1. INLEIDING. 1 Bewijsrecht
|
|
|
- Magdalena Maas
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 1. INLEIDING 1 Bewijsrecht De civiele procedure bij de overheidsrechter strekt ertoe dat personen hun burgerlijke rechten kunnen doen vaststellen en verwezenlijken in een eerlijk proces, dat voortvarend verloopt en waarvan de kosten aanvaardbaar zijn. 1 In een civiele procedure op tegenspraak roepen de procespartijen over en weer rechtsgevolgen in van feiten die zij ten grondslag leggen aan hun vordering of verweer. De rechter stelt de relevante feiten vast, past het recht toe en geeft partijen een beslissing. Feiten die aan een rechterlijke beslissing ten grondslag worden gelegd, behoren zo veel mogelijk naar waarheid te worden vastgesteld. Waarheidsvinding is geen zelfstandig doel van de civiele procedure. Een rechterlijke uitspraak behoort echter aanvaardbaar te zijn voor partijen en derden en dient dan ook zo veel mogelijk aan te sluiten bij de werkelijkheid. 2 Het belang van de waarheidsvinding in de civiele procedure is verankerd in rechtsregels over stelplicht en bewijs. Wanneer een partij bij de onderbouwing van haar vordering of verweer heeft voldaan aan de stelplicht en feiten tussen partijen in geschil zijn, biedt het bewijsrecht mogelijkheden tot bewijslevering met het oog op de vaststelling van feiten die relevant zijn voor de beslissing. 3 Bewijslevering strekt ertoe dat de rechter de overtuiging krijgt dat een door een partij te bewijzen feit met een redelijke mate van zekerheid waar is. 4 Getuigenbewijs is één van de bewijsmiddelen, naast bijvoorbeeld schriftelijk bewijs of bewijs door een deskundigenbericht. In dit boek staat het getuigenbewijs in civiele zaken centraal. 1 Vgl. Kamerstukken II 2006/07, , nr. 1, p Zie bijv. Asser Procesrecht/Asser /74-75; De Bock, Tussen waarheid en onzekerheid (BPP nr. XI) 2011, hoofdstuk 2; Klaassen 2001, p. 70; Asser/Vranken Algemeen deel**** 2014/ Zie bijv. Ahsmann 2012; Van Mierlo & Van Dam-Lely, Procederen bij dagvaarding in eerste aanleg (BPP nr. 1) 2011, p ; Seinen 2014; Van der Wiel Asser Procesrecht/Asser /264; Asser/Anema & Verdam 1953, p ; De Bock, Tussen waarheid en onzekerheid (BPP nr. XI) 2011, p. 202; Giesen 1999; Hidma 2005, p. 149; Hugenholtz/ Heemskerk 2015, nr. 78; De Miranda 1946, p. 8-15; Pitlo/Rutgers & Krans, Pitlo /55; Rutgers, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 149 Rv, aant. 3; Snijders, Klaassen & Meijer, Burgerlijk procesrecht 2011/199; Stein/Rueb, Compendium Burgerlijk procesrecht 2013/7.3.4; Thoe Schwartzenberg 2013, nr. 2; Veegens/Wiersma 1973, p
2 nr Inleiding 2 Civiele zaken Onder civiele zaken worden in dit boek de zaken begrepen die door de burgerlijke rechter worden behandeld en waarop de wettelijke voorschriften van het bewijsrecht 5 van toepassing zijn. In vorderingsprocedures zijn die voorschriften als hoofdregel van toepassing (art. 149 e.v. Rv in eerste aanleg, art. 353 Rv in hoger beroep). In verzoekprocedures zijn zij van toepassing tenzij de aard van de zaak zich daartegen verzet (art. 284 lid 1 Rv in eerste aanleg, art. 361 Rv in hoger beroep). Kort gezegd gaat het om handelszaken, kantonzaken, en andere civiele zaken. De regels van art. 149 e.v. Rv zijn in familierechtelijke zaken en civiele jeugdzaken van toepassing voor zover de wettelijke bepalingen voor die zaken 6 niet anders bepalen, 7 en wederom tenzij de aard van de zaak zich tegen toepassing van het wettelijke bewijsrecht verzet. 3 Overzicht en afgrenzing In dit boek wordt ingegaan op de bewijslevering door middel van getuigen in feitelijke instanties (eerste aanleg en hoger beroep). 8 Die bewijslevering kan plaatsvinden in de civiele zaak zelf (in een bodemprocedure), of in het kader van een voorlopig getuigenverhoor (art. 186 e.v. Rv). Het boek is als volgt ingedeeld. Na het inleidende eerste hoofdstuk wordt in hoofdstuk twee ingegaan op algemene begrippen rondom het getuigenbewijs. In hoofdstuk drie komt in algemene zin aan de orde wie als getuige in een civiele procedure kan fungeren. Hoofdstuk vier gaat over het bewijsaanbod en het gelasten van een getuigenverhoor. In hoofdstuk vijf wordt stilgestaan bij de voorbereidingen voor het houden van een getuigenverhoor. De getuigplicht en het verschoningsrecht staan centraal in hoofdstuk zes. De gang van zaken tijdens een getuigenverhoor wordt beschreven in hoofdstuk zeven, waaronder de regels die gelden voor in acht te nemen termijnen en formaliteiten. Het getuigenverhoor met toepassing van de EG- Bewijsverordening krijgt afzonderlijk enige aandacht (par. 7.13). In hoofdstuk acht wordt het leveren van tegenbewijs door middel van getuigen behandeld. Het voorlopig getuigenverhoor is onderwerp van hoofdstuk negen. Hoofdstuk tien is gewijd aan de bewijswaardering van getuigenverklaringen. Tot slot betreft hoofdstuk elf de kosten van een getuigenverhoor. 5 Eerste Boek, Titel 1, Negende Afdeling, Bewijs, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Een aantal van deze voorschriften is van overeenkomstige toepassing bij de behandeling van bestuursrechtelijke zaken (art. 8:33 lid 3 Awb). 6 Derde Boek, Titel 6, Rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht. 7 Zo n andere bepaling is bijv. art. 810a Rv over contra-expertise. 8 Een enkele keer worden in cassatie getuigen gehoord in een geval waarin de Hoge Raad als feitenrechter oordeelt. Hiervoor gelden geen andere regels dan voor het getuigenverhoor in eerste aanleg en hoger beroep. Zie bijv. HR 23 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2008, NJ 1996/435; HR 22 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2768, NJ 2008/125; HR 4 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9546, NJ 2010/312. 2
3 1. Inleiding nr. 4 Bewijslevering door getuigen in kort geding (art. 254 e.v. Rv) komt in dit boek niet aan de orde. 9 De aard van de procedure in kort geding brengt mee dat de rechter niet verplicht is het bewijsrecht toe te passen. 10 De keerzijde is dat de gevraagde voorziening kan worden geweigerd als daarbij feitenvaststelling nodig is waarvoor de procedure in kort geding zich niet leent (art. 256 Rv). Vaststelling van feiten in kort geding kan geen nadeel toebrengen aan de bodemprocedure (art. 257 Rv) en valt buiten het bereik van het gezag van gewijsde (art. 236 Rv). Het komt wel eens voor dat de behandeling van een kort geding wordt aangehouden en (al dan niet versneld) een voorlopig getuigenverhoor plaatsvindt, waarna de voorzieningenrechter een beslissing in kort geding geeft. 11 Getuigenbewijs in insolventiezaken komt in dit boek slechts zijdelings ter sprake. Bewijslevering in onteigeningszaken blijft buiten beschouwing, evenals het getuigenbewijs in arbitrage (art en 1014a Rv) Normatief kader Bij de behandeling van het getuigenbewijs wordt in dit boek gebruikgemaakt van wetgeving, rechtspraak en literatuur over getuigenbewijs in civiele zaken naar Nederlands recht. De wettelijke bepalingen over getuigenbewijs in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden beschouwd tegen de achtergrond van mede in art. 6 lid 1 EVRM verankerde beginselen van (civiel) procesrecht, zoals het beginsel van hoor en wederhoor en het recht op een eerlijk proces, 13 en van de eisen van een goede procesorde. De geldende wettelijke bepalingen worden afgekort aangeduid met het artikelnummer en de toevoeging Rv. Het wetvoorstel Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht 14 is bij het voltooien van dit boek in behandeling bij de Staten- Generaal. Dit wetsvoorstel, dat hierna ook wordt aangeduid als wetsvoorstel 34059, bevat diverse voorstellen tot wijziging van de civiele procedure. De belangrijkste doelstelling van het wetsvoorstel is te voorzien in een wettelijke regeling ten 9 Zie over het kort geding bijv.: Snijders, Klaassen & Meijer, Burgerlijk procesrecht 2011/328 e.v.; Stein/Rueb, Compendium Burgerlijk procesrecht 2013, p. 271 e.v. 10 Zie bijv. HR 15 maart 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB4858, NJ 1968/228: in kort geding is het overgelaten aan het beleid van de rechter die over de feiten oordeelt, of hij ingaat op een bewijsaanbod; indien hij daartoe geen aanleiding ziet, kan hij een bewijsaanbod ongemotiveerd passeren. Zie ook Reisig 2005, p Groot, Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/ , 420; Snijders, Klaassen & Meijer, Burgerlijk procesrecht 2011/232. Anders: Pitlo/Rutgers & Krans, Pitlo / Zie bijv. Fung Fen Chung 2004; Meerdink & Van Tricht, TVA 2013/. Zie ook HR 25 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2495, NJ 2007/294; JBPr 2007/75, m.nt. J.F. Fleming. 13 Zie over beginselen van procesrecht bijv. Hugenholtz/Heemskerk 2015, nr. 5; Snijders, Klaassen & Meijer, Burgerlijk procesrecht 2011/27; Stein/Rueb, Compendium Burgerlijk procesrecht 2013, p Kamerstukken II 2014/15, 34059, nr. 2. Zie voor het bijbehorende voorstel tot Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht in hoger beroep en cassatie : Kamerstukken II 2014/15, 34138, nr. 2. 3
4 nr Inleiding behoeve van de digitalisering van de civiele procedure. 15 Voor zover relevant voor het getuigenbewijs in civiele zaken wordt hierna ook aan de voorgestelde wijzigingen aandacht besteed. De terminologie van het wetsvoorstel is in dit boek al zo veel mogelijk gevolgd. Dagvaardingsprocedure en verzoekschriftprocedure worden in dit boek dus aangeduid als vorderingsprocedure en verzoekprocedure, terechtzitting als zitting, de comparitie als de mondelinge behandeling, enzovoort. Het normatieve kader van het getuigenbewijs wordt tevens gevormd door het materiële burgerlijk recht, alleen al omdat bewijslevering door getuigen plaatsvindt in het kader van de vaststelling en verwezenlijking van materiële rechten. Het materiële recht bepaalt, naast de grondslag van vordering en verweer, in het algemeen mede wat er moet worden bewezen alvorens een geschil door de rechter kan worden beslecht. In dit boek komt het materiële recht slechts ter sprake als dat functioneel is voor de bespreking van het getuigenbewijs in civiele zaken. 15 Zie over het wetsvoorstel o.a.: Van Dam-Lely 2014; Ekelmans, NTBR 2014/8; Flach 2014, p ; Hofhuis 2015; Ter Huurne, Ondernemingsrecht 2014/49; Van Mierlo & Vonk 2015; Teuben & Jansen 2015; Wefers Bettink
5 2. GETUIGENBEWIJS IN DE CIVIELE PROCEDURE 2.1 Getuigenbewijs en waarheidsvinding 5 Algemeen Getuigenbewijslevering vindt plaats in het kader van de waarheidsvinding in de civiele procedure (zie nr. 1). Het komt tot stand doordat personen op de voet van art. 163 e.v. Rv ten overstaan van de rechter verklaringen als getuige afleggen over hun waarnemingen met betrekking tot feiten die in een bodemprocedure onderwerp zijn van bewijslevering of waarover een voorlopig getuigenverhoor plaatsvindt. Getuigenbewijs speelt in de civiele procedure een belangrijke rol, 1 zeker als geen of onvoldoende schriftelijk bewijs beschikbaar is. Volgens Ahsmann wordt sinds de invoering van de wijzigingen in het procesrecht per 1 januari 2002 minder vaak gebruikgemaakt van getuigenbewijs. Ook De Bock meent dat het gebruik van getuigenbewijs is afgenomen. 2 Over de mate waarin in de loop der jaren getuigenbewijslevering in civiele procedures heeft plaatsgevonden, zijn geen kwantitatieve gegevens voorhanden. Ahsmann en Asser vermoeden dat mede als gevolg van veranderingen in de rechterlijke organisatie en productiedruk minder vaak bewijslevering door getuigen plaatsvindt. 3 Denkbaar is ook dat partijen tegenwoordig overeenkomstig de art. 21 en 111 lid 3 Rv in de schriftelijke stukkenwisseling meer informatie dan voorheen verstrekken, en dat bij de mondelinge behandeling, die in eerste aanleg hoofdregel is (art. 131 Rv), vaker dan voorheen de voor de beslissing relevante feiten waar nodig verder kunnen worden opgehelderd. 4 1 Zie over het belang van getuigenbewijs voor de waarheidsvinding: De Bock, Tussen waarheid en onzekerheid (BPP nr. XI) 2011, p ; Asser Procesrecht/Asser /253; Rutgers, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 152 Rv, aant De Bock, Tussen waarheid en onzekerheid (BPP nr. XI) 2011, p Ahsmann 2010, p. 13 en 23; Asser Procesrecht/Asser / Vgl. De Bock, Tussen waarheid en onzekerheid (BPP nr. XI) 2011, p. 61: de mondelinge behandeling staat in de sleutel van de waarheidsvinding. 5
6 nr Getuigenbewijs in de civiele procedure 6 Bewijslevering en oordeelsvorming Bewijslevering ten overstaan van de rechter wordt gezien als een waarborg voor de juistheid van de middellijke (re)constructie van een gebeurtenis. Bewijslevering door middel van getuigen geschiedt ter openbare zitting, tenzij een zaak op grond van art. 27 Rv met gesloten deuren wordt behandeld (zie nr. 154). Partijen en hun eventuele rechtsbijstandverleners kunnen een getuigenverhoor bijwonen. Zij kunnen invloed uitoefenen op de totstandkoming van de verklaring van een getuige, bijvoorbeeld door het stellen van bepaalde vragen (zie nr. 159 en 171). Tijdens het verhoor van een getuige kan een partij worden gevraagd een partijverklaring af te leggen (zie nr. 178). Zo kunnen partijen de bewijslevering door middel van getuigen controleren en effectief commentaar leveren op het bewijsmateriaal. Het strookt met het onmiddellijkheidsbeginsel dat getuigen door de rechter in openbaarheid en in tegenwoordigheid van partijen worden gehoord. 5 De rechter vormt zich dan zo veel mogelijk uit eigen waarneming een gemotiveerd oordeel over de betekenis van bewijsmateriaal voor het bewijs van betwiste feiten die tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. Als de procespartijen de bewijslevering rechtstreeks kunnen volgen, worden aan hen bovendien gelijkwaardige mogelijkheden geboden om het oordeel van de rechter te beïnvloeden en het verloop van het proces te controleren. Dat partijen adequaat en op de voet van gelijkwaardigheid moeten kunnen participeren in de procedure bij de rechter, is onderdeel van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 lid 1 EVRM. 6 Bij de naleving van art. 6 lid 1 EVRM gaat het erom dat de procedure als geheel, waaronder de wijze waarop het bewijs wordt verkregen, eerlijk verloopt. 7 7 Vrij bewijsstelsel Getuigenbewijs is van oudsher een bewijsmiddel in de civiele procedure. 8 Dat was al naar Romeins procesrecht het geval. 9 Ook naar oud-vaderlands recht was getuigenbewijs een gebruikelijk bewijsmiddel. 10 Bij de codificatie van het bewijsrecht in 1838 werd het getuigenbewijs wettelijk geregeld in het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 5 Zie over het onmiddellijkheidsbeginsel bijv. Asser Procesrecht/Asser /77. 6 Zie bijv.: Hugenholtz/Heemskerk 2015, nr. 5; Snijders, Klaassen & Meijer, Burgerlijk procesrecht 2011/32; Stein/Rueb, Compendium Burgerlijk procesrecht 2013, p. 25 e.v. Zie o.a. ook EHRM 18 maart 1997, ECLI:NL:XX:1997:AD4449, NJ 1998/278, m.nt. H.J. Snijders (Mantovanelli/Frankrijk). 7 Vaste rechtspraak, bijv. EHRM 12 juli 1988, ECLI:NL:XX:1988:AC2589, NJ 1988/851, m.nt. E.A. Alkema (Schenk/Zwitserland); EHRM 27 oktober 1993, NJ 1994/534, m.nt. H.J. Snijders (Dombo/ Nederland); EHRM 18 maart 1997, NJ 1998/278, m.nt. H.J. Snijders (Mantovanelli/Frankrijk). 8 Zie voor een overzicht: Asser/Anema & Verdam 1953, p. 238 e.v. 9 Zie bijv. Kaser/Hackl Zie bijv. De Monté Verloren
7 2.1 Getuigenbewijs en waarheidsvinding nr. 7 Het bewijsrecht van 1838 stelde beperkingen aan de gevallen waarin getuigenbewijs was toegelaten. 11 Ook werden bepaalde categorieën natuurlijke personen onbekwaam geacht als getuige te worden gehoord (art (oud) BW), bijvoorbeeld de (gewezen) echtgenoot van een procespartij, en was het mogelijk getuigen te wraken (art en 1951 (oud) BW). 12 De gedachte was dat iemand die belang had bij de uitkomst van een procedure niet voldoende onbevangen zou zijn om als getuige onder ede een waarheidsgetrouwe verklaring af te leggen en daartoe niet via de getuigplicht mocht worden gedwongen. Het was niet toegestaan een onbekwaam persoon als getuige te horen, of een verklaring van een onbekwaam persoon als getuigenverklaring in het bewijs te betrekken. Een partijgetuige kon in zijn eigen zaak niet als getuige worden gehoord (zie nr. 39). Verder stelde het bewijsrecht van 1838 beperkingen aan de vrije bewijswaardering van getuigenverklaringen. 13 De wet stelde dus diverse grenzen aan de mogelijkheid om in een zaak door middel van een getuigenverhoor het belang van de waarheidsvinding te dienen. In de loop van de negentiende en twintigste eeuw werden herhaaldelijk voorstellen gedaan om door middel van wijzigingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering meer aandacht te geven aan het belang van de waarheidsvinding in de civiele procedure. 14 In de literatuur werd bepleit beletselen voor de waarheidsvinding in het wettelijk bewijsrecht op te heffen of terug te dringen. 15 In 1923 verviel de regel dat getuigenbewijs was uitgesloten in geschillen over meer dan ƒ 300 (art (oud) BW), en werden de regels over wraking van getuigen 11 Asser/Anema & Verdam 1953, p ; Scheltema 1939, p Zie o.a. ook: Levy 1894; Pet 1907; Van Reenen Asser/Anema & Verdam 1953, p en p. 273; De Miranda 1946, p. 197 e.v.; Scheltema 1939, p Zie ook: HR 8 november 1912, NJ 1913, p. 707; HR 12 november 1915, NJ 1916, p. 8; HR 19 november 1915, NJ 1916, p. 7; HR 31 december 1915, NJ 1916, p. 414; HR 18 november 1921, NJ 1922, p. 80; HR 8 december 1921, NJ 1922, p. 169; HR 9 december 1921, NJ 1922, p. 222; HR 19 januari 1922, NJ 1922, p. 319; HR 9 februari 1922, NJ 1922, p. 419; HR 27 april 1922, NJ 1922, p. 588; HR 19 mei 1922, NJ 1922, p. 863; HR 26 januari 1928, NJ 1928, p. 671; HR 9 januari 1942, NJ 1942/302; HR 28 oktober 1949, NJ 1949/693; HR 2 mei 1952, NJ 1953/400; HR 12 februari 1954, NJ 1954/194; HR 24 juni 1955, NJ 1955/562; HR 22 juni 1956, NJ 1956/665, m.nt. D.J. Veegens; HR 22 juni 1962, NJ 1962/283; HR 1 februari 1963, NJ 1964/157, m.nt. J.H. Beekhuis; HR 20 maart 1964, NJ 1964/413; HR 3 februari 1967, ECLI:NL:HR:1967:AB6700, NJ 1967/61; HR 17 januari 1969, ECLI:NL:HR:1969:AC4902, NJ 1969/251; HR 12 juni 1970, ECLI:NL:HR:1970:AC2518, NJ 1970/382; HR 5 januari 1973, ECLI:NL:HR:1973:AB6970, NJ 1973/106; HR 12 januari 1973, ECLI:NL:HR:1973: AC2288, NJ 1973/104, m.nt. D.J. Veegens; HR 31 mei 1974, ECLI:NL:HR:1974:AC3993, NJ 1974/389, m.nt. W.L. Haardt; HR 26 oktober 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6707, NJ 1980/486, m.nt. W.H. Heemskerk; HR 23 januari 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4137, NJ 1981/196; HR 18 november 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4693, NJ 1984/256; HR 27 april 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4798, NJ 1984/ 513; HR 31 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AJ5159, VR 1986/11, m.nt. A.J.O. van Wassenaer van Catwijck; HR 19 februari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0203, NJ 1988/725, m.nt. W.H. Heemskerk (Dombo). 13 Asser/Anema & Verdam 1953, p Bosch-Boesjes 1991, p ; Haardt 1951, p ; Offerhaus 1924, p. 2-3; Van Rossem/ Cleveringa 1972, Inl. Aantt., aant O.a. Meilink 1924; Mom Visch 1878; Offerhaus 1924; Pinner 1878; De Pinto 1879; Rombach
8 nr Getuigenbewijs in de civiele procedure afgeschaft. 16 In 1934 verviel art (oud) BW, 17 dat tegenbewijs tegen de inhoud van een akte verbood. Sindsdien kan getuigenbewijs ook worden geleverd om het waarheidsgehalte van een akte te ontzenuwen. De zojuist aangeduide rechtsontwikkeling in de richting van een vrij bewijsstelsel vond ook in bredere zin plaats in het bewijsrecht als geheel. In 1988 is een vrij bewijsstelsel uitgangspunt van het wettelijk bewijsrecht geworden. 18 Doorslaggevend in de keuze van de wetgever voor een vrij bewijsstelsel was dat het bewijsrecht dient ter vaststelling en verwezenlijking van materiële rechten en dat de overtuigende kracht van een bewijsmiddel afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. De wetgever zag daarin aanleiding om zuinig te zijn met bewijsbelemmerende voorschriften: 19 Het bewijsrecht behoort het vinden van de waarheid, voorwaarde voor het vinden van de juiste beslissing, zo min mogelijk te beperken, omdat anders in tal van procedures een vordering of verweer zou mislukken doordat eiser respektievelijk gedaagde in bewijsnood verkeert. 20 Bij het in 1988 ingevoerde bewijsrecht kreeg de rechter grote vrijheid in het accepteren en beoordelen van bewijsmiddelen. Bewijs kan sindsdien worden geleverd door alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt (art. 152 lid 1 Rv). De bewijswaardering is aan het oordeel van de rechter overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt (art. 152 lid 2 Rv). Voor het getuigenbewijs bracht het bewijsrecht van 1988 bovendien de mogelijkheid een partij als getuige te horen (art. 164 lid 1 Rv), wat tot dan toe in de rechtspraak ongeoorloofd was geacht. 8 Beperkingen van vrij bewijsstelsel Aan de handelings- en beoordelingsvrijheid van de rechter zijn door de wetgever echter ook onder het vrije bewijsstelsel beperkingen gesteld. 21 De wetgever achtte dat noodzakelijk omdat tegenover de vrijheid van de rechter in de toepassing van het bewijsrecht ten dienste van de waarheidsvinding het belang staat dat partijen zich bij het verrichten van rechtshandelingen moeten kunnen verzekeren van een bewijsmiddel met een bepaalde door de wet vastgestelde kracht, waardoor zowel de kans op het ontstaan van geschillen als het risico van een procedure zou kunnen worden beperkt. 22 Beperkingen van het vrije bewijsstelsel kunnen ook ertoe dienen dat partijen in de afweging om een procedure te beginnen enigszins kunnen inschatten of hun bewijsmiddelen toereikend zullen zijn Wet van 22 juni 1923, Stb. 1923, Wet van 2 juli 1934, Stb. 1934, 347. Zie over de wijzigingen van 1923 en 1934 o.a. Haardt 1951, p Stb. 1988, 9 (bewijsrecht) en 10 (aanpassingswetgeving). 19 Parl. Gesch. Bewijsrecht 1988, p. 59, MvT RO (1969). In vergelijkbare zin Commissie-Dorhout Mees 1948, p Parl. Gesch. Bewijsrecht 1988, p. 173, VV TK (1971). 21 Wiersma Parl. Gesch. Bewijsrecht 1988, p. 99, MvA TK (1981). 23 Haardt 1951, p
9 2.1 Getuigenbewijs en waarheidsvinding nr. 9 Voorbeelden van wettelijke beperkingen van het vrije bewijsstelsel op het vlak van getuigenbewijs zijn de restricties voor de bewijswaardering van de verklaring van de partijgetuige die de bewijslast heeft (zie par. 3.3 en nr. 237) en de verklaring van de getuige die niet op eigen waarneming berust (zie nr. 11 e.v.). Ook materieelrechtelijke bepalingen kunnen beperkingen stellen aan het vrije bewijsstelsel, zoals de bepaling dat een geschrift is vereist voor het bewijs van sommige overeenkomsten (bijvoorbeeld art Rv voor arbitrage). 24 Een dergelijke beperking hoeft op zichzelf echter niet te beletten dat door getuigen wordt bewezen dat de overeenkomst door een geschrift is aangegaan. 25 Een essentiële beperking op het vrije bewijsstelsel wordt verder gevormd door de wettelijke bepalingen over dwingend bewijs. Dwingend bewijs houdt in dat de rechter verplicht is de inhoud van bepaalde bewijsmiddelen als waar aan te nemen dan wel verplicht is de bewijskracht te erkennen die de wet aan bepaalde gegevens verbindt (art. 151 lid 1 Rv). De beperking is echter relatief, aangezien dwingend bewijs mag worden weerlegd door tegenbewijs, waaronder door getuigenbewijs, tenzij de wet tegenbewijs uitsluit (art. 151 lid 2 Rv). Een voorbeeld: partijverklaringen in een schriftelijke overeenkomst leveren tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaringen (art. 157 lid 2 Rv), maar tegen dat dwingend bewijs kan tegenbewijs worden geleverd door een partij die stelt en te bewijzen aanbiedt dat de partijbedoeling een andere is dan uit de bewoordingen van de schriftelijke overeenkomst blijkt. Dit tegenbewijs kan onder meer worden geleverd door middel van getuigenbewijs. (zie par. 8.2). 9 Noodzaak en relativiteit van getuigenbewijs Voor bewijsmiddelen in civiele zaken geldt in het algemeen dat onzeker is in hoeverre het daarin vervatte bewijs betrouwbaar is. Dat is voor getuigenbewijs niet anders. De ene getuige kan de werkelijkheid anders beleven dan de andere. Twee getuigen kunnen, ook als zij naar waarheid beogen te verklaren, over hun waarnemingen op dezelfde tijd en plaats een uiteenlopende verklaring afleggen. De herinnering van een getuige kan lacuneus zijn, of waarnemingen vermengen met eerdere ervaringen (zie nr. 175). In civiele zaken kan zelden worden gewerkt met bewijsmiddelen waarvan de betrouwbaarheid in objectieve zin kan worden getoetst, zoals tegenwoordig bij sommig technisch, forensisch onderzoek in strafzaken het geval is. Bij gebreke van reële alternatieven behoort getuigenbewijs echter samen met schriftelijk bewijs tot de belangrijkste bewijsmiddelen in civiele zaken. Risico s ten aanzien van de betrouwbaarheid van getuigenbewijs behoren zo goed mogelijk te worden verdisconteerd in de bewijswaardering. Een andere opvatting zou tot gevolg hebben dat het doel van de 24 HR 7 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0949, NJ 1993/655, m.nt. H.E. Ras. Zie ook Reisig 2005, p HR 8 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8922, NJ 2001/56. Zie ook Asser/Anema & Verdam 1953, p. 250; Parl. Gesch. Bewijsrecht 1988, p. 168, MvT RO (1969). 9
10 nr Getuigenbewijs in de civiele procedure bewijslevering de waarheidsvinding in civiele zaken ondergeschikt zou worden gemaakt aan de beschikbaarheid van betrouwbare bewijsmiddelen Getuigenbewijs waarover? Inleiding 10 Algemeen In het algemeen kan bewijs door middel van getuigen worden geleverd als de rechter een getuigenverhoor gelast en er personen zijn die over de te bewijzen feiten als getuige een verklaring kunnen afleggen. Wet en rechtspraak stellen geen beperkingen aan de onderwerpen waarover getuigen kunnen worden gehoord. 11 Uit eigen waarneming Aan de reikwijdte van het bewijsmiddel getuigenbewijs is een grens gesteld in de wettelijke bepaling dat een getuigenverklaring slechts als bewijs kan dienen voor zover zij betrekking heeft op feiten die aan de getuige uit eigen waarneming bekend zijn (art. 163 Rv). Deze bepaling heeft betrekking op de bewijswaardering van getuigenverklaringen door de rechter. Zij werkt echter door in de vragen die tijdens het getuigenverhoor aan getuigen worden gesteld, en in de vastlegging van getuigenverklaringen in het proces-verbaal. Zo kan over de toelaatbaarheid van een bepaalde vraag aan een getuige discussie ontstaan tussen partijen en de rechter wanneer een van de betrokkenen meent dat niet naar de eigen waarneming van de getuige wordt gevraagd. Ook kan discussie ontstaan over de vastlegging van de getuigenverklaring in het proces-verbaal, bijvoorbeeld in verband met de relevantie voor het bewijs van een verklaring die volgens een van de betrokkenen niet op eigen waarneming berust, of in verband met de woordkeuze waarmee tot uitdrukking wordt gebracht in hoeverre de verklaring berust op eigen waarneming. Wie als rechtshulpverlener of rechter aan een getuigenverhoor deelneemt, doet er dan ook goed aan voor ogen te hebben wat de betekenis is van eigen waarneming in de zin van art. 163 Rv. Daarop wordt in de volgende paragraaf ingegaan Betekenis van uit eigen waarneming 12 Ruime uitleg Onder het tot 1 april 1988 geldende bewijsrecht gold slechts als getuigenverklaring de verklaring die met redenen van wetenschap was omkleed (art lid 1 BW oud). Een beredeneerde mening of veronderstelling was geen getuigenverklaring (art lid 2 BW oud). In de rechtspraak was echter een ruime uitleg ontwikkeld 26 Vgl. Asser Procesrecht/Asser /253; De Bock, Tussen waarheid en onzekerheid (BPP nr. XI) 2011/6.1; Hidma 2005, p. 152; Rutgers, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 153 Rv, aant. 2; Snijders, Klaassen & Meijer, Burgerlijk procesrecht 2011/
VERKORTE INHOUDSOPGAVE
VERKORTE INHOUDSOPGAVE Voorwoord /V Gebruikte afkortingen / XXIII 1. Inleiding /1 2. Getuigenbewijs in de civiele procedure /5 2.1 Getuigenbewijs en waarheidsvinding / 5 2.2 Getuigenbewijs waarover? /
Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure
Universiteit van Tilburg Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure ter verkrijging van het doctoraat in de Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Tilburg
WEBINAR BEWIJS de rechterlijke sprong
WEBINAR BEWIJS de rechterlijke sprong over stellen, bewijzen en wat dies meer zij Tjalle Hidma Suum cuique tribuere Maar hoe?! Welk vertrekpunt en met welk gereedschap? Een paar basale vragen: Is het recht
Symposium Omkering van bewijslast. 27 oktober 2017 Rotterdam Studiekring Normatieve Uitleg
Symposium Omkering van bewijslast 27 oktober 2017 Rotterdam Studiekring Normatieve Uitleg Wettelijk vermoeden en omkering van de bewijslast Daan Asser 1 1. Feiten en recht Rechtsfeit is het feit of het
1 Uitgangspunten bij de herziening van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
A ALGEMEEN 1. INLEIDING 1.1 Waarheidsvinding en efficiency 1 Uitgangspunten bij de herziening van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Twee belangrijke uitgangspunten van de wetgever bij de herziening
HET DESKUNDIGENADVIES IN DE CIVIELE PROCEDURE. mr. drs. G. de Groot
HET DESKUNDIGENADVIES IN DE CIVIELE PROCEDURE mr. drs. G. de Groot Kluwer - Deventer - 2008 Verkorte inhoudsopgave Lijst van afkortingen XIX 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 3 3.1 3.2
BINDT HET BEWIJSRECHT DE BINDEND ADVISEUR IN VERZEKERINGSRECHTELIJKE GESCHILLEN?
HOOFDSTUK 13 BINDT HET BEWIJSRECHT DE BINDEND ADVISEUR IN VERZEKERINGSRECHTELIJKE GESCHILLEN? Een pleidooi voor een positivering van de bewijslastverdeling bij bindend advies A.J.J.G. Schijns en Chr.H.
Het proces-verbaal in de civiele procedure
M.L. Timmerman 1 1ArtikelenAfl. 5mei 2018 Het proces-verbaal in de civiele procedure De afgelopen decennia is het belang van de mondelinge behandeling in de civiele procedure toegenomen en daarmee ook
Stand van zaken wetgeving. Uitgangspunten KEI wetgeving. Wat is nodig? 4 wetten en 1 AMvB: Modernisering van de rechtspraak
Modernisering van de rechtspraak Programma Kwaliteit en Innovatie (KEI) Prof. mr. Margreet Ahsmann Uitgangspunten KEI wetgeving Eenvoudige, uniformere basisprocedure voor zowel vorderingen als verzoeken
IMPASSEZAKEN EN VERANTWOORDELIJKHEDEN BINNEN HET ENQUÊTERECHT. Mr. F. Veenstra
IMPASSEZAKEN EN VERANTWOORDELIJKHEDEN BINNEN HET ENQUÊTERECHT Mr. F. Veenstra Kluwer - Deventer - 2010 Uitgebreide inhoudsopgave Hoofdstuk 1. Inleiding 1 1.1 Onderwerp en probleemstelling 1 1.2 Aanleiding
BINDEND ADVIES PROEFSCHRIFT
BINDEND ADVIES PROEFSCHRIFT TER VERKRIJGING VAN DE GRAAD VAN DOCTOR AAN DE RADBOUD UNIVERSITEIT NIJMEGEN OP GEZAG VAN DE RECTOR MAGNIFICUS PROF. MR. S.C.J.J. KORTMANN, VOLGENS BESLUIT VAN HET COLLEGE VAN
Uitgebreide inhoudsopgave
Uitgebreide inhoudsopgave Woord vooraf 5 Verkorte inhoudsopgave 7 Uitgebreide inhoudsopgave 9 Lijst van afkortingen 17 1 Plaatsbepaling rechtsbescherming 21 1.1 Inleiding 21 1.2 Bestuursrechtelijke geschillen
MEMORIE VAN TOELICHTING ALGEMEEN. 1. Inleiding
Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teneinde nader inhoud te geven aan het beginsel van openbaarheid van de behandeling van zaken betreffende personen- en familierecht MEMORIE VAN
DEEL III. Het bestuursprocesrecht
DEEL III Het bestuursprocesrecht Inleiding op deel III In het voorgaande deel is het regelsysteem van art. 48 (oud) Rv besproken voor zover dit relevant was voor art. 8:69 lid 2 en 3 Awb. In dit deel
Een getuige, daar word je wijzer van Wat is de rol van het getuigenbewijs in een ontbindingsprocedure
2013 Een getuige, daar word je wijzer van Wat is de rol van het getuigenbewijs in een ontbindingsprocedure Getuigenbewijs in een ontbindingsprocedure 27-5-2013 Een getuige, daar word je wijzer van Wat
Stellen en bewijzen in procedures over verplichtstelling
Stellen en bewijzen in procedures over verplichtstelling 9 september 2015 Alex Ter Horst Advocaat pensioenrecht Achtergrond Indien verplichtstelling van toepassing is leidt dat voor wg en bpf tot allerlei
Commentaar op het wetsvoorstel KEI:
Commentaar op het wetsvoorstel KEI: Art. 77l lid 6 RV.: Het tegenverzoek moet betrekking hebben op het onderwerp van de oorspronkelijke vordering. Deze voorwaarde heeft als ongewenst effect dat partijen
RIJKSUNIVERSITEIT GRONINGEN DE GOEDE PROCESORDE
RIJKSUNIVERSITEIT GRONINGEN DE GOEDE PROCESORDE Een onderzoek naar de betekenis van de goede procesorde als normatief begrip in het burgerlijk procesrecht PROEFSCHRIFT ter verkrijging van het doctoraat
Webinar burgerlijk procesrecht Dagvaarding en tips. 18 december 2015 Dirk Vergunst
Webinar burgerlijk procesrecht Dagvaarding en tips 18 december 2015 Dirk Vergunst 1 Artikel 45 Rechtsvordering 1. Exploten (pv van ambtshandeling) worden door een daartoe bevoegde deurwaarder gedaan (
Ongelijkheidscompensatie bij stelplicht en bewijslast in het civiele arbeidsrecht en het ambtenarenrecht
Ongelijkheidscompensatie bij stelplicht en bewijslast in het civiele arbeidsrecht en het ambtenarenrecht Naar een eenvormig stelsel? Mr.H.JW.AÜ Kluwer - Deventer - 2009 Lijst van gebruikte afkortingen
G. de Groot Waarheidsvinding in het civiele (proces)recht, in: Preadviezen Nederlandse Juristen- Vereniging 2012 Deventer: Kluwer 2012, p.
G. de Groot Waarheidsvinding in het civiele (proces)recht, in: Preadviezen Nederlandse Juristen- Vereniging 2012 Deventer: Kluwer 2012, p. 45-154 Inhoudsopgave 1. Inleiding 2. Waarheidsvinding als dilemma
2 Omschrijving van enkele begrippen
2 Omschrijving van enkele begrippen 1 INLEIDING Een probleem bij de bestudering van art. 48 (oud) Rv is dat de betekenis van veel van de gebruikte begrippen niet duidelijk is. Wat is een rechtsgrond? Is
Examenprogramma Burgerlijk Procesrecht 1
Diplomalijn Examen Niveau Juridisch Burgerlijk Procesrecht hbo Versie 1.0 Geldig vanaf 01-01-2013 Vastgesteld op 28-08-2012 Vastgesteld door Veronderstelde voorkennis Bestuur Nederlandse Associatie voor
Hoge Raad , ECLI:NL:HR:2018:182, (werknemer/decor Handelsmaatschappij B.V.)
commentaar op Hoge Raad 16-02-2018, ECLI:NL:HR:2018:182, (werknemer/decor Handelsmaatschappij B.V.) datum 04-05-2018 auteur F.G. Laagland Hoge Raad 16-02-2018, ECLI:NL:HR:2018:182, (werknemer/decor Handelsmaatschappij
Bundel procesrecht. Verzameld door Mr. F.C.P. Teeuw Bewerkt door Mr. M.G. Hofman H U U R G E S C H I L. N L
Bundel procesrecht Verzameld door Mr. F.C.P. Teeuw Bewerkt door Mr. M.G. Hofman H U U R G E S C H I L. N L Bundel Procesrecht Verzameld door Mr. F.C.P. Teeuw Bewerkt door Mr. M.G. Hofman Samengesteld
VAAN Onder professoren
VAAN Onder professoren Prof. mr. A.I.M. (Toon) van Mierlo 5 oktober 2017 Agenda Tweeluik 1. Kwaliteit en Innovatie (KEI) in theorie en (naaste) praktijk 2. Capita bijzonder procesrecht ontslagzaken 1.
UITSLUITING VAN ONRECHTMATIG VERKREGEN BEWIJS IN HET NEDERLANDS BURGERLIJK PROCESRECHT
UITSLUITING VAN ONRECHTMATIG VERKREGEN BEWIJS IN HET NEDERLANDS BURGERLIJK PROCESRECHT Een beschouwing op de bijkomende omstandigheden die mogelijk een beperking van de waarheidsvinding door civielrechtelijke
ECLI:NL:GHAMS:2016:5140 Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer /01
ECLI:NL:GHAMS:2016:5140 Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 29-11-2016 Datum publicatie 06-02-2017 Zaaknummer 200.174.828/01 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Civiel recht
PARLEMENTAIRE GESCHIEDENIS
PARLEMENTAIRE GESCHIEDENIS HERZIENING VAN HET BURGERLIJK PROCESRECHT VOOR BURGERLIJKE ZAKEN, IN HET BIJZONDER DE WIJZE VAN PROCEDEREN IN EERSTE AANLEG Wetsvoorstel 26 855 en gedeelten uit de wetsvoorstellen
Burgerlijk Wetboek Boek 3Burgerlijk
Art. 33 Artikel Art. 34 Artikel F.W.J. Meijer en mr. H.M. Wattendorff F.W.J. Meijer Wetboek Boek 3Burgerlijk Wetboek Boek 3 Burgerlijk Wetboek Boek 3Burgerlijk 33 mr. Een rechtshandeling vereist een op
De bewijslast in artikel 1:160 BW procedures
De bewijslast in artikel 1:160 BW procedures Inleiding Zoals collega Van den Anker al eerder (Samenleven en alimentatie ontvangen? EB 2009, 32) schreef, is de alimentatieplicht niet oneindig. Deze kan
Webinar Arbeidsrecht Jurisprudentie (procesrecht) Academie voor de Rechtspraktijk mr. P.J. Jansen 6 maart 2015
Webinar Arbeidsrecht Jurisprudentie (procesrecht) Academie voor de Rechtspraktijk mr. P.J. Jansen 6 maart 2015 Bewijslastverdeling o.s.v. (I) Hof Arnhem-Leeuwarden 1 april 2014, ECLI:NL: HARL:2014:2600:
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ecli:nl:rbove...
Rechtspraak.nl Print uitspraak 1 of 5 071215 09:02 Zoekresultaat inzien document ECLI:NL:RBOVE:2013:1448 Permanente link: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ecl Instantie Rechtbank Overijssel
Hof van Discipline Zitting van 19 juni 2017 te uur Kenmerk: art. 515 lid 4 Sv en daartoe overwogen:
Hof van Discipline Zitting van 19 juni 2017 te 14.30 uur Kenmerk: 160102 PLEITNOTA Inzake: Deken orde van Advocaten Den Haag - mr. M.J.F. Stelling Raadsman: W.H. Jebbink Geen ontzegging tot onafhankelijke
Ruud Hermans 1. Heeft het kort geding nog een toekomst als zelfstandige procedure? Inleiding
Ruud Hermans 1 Heeft het kort geding nog een toekomst als zelfstandige procedure? Inleiding De vraag die ik in deze bijdrage probeer te beantwoorden, is of het kort geding nog een toekomst heeft als zelfstandige
Voorstel tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht
Voorstel tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht Memorie van toelichting 1. Inleiding Dit wetsvoorstel heeft
6 De taak van de rechter in het burgerlijk geding
6 De taak van de rechter in het burgerlijk geding 1 INLEIDING Over de taak van de rechter in het burgerlijk geding bestaat weinig onenigheid. Het is zijn taak om ambtshalve te beoordelen of het recht op
INHOUD. Voorwoord... v Verkorte inhoudsopgave... vii Lijst van verkort geciteerde werken... xv DE CORRECTIONELE TERECHTZITTING
INHOUD Voorwoord............................................................ v Verkorte inhoudsopgave............................................... vii Lijst van verkort geciteerde werken......................................
LIJST VAN VERKORT AANGEHAALDE WERKEN
LIJST VAN VERKORT AANGEHAALDE WERKEN asser/veegens, korthals altes & groen 7 2005 e. korthals altes & h.a. groen, Mr. C. Asser s Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. Procesrecht.
Netherlands Commercial Court
Netherlands Commercial Court Wat is de NCC? NCC internationale handelskamer van de Rechtbank Amsterdam (incl. voorzieningenrechter) + NCCA internationale handelskamer van het Gerechtshof Amsterdam Waarom
ONTSLAG. 1. Inleiding: een nieuw scenario? Mr. P.J. Jansen
ONTSLAG 59. Ontslag op staande voet en de Wet werk en zekerheid: is er nog plaats voor een kort geding, voorwaardelijke ontbinding, bewijslevering en een switch? Mr. P.J. Jansen De Wet werk en zekerheid
De Minister van Veiligheid en Justitie. Postbus 20301 2500 EH Den Haag. Advies wetsvoorstel toevoegen gegevens aan procesdossier minderjarige
POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Juliana van Stolberglaan 4-10 TEL 070-88 88 500 FAX 070-88 88 501 INTERNET www.cbpweb.nl www.mijnprivacy.nl AAN De Minister van Veiligheid en Justitie
Noot onder Vzr. Rb. Amsterdam 25 november 2010, B (Nestlé/Mars)
De art. 6:193a e.v. BW, art. 6:194 BW en art. 6:194a BW Paul Geerts, Rijksuniversiteit Groningen Noot onder Vzr. Rb. Amsterdam 25 november 2010, B9 9243 (Nestlé/Mars) 1. In Vzr. Rb. Amsterdam 25 november
Arbeidsrecht Actueel. Hoge Raad geeft (meer) duidelijkheid over ontslag op staande voet onder de Wet werk en zekerheid.
Jaargang 22 (2017) JANUARI nr. 279 Arbeidsrecht Actueel In deze uitgave: Hoge Raad geeft (meer) duidelijkheid over ontslag op staande voet onder de Wet WeRk en zekerheid Hoge Raad geeft (meer) duidelijkheid
KBvG, Cie Wetgeving, subcommissie Griffierecht Wet griffierechten burgerlijke zaken Modellen voor aanzeggingen
Model A1, Rechtbank, 1 gedaagde: natuurlijk persoon a. indien gedaagde verzuimt advocaat te stellen of het hierna te noemen griffierecht niet tijdig betaalt, en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten
ECLI:NL:RBOVE:2016:5109
ECLI:NL:RBOVE:2016:5109 Instantie Rechtbank Overijssel Datum uitspraak 15-11-2016 Datum publicatie 23-12-2016 Zaaknummer 5405642 VV EXPL 16-70 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Civiel
Wat is civiel recht? 3. De deelnemers aan een civiele procedure 3. De rol van getuigen in een civiele procedure 7. Bewijsstukken 8.
Als mensen en bedrijven een conflict krijgen dat zij zelf niet kunnen oplossen, volgt soms een rechtszaak. In deze brochure leest u hoe de behandeling van de zaak verloopt. Inhoud Wat is civiel recht?
De patiëntenkaart in de lagere rechtspraak
De patiëntenkaart in de lagere rechtspraak Trial & error? Ruim twee jaar geleden deed de Hoge Raad uitspraak in de patiëntenkaart arresten 1. Hij oordeelde daarbij over de vraag of de rechter in het kader
Benoeming deskundige in merken- en reclamezaken
3. Een andere mogelijkheid is dat in het kader van een kort geding een deskundige wordt benoemd, die aan de hand van een bureaustudie vóór de zitting de door partijen in het geding gebrachte partijmarktonderzoeken
Over wenselijkheid en haalbaarheid van gebruik Engelse instrumenten bij Nederlands deskundigenbewijs Berto Winters Vereniging voor Mededingingsrecht
Deskundigen in follow on en andere civiele procedures Over wenselijkheid en haalbaarheid van gebruik Engelse instrumenten bij Nederlands deskundigenbewijs Berto Winters Vereniging voor Mededingingsrecht
PC Advocaten Nieuwsbrief NIEUW : DE SCHRIFTELIJKE GETUIGENVERKLARING. Contact ZZINLEIDING
NIEUW : DE SCHRIFTELIJKE GETUIGENVERKLARING ZZINLEIDING Het bewijs door getuigen in burgerlijke zaken; zo eenvoudig als het klinkt, zo ingewikkeld de regeling. Allereerst is het bewijs door getuigen sterk
DE BRAUW BLACKSTONE WESTBROEK
Advocaten Notarissen Belastingadviseurs DE BRAUW Aan de Algemene Raad van de Claude Debussylaan 80 Postbus 75084 Nederlandse Orde van Advocaten 1070 AB Amsterdam Postbus 30851 2500 GW DEN HAAG T +31 20577
J. van Weerden Cassatie-advocaat te Barneveld
Jurisprudentie in Nederland december 2015, afl. 10 «JIN» Civiel recht 226 een veemde staat gewezen arbitraal vonnis. Indien erkenning volgt, kan deze in een procedure voor de Nederlandse rechter worden
Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba
Het hoger beroep en het cassatieberoep in burgerlijke zaken in de Nederlandse Antillen en Aruba Proefschrift ter verkrijging van de graad van doctor aan de Universiteit van de Nederlandse Antillen op gezag
DEEL I DE RECHTSMACHT 1
VOORWOORD V DEEL I DE RECHTSMACHT 1 1 DE GRONDWET 3 1 Waarborg 3 2 Exclusiviteit 4 3 Doorbreking bij de wet 5 4 Het begrip rechterlijke macht 5 5 Burgerlijke rechten 6 6 Conclusie burgerlijke en bestuursrechtelijke
Magna Charta Verdieping BPR. Bewijsrecht
Magna Charta Verdieping BPR Bewijsrecht mr. F.J.P. (Pieter Frans) Lock stelplicht en bewijslast Londen, april 2016 Inleiding het burgerlijk proces Van wie is de civiele procedure? Partij autonomie vs rechterlijke
Verslag van de interprofessionele ontmoeting van het team handel van de rechtbank Den Haag en de Haagse balie op 2 november 2015
Verslag van de interprofessionele ontmoeting van het team handel van de rechtbank Den Haag en de Haagse balie op 2 november 2015 Op maandagmiddag 2 november jl. vond in het gebouw van de Raad voor de rechtspraak
