienst 1. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen inzake de overplaatsing in het belang van de dienst binnen de scholengroep, met dien verstande dat: 1 deze maatregel slechts kan worden toegepast nadat is vastgesteld dat de minimale verstandhouding die voor de goede werking van de dienst of van het onderwijs nodig is, blijvend gestoord is; 2 de beslissing genomen wordt door raad van bestuur, na advies van de betrokken instellingshoofden; 3 de rechten van verdediging gegarandeerd worden. 2. Een personeelslid kan, met onderling akkoord van de betrokken raden van bestuur, naar een instelling van een andere scholengroep worden overgeplaatst. 58
59 Afdeling II. - Preventieve schorsing Artikel 59. Artikel 59bis. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen inzake de preventieve schorsing. De preventieve schorsing is enkel mogelijk indien het belang van het onderwijs of van de dienst zulks vereist. De preventieve schorsing is een administratieve maatregel uitgesproken door de raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst:door de afgevaardigd bestuurder - na advies van het instellingshoofd en mag, behoudens bij strafrechtelijke vervolging voor dezelfde feiten, niet meer dan één jaar bedragen. Het in het eerste lid bedoelde besluit garandeert de rechten van verdediging. Artikel 59 geldt eveneens voor de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur. Afdeling III. - De terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst Artikel 60. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen van de in artikel 82, e), bedoelde terbeschikkingstelling wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst. In afwachting dat de Vlaamse regering hieraan uitvoering verleent blijft de op 1 april 1991 bestaande reglementering van kracht. HOOFDSTUK VIII. - Tuchtregeling Artikel 60bis. Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende personeelsleden: - de vastbenoemde personeelsleden; - de personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor doorlopende duur; - de vastbenoemde personeelsleden die ter beschikking zijn gesteld wegens ontstentenis van betrekking en die zijn gereaffecteerd of wedertewerkgesteld. 59
60 Afdeling I. - Tuchtstraffen Artikel 61. Artikel In geval van tekortkoming aan hun plichten kunnen de personeelsleden één van de volgende sancties oplopen: 1 de blaam; 2 de afhouding van de wedde; 3 de schorsing bij tuchtmaatregel; 4 de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel; 5 de terugkeer tot de tijdelijke aanstelling voor het personeelslid dat vast benoemd is in een wervingsambt, de terugzetting in rang voor het personeelslid dat vast benoemd is in een selectie- of bevorderingsambt of het uitstel van vaste benoeming voor een bepaalde duur van het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is voor doorlopende duur. 6 de afdanking. Betreft het een godsdienstleerkracht, een leermeester niet-confessionele zedenleer of leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer dan kan de tuchtstraf enkel worden opgelegd op voorstel of met instemming van de bevoegde instantie van de betrokken godsdienst of de niet-confessionele zedenleer. 2. Een tuchtstraf is definitief ofwel na het verstrijken van de termijn van twintig kalenderdagen, bedoeld in artikel 73, tweede lid, ofwel nadat de raad van beroep, na uitputting van de procedure waarin is voorzien in afdeling 3 een definitieve beslissing heeft genomen. 1. Een blaam wordt gegeven door de raad van bestuur. Het voornemen daartoe wordt het personeelslid schriftelijk en gemotiveerd bezorgd. Het personeelslid kan binnen tien dagen, te rekenen vanaf de eerste dag volgend op de dag van de kennisgeving een bezwaarschrift indienen, dat bij het dossier wordt gevoegd. De raad van bestuur beslist op basis van het dossier. 2. De andere tuchtstraffen worden voorgesteld door de raad van bestuur en uitgesproken door de raad van beroep. 3. Voor de hoofden van de instellingen worden de tuchtstraffen uitgesproken door de raad van beroep op voorstel van de raad van bestuur. 4. Voor de leden van de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum worden de tuchtstraffen uitgesproken door de raad van beroep en voorgesteld door de afgevaardigd bestuurder. 60
61 Artikel 62bis. Artikel 63. Artikel 64. Artikel 65. Artikel 66. Artikel 67. Indien het personeelslid terbeschikkinggesteld is wegens ontstentenis van betrekking en met toepassing van de geldende decretale en reglementaire bepalingen gereaffecteerd of wedertewerkgesteld is, oefent de raad van bestuur bij wie het personeelslid een opdracht verricht voor die opdracht de tuchtmacht uit volgens de ter zake toepasselijke decretale en reglementaire bepalingen. De Vlaamse regering kan nadere modaliteiten bepalen volgens dewelke deze tuchtmacht wordt uitgeoefend. Afhouding van de wedde wordt toegepast gedurende ten minste één maand en ten hoogste twaalf maanden en mag niet meer dan een vijfde van de laatste bruto-activiteitswedde of - wachtgeld bedragen. De schorsing bij tuchtmaatregel wordt uitgesproken voor ten hoogste één jaar. Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd doch blijft in de administratieve stand waarin het zich bevond op de dag vóór de schorsing. De schorsing heeft de halvering van de laatste bruto-activiteitswedde of -wachtgeld voor gevolg. De terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel mag niet minder dan één jaar duren en niet langer dan twee jaar. Het personeelslid wordt uit zijn ambt verwijderd en ontvangt een wachtgeld ten bedrage van de helft van de bruto-activiteitswedde of -wachtgeld. De afhouding van de wedde of het wachtgeld of de toekenning van een wachtgeld mag niet voor gevolg hebben dat de wedde van het personeelslid verminderd wordt tot een bedrag lager dan het netto belastbaar bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop de betrokkene recht zou hebben indien hij het voordeel zou genieten van het stelsel van sociale zekerheid van werknemers. 1. Bij de terugkeer tot de tijdelijke aanstelling blijft het personeelslid in de betrekking die het als vast benoemd personeelslid bekleedde de dag voor de tuchtuitspraak. Het personeelslid behoort dan tot de groep bedoeld in artikel 21, 3, en in artikel 21 bis, 3. Het kan niet uit zijn betrekking worden verwijderd door toepassing van de reglementering inzake reaffectatie en wedertewerkstelling. 61
62 Artikel 68. Artikel 69. Het artikel 23, 1, b) en e), is niet van toepassing op deze personeelsleden. Het personeelslid dat bij tuchtmaatregel is teruggezet tot de tijdelijke aanstelling, komt slechts opnieuw in aanmerking voor een vaste benoeming na verloop van twee volledige schooljaren volgend op de uitspraak. 2. De terugzetting in rang heeft tot gevolg dat de weddeschaal wordt toegekend, die verbonden is aan het ambt dat definitief wordt toegewezen door de terugzetting in rang. De Vlaamse regering bepaalt de nadere gevolgen van deze sanctie inzonderheid van de gevolgen ten aanzien van de andere personeelsleden. 3. De centrale raad, en met ingang van 1 januari 2000 de raad van bestuur, wijst een instelling aan waar een personeelslid dat bij tuchtmaatregel in rang is teruggezet, die betrekking dient op te nemen. 4. Bij het uitstel van vaste benoeming blijft het personeelslid aangesteld voor doorlopende duur en blijft ook het recht op zulke aanstelling behouden. Het komt slechts opnieuw in aanmerking voor een vaste benoeming na verloop van twee volledige schooljaren volgend op de uitspraak. In geval van afdanking bij tuchtmaatregel wordt het personeelslid definitief uit zijn ambt verwijderd na een opzeggingstermijn waarvan de duur wordt vastgesteld afhankelijk van het aantal arbeidsdagen die krachtens de werkloosheidsreglementering en de ziekte- en invaliditeitsverzekering zijn vereist om aanspraak te kunnen maken op werkloosheidsuitkering. Tijdens deze opzeggingstermijn wordt het personeelslid beschouwd als tijdelijk aangesteld, wordt het geaffecteerd aan een instelling en tewerkgesteld door de raad van bestuur - voor de pedagogische begeleidingsdienst en het vormingscentrum door de afgevaardigd bestuurder die het met een opdracht kan belasten en kan het naar rato van de grootte van die opdracht, worden vervangen. Het geniet de bruto-wedde verbonden aan het ambt waarin het vast benoemd was. Het personeelslid kan geheel of gedeeltelijk afstand doen van die opzeggingstermijn. Het recht op een aanstelling van doorlopende duur kan opnieuw worden verworven wanneer het personeelslid opnieuw wordt aangesteld door dezelfde raad van bestuur en na het behalen van de anciënniteit zoals bepaald in artikel 21, 3, 1, en artikel 21bis, 3, 1. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen inzake de uitoefening van de tuchtmacht, alsmede de toepasselijke procedure. Een tuchtstraf kan geen uitwerking hebben over een periode voor de tuchtuitspraak. Het hiervoor bedoelde besluit garandeert de rechten van verdediging. 62
63 Afdeling II. - Doorhaling van de tuchtstraffen Artikel De doorhaling van de tuchtstraf, de afdanking uitgezonderd, gebeurt van rechtswege na een termijn waarvan de duur is vastgesteld op: één jaar voor de blaam; drie jaar voor de afhouding van de wedde; vijf jaar voor de tuchtschorsing; zeven jaar voor de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel. De termijn loopt vanaf de datum van de tuchtuitspraak. 2. Onverminderd de uitvoering van de tuchtstraf, heeft de doorhaling tot gevolg dat met de doorgehaalde tuchtstraf geen rekening meer mag worden gehouden inzonderheid bij de aanspraken op een selectie- of bevorderingsambt, noch bij de toekenning van de evaluatie die wordt uitgebracht na de doorhaling. De doorgehaalde tuchtstraf wordt uit het personeelsdossier verwijderd. Artikel 71. Artikel 72. Afdeling III. - De raad van beroep Er wordt een raad van beroep ingesteld bevoegd voor het personeel waarop dit decreet van toepassing is. 1. De raad van beroep is samengesteld uit: 1 een voorzitter en twee plaatsvervangende voorzitters, onafhankelijke personen die aangesteld worden door de Vlaamse Regering. 2 twee leden aangewezen door de voorzitter van de raad van beroep onder de leden bedoeld in 2, overeenkomstig de door de Vlaamse regering bepaalde regelen; 3 een vaste secretaris en een plaatsvervangende secretaris, door de afgevaardigd bestuurder aangewezen onder de ambtenaren van niveau A van zijn administratieve diensten. Een secretaris is belast met het opstellen van het verslag over de zaak. 2. Bij de aanwijzing van de leden bedoeld in 1, 2, wijst de Vlaamse regering voor respectievelijk het basisonderwijs, het secundair onderwijs, het hoger onderwijs, het buitengewoon onderwijs, de psycho-medisch-sociale centra, de pedagogische begeleidingsdienst en de categorie van het administratief, meesters-, vak- en dienstpersoneel telkens acht leden aan, waarvan telkens vier titularis van een wervings- of selectieambt en telkens vier titularis van een bevorderingsambt zijn. 63
64 Voor de categorie van het administratief, meesters-, vak- en dienstpersoneel worden vier leden titularis van een wervingsambt en vier leden titularis van een selectieambt aangeduid. Deze leden zijn vast benoemde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs. De voorzitter wijst overeenkomstig de door de Vlaamse regering bepaalde regelen de leden aan. De Vlaamse regering bepaalt de vergoedingen waarop de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter recht hebben. Artikel 73. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regelen betreffende het secretariaat en de werkwijze van de raad van beroep, de procedure en de redenen tot wraking. De termijn voor het instellen van het beroep bedraagt twintig kalenderdagen. Behalve bij afdanking heeft het beroep geen schorsende werking. HOOFDSTUK VIIIbis. - Functiebeschrijving Artikel 73bis. Artikel 73ter. Dit hoofdstuk geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het onderwijs voor sociale promotie en voor de CLB s. 1. Een functiebeschrijving is verplicht voor elk personeelslid dat aangesteld is voor meer dan 104 dagen. 2. De directeur kan voor personeelsleden die tijdelijk aangesteld zijn voor kortere duur, beslissen om een functiebeschrijving op te stellen. 3. De algemene afspraken inzake functiebeschrijvingen worden onderhandeld in het lokaal comité. 4. Elk personeelslid heeft één of twee evaluatoren, waaronder een directeur en/of adjunct-directeur. De andere wordt aangewezen door het college van directeurs. De raad van bestuur evalueert de directeur of de adjunct-directeur. De afgevaardigd bestuurder evalueert de directeur van het vormingscentrum. 5. Rekening houdend met de algemene afspraken leggen het personeelslid en de evaluator de functiebeschrijving vast. Personeelslid en evaluator leggen in de functiebeschrijving de taken en instellingsgebonden opdrachten van het personeelslid vast en de wijze waarop het personeelslid deze taken en opdrachten moet uitvoeren. 64
65 In de functiebeschrijving worden ook de instellingsspecifieke doelstellingen opgenomen. Aan de functiebeschrijving worden ook de persoons- en ontwikkelingsgerichte doelstellingen toegevoegd, naar aanleiding van de afspraken gemaakt op het einde van de vorige evaluatieperiode. 6. De functiebeschrijving bevat de rechten en plichten inzake permanente vorming en nascholing. Als het personeelslid nascholing wordt opgelegd, komen de kosten ten laste van de scholengroep. 7. Als de evaluator en het personeelslid het niet eens raken over de functiebeschrijving of bepaalde onderdelen ervan, beslist de raad van bestuur. De raad van bestuur hoort vooraf de directie, de evaluatoren en het personeelslid. 8. De evaluator(en) onderteken(t)(en) de functiebeschrijving; het betrokken personeelslid ondertekent de functiebeschrijving voor kennisname. 9. De functiebeschrijving wordt bij belangrijke wijziging van de opdracht of in onderling overleg, aangepast. 10. De functiebeschrijving van de godsdienstleraar en de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer wordt opgemaakt met het akkoord van de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of van de niet-confessionele zedenleer. HOOFDSTUK VIIIter. - Evaluatie Artikel 73quater. Dit hoofdstuk geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het onderwijs voor sociale promotie en voor de CLB s. Artikel 73quinquies. Afdeling I. - De evaluatie 1. De evaluatie is minimaal om de drie jaar verplicht voor elk personeelslid. 2. Evaluatie is niet mogelijk voor het personeelslid voor wie geen functiebeschrijving werd opgemaakt. 65
66 Artikel 73sexies. Het college van directeurs legt, na advies van bestuur van de scholengemeenschap, de afspraken inzake evaluatie vast. De algemene afspraken worden in het lokaal comité onderhandeld. Artikel 73septies. 1. Het evaluatieverslag beschrijft op zorgvuldige wijze het volledig functioneren van het personeelslid ten opzichte van de overeengekomen functiebeschrijving, met inbegrip van de voor de betrokken evaluatieperiode afgesproken specifieke doelstellingen en ontwikkelingsgerichte doelstellingen. 2. De evaluatie gebeurt in de instelling waar het personeelslid prestaties verricht en voor elk ambt dat het daar uitoefent. 3. De evaluatie van de godsdienstleraar en de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer wordt voor wat betreft de vakinhoudelijke en vaktechnische aspecten opgemaakt door de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of van de niet-confessionele zedenleer. De evaluatie van de godsdienstleraar en de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer wordt voor wat betreft de niet-vakinhoudelijke en nietvaktechnische aspecten opgemaakt door de in dit decreet bedoelde evaluator. Artikel 73octies. Afdeling II. - De evaluatie "onvoldoende" Alleen tegen het evaluatieverslag dat wordt besloten met de eindconclusie "onvoldoende", is beroep mogelijk. Artikel 73novies. 1. Bij een evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" kan het personeelslid beroep aantekenen bij een college van beroep inzake evaluaties. Dit college van beroep garandeert de rechten van verdediging. 2. Zolang het college van beroep niet functioneert, zijn evaluaties met de eindconclusie "onvoldoende" niet mogelijk. Artikel 73decies. 1. Als het vastbenoemde personeelslid of het personeelslid aangesteld voor doorlopende duur, een evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" heeft gekregen, moet betrokkene een nieuwe evaluatie krijgen. Deze nieuwe evaluatie moet een periode van tenminste acht en maximum twaalf maanden effectieve prestaties omvatten. 66
67 2. Het vastbenoemde personeelslid of het personeelslid aangesteld voor doorlopende duur wordt ontslagen als het twee opeenvolgende definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" of drie definitieve evaluaties met eindconclusie "onvoldoende" in zijn loopbaan binnen de scholengemeenschap, of, voor instellingen die niet tot een scholengemeenschap behoren, binnen de scholengroep heeft gekregen voor één bepaald ambt. Artikel 73undecies. Het tijdelijk personeelslid aangesteld voor bepaalde duur, wordt ontslagen als de evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" definitief is. Artikel 73duodecies. Het vastbenoemde personeelslid dat belast is met een mandaat als directeur keert na een definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" onmiddellijk terug naar het ambt van benoeming voorafgaand aan de mandaatperiode. Artikel 73terdecies. 1. De raad van bestuur maakt voor een personeelslid dat benoemd is in een selectieof bevorderingsambt en voorheen vastbenoemd was in een ambt in het onderwijs toepassing van artikel 73decies. Het personeelslid keert dan terug naar het ambt waarin het voorheen benoemd was. 2. In afwijking van 1 kan de raad van bestuur een personeelslid dat benoemd is in een selectie- of bevorderingsambt en voorheen vastbenoemd was in een ambt in het onderwijs bij een definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende" terugzetten als vastbenoemd personeelslid in het ambt waarin het voorheen was benoemd. 3. Bij toepassing van 1 en 2 kan het personeelslid binnen "hetzelfde ambt" geen beroep doen op zijn anciënniteit voor een betrekking. Het betrokken personeelslid wordt voor de duur van het lopende schooljaar ter beschikking gesteld wegens ontstentenis van betrekking. 4. Het personeelslid dat benoemd is in een selectie- of bevorderingsambt en voorheen tijdelijk aangesteld was in een ambt in het onderwijs, wordt ontslagen na een definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende". 5. Het personeelslid dat benoemd is in een selectie- of bevorderingsambt en voorheen niet aangesteld was in een ambt in het onderwijs, wordt ontslagen na een definitieve evaluatie met eindconclusie "onvoldoende". 67
68 HOOFDSTUK IX. - Administratieve standen Afdeling I. - Algemene bepalingen Artikel 74. Artikel 75. De administratieve standen waarin de personeelsleden zich geheel of gedeeltelijk kunnen bevinden zijn: dienstactiviteit; non-activiteit; terbeschikkingstelling. Een personeelslid wordt voor de vaststelling van zijn administratieve stand altijd geacht zich in dienstactiviteit te bevinden, behoudens een uitdrukkelijke bepaling die het personeelslid van rechtswege of bij beslissing van een ter zake bevoegd orgaan van het Gemeenschapsonderwijs in een andere administratieve stand plaatst. Artikel 76. Artikel 77. Artikel 77bis. Afdeling II. - Dienstactiviteit Behoudens uitdrukkelijk strijdige bepaling heeft het personeelslid in actieve dienst recht op een wedde en op verhoging tot hogere wedde en kan zijn aanspraak doen gelden op een selectie- en bevorderingsambt. Het personeelslid krijgt onder de door de Vlaamse regering te bepalen voorwaarden, verlof gelijkgesteld met dienstactiviteit. In afwachting van de uitvaardiging door de regering van deze verlofstelsels blijven de op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet geldende wettelijke of reglementaire verlofstelsels van toepassing. De terbeschikkingstellingen wegens bijzondere opdracht toegekend aan de personeelsleden wordt omgezet in een verlof wegens opdracht in het belang van het onderwijs op voorwaarde dat: deze terbeschikkingstellingen worden toegekend vóór 1 september 1998; en dat in het ministerieel besluit dat hen deze terbeschikkingstelling toestond, werd gestipuleerd dat hen een wachtgeld of wachtgeldtoelage zou worden toegekend, die 68
69 Artikel 77ter. gelijk is aan de activiteitswedde of activiteitstoelage, die ze zouden genoten hebben indien ze in dienst waren gebleven. De personeelsleden die deelnemen aan de nascholingsactiviteiten zoals bedoeld in titel IV van het decreet van 16 april 1996 betreffende de lerarenopleiding en de nascholing bevinden zich van rechtswege in de stand "dienstactiviteit" gedurende de periode van nascholing. Zij blijven alle voordelen genieten die zij in hun ambt genoten, met inbegrip van de weddenverhogingen en bijkomende vergoedingen. Artikel 77quater. 1. Personeelsleden kunnen een verlof wegens bijzondere opdracht of een verlof wegens opdracht opnemen voor diensten of projecten met belang voor het onderwijs. Het betreft diensten of projecten die de werking van het onderwijs ten goede komen door deelname, ondersteuning en begeleiding te leveren inzake vernieuwingen of experimenten op onderwijsvlak, inzake het onderwijsbeleid of inzake het onderwijsonderzoek. 2. Personeelsleden kunnen onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse regering een verlof wegens bijzondere opdracht bekomen, zonder terugbetaling van het salaris, in het kader van de hiernavolgende diensten of projecten: 1 de pedagogische begeleidingsdiensten en nascholing op initiatief van het Gemeenschapsonderwijs; 2 de Europese scholen; 3 de projecten waarbij er een vervanging is door gesubsidieerde contractuelen, die door het departement Onderwijs worden bezoldigd, of door personeelsleden bedoeld in artikel X.57 van het decreet van 14 februari 2003 betreffende het onderwijs XIV; 4 de projecten die door het Gemeenschapsonderwijs en door één of meerdere representatieve groeperingen van inrichtende machten of door meerdere representatieve groeperingen van inrichtende machten worden uitgevoerd. Deze projecten worden geadviseerd door de Vlaamse Onderwijsraad; 5 de functie van secretaris van een reaffectatiecommissie; 6 de examencommissies van de Vlaamse Gemeenschap; 7 de Dienst voor Onderwijsontwikkeling; 8 de projecten opgezet of erkend door de Vlaamse minister bevoegd voor Onderwijs; 9 de projecten die kaderen in een door de Vlaamse Gemeenschap onderschreven Europese en bilaterale uitwisselingsprojecten; 69
70 10 de door de Europese Unie ondersteunde Europese onderwijsprojecten; 11 het Vlaams Centrum voor Onderwijsgebonden Sport; 12 de Ondersteuningscentra van ouderverenigingen; 13 het begeleiden en ondersteunen van de inspraakstructuren in het onderwijs. De Vlaamse regering kan de in het eerste lid bedoelde lijst uitbreiden met initiatieven en projecten die een bijzonder belang voor het onderwijs vertonen. De Vlaamse regering stelt voor de verloven wegens bijzondere opdracht de nadere bepalingen op, ondermeer voor wat betreft de beslissende en/of adviserende instantie, evaluatie van de projecten en de bepaling van het totaal aantal. 3. De personeelsleden kunnen onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse regering een verlof wegens opdracht bekomen, mits een terugbetaling van het salaris, voor een dienst of project in het belang van het onderwijs. Artikel 77quinquies. De Vlaamse regering bepaalt naast de in het eerste lid bedoelde voorwaarde: 1 ten aanzien van de dienst/het project de wijze waarop het verband tussen de betrokken dienst/project en het belang van het onderwijs moet worden aangetoond; de wijze van evaluatie van de projecten; voor welke diensten en projecten het verlof wegens opdracht beperkt wordt tot een bepaalde maximumduur; 2 ten aanzien van het betrokken personeelslid voor welke diensten en projecten het verlof wegens opdracht in hoofde van het personeelslid beperkt wordt tot een bepaalde maximumduur; de gevolgen voor de administratieve en geldelijke rechtspositie van het betrokken personeelslid; 3 ten aanzien van de instelling waar het personeelslid geaffecteerd of aangesteld is: de wijze waarop zij in het beslissingsproces wordt betrokken. Een personeelslid dat met toepassing van artikelen 41 en 42 van de arbeidswet van 16 maart 1971 door de werkgever verwijderd werd uit een risico kan door de bevoegde inrichtende macht belast worden met pedagogische of administratieve taken in een niet organieke betrekking in haar ambt in de instelling of het centrum in kwestie en/of voor 70
71 de scholengemeenschap. Mits onderling akkoord kan het personeelslid deze taken ook uitoefenen in een andere instelling van de scholengemeenschap. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere administratieve en geldelijke gevolgen van deze maatregel. Artikel 78. Afdeling III. - Non-activiteit Behoudens uitdrukkelijk strijdige bepaling heeft het personeelslid in de stand non-activiteit geen recht op wedde. Het kan alleen onder de door de regering bepaalde voorwaarden aanspraak maken op verhoging tot een hogere wedde en op een selectie- of bevorderingsambt. Artikel 79. [ ] Artikel 80. Onder de door de regering bepaalde voorwaarden is het personeelslid in de stand nonactiviteit: a) wanneer het in vredestijd sommige militaire prestaties vervult of voor de civiele bescherming of voor taken van openbaar nut wordt aangewezen op grond van de wetten houdende het statuut van de gewetensbezwaarden, gecoördineerd op 20 februari 1980; b) wanneer het een afwezigheid van lange duur gewettigd door familiale redenen wordt toegestaan; c) wanneer het afwezig is op grond van een machtiging om zijn ambt met verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid uit te oefenen. In dit geval is het personeelslid in non-activiteit voor de niet uitgeoefende prestaties; d) wanneer het met politiek verlof is, met inbegrip van de periode van eventuele uitgestelde indiensttreding na het beëindigen van het mandaat; e) wanneer het ambt dat het als vastbenoemd personeelslid uitoefent niet langer beschouwd kan worden als hoofdambt in de zin van de bezoldigingsregeling die op hem van toepassing is. In dit geval is het personeelslid in non-activiteit voor de prestaties waarvoor het vast benoemd is, maar waarvoor het geen wedde meer ontvangt. In afwachting dat de Vlaamse regering de hiervoor bedoelde voorwaarden vastlegt, blijven de op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet geldende wettelijke of reglementaire bepalingen van toepassing. 71
72 Artikel 81. Ongewettigde afwezigheid plaatst het personeelslid ambtshalve in de stand non-activiteit, onverminderd de tuchtstraf die eraan kan worden verbonden. Tijdens de periodes van ongewettigde afwezigheid kan het personeelslid geen aanspraak maken op bevordering tot een hogere wedde en op een selectie- of bevorderingsambt. Artikel 82. Artikel 83. Afdeling IV. - Terbeschikkingstelling Onverminderd het bepaalde in de artikelen 65 en 66 betreffende de terbeschikkingstelling bij tuchtmaatregel kan het personeelslid onder de door de regering bepaalde voorwaarden, zonder opzegging, ter beschikking worden gesteld: a) wegens ontstentenis van betrekking; b) [ ] c) wegens ziekte of gebrekkigheid; d) wegens persoonlijke aangelegenheid; e) wegens ambtsontheffing in het belang van de dienst; f) wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen. In afwachting dat de Vlaamse regering de voorwaarden ter zake vastlegt, blijven de op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet geldende wettelijke of reglementaire bepalingen van toepassing. Een overeenkomstig a), b) en c), ter beschikking gesteld personeelslid kan gedurende twee jaar zijn aanspraken op een selectie- of bevorderingsambt en op bevordering tot een hogere wedde doen gelden. Deze periode wordt op negen jaar gebracht indien het personeelslid na het schooljaar 1989/1990 een eerste maal overeenkomstig b) ter beschikking gesteld is om een opdracht te vervullen in een Europese school. 1. Niemand kan ter beschikking worden gesteld of gehouden na het einde van de maand waarin hij de leeftijd van zestig jaar heeft bereikt en dertig dienstjaren telt die in aanmerking komen voor de berekening van het rustpensioen. 2. Het bepaalde van de vorige paragraaf is niet van toepassing op de personeelsleden: 1 die ter beschikking werden gesteld wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking; 2 directeurs van een kleuterschool of lagere school of basisschool, onderwijzers, leermeesters niet-confessionele zedenleer, leermeesters godsdienst, leermeesters 72
73 lichamelijke opvoeding en bijzondere leermeesters die ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking bij toepassing van de wettelijke bepalingen tot opheffing van de vierde graden of van artikel 22, derde lid, a) en c), van de wetten op het lager onderwijs, gecoördineerd op 20 augustus 1957 of nog van de bepalingen van het koninklijk besluit van 8 oktober 1975 houdende de eerste maatregelen tot rationalisatie van het gewoon lager onderwijs, van toepassing vanaf het schooljaar ; 3 de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking en op wie de bepalingen toepasselijk zijn van: a) artikel 22 van het koninklijk besluit nr. 49 van 2 juli 1982 betreffende de oprichtingsnormen en de herstructurering van instellingen in het secundair onderwijs met volledig leerplan; b) artikel 39 van het koninklijk besluit nr. 439 van 11 augustus 1986 houdende rationalisatie en programmatie van het buitengewoon onderwijs; c) artikel 25 van het koninklijk besluit nr. 460 van 17 september 1986 tot vaststelling van het rationalisatieplan en het programmatieplan van het hoger onderwijs van het korte type en tot wijziging van de wetgeving betreffende de organisatie van het hoger onderwijs van het lange type; d) artikel 16 van het koninklijk besluit nr. 461 van 17 september 1966 houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het onderwijs voor sociale promotie; e) artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 541 van 31 maart 1987 houdende het rationalisatie- en programmatieplan van het aanvullend secundair beroepsonderwijs en tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 460 van 17 september 1986 tot vaststelling van het rationalisatieplan en het programmatieplan van het hoger onderwijs van het korte type en tot wijziging van de wetgeving betreffende de organisatie van het hoger onderwijs van het lange type; f) artikel 11bis van het koninklijk besluit nr. 467 van 1 oktober 1986 betreffende de rationalisatie en programmatie en de normen inzake personeelsomkadering van de psycho-medisch-sociale centra en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot de Fondsen voor schoolgebouwen; 4 die ter beschikking werden gesteld wegens bijzondere opdracht met het oog op een opdracht in de Europese scholen. Deze personeelsleden kunnen ter beschikking gesteld blijven tot op het einde van het schooljaar waarin zij de leeftijd van zestig jaar bereiken; 5 die volledig, halftijds of een vierde ter beschikking zijn gesteld in toepassing van de overgangsmaatregel zoals bepaald artikel 9quinquies van het besluit van 11 februari 2000 betreffende de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs en van de psycho-medisch-sociale centra. 73
74 De terbeschikkingstelling zoals bedoeld in het eerste lid, kan ook aanvangen na of verder lopen dan het tijdstip waarop het personeelslid het recht heeft verkregen op een pensioen ten laste van de Schatkist. Artikel 84. Artikel 85. [...] De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden waaronder de personeelsleden die ter beschikking gesteld zijn: a) wegens volledige ontstentenis van betrekking of om de redenen vermeld in artikel 82, eerste lid, b), c), e) en f), aanspraak kunnen maken op een wachtgeld; b) wegens volledige ontstentenis van betrekking doch volledig of gedeeltelijk gereaffecteerd of wedertewerkgesteld zijn, aanspraak kunnen maken op een wedde; c) wegens gedeeltelijke ontstentenis van betrekking aanspraak kunnen maken op een wedde. Dit wachtgeld, de toelagen en de vergoedingen die eventueel aan die personeelsleden worden toegekend zijn onderworpen aan de mobiliteitsregeling die geldt voor de bezoldiging van de personeelsleden in dienstactiviteit. HOOFDSTUK X. - Definitieve ambtsneerlegging Artikel 86. Onverminderd de bepalingen van artikel 23 in verband met de beëindiging van de tijdelijke aanstelling worden de tijdelijk aangestelde en de vast benoemde personeelsleden tenzij anders bepaald ambtshalve en zonder opzegging ontslagen: 1 indien zij niet meer voldoen aan één van de volgende voorwaarden: a) onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Vrijhandelsassociatie zijn, behoudens door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling; b) de burgelijke en politieke rechten genieten, behoudens een door de Vlaamse regering te verlenen vrijstelling die samengaat met de vrijstelling bedoeld in a); c) de verplichtingen van de dienstplichtwetten nakomen; 2 indien zij na een geoorloofde afwezigheid, zonder geldige redenen behoudens overmacht, hun dienst niet hervatten en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien kalenderdagen afwezig blijven; 3 indien zij zonder geldige redenen hun betrekking verlaten en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien kalenderdagen afwezig blijven; 74
75 Artikel 87. Artikel indien zij zich bevinden in de gevallen waarin de toepassing van de burgerlijke wetten en van de strafwetten de ambtsneerlegging ten gevolge heeft; 5 indien is vastgesteld dat zij wegens een overeenkomstig de wet, het decreet of een reglement erkende blijvende arbeidsongeschiktheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen; 6 indien zij na terugroeping in actieve dienst, onder meer bij reaffectatie of wedertewerkstelling zonder geldige redenen weigeren de door een ter zake bevoegd orgaan aangewezen betrekking te bekleden; 7 vanaf het ogenblik waarop hun onregelmatige vaste benoeming of tijdelijke aanstelling wordt ingetrokken. In dat geval behoudt het personeelslid evenwel de aan zijn voorafgaande toestand verbonden rechten; 8 vanaf het ogenblik van de benoeming in vast verband in een voltijdse betrekking in hoofdambt buiten het gemeenschapsonderwijs; 9 vanaf het ogenblik waarop de bevoegde instantie van de betrokken eredienst of van de niet-confessionele zedenleer, aan de opdracht van de godsdienstleerkracht, de leermeester niet-confessionele zedenleer of de leraar secundair onderwijs belast met niet-confessionele zedenleer een einde maakt. Indien het een vast benoemd personeelslid betreft wordt hem een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens deze opzeggingstermijn wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld, wordt het buiten kader geaffecteerd aan een instelling en tewerkgesteld door de raad van bestuur die het met een opdracht kan belasten en kan het, naar rato van de grootte van die opdracht, worden vervangen. Het geniet de bruto-wedde verbonden aan het ambt waarin het vast benoemd was. De raad van bestuur brengt de gemotiveerde beslissing tot ambtshalve ontslag overeenkomstig artikel 86 ter kennis van de belanghebbende bij een ter post aangetekende brief. Een afschrift van de beslissing wordt toegezonden aan het instellingshoofd. Voor de vast benoemde personeelsleden en voor de tijdelijken met een aanstelling van doorlopende duur geven eveneens aanleiding tot definitieve ambtsneerlegging: 1 het vrijwillige ontslag. Tenzij bij onderlinge overeenkomst een andere termijn wordt overeengekomen mag het personeelslid zijn dienst slechts verlaten met inachtneming van een opzeggingstermijn van ten minste vijftien kalenderdagen; 2 de pensionering wegens het bereiken van de leeftijdsgrens; 3 de afdanking als gevolg van een tuchtmaatregel; 75
76 Artikel 88bis. 4 bij toepassing van de artikelen 79 en 83, 1; 5 indien zij gedurende twee opeenvolgende schooljaren "onvoldoende" hebben gekregen bij een evaluatie ten aanzien van het ambt waarop de evaluatie betrekking heeft. Die periode wordt opgeschort wanneer het personeelslid geen diensten presteert in het ambt waarvoor de "onvoldoende" is toegekend. Een evaluatie "onvoldoende" die overeenkomstig artikel 69 in behandeling is bij de raad van beroep heeft slechts gevolgen vanaf de datum van de eindbeslissing van de raad van beroep. Er wordt een opzeggingstermijn toegekend waarvan de duur gelijk is aan de periode die nodig is om de voordelen van de sociale zekerheid en werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Tijdens die opzeggingstermijn wordt het personeelslid beschouwd als tijdelijk aangesteld. Tijdens deze opzeggingstermijn wordt het personeelslid geacht als tijdelijk te zijn aangesteld, wordt het buiten de normen geaffecteerd aan een instelling en tewerkgesteld door de centrale raad en met ingang van 1 januari 2000 de raad van bestuur die het met een opdracht kan belasten en kan het, naar rato van de grootte van die opdracht, worden vervangen. Het geniet de bruto-wedde verbonden aan het ambt waarin het vast benoemd was. Gedurende die periode kan het personeelslid door de centrale raad en met ingang van 1 januari 2000 de raad van bestuur met een opdracht worden belast en krijgt de betrokken instelling een uitbreiding van de haar toegekende omkadering noodzakelijk voor de vervanging van dit personeelslid. 1. Voor personeelsleden tewerkgesteld in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het onderwijs voor sociale promotie en in de CLB s blijft artikel 88, 5 gelden. 2. Artikel 88, 5 tweede, derde en vierde lid, betreffende de opzegtermijn geldt ook voor de personeelsleden die ontslagen worden bij toepassing van artikel 73decies, 2. HOOFDSTUK XI. - Slot-, opheffings- en overgangsbepalingen Artikel 89 en 90. [ ] Artikel Voor de toepassing van de artikelen 21, 3, en 21bis, 3 komen alleen de diensten na 1 september 1988 in aanmerking. 2. Diensten gepresteerd in een instelling van de scholengroep, of binnen de lokale raad waaronder de instelling ressorteerde vóór de inwerkingtreding van het bijzonder decreet van 14 juni 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs, worden voor de toepassing van de anciënniteitsregels beschouwd als diensten gepresteerd in de scholengroep. 76
77 3. Diensten gepresteerd in een instelling van de scholengemeenschap, of binnen de lokale raad of scholengroep waaronder de instelling ressorteert bij de oprichting van de scholengemeenschap, worden voor de toepassing van de anciënniteitsregels beschouwd als diensten gepresteerd in de scholengemeenschap. Voor de scholen van het basisonderwijs zijn de bepalingen betreffende de scholengemeenschappen zoals bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing tijdens de schooljaren en De diensten verworven vóór 1 september 2000 in een PMS-centrum van het Gemeenschapsonderwijs of in het Vormingscentrum van de PMS-centra van het Gemeenschapsonderwijs, worden voor de toepassing van artikel 21 en artikel 36, 1, 1, geacht verworven te zijn bij het CLB waar het personeelslid kandideert voor een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur en in het na concordantie overeenstemmende ambt met toepassing van artikel 182 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding. 5. Voor de toepassing van artikel 21 wordt de dienstanciënniteit van de tijdelijke personeelsleden die namens het Gemeenschapsonderwijs deel uitmaken van de stuurgroep bedoeld in de artikelen 199 tot en met 204 van het decreet van 1 december 1998 betreffende de centra voor leerlingenbegeleiding, geacht te zijn verworven en effectief gepresteerd in het CLB of de CLB's waar het personeelslid werd toegewezen vanaf 1 september Artikel 92 t.e.m. 94. [ ] Artikel 95. Artikel 95bis. De in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt vast benoemde personeelsleden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet een tijdelijke aanwijzing hebben in een voltijdse vacante betrekking van het ambt waarvoor zij vast benoemd zijn, kunnen op eigen verzoek en mits een gunstig advies van het betrokken lokale bestuursorgaan aan de instelling waarin zij deze betrekking waarnemen met ingang van 1 april 1991 een definitieve aanwijzing verkrijgen. De centrale raad bepaalt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan dit artikel. 1. In afwijking van artikel 95 geldt voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en het onderwijs voor sociale promotie dit artikel. 2. De in een wervings-, selectie- of bevorderingsambt vastbenoemde personeelsleden die op 1 september 1999 een tijdelijke aanwijzing hebben in een vacante betrekking van het ambt waarvoor zij vast benoemd zijn, kunnen op eigen verzoek, zonder vacantverklaring en met een gunstig advies van de lokale raad en met ingang van 1 januari 2000 de directeur aan de instelling waarin zij deze betrekking waarnemen een definitieve aanwijzing verkrijgen. Voor de leraren gaat het om vakken of specialiteiten waarvoor ze het vereist of het hiermee gelijkwaardig geacht 77
78 Artikel 96. Artikel 97. Artikel 97bis. bekwaamheidsbewijs hebben of waarvoor ze benoemd werden volgens het voldoende geacht of het hiermee gelijkwaardig geacht bekwaamheidsbewijs. Als vereist of voldoende geacht bekwaamheidsbewijs worden beschouwd, zowel door organieke bepalingen als door overgangsbepalingen erkende bekwaamheidsbewijzen. 3. Dit artikel geldt niet voor het ambt van directeur. 4. De definitieve aanwijzing krachtens dit artikel wordt vanaf 1 september 1999 tot uiterlijk 31 augustus 2000 verleend. De Vlaamse regering kan bijzondere maatregelen treffen inzake de terugkeer ten behoeve van de personeelsleden die werkzaam zijn in de Bondsrepubliek Duitsland en op wie dit decreet van toepassing is. 1. De leden van het administratief personeel die op 1 april 1991 een totaal van 720 dagen dienstanciënniteit in een administratief ambt van het Gemeenschapsonderwijs hebben, worden op hun verzoek op die datum vast benoemd, voor zover ze die betrekking in hoofdambt bekleden en het om een betrekking gaat waarin niet moet worden voorzien door reaffectatie. Daarenboven moeten de betrokkenen lichamelijk geschikt zijn zoals vereist in de ter zake geldende reglementsbepalingen. Voor de vaststelling van deze anciënniteit komen eveneens de contractuele diensten in aanmerking. 2. Voor de vaststelling van de voorrang voor het administratief personeel komen de diensten gepresteerd als contractuele in aanmerking. 3. De personeelsleden die wensen gebruik te maken van de bepalingen in 1 dienen in het bezit te zijn van de bekwaamheidsbewijzen vereist voor het administratief personeel vastgelegd door de Vlaamse regering. 4. De benoeming kan slechts opgesteld worden voor de betrekking waarvan de opdracht die rekening houdende met de rationalisatie- en omkaderingsnormen, een waarborg biedt inzake stabiliteit van de betrekking na 1 september De maatregel van 1 is alleen van toepassing op personeelsleden die nog over geen enkele vaste benoeming beschikken in het onderwijs of een administratie. 6. De dienstanciënniteit bedoeld in dit artikel wordt berekend overeenkomstig artikel 4 van dit decreet. In afwijking van de bepalingen van artikel 4 wordt de anciënniteit niet met 1,2 vermenigvuldigd en is punt c) niet van toepassing. Voor de toepassing van de artikelen 4, 5, 21 en 36, 1, 1, van dit decreet, worden de diensten in aanmerking genomen die de personeelsleden gepresteerd hebben in een betrekking van de categorie van het administratief personeel in het 78
79 Artikel 98. Artikel 99. rijksonderwijs/gemeenschapsonderwijs, in de periode van 1 september 1985 tot 31 maart 1991, en die bezoldigd werden met een wedde door het ministerie van onderwijs/departement onderwijs. De tuchtprocedures ingeleid voor het in werking treden van dit decreet worden voortgezet overeenkomstig de desbetreffende wets-, decreets- en reglementsbepalingen van kracht voor de inwerkingtreding van dit decreet. De diensten gepresteerd door de personeelsleden in de semi-internaten en in de opvangcentra vóór het van kracht worden van dit decreet komen in aanmerking voor de in artikel 4 bedoelde anciënniteit. Artikel 100. [ ] Artikel 100bis. 1. Dit artikel geldt voor het gewoon en het buitengewoon secundair onderwijs en het onderwijs voor sociale promotie en voor de CLB s. 2. De bepalingen inzake functiebeschrijving en evaluatie, zoals bedoeld in de hoofdstukken VIIIbis en VIIIter van dit decreet, treden geleidelijk in werking vanaf 1 september 2000 voor de gefinancierde personeelsleden en de scholengroepen die worden opgenomen in een convenant afgesloten tussen de Vlaamse regering, het Gemeenschapsonderwijs en de representatieve vakorganisaties. Indien op 1 september 2000 geen convenant is afgesloten, worden zij opgenomen in een besluit van de Vlaamse regering dat de invoering van de functiebeschrijvingen en evaluatie vastlegt. 3. De bepalingen inzake functiebeschrijving gelden voor alle personeelsleden vanaf 1 september De bepalingen inzake evaluatie gelden voor alle personeelsleden vanaf 1 september In de periode van 1 september 2006 tot en met 30 juni 2009 moeten in het onderwijs voor sociale promotie alle personeelsleden ten minste één keer geëvalueerd worden. 4. De voorwaarde dat het personeelslid geen evaluatie met de eindconclusie "onvoldoende" mag hebben verkregen, wordt opgeschort rekening houdende met de termijnen opgenomen in de afgesloten convenant bedoeld in Artikel 22, 26, 27, 41, 50ter en 55bis, 6 worden opgeheven rekening houdend met de termijn bepaald in 2 en 3 én van zodra het college van beroep, zoals bedoeld in artikel 73novies, 2, functioneert. 6. In afwijking van 2, moet voor de CLB's "1 september 1999" gelezen worden als "1 september 2000". 79
80 In afwijking van 3, moet voor de CLB's "1 september 2004" gelezen worden als "1 september 2005" en "1 september 2006" als "1 september 2007". 7. De beoordelings- en evaluatieprocedures ingezet door toepassing van artikel 22 en 41 moeten verder worden gezet overeenkomsig de decreets- en reglementsbepalingen die golden op het ogenblik van het opstarten van deze procedures. Artikel 100ter. [ ] Artikel 100quater. In het buitengewoon secundair onderwijs, met uitzondering van de internaten, kunnen vanaf het schooljaar geen personeelsleden meer tijdelijk worden aangesteld of worden vast benoemd in betrekkingen in de categorie van het opvoedend hulppersoneel of het administratief personeel. Artikel 100quinquies. 1. De personeelsleden die op 30 juni 2006 vast benoemd zijn, toegelaten zijn tot de proeftijd, ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking of tijdelijk aangesteld zijn in een vacante betrekking in een ambt in de categorie van het opvoedend hulppersoneel worden, mits inachtneming van titel XI - Ondersteunend personeel van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, met ingang van 1 september 2006 geconcordeerd naar het ambt van opvoeder. Die concordantie is persoonsgebonden. De concordantie heeft geen gevolgen voor de geldelijke en administratieve rechtspositie van het personeelslid. 2. De personeelsleden die op 30 juni 2006 vast benoemd zijn, ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking of tijdelijk aangesteld zijn in een vacante betrekking in een ambt in de categorie van het administratief personeel worden, op voorwaarde van titel XI - Ondersteunend personeel van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, met ingang van 1 september 2006 geconcordeerd naar het ambt van administratief medewerker. Die concordantie is persoonsgebonden. De concordantie heeft geen gevolgen voor de geldelijke en administratieve rechtspositie van het personeelslid. 3. Van de concordantie, vermeld in 1 en 2, kan mits wederzijds akkoord tussen inrichtende macht en betrokken personeelslid worden afgeweken. De afwijking kan enkel op 1 september 2006 worden toegepast en de concordantie is eveneens persoonsgebonden. 80
81 Het personeelslid volgt vervolgens de geldelijke en administratieve rechtspositie die verbonden is aan het ambt waarnaar hij als gevolg van de afwijking wordt geconcordeerd. Bij de toepassing van deze paragraaf moet de inrichtende macht steeds rekening houden met artikel 95 van het decreet van 14 juli 1998 houdende diverse maatregelen met betrekking tot het secundair onderwijs en tot wijziging van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. 4. Het personeelslid behoudt bij de concordantie steeds de salarisschaal die hij genoot op 30 juni 2006 en de daarmee overeenstemmende puntenwaarde, zoals bepaald in artikel 97 van voormeld decreet van 14 juli Het personeelslid dat op het ogenblik van de concordantie, vermeld in 1 en 2, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 1994 betreffende de deeltijdse terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs en van de psycho-medisch-sociale centra of van het besluit van de Vlaamse Regering van 11 februari 2000 betreffende de volledige terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden voorafgaand aan het rustpensioen voor personeelsleden van het onderwijs en van de centra voor leerlingenbegeleiding, ter beschikking gesteld is in een ambt van het opvoedend hulppersoneel of van het administratief personeel, wordt beschouwd als ambtshalve geconcordeerd zoals vermeld in 1 en In afwijking op artikel 48 kan de raad van bestuur het personeelslid dat uiterlijk op 30 juni 2006 toegelaten is tot de proeftijd in het selectieambt van opvoederhuismeester of directiesecretaris vast benoemen in dit ambt op voormelde datum. Artikel 100sexies. 1. Een tijdelijk personeelslid kan vrijwillig afstand doen van de in artikel 100quinquies vastgelegde concordantie. Deze vrijwillige afstand is eenmalig en is onomkeerbaar. 2. De in artikel 100quinquies vastgelegde concordantie eindigt voor een tijdelijk personeelslid van rechtswege als het personeelslid gedurende een ononderbroken periode van twee kalenderjaren niet in het onderwijs is tewerkgesteld. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als onderbreking beschouwd: de vakantieperioden, de militaire dienst en de perioden van wederoproeping, de ziekteen bevallingsverloven, de borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van wedde(toelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard, de loopbaanonderbreking en de verloven zonder behoud van wedde(toelage) voor een maximumduur van 6 werkdagen per schooljaar. 3. De in artikel 100quinquies vastgelegde concordantie eindigt voor een vastbenoemd personeelslid van rechtswege bij ontslag uit het onderwijs of ingevolge een bevordering in een ambt van het ondersteunend personeel in toepassing van artikel 55. Artikel 100septies. [ ] 81
82 Artikel 100octies. De regering kan maatregelen nemen ter uitvoering van de overgangsbepalingen inzake ondersteunend, administratief en opvoedend hulppersoneel. Artikel 100novies. De artikelen 100ter tot en met 100octies zijn niet van toepassing op de PMS-centra en op de CLB s. Artikel 100decies. 1. In afwijking tot hetgeen bepaald is in hoofdstuk III, afdeling II van dit decreet blijven de tijdelijke aanstellingen in de centra voor leerlingenbegeleiding tot en met 31 augustus 2000 de bevoegdheid van de centrale raad van de ARGO, bedoeld in artikel 5, 1, 1 van het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs. De centrale raad stelt aan op voorstel van het hoofd van de instelling. 2. Voor de toepassing van dit decreet moet tot 31 augustus 2000 onder "CLB" worden verstaan "het psycho-medisch-sociaal centrum". Artikel 100undecies. 1. Voor de personeelsleden die in juni 2003 in dienst zijn in een gefinancierde instelling van het basisonderwijs als gesubsidieerd contractueel personeelslid, als contractueel personeelslid ten laste van het departement onderwijs of als contractueel personeelslid zoals bedoeld in artikel 154, 1, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs, worden de diensten gepresteerd als contractueel personeelslid in een administratieve functie in een gefinancierde instelling van het basisonderwijs beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in artikelen 4, 21, 21bis, 36 en 56. Deze diensten worden beschouwd alsof zij gepresteerd werden in het ambt van administratief medewerker in de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel in het basisonderwijs. Een personeelslid kan op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen verwerven. De beperking tot 720 dagen geldt niet voor de toepassing van artikel 55, 2bis. De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op het contractueel personeelslid dat vóór juni 2003 werd ontslagen, tenzij dit personeelslid na dit ontslag opnieuw wordt aangeworven door de scholengroep die het ontslag heeft gegeven. 2. Voor de personeelsleden die in juni 2003 in dienst zijn als contractueel personeelslid ten laste van het departement onderwijs in een gefinancierde instelling van het basisonderwijs of secundair onderwijs, worden de diensten gepresteerd als contractueel personeelslid in een ambt van het onderwijzend, opvoedend of paramedisch, medisch, sociaal, orthopedagogisch en psychologisch personeel in een 82
83 gefinancierde instelling van het basisonderwijs of secundair onderwijs beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in artikelen 4, 21, 21bis, 36 en 56. Deze diensten worden beschouwd alsof zij gepresteerd werden in het betrokken ambt of in het ambt van beleidsmedewerker in de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel in het basisonderwijs. Het personeelslid kan op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen verwerven. De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op het contractueel personeelslid dat vóór juni 2003 werd ontslagen, tenzij dit personeelslid na dit ontslag opnieuw wordt aangeworven door de scholengroep die het ontslag heeft gegeven. 3. De personeelsleden die op 30 juni 2003 vast benoemd zijn of ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking in een ambt van rekenplichtig correspondent, eerste rekenplichtige correspondent, klerk, klerk-typist, eerste klerktypist of opsteller in de categorie van het administratief personeel in een school van het basisonderwijs, worden met ingang van 1 september 2003 geconcordeerd naar het ambt van administratief medewerker in de categorie van het beleids- en ondersteunend personeel. Deze concordantie is persoonsgebonden. Deze concordantie heeft geen gevolgen voor de geldelijke en administratieve rechtspositie van het personeelslid. Het personeelslid behoudt bij de concordantie steeds de weddenschaal die het genoot op 30 juni De diensten gepresteerd in ambten van de categorie van het administratief personeel worden beschouwd als zijnde gepresteerd in het ambt van administratief medewerker in de categorie van het beleids- en ondersteunend personeel. De vastbenoemde administratieve medewerkers die werden geconcordeerd zoals bedoeld in het eerste lid, worden aangesteld of geaffecteerd in het ambt van administratief medewerker dat wordt ingericht op basis van de puntenenveloppes zoals bedoeld in artikel 153novies en artikel 192, 4, van het decreet van 25 februari betreffende het basisonderwijs. Voor de personeelsleden die op 1 september 2003 worden geconcordeerd naar een vastbenoemd ambt van administratief medewerker met onvolledige prestaties, zijn voor de vaste benoemingen op 1 januari 2004 en 1 januari 2005 de bepalingen van artikel 36ter niet van toepassing. 4. Diensten gepresteerd door de personeelsleden die ter beschikking zijn gesteld wegens ontstentenis van betrekking en die in de maand juni 2003 tewerkgesteld zijn als administratieve hulp in het basisonderwijs, worden mits instemming van de raad van bestuur, beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in artikelen 4, 21, 21bis, 36 en 56 met dien verstande dat een personeelslid op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen kan verwerven. Deze diensten worden beschouwd alsof zij gepresteerd werden in het ambt van administratief medewerker in de personeelscategorie van het beleids- en ondersteunend personeel in het basisonderwijs. 83
84 5. In afwijking van de bepalingen van hoofdstuk III en onverminderd de bepalingen van artikel 40septies, stelt de raad van bestuur vóór 15 oktober 2003 de lijst op met de vacante betrekkingen van administratief medewerker of beleidsmedewerker, die kunnen worden ingericht op basis van de puntenenveloppe zoals bedoeld in hoofdstuk IX, afdeling IIIbis, van het decreet van 25 februari 1997 betreffende het basisonderwijs. Bij het opstellen van deze lijst houdt de raad van bestuur rekening met de betrekkingen die op 15 september 2003 vacant zijn. Een betrekking die op deze wijze werd vacant verklaard kan op 1 januari 2004 door benoeming worden toegewezen. 6. Voor de personeelsleden die in juni 2003 in dienst zijn als contractueel personeelslid ten laste van het departement onderwijs in een gefinancierd CLB of in het vormingscentrum, worden de diensten gepresteerd als contractueel personeelslid in een ambt van het technisch of het administratief personeel in een gefinancierd CLB of in het vormingscentrum beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in artikelen 4, 21, 21ter, 36, 36quater en 56. Deze diensten worden beschouwd alsof zij gepresteerd werden in het betrokken ambt. Het personeelslid kan op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen verwerven. De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op het contractueel personeelslid dat vóór juni 2003 werd ontslagen, tenzij dit personeelslid na dit ontslag opnieuw wordt aangeworven door de scholengroep die het ontslag heeft gegeven. 7. In afwijking van de bepalingen van de artikelen 21, 21bis en 21ter, kan het personeelslid bedoeld in 1, 2, 4 en 6 dat een beroep wenst te doen op het recht van een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, op straffe van verlies van zijn recht voor schooljaar , vóór 15 augustus 2003 bij de raad van bestuur, kandideren met een ter post aangetekende brief. 8. Voor de personeelsleden die in juni 2003 in dienst zijn in een gefinancierde instelling van het secundair onderwijs als contractueel personeelslid ten laste van het departement Onderwijs, worden de diensten gepresteerd als contractueel personeelslid in een administratieve functie in een gefinancierde instelling van het secundair onderwijs beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in de artikelen 4, 21, 21bis, 36 en 56. Deze diensten worden beschouwd alsof zij gepresteerd werden in het ambt van administratief medewerker in de personeelscategorie van het ondersteunend personeel in het secundair onderwijs. Het personeelslid kan op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen verwerven. De beperking tot 720 dagen geldt niet voor de toepassing van artikel 55, 1 en 2. De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op het contractueel personeelslid dat vóór juni 2003 werd ontslagen, tenzij dit personeelslid na dit ontslag opnieuw wordt aangeworven door de scholengroep die het ontslag heeft gegeven. 9. Voor de personeelsleden die in juni 2003 in dienst zijn als contractueel personeelslid ten laste van het departement Onderwijs in een gefinancierde instelling van het deeltijds kunstonderwijs of van het volwassenenonderwijs, worden de diensten gepresteerd als contractueel personeelslid ten laste van het 84
85 Artikel 101. departement Onderwijs in een ambt van een personeelscategorie van het deeltijds kunstonderwijs of volwassenenonderwijs beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in de artikelen 4, 21, 36 en 56. Deze diensten worden beschouwd alsof zij gepresteerd werden in het overeenkomstig ambt. Het personeelslid kan op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen verwerven. De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op het contractueel personeelslid dat vóór juni 2003 werd ontslagen, tenzij dit personeelslid na dit ontslag opnieuw wordt aangeworven door de scholengroep die het ontslag heeft gegeven. 10. Diensten als contractueel personeelslid ten laste van het departement Onderwijs die gepresteerd zijn door de personeelsleden die in de maand juni 2004 tewerkgesteld zijn als contractueel personeelslid ten laste van het departement Onderwijs bij het Gemeenschapsonderwijs, worden mits instemming van de raad van bestuur en het akkoord van het bevoegd lokaal comité, beschouwd als dienstanciënniteit zoals bepaald in de artikelen 4, 21, 21bis, 36 en 56, met dien verstande dat een personeelslid op basis van deze diensten een dienstanciënniteit van maximaal 720 dagen kan verwerven. Deze diensten worden in dat geval beschouwd als zijnde gepresteerd bij de betrokken scholengroep. De raad van bestuur beslist voor welk ambt deze diensten in aanmerking komen. Als de raad van bestuur de diensten in aanmerking laat komen voor het ambt van administratief medewerker in het beleids- en ondersteunend personeel of het ambt van administratief medewerker in het ondersteunend personeel, geldt de beperking van 720 dagen dienstanciënniteit niet voor de toepassing van artikel 55, 1, 2 of 2bis. 1. De bepalingen van de wet van 22 juni 1964 betreffende het statuut der personeelsleden van het Rijksonderwijs, gewijzigd bij de wetten van 31 maart 1967, 6 juli 1970, 27 juli 1971, 11 juli 1973, 19 december 1974, 18 februari 1977, 2 juli 1981 en 31 juli 1984, de koninklijke besluiten nr. 269 van 31 maart 1984, nr. 456 van 10 september 1986, de decreten van 5 juli 1989 en 31 juli 1990 en het koninklijk besluit van 28 september 1984, geheel of gedeeltelijk, worden opgeheven op een door de Vlaamse regering te bepalen datum. 2. Opgeheven worden: 1 het koninklijk besluit van 29 augustus 1966 houdende het statuut van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, gewijzigd bij...; de bijlagen 1 en 2 bij dit koninklijk besluit worden evenwel opgeheven op een door de Vlaamse regering te bepalen datum; 2 het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van 85
86 Artikel 102. het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede de internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, gewijzigd bij..., met uitzondering van de artikelen 35, 78 en 92 die worden opgeheven met ingang van 1 januari 1990 en met uitzondering van artikel 20 en artikel 33, 6 voor wat betreft de personeelsleden van het aanvullend secundair beroepsonderwijs en het onderwijs voor sociale promotie; wat evenwel het personeel van de inspectiediensten bedoeld in artikel 70, 2, van het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs betreft, wordt dit besluit opgeheven op een door de Vlaamse regering te bepalen datum; 3 het koninklijk besluit van 25 oktober 1971 tot vaststelling van het statuut van de leermeesters, de leraars en de inspecteurs katholieke en protestantse godsdienst der inrichtingen voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, gewijzigd bij... uitgezonderd voor zover het bekwaamheidsbewijzen vaststelt in het niet-universitair hoger onderwijs; 4 het koninklijk besluit van 27 juli 1979 tot vaststelling van het statuut van de leden van het technisch personeel van de Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van de gespecialiseerde Rijks-psycho-medisch-sociale centra, van de Rijksvormingscentra en van de inspectiediensten belast met het toezicht op de psycho-medisch-sociale centra, de diensten voor studie- en beroepsoriëntering en de gespecialiseerde psychomedisch-sociale centra, gewijzigd bij..., met uitzondering van de artikelen 2; 16; 71; 85,1; 86,1 en 198, het hoofdstuk IX en hoofdstuk XI, afdeling 4, die worden opgeheven op een door de Vlaamse regering te bepalen datum; 5 het koninklijk besluit van 22 juli 1969 tot vaststelling van de regels voor de rangschikking van de kandidaten voor een tijdelijke aanstelling in het Rijksonderwijs. 3. In artikel 9, 1 lid van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving worden de woorden "die door de Minister van Openbaar Onderwijs op voordracht van de hoofden van de betrokken erediensten worden benoemd" geschrapt. 4. In het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1990 houdende de regeling van de uitoefening van de bevoegdheden van de commissaris van de Vlaamse regering bij de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs worden de artikelen 10 en 11, 2 lid, opgeheven. 1. Op het ogenblik dat ter uitvoering van het artikel 16, 2, van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs, de onderwijsinstellingen van het hoger kunstonderwijs worden ingedeeld onder het hoger onderwijs van het lange type en op het ogenblik dat de rechtspositieregeling voor de personeelsleden van deze onderwijsinstellingen van kracht wordt, worden deze onderwijsinstellingen en hun personeelsleden onttrokken aan het toepassingsgebied van dit decreet. 2. In afwachting dat door de Vlaamse Raad de rechtspositie wordt geregeld van de personeelsleden van het hoger onderwijs van het lange type is onderhavig decreet van 86
87 Artikel 103. toepassing op het personeel van de instellingen van het hoger onderwijs van het lange type. 3. In afwijking op 2 zijn, tot op een door de Vlaamse regering te bepalen datum, artikel 3, 4 ; artikel 21; artikel 23, 1, b, tweede en derde streepje; artikel 30, artikelen 32 tot en met 34; artikel 35, 2 ; artikel 36, 1, 1 ; artikel 40, 1; artikel 42, 2 ; artikel 46, 1 en 4 en artikelen 90 tot en met 94 niet van toepassing op het bestuurs- en onderwijzend personeel van de instellingen voor het hoger onderwijs van het lange type, de instellingen voor het hoger onderwijs van de tweede en derde graad en de instellingen voor het hoger kunstonderwijs. Het bepaalde in artikel 36, 1, tweede lid, staat niet in de weg dat, in afwijking van 2, tot op een door de Vlaamse regering te bepalen datum, vaste benoemingen in een niet-uitsluitend ambt kunnen worden gedaan. In afwachting van de uitvoering van de bepalingen van artikel 10, 6 van de wet van 7 juli 1970 betreffende de algemene structuur van het hoger onderwijs, bepaalt voor het hoger onderwijs van het lange type, het hoger onderwijs van de tweede en derde graad en het hoger kunstonderwijs, het bevoegde bestuursorgaan van het Gemeenschapsonderwijs, de specificatie van de bekwaamheidsbewijzen. In afwijking op artikel 3, 6, en in afwachting dat voor het normaalonderwijs en het middelbaar technisch normaalonderwijs uitvoering wordt verleend aan artikel 10, afdeling 2, van de wet van 7 juli 1970 worden voor de toepassing van dit decreet de selectieambten van het onderwijzend personeel als wervingsambten gerangschikt. Artikel 103bis. 1. De personeelsleden die in het basisonderwijs aangesteld zijn als godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst hebben tot 30 juni 2001 recht op de salarisschaal 121. Deze personeelsleden worden met ingang van 1 september 2001 bezoldigd overeenkomstig de vigerende regelgeving. 2. Aan de in 1 bedoelde personeelsleden worden overgangsmaatregelen toegekend, voor zover zij tussen 1 september 1996 en 30 juni 2001 minimum zes maanden ononderbroken in dienst geweest zijn als godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als dienstonderbreking beschouwd: de vakantieperioden, de loopbaanonderbreking, de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekte, bevallings- en borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van wedde(ntoelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard, alsook de verloven zonder behoud van wedde(ntoelage) voor een maximum duur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een periode van ten hoogste dertig kalenderdagen per schooljaar. 87
88 3. De overgangsmaatregelen gelden voor het in 1 bedoelde ambt en betreffen: Artikel 103ter. 1 de vroegere salarisschaal: de personeelsleden behouden hun vroegere salarisschaal, tenzij de salarisschaal vastgesteld krachtens de vigerende regelgeving hoger is; 2 de bekwaamheidsbewijzen: de personeelsleden die: gedurende de periode van dienstactiviteit bedoeld in 1 voldeden aan de aanwervingsvoorwaarden inzake bekwaamheidsbewijzen gesteld door de ministeriële omzendbrief OND/III/3/PL van 10 augustus 1993; in het bezit zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid in de zin van artikel 3bis, 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en godsdienstleraars of van een diploma van onderwijzer of van kleuteronderwijzer; volgens de vigerende regelgeving geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs. 4. De overgangsmaatregelen worden toegekend op 1 september De personeelsleden aangesteld vóór 1 september 2001, die voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden inzake bekwaamheidsbewijzen gesteld door de ministeriële omzendbrief OND/III/3/PL van 10 augustus 1993, die op 1 september 2001 niet in het bezit zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, vanaf de maand volgende op het behalen van dit bewijs van pedagogische bekwaamheid, op voorwaarde dat het bewijs van pedagogische bekwaamheid behaald werd binnen de drie jaar na de eerste aanstelling. 5. De vastbenoemde personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd. De tijdelijke personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als een onderbreking beschouwd: de vakantieperioden, de loopbaanonderbreking, de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekte- en bevallingsverloven, de borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van wedde(ntoelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren en de periode waarin het ambt van inspecteur wordt uitgeoefend. 1. De personeelsleden die in het gewoon en/of het buitengewoon secundair onderwijs aangesteld zijn als godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst, hebben tot 30 juni 2001 recht op: 88
89 1 de salarisschaal 300 in de eerste graad en in de tweede graad van het beroepssecundair onderwijs; 2 de salarisschaal 384 in de tweede graad van het algemeen, technisch en kunstsecundair onderwijs en in de derde en vierde graad beroepssecundair onderwijs; 3 de salarisschaal 301 in de derde graad van het algemeen, technisch en kunstsecundair onderwijs; 4 de salarisschaal 300 in het buitengewoon secundair onderwijs, opleidingsvormen 1, 2 en 3; 5 dezelfde salarisschaal als in de overeenkomende graad en onderwijsvorm van het gewoon secundair onderwijs in opleidingsvorm 4 van het buitengewoon secundair onderwijs. Deze personeelsleden worden met ingang van 1 september 2001 bezoldigd overeenkomstig de vigerende regelgeving. 2. Aan de in 1 bedoelde personeelsleden worden overgangsmaatregelen toegekend, voor zover zij tussen 1 september 1996 en 30 juni 2001 minimum zes maanden ononderbroken in dienst geweest zijn als godsdienstleerkracht belast met islamitische godsdienst. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als dienstonderbreking beschouwd: de vakantieperioden, de loopbaanonderbreking, de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekte, bevallings- en borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van wedde(ntoelage) ter gelegenheid van sommige gebeurtenissen van familiale of sociale aard, alsook de verloven zonder behoud van wedde(ntoelage) voor een maximum duur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een periode van ten hoogste dertig kalenderdagen per schooljaar. 3. De overgangsmaatregelen gelden voor het in 1 bedoelde ambt en betreffen: 1 de vroegere salarisschaal: de personeelsleden behouden hun vroegere salarisschaal, tenzij de salarisschaal vastgesteld krachtens de vigerende regelgeving hoger is; 2 de bekwaamheidsbewijzen: de personeelsleden die: gedurende de periode van dienstactiviteit bedoeld in 1 voldeden aan de aanwervingsvoorwaarden inzake bekwaamheidsbewijzen gesteld door de ministeriële omzendbrief OND/III/3/PL van 10 augustus 1993; in het bezit zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid in de zin van artikel 3bis, 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 26 september 1990 betreffende de bekwaamheidsbewijzen, de weddeschalen en de bezoldigingsregeling van de leermeesters godsdienst en godsdienstleraars of van een diploma van onderwijzer; 89
90 volgens de vigerende regelgeving geen vereist bekwaamheidsbewijs hebben, worden geacht in het bezit te zijn van een vereist bekwaamheidsbewijs. De overgangsmaatregelen worden toegekend op 1 september De personeelsleden aangesteld vóór 1 september 2001, die voldoen aan de aanstellingsvoorwaarden inzake bekwaamheidsbewijzen gesteld door de ministeriële omzendbrief OND/III/3/PL van 10 augustus 1993, die op 1 september 2001 niet in het bezit zijn van een bewijs van pedagogische bekwaamheid, worden geacht in het bezit te zijn van een voldoend geacht bekwaamheidsbewijs, vanaf de maand volgende op het behalen van dit bewijs van pedagogische bekwaamheid, op voorwaarde dat het bewijs van pedagogische bekwaamheid behaald werd binnen de drie jaar na de eerste aanstelling. 5. De vastbenoemde personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd. Artikel 103quater. De tijdelijke personeelsleden behouden deze overgangsmaatregelen zolang ze ononderbroken in dienst blijven in het onderwijs, het academisch onderwijs uitgezonderd, en gefinancierd of gesubsidieerd worden door de Vlaamse Gemeenschap. Voor de toepassing van deze bepaling worden niet als een onderbreking beschouwd: de vakantieperioden, de loopbaanonderbreking de militaire dienst, de perioden van wederoproeping, de ziekte- en bevallingsverloven, de borstvoedingsverloven, de verloven van korte duur met behoud van wedde(ntoelage) voor een maximumduur van zes werkdagen per schooljaar, alsmede een onderbreking van een doorlopende periode van maximum twee kalenderjaren en de periode waarin het ambt van inspecteur wordt uitgeoefend. Onverminderd de krachtens artikel 146 van de Grondwet door de wet georganiseerde rechtsbescherming zijn de wedden en de weddentoelagen die op basis van diensten gepresteerd in de periode van 1 september 1975 tot 31 augustus 2001 werden uitgekeerd aan godsdienstleerkrachten belast met islamitische godsdienst in het gewoon en buitengewoon basisonderwijs en het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs in hoofde van deze personeelsleden definitief verworven. Voormelde diensten komen in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit indien zij voldoen aan de bepalingen van artikel 16 van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het ministerie van Openbaar Onderwijs. Artikel 103quinquies. Onverminderd de bepalingen van dit decreet en in afwijking op artikel 35 en artikel 37, 3, kan de raad van bestuur eenmalig op 1 september 2004 een vaste benoeming uitspreken in een betrekking die wordt ingericht in uren-leraar, lesuren of lestijden die worden toegekend in het kader van het geïntegreerd onderwijs in het basis- en secundair onderwijs en het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon basis- en secundair onderwijs. 90
91 Deze vaste benoeming kan slechts worden uitgesproken als de raad van bestuur de reglementering inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstellingen heeft nageleefd tot op het niveau van de instelling waar de vaste benoeming wordt uitgesproken. Artikel 103sexies. 1. De prestaties die een personeelslid tussen 1 september 2002 en 31 augustus 2006 geleverd heeft in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 mei 2002 inzake de organisatie van onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het gewoon secundair onderwijs, kunnen beschouwd worden als gepresteerd in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers. Hiertoe pleegt de raad van bestuur of haar afgevaardigde overleg met ieder van de betrokken personeelsleden. Als de raad van bestuur of haar afgevaardigde en een personeelslid overeenkomen dat de verrichte prestaties beschouwd worden als prestaties in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers, dan wordt een individueel concordantieformulier opgesteld. Dit formulier, waaruit ook gedetailleerd blijkt welke prestaties beschouwd worden als prestaties in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers, wordt ondertekend door de raad van bestuur of haar afgevaardigde en door het betrokken personeelslid. De concordantie heeft dan uitwerking met ingang van 1 september 2006 en moet ingediend worden ten laatste op 15 september De concordantie is persoonsgebonden en eenmalig. 2. Als de raad van bestuur of haar afgevaardigde en een personeelslid ter zake geen overeenkomst bereiken, dan deelt de raad van bestuur of haar afgevaardigde de reden hiervan schriftelijk mee aan het betrokken personeelslid. Het personeelslid kan dan bij de Commissie Bezwaarschriften, hierna commissie genoemd, tot uiterlijk twintig kalenderdagen nadat de beslissing van de raad van bestuur hem werd meegedeeld een gemotiveerd bezwaarschrift neerleggen. Het personeelslid kan zich ook tot de commissie wenden als de raad van bestuur nalaat om een beslissing te nemen. In dat geval dient het bezwaarschrift uiterlijk op 5 oktober bij de commissie ingediend te worden. Dat bezwaarschrift houdt in dat het personeelslid een eigen voorstel indient tot concordantie naar het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers op grond van 1 of dat het personeelslid een voorstel indient om geen concordantie te verkrijgen. De commissie hoort de betrokken partijen. Ze houdt bij haar uitspraak eveneens rekening met de bepalingen van 1. Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid niet aanvaardt, is de door de raad van bestuur gemaakte keuze in hoofde van het personeelslid bindend en definitief vanaf 1 september Als de commissie het bezwaarschrift van het betrokken personeelslid aanvaardt, is deze beslissing ten aanzien van de raad van bestuur bindend en definitief vanaf 1 september
92 Artikel 104. De commissie bestaat uit de administrateur-generaal van het Agentschap voor Onderwijsdiensten of zijn afgevaardigde en de bevoegde leden van het college van inspecteurs-generaal of hun afgevaardigden. 3. De individuele concordantie bedoeld in 1 heeft voor gevolg dat: 1 de diensten, gepresteerd in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, worden geacht ook te zijn gepresteerd in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers; 2 voor personeelsleden die vast benoemd zijn, de draagwijdte van hun vaste benoeming zoals bedoeld in artikel 40bis, 1, wordt uitgebreid met het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers; 3 het recht op een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in de specifieke urenleraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, wordt geacht ook te zijn verworven voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers; 4 een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur verworven voor de specifieke urenleraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, ook geldt voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers; 5 een reaffectatie of wedertewerkstelling in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die gebruikt werden voor lesuren Nederlands, ook blijft gelden als reaffectatie of wedertewerkstelling in het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers. 4. De kandidaatstellingen die in toepassing van dit decreet plaatsvonden voor de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs voor het schooljaar , worden - waar nodig - geacht gebeurd te zijn voor het algemeen vak Nederlands voor nieuwkomers. 5. In afwijking van artikel 28bis, 2, deelt de raad van bestuur tijdens het schooljaar de lijst van vacant verklaarde betrekkingen in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs mee na 15 september 2006 en vóór 15 oktober De vacante betrekkingen worden vastgesteld op basis van de toestand op 15 september De vacante betrekkingen in de specifieke uren-leraar onthaalonderwijs die werden meegedeeld vóór 15 mei 2006 op basis van de toestand op 15 april 2006, hebben geen uitwerking. Dit decreet treedt in werking op 1 april
STATUUT PERSONEEL GESUBSIDIEERD ONDERWIJS
STATUUT PERSONEEL GESUBSIDIEERD ONDERWIJS Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding
coördinatie Decreet Rechtspositie met Onderwijsdecreet XVII en Decreet Functiebeschrijving en evaluatie
coördinatie Decreet Rechtspositie met Onderwijsdecreet XVII en Decreet Functiebeschrijving en evaluatie Decreet Decreet betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs
STATUUT PERSONEEL GESUBSIDIEERD ONDERWIJS
STATUUT PERSONEEL GESUBSIDIEERD ONDERWIJS Decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde centra voor leerlingenbegeleiding
Tijdelijke aanstelling van doorlopende duur
Tijdelijke aanstelling van doorlopende duur 1. Recht op TADD 1.1 Toepassingsgebied Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur is van toepassing op alle wervingsambten van de personeelscategorieën
Tijdelijke aanstelling van doorlopende duur
Tijdelijke aanstelling van doorlopende duur 1. Recht op TADD 1.1 Toepassingsgebied Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur is van toepassing op alle wervingsambten van de personeelscategorieën
Tijdelijke aanstelling van doorlopende duur
Tijdelijke aanstelling van doorlopende duur 1. Recht op TADD 1.1 Toepassingsgebied Het recht op een tijdelijke aanstelling voor doorlopende duur is van toepassing op alle wervingsambten van de personeelscategorieën
Decreet betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs. HOOFDSTUK I Algemene bepalingen en definitie
Decreet betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs HOOFDSTUK I Algemene bepalingen en definitie Artikel 1 Dit decreet regelt een aangelegenheid zoals bedoeld
Tijdelijke Aanstelling van Doorlopende Duur
Tijdelijke Aanstelling van Doorlopende Duur 1. Inleiding Sinds 1 september 2003 geldt een eenvormige voorrangsregeling voor alle onderwijsniveaus en alle netten: de tijdelijke aanstelling van doorlopende
Officieuze coördinatie van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs
Officieuze coördinatie van het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs (met wetshistoriek) Huis van het GO! Willebroekkaai 36 1000
Leerkracht en verantwoordelijkheden
Nonnemeersstraat 15 9000 Gent 09 267 12 99 [email protected] www.hetperspectief.net LEV ~ Groep SO en HO Leerkracht en verantwoordelijkheden Schooljaar 2010-2011 Auteur: Griet Mathieu ~ Martine Baeyens
één voltijdse betrekking van maatschappelijk werker
VACANTVERKLARING VAN EEN VOLTIJDSE BETREKKING VAN MAATSCHAPPELIJK WERKER BIJ DE PERMANENTE ONDERSTEUNINGSCEL (POC): OPROEP TOT DE KANDIDATEN VOOR MUTATIE EN VASTE BENOEMING OP 01-01-2010. 1. De Permanente
DE VLAAMSE REGERING, bepaalde personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs, artikel 56ter 1 en 56quater 1 en 4;
Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van de regelgeving betreffende de concordantie, de bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen van de personeelsleden van het buitengewoon
DE VLAAMSE REGERING, Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 september 2006 betreffende de ambtshalve concordantie;
Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van de regelgeving betreffende de concordantie, de bekwaamheidsbewijzen en de salarisschalen van de directeurs van het buitengewoon
Tijdelijke aanstelling en aanvangsbegeleiding vanaf 1 september 2019
Tijdelijke aanstelling en aanvangsbegeleiding vanaf 1 september 2019 Doelstellingen van de maatregelen uit cao XI De praktijkschok verminderen door een betere en meer kwaliteitsvolle aanvangsbegeleiding
Vragen naar: Telefoon/Fax/e-mail: Referentie: Agnes Versluys Tel: 050/63.17.67 Fax: 050/63.17.68 e-mail: [email protected]
Vragen naar: Telefoon/Fax/e-mail: Referentie: Agnes Versluys Tel: 050/63.17.67 Fax: 050/63.17.68 e-mail: [email protected] PV/AV10-155 Brugge 10/09/2010 Oproep tot de kandidaten voor de personeelsbewegingen
Decreet betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden. van het gesubsidieerd vrij onderwijs en de psychomedisch-sociale
Decreet betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra Artikel l Dit decreet regelt een aangelegenheid zoals
SCHOLENGROEP RIVIERENLAND nummer 6
Oproep tot de kandidaten voor de personeelsbewegingen in wervingsambten op 01.01.2013 SCHOLENGROEP RIVIERENLAND nummer 6 Titel: Oproep tot de kandidaten voor de personeelsbewegingen in wervingsambten op
Veelgestelde vragen over tijdelijke aanstellingen
Veelgestelde vragen over tijdelijke aanstellingen 1. Kandideringsprocedure 1.1. Op welke manier kan ik solliciteren voor een job in het GO! onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap? Elke school en instelling
Aandachtspunten bekwaamheidsbewijzen islamitische godsdienst zoals meegedeeld in het schooljaar
Aandachtspunten bekwaamheidsbewijzen islamitische godsdienst zoals meegedeeld in het schooljaar 2001-2002 Oorspronkelijke titel: Islamitische godsdienst voorbereiding van het schooljaar 2001-2002, basis-
Scholengemeenschap Saeftinghe vzw
Scholengemeenschap Saeftinghe vzw Adm. zetel : Zeebruggelaan 41-43, 8380 Lissewege GSM 0478/476110 [email protected] - www.sgsaeftinghe.be BERICHT VACANTVERKLARING VOOR VASTE BENOEMING IN WERVINGSAMBT
Het ondersteunend. Personeel
Het ondersteunend Personeel HET ONDERSTEUNEND PERSONEEL INHOUDSTAFEL HET ONDERSTEUNEND PERSONEEL... 2 HET ONDERSTEUNEND PERSONEEL... 4 1. Omkadering...4 1.1. Forfaitaire puntenenveloppe Gemeenschapsonderwijs...4
SCHOLENGROEP 12 ADITE
SCHOLENGROEP 12 ADITE Oproep tot de kandidaten voor de personeelsbewegingen in wervingsambten op 01.01.2015: mutatie, nieuwe affectatie en (uitbreiding) vaste benoeming. Inlichtingen: Het secretariaat
SCHOLENGROEP 9 RINGSCHOLEN
SCHOLENGROEP 9 RINGSCHOLEN Oproep tot de kandidaten voor de personeelsbewegingen in wervingsambten op 01.07.2015 en 01.10.2015. Mutatie, nieuwe affectatie en (uitbreiding) vaste benoeming. Inlichtingen:
Agnes Versluys 050/80 00 77 of 050/80 00 78 Martine Somers
Oproep tot de kandidaten voor de personeelsbewegingen in wervingsambten op 01.07.2015 en 01.10.2015. Mutatie, nieuwe affectatie en (uitbreiding) vaste benoeming. Inlichtingen: Centrale administratie van
GO! Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Onderwijsorganisatie en personeel/onderwijspersoneel Willebroekkaai Brussel
tot de kandidaten voor een tijdelijke aanstelling in een statutair wervingsambt in het schooljaar 2017-2018 in de Permanente Ondersteuningscel Centra voor Leerlingenbegeleiding (POC) tot de kandidaten
LOIS, DECRETS, ORDONNANCES ET REGLEMENTS WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES EN VERORDENINGEN
MONITEUR BELGE 08.09.2009 BELGISCH STAATSBLAD 61107 LOIS, DECRETS, ORDONNANCES ET REGLEMENTS WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES EN VERORDENINGEN GOUVERNEMENTS DE COMMUNAUTE ET DE REGION GEMEENSCHAPS- EN GEWESTREGERINGEN
Besluit van de Vlaamse Regering tot aanpassing van een aantal verlofstelsels in het onderwijs en in de hogescholen
Besluit van de Vlaamse Regering tot aanpassing van een aantal verlofstelsels in het onderwijs en in de hogescholen DE VLAAMSE REGERING, Gelet op het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie
OPROEP TOT DE KANDIDATEN VOOR TOELATING TOT DE PROEFTIJD IN EEN HALFTIJDSE BETREKKING VAN ADVISEUR-COORDINATOR BIJ DE PEDAGOGISCHE BEGELEIDINGSDIENST
OPROEP TOT DE KANDIDATEN VOOR TOELATING TOT DE PROEFTIJD IN EEN HALFTIJDSE BETREKKING VAN ADVISEUR-COORDINATOR BIJ DE PEDAGOGISCHE BEGELEIDINGSDIENST Uiterste kandideringsdatum: 9 juli 2010. 1. Halftijdse
VR DOC.0272/1
VR 2011 0804 DOC.0272/1 Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de regeling van de jaarlijkse vakantie voor de administratief medewerker en voor bepaalde personeelsleden van het administratief personeel
GO! scholengroep Rivierenland
GO! scholengroep Rivierenland Oproep tot de kandidaten voor de personeelsbewegingen in wervingsambten op 01.01.2019. Mutatie, nieuwe affectatie en (uitbreiding) vaste benoeming. Inlichtingen: Luc Van Gasse
Onthaal nieuwe personeelsleden basisonderwijs
Onthaal nieuwe personeelsleden basisonderwijs TA Aan welke voorwaarden moet je voldoen om als tijdelijk personeelslid aangesteld te worden in het GO! onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap? Om als tijdelijk
DE VLAAMSE REGERING, Gelet op de Codex Hoger Onderwijs, gecodificeerd op 11 oktober 2013, artikel V.84, V.86 en V.259, 1;
Besluit van de Vlaamse Regering tot aanpassing van een aantal verlofstelsels voor de personeelsleden van de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap en van de regeling inzake loopbaanonderbreking voor het
Word leraar in het GO! en maak het verschil!
Word leraar in het GO! en maak het verschil! Wat is het GO! onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap? het officieel onderwijs georganiseerd in opdracht van de Vlaamse Gemeenschap opdracht: vrije schoolkeuze
Taak- en functiedifferentiatie in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs
SO/2007/03 (pers) 10/07/2007 Taak- en functiedifferentiatie in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs Cao VIII bevat een afspraak over extra middelen voor het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs
Personeelsreglementering. basisonderwijs
Personeelsreglementering gewoon basisonderwijs Colloquium directies Mechelen-Brussel 22 november 2017 Mogelijke agenda (met ruimte voor vraagstelling) 1. Personeelsformatie 2. Tijdelijke aanstelling 3.
Opleiding voor schoolsecretariaten 2013 2014
Ministerie van Onderwijs en Vorming Agentschap voor Onderwijsdiensten () Opleiding voor schoolsecretariaten 2013 2014 Overzicht programma 1. Indiensttreding reglementering aanstellings- en subsidiëringsvoorwaarden
SCHOLENGROEP GO! scholengroep Rivierenland
SCHOLENGROEP GO! scholengroep Rivierenland Uitzonderlijke vacantverklaring van de (deel)betrekkingen van vast benoemde leraars die een eindeloopbaanverlof genieten. Oproep tot de kandidaten voor de personeelsbewegingen
Het ondersteunend. Personeel
Het ondersteunend Personeel HET ONDERSTEUNEND PERSONEEL HET ONDERSTEUNEND PERSONEEL... 2 HET ONDERSTEUNEND PERSONEEL... 3 1. Inleiding... 3 2. Omkadering... 3 2.1. Globale puntenenveloppe... 3 2.2. Forfaitaire
VACANTVERKLARING VAN BETREKKINGEN IN WERVINGSAMBTEN
Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel MEDEDELING Deze Mededeling vervangt de gelijknamige Mededeling van 19 februari 2003, Kl. 90.01.03 Datum: 2004-04-13 Kl.
Met ingang van 1 september 2011 wordt het stelsel van VVP/ziekte volledig hervormd onder de modaliteiten die we hierna uiteenzetten.
Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel FLITSBERICHT VVKSO 2011-08-24 Verlof voor verminderde prestaties wegens ziekte vanaf 1 september 2011 Tot in 2010-2011
Oproep tot de kandidaten voor de personeelsbewegingen in wervingsambten op : mutatie, nieuwe affectatie en (uitbreiding) vaste benoeming.
Vragen naar: Telefoon/Fax/e-mail: Referentie: Agnes Versluys Tel: 050/63.17.67 Fax: 050/63.17.68 e-mail: [email protected] PV/AV /11-060 Titel: Inlichtingen: Oproep tot de kandidaten voor de personeelsbewegingen
Verlof tijdelijk andere opdracht VTAO
Verlof tijdelijk andere opdracht VTAO Inhoudstafel 1. inleiding 2. wie? 3. wanneer een VTAO/TAO? 4. verlof TAO en TBSOB 5. aanvang duur einde 6. dienstonderbreking op een TAO-opdracht 7. volume/bezoldiging
EINDE AANSTELLING EN ONTSLAG
EINDE AANSTELLING EN ONTSLAG Bisdom Gent, 11 januari 2013 Bisdom Brugge, 15 januari 2013 Bisdom Hasselt, 17 januari 2013 Bisdom Mechelen-Brussel, 22 januari 2013 Bisdom Antwerpen, 24 januari 2013 An De
Opleiding voor schoolsecretariaten 2013-2014
Ministerie van Onderwijs en Vorming Agentschap voor Onderwijsdiensten () Opleiding voor schoolsecretariaten 2013-2014 2. TBSOB Overzicht programma Reglementering/Toepassingsgebied Begrippenkader TBSOB
Opleiding schoolsecretariaten
Opleiding schoolsecretariaten 2018-2019 AGODI ACADEMIE Inhoud 1. Inleiding A. Doel van de cursus B. Wetgeving C. Toepassingsgebied en gevolgen D. Draagwijdte vaste benoeming 2. Algemene bepalingen A. Vacantverklaring
S C H O L E N G E M E E N S C H A P S A E F T I N G H E INFOSESSIE TADD V O O R L E E R K R A C H T E N D I N S D A G 8 J U N I
Welkom S C H O L E N G E M E E N S C H A P S A E F T I N G H E INFOSESSIE TADD V O O R L E E R K R A C H T E N D I N S D A G 8 J U N I 2 0 1 0 TADD in de scholengemeenschap Saeftinghe T I J D E L I J
Ontwerp van decreet betreffende de rechtspositie in de basiseducatie
Ontwerp van decreet betreffende de rechtspositie in de basiseducatie DE VLAAMSE REGERING, Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs; Na beraadslaging, BESLUIT: De Vlaamse minister van Onderwijs
BIJLAGE cao III BE: Voorstel van overgang naar het statuut voor de sector BASISEDUCATIE
Thema uit DRP Tijdelijke aanstelling BIJLAGE cao III BE: van overgang naar het statuut voor de sector BASISEDUCATIE JA, maar geen TADD conform DRP Tijdelijke aanstelling van onbepaalde duur. Tijdelijke
Functionerings- en evaluatiereglement in het kader van loopbaanbegeleiding Goedkeuring Schoolbestuur: 10/02/2010 Goedkeuring LOC: 10/02/2010
Breekiezel 27, 3670 Meeuwen-Gruitrode Functionerings- en evaluatiereglement in het kader van loopbaanbegeleiding Goedkeuring Schoolbestuur: 10/02/2010 Goedkeuring LOC: 10/02/2010 Artikel 1: Wettelijk kader
AFWEZIGHEID LANGE DUUR GEWETTIGD DOOR FAMILIALE REDENEN
MEDEDELING M.12.025 BRUSSEL, 2012-09-13 KLASSEMENT: BESTEMD VOOR: BuBaO CONTACT: Lode De Geyter TREFWOORDEN: 02 507 08 33 @ [email protected] Pers/Verloven Verloven OVERZICHT VAN VERLOFSTELSELS 1 VOLLEDIGE
Oproep. 1. Vacant verklaarde betrekkingen
Oproep Oproep tot de kandidaten voor toelating tot de proeftijd met ingang van 1 februari 2018 in het ambt van pedagogisch adviseur bij de Pedagogische Begeleidingsdienst GO! Uiterste kandideringsdatum:
Oproep tot de kandidaten voor een tijdelijke aanstelling in een statutair wervingsambt in het schooljaar 2009-2010.
Oproep tot de kandidaten voor een tijdelijke aanstelling in een statutair wervingsambt in het schooljaar 2009-2010. Oproep tot de kandidaten die een beroep wensen te doen op het recht op een tijdelijke
Cursus voor schoolsecretariaten
Cursus voor schoolsecretariaten 2015-2016 Inhoud 1. Inleiding A. Wetgeving B. Toepassingsgebied 2. Algemene bepalingen A. Vacantverklaring B. Voorwaarden personeelslid C. Voorwaarden betrekking D. Ingangsdatum
Versie van DEEL III De wedde Inhoudsopgave 1. Wettelijke en reglementaire basis 2. Algemeen 2.1 Definitie van de wedde 2.1.
Versie van 21-03-2011 DEEL III De wedde Inhoudsopgave 1. Wettelijke en reglementaire basis 2. Algemeen 2.1 Definitie van de wedde 2.1.1 Volledige wedde 2.1.2 Niet volledig verschuldigde wedde 3. Recht
De betrekkingen in de ambten van adjunct-directeur, coördinator, technisch adviseur en technisch adviseur-coördinator
Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel MEDEDELING referentienr. : M-VVKSO-2009-035 datum : 2009-06-26 gewijzigd : 2010-01-20 contact : Dienst Personeel en schoolbeheer,
Cursus voor schoolsecretariaten
Cursus voor schoolsecretariaten 2015-2016 Reglementering Begrippen Procedure Bezoldiging Mededeling Overzicht programma 2 Reglementering Decreet van 09/04/1992 Besluit Vlaamse Regering 29/04/1992 Omzendbrief
Alle scholen van het gewoon en buitengewoon basisonderwijs kunnen deelnemen aan het pilootproject lerarenplatform.
Lerarenplatform 1. Inleiding Tijdens het schooljaar 2018-2019 start het pilootproject lerarenplatform om tijdelijke leerkrachten meer werkzekerheid te bieden. De leerkrachten in het lerarenplatform krijgen
Werken in onderwijs. Specifieke lerarenopleiding Infosessie Werken in het secundair onderwijs
Specifieke lerarenopleiding Infosessie Werken in het secundair onderwijs Bregt Henkens Academisch Vormingscentrum voor Leraren Werken in onderwijs 1. Solliciteren 2. Toelatingsvoorwaarden 3. Bekwaamheidsbewijzen
BEKENDMAKING GEMEENTERAADSBESLUIT Ingevolge artikel 186 van het gemeentedecreet
BEKENDMAKING GEMEENTERAADSBESLUIT Ingevolge artikel 186 van het gemeentedecreet WIJZIGEN VAN RECHTSPOSITIEREGELING VOOR GEMEENTEPERSONEEL DATUM BESLISSING: 22 juni 2017 DATUM BEKENDMAKING: 6 juli 2017
Ook voor de personeelsleden aangesteld in een selectie- of bevorderingsambt wordt de uitbetaling tijdens de zomervakantie
Vlaams Verbond van het Katholiek Secundair Onderwijs Guimardstraat 1, 1040 Brussel MEDEDELING referentienr. : M-VVKSO-2004-069 datum : 2004-06-22 gewijzigd : 2010-02-08 contact : Dienst personeel en schoolbeheer,
Tijdelijke Aanstelling van Doorlopende Duur en Vaste Benoeming. 14 maart 2017
Tijdelijke Aanstelling van Doorlopende Duur en Vaste Benoeming 14 maart 2017 1 Deze info is van toepassing voor Personeelsleden basisonderwijs: Scholengemeenschap Sperregem Personeelsleden secundair onderwijs:
Cursus voor schoolsecretariaten
Cursus voor schoolsecretariaten 2015-2016 Overzicht programma 1. Indiensttreding reglementering aanstellings- en subsidiëringsvoorwaarden mededeling aan het werkstation 2. Tijdelijke aanstelling van doorlopende
Evaluatie directeur op basis van de functiebeschrijving. Afdeling Onderwijsorganisatie en -personeel
Evaluatie directeur op basis van de functiebeschrijving Afdeling Onderwijsorganisatie en -personeel Geschiedenis GO! evaluatie steeds bestaan KB 22 maart 1969 (Rijksonderwijs): beoordeling alle personeelsleden
De daaraan verbonden salarisschalen (ssc) zijn en blijven: 63 punten ssc 202 ; 82 punten ssc 158 ; 120 punten ssc 542.
Wijzigingen in de reglementering met betrekking tot het ondersteunend personeel in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs met ingang van 01/09/2015 Sedert de aanvang van dit schooljaar werden een
Oproep tot de kandidaten voor een tijdelijke aanstelling in een statutair wervingsambt in het schooljaar 2011-2012.
Oproep tot de kandidaten voor een tijdelijke aanstelling in een statutair wervingsambt in het schooljaar 2011-2012. Oproep tot de kandidaten die een beroep wensen te doen op het recht op een tijdelijke
