FORD TOURNEOCONNECT / TRANSITCONNECT Instructieboekje
|
|
|
- Greta van de Velde
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 FORD TOURNEOCONNECT / TRANSITCONNECT Instructieboekje
2 De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties, ontwerp en uitrusting op ieder moment zonder aankondiging of verplichting te wijzigen. Niets uit deze uitgave mag in enigerlei vorm en door enig middel gereproduceerd, verzonden of in een oproepsysteem opgeslagen of in een andere taal vertaald worden zonder onze schriftelijke toestemming. Fouten of omissies uitgesloten. Ford Motor Company 2011 Alle rechten voorbehouden. Onderdeelnummer: CG3526nl 03/
3 Inhoudsopgave Inleiding Over deze handleiding...7 Overzicht van symbolen...7 Onderdelen en accessoires...8 In één oogopslag In één oogopslag...9 Veiligheidsuitrusting voor kinderen Kinderzitjes...13 Stoelverhogers...14 Plaatsing van kinderzitjes...15 ISOFIX verankeringspunten...18 Kindersloten...19 Bescherming van inzittenden Werking...20 Veiligheidsgordels vastmaken...21 Hoogte van veiligheidsgordels afstellen...22 Waarschuwingssignaal veiligheidsgordel...22 Gebruik van veiligheidsgordels tijdens zwangerschap...23 Passagiersairbag uitschakelen...23 Sleutels en afstandsbediening Algemene informatie over radiofrequenties...25 Programmeren van de afstandsbediening...25 Batterij van afstandsbediening vervangen...26 Sloten Vergrendelen en ontgrendelen...27 Motorstartblokkering Werking...33 Gecodeerde sleutels...33 Immobilisatiesysteem inschakelen...33 Immobilisatiesysteem uitschakelen...33 Alarm Werking...34 Alarm inschakelen...34 Alarm uitschakelen...34 Stuurwiel Stuurwiel afstellen...35 Audiobediening...35 Spraaksturing...36 Ruitenwissers en ruitensproeiers Voorruitwissers...38 Automatisch in- en uitschakelende ruitenwissers...38 Voorruitsproeiers...39 Achterruitwissers en -sproeiers...39 Ruitenwisserbladen controleren...40 Ruitenwisserbladen vervangen...40 Verlichting Verlichtingsbediening...42 Automatisch in- en uitschakelende verlichting...43 Voorste mistlampen...43 Mistachterlichten...43 Waarschuwingsknipperlichten...44 Koplamphoogte afstellen...44 Richtingaanwijzers...45 Interieurverlichting...45 Gloeilampen vervangen...46 Gloeilampentabel
4 Inhoudsopgave Ruiten en spiegels Elektrisch bedienbare ruiten...52 Buitenspiegels...52 Elektrisch verstelbare buitenspiegels...52 Achterste zijruiten...53 Automatisch dimmende spiegel...53 Instrumentenpaneel Meters...54 Waarschuwings- en indicatielampen...56 Akoestische waarschuwingssignalen en -indicaties...59 Infodisplays Algemene informatie...60 Tripcomputer...62 Persoonlijke instellingen...63 Infoberichten...64 Klimaatregeling Werking...67 Ventilatieroosters...67 Verwarmde ruiten en spiegels...67 Handmatige klimaatregeling...68 Extra verwarming...70 Stoelen De juiste zitpositie innemen...75 Voorstoelen...75 Hoofdsteunen...78 Achterbank...78 Verwarmde stoelen...81 Gemaksfuncties Dimmer instrumentenpaneelverlichting...82 Aansteker...82 Extra voedingsaansluitingen...82 Bekerhouders...83 Opbergruimtes...83 Wegenkaartopbergvakken...84 Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN)...84 Vloermatten...84 Motor starten en stoppen Algemene informatie...85 Contactslot...85 Een dieselmotor starten...85 Motor uitschakelen...86 Dieselroetfilter...86 Brandstof en tanken Veiligheidsmaatregelen...87 Brandstofkwaliteit - Diesel...87 Katalysator...87 Tankklep...88 Tanken...88 Brandstofverbruik...88 Technische specificatie...88 Versnellingsbak/transmissie Handgeschakelde versnellingsbak...90 Remmen Werking...91 Tips voor rijden met ABS...91 Parkeerrem...91 Stabiliteitsregeling Werking...92 Gebruik maken van stabiliteitsregeling...92 Aandrijfregeling Werking...93 Gebruik maken van aandrijfregeling
5 Inhoudsopgave Regeling voor bergop rijden Werking...94 Regeling voor bergop rijden gebruiken...94 Parkeerhulp Werking...96 Gebruik maken van de parkeerhulp...96 Transport Algemene informatie...98 Dakrekken en bagagedragers...98 Bagagenetten...98 Aanhangers trekken Trekken van een aanhanger Tips voor het rijden Inrijden Voorzorgsmaatregelen voor koude weersomstandigheden Wat te doen bij pech Eerstehulpset Gevarendriehoek Zekeringen Plaatsen zekeringenhouders Een zekering vervangen Zekeringlabels Specificatie-overzicht zekeringen Bergen van de auto Sleeppunten Auto op vier wielen slepen Onderhoud Algemene informatie De motorkap openen en sluiten Overzicht motorruimte - 1,8 l Duratorq-TDCi (Lynx) diesel /1,8 l Duratorq-TDDi (Lynx) diesel Oliepeilstaaf - 1,8 l Duratorq-TDCi (Lynx) diesel /1,8 l Duratorq-TDDi (Lynx) diesel Motorolie controleren Motorkoelvloeistof controleren Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren Ruitensproeiervloeistof controleren Technische specificatie Verzorging van de auto Reinigen van buitenzijde auto Reinigen van binnenzijde auto Kleine lakschade repareren Accu van de auto Starten met hulpstartkabels Velgen en banden Algemene informatie Een wiel vervangen Verzorging van banden Gebruik van winterbanden Gebruik van sneeuwkettingen Technische specificatie Voertuigidentificatie Voertuigidentificatieplaatje Voertuigidentificatienummer LAV-plaatje (lastafhankelijke remdrukregelklep) Inhouden en specificaties Technische specificatie
6 Inhoudsopgave Inleiding audio-installatie Belangrijke audio-informatie Overzicht audio-installatie Overzicht audio-installatie Beveiliging van uw audioinstallatie Beveiligingscode Beveiligingscode vergeten Beveiligingscode invoeren Onjuiste beveiligingscode Audiodisplays met tijd- en datumaanduiding Tijd en datum van de audio-installatie instellen Werking van de audioinstallatie Aan/uit toets Bass/treble (lage/hoge tonen) regeling Balance/fade (balans links/rechts, voor/achter) regeling Bediening van de audio-installatie Voorkeuzetoetsen Golfband toets Autostore toets Regeling functie verkeersinformatie Station afstemtoetsen Menu's audio-installatie Automatische volumeregeling Reductie geluidsvervorming (CLIP) Alternatieve frequenties Regionale modus (REG) Nieuwsberichten CD-speler CD's aanbrengen Nummer selecteren CD afspelen Versneld vooruit/achteruit Shuffle/random (door elkaar/willekeurig) CD-nummers comprimeren CD-nummers scannen CD's uitwerpen CD-nummers herhalen Afspelen CD beëindigen Ingangsaansluiting (AUX IN) Ingangsaansluiting (AUX IN) Storingen verhelpen audioinstallatie Storingen verhelpen audio-installatie Telefoon Algemene informatie Setup telefoon Setup Bluetooth Bedieningselementen telefoon Gebruik maken van de telefoon - Auto's zonder Navigatiesysteem Gebruik maken van de telefoon - Auto's met Navigatiesysteem Spraaksturing Werking Spraakgestuurd regelsysteem gebruiken Commando s audio-unit Commando s telefoon Commando s navigatiesysteem
7 Inhoudsopgave Bijlagen Typegoedkeuringen Elektromagnetische compatibiliteit
8 6
9 Inleiding OVER DEZE HANDLEIDING Hartelijk dank voor het kiezen van een Ford. We adviseren u, enige tijd te nemen om met uw auto kennis te maken door deze handleiding te lezen. Hoe meer u van uw auto afweet, des te beter kunt u ermee omgaan en dat komt de veiligheid en het rijplezier ten goede. WAARSCHUWING Rijd altijd voorzichtig en oplettend bij het gebruiken en bedienen van de bedieningselementen en functies van uw auto. N.B.: Deze handleiding beschrijft productkenmerken en opties die voor het programma leverbaar zijn, soms nog voordat deze algemeen verkrijgbaar zijn. Soms worden opties beschreven waarmee uw auto niet is uitgerust. N.B.: Sommige van de afbeeldingen in deze handleiding worden voor verschillende modellen gebruikt, waardoor ze er anders kunnen uitzien dan in uw auto. De essentiële informatie in de afbeeldingen is echter altijd correct. N.B.: Gebruik uw auto altijd volgens de geldende regels en voorschriften. N.B.: Deze handleiding dient bij de auto te blijven wanneer deze wordt verkocht. Het vormt een integraal onderdeel van de auto. Deze auto is goedgekeurd door de internationaal erkende testorganisatie TÜV voor wat betreft de allergievriendelijke eigenschappen ervan. Alle materialen die bij de fabricage van het interieur van deze auto zijn gebruikt, voldoen aan de strikte eisen van de TÜV TOXPROOF Criteria Catalogus voor Auto Interieurs van TÜV Produkt und Umwelt GmbH en zijn erop gericht het risico van allergische reacties tot een minimum te beperken. Bovendien beschermt een extra pollenfilter de passagiers tegen allergie opwekkende deeltjes in de buitenlucht. Neem voor meer informatie contact op met TÜV via OVERZICHT VAN SYMBOLEN Symbolen in dit instructieboekje WAARSCHUWING U riskeert de dood of ernstige verwonding van uzelf en anderen wanneer u niet de instructies opvolgt waarop u door dit waarschuwingssymbool wordt geattendeerd. LET OP U riskeert beschadiging van uw auto wanneer u niet de instructies opvolgt waarop u door dit waarschuwingssymbool wordt geattendeerd. Symbolen op uw auto Wanneer u deze symbolen ziet, lees dan eerst de betreffende instructies in dit instructieboekje en volg deze op voordat u iets aanraakt of probeert af te stellen. 7
10 Inleiding ONDERDELEN EN ACCESSOIRES Originele Ford onderdelen en accessoires zijn speciaal voor uw auto ontwikkeld. Wij wijzen erop dat niet-originele Ford onderdelen en accessoires niet door Ford zijn onderzocht en goedgekeurd tenzij expliciet door Ford is aangegeven. Wij kunnen niet instaan voor de geschiktheid van dergelijke producten. Wij raden u aan uw Ford dealer te vragen of onderdelen en accessoires geschikt zijn voor uw auto. 8
11 In één oogopslag IN ÉÉN OOGOPSLAG Overzicht instrumentenpaneel Stuur links A B C D E F G H I S R Q P O N M L K E J 9
12 In één oogopslag Stuur rechts I G H C E D F B A J E K L M N Q P O R S A B C D E F G Luchtrooster. Zie Klimaatregeling (bladzijde 67). Regelknop hoogteverstelling koplamplichtbundels Zie Koplamphoogte afstellen (bladzijde 44). Richtingaanwijzers. Zie Verlichting (bladzijde 42). Instrumentengroep. Zie Meters (bladzijde 54). Informatiedisplay. Zie (bladzijde 60). Ruitenwisserschakelaar. Zie Ruitenwissers en ruitensproeiers (bladzijde 38). Schakelaar waarschuwingsknipperlichten. Zie Verlichting (bladzijde 42). 10
13 In één oogopslag H I J K L M N O P Q R S Indicator passagiersairbag gedeactiveerd. Zie Passagiersairbag uitschakelen (bladzijde 23). Schakelaars voor- en achterruitverwarming. Zie Klimaatregeling (bladzijde 67). Audio- of navigatiesysteem. Zie de afzonderlijke handleiding. Toetsen van klimaatregeling. u61.5 Zie Klimaatregeling (bladzijde 67). Schakelaar luchtrecirculatie. Zie Klimaatregeling (bladzijde 67). Schakelaar airconditioning. Zie Klimaatregeling (bladzijde 67). Aansteker of extra elektrisch aansluitpunt. Zie Gemaksfuncties (bladzijde 82). Contactslot. Hendel verstelling stuurkolom. Zie Stuurwiel (bladzijde 35). Bediening audio-installatie. Zie Audiobediening (bladzijde 35). Regelknop instrumentenverlichting. Zie Dimmer instrumentenpaneelverlichting (bladzijde 82). Lichtschakelaar. Zie Verlichting (bladzijde 42). Portieren met de sleutel vergrendelen en ontgrendelen Alle auto's Draai de bovenzijde van de sleutel tweemaal richting de voorzijde van de auto om alle portieren te ontgrendelen. Transit Connect Draai de bovenzijde van de sleutel richting de voorzijde van de auto om de voorportieren te ontgrendelen. Tourneo Connect Draai de bovenzijde van de sleutel richting de voorzijde van de auto om de voorportieren en schuifdeuren te ontgrendelen. Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 27). Portieren met de afstandsbediening vergrendelen en ontgrendelen E87379 A B C A B C Ontgrendelen Vergrendelen Transit Connect Bagageruimte ontgrendelen Druk eenmaal op toets A om alleen de voorportieren te ontgrendelen. Druk tweemaal op toets A om alle portieren te ontgrendelen. 11
14 In één oogopslag Druk eenmaal op toets C om de schuifdeur en de achterklep te ontgrendelen. Tourneo Connect Druk eenmaal op toets A om de voorportieren en de schuifdeuren te ontgrendelen. Druk tweemaal op toets A om alle portieren te ontgrendelen. Druk eenmaal op toets C om de achterklep te ontgrendelen. Alle modelvarianten Druk eenmaal op toets B om alle portieren en de achterklep te vergrendelen. Druk tweemaal binnen drie seconden op toets B om de dubbele vergrendeling te activeren. N.B.: De alarminstallatie kan ook afzonderlijk via de dubbele vergrendelingssysteem worden ingeschakeld door de sleutel in de vergrendelstand te draaien. 2 E Zie Vergrendelen en ontgrendelen (bladzijde 27). Stuurwiel instellen WAARSCHUWING Verstel het stuurwiel nooit wanneer de auto in beweging is. E WAARSCHUWING Duw de ontgrendelingshendel helemaal op zijn plaats wanneer u deze weer in de oude stand zet. Zie Stuurwiel afstellen (bladzijde 35). Stationair toerental na het starten Wanneer de motor koud is, kan het stationaire toerental direct na het aanslaan hoger zijn. Zie Motor starten en stoppen (bladzijde 85). 12
15 Veiligheidsuitrusting voor kinderen KINDERZITJES WAARSCHUWINGEN Laat kinderen niet zonder toezicht in uw auto achter. Wanneer uw auto bij een aanrijding betrokken is geweest, dient u het kinderzitje door een hiertoe opgeleide monteur te laten controleren. E N.B.: De wettelijke voorschriften t.a.v. het gebruik van kinderzitjes zijn per land verschillend. Alleen kinderzitjes die volgens ECE-R44.03 (of later) gecertificeerd zijn, zijn getest en goedgekeurd voor gebruik in uw auto. Een aantal zijn leverbaar via uw dealer. Kinderzitjes voor verschillende gewichtsgroepen Gebruik het correcte kinderzitje als volgt: Babyzitje E68916 WAARSCHUWINGEN Laat kinderen met een lengte van minder dan 150 centimeter plaatsnemen in een geschikt goedgekeurd kinderzitje dat op de achterbank is bevestigd. Bijzonder gevaarlijk! Plaats geen kinderveiligheidszitje achterwaarts op een stoel waarvóór zich een airbag bevindt! Lees de instructies van de fabrikant en volg deze op wanneer u een kinderzitje aanbrengt. Verander op geen enkele wijze het kinderzitje. Neem tijdens het rijden geen kinderen op schoot. E68918 Plaats kinderen met een lichaamsgewicht van minder dan 13 kilogram in een achterwaarts gericht babyzitje (Groep 0+) dat op de achterbank is bevestigd. 13
16 Veiligheidsuitrusting voor kinderen Kinderveiligheidszitje WAARSCHUWINGEN Laat kinderen met een lichaamsgewicht van meer dan 15 kilogram, maar met een lengte van minder dan 150 centimeter in een kinderzitje of op een zitverhoger plaatsnemen. E68920 Vervoer kinderen met een lichaamsgewicht van 13 tot 18 kilogram in een kinderveiligheidszitje (Groep 1), dat op de achterbank is bevestigd. LET OP Wanneer u een kinderzitje op de achterbank gebruikt, zorg dan dat het kinderzitje stevig tegen de stoel rust. De hoofdsteun moet wellicht worden opgetild of verwijderd. Zie Hoofdsteunen (bladzijde 78). Kinderzitje (Groep 2) STOELVERHOGERS WAARSCHUWINGEN Bevestig een kinderzitje of een zitverhoger nooit alleen met de heupgordel. Bevestig een kinderzitje of een zitverhoger niet met een veiligheidsgordel die niet gespannen is of gedraaid zit. Leg de schoudergordel niet onder de arm of achter de rug van het kind langs. Gebruik geen kussens, boeken of handdoeken om het kind hoger te laten zitten. Zorg ervoor dat uw kinderen rechtop zitten. E70710 Wij raden het gebruik van een kinderzitje aan, dat uit een zitverhoger met een rugleuning bestaat in plaats van alleen een zitverhoger. De hogere zitpositie zorgt ervoor dat de standaard veiligheidsgordel correct over het midden van de schouder van het kind en de heupgordel over de heupen komt te liggen. 14
17 Veiligheidsuitrusting voor kinderen Zitverhoger (Groep 3) E68924 PLAATSING VAN KINDERZITJES WAARSCHUWINGEN Wanneer een voorwaarts gericht kinderzitje op een zitplaats achterin wordt geplaatst, verwijder dan de hoofdsteun van die zitplaats. Zie Hoofdsteunen (bladzijde 78). Wanneer een kinderzitje met een gordel wordt gebruikt, dan mag de gordel niet slap hangt of is gedraaid. N.B.: Bij gebruik van een kinderzitje op de voorstoel, dient u de voorste passagiersstoel altijd zo ver mogelijk naar achteren te verschuiven. Als het heupgedeelte van de veiligheidsgordel moeilijk vast te zetten is zonder dat er speling overblijft, zet de rugleuning dan recht omhoog en zet de stoel in een hogere stand. Zie Voorstoelen (bladzijde 75). WAARSCHUWINGEN Neem contact op met uw dealer voor de laatste informatie betreffende door Ford aanbevolen kinderzitjes. Gewichtsgroepen Zitplaatsen 0 Tot 10 kg 0+ Tot 13 kg 1 9 tot 18 kg 2 15 tot 25 kg 3 22 tot 36 kg Voorstoel aan passagierszijde, met airbag AAN X X UF 1 UF 1 UF 1 Voorstoel aan passagierszijde met airbag UIT U 1 U 1 U 1 U 1 U 1 Zitplaatsen, tweede zitrij U U U U U Zitplaatsen, derde zitrij U U U U U X Niet geschikt voor kinderen in deze gewichtsgroep. 15
18 Veiligheidsuitrusting voor kinderen U Geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep. U¹ Geschikt voor universele kinderzitjes die zijn goedgekeurd voor deze gewichtsgroep. Wij raden u echter aan een door de overheid goedgekeurd kinderzitje te gebruiken dat op de achterbank is geplaatst. UF¹ Geschikt voor universele, voorwaarts gekeerde kinderzitjes, die zijn goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsgroep. Wij raden u echter aan een door de overheid goedgekeurd kinderzitje te gebruiken dat op de achterbank is geplaatst. ISOFIX-kinderzitjes Gewichtsgroepen Zitplaatsen 0+ Naar achteren gericht 1 Naar voren gericht Voorstoel Achterste zitplaats opzij, ISOFIX Stoeltype Tot 13 kg 9-18 kg Niet uitgerust met ISOFIX C, D, E * A, B, B1, C, D * Middelste achterstoel Zitplaatsen, derde zitrij Stoeltype Stoeltype Afmetingsklasse Afmetingsklasse Afmetingsklasse Afmetingsklasse Stoeltype IL ** Niet uitgerust met ISOFIX Niet uitgerust met ISOFIX IL, IUF *** IL Geschikt voor bepaalde ISOFIX kinderzitjes van de categorie semi-universeel. Raadpleeg de voertuigaanbevelingslijst van de fabrikant van de kinderzitjes. IUF Geschikt voor ISOFIX naar voren gerichte kinderzitjes van de categorie universeel goedgekeurd voor gebruik in deze gewichtsgroep en ISOFIX maatklasse. * De ISOFIX maatklasse voor universele en semi-universele kinderzitjes is gedefinieerd door de hoofdletters A t/m G. Deze letters staan vermeld op ISOFIX kinderzitjes. ** Ten tijde van publicatie is de aanbevolen groep O+ ISOFIX kinderzitjes de Britax Romer Baby Safe. Neem contact op met uw dealer voor de laatste informatie betreffende door Ford aanbevolen kinderzitjes. 16
19 Veiligheidsuitrusting voor kinderen *** Ten tijde van publicatie is de aanbevolen groep 1 ISOFIX kinderzitjes de Britax Romer Duo. Neem contact op met uw dealer voor de laatste informatie betreffende door Ford aanbevolen kinderzitjes. 17
20 Veiligheidsuitrusting voor kinderen ISOFIX VERANKERINGSPUNTEN Tourneo Connect WAARSCHUWINGEN Gebruik voor ISOFIX kinderzitjes met een veiligheidsgordel aan de bovenzijde altijd een bovenste bandverankering. Bevestig de veiligheidsgordel aan de bovenzijde aan geen ander punt dan aan het verankeringspunt dat hiervoor is bestemd. Gebruik altijd de bovenste bandverankering aan de onderzijde van de rugleuning van de tweede zitrij als de derde zitrij bezet is. 1. Verwijder de hoofdsteun. Zie Hoofdsteunen (bladzijde 78). E68945 WAARSCHUWING Wij raden aan uitsluitend ISOFIX kinderzitjes te gebruiken. U kunt ISOFIX kinderzitjes op de ISOFIX verankeringspunten bevestigen. Het ISOFIX systeem bestaat uit twee stevige bevestigingsarmen aan het kinderzitje, die op de verankeringspunten op de achterbank tussen de rugleuning en de zitting worden bevestigd. Ook kunnen kinderzitjes met een veiligheidsgordel aan de bovenzijde worden aangebracht. Een kinderzitje met een veiligheidsgordel aan de bovenzijde bevestigen WAARSCHUWINGEN Gebruik bij toepassing van het ISOFIX systeem een voorziening dat voorkomt dat de veiligheidsgordel kan draaien. Wij raden het gebruik van een veiligheidsgordel aan de bovenzijde of een steun aan de onderzijde aan. E Geleid de gordel naar het verankeringspunt. 3. Druk het kinderzitje stevig naar achteren zodat de onderste ISOFIX verankeringspunten goed aangrijpen. 4. Bevestig de veiligheidsgordel volgens de instructies van de fabrikant van het kinderzitje. 18
21 Veiligheidsuitrusting voor kinderen KINDERSLOTEN Tourneo Connect WAARSCHUWING Wanneer de kindersloten in werking zijn gesteld, kunnen de portieren niet van binnenuit worden geopend. N.B.: Alleen de schuifdeuren zijn voorzien van kinderveiligheidssloten. A B E75766 A B Vergrendelen Ontgrendelen 19
22 Bescherming van inzittenden WERKING Airbags WAARSCHUWINGEN Wijzig de voorzijde van de wagen op geen enkele wijze. Dit zou nadelige gevolgen voor het ontvouwen van de airbags kunnen hebben. Oorspronkelijke tekst volgens ECE R94.01: Extreme Hazard! Do not use a rearward facing child restraint on a seat protected by an airbag in front of it! Draag een veiligheidsgordel en houd voldoende afstand tussen uzelf en het stuurwiel. Alleen wanneer de veiligheidsgordel correct wordt gedragen, kan deze u in een zodanige positie houden dat de airbag optimaal kan functioneren. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 75). Laat reparaties aan het stuurwiel, de stuurkolom, stoelen, airbags en veiligheidsgordel uitvoeren door goed getrainde monteurs. Houd de gebieden voor de airbags vrij. Breng niets aan op of over de panelen van de airbags. Steek geen scherpe voorwerpen in gebieden waar airbags zijn gemonteerd. Dit zou de airbags kunnen beschadigen en nadelige gevolgen kunnen hebben voor het ontvouwen. Gebruik stoelhoezen die zijn ontworpen voor stoelen met zij-airbags. Laat deze aanbrengen door goed getrainde monteurs. N.B.: Het opblazen van een airbag gaat gepaard met een luide knal en u ziet een onschadelijke, poederachtige stofwolk. Dit is normaal. N.B.: Reinig de panelen van de airbags met een vochtige doek. Front-airbags aan bestuurders- en passagierszijde E74302 De frontairbags treden in werking bij zware frontale aanrijdingen of bij aanrijdingen binnen een hoek van maximaal 30 graden van links of van rechts. De airbags worden in enkele milliseconden opgeblazen en stromen weer leeg zodra zij in contact komen met de lichamen van de inzittenden, waardoor de voorwaartse beweging wordt opgevangen. Bij lichte aanrijdingen, het over de kop slaan van de auto of bij aanrijdingen van opzij of van achteren worden de frontairbags niet geactiveerd. Zijairbags E
23 Bescherming van inzittenden De zijairbags bevinden zich in de zijkant van de rugleuningen van de voorstoelen. Een label op de rugleuning geeft aan dat uw auto is uitgerust met zijairbags. De zijairbags worden geactiveerd bij zware zijdelingse aanrijdingen. Alleen de airbag aan de zijde van de aanrijding wordt geactiveerd. De airbags worden in enkele milliseconden opgeblazen en stromen weer leeg zodra zij in contact komen met de lichamen van de inzittenden, waardoor zij bescherming bieden aan de omgeving van borst en schouder. Bij lichte aanrijdingen van opzij, het over de kop slaan van de auto, aanrijdingen van voren of van achteren worden de zijairbags niet geactiveerd. Veiligheidsgordels WAARSCHUWINGEN Draag een veiligheidsgordel en houd voldoende afstand tussen uzelf en het stuurwiel. Alleen wanneer u de veiligheidsgordel op de juiste wijze draagt, kan deze u op uw plaats houden en zijn maximale bescherming bieden. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 75). Gebruik een veiligheidsgordel nooit voor meer dan een persoon. Gebruik voor iedere stoel het juiste gordelslot. Zorg ervoor dat de veiligheidsgordel niet slap of gedraaid zit. Draag geen dikke kleding. De veiligheidsgordels bieden optimaal bescherming wanneer ze nauwsluitend worden gedragen. Leg de schoudergordel over het midden van de schouder en leg de heupgordel strak over uw heupen. Het oprolmechanisme van de veiligheidsgordel aan bestuurderszijde is voorzien van een gordelspanner. De activeringsdrempel van de gordelspanners is iets lager dan die van de airbags. Bij aanzienlijke frontale aanrijdingen is het mogelijk dat alleen de gordelspanners in werking treden. Status na aanrijding WAARSCHUWING Veiligheidsgordels die zijn belast ten gevolge van een aanrijding moeten worden vervangen en de verankeringen worden gecontroleerd. Deze werkzaamheden moeten door een correct hiertoe opgeleide monteur worden uitgevoerd. VEILIGHEIDSGORDELS VASTMAKEN E66541 WAARSCHUWING Steek de slottong in het gordelslot tot u een 'klik' hoort; alleen dan is de veiligheidsgordel goed vergrendeld. 21
24 Bescherming van inzittenden Trek de veiligheidsgordel gelijkmatig uit. Als er een stevige ruk aan wordt gegeven of als de auto op een helling staat, kan de gordel blokkeren. Druk de rode knop op het gordelslot in om de gordel los te maken en laat de gordel zich gelijkmatig en volledig oprollen. Veiligheidsgordels achterin HOOGTE VAN VEILIGHEIDSGORDELS AFSTELLEN E68901 E75564 WAARSCHUWING Om er zeker van kunnen zijn dat de veiligheidsgordel van de middelste zitplaats correct werkt, moet de rugleuning van de achterbank goed zijn vergrendeld. Let erop dat elke slottong in het correcte gordelslot wordt gestoken. WAARSCHUWINGSSIGNAAL VEILIGHEIDSGORDEL WAARSCHUWING Het veiligheidssysteem voor inzittenden biedt alleen optimale veiligheid wanneer u de veiligheidsgordel correct gebruikt. 22
25 Bescherming van inzittenden De lamp van het herinneringssysteem gaat branden en er klinkt een akoestisch signaal wanneer de veiligheidsgordel van de bestuurder niet is omgedaan en de auto sneller rijdt dan een relatief lage snelheid. De lamp gaat tevens branden wanneer de veiligheidsgordel van de bestuurder niet is omgedaan als met de auto wordt gereden. Het akoestisch signaal wordt na na vijf minuten uitgeschakeld maar de lamp van het herinneringssysteem blijft branden tot de veiligheidsgordel van de bestuurder is omgedaan. Herinneringssysteem uitschakelen Neem contact op met uw Ford dealer. De heupgordel moet comfortabel over de heupen liggen aan de onderzijde van uw zwangere buik. Leg de schoudergordel tussen uw borsten, boven en aan de zijkant van uw zwangere buik. PASSAGIERSAIRBAG UITSCHAKELEN WAARSCHUWING Om het risico van fataal letsel of ernstige verwonding te vermijden, mag NOOIT een kinderzitje achterwaarts op een voorstoel worden geplaatst, tenzij de airbag is UITGESCHAKELD. GEBRUIK VAN VEILIGHEIDSGORDELS TIJDENS ZWANGERSCHAP E71313 E68587 WAARSCHUWING Breng de veiligheidsgordel voor uw eigen veiligheid, maar ook voor dat van uw ongeboren kind op correcte wijze aan. Draag niet alleen de heupgordel of de schoudergordel. De sleutelschakelaar en de controlelamp 'airbag uitgeschakeld' zijn aangebracht in het instrumentenpaneel. Wanneer de controlelamp 'airbag uitgeschakeld' op het instrumentenpaneel met onderbrekingen brandt, dan is er sprake van een storing. Neem het kinderveiligheidszitje van de voorstoel. Laat het systeem voor uw eigen veiligheid door een geschoolde monteur controleren. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 56). 23
26 Bescherming van inzittenden Airbag aan passagierszijde uitschakelen E71312 A Wanneer een kinderzitje op de voorstoel wordt geplaatst, let er dan op dat de sleutelschakelaar in de stand A staat. Controleer bij het aanzetten van het contact, of de controlelamp airbag aan passagierszijde uitgeschakeld brandt. Zie In één oogopslag (bladzijde 9). B Airbag aan passagierszijde inschakelen WAARSCHUWING Controleer of de airbag is INGESCHAKELD om ervoor te zorgen dat het veiligheidssysteem voor volwassenen correct werkt. Draai, nadat u het kinderzitje van de voorstoel hebt verwijderd, de sleutelschakelaar weer in de stand B. 24
27 Sleutels en afstandsbediening ALGEMENE INFORMATIE OVER RADIOFREQUENTIES LET OP De radiofrequentie van de afstandsbediening kan ook worden gebruikt door andere zenders met een klein bereik (bijvoorbeeld zendamateurs, medische apparatuur, draadloze hoofdtelefoons, afstandsbedieningen en alarmsystemen). Wanneer de frequenties worden gestoord, kunt u geen gebruik meer maken van uw afstandsbediening. De portieren kunt u met de sleutel vergrendelen en ontgrendelen. Controleer of uw auto vergrendeld is voordat u deze onbeheerd achterlaat. Hierdoor worden eventuele frequentieblokkeringen voorkomen. N.B.: U kunt de portieren ontgrendelen wanneer u de toetsen op de afstandsbediening per ongeluk indrukt. Het bereik tussen uw afstandsbediening en uw auto is afhankelijk van de omgeving. PROGRAMMEREN VAN DE AFSTANDSBEDIENING Maximaal kunnen vier afstandsbedieningen (inclusief de bij de auto geleverde afstandsbedieningen) voor uw auto worden geprogrammeerd. De afstandsbediening moet zich tijdens de programmeerprocedure in de auto bevinden. Steek de veiligheidsgordel in het slot en sluit alle portieren om te voorkomen dat er tijdens het programmeren andere signalen hoorbaar zijn. Een nieuwe afstandsbediening programmeren 1. Draat, om nieuwe afstandsbedieningen te programmeren, het contactslot viermaal binnen zes seconden in de stand II. 2. Zet het contact in stand 0. Een geluidssignaal geeft aan dat het nu mogelijk is gedurende 10 seconden de afstandsbediening te programmeren. 3. Druk op een willekeurige toets op een nieuwe afstandbediening. Ter bevestiging klinkt een signaal. 4. Herhaal deze laatste stap voor allle afstandsbedieningen, inclusief de originele. Verwijder de sleutel niet uit het contactslot wanneer u de toets op deze afstandsbediening indrukt. 5. Zet het contact weer aan (stand II) of wacht 10 seconden zonder een andere afstandsbediening te programmeren om het programmeren te beëindigen. De auto kan nu alleen worden vergrendeld en ontgrendeld met de pas geprogrammeerde afstandsbedieningen. Ontgrendelfunctie opnieuw programmeren N.B.: Wanneer u de ontgrendeltoets indrukt worden alle portieren ontgrendeld of worden afhankelijk van de voertuigspecificatie bepaalde portieren ontgrendeld. Door opnieuw op de ontgrendeltoets te drukken worden alle portieren ontgrendeld. Houd de vergrendel- en vergrendeltoets op de afstandsbediening minimaal vier seconden tegelijkertijd ingedrukt bij uitgeschakeld contact. De richtingaanwijzers knipperen tweemaal om de wijziging te bevestigen. 25
28 Sleutels en afstandsbediening Herhaal de procedure om de oorspronkelijke ontgrendelfunctie in te schakelen. 5. Zet de twee huishelften van de afstandsbediening op elkaar vast. 6. Breng het sleutelblad aan. BATTERIJ VAN AFSTANDSBEDIENING VERVANGEN Zorg dat u oude batterijen op milieuvriendelijke wijze weggooit. E Zoek advies m.b.t. de plaatselijke regels m.b.t. recycling. E Steek een schroevendraaier in de uitsparing aan de achterzijde van de sleutel en verwijder het sleutelblad. 2. Maak de klemmen met de schroevendraaier los en scheid de twee huishelften van de afstandsbediening. LET OP Raak de batterijcontacten of de printplaat niet met de schroevendraaier aan. 3. Maak de batterij voorzichtig met de schroevendraaier los. 4. Breng een nieuwe batterij (3V CR 2032) aan met de + naar boven gekeerd. 26
29 Sloten VERGRENDELEN EN ONTGRENDELEN Centrale vergrendeling N.B.: U kunt alle portieren en de achterklep ontgrendelen met behulp van de sleutel voor de voorportieren. Hiervan moet gebruik worden gemaakt wanneer de afstandsbedieningssysteem niet werkt. Als één fase ontgrendeling is gedeactiveerd, draai dan de sleutel tweemaal naar de ontgrendelstand. N.B.: Bij het ontgrendelen van de achterklep met een sleutel worden geen portieren ontgrendeld. N.B.: U kunt de portieren alleen centraal vergrendelen wanneer alle portieren zijn gesloten. Dubbele vergrendeling WAARSCHUWING Schakel de dubbele vergrendeling niet in wanneer zich personen of dieren in de auto bevinden. Wanneer de dubbele vergrendeling is ingeschakeld kunnen de portieren niet van binnenuit worden ontgrendeld. Dubbele vergrendeling is een voorziening tegen diefstal die voorkomt dat personen de portieren van binnenuit kunnen ontgrendelen. Alleen wanneer alle portieren zijn gesloten kunnen deze dubbel worden vergrendeld. Bevestiging van het vergrendelen en ontgrendelen Wanneer u de portieren ontgrendelt, knipperen de richtingaanwijzers eenmaal. Bij auto's zonder dubbele vergrendeling knipperen de richtingaanwijzers tweemaal wanneer u de portieren vergrendelt. Bij auto's met dubbele vergrendeling knipperen de richtingaanwijzers tweemaal wanneer u de portieren dubbel vergrendelt. Portieren ontgrendelen met behulp van de sleutel N.B.: Als één fase ontgrendeling is geactiveerd worden alle portieren ontgrendeld door de sleutel eenmaal te draaien of eenmaal te drukken op toets A van de afstandsbediening. Alle modelvarianten Draai de bovenzijde van de sleutel tweemaal richting de voorzijde van de auto om alle portieren te ontgrendelen. Transit Connect Draai de bovenzijde van de sleutel richting de voorzijde van de auto om de voorportieren te ontgrendelen. Tourneo Connect Draai de bovenzijde van de sleutel richting de voorzijde van de auto om de voorportieren en schuifdeuren te ontgrendelen. Portieren vergrendelen met behulp van de sleutel Draai de bovenzijde van de sleutel richting de achterzijde van de auto om alle portieren te vergrendelen. Achterklep vergrendelen en ontgrendelen U kunt de gehele auto vergrendelen of dubbel vergrendelen of de achterklep ontgrendelen met behulp van de sleutel in de achterklep. 27
30 Sloten Portieren met de sleutel dubbel vergrendelen Draai de sleutel binnen drie seconden in de ontgrendelstand en vervolgens in de vergrendelstand om de portieren dubbel te vergrendelen. Portieren met de afstandsbediening vergrendelen en ontgrendelen E87379 A B C A B C Ontgrendelen Vergrendelen Bagageruimte ontgrendelen N.B.: Het alarmsysteem is geactiveerd als de auto wordt vergrendeld met de sleutel of door te drukken op toets B van de afstandsbediening. N.B.: Afhankelijk van de voertuigconfiguratie kan het ontgrendelen van de portieren door de sleutel eenmaal te draaien of door te drukken op toets A van de afstandsbediening variëren. N.B.: Toets C blijft functioneel als het contact aan staat en de auto stilstaat of erg langzaam rijdt. Transit Connect Druk eenmaal op toets A om alleen de voorportieren te ontgrendelen. Druk tweemaal op toets A om alle portieren te ontgrendelen. Druk eenmaal op toets C om de schuifdeur en de achterklep te ontgrendelen. Tourneo Connect Druk eenmaal op toets A om de voorportieren en de schuifdeuren te ontgrendelen. Druk tweemaal op toets A om alle portieren te ontgrendelen. Druk eenmaal op toets C om de achterklep te ontgrendelen. Alle modelvarianten Druk eenmaal op toets B om alle portieren te vergrendelen. Druk tweemaal binnen drie seconden op toets B om de dubbele vergrendeling te activeren. Eén fase ontgrendeling U kunt het vergrendelsysteem programmeren zodat alle portieren worden ontgrendeld door de sleutel in een voorportier eenmaal te draaien of door te drukken op toets A van de afstandsbediening. Type 1 Zie Persoonlijke instellingen (bladzijde 63). Type 2 Zie Programmeren van de afstandsbediening (bladzijde 25). Twee fasen ontgrendeling Twee fasen ontgrendeling is de standaard ontgrendelinstelling als één fase ontgrendeling is gedeactiveerd. Door de sleutel eenmaal te draaien of te drukken op toets A van de afstandsbediening wordt de eerste fase ontgrendeld. Door de sleutel tweemaal te draaien of tweemaal te drukken op toets A van de afstandsbediening worden alle portieren ontgrendeld. 28
31 Sloten Door eenmaal te drukken op toets C van de afstandsbediening wordt de achterklep ontgrendeld. Door tweemaal te drukken op toets C van de afstandsbediening worden alle portieren ontgrendeld. Automatisch opnieuw vergrendelen De portieren worden automatisch opnieuw vergrendeld wanneer u niet binnen 45 seconden na het ontgrendelen met de afstandsbediening een portier opent. De portieren worden vergrendeld en de alarminstallatie keert terug in de vorige stand. Geheugenvergrendeling schuifdeur Als de auto wordt vergrendeld als een schuifdeur open staat, dan wordt de schuifdeur vergrendeld als deze wordt gesloten. De auto kan niet dubbel worden vergrendeld als een schuifdeur open staat. De portieren van binnenuit vergrendelen en ontgrendelen Voorportieren E74704 A B A B Alle portieren vergrendelen Ontgrendelen N.B.: Afhankelijk van de vergrendelconfiguratie van de auto kunnen verschillende portieren worden geopend met behulp van B. Als één fase ontgrendeling is geactiveerd, worden alle portieren ontgrendeld. 29
32 Sloten Schuifdeur 2 A B 1 A B E74705 A B Buitenzijde Binnenzijde E74706 A B Vergrendelen Ontgrendelen Dubbele achterdeuren WAARSCHUWING Sluit de achterdeuren goed om te voorkomen dat deze tijdens het rijden opengaan. Rijden met een geopende achterdeuren is bijzonder gevaarlijk omdat dan uitlaatgassen het interieur in kunnen worden binnengezogen. De portieren openen Schuifdeur N.B.: Bij de Tourneo Connect kan de schuifdeur aan de rechterzijde niet volledig worden geopend wanneer de klep van de brandstofvulopening is ontgrendeld en geopend. 30
33 Sloten Rechter achterdeur A B De achterdeuren openen tot 180 en 250 graden E74707 A Buitenzijde B Binnenzijde Linker achterdeur E74709 Druk op de gele knop op de deur. Bij het sluiten van de achterdeuren keren de deurvangers automatisch in hun oorspronkelijke stand terug. Achterklep 2 1 WAARSCHUWING Sluit de achterklep goed om te voorkomen dat deze tijdens het rijden openspringt. Rijden met een geopende achterklep is bijzonder gevaarlijk omdat dan uitlaatgassen het interieur kunnen worden binnengezogen. N.B.: Voor het openen van de achterklep vanaf de binnenzijde kunt u toegang tot de ontgrendelknop krijgen via een opening aan de onderzijde van de achterklep. E
34 Sloten A B E66517 A B Buitenzijde Binnenzijde 32
35 Motorstartblokkering WERKING Het immobilisatiesysteem is een diefstalbeveiligingssysteem dat voorkomt dat iemand de motor van uw auto met een onjuist gecodeerde sleutel kan starten. GECODEERDE SLEUTELS N.B.: Dek uw sleutels niet met metalen voorwerpen af. Hierdoor kan de ontvanger uw sleutel niet herkennen als geldige sleutel. N.B.: Wanneer u een sleutel bent verloren, laat dan de code bij al uw overige sleutels wissen. Raadpleeg uw dealer voor meer informatie. Laat de vervangingssleutels samen met uw overige sleutels opnieuw coderen. Wanneer u een sleutel verliest, kunt u bij uw Ford dealer een vervangingssleutel verkrijgen. Geef, indien mogelijk, uw dealer het sleutelnummer door, dat op het plaatje staat dat met de originele sleutels is geleverd. U kunt ook extra sleutels bij uw Ford dealer verkrijgen. De controlelamp in de instrumentengroep brandt ongeveer drie seconden en gaat vervolgens uit. Wanneer de controlelamp langer dan een minuut blijft branden of knipperen en vervolgens met onregelmatige intervallen gaat branden, dan is uw sleutel niet herkend. Neem de sleutel uit het slot en probeer het nogmaals. Wanneer u de motor met een correct gecodeerde sleutel niet kunt starten, duidt dit op een storing. Laat het immobilisatiesysteem onmiddellijk controleren. IMMOBILISATIESYSTEEM INSCHAKELEN Korte tijd nadat u het contact hebt afgezet wordt het immobilisatiesysteem automatisch ingeschakeld. De controlelamp in de instrumentengroep knippert ter bevestiging dat het systeem is ingeschakeld. IMMOBILISATIESYSTEEM UITSCHAKELEN Het immobilisatiesysteem wordt automatisch uitgeschakeld bij het met een correct gecodeerde sleutel aanzetten van het contact. 33
36 Alarm WERKING Het perimeter alarm is een afschrikmiddel voor personen die ongeoorloofd de portieren en de motorkap proberen te openen. Het beveiligt ook de audio-installatie. N.B.: Een vals alarm kan ook veroorzaakt worden door de hulpverwarming. Zie Extra verwarming (bladzijde 70). Als u de hulpverwarming gebruikt, richt de luchtstroom dan op de beenruimte. Alarm activeren Wanneer het alarm is ingeschakeld, kan het op een van de volgende manieren worden geactiveerd: Wanneer iemand een portier, het bagagecompartiment of de motorkap zonder de juiste sleutel of afstandsbediening opent. Als de motorkap wordt geopend met behulp van een geldige sleutel. Wanneer iemand de audio-installatie of het navigatiesysteem verwijdert. Wanneer het alarm is geactiveerd, klinkt het alarmsignaal gedurende 30 seconden en knipperen de waarschuwingsknipperlichten vijf minuten. Iedere verdere poging om een van bovenstaande handelingen uit te voeren activeert het alarm opnieuw. ALARM INSCHAKELEN Alarminstallatie inschakelen, wagen vergrendelen. Zie Sloten (bladzijde 27). ALARM UITSCHAKELEN Schakel het alarm uit en deactiveer dit door een van de voorportieren of de achterklep met de sleutel te ontgrendelen. 34
37 Stuurwiel STUURWIEL AFSTELLEN WAARSCHUWING Verstel nooit het stuurwiel als de auto in beweging is. N.B.: Controleer of u in de juiste positie zit. Zie De juiste zitpositie innemen (bladzijde 75). AUDIOBEDIENING Selecteer de radio- of CD-modus op de audiounit. De volgende functies kunnen met de afstandsbediening worden bediend: Volume E95178 E E WAARSCHUWING Duw de ontgrendelingshendel helemaal op zijn plaats wanneer u deze weer in de oude stand zet. Hoger volume: druk op de bovenste toets op de achterzijde van de afstandsbediening. Minder volume: druk op de onderste toets op de achterzijde van de afstandsbediening. 35
38 Stuurwiel Seek (zoekfunctie) Modus E E Beweeg de hendel naar boven of naar beneden: In de radio modus wordt het eerstvolgende radiostation op een hogere of lagere frequentie opgezocht. In de CD modus wordt het volgende of het vorige nummer gekozen. Druk kort op de toets aan de zijkant: In de radio modus wordt het volgende in het geheugen opgeslagen radiostation opgezocht. In de CD modus wordt de volgende CD gekozen wanneer een CD-wisselaar is gemonteerd. In alle modi om een verkeersbericht te onderbreken. Druk de toets aan de zijkant in en houd deze ingedrukt: In de radio modus om van golflengte te veranderen. SPRAAKSTURING Voor meer informatie Zie Spraaksturing (bladzijde 161). Spraakgestuurde bediening (de)selecteren: 36
39 Stuurwiel E
40 A A Ruitenwissers en ruitensproeiers VOORRUITWISSERS E71012 A B C D Enkele wisslag D C B A Wissen met intervallen of automatisch wissen Intervalwissen Normale wissnelheid Wissen met hoge snelheid AUTOMATISCH IN- EN UITSCHAKELENDE RUITENWISSERS LET OP Schakel de automatische wisfunctie niet bij droog weer in. De regensensor is bijzonder gevoelig en de ruitenwissers kunnen in werking treden indien de voorruit met vuil, mist of vliegen in aanraking komt. Vervang de ruitenwisserbladen zodra deze strepen water en vuil op de voorruit achterlaten. Als de ruitenwisserbladen niet worden vervangen, blijft de regensensor continu water op de voorruit waarnemen. Dit heeft tot gevolg dat de ruitenwissers in werking treden terwijl het grootste deel van de voorruit droog is. Zorg bij vorst dat de voorruit volledig is ontdooit voordat u de automatische wisfunctie selecteert. Schakel de automatische wisfunctie uit voordat u een wasstraat binnenrijdt. B B C C E71013 E71013 A B C Wissen met lange intervallen Intervalwissen Wissen met korte intervallen A B C Lage gevoeligheid Aan Hoge gevoeligheid 38
41 Ruitenwissers en ruitensproeiers Wanneer u de automatische wisfunctie inschakelt, maken de ruitenwissers pas een wisbeweging nadat water op de voorruit is geregistreerd. De regensensor meet daarna continu de hoeveelheid water op de voorruit en zal de snelheid van de ruitenwissers automatisch instellen. Stel de gevoeligheid van de regensensor met de draaiknop in. Bij een lage gevoeligheid zullen de ruitenwissers in werking treden wanneer de sensor een grote hoeveelheid water op de voorruit registreert. Bij een hoge gevoeligheid zullen de ruitenwissers in werking treden wanneer de sensor een kleine hoeveelheid water op de voorruit registreert. VOORRUITSPROEIERS E71016 WAARSCHUWING Schakel de ruitensproeiers niet langer dan tien seconden achtereen in; schakel de ruitensproeiers nooit in als het reservoir leeg is. ACHTERRUITWISSERS EN - SPROEIERS Wissen met intervallen E71017 Beweeg de schakelaarhendel naar het stuurwiel. Wissen tijdens achteruitrijden De achterruitwisser wordt automatisch ingeschakeld wanneer de achteruit wordt ingeschakeld als: treedt deze automatisch in werking wanneer de achteruit wordt ingeschakeld, de ruitenwisserhendel in de stand A, B, C of D staat en de voorruitwisser is ingeschakeld (in de stand B). De achterruitwisser volgt de interval van de voorruitwissers (bij wissen met intervallen of normale wissnelheid). Wanneer de knop op het uiteinde van de hendel wordt ingedrukt worden zowel de sproeiers als de ruitenwissers ingeschakeld. Na het loslaten van de knop of de hendel blijven de ruitenwissers nog kortstondig in werking. 39
42 Ruitenwissers en ruitensproeiers Ruitensproeier, achter RUITENWISSERBLADEN CONTROLEREN E71018 WAARSCHUWING Schakel de ruitensproeiers niet langer dan tien seconden achtereen in; schakel de ruitensproeiers nooit in als het reservoir leeg is. Wanneer de hendel naar het stuurwiel wordt getrokken treden zowel de sproeier als de ruitenwissers in werking. Zodra de wis/was cyclus is voltooid, pauzeren de voorruitwissers en maken vervolgens nog één wisslag om de ruit te drogen. Na het loslaten van de hendel blijven de ruitenwissers nog kortstondig in werking. E66644 Controleer met uw vingertoppen de rubber randen van de ruitenwisserbladen op oneffenheden. Reinig de ruitenwisserbladen met een in water gedrenkte, zachte spons. RUITENWISSERBLADEN VERVANGEN 2 1 E
43 Ruitenwissers en ruitensproeiers 3 E E E93786 Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan. 41
44 Verlichting VERLICHTINGSBEDIENING Grootlicht en dimlicht Standen van de lichtschakelaar F A B C E71095 E71094 A B C D E F E Off (uit) D Stads- en achterlichten Koplampen Voormistlichten Achtermistlichten Parkeerlichten Parkeerlichten Zet eerst het contact af. Druk de lichtschakelaar in en draai hem in stand F. Trek de hendel geheel naar het stuurwiel toe om tussen grootlicht en dimlicht te wisselen. Lichtsignaal Trek de schakelaarhendel naar het stuurwiel toe. Home safe verlichting U kunt de home safe verlichting tot 10 minuten nadat het contact is afgezet inschakelen. Auto's zonder automatische verlichting Schakel de koplampen in en schakel ze binnen twee seconden weer uit. Auto's met automatische verlichting 1. Schakel de automatische verlichting in en schakel de verlichting binnen twee seconden uit. 2. Schakel de automatische verlichting uit en schakel de verlichting binnen twee seconden in. Alle modelvarianten Bij een geopende deur gaan de koplampen automatisch na drie minuten uit, of 30 seconden nadat de laatste deur is gesloten. 42
45 Verlichting Wanneer alle deuren zijn gesloten en een deur wordt binnen de 30 seconden vertragingstijd weer geopend, start de tijdschakeling van drie minuten opnieuw. De home safe functie kan worden uitgeschakeld door de koplampschakelaar IN te schakelen of door het contact AAN te zetten. AUTOMATISCH IN- EN UITSCHAKELENDE VERLICHTING WAARSCHUWING Onder slechte weersomstandigheden kan het nodig zijn uw koplampen handmatig in te schakelen. N.B.: Wanneer u de automatisch in-/uitschakelende verlichting hebt ingeschakeld, kunt u alleen het grootlicht inschakelen wanneer de functie de koplampen heeft ingeschakeld. VOORSTE MISTLAMPEN E71096 WAARSCHUWING Gebruik de mislampen alleen wanneer het zicht ernstig wordt belemmerd door mist, sneeuw of regen. N.B.: Wanneer de automatische verlichting is ingeschakeld, kunnen de mistlampen, vóór, niet worden ingeschakeld. MISTACHTERLICHTEN E71097 E73840 Afhankelijk van de lichtsituatie worden de koplampen automatisch in- en uitgeschakeld. WAARSCHUWING Schakel de mistachterlichten niet in bij regen of sneeuwval en wanneer het zicht meer dan 50 meter bedraagt. 43
46 Verlichting N.B.: Wanneer de automatische verlichting is ingeschakeld, kunnen de mistachterlichten niet worden ingeschakeld. WAARSCHUWINGSKNIP- PERLICHTEN KOPLAMPHOOGTE AFSTELLEN Alle uitvoeringen N.B.: Afhankelijk van de verkeerswetgeving van het land waarin uw wagen oorspronkelijk is gebouwd, knipperen de waarschuwingsknipperlichten wanneer u krachtig remt. E71943 Positie van onderdeel: Zie In één oogopslag (bladzijde 9). E65990 U kunt de hoogte van de koplamplichtbundels aanpassen aan de belading van de auto. Aanbevolen regelknopstanden N.B.: Tijdens het rijden met een aanhanger kunnen hogere regelknopstanden (+1) noodzakelijk zijn. Transit Connect Aantal personen 1 1 Belading Gewicht in bagageruimte 1 - max. 2 Regelknopstand Wanneer de auto is uitgerust met het wegliggings- of hoogtepack, kan het noodzakelijk zijn de hoogte van de koplamplichtbundels in te stellen. 2 Zie Voertuigidentificatie (bladzijde 131). 44
47 Verlichting Tourneo Connect Belading Regelknopstand Aantal personen Voor Achter Gewicht in bagageruimte max. 1 max. 1 SWB (korte wielbasis) 5 stoelen 0 1 1,5 2,5 LWB (lange wielbasis) 5 stoelen 0 1 1,5 2 LWB (lange wielbasis) 8 stoelen 0 1 1,5 1,5 1 Zie Voertuigidentificatie (bladzijde 131). RICHTINGAANWIJZERS INTERIEURVERLICHTING A C B E71098 N.B.: Beweeg de richtingaanwijzerschakelaar even omhoog of omlaag om de richtingaanwijzers driemaal te laten knipperen. E72170 A B C Uit Portiercontact Aan Wanneer u de schakelaar in stand B zet, gaat de interieurverlichting branden wanneer u een deur of de achterklep ontgrendelt of opent. Wanneer u bij afgezet contact een portier open laat staan, gaat de interieurverlichting enige tijd later automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt. Zet het contact even aan om de verlichting weer in te schakelen. 45
48 Verlichting De interieurverlichting gaat ook branden wanneer u het contact afzet. De verlichting gaat korte tijd later automatisch uit of wanneer u de motor start of opnieuw start. Wanneer u bij afgezet contact de schakelaar in stand C zet, gaat de interieurverlichting branden. De verlichting gaat korte tijd later automatisch uit om te voorkomen dat de accu leegraakt. Zet het contact even aan om de verlichting weer in te schakelen. Leeslampen N.B.: De volgende instructies beschrijven hoe de gloeilampen moeten worden verwijderd. Breng de nieuwe gloeilampen in omgekeerde volgorde van verwijderen aan, tenzij anders is voorgeschreven. Koplampen Richtingaanwijzer 2 E72171 GLOEILAMPEN VERVANGEN WAARSCHUWINGEN Schakel de verlichting uit en zet het contact af. Laat de gloeilamp afkoelen voordat u deze verwijdert. 1 LET OP Raak het glas van de gloeilamp niet aan. Breng alleen gloeilampen met het juiste vermogen aan. Zie Gloeilampentabel (bladzijde 51). N.B.: Reinig bij het vervangen van een gloeilamp de koplamplens met een vochtige doek om een elektrostatische lading, die ervoor zorgt dat stof op de kunststof lens komt, te voorkomen. E Draai de lamphouder linksom en verwijder deze. 2. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp. 46
49 Verlichting Grootlicht en dimlicht Stadslicht 1 1 E76060 N.B.: Wanneer u de kap aanbrengt, zorg er dan voor dat de pijl naar boven wijst. 1. Draai de kap linksom en verwijder deze. E76060 N.B.: Wanneer u de kap aanbrengt, zorg er dan voor dat de pijl naar boven wijst. 1. Draai de kap linksom en verwijder deze E Trek de stekker los. 3. Maak de klemveer los en verwijder de gloeilamp. 3 E Verwijder de gloeilamp en de lamphouder. 47
50 Verlichting 3. Verwijder de gloeilamp. Zijknipperlichten Mistlampen, vóór E Verwijder voorzichtig het zijknipperlicht. 2. Pak de lamphouder beet, draai het huis linksom en verwijder het. 3. Verwijder de gloeilamp. E76064 N.B.: De gloeilamp van de mistlamp kan niet uit de lamphouder worden verwijderd. N.B.: De lamp is vanaf de achterzijde van de voorbumper bereikbaar. 1. Trek de stekker los. 2. Draai de lamphouder linksom en verwijder deze. 48
51 Verlichting Achterlichtunits Verwijder de achterlichtunit en maak de lamphouder los. 3. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp. Derde remlicht 3 E76065 A B 2 1 C E Verwijder de schroeven. 2. Verwijder het lamphuis. 3. Verwijder de gloeilamp. D E76066 A B C D Achterlicht en remlicht Richtingaanwijzer Achteruitrijlamp Mistachterlicht 1. Verwijder de vleugelmoeren. 49
52 Verlichting Kentekenplaatverlichting Uitvoeringen met dubbele achterdeuren Interieurverlichting Voor 1 E Verwijder het glas. 2. Verwijder de gloeilamp. 2 E76068 Achter 1 2 Uitvoeringen met een achterklep E Werk de lamp voorzichtig los. 2. Verwijder de gloeilamp. Leeslampen E Verwijder het lampglas. 2. Druk voorzichtig de gloeilamp in de lamphouder en draai de gloeilamp linksom. Verwijder de gloeilamp. 2 2 E
53 Verlichting 1. Werk de lamp voorzichtig los. 2. Verwijder de gloeilamp. GLOEILAMPENTABEL Lampje Grootlicht en dimlicht Mistlamp, vóór Richtingaanwijzer, voor Stadslicht Zijknipperlicht Remlicht en achterlicht Derde remlicht Richtingaanwijzer, achter Mistachterlicht Kentekenplaatverlichting (auto's met achterklep) Kentekenplaatverlichting (auto's met dubbele achterdeuren) Achteruitrijlamp Interieurverlichting Leeslamp Specificatie H4 H11 PY21W W5W WY5W P21/5W W16W PY21W LL P21W R10W W5W P21W Buislamp H6W Vermogen (watt) 55/ /
54 Ruiten en spiegels ELEKTRISCH BEDIENBARE RUITEN WAARSCHUWING Schakel de elektrisch bedienbare ruiten niet in tenzij deze vrij zijn van obstructies. N.B.: Wanneer de ruiten gedurende korte tijd vaak worden bediend kan het systeem een bepaalde tijd buiten werking treden om schade door oververhitting te voorkomen. BUITENSPIEGELS WAARSCHUWING Vergis u niet in de afstand van voorwerpen die u in deze groothoekspiegel ziet. Voorwerpen die u in deze spiegels ziet, zien er kleiner uit en lijken verder weg te zijn dan in werkelijkheid het geval is. Handmatig inklapbare spiegels Inklappen Druk de spiegel in de richting van de portierruit. Uitklappen Zorg ervoor dat de spiegel weer volledig wordt vergrendeld wanneer u deze weer in zijn oorspronkelijke stand terugzet. ELEKTRISCH VERSTELBARE BUITENSPIEGELS E93505 Zet het contact aan om de elektrisch bedienbare ruiten te openen of te sluiten. Portierruit aan bestuurderszijde automatisch openen A B C Druk de schakelaar tot de tweede aanslag in of til hem tot de tweede aanslag op en laat hem los. Druk hem opnieuw in om de ruit te stoppen. E71280 A B C Linker spiegel Uit Rechter spiegel 52
55 Ruiten en spiegels Trek de hendel naar buiten om de ruit te openen. Druk in het midden van de hendel om deze te vergrendelen. Trek in het midden van de hendel om de ruit te sluiten. Druk hem naar achteren tot hij wordt vergrendeld. AUTOMATISCH DIMMENDE SPIEGEL E71281 De elektrisch bedienbare buitenspiegels zijn voorzien van een verwarmingselement dat het spiegelglas ontdooit en ontwasemt. Zie Klimaatregeling (bladzijde 67). ACHTERSTE ZIJRUITEN E71028 De automatisch dimmende achteruitkijkspiegel voorkomt verblinding door achteropkomend verkeer. Bij ingeschakelde achteruitversnelling werkt hij niet. E
56 Instrumentenpaneel METERS Type 1 A B C D G F E E74268 A B C D E F G Toerenteller Koelvloeistoftemperatuurmeter Brandstofpeilmeter Snelheidsmeter Insteltoets klok Informatiedisplay Terugsteltoets dagteller 54
57 Instrumentenpaneel Type 2 A B C D F E E A B C D E F Toerenteller Koelvloeistoftemperatuurmeter Brandstofpeilmeter Snelheidsmeter Informatiedisplay Berichtenindicator Koelvloeistoftemperatuurmeter Alle modelvarianten Geeft de temperatuur van de koelvloeistof aan. Bij normale bedrijfstemperatuur blijft de naald in het centrale gedeelte. LET OP Start de motor niet voordat de oorzaak voor de oververhitting is verholpen. 55
58 Instrumentenpaneel Wanneer de wijzer in het rode gebied komt, is de motor oververhit. Zet de motor af, zet het contact af en stel de oorzaak vast zodra de motor is afgekoeld. Uitvoeringen met een informatiedisplay Bovendien verschijnt een waarschuwingsbericht op het display. Brandstofpeilmeter De pijl naast het symbool van de pomp duidt aan aan welke zijde zich de klep van de brandstofvulopening bevindt. WAARSCHUWINGS- EN INDICATIELAMPEN Nadat het contact is aangezet gaan de volgende waarschuwings- en controlelampen kort branden ter bevestiging dat het systeem operationeel is: ABS Airbag Remsysteem Motor Immobilisatiesysteem Laadstroom Laag brandstofpeil Oliedruk Onderhoudsinterval Schakelen Stabiliteitsregelsysteem (ESP) en aandrijfregelsysteem Water in brandstof Indien één van deze waarschuwings- of controlelampen niet brandt nadat het contact is aangezet, duidt dit op een storing. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren. Controlelamp ABS Indien één van deze waarschuwings- of controlelampen niet brandt nadat het contact is aangezet, duidt dit op een storing. Laat het systeem onmiddellijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. Controlelamp airbag Wanneer deze lamp tijdens het rijden brandt, duidt dit op een storing. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren. Controlelamp remsysteem De lamp gaat branden wanneer de parkeerrem wordt ingeschakeld. WAARSCHUWING Verlaag geleidelijk uw snelheid en breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan. Gebruik de remmen voorzichtig. Als de lamp tijdens het rijden gaat branden, controleer dan of de parkeerrem niet is ingeschakeld. Als de parkeerrem niet is ingeschakeld, dan is er een storing aanwezig. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren. Richtingaanwijzers Knippert bij ingeschakelde richtingaanwijzers. Een plotselinge toename van de knipperfrequentie duidt op een defecte gloeilamp. Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 46). 56
59 Instrumentenpaneel Controlelamp portier niet goed gesloten De controlelamp gaat branden wanneer u de wagen op contact heeft gezet en de portieren, de motorkap of de achterklep niet goed zijn gesloten. Controlelampen motor Controlelamp motorstoring Controlelamp aandrijflijn Alle modelvarianten Als een van deze lampen gaat branden bij een draaiende motor, dan duidt dit op een storing. De motor blijft draaien maar levert wellicht minder vermogen. Wanneer deze tijdens het rijden knippert, minder dan onmiddellijk snelheid. Blijft de lamp knipperen, vermijd dan snel optrekken en krachtig afremmen. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren. WAARSCHUWING Laat deze storing onmiddellijk controleren. Als beide lampen samen gaan branden, breng de auto dan zo snel mogelijk tot stilstand wanneer dit veilig kan. Doet u dit niet, dan kan dit leiden tot verminderd vermogen en afslaan van de motor. Zet de auto van het contact en probeer de motor te starten. Laat het systeem onmiddellijk door een goed opgeleide monteur controleren als de motor kan worden gestart. Als de motor niet start, moet de auto worden gecontroleerd alvorens de rit kan worden voortgezet. Controlelamp mistlampen, vóór De controlelamp gaat branden wanneer u de mistlampen, vóór inschakelt. Controlelamp voorgloeien Zie Een dieselmotor starten (bladzijde 85). Controlelamp koplampen De controlelamp gaat branden wanneer u het dimlicht van de koplamp, de zijlichten of de achterlichten inschakelt. Controlelamp laadstroom WAARSCHUWING Wanneer bij uitvoeringen met een dieselmotor de V-riem van de dynamo loszit, gescheurd of gebroken is, werkt ook de servobekrachtiging van het remsysteem niet meer. Wanneer deze lamp tijdens het rijden brandt, duidt dit op een storing. Schakel alle onnodige stroomverbruikers uit. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren. 57
60 Instrumentenpaneel Controlelamp laag brandstofniveau Wanneer deze lamp brandt, ga dan zo spoedig mogelijk tanken. De pijl naast het symbool van de pomp duidt aan aan welke zijde zich de klep van de brandstofvulopening bevindt. Controlelamp grootlicht Brandt wanneer het grootlicht is ingeschakeld. De lamp knippert wanneer u een lichtsignaal geeft. Berichtenindicator De controlelamp gaat branden wanneer een nieuw bericht is opgeslagen in de informatiedisplay. Zie Infoberichten (bladzijde 64). Controlelamp oliedruk LET OP Hervat uw reis niet wanneer de controlelamp oliedruk gaat branden terwijl het oliepeil correct is. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren. Wanneer de lamp na het starten blijft branden of tijdens het rijden gaat branden, duidt dit op een storing. Breng de auto tot stilstand zodra dit veilig kan en zet de motor af. Controleer het motoroliepeil. Zie Motorolie controleren (bladzijde 115). Vul direct olie bij wanneer het oliepeil laag is. Controlelamp mistachterlicht De controlelamp gaat branden wanneer u de mistachterlichten inschakelt. Indicator van onderhoudsinterval De controlelamp gaat branden als onderhoud nodig is of er een overmatige hoeveelheid roetdeeltjes of drab in de olie aanwezig is. Laat de motorolie zo spoedig mogelijk verversen. Uw dealer schakelt de controlelamp onderhoudsbeurt uit nadat hij de onderhoudsbeurt heeft uitgevoerd. Herinneringssysteem veiligheidsgordel Zie Waarschuwingssignaal veiligheidsgordel (bladzijde 22). Controlelamp schakeling De controlelamp brandt gedurende een korte periode om aan te geven dat schakelen naar een hogere versnelling zuiniger is en zorgt voor een lagere CO2-uitstoot. De controlelamp brandt niet tijdens perioden van hoge acceleraties, remmen of intrappen van het koppelingspedaal. Controlelamp stabiliteitsregeling (ESP) en tractieregeling N.B.: Wanneer het ESP systeem of het tractieregelsysteem een storing vertoont, schakelt het betreffende systeem automatisch uit. De controlelamp gaat branden als een van de systemen is geactiveerd. Wanneer de lamp niet knippert of tijdens het rijden gaat branden, duidt dit op een storing. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren. 58
61 Instrumentenpaneel Wanneer u het ESP uitschakelt, gaat de controlelamp branden. De lamp gaat uit wanneer u het systeem weer inschakelt of wanneer u het contact afzet. Controlelamp water in brandstof Uitvoeringen met een dieselmotor De controlelamp gaat branden ingeval van overmatige hoeveelheden water in het brandstoffilter. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren. Verlichting ingeschakeld Wanneer bij afgezet contact het bestuurdersportier wordt geopend terwijl de buitenverlichting niet is uitgeschakeld, klinkt een gong. Laag brandstofpeil Een waarschuwingssignaal klinkt bij de volgende afstanden: 80 km (50 mijl), 40 km (25 mijl), 20 km (12 mijl), 0 km (0 mijl). AKOESTISCHE WAARSCHUWINGSSIGNALEN EN -INDICATIES Portier niet goed gesloten Er klinkt een waarschuwingssignaal als de auto sneller rijdt dan een relatief lage snelheid en de portieren of de motorkap niet correct zijn gesloten. Vorst WAARSCHUWING Ook wanneer de temperatuur tot boven + 4 ºC stijgt, is dit nog geen garantie dat de weg vrij is van gevaren die door plotselinge weersveranderingen kunnen ontstaan. Een waarschuwingssignaal klinkt onder de volgende weersomstandigheden: +4 ºC of lager: waarschuwing voor bevriezing 0 ºC of lager: gevaar van een bevroren wegdek 59
62 Infodisplays ALGEMENE INFORMATIE WAARSCHUWING Bedien de toetsen van het informatiedisplay niet wanneer de auto in beweging is. N.B.: Het informatiedisplay blijft nadat u het contact hebt afgezet gedurende enkele minuten aan. Verschillende systemen van uw auto kunnen worden aangestuurd met behulp van de multifunctionele hendel op de stuurkolom. De bijbehorende informatie verschijnt op het informatiedisplay. Bedieningstoetsen E73265 Gebruik de draaiknop: om door de displays van de boordcomputer te scrollen om door de opties van een menu te scrollen en deze te selecteren. E73266 Druk op de toets SET/RESET: voor het navigeren naar het hoofdmenu vanuit de displays van de tripcomputer. voor het navigeren naar een submenu. voor het verlaten van een menu. voor het kiezen en bevestigen van een instelling. voor het resetten van de functie tripcomputer. N.B.: Indien de geluidssignalen zijn geactiveerd, weerklinkt een kort geluidssignaal elke keer dat de knop wordt ingedrukt. 60
63 Infodisplays Menustructuur ESP TIJD INSTELLEN VOERTGINSTELL. ONTGRENDELEN MET AFST.BED. BEGROETINGS-VERLICHTING RICHTING-AANWIJZERS RADIODISPLAY KRACHT. REMMEN W.KNIPPERL. AAN TOONTJES HELLINGSTART E MENU EXIT KIES TAAL DRUK SET VOOR EXIT ENGLISH MLS ENGLISH KM DEUTSCH ITALIANO FRANCAIS ESPAÑOL TÜRKÇE РУССКИЙ NEDERLANDS POLSKI SVENSKA PORTUGUES 61
64 Infodisplays TRIPCOMPUTER Informatiedisplay, type 1 A B C 1. Druk op de insteltoets van de klok tot de tijd op het display knippert. 2. Druk op de insteltoets van de klok om de tijd in te stellen. Informatiedisplay, type 2 A B C D E E91003 A Actieradius of klok B Dagteller C Kilometerteller D Insteltoets klok E Resettoets dagteller De klok op de juiste tijd zetten D E E A B C D E klok, radiostation of muzieknummer op CD Buitentemperatuur Dagteller Kilometerteller Berichtenindicator U kunt de instellingen van diverse functies via het informatiedisplay veranderen. Op het informatiedisplay verschijnen ook informatieberichten. Zie Infoberichten (bladzijde 64). E91004 N.B.: Bij sommige uitvoeringen kunt u de tijd alleen via de audio-installatie instellen. Zie de afzonderlijke handleiding. Kilometerteller De kilometerteller geeft het totale aantal gereden kilometers weer. Dagteller De dagteller registreert het aantal kilometers van een bepaald traject. 62
65 Infodisplays Actieradius tot de brandstoftank leeg is Duidt bij benadering de afstand aan die nog kan worden afgelegd voordat de tank leeg is. De waarde zal variëren naarmate de rijomstandigheden veranderen. Gemiddeld brandstofverbruik Geeft het gemiddelde brandstofverbruik aan vanaf het moment dat de functie op nul werd teruggesteld. Gemiddelde snelheid Geeft de berekende gemiddelde snelheid aan vanaf het moment dat de functie op nul werd teruggesteld. Buitentemperatuur Geeft de buitentemperatuur weer. Menu Toont het hoofdmenu. Zie Algemene informatie (bladzijde 60). De boordcomputer beschikt over de volgende informatiedisplays: E Km ACTIERAD. TOT GEM. SNELHEID BRANDST.VERBR. VOERTGINSTELL: DRUK SET VOOR EXIT Gebruik de draaiknop om langs de displays van de tripcomputer te bladeren. N.B.: De positie van het display van de boordcomputer kan variëren afhankelijk van de getoonde informatie. PERSOONLIJKE INSTELLINGEN 1. Gebruik de draaiknop voor toegang tot het hoofdmenu. 2. Druk op de SET/RESET toets om een submenu te kiezen en de instellingen in te voeren. ESP Selecteer deze optie om ESP te activeren of te deactiveren. 1. Gebruik de draaiknop voor toegang tot het hoofdmenu. 2. Selecteer ESP en druk op de toets SET/RESET. 3. Druk op de toets SET/RESET om de gewenste instelling te selecteren. 4. Gebruik de draaiknop om terug te keren naar het Menu Exit. 5. Druk op de toets SET/RESET om het menu te verlaten. De klok instellen 1. Gebruik de draaiknop voor toegang tot het hoofdmenu. 2. Selecteer Tijd instellen en druk op de toets SET/RESET. 3. Selecteer Tijd instellen en druk op de toets SET/RESET. De uren beginnen te knipperen. 4. Gebruik de draaiknop om de uren in de gewenste instelling te zetten. 5. Druk op de toets SET/RESET om de instelling te bevestigen. De minuten beginnen te knipperen. 63
66 Infodisplays 6. Ga voor de minutenaanduiding en de datum op dezelfde wijze te werk. 7. Druk op de toets SET/RESET om de instelling te bevestigen. 8. Druk op de toets SET/RESET om het menu te verlaten. INFOBERICHTEN Voertuiginstellingen Taalinstellingen, geluiden, naderingslichten, indicatoren veranderen van rijstrook, radiodisplay, gevaren bij hard remmen, ontgrendelen op afstand, hellingstart. 1. Gebruik de draaiknop voor toegang tot het hoofdmenu. 2. Selecteer Voertginstell. en druk op de toets SET/RESET. 3. Selecteer het gewenste menu en druk op de toets SET/RESET. 4. Selecteer de gewenste instelling en druk op de toets SET/RESET om de instelling te bevestigen. 5. Gebruik de draaiknop om terug te keren naar het Voertginstell.. 6. Druk tweemaal op de toets SET/RESET om de menu's te verlaten. E73265 E73266 Druk om te bevestigen en om enkele berichten van het informatiedisplay te verwijderen op de toets SET/RESET. Andere berichten worden korte tijd later automatisch verwijderd. Bepaalde berichten moeten worden bevestigd voordat toegang tot de menu's wordt verkregen. Berichtenindicator De berichtenindicator licht op om bepaalde berichten aan te vullen. Afhankelijk van de ernst van het bericht is de indicator rood of oranje en blijft deze branden tot de oorzaak van het bericht is verholpen. Niet goed gesloten portier(en) Mededeling Deur bestuurder open Controlelamp Rood Systeem Sloten. Auto is in beweging. Stop de auto zo snel en veilig mogelijk en sluit de motorkap. 64
67 Infodisplays Mededeling Deur passagier open Motorkap open Schuifdeuren open Achterdeur open Controlelamp Rood Rood Rood Rood Systeem Sloten. Auto is in beweging. Stop de auto zo snel en veilig mogelijk en sluit de motorkap. Sloten. Auto is in beweging. Stop de auto zo snel en veilig mogelijk en sluit de motorkap. Sloten. Auto is in beweging. Stop de auto zo snel en veilig mogelijk en sluit de motorkap. Sloten. Auto is in beweging. Stop de auto zo snel en veilig mogelijk en sluit de motorkap. Hellingstart Mededeling Trek handrem aan Hellingstart actief Hellingstart uit Hellingstart niet beschikb. Controlelamp rood oranje oranje oranje Systeem Schakel de parkeerrem in. Hellingstart actief. Zie Regeling voor bergop rijden (bladzijde 94). Hellingstart gedeactiveerd. Zie Regeling voor bergop rijden (bladzijde 94). Hellingstart niet beschikbaar. Zie Regeling voor bergop rijden (bladzijde 94). 65
68 Infodisplays Verlichting Mededeling RA links lamp defect RA rechts lamp defect Regen-licht-sen. storing Controlelamp oranje oranje oranje Systeem Een gloeilamp van de richtingaanwijzers, links, is defect. Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 46). Een gloeilamp van de richtingaanwijzers, rechts, is defect. Zie Gloeilampen vervangen (bladzijde 46). De automatische verlichting of ruitenwissers hebben niet correct gefunctioneerd. Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. Onderhoud Mededeling Motortemp. te hoog Storing in motor Sleutel batt. leeg Controlelamp rood rood oranje Koelsysteem. Systeem Motor. Stop zodra dit veilig kan en zet de motor onmiddellijk af. Laat het systeem onmiddellijk door een goed opgeleide monteur controleren. De batterij van de afstandsbediening is leeg. Laat deze storing zo spoedig mogelijk controleren. Stabiliteitsregeling (ESP) ESP- storing Mededeling Controlelamp oranje Systeem Stabiliteitsregeling (ESP). Laat uw auto door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. 66
69 Klimaatregeling WERKING Buitenlucht Houd de luchtinlaten voor de voorruit vrij van belemmeringen (sneeuw, bladeren, enz.) zodat de airconditioning effectief kan werken. Gerecirculeerde lucht LET OP Wanneer de luchtrecirculatiestand langdurig wordt ingeschakeld, kunnen de ruiten beslaan. Wanneer de ruiten beslaan, stel dan de standen in om de voorruit te ontdooien en te ontwasemen. De lucht die zich in het passagierscompartiment bevindt, wordt gerecirculeerd. Er stroomt geen buitenlucht de auto in. Verwarming De verwarmingscapaciteit is afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur. Airconditioning N.B.: De airconditioning werkt alleen wanneer de temperatuur hoger is dan 4 ºC. N.B.: Wanneer de airconditioning is ingeschakeld, is het brandstofverbruik hoger. De lucht wordt door de warmtewisselaar geleid, waar deze wordt gekoeld. Om de ruiten wasemvrij te houden wordt vocht aan de lucht onttrokken. Het condens wordt naar buiten afgevoerd en daarom is het normaal dat zich een klein plasje water onder de auto vormt. Pollenfilter LET OP Schakel de aanjager uit wanneer u een automatische wasstraat binnengaat. Het pollenfilter verwijdert de meeste potentieel schadelijke stoffen als pollen, industriële luchtverontreiniging en straatvuil uit de lucht voordat deze het interieur binnenstroomt. VENTILATIEROOSTERS E71942 VERWARMDE RUITEN EN SPIEGELS Ruitverwarming Schakel de ruitverwarming in om de voorof achterruit te ontdooien of ontwasemen. N.B.: De voorruitverwarming werkt alleen bij een draaiende motor. Voorruitverwarming E74670 Achterruitverwarming E74671 De controlelamp in de schakelaar brandt wanneer het systeem is ingeschakeld. Druk nogmaals op de schakelaar om het systeem uit te schakelen. Na korte tijd schakelt het systeem automatisch uit. 67
70 Klimaatregeling Verwarmbare buitenspiegels In de elektrisch bedienbare buitenspiegels is een verwarmingselement gemonteerd dat het spiegelglas ontdooit of ontwasemt. Wanneer u de achterruitverwarming inschakelt, worden deze elementen automatisch ingeschakeld. Temperatuurregelknop HANDMATIGE KLIMAATREGELING Ventilator N.B.: Wanneer u de aanjager uitschakelt kan de voorruit beslaan. E74658 A Toetsen voor luchtverdeling N.B.: Een kleine hoeveelheid lucht stroomt altijd naar de voorruit. E75470 A Off (uit) 68
71 Klimaatregeling B D C Snel verwarmen van het interieur E74662 Ventilatie E74660 A B C D E A E Hoofdniveau Hoofdniveau en beenruimte Beenruimte Beenruimte en voorruit Voorruit E74663 Zet de luchtverdeelknop in stand A of B. Zet de aanjagerschakelaar in een willekeurige stand. Open de luchtroosters naar gelang uw persoonlijke wensen. Voorruit ontdooien en ontwasemen N.B.: De recirculatiestand wordt automatisch uitgeschakeld. Luchtrecirculatie E73059 Druk op de toets om te kiezen tussen toevoer van buitenlucht en het recirculeren van de in het interieur aanwezige lucht. E74664 Schakel zo nodig de ruitverwarming in. Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde 67). Airconditioning Airconditioning in- en uitschakelen N.B.: De airconditioning werkt alleen bij draaiende motor. 69
72 Klimaatregeling Druk op de A/C schakelaar om de airconditioning in of uit te schakelen. Het lampje in de schakelaar brandt wanneer de airconditioning is ingeschakeld. Wanneer u de aanjager uitschakelt, wordt ook de airconditioning uitgeschakeld. Wanneer u de aanjager weer inschakelt, schakelt de airconditioning automatisch in. Koelen met buitenlucht Zet de luchtverdeelknop in stand E en kies toevoer van buitenlucht. Wanneer de temperatuur hoger is dan 4 C, schakelt de airconditioning automatisch in. Let erop dat de aanjager is ingeschakeld. Wanneer u de luchtverdeelknop in een andere stand dan stand E zet, keert de A/C terug naar de vorige instelling. U kunt de airconditioning en luchtrecirculatie in- en uitschakelen terwijl de luchtverdeelknop in stand E staat. Schakel zo nodig de ruitverwarming in. Zie Verwarmde ruiten en spiegels (bladzijde 67). Luchtvochtigheid in het interieur verlagen E74667 Schakel de airconditioning in. Interieur snel afkoelen E74669 Zet de luchtverdeelknop in stand D en schakel de airconditioning in. EXTRA VERWARMING E74668 Schakel de airconditioning en de recirculatiestand in. Voorruit ontdooien en ontwasemen Algemene informatie WAARSCHUWINGEN Schakel de programmeerbare standverwarming niet in bij tankstations, bij bronnen met brandbare dampen of stoffen of in afgesloten ruimtes. Tank geen brandstof wanneer het display van de programmeerbare standverwarming is ingeschakeld. E
73 Klimaatregeling N.B.: De programmeerbare standverwarming schakelt automatisch uit wanneer de accuspanning laag wordt. N.B.: Alle symbolen op het display knipperen wanneer de stroomtoevoer naar de programmeerbare standverwarming onderbroken is geweest. Onder deze omstandigheden werkt de verwarming niet. Zet het klokje gelijk. N.B.: De programmeerbare standverwarming schakelt bij storingen uit. Laat het systeem door een deskundige controleren. Neem de volgende richtlijnen in acht: Schakel de programmeerbare standverwarming het gehele jaar minimaal eenmaal per maand ongeveer tien minuten in. Hierdoor wordt voorkomen dat de vloeistofpomp en de aanjagermotor gaan vastzitten. Om corrosie te voorkomen moet de koelvloeistof in uw auto het gehele jaar door minstens 10 % antivries bevatten. Om luchtbellen te voorkomen moet u ervoor zorgen dat het koelvloeistofpiel zicht tussen het MAX en MIN merkteken op het reservoir bevindt. Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 116). De aanjager van de programmeerbare standverwarming wordt ingeschakeld zodra de koelvloeistof een bepaalde temperatuur heeft bereikt. In deze stand heeft de omgevingstemperatuur gaan invloed. Wij continu gebruik van de standverwarming, registreert deze de omgevingstemperatuur. Wanneer deze hoger is dan 5 C wordt de programmeerbare standverwarming niet ingeschakeld. De programmeerbare standverwarming werkt onafhankelijk van de verwarming van de auto door het koelvloeistofcircuit van de motor te verwarmen. Hij wordt door de brandstoftank van energie voorzien. U kunt het systeem ook tijdens het rijden gebruiken om het interieur sneller te laten opwarmen. Het is mogelijk dat bij ingeschakelde programmeerbare standverwarming er uitlaatgassen onder de zijkanten van de auto vrijkomen. Dit is normaal. Werkingsprincipe Voor ingebruikneming LET OP Wanneer de aanjagerschakelaar in een andere stand dan stand één wordt gezet, heeft dit een kortere levensduur van de accu of zelfs een lege accu tot gevolg. Voordat de verwarming wordt ingeschakeld of geprogrammeerd moeten de volgende instellingen worden voorbereid: Zet de temperatuurregelknop van het standaard verwarmingssysteem op maximum. Zet de aanjagerschakelaar in stand 1. Schakel voor het afzetten van het contact de recirculatiestand in. Wacht minimaal vijf seconden met het sluiten van de luchtroosters van het ventilatiesysteem. Zet alle luchtroosters in de cabine open. 71
74 Klimaatregeling Instellen van de tijd E71347 A Druk de toets A langer dan drie seconden ingedrukt en houd hem ingedrukt tot de tijdsaanduiding op het display knippert. Druk de toetsen B en D binnen vijf seconden in om de tijd in te stellen. Houd de betreffende toets ingedrukt om de tijdsaanduiding snel te veranderen. D B Verwarmingsduur programmeren A B N.B.: De verwarmingsduur voor van te voren ingestelde tijden en de verwarmingsmodi kunnen voor 10 tot 120 minuten worden ingesteld. Druk de toets A langer dan drie seconden ingedrukt en houd hem ingedrukt tot de tijdsaanduiding op het display knippert. Wacht vijf seconden tot het verwarmingssymbool verschijnt en de verwarmingsduur knippert. Druk de toetsen B en D in om de verwarmingsduur in te stellen. Druk na het instellen van de verwarmingsduur op toets A. Het display geeft nu de tijd weer met een knipperende dubbele punt. Verwarming uitschakelen Druk op de toets met het verwarmingssymbool. De verwarming blijft nog drie minuten werken en schakelt vervolgens uit. Het display duidt nu de tijd aan. Geprogrammeerde verwarmingsmodus C E71348 D LET OP De aanbevolen instelling is 30 minuten. Langere tijden verkorten de levensduur van de accu of kunnen zelfs een lege accu tot gevolg hebben. E
75 Klimaatregeling De verwarming kan op elk gewenst moment voor de geprogrammeerde tijdsduur worden ingeschakeld. Druk op toets C. Het display wordt verlicht en toont de resterende verwarmingstijd en het verwarmingssymbool. Inschakeltijden programmeren A B Verwarming continu inschakelen B C E71350 WAARSCHUWING Nadat het contact is afgezet blijft de verwarming werken. Schakel de verwarming uit om onnodig verwarmen te voorkomen. Druk op toets B en houd deze ingedrukt. Druk op toets C. De verwarming werkt nu tot toets C opnieuw wordt ingedrukt. Het display wordt verlicht en toont de tijd en het verwarmingssymbool. Verwarmingsmodus programmeren De verwarming schakelt automatisch op de geactiveerde inschakeltijd in en blijft gedurende de geprogrammeerde verwarmingsduur werken. Het display wordt verlicht en toont de resterende verwarmingstijd en het verwarmingssymbool. U kunt drie verschillende inschakeltijden programmeren. E71351 Druk toets A meerdere keren in tot het symbool 1, 2 of 3) voor de gewenste inschakeltijd wordt weergegeven. Druk op toetsen B en D om de tijd in te stellen. Houd de betreffende toets ingedrukt om de tijdsaanduiding snel te veranderen. Druk na het programmeren van de inschakeltijden op toets A. Het display geeft nu de tijd weer met een knipperende dubbele punt. Geprogrammeerde inschakeltijden activeren/ deactiveren A E71352 D C 73
76 Klimaatregeling Druk toets A meerdere keren in tot het symbool 1, 2 of 3) voor de gewenste inschakeltijd wordt weergegeven. Druk op toets C. Het ON symbool verschijnt op het display. Druk opnieuw op toets C om de inschakeltijd weer te deactiveren. 74
77 Stoelen DE JUISTE ZITPOSITIE INNEMEN het stuurwiel met licht gebogen armen vasthoudt. uw benen licht buigt zodat u de pedalen volledig kunt indrukken. de schoudergordel over het midden van uw schouder en de heupgordel strak over uw heupen legt. Zorg ervoor dat uw zitpositie comfortabel is en dat u de volledige controle over de auto hebt. VOORSTOELEN E68595 WAARSCHUWINGEN Verstel de stoelen nooit tijdens het rijden. Alleen wanneer de veiligheidsgordel correct wordt gedragen, kan deze u in een zodanige positie houden dat de airbag optimaal kan functioneren. WAARSCHUWING Verstel de stoelen niet terwijl de wagen in beweging is. Stoelen naar voren en achteren schuiven Wanneer u de veiligheidsgordel correct draagt kunnen de stoel, hoofdsteun, veiligheidsgordel en airbags bij een eventuele aanrijding optimaal bescherming bieden. Wij raden aan dat u: zoveel mogelijk rechtop gaat zitten met de onderzijde van uw rug zover mogelijk naar achteren. de rugleuning van de stoel niet meer dan 30 graden achterover kantelt. de hoofdsteun zodanig instelt, dat de bovenzijde gelijkligt met de bovenzijde van uw hoofd. Stel de hoofdsteun zover mogelijk naar voren in, maar u moet comfortabel kunnen zitten. voldoende afstand houdt tussen uzelf en het stuurwiel. minimaal 250 mm (10 inch) tussen uw borstbeen en de kap van de airbag aanhoudt. E WAARSCHUWING Schuif de stoel naar voren en naar achteren nadat u de hendel hebt losgelaten om ervoor te zorgen dat de stoel weer goed wordt vergrendeld. 2 75
78 Stoelen Lendensteun instellen E80778 E74817 Stoelhoogte instellen Hellingshoek van de rugleuning instellen E74818 E
79 Stoelen Armsteun instellen Transit Connect 1 E74820 Passagiersstoel, voor, neerklappen WAARSCHUWINGEN Zorg ervoor dat de stoelen en de rugleuningen goed vastzitten en volledig zijn vergrendeld. Leg geen voorwerpen op de rugleuning wanneer de wagen in beweging is. E E
80 Stoelen 5 6 E Trek aan de lus en kantel de zitting naar voren. 2. Kantel de hoofdsteun naar voren. 3. Trek de hendel omhoog. 4. Klap de rugleuning naar voren. 5. Trek de hendel omhoog. 6. Druk de rugleuning naar beneden. HOOFDSTEUNEN E81584 Hoofdsteun instellen WAARSCHUWING Trek de hoofdsteun omhoog wanneer de achterbank door een passagier of voor een kinderzitje wordt gebruikt. Stel de hoofdsteun zo in, dat de bovenzijde ervan gelijkligt met de bovenzijde van uw hoofd. Hoofdsteun verwijderen Druk de knoppen in en verwijder de hoofdsteun. ACHTERBANK E75767 WAARSCHUWINGEN Gebruik tijdens het rijden de achterbank niet als bed. Zorg ervoor dat de stoelen en de rugleuningen goed vastzitten en volledig zijn vergrendeld. 78
81 Stoelen WAARSCHUWINGEN Controleer of de rode indicator niet te zien is wanneer u de armen van de rugleuningen van de tweede zitrij en de sloten van de derde zitrij in aangrijping brengt. Plaats geen voorwerpen op een neergeklapte stoel. Trek niet aan de achterbank van de tweede zitrij wanneer de complete bank naar voren is gekanteld. Een rugleuningdeel naar voren kantelen Derde zitrij E Tweede zitrij Complete achterbank naar voren kantelen Tweede zitrij E E
82 Stoelen 6 5 E Verwijder de middelste hoofdsteun. 2. Schuif de buitenste hoofdsteunen geheel naar beneden. 3. Trek de hendels aan de zijkant van de rugleuning omhoog. 4. Klap de rugleuning naar voren. 5. Trek de ontgrendelingslussen naar beneden. 6. Kantel de achterbank naar voren. Derde zitrij E Schuif de hoofdsteunen geheel naar beneden. 2. Trek de hendels aan de zijkant van de rugleuning omhoog. 3. Klap de rugleuning naar voren. 4. Trek de vergrendelingshendels omhoog. 5. Kantel de achterbank naar voren. Achterbank weer terugkantelen 4 WAARSCHUWING Zorg er bij het omhoog klappen van de rugleuningen voor dat de gordels zichtbaar zijn voor de inzittende en niet achter de bank bekneld raken. Tweede zitrij E E
83 Stoelen 1. Trek de vergrendelingshendels omlaag. 2. Kantel de zitting naar beneden. 3. Kantel de rugleuning omhoog. 4. Breng de middelste hoofdsteun aan. Derde zitrij 2 E Druk de ontgrendelingshendels omlaag. 2. Kantel de zitting naar beneden. 3. Kantel de rugleuning omhoog. VERWARMDE STOELEN LET OP Wanneer deze functie bij stilstaande motor wordt ingeschakeld, wordt hierdoor de accu ontladen. E75768 De stoelverwarming werk alleen met ingeschakeld contact. De maximum temperatuur wordt bereikt na vijf tot zes minuten. De temperatuur wordt door een thermostaat geregeld. De stoelverwarming blijft ingeschakeld tot de schakelaar stoelverwarming of het contact wordt uitgeschakeld. 81
84 Gemaksfuncties DIMMER INSTRUMENTENPA- NEELVERLICHTING Gebruik voor het aansluiten van stroomverbruikers alleen de speciale stekkers uit het Ford Accessoires Programma of stekkers voor standaard SAE-aansluitpunten. EXTRA VOEDINGSAAN- SLUITINGEN E70454 AANSTEKER LET OP Wanneer u het aansluitpunt gebruikt terwijl de motor niet draait, wordt hierdoor de accu ontladen. N.B.: U kunt het elektrische aansluitpunt gebruiken voor 12 volt accessoires met een maximum vermogen van 10 ampère. Gebruik alleen Ford stekkers of stekkers die geschikt zijn voor gebruik in SAE gestandaardiseerde aansluitingen. E78055 WAARSCHUWING Houd de aansteker nooit ingedrukt, omdat hij hierdoor kan worden beschadigd. Verwijder de aansteker wanneer kinderen alleen in de auto achterblijven. E De aansteker wordt ingeschakeld door hem in te drukken waarna hij automatisch in de uitgangspositie terugspringt De aansteker werkt ook bij afgezet contact. De aansluiting van de aansteker is ook geschikt voor andere stroomverbruikers. 82
85 Gemaksfuncties OPBERGRUIMTES Opbergruimte boven de voorruit WAARSCHUWING Plaats geen zware voorwerpen in de opbergruimte boven de voorruit. E74677 BEKERHOUDERS WAARSCHUWING Plaats tijdens het rijden geen hete dranken in de bekerhouders. Tafeltjes op de rugleuningen WAARSCHUWING Gebruik de tafeltjes niet tijdens het rijden. Controleer voordat u wegrijdt of de tafeltjes in de onderste stand zijn vergrendeld. E74681 Opbergruimte bij de stoel 2 E E
86 Gemaksfuncties WEGENKAARTOP- BERGVAKKEN AANSLUITING AUXILIARY INGANG (AUX IN) E74686 E Zie de afzonderlijke audiohandleiding. VLOERMATTEN E80718 WAARSCHUWING Wanneer de vloermatten worden gebruikt, zorg dan dat de vloermatten correct worden vastgemaakt met de correcte bevestigingselementen, zodat de matten geen invleod hebben op de bediening van de pedalen. 84
87 Motor starten en stoppen ALGEMENE INFORMATIE Algemene opmerkingen over het starten Als de accu losgekoppeld is geweest kan de motor, nadat de accukabels weer zijn aangesloten, een afwijkende draaikarakteristiek vertonen gedurende ca. 8 kilometer. De oorzaak is, dat het motormanagement zich weer aan de motor moet aanpassen. Ongebruikelijke rijkarakteristieken tijdens deze periode moeten worden genegeerd. Motor starten door middel van slepen of duwen WAARSCHUWING Om beschadiging te voorkomen moet u uw auto niet aanduwen of aanslepen. Gebruik hulpstartkabels en een hulpaccu. Zie Starten met hulpstartkabels (bladzijde 121). CONTACTSLOT WAARSCHUWING Draai nooit de sleutel in de stand 0 of I terug zolang de auto nog in beweging is. N.B.: Laat, om te voorkomen dat de accu leegraakt, de contactsleutel niet te lang in deze stand staan. II Het contact staat aan. Alle elektrische circuits zijn ingeschakeld. Waarschuwingsen controlelampen branden. Dit is de stand waarin de sleutel moet staan tijdens het rijden. U moet deze stand ook kiezen wanneer de auto wordt gesleept. III Startmotor ingeschakeld. Laat de sleutel los zodra de motor aanslaat. EEN DIESELMOTOR STARTEN Koude of warme motor N.B.: Wanneer de temperatuur lager is dan -15 ºC, mag u de startmotor 25 seconden achtereen inschakelen. Wanneer de auto frequent wordt gebruikt bij dergelijk lage temperaturen raden wij aan een verwarmingselement in het motorblok te laten monteren. N.B.: Schakel de startmotor in tot de motor aanslaat. N.B.: U kunt de startmotor per startpoging slechts maximaal 30 seconden inschakelen. Zet het contact aan en wacht tot de controlelamp van het voorgloeisysteem uitgaat. N.B.: Druk het gaspedaal niet in. 1. Druk het koppelingspedaal volledig in. 2. Start de motor. E Contact uitgeschakeld. I De ontsteking en alle hoofdcircuits zijn uitgeschakeld. 85
88 Motor starten en stoppen MOTOR UITSCHAKELEN Auto's met turbocompressor LET OP Zet de motor niet af wanneer deze met een hoog toerental draait. Als de motor bij een hoog toerental wordt afgezet, zal de turbocompressor nog draaien nadat de oliedruk al tot nul is gedaald. Dit heeft vroegtijdige slijtage van de compressorlagers tot gevolg. Laat het gaspedaal los. Wacht tot de motor stationair draait en zet de motor af. DIESELROETFILTER Het DPF is een onderdeel van het uitlaatgasemissiesysteem van uw auto. Het zuivert de uitlaatgassen van schadelijke roetdeeltjes bij auto's met dieselmotor. Regeneratie WAARSCHUWING Laat de motor niet stationair draaien of parkeer de auto niet op droge bladeren, droog gras of ander brandbaar materiaal. Het DPF-regeneratieproces werkt met bijzonder hoge uitlaatgastemperaturen en na het afzetten van de motor en tijdens en na DPF-regeneratie blijft de uitlaat een aanzienlijke hoeveelheid hitte uitstralen. Hierdoor ontstaat het gevaar van brand. In tegenstelling tot een gewoon filter, dat regelmatig vervangen moet worden, is het DPF zodanig ontworpen dat het regenereert (zichzelf reinigt) om doeltreffend te blijven. Het regeneratieproces vindt automatisch plaats. Onder sommige rijomstandigheden moet u echter het regeneratieproces ondersteunen. Als u alleen korte afstanden aflegt of uw tijdens het rijden regelmatig stopt en start (met verhoogd accelereren en decelereren), dan zal een enkele keer rijden onder de volgende omstandigheden het regeneratieproces ondersteunen: Rijd tot 20 minuten met een constante snelheid, bij voorkeur op een hoofdweg of snelweg. Voorkom langdurig stationair draaien en neem altijd snelheidslimieten en het type wegdek in acht. Zet de auto niet van contact. Kies zo nodig een lagere versnelling dan normaal om tijdens deze rit een hoger motortoerental te verkrijgen. LET OP U dient te voorkomen dat de brandstof opraakt. N.B.: Nadat de motor is afgezet draaien de ventilatoren wellicht nog een korte periode door. 86
89 Brandstof en tanken VEILIGHEIDSMAATREGELEN WAARSCHUWINGEN Stop met tanken nadat het vulpistool voor de tweede keer is afgeslagen. Alle brandstof die u dan nog toevoegt vult de expansieruimte in de brandstoftank, hetgeen er toe kan leiden dat de brandstof overstroomt. Het morsen van brandstof kan gevaarlijk zijn voor andere weggebruikers. Vermijd open vuur of hittebronnen in de nabijheid van het brandstofsysteem. Het brandstofsysteem staat onder druk. Wanneer het brandstofsysteem lekt, bestaat het gevaar van verwonding. BRANDSTOFKWALITEIT - DIESEL WAARSCHUWING Meng de dieselolie niet met olie, benzine of andere vloeistoffen. Deze kunnen een chemische reactie veroorzaken. LET OP Voeg geen kerosine, paraffine of petroleum aan de dieselolie toe. Deze kunnen het brandstofsysteem beschadigen. Gebruik dieselolie die voldoet aan de specificatie EN 590, of de betreffende nationale specificatie. N.B.: We adviseren alleen brandstof van hoge kwaliteit te gebruiken. N.B.: Het gebruik van niet door Ford goedgekeurde additieven of andere motorbehandelingen worden door Ford afgeraden. N.B.: Wij raden het langdurig gebruik van additieven af die vlokvorming moeten voorkomen. Opslaan voor de lange termijn De meeste dieselbrandstoffen bevatten biodiesel; wanneer uw voertuig lange tijd niet wordt gebruikt (meer dan twee maanden), dan wordt aanbevolen de tank enkel met diesel op aardoliebasis (indien beschikbaar) te vullen of een antioxidant aan de biodiesel toe te voegen. Uw dealer kan u helpen met een geschikte antioxidant. KATALYSATOR WAARSCHUWING Laat de motor niet stationair draaien of parkeer de wagen niet op droge bladeren, droog gras of ander brandbaar materiaal. Tijdens het gebruik van de motor en na het afzetten van de motor straalt het uitlaatsysteem veel warmte uit. Hierdoor ontstaat het gevaar van brand. Rijden met een auto met katalysator LET OP Zorg ervoor dat u de tank niet leeg rijdt. Schakel de startmotor niet langdurig achtereen in. Laat de motor niet met een losgekoppelde bougiekabel draaien. Sleep of duw de auto niet aan. Gebruik hulpstartkabels. Zie Starten met hulpstartkabels (bladzijde 121). Zet het contact tijdens het rijden niet af. 87
90 Brandstof en tanken TANKKLEP Alle uitvoeringen WAARSCHUWINGEN Voorkom dat tijdens het tanken brandstof wordt gemorst, die zich in het vulpistool bevindt. Wij raden aan minimaal 10 seconden te wachten alvorens het vulpistool uit de vulbuis te halen, zodat alle achtergebleven brandstof in de brandstoftank kan stromen. N.B.: Wanneer u de tankdop losdraait is soms een sissend geluid hoorbaar. Dit is echter volkomen normaal en kan worden genegeerd. E75775 A B Openen Sluiten A B Tourneo Connect N.B.: De schuifdeur kan niet volledig worden geopend wanneer de brandstofvulklep is ontgrendeld en geopend. TANKEN LET OP Probeer niet de motor te starten wanneer u de tank met de onjuiste brandstofsoort hebt gevuld. Hierdoor kan de motor worden beschadigd. Laat het systeem onmiddellijk door een geschoolde monteur controleren. BRANDSTOFVERBRUIK De CO2 waarden en de brandstofverbruikcijfers zijn afgeleid van laboratoriumtests volgens EEC richtlijn 80/1268/EEC en aanvullingen daarop. Deze richtlijnen worden door alle automobielfabrikanten aangehouden. Deze gegevens zijn bedoeld voor het vergelijken van merken en modellen. Ze zijn niet bedoeld als weergave van het werkelijke brandstofverbruik van uw wagen. Het werkelijke brandstofverbruik wordt door vele factoren bepaald, waaronder de rijstijl, rijden met hoge snelheden, starten/stoppen, gebruik van de airconditioning, de gemonteerde accessoires, rijden met een aanhanger, enz. Uw Ford dealer dient u gaarne van advies hoe u het brandstofverbruik kunt verlagen. TECHNISCHE SPECIFICATIE 88
91 Brandstof en tanken Tourneo en Kombi Connect Brandstofverbruikscijfers Variant Stadsverkeer l/100 km (mpg) Buitenweg l/100 km (mpg) Gecombineerd l/100 km (mpg) CO2-emissie g/km 1.8L Duratorq-TDCi Turbo diesel (75 pk), fase IV, asoverbrenging: 4,06 7,8 (36,2) 5,5 (51,4) 6,3 (44,8) L Duratorq-TDCi Turbo diesel (90 pk), fase IV, asoverbrenging: 4,06 7,9 (35,8) 5,5 (51,4) 6,4 (44,1) L Duratorq-TDCi Turbo diesel (110 pk), fase IV, asoverbrenging: 3,80 7,6 (37,2) 5,2 (54,3) 6,0 (47,1)
92 Versnellingsbak/transmissie HANDGESCHAKELDE VERSNELLINGSBAK LET OP Schakel de achteruit niet in wanneer de wagen in beweging is. Dit kan inwendige schade aan de versnellingsbak veroorzaken. N.B.: Druk het koppelingspedaal volledig en en wacht drie seconden voordat u de eerste versnelling inschakelt. Achteruitversnelling inschakelen E
93 Remmen WERKING Schijfremmen Natte remschijven hebben een lagere wrijvingscoëfficiënt. Druk na het verlaten van een wasstraat het rempedaal even voorzichtig in om de waterfilm op de remschijven te laten verdampen. ABS WAARSCHUWING ABS is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn. Het ABS voorkomt dat de wielen blokkeren, zelfs tijdens krachtig remmen, waardoor de auto in noodsituaties volledig bestuurbaar en stabiel blijft. TIPS VOOR RIJDEN MET ABS Wanneer het ABS in werking is, pulseert het rempedaal. Dit is normaal. Blijf het rempedaal indrukken. Het ABS voorkomt geen gevaren die ontstaan wanneer: u te weinig afstand ten opzichte van voor u rijdend verkeer houdt. de auto te maken krijgt met aquaplaning. u bochten te snel neemt. het wegdek slecht is. PARKEERREM Handrem aantrekken E66567 WAARSCHUWING Controleer of de handrem is aangetrokken voordat u de hefboom vrijzet. N.B.: Druk de knop niet in wanneer u de handrem aantrekt. 1. Druk het rempedaal stevig in. 2. Trek de handremhefboom zo ver mogelijk naar boven. Op een helling parkeren Wanneer u op een helling moet parkeren met de voorzijde van de wagen hellingopwaarts, schakel dan de eerste versnelling in en draai dan de voorwielen van de trottoirband af. Wanneer u op een helling moet parkeren met de voorzijde van de wagen hellingafwaarts, schakel dan de achteruit in en draai dan de voorwielen naar de trottoirband toe. Handrem vrijzetten 1. Druk het rempedaal stevig in. 2. Trek de handremhefboom lichtjes aan, druk de knop in en druk de hefboom naar beneden. 91
94 Stabiliteitsregeling WERKING Elektronisch Stabiliteitsprogramma (ESP) WAARSCHUWING Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn. E72903 B A B A B Zonder ESP Met ESP B A B A Waarschuwingslamp stabiliteitsregeling (ESP) Wanneer het systeem tijdens het rijden wordt geactiveerd, knippert de lamp. Zie Waarschuwings- en indicatielampen (bladzijde 56). Noodremassistent WAARSCHUWING Het systeem is niet bedoeld om de bestuurder te ontheffen van zijn plicht om tijdens het rijden voorzichtig en oplettend te zijn. Het systeem kan een noodstopsituatie herkennen aan de snelheid waarmee u het rempedaal indrukt. Het zorgt voor maximale remdruk zolang het rempedaal wordt ingedrukt. Het systeem kan de remweg in kritieke situaties verkorten. GEBRUIK MAKEN VAN STABILITEITSREGELING N.B.: Telkens wanneer u het contact aan zet wordt het systeem automatisch ingeschakeld. Het systeem uit- en inschakelen. Zie Persoonlijke instellingen (bladzijde 63). Het systeem ondersteunt de stabiliteit van de auto wanneer deze dreigt uit te breken. Dit wordt bewerkstelligd door de wielen afzonderlijk af te remmen en door het motorkoppel zo nodig te verlagen. Het systeem zorgt ook voor een betere tractieregeling door het motorkoppel te verlagen wanneer de wielen bij het accelereren beginnen door te draaien. Het verbetert de mogelijkheden om op gladde wegdekken of losse oppervlakken op te trekken en het verbetert het comfort door wielspin in haarspeldbochten te beperken. 92
95 Aandrijfregeling WERKING Het tractieregelsysteem verbetert de tractie wanneer een wiel doorspint bij snelheden tot 40 km/h (25 mph). Wanneer een wiel begint door te spinnen wijzigt het tractieregelsysteem de druk naar de remklauw van dat wiel tot het stopt met doorspinnen. GEBRUIK MAKEN VAN AANDRIJFREGELING Het traction control systeem is operationeel wanneer u het contact aanzet. De controlelamp van het traction control systeem knippert wanneer het systeem in werking is. Geef rustig gas tot het doorspinnende wiel weer grip heeft. Het traction control systeem schakelt tijdelijk uit wanneer het buitensporig vaak binnen een korte tijd wordt ingeschakeld. Dit is normaal en heeft geen invloed op het remsysteem. 93
96 Regeling voor bergop rijden WERKING Het systeem maakt het eenvoudiger op te trekken wanneer de auto op een helling staat zonder dat het noodzakelijk is gebruik te maken van de parkeerrem. Wanneer het systeem actief is, dan blijft de auto korte tijd op de helling stil staan nadat u het rempedaal loslaat. Gedurende deze tijd heeft u de tijd om uw voet van het rempedaal te halen, het gaspedaal in te drukken en op te trekken. De remmen worden automatisch gelost zodra de motor voldoende vermogen heeft opgebouwd om weg te rijden. Zo wordt voorkomen dat de auto op een helling kan terugrollen. Dit is een voordeel wanneer u op een helling moet optrekken, bijvoorbeeld vanaf een helling van een parkeerplaats, bij verkeerslichten of tijdens het achteruit tegen een helling inparkeren. WAARSCHUWING Het systeem vervangt niet de parkeerrem. Trek altijd de handrem aan en schakel de eerste versnelling of de achteruit in wanneer u de auto verlaat. REGELING VOOR BERGOP RIJDEN GEBRUIKEN Het systeem wordt automatisch geactiveerd als de auto op een helling van meer dan 3% wordt stilgezet. Het systeem werkt als de auto met de neus bergaf staat gericht met ingeschakelde achteruitversnelling en als de auto bergop staat gericht met ingeschakelde vooruitversnelling. Het systeem activeren WAARSCHUWINGEN U dient in de auto te blijven zitten nadat het systeem is geactiveerd. WAARSCHUWINGEN Het systeem is alleen actief als de groene lamp in het instrumentenpaneel brandt. U blijft te allen tijde verantwoordelijk voor het besturen van de auto en het zo nodig in en uitschakelen van het systeem. U kunt het systeem alleen activeren als aan de volgende voorwaarden is voldaan: De motor loopt. De parkeerrem is volledig losgezet. Er geen sprake is van storingen. Activeren van het systeem: Zorg dat het systeem is ingeschakeld via het menu tripregeling. Zie Infodisplays (bladzijde 60). 1. Trap het rempedaal en het koppelingspedaal in om de auto volledig stil te zetten. Houd het rempedaal en het koppelingspedaal ingetrapt. 2. Als de sensor registreert dat de auto op een helling staat, dan wordt het systeem automatisch geactiveerd en gaat de groene lamp in het instrumentenpaneel branden. 3. Wanneer u uw voet van het rempedaal neemt, blijft de auto gedurende ongeveer twee tot drie seconden op de helling staan zonder achteruit te rollen. Deze periode wordt automatisch verlengd als u bezig bent weg te rijden. 4. Rijd op de normale manier weg. De remmen worden automatisch gelost. WAARSCHUWING Als het motortoerental te hoog wordt opgejaagd of als een storing wordt geregistreerd bij een actief systeem, dan wordt het systeem gedeactiveerd en dooft de groene lamp. 94
97 Regeling voor bergop rijden Het systeem deactiveren Voer voor het activeren van het systeem één van de volgende stappen uit: Schakel de parkeerrem in. Rij weg de helling op zonder de handrem aan te trekken. Wacht twee tot drie seconden tot het systeem automatisch wordt gedeactiveerd. Als het systeem is geactiveerd in een vooruitversnelling, selecteer dan de achteruitversnelling. Als het systeem is geactiveerd in de neutrale versnelling, laat dan het koppelingspedaal los. Als het systeem is geactiveerd in een achteruitversnelling, selecteer dan de neutrale versnelling. De groene lamp wordt gedoofd. Het systeem uitschakelen Zie Infodisplays (bladzijde 60). 95
98 Parkeerhulp WERKING WAARSCHUWING Ondanks de parkeerhulp bent u verplicht voorzichtig en aandachtig te rijden. LET OP Uitvoeringen met een trekhaakmodule die niet door ons is goedgekeurd, kunnen obstakels niet correct detecteren. Bij zware regenval of andere omstandigheden waardoor verstorende reflecties ontstaan is het mogelijk dat de sensoren bepaalde voorwerpen niet 'zien'. De sensoren kunnen voorwerpen met een oppervlak de ultrasone geluidsgolven absorberen niet 'zien'. De parkeerhulp detecteert geen obstakels die van de wagen af bewegen. Deze worden alleen kort nadat zij opnieuw naar de wagen toe bewegen gedetecteerd. Wees bijzonder voorzichtig wanneer u met een gemonteerde trekhaakkogel of accessoires zoals een fietsdrager achteruitrijdt, omdat de parkeersensor alleen de afstand vanaf de bumper tot het obstakel meet. Wanneer u een hogedrukspuit gebruikt om uw auto te wassen, spuit dan kort op de sensoren vanaf een afstand van niet minder dan 20 centimeter (8 inch). N.B.: Houd de sensoren vrij van vuil, ijs en sneeuw. Reinig de sensoren niet met scherpe voorwerpen. N.B.: Wanneer de parkeerhulp een signaal registreert dat op dezelfde frequentie wordt uitgezonden als de sensoren gebruiken, of wanneer de auto maximaal is beladen, kan een vals signaal worden gegeven. N.B.: De buitenste sensoren kunnen de zijmuren van een garage detecteren. Wanneer de afstand tussen de buitenste sensor en de muur gedurende drie seconden constant blijft, wordt het akoestisch signaal uitgeschakeld. Wanneer u doorrijdt, kunnen de binnenste sensoren objecten achter de auto detecteren. GEBRUIK MAKEN VAN DE PARKEERHULP E77927 WAARSCHUWING Ondanks de parkeerhulp bent u verplicht voorzichtig en aandachtig te rijden. De parkeerhulp wordt automatisch geactiveerd wanneer u bij aangezet contact de achteruit inschakelt. N.B.: Bij wagens met een afneembare trekhaakkoppeling wordt de parkeerhulp automatisch uitgeschakeld wanneer een van de aanhangerlampen (of verlichting) wordt aangesloten op de 13 pins stekkerdoos via een door ons goedgekeurde trekhaakmodule. 96
99 Parkeerhulp U hoort een onderbroken signaal wanneer de afstand tussen de achterbumper en een obstakel ca. 150 cm bedraagt of ca. 50 cm aan de zijkanten. Wanneer de afstand kleiner wordt, volgen de signalen elkaar sneller op. Een voortdurend signaal weerklinkt op een afstand van minder dan 30 centimeter tot de achterbumper. N.B.: Wanneer u drie seconden lang een hoge pieptoon hoort, duidt dit op een storing. Het systeem wordt uitgeschakeld. Laat het systeem onmiddellijk door een goed opgeleide monteur controleren. 97
100 Transport ALGEMENE INFORMATIE WAARSCHUWINGEN Gebruik bevestigingsriemen die voldoen aan een norm, bijv. DIN. Zorg ervoor dat alle losse voorwerpen goed zijn vastgezet. Plaats bagage en ander voorwerpen zo laag mogelijk en zo ver mogelijk naar voren in de bagageruimte of de laadruimte. 131). Rijd niet met geopende achterklep of achterdeur. Uitlaatgassen kunnen de auto worden binnengezogen. Overschrijd niet de maximum vooren achterasbelasting voor uw auto. Zie Voertuigidentificatie (bladzijde LET OP Laat geen items in contact komen met de achterruiten. Gebruik geen schurende materialen voor het reinigen van de binnenzijde van de achterruiten. Breng geen stickers of labels aan op de binnenzijde van de achterruiten. DAKREKKEN EN BAGAGEDRAGERS Imperiaal WAARSCHUWINGEN Wanneer u een imperiaal gebruikt, kan het brandstofverbruik van uw auto hoger zijn en kan de rijkarakteristiek anders zijn. Wanneer u een imperiaal aanbrengt, lees dan de instructies van de fabrikant en volg deze op. E75777 LET OP Overschrijd de maximum toelaatbare dakbelasting van 100 kg (inclusief de imperiaal) niet Bevestigingspunten Controleer of de imperiaal goed vastzit en zet de bevestigingen als volgt vast: voordat u vertrekt na 50 kilometer (30 mijl) te hebben gereden met intervallen van kilometer (600 mijl). BAGAGENETTEN LET OP Het bagagenet mag met maximaal 9,5 kg worden belast. Leg geen zwaardere voorwerpen op het bagagenet. Controleer of de telescopische stangen stevig in de bekledingspanelen vastzitten. 98
101 Transport E81954 De drie telescopische stangen kunnen worden verplaatst, zodat het bagagenet in vijf verschillende standen kan worden aangebracht. 99
102 Aanhangers trekken TREKKEN VAN EEN AANHANGER Schakel terug voordat u een steile afdaling bereikt. WAARSCHUWING Overschrijd het maximaal toelaatbaar treingewicht dat op het identificatieplaatje van de auto staat niet. Zie Voertuigidentificatie (bladzijde 131). LET OP Overschrijd nooit de maximale toegestane kogeldruk, d.w.z. het verticale gewicht op de trekhaakkogel, van 75 kilogram. N.B.: Niet alle auto's zijn geschikt of goedgekeurd voor het aanbrengen van een trekhaak. Vraag dit eerst bij uw dealer na. Plaats de lading zo laag mogelijk en midden op de as(sen) van de aanhanger. Wanneer u met een onbeladen auto rijdt, moet de lading in de aanhanger zover mogelijk naar de aanhangerkoppeling worden geschoven, omdat dit voor de beste stabiliteit zorgt. Overschrijd de maximum toelaatbare kogeldruk niet. De stabiliteit van de auto-aanhanger combinatie is vooral afhankelijk van de kwaliteit van de aanhanger. In bergachtige streken moet vanaf hoogten van meter het maximum toelaatbaar gewicht voor iedere meter met 10% worden verlaagd. Steile hellingen WAARSCHUWING Houd er rekening mee dat de oplooprem van een aanhanger niet door het ABS wordt geregeld. 100
103 Tips voor het rijden INRIJDEN Banden WAARSCHUWING Nieuwe banden hebben een inlooptijd van ongeveer 500 kilometer. Gedurende deze periode kan de auto een andere rijkarakteristiek vertonen. Remmen en koppeling WAARSCHUWING Vermijd indien mogelijk intensief gebruik van de remmen en de koppeling gedurende de eerste 150 kilometer in de stad en gedurende de eerste 1500 kilometer op snelwegen. Motor LET OP Rijd niet te snel gedurende de eerste 1500 kilometer. Varieer uw snelheid regelmatig en schakel tijdig op. Laat de motor niet zwoegen. VOORZORGSMAATREGELEN VOOR KOUDE WEERSOMSTANDIGHEDEN De werking van sommige componenten en systemen kan worden beïnvloed bij temperaturen lager dan -30 C. 101
104 Wat te doen bij pech EERSTEHULPSET Er is ruimte vrijgemaakt onder de bestuurdersstoel. GEVARENDRIEHOEK Er is ruimte vrijgemaakt in het linker zijpaneel van de laadruimte. 102
105 Zekeringen PLAATSEN ZEKERINGENHOUDERS Maak de klem los en het scharnier aan de zijkanten en trek het deksel omhoog. Wanneer het deksel weer wordt aangebracht, druk dan op de zijden met de scharnieren (plaatsen 1 en 2) om ervoor te zorgen dat het deksel goed wordt gesloten. Centrale zekeringenkast Links stuur E75782 A B A B Zekeringenkast in de motorcompartiment Centrale zekeringenkast Zekeringenkast in de motorcompartiment E E75785 WAARSCHUWING Laat de MAXI zekeringen (zekeringen 1-9 in de extra zekeringenkast) door een deskundige vervangen. E
106 Zekeringen Rechts stuur WAARSCHUWINGEN Zet het contact af en schakel alle stroomverbruikers uit voordat u een zekering aanraakt of probeert te vervangen. E Druk de zijwanden naar binnen en laat het handschoenenkastje naar beneden kantelen. B LET OP Breng een vervangingszekering met hetzelfde vermogen aan als van de verwijderde zekering. N.B.: U kunt een doorgeslagen zekering herkennen aan de gebroken smeltdraad. N.B.: Alle zekeringen, behalve zekeringen voor hoge stroomsterkten, zijn steekzekeringen. N.B.: Er zit een zekeringentrekker in de zekeringenkast van de motorruimte. E75787 A B A Zekeringentabel Zekeringen ZEKERINGLABELS Het label met de zekeringen is aan de binnenzijde van het bekledingpaneel rechtsachter aangebracht om de zekeringen te kunnen identificeren. Afhankelijk van de uitvoering kunnen de zekeringen en relais verschillen. De label met de zekeringentabel is in rechthoeken verdeeld, die de zekering of het relais weergeeft. De rechthoeken bevatten de volgende informatie: EEN ZEKERING VERVANGEN WAARSCHUWINGEN Wijzig de elektrische installatie van de wagen op geen enkele wijze. Laat reparaties aan de elektrische installatie en het vervangen van relais en zekeringen voor hoge stroomsterktes door een goed opgeleide monteur uitvoeren. 104
107 Zekeringen Nummer van de zekering Symbool van de functie Vermogen (ampère) van de zekering 3 E
108 Zekeringen SPECIFICATIE-OVERZICHT ZEKERINGEN Zekeringenkast in de motorcompartiment Zekering _A Ampère Beveiligde circuits Centrale zekeringenkast Dubbele koelventilator - secondaire zekering Centrale zekeringenkast Verwarmde voorruit Enkele koelventilator - primaire zekering Dubbele koelventilator - primaire zekering Gloeibougies Centrale zekeringenkast Contactslot Regeleenheid motor Accuspanningregistratie, diagnosestekker Standverwarming Solenoïde startmotor Pomp van ABS PCV-klep, VCV-klep Grootlicht, links Dimlicht, links Dimlicht, rechts Spanning PCM, snelheidssensor Dagrijlicht (zijverlichting) PCM Verdamperpomp Dagrijlicht (dimlicht) Kleppen van ABS 106
109 Zekeringen Zekering Ampère ,5 Beveiligde circuits Regeleenheid voorgloeien (dieselmotoren) Grootlicht, rechts Solenoïde aircokoppeling Sensoren, actuatoren, relaisspoelen Mistlampen Dmilicht (via grootlichtrelais) Aanjagermotor Verwarmde voorruit Centrale zekeringenkast Zekering Ampère , Beveiligde circuits Accuspanning vanaf GEM voor grootlicht Elektrisch verstelbare spiegel Lichtschakelaar (30), accuspanning vanaf GEM voor buitenverlichting Niet in gebruik Niet in gebruik Lichtschakelaar, dagrijlicht Claxon Radio, instrumentengroep Niet in gebruik Niet in gebruik Niet in gebruik Achteruitrijlampen, verwarmde voorste ruitensproeiers Remlichten Aansteker, extra voedingspunt voorzijde Niet in gebruik 107
110 Zekeringen Zekering Ampère , ,5 7, ,5 7,5 7, ,5 7, , Beveiligde circuits Niet in gebruik Ruitenwissermotor, voor Verwarmbare voorstoelen Accuspanning vanaf GEM, Recirc / ICL (30-) Niet in gebruik Niet in gebruik Radio (geheugen en spanning), BTVC-module A/C, parkeerhulp Binnenverlichting en accuspaarfunctie Niet in gebruik Niet in gebruik Stadslicht, rechts Kentekenplaatverlichting Lichtschakelaar, regensensor Niet in gebruik Niet in gebruik ABS, ESP, stuurhoeksensor Airbagmodule, PADI-indicator Accuspanning vanaf GEM voor vergrendelsysteem Niet in gebruik Niet in gebruik Elektrische bediende ruiten voor Verwarmde spiegels, verwarmde achterruit Dagrijlicht, parkeerlichten, kentekenplaatverlichting Tweede voedingspunt Niet in gebruik Niet in gebruik 108
111 Zekeringen Zekering Ampère , , Niet in gebruik Niet in gebruik Beveiligde circuits Achterste voedingspunt, Transco (voorziening wassen van handen) Stadslicht, links Niet in gebruik Niet in gebruik Verwarmde achterruit Instrumentengroep, PATS, gaspedaal Ruitenwisser voor en achter Niet in gebruik Niet in gebruik 109
112 Bergen van de auto SLEEPPUNTEN Sleepoog, achter LET OP Het afneembare sleepoog heeft linkse schroefdraad. Draai het linksom om het vast te zetten. Zorg ervoor dat het sleepoog volledig wordt vastgezet. Het sleepoog moet altijd in de auto worden meegenomen. Steek uw vinger in het gat aan de onderzijde van het paneel en trek het paneel los. Breng het sleepoog aan. Sleepoog, voor E93106 Transit Connect Uw sleepoog bevindt zich in een tas achter de bestuurdersstoel. Tourneo Connect Uw sleepoog bevindt zich in het linker zijpaneel in de laadruimte. AUTO OP VIER WIELEN SLEPEN E76186 WAARSCHUWINGEN Zet het contact aan wanneer uw auto wordt gesleept. Bij afgezet contact treedt het stuurslot in werking en werken de richtingaanwijzers en de remlichten niet. De rem- en stuurbekrachtiging werken niet, tenzij de motor draait. Druk het rempedaal harder in en houd rekening met langere remafstanden en een zwaarder draaiend stuurwiel. 110
113 Bergen van de auto LET OP Te veel spanning op de sleepkabel kan schade toebrengen aan uw en aan de trekkende wagen. Bevestig aan het sleepoog aan de voorzijde geen trekstang. Trek rustig en soepel zonder rukken op. 111
114 Onderhoud ALGEMENE INFORMATIE Wanneer u uw auto regelmatig laat onderhouden zal dit de betrouwbaarheid en de inruilwaarde ten goede komen. Er staat een groot netwerk van Ford Erkende Reparateurs ter beschikking die u met hun professionele expertise ter zijde kunnen staan. De speciaal opgeleide monteurs zijn het best gekwalificeerd om het onderhoud aan uw auto snel en vakkundig uit te voeren. Bovendien beschikken zij over gereedschappen en apparatuur die speciaal zijn ontwikkeld om het onderhoud aan uw auto uit te voeren. Naast het normale onderhoud raden wij aan de volgende extra controles uit te voeren. WAARSCHUWINGEN Zet het contact af voordat u onderdelen aanraakt of probeert af te stellen. Raak onderdelen van het elektronisch ontstekingssysteem bij aangezet contact of draaiende motor niet aan. Het systeem werkt met hoogspanning. Zorg dat uw handen en kledingstukken niet met de koelventilateur in aanraking kunnen komen. Onder bepaalde omstandigheden kan de koelventilateur na het afzetten van de motor nog enkele minuten blijven doordraaien. LET OP Zorg tijdens het uitvoeren van onderhoudscontroles dat de vuldoppen stevig zijn aangebracht. Dagelijkse controles Buitenverlichting. Interieurverlichting. Waarschuwings- en controlelampen. Controles bij het tanken Motoroliepeil. Zie Motorolie controleren (bladzijde 115). Remvloeistofpeil. Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 116). Peil van de ruitensproeiervloeistof. Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 117). Bandenspanning (in koude toestand). Zie Technische specificatie (bladzijde 128). Staat van de banden. Zie Verzorging van banden (bladzijde 127). Maandelijkse controles Koelvloeistofpeil (bij koude motor). Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 116). Slangen, leidingen en reservoirs op lekkage. Vloeistofpeil stuurbekrachtiging. Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 117). Werking van de airconditioning. Werking van de parkeerrem. Werking van de claxon. Vastzitten van de wielmoeren. Zie Technische specificatie (bladzijde 128). 112
115 Onderhoud DE MOTORKAP OPENEN EN SLUITEN De motorkap openen WAARSCHUWING Verwijder, om schade of verlies van de sleutel te voorkomen, de sleutel onmiddellijk na het openen van de motorkap en draai het Ford logo terug E78141 E De motorkap sluiten N.B.: Zorg dat de motorkap goed wordt gesloten. Laat de motorkap zakken en vanaf een hoogte van cm dichtvallen. E
116 Onderhoud OVERZICHT MOTORRUIMTE - 1,8 L DURATORQ-TDCI (LYNX) DIESEL /1,8 L DURATORQ-TDDI (LYNX) DIESEL A B C D E I F E75516 H G A B C D E F G Vloeistofreservoir stuurbekrachtiging 1 : Zie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren (bladzijde 117). Motorolievuldop 1 : Zie Motorolie controleren (bladzijde 115). Reservoir remsysteem en koppeling 1 : Zie Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem (bladzijde 116). Zekeringenkast in motorcompartiment: Zie Zekeringen (bladzijde 103). Luchtfilter. Vloeistofreservoir ruitensproeiers 1 : Zie Ruitensproeiervloeistof controleren (bladzijde 117). Accu: Zie Accu van de auto (bladzijde 121). 114
117 Onderhoud H I Motoroliepeilstaaf 1 : Zie Motorolie controleren (bladzijde 115). Expansiereservoir 1 : Zie Motorkoelvloeistof controleren (bladzijde 116). 1 De vuldoppen en de motoroliepeilstaaf zijn voor een makkelijke herkenning fel gekleurd. OLIEPEILSTAAF - 1,8 L DURATORQ-TDCI (LYNX) DIESEL /1,8 L DURATORQ- TDDI (LYNX) DIESEL A E95527 A B MIN MAX B MOTOROLIE CONTROLEREN LET OP Gebruik geen additieven of andere smeermiddelen. Onder bepaalde omstandigheden kunnen deze de motor beschadigen. N.B.: Het olieverbruik van nieuwe motoren bereikt zijn normale waarden na ongeveer 5000 kilometer. Het oliepeil controleren LET OP Controleer of het peil tussen de MIN en de MAX merktekens staat. N.B.: Controleer het peil voordat de motor wordt gestart. N.B.: De auto moet op een vlakke ondergrond staan. N.B.: Bij verwarming zet olie uit. Daardoor kan het oliepeil enkele millimeters boven het MAX merkteken staan. Verwijder de oliepeilstaaf en veeg deze met een schone, niet pluizende doek schoon. Breng de oliepeilstaaf weer aan en verwijder hem opnieuw om het oliepeil te controleren. Wanneer het peil bij het MIN merkteken staat, vul dan direct bij. Bijvullen WAARSCHUWINGEN Vul alleen bij wanneer de motor koud is. Wacht wanneer de motor heet is tien minuten om de motor te laten afkoelen. Verwijder de vuldop niet bij draaiende motor. Verwijder de vuldop. LET OP Het oliepeil mag niet boven het MAX merkteken komen te staan. 115
118 Onderhoud Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 118). Draai de vuldop er weer op. Draai hem tot u sterke weerstand voelt. MOTORKOELVLOEISTOF CONTROLEREN Koelvloeistofpeil controleren WAARSCHUWING Voorkom dat de vloeistof in contact komt met de huid of de ogen. Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts. LET OP Controleer of het peil tussen de MIN en MAX merktekens staat. N.B.: Koelvloeistof zet bij verwarming uit. Daardoor kan het koelvloeistofpeil enkele millimeters boven het MAX merkteken staan. Wanneer het peil bij het MIN merkteken staat, vul dan direct bij. Bijvullen WAARSCHUWINGEN Vul alleen bij wanneer de motor koud is. Wacht wanneer de motor heet is tien minuten om de motor te laten afkoelen. Verwijder de vuldop niet bij draaiende motor. Verwijder de vuldop niet wanneer de motor heet is. Laat de motor eerst afkoelen. WAARSCHUWINGEN Onverdunde koelvloeistof is brandbaar en kan ontbranden wanneer deze wordt gemorst op een hete uitlaat. LET OP In een noodgeval kan water in het koelsysteem worden bijgevuld om een tankstation te bereiken. Laat het systeem zo snel mogelijk door een goed opgeleide en vakkundige monteur controleren. Langdurig gebruik van koelvloeistof met een incorrecte mengverhouding kan leiden tot motorschade door corrosie, oververhitting of bevriezing. Draai de dop langzaam los. Laat de druk langzaam ontsnappen terwijl u de dop losdraait. LET OP Het oliepeil mag niet boven het MAX merkteken komen te staan. Vul bij met een mengsel van koelvloeistof en water (50/50) op basis van vloeistof die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 118). CONTROLE VLOEISTOFPEIL KOPPELING EN REMSYSTEEM WAARSCHUWINGEN Voorkom dat de vloeistof in contact komt met de huid of de ogen. Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts. 116
119 Onderhoud WAARSCHUWINGEN Als het vloeistofpeil is gezakt tot de markering MIN, laat het systeem dan zo snel mogelijk controleren door een goed opgeleide monteur. N.B.: Vervuiling door vuil, water, petroleumproducten of andere materialen kunnen leiden tot een defect remsysteem of dure reparaties. N.B.: Het remsysteem en het bedieningsmechanisme van de koppeling zijn aangesloten op één reservoir. Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 118). STUURBEKRACHTI- GINGSVLOEISTOF CONTROLEREN WAARSCHUWING Voorkom dat de vloeistof in contact komt met de huid of de ogen. Mocht dit toch gebeuren, spoel het betreffende lichaamsdeel dan direct met veel water schoon en neem contact op met uw huisarts. Wanneer het peil bij het MIN merkteken staat, vul dan direct bij. Bijvullen Verwijder de brandstofdop. LET OP Het oliepeil mag niet boven het MAX merkteken komen te staan. Vul vloeistof bij die voldoet aan de Ford specificatie. Zie Technische specificatie (bladzijde 118). RUITENSPROEIERVLOEISTOF CONTROLEREN N.B.: De ruitensproeiers van de voor- en achterruit hebben een gemeenschappelijk reservoir. Gebruik voor het bijvullen een mengsel van sproeiervloeistof en water om bevriezing bij koude weersomstandigheden te voorkomen en het reinigende effect te verbeteren. We adviseren alleen sproeiervloeistof van hoge kwaliteit te gebruiken. Raadpleeg de productinstructies voor informatie over vloeistofverdunning. LET OP Controleer of het peil tussen de MIN en MAX merktekens staat. 117
120 Onderhoud TECHNISCHE SPECIFICATIE Vloeistoffen Punt Motorolie Stuurbekrachtiging Koelvloeistof Remvloeistof Specificatie WSS-M2C913-C WSA-M2C-195-A WSS-M97B44-D WSS-M6C57-A2 Aanbevolen vloeistof Castrol Engine Oil * Ford of Motorcraft Power Steering Fluid Motorcraft SuperPlus antivries Ford of Motorcraft Super DOT 4 remvloeistof * U kunt tevens Ford Engine Oil motorolie of een andere motorolie gebruiken wanneer deze voldoet aan de specificatie WSS-M2C913-C. Olie bijvullen: Wanneer geen olie verkrijgbaar is die voldoet aan de specificatie WSS-M2C913-C, moet u SAE 5W-30 (aanbevolen), SAE 5W-40 of SAE 10W-40 gebruiken die voldoet aan de specificatie ACEA A5/B5 (aanbevolen) of ACEA A3/B3. Het gebruik van deze oliën kan tot gevolg hebben dat de motor minder snel aanslaat, minder vermogen levert, meer brandstof verbruikt en een hogere emissiewaarde heeft. Castrol motorolie wordt aanbevolen. E Inhouden Alle Alle Alle Variant 1,8 l Duratorq-TDdi/ Duratorq-TDCi 1,8 l Duratorq-TDdi/ Duratorq-TDCi 1,8 l Duratorq-TDdi/ Duratorq-TDCi Nr. Vloeistof stuurbekrachtiging Voorruitsproeiers Brandstoftank Koelsysteem incl. verwarming Motorolie - inclusief filter Motorolie - exclusief filter Inhoud in liter (gallons) MAX-merkteken 4,3 (1,0) 60 (13,2) 7,0 (1,5) 5,6 (1,2) 5,0 (1,1) 118
121 Verzorging van de auto REINIGEN VAN BUITENZIJDE AUTO WAARSCHUWING Wanneer de auto tijdens het wassen in een autowasserette in de was wordt gezet, verwijder dan de was van de voorruit. LET OP Controleer eerst de geschiktheid van de autowasserette voor uw auto, voordat u van de autowasserette gebruik maakt. Sommige wasinstallaties maken gebruik van water onder hoge druk. Hierdoor kunnen sommige onderdelen van uw auto worden beschadigd. Verwijder de antenne voordat u een automatische wasstraat inrijdt. Schakel de aanjager uit om te voorkomen dat deeltjes was zich in het luchtfilter vastzetten. Wij raden aan uw auto met een spons en handwarm water en autoshampoo te wassen. Koplampen reinigen LET OP Gebruik geen scherpe voorwerpen, schurende reinigingsmiddelen of oplossingen op alcoholische of chemische basis om de koplampglazen te reinigen. Veeg de koplampglazen niet schoon wanneer ze droog zijn. Achterruit reinigen LET OP Gebruik geen scherpe voorwerpen, schurende reinigingsmiddelen of chemische oplossingen op de binnenzijde van de achterruit te reinigen. Gebruik een schone, niet pluizende doek of een vochtige zeem om de binnenzijde van de achterruit te reinigen. Chromen onderdelen reinigen LET OP Gebruik geen schuurmiddelen of chemische oplosmiddelen. Gebruik een zeepoplossing. Onderhoud van de lak LET OP Poets de auto niet in de felle zon. Voorkom dat polish op kunststof oppervlakken komt. Dit laat zich moeilijk verwijderen. Breng geen polish op de voor- en achterruit aan. Dit heeft een lawaaiige werking van de ruitenwissers tot gevolg; bovendien kunnen de ruiten dan niet goed worden drooggeveegd. Wij raden u aan de lak één- of tweemaal per jaar in de was te zetten. 119
122 Verzorging van de auto REINIGEN VAN BINNENZIJDE AUTO Veiligheidsgordels WAARSCHUWINGEN Gebruik voor het reinigen geen schurende middelen of chemische oplosmiddelen. Let er op dat geen vocht in het oprolmechanisme komt. Reinig de veiligheidsgordels met een interieurreiniger of water met een zachte spons. Laat de veiligheidsgordels op een natuurlijke manier drogen. Gebruik geen haardroger o.i.d. Instrumentenpaneelschermen, LCD-schermen, radioschermen KLEINE LAKSCHADE REPAREREN LET OP Verwijder onmiddellijk ogenschijnlijk onschadelijke substanties van het lakwerk (bijvoorbeeld uitwerpselen van vogels, boomsappen, dode insecten, teervlekken, wegenzout en industriële neerslag). Lakbeschadigingen door steenslag of kleine krasjes moeten zo spoedig mogelijk worden hersteld. Uw Ford dealer heeft een grote keuze aan producten. Lees en volg nauwkeurig de instructies van de fabrikant op. WAARSCHUWING Gebruik voor het reinigen geen schurende middelen, oplosmiddelen op basis van alcohol of chemische oplosmiddelen. Achterruiten LET OP Gebruik geen schurende materialen voor het reinigen van de binnenzijde van de achterruiten. Breng geen stickers of labels aan op de binnenzijde van de achterruiten. 120
123 Accu van de auto STARTEN MET HULPSTARTKABELS LET OP Verbind alleen accu's met dezelfde nominale spanning met elkaar. Gebruik altijd hulpstartkabels met geïsoleerde klemmen en een voldoende dikke kern. Koppel de ontladen accu niet los van de elektrische installatie van de auto. Hulpstartkabels aansluiten 1 B 2 A 3. Verbind de pluspool (+) van auto A met de pluspool (+) van auto B (kabel 1). 4. Verbind de min (-) pool van auto B met het motorblok of de motorsteun van auto A (kabel 2). LET OP Sluit de kabel niet aan op de minpool ( ) van de ontladen accu. Zorg ervoor dat de kabels niet met draaiende onderdelen in aanraking kunnen komen. Motor starten 1. Start de motor van auto B en laat deze met een matig hoog toerental draaien. 2. Start de motor van auto A. 3. Laat beide motoren minimaal drie minuten draaien alvorens de kabels los te koppelen. LET OP Schakel de koplampen tijdens het loskoppelen van de hulpstartkabels niet in. Door de spanningspiek kunnen de gloeilampen doorbranden. E75524 Koppel de kabels in omgekeerde volgorde los. A B 1 2 Auto met de lege accu Auto met de hulpaccu Positieve hulpstartkabel Negatieve hulpstartkabel 1. Plaats de auto's zodanig dat ze elkaar niet raken. 2. Zet het contact van beide auto's af en schakel alle stroomverbruikers uit. 121
124 Velgen en banden ALGEMENE INFORMATIE LET OP Gebruik uitsluitend banden en velgen met de goedgekeurde maat. Het gebruik van andere maten kan schade aan de auto tot gevolg hebben en kan de typegoedkeuring ongeldig maken. Wanneer u banden met een andere diameter laat monteren dan die van de in de fabriek gemonteerde banden, geeft de snelheidsmeter niet meer de juiste snelheid aan. Breng uw wagen naar uw dealer en laat het motor managementsysteem opnieuw programmeren. Wanneer u banden met een andere diameter dan de in de fabriek gemonteerde banden wilt aanbrengen, controleer dan bij uw dealer of deze geschikt zijn. N.B.: Controleer de bandenspanningen regelmatig voor een optimaal brandstofverbruik. Op de B-stijl bij het bestuurdersportier bevindt zich een plaatje met de bandenspanning. Controleer de bandenspanning bij een temperatuur waarin u gaat rijden en wanneer de banden koud zijn. Boordkrik WAARSCHUWINGEN Controleer, voordat u de boordkrik gebruikt, of deze niet is beschadigd of vervormd en dat de schroefdraad is gesmeerd en vrij is van verontreinigingen. U mag nooit iets tussen de krik en de grond of de krik en de auto plaatsen. Het verdient aanbeveling een hydraulische garagekrik te gebruiken wanneer u bijv. de zomerbanden door winterbanden vervangt. N.B.: Gebruik een krik met een minimum hefvermogen van 1,5 ton en een krikkop met een diameter van minimaal 80 mm (3,1 inch). Transit Connect Uw boordkrik en wielmoersleutel bevinden zich in een tas achter de bestuurdersstoel. 1. Schuif de bestuurdersstoel volledig naar voren Zie Voorstoelen (bladzijde 75). 2. Klap de rugleuning naar voren. 3. Open de bevestigingsbanden op de zak en verwijder de wielmoersleutel. 4. Verwijder de bevestigingsbout met behulp van de wielmoersleutel. EEN WIEL VERVANGEN Wielslotmoeren Na het overleggen van het certificaat met het referentienummer kunt u bij uw dealer een vervangings dopsleutel en vervangings slotmoeren verkrijgen. E Verwijder de krik. 122
125 Velgen en banden 6. Breng de eerder verwijderde onderdelen in omgekeerde volgorde aan. Tourneo Connect Uw boordkrik en wielmoersleutel bevinden zich in het linker zijpaneel in de laadruimte. Kriksteunpunten LET OP Gebruik uitsluitend de aangegeven kriksteunpunten. Wanneer u andere punten gebruikt kan dit de carrosserie, de stuurinrichting, de wielophanging, de motor, het remsysteem of de brandstofleidingen beschadigen. A B E93301 A B Alleen voor gebruik in noodsituaties Onderhoud 123
126 Velgen en banden A E93302 Kleine pijlvormige markeringen op de dorpels A duiden de kriksteunpunten aan. Reservewiel E76072 Maak de eerste kabel los door de dop los te draaien en terug te schuiven. Draai de nippel aan het uiteinde van de kabel 90 graden. Maak de tweede kabel los door de moer los te draaien. Wiel verwijderen E76071 Steek het zeskantige uiteinde van de wielmoersleutel in de geleideboring om het reservewiel te laten zakken. Draai de wielmoersleutel linksom tot het wiel op de grond rust en de staalkabel geheel ontspannen is. WAARSCHUWINGEN Parkeer uw auto dusdanig dat u, noch het verkeer hinder ondervindt of gevaar loopt. Zet een gevarendriehoek neer. Zorg ervoor dat de auto met de wielen in de rechtuitstand op een stevige, vlakke ondergrond staat. Zet het contact af en trek de handrem aan. 124
127 Velgen en banden WAARSCHUWINGEN Schakel de eerste versnelling of de achteruit in wanneer uw auto is uitgerust met een handgeschakelde versnellingsbak. Selecteer stand 'P' wanneer deze met een automatische transmissie is uitgerust. Laat de inzittenden uitstappen. Blokkeer het diagonaal tegenoverliggende wiel met een geschikt blok hout of een wielkeg. Let erop dat bij richting gebonden banden de pijlen in de draairichting wijzen wanneer de auto vooruit rijdt. Wanneer een reservewiel moet worden gemonteerd waarvan de pijlen tegengesteld aan de draairichting wijzen, laat dan de band zo spoedig mogelijk door een deskundige in de juiste richting monteren. Voer geen werkzaamheden uit onder een auto die alleen wordt ondersteund door een krik. Zorg ervoor dat de krik verticaal ten opzichte van het kriksteunpunt staat en dat de voet vlak op de grond staat. E Breng de wielmoersleutel aan en verwijder vorozichtig de wieldop. 2 LET OP Leg lichtmetalen velgen niet met de buitenzijde op de grond, hierdoor wordt de lak beschadigd. 3 E Breng de dopsleutel voor de slotmoer aan. 3. Draai de wielmoeren een slag los. 125
128 Velgen en banden 4. Krik de auto op tot de band vrij is van de grond. 5. Verwijder de wielmoeren en het wiel. Wiel aanbrengen WAARSCHUWINGEN Gebruik uitsluitend banden en velgen met de goedgekeurde maat. Het gebruik van andere maten kan schade aan de auto tot gevolg hebben en kan de typegoedkeuring ongeldig maken. Zie Technische specificatie (bladzijde 128). Laat geen run flat banden monteren als de auto hiermee oorspronkelijk niet was uitgerust. Raadpleeg uw dealer voor meer informatie over de geschiktheid van banden. LET OP Bevestig lichtmetalen velgen niet met moeren die voor stalen velgen zijn bestemd. N.B.: De wielmoeren voor lichtmetalen velgen en stalen spaakvelgen kunnen gedurende korte tijd worden gebruikt voor het vastzetten van de stalen velg van het reservewiel (maximaal twee weken). N.B.: Zorg ervoor dat de contactvlakken tussen de velg en de naaf vrij zijn van vreemde voorwerpen. N.B.: Zorg ervoor dat de conische zijde van de wielmoeren naar de velg is gekeerd. 1. Breng het wiel aan. 2. Draai de wielmoeren handvast aan. 3. Breng de dopsleutel voor de slotmoer aan. E Zet de wielmoeren in de aangegeven volgorde voorlopig vast. 5. Laat de auto zakken en verwijder de krik. 6. Draai de wielmoeren in de aangegeven volgorde definitief vast. 7. Breng de wieldop aan met de bal van uw hand. 2 WAARSCHUWING Laat het aanhaalmoment van de wielmoeren en de bandenspanning zo spoedig mogelijk controleren. N.B.: Wanneer het reservewiel een andere maat heeft of anders is geconstrueerd dan de overige wielen, laat deze dan zo spoedig mogelijk vervangen. Wiel opbergen LET OP Hijs de reservewielhouder niet op zonder het wiel te hebben vastgezet. Wanneer geen wiel is aangebracht kan het ophijsmechanisme bij het laten zakken worden beschadigd. 126
129 Velgen en banden VERZORGING VAN BANDEN GEBRUIK VAN WINTERBANDEN LET OP Controleer of u de velgen met de winterbanden met het correcte type wielmoeren hebt bevestigd. E70415 Om ervoor te zorgen dat de banden van de voor- en achterwielen van uw auto gelijkmatig slijten en een langere levensduur hebben, adviseren we de wielen met regelmatige intervallen tussen 5000 en kilometer van voor naar achter en vice versa te wisselen. LET OP Laat tijdens het parkeren de bandwangen niet langs stoepbanden schuren. Als u een stoeprand moet oprijden, doe het dan zo langzaam mogelijk en rijd zo mogelijk haaks met de wielen het trottoir op. Controleer de banden regelmatig op scheuren, vreemde voorwerpen of onregelmatige slijtage van het loopvlak. Ongelijkmatige slijtage kan betekenen dat de wieluitlijning niet meer aan de specificaties voldoet. Controleer iedere twee weken de bandenspanning (inclusief het reservewiel) wanneer de banden koud zijn. Indien winterbanden zijn gemonteerd, controleer dan of de bandenspanning correct is. Zie Technische specificatie (bladzijde 128). GEBRUIK VAN SNEEUWKETTINGEN WAARSCHUWINGEN Rijd niet harder dan 50 km/h (30 mph). Rijd niet met sneeuwkettingen op een sneeuwvrij wegdek. Monteer geen sneeuwkettingen op 205/55 R 16 banden. LET OP Wanneer uw auto is uitgerust met wieldeksels, verwijder deze dan voordat u sneeuwkettingen monteert. N.B.: Het ABS blijft normaal werken. Gebruik alleen sneeuwkettingen met kleine schakels. Monteer alleen sneeuwkettingen op de voorwielen. 127
130 Velgen en banden TECHNISCHE SPECIFICATIE Transit Connect Aanhaalmoment wielmoeren Staal - type 1 Staal - type 2 Lichtmetaal Wieltype Nm (Ib-ft) 90 (66,4) 135 (99,6) 120 (88,5) Type 1 - gesloten einde, tweedelige wielmoer Type 2 - open einde, eendelige wielmoer E E Korte wielbasis Bandenspanning Normaal beladen Maximaal beladen Variant Bandenmaat Voor bar (lbf/in²) Achter bar (lbf/in²) Voor bar (lbf/in²) Achter bar (lbf/in²) T /65 R 15 2,2 (32) 2,5 (36) 2,3 (33) 3,0 (44) T /65 R 15 2,2 (32) 2,5 (36) 2,4 (35) 3,4 (49) 128
131 Velgen en banden Lange wielbasis Bandenspanning Normaal beladen Maximaal beladen Variant Bandenmaat Voor bar (lbf/in²) Achter bar (lbf/in²) Voor bar (lbf/in²) Achter bar (lbf/in²) T /65 R 15 2,3 (33) 2,7 (39) 2,3 (33) 3,4 (49) T /65 R 15 2,3 (33) 2,7 (39) 2,5 (36) 3,4 (49) T /65 R 15 2,3 (33) 2,7 (39) 2,5 (36) 3,4 (49) Tourneo Connect Korte wielbasis Bandenspanning Normaal beladen Maximaal beladen Variant Bandenmaat Voor bar (lbf/in²) Achter bar (lbf/in²) Voor bar (lbf/in²) Achter bar (lbf/in²) K /55 R 16 2,2 (32) 2,2 (32) 2,2 (32) 2,8 (41) K /65 R 15 2,2 (32) 2,5 (36) 2,2 (32) 3,0 (44) K210 (500 kg) 195/65 R 15 2,2 (32) 2,2 (32) 2,2 (32) 2,8 (41) K210 (625 kg) 195/65 R 15 2,2 (32) 2,5 (36) 2,2 (32) 3,0 (44) K /65 R 15 2,2 (32) 2,5 (36) 2,4 (35) 3,4 (49) K /65 R 15 2,2 (32) 2,5 (36) 2,4 (35) 3,4 (49) 129
132 Velgen en banden Lange wielbasis Bandenspanning Normaal beladen Maximaal beladen Variant Bandenmaat Voor bar (lbf/in²) Achter bar (lbf/in²) Voor bar (lbf/in²) Achter bar (lbf/in²) K /65 R 15 2,3 (33) 2,7 (39) 2,3 (33) 3,4 (49) K /65 R 15 2,3 (33) 2,7 (39) 2,3 (33) 3,4 (49) 130
133 Voertuigidentificatie VOERTUIGIDENTIFICA- TIEPLAATJE VOERTUIGIDENTIFI- CATIENUMMER N.B.: Het ontwerp van het identificatieplaatje kan afwijken van het getoonde plaatje. N.B.: De informatie op het identificatieplaatje is afhankelijk van de vereisten per land. A B E93897 E85610 A B C D E E D C Voertuig Identificatie Nummer Maximaal toelaatbare totaalgewicht Maximaal toelaatbaar treingewicht Maximum voorasbelasting Maximum achterasbelasting Het voertuigidentificatienummer (VIN) en de maximum toelaatbare gewichten zijn vermeld op een plaatje aan slotzijde onderin de opening van het rechter voorportier. Het voertuigidentificatienummer is ingeslagen in het vloerpaneel vóór de passagiersstoel voorin. Het is ook op de linkerzijde van het instrumentenpaneel vermeld. LAV-PLAATJE (LASTAFHANKELIJKE REMDRUKREGELKLEP) Bepaalde wagens zijn uitgerust met een LAV-plaatje (lastafhankelijke remdrukregelklep) op de stijl van het linker achterportier, waarop de afstelgegevens van deze klep staan. Deze afstellingen mogen alleen door een deskundige worden uitgevoerd. 131
134 Inhouden en specificaties TECHNISCHE SPECIFICATIE Afmetingen van de auto Korte wielbasis D A D A C E76188 E B 132
135 Inhouden en specificaties Nr. A B C D E E Afmetingen Totale lengte Totale breedte inclusief buitenspiegels Totale hoogte Wielbasis Spoorbreedte - voor Spoorbreedte - achter Afmetingen in mm (inches) 4324 (170,2) 2113 (83,2) (71,0-72,3) 2665 (104,9) 1505 (59,3) 1552 (61,1) 133
136 Inhouden en specificaties Lange wielbasis D A D A C E76189 E B 134
137 Inhouden en specificaties Nr. A B C D E E Afmetingen Totale lengte Totale breedte inclusief buitenspiegels Totale hoogte Wielbasis Spoorbreedte - voor Spoorbreedte - achter Afmetingen in mm (inches) 4571 (180,0) 2113 (83,2) (77,5-78,0) 2912 (114,6) 1505 (59,3) 1552 (61,1) 135
138 Inhouden en specificaties Afstanden trekhaak A B C D E F E76190 G Nr. A B Afmetingen Bumper einde trekhaakkogel Bevestigingspunt hart trekhaakkogel Afmetingen in mm (inches) min 90 (3,5) 91,1 (3,6) 136
139 Inhouden en specificaties Nr. C D E F G Afmetingen Hart wiel hart trekhaakkogel Hart trekhaakkogel langsbalk Buitenzijde langsbalk Hart trekhaakkogel hart 1e bevestigingspunt Hart trekhaakkogel hart 2e bevestigingspunt Afmetingen in mm (inches) 834 (32,8) 460 (18,1) 920 (36,2) 413,3 (16,3) 566,3 (22,3) Alle maten hebben betrekking op officieel door Ford goedgekeurde trekhaken en bevestigingsmaterialen. 137
140 Inleiding audio-installatie BELANGRIJKE AUDIO- INFORMATIE WAARSCHUWINGEN Door technische verschillen kunnen opneembare CD s (CD-R's) en opnieuw beschrijfbare CD s (CD-RW's) mogelijk niet correct functioneren. Op deze toestellen kunnen CD's worden afgespeeld die aan de International Red Book standaard audiospecificatie voldoen. CD s met kopieerbeveiliging van sommige fabrikanten voldoen niet aan deze standaard; het correct afspelen ervan kan dan ook niet worden gegarandeerd. Dual format, dubbelzijdige CD's (DVD Plus, CD-DVD format), die door de muziekindustrie worden gebruikt, zijn dikker dan normale CD's; het correct afspelen ervan kan dan ook niet worden gegarandeerd en bovendien kunnen ze klemraken. CD s met een onregelmatige vorm en CD s met krasbescherming of zelfklevende etiketten mogen niet worden gebruikt. Garantieclaims, waarbij dit type CD in een audiotoestel wordt aangetroffen dat voor reparatie wordt aangeboden, worden niet geaccepteerd. Alle toestellen behalve Sony CD (maar niet de 6CD) zijn uitsluitend bedoeld voor het afspelen van commercieel geperste 12 cm audio-cd's. De Sony CD-speler kan 8 cm CD's afspelen wanneer een door Sony goedgekeurde adapter is aangebracht (CSA-8). Het audiotoestel kan worden beschadigd wanneer voorwerpen als creditcards of munten in de CD-sleuf worden geduwd. Labels op het audiotoestel E66256 E66257 CD etiketten Audio-CD E66254 MP3 E
141 Overzicht audio-installatie OVERZICHT AUDIO-INSTALLATIE A C B P O N M L D E F G H E I K J I A B C D A F G H I J K L M N CD-sleuf. Zie CD's aanbrengen (bladzijde 150). Aan, uit en volumeregeling. Zie Aan/uit toets (bladzijde 143). CD uitwerpen. Zie CD's uitwerpen (bladzijde 151). Klok. Zie Tijd en datum van de audio-installatie instellen (bladzijde 142). Balans- en fade-regeling. Zie Balance/fade (balans links/rechts, voor/achter) regeling (bladzijde 143). Lage- en hoge-tonenregeling. Zie Bass/treble (lage/hoge tonen) regeling (bladzijde 143). Menu. Zie Bediening van de audio-installatie (bladzijde 143). Oproep beëindigen. Zie Telefoon (bladzijde 155). Stationsvoorkeuzetoetsen. Zie Voorkeuzetoetsen (bladzijde 145). Opwaarts zoeken. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 146). Neerwaarts zoeken. Zie Station afstemtoetsen (bladzijde 146). Oproep beantwoorden. Zie Telefoon (bladzijde 155). Verkeersberichten. Zie Regeling functie verkeersinformatie (bladzijde 145). Golfband selecteren. Zie Golfband toets (bladzijde 145). 139
142 Overzicht audio-installatie O P Extra ingang selecteren. Zie Ingangsaansluiting (AUX IN) (bladzijde 152). CD selecteren. Zie CD-speler (bladzijde 150). 140
143 Beveiliging van uw audio-installatie BEVEILIGINGSCODE Elk toestel bevat een unieke code die moet worden ingevoerd voordat het toestel kan worden gebruikt. Is de accu losgekoppeld of is het toestel uit de auto verwijderd geweest, dan moet de code opnieuw worden ingevoerd voordat het toestel kan worden gebruikt. BEVEILIGINGSCODE VERGETEN Raakt u uw unieke code kwijt, neem dan contact op met uw dealer en geef hem de gegevens van uw audiotoestel en overleg een identiteitsbewijs. BEVEILIGINGSCODE INVOEREN ONJUISTE BEVEILIGINGSCODE Maximaal zijn 10 invoerpogingen van de unieke code toegestaan, met verschillende consequenties indien u een fout maakt. Het aantal pogingen wordt in het display weergegeven. Wanneer in het display CODE verschijnt, kan meteen een nieuwe poging worden gedaan. Wanneer in het display WAIT 30 verschijnt, wordt het toestel 30 minuten lang geblokkeerd. Wacht dan tot de timer tot nul heeft afgeteld. Wanneer CODE in het display verschijnt, voert u de correcte code in. N.B.: Na 10 mislukte pogingen wordt het toestel permanent uitgeschakeld en wordt LOCKED in het display weergegeven. Neem contact op met uw Ford dealer. Verschijnt CODE , CODE 0000 of ENTER KEYCODE in het display wanneer u het audiotoestel inschakelt, dan moet u met behulp van de stationsvoorkeuzetoetsen de unieke code invoeren. 1. Voer de unieke code in met behulp van de stationsvoorkeuzetoetsen. 2. Maakt u een fout bij het invoeren van de code, voer de cijfers dan opnieuw in door de toetsen 0-9 te blijven gebruiken. Het display gaat van cijferpositie 1 naar 4 en vervolgens weer terug. 3. Zorg dat de ingevoerde code volledig en correct is, voordat u op de # toets drukt. 141
144 Audiodisplays met tijd- en datumaanduiding TIJD EN DATUM VAN DE AUDIO-INSTALLATIE INSTELLEN Datum en tijd veranderen Druk op de CLOCK toets om de datum en tijd weer te geven. N.B.: Wanneer u binnen 30 seconden na het indrukken van de CLOCK toets niet op een andere toets drukt, keert het display naar de eerdere instelling terug. 1. Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de datum en de tijd te kiezen die u wenst te veranderen. De gekozen waarde knippert in het display. 2. Draai de volumeregeling om de gekozen datum- of tijdwaarde te veranderen. 3. Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om extra datumen tijdwaarden te kiezen die u wenst te veranderen. 4. Draai de volumeregeling om de gekozen datum- of tijdwaarde te veranderen. 5. Druk op de CLOCK toets om de instelmodus te verlaten en uw instellingen op te slaan. N.B.: Wanneer u niet binnen 30 seconden na het veranderen van een datum- of tijdwaarde op de CLOCK toets drukt, wordt het instellen beëindigd en worden de nieuwe waarden automatisch opgeslagen. N.B.: Druk op de CLOCK toets en houd deze langer dan twee seconden ingedrukt om de uurwaarde voor het instellen van winter- of zomertijd te selecteren. 12/24 uurs modus 1. Druk enkele malen op de MENU toets totdat het 12/24 symbool in het display verschijnt. 2. Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de gewenste instelling te kiezen. 3. Druk enkele malen op de MENU toets of laat het menu de functie afbreken om uw selectie te bevestigen. 142
145 Werking van de audio-installatie AAN/UIT TOETS Druk op de aan/uit knop. Hierdoor kan het toestel nog een uur nadat het contact is afgezet worden gebruikt. Na een uur schakelt het radiotoestel automatisch uit. BASS/TREBLE (LAGE/HOGE TONEN) REGELING De bass-functie wordt gebruikt om de lage-tonenweergave van het audiotoestel te regelen. De treble-functie wordt gebruikt om de hoge-tonenweergave van het audiotoestel te regelen. N.B.: Het gekozen niveau wordt in het display weergegeven. 1. Druk eenmaal op de BASS/TRE toets voor de lage-tonenweergave en tweemaal voor de hoge-tonenweergave. 2. Gebruik de volumeregeling, of bij bepaalde toestellen de toetsen opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken, om de gewenste aanpassingen door te voeren. BALANCE/FADE (BALANS LINKS/RECHTS, VOOR/ACHTER) REGELING De balansfunctie wordt gebruikt om de geluidsverdeling tussen de linker en rechter luidsprekers aan te passen. De fade-functie wordt gebruikt voor het aanpassen van de geluidsverdeling van voor naar achter in auto's die met luidsprekers achterin zijn uitgerust. 1. Druk eenmaal op de FADE/BAL toets voor de fade-functie en tweemaal voor de balansfunctie. 2. Gebruik de volumeregeling, of bij bepaalde toestellen de toetsen opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken, om de gewenste aanpassingen door te voeren. BEDIENING VAN DE AUDIO- INSTALLATIE Gebruik de MENU toets om toegang te verkrijgen tot functies die niet direct via een van de bedieningstoetsen gekozen kunnen worden. Druk op de MENU toets voor functies op het eerste niveau of houd de MENU toets ingedrukt voor andere functies van het tweede niveau. Menufuncties Eerste niveau Tweede niveau Tijdens radioontvangst Tijdens het afspelen van een cassette Tijdens het afspelen van een CD Tijdens alle functies Handmatig afstemmen 12/24 uur Scannen Lokale of algemene verkeersberichten Scanfunctie AVC * Shuffle AF ** 12/24 uur Menu ADV Herhalen REG 143
146 Werking van de audio-installatie Menufuncties Eerste niveau Tweede niveau Tijdens radioontvangst AVC * Menu ADV - - Tijdens het afspelen van een cassette Tijdens het afspelen van een CD Klomp 12/24 uur AVC * Menu ADV Tijdens alle functies Nieuws CLIP VID Bluetooth aan/uit N.B.: De volgorde waarin functies verschijnen, kan verschillen afhankelijk van het audiotoestel of het voertuig. N.B.: Functies op het tweede niveau (geavanceerd) kunnen ook ingevoerd worden door het ADV menu in het menu van het eerste niveau te selecteren. * Automatische volumeregeling. ** Alternatieve frequenties. 144
147 Werking van de audio-installatie VOORKEUZETOETSEN Met deze voorziening kunt u uw favoriete radiostations opslaan, zodat u later direct hierop kunt afstemmen door de juiste golfband te selecteren en op de betreffende voorkeuzetoets te drukken. 1. Kies een golfband. 2. Stem af op het gewenste radiostation. 3. Houd een van de voorkeuzetoetsen ingedrukt. De geluidsweergave wordt onderbroken. Zodra het geluid weer wordt weergegeven, is het radiostation opgeslagen. Dit kan op elke golfband en voor iedere voorkeuzetoets worden herhaald. N.B.: Wanneer u naar een ander deel van het land rijdt, worden FM RDS (radio data system) radiostations die op alternatieve frequenties uitzenden onder de voorkeuzetoetsen opgeslagen. GOLFBAND TOETS N.B.: De AM/FM of RADIO toets kan ook worden gebruikt om naar radio-ontvangst terug te keren wanneer u naar een andere geluidsbron hebt geluisterd. Druk op de AM/FM toets om een keuze uit de beschikbare golfbanden te maken. AUTOSTORE TOETS N.B.: Met deze functie worden de eerder onder Autostore opgeslagen voorkeuzestations overschreven. N.B.: Deze functie kan ook worden gebruikt om radiostations handmatig op te slaan op dezelfde wijze als andere golfbanden. N.B.: De krachtigste beschikbare signalen op de gekozen golfband worden opgeslagen. De geluidsweergave wordt onderbroken en AUTOSTORE wordt in het display weergegeven terwijl het toestel de frequenties afzoekt. Wanneer het zoeken voltooid is, wordt de geluidsweergave hersteld en worden de krachtigste signalen onder de voorkeuzetoetsen van Autostore opgeslagen. Druk op de AM/FM toets en houd deze ingedrukt. REGELING FUNCTIE VERKEERSINFORMATIE Veel radiostations die op de FM-band uitzenden hebben een TP-code die aangeeft dat deze verkeersinformatie uitzenden. Verkeersberichten inschakelen Voordat u verkeersberichten kunt ontvangen, moet u op de TA toets drukken. TA-D dan wel TA-L wordt in het display weergegeven om aan te geven dat de functie is ingeschakeld. Indien u reeds heeft afgestemd op een radiostation dat verkeersinformatie uitzendt, wordt ook TP in het display weergegeven. Anders zoekt het toestel naar een verkeersprogramma en wordt tijdens het zoeken TP SEEK weergegeven. Kan het toestel een dergelijk radiostation niet vinden, dan wordt NOT FOUND in het display weergegeven. TP verschijnt in een venster in het display wanneer u heeft afgestemd op een radiostation dat verkeersinformatie levert via een geschakeld RDS (radio data system) of EON (enhanced other network) radiostation. 145
148 Werking van de audio-installatie Wanneer verkeersinformatie wordt uitgezonden, onderbreekt deze automatisch de normale radio-, cassette of CD-weergave; TRAFFIC of NEWS wordt dan in het display weergegeven. Wanneer het verkeersinformatiesignaal zwakker wordt, knippert TP in het display. Druk op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om een ander radiostation te zoeken. N.B.: Wanneer dit tijdens het afspelen van een CD of een apparaat in de AUX-aansluiting gebeurt of, bij bepaalde modellen, wanneer het radiovolume op 0 is gezet, dan zal het toestel automatisch op een ander radiostation afstemmen dat verkeersinformatie uitzendt. Indien een radiostation wordt gekozen of met behulp van de voorkeuzetoetsen wordt opgeroepen dat geen verkeersinformatie uitzendt, dan blijft het toestel op dat radiostation afgestemd tenzij TA uitgeschakeld en vervolgens weer ingeschakeld wordt. N.B.: Wanneer TA is ingeschakeld en u kiest een voorkeuzezender of stemt handmatig af op een radiostation dat geen verkeersinformatie (TA) uitzendt, dan wordt geen verkeersinformatie weergegeven. Lokale of algemene verkeersinformatie Omdat in sommige gebieden het aantal RDS of EON verkeersberichten erg hoog kan zijn, kan worden gekozen tussen lokale of algemene verkeersinformatie. 1. Druk op de MENU toets en houd deze ingedrukt totdat het display verandert. 2. Druk enkele malen op de MENU toets totdat TA in het display wordt weergegeven. 3. Druk op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om lokale (TA LOCAL) dan wel algemene (TA DIST) verkeersinformatie te selecteren. 4. Druk enkele malen op de MENU toets of laat het menu de functie afbreken om uw selectie te bevestigen. N.B.: TA-L dan wel TA-D wordt in het display weergegeven. Volume van de verkeersberichten Verkeersberichten onderbreken de normale geluidsweergave met een voorgeprogrammeerd volume dat gewoonlijk hoger is dan het gebruikelijke luistervolume. Instellen van het voorgeprogrammeerde volume 1. Druk op de TA toets en houd deze ingedrukt. 2. Stel het gewenste volume met de draaiknop in. N.B.: Het gekozen niveau wordt in het display weergegeven. Verkeersberichten beëindigen Aan het einde van een verkeersbericht gaat het audiotoestel weer door met zijn normale werking. Om een verkeersbericht voortijdig af te breken, drukt u tijdens het verkeersbericht op TA. N.B.: Indien u op een ander tijdstip op TA drukt, worden alle berichten uitgeschakeld. STATION AFSTEMTOETSEN Zoeken Kies een golfband en druk kort op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken. Het toestel stopt bij het eerste radiostation dat in de door u gekozen richting wordt gevonden. 146
149 Werking van de audio-installatie Handmatig afstemmen 1. Kies een golfband en druk op de toets MENU totdat MAN in het display wordt weergegeven. 2. Druk op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de golfband in kleine stappen omhoog of omlaag af te zoeken of houd de toets ingedrukt om de golfband in grotere stappen af te zoeken totdat u een radiostation vindt waarnaar u wilt luisteren. Scanfunctie Met de scanfunctie kunt u elk gevonden station 10 seconden lang beluisteren. 1. Druk enkele malen op de MENU toets totdat SCAN in het display wordt weergegeven. 2. Druk op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de gekozen golfband omhoog of omlaag af te zoeken. 3. Druk op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken of op de MENU toets om verder te luisteren naar een radiostation. 147
150 Menu's audio-installatie AUTOMATISCHE VOLUMEREGELING Met deze functie regelt u het geluidsvolume ter compensatie van motorgeluiden en bandengeruis. 1. Druk enkele malen op de MENU toets totdat AVC in het display wordt weergegeven. 2. Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de instelling aan te passen. 3. Druk enkele malen op de MENU toets of laat het systeem de functie afbreken om uw selectie te bevestigen. REDUCTIE GELUIDSVERVORMING (CLIP) Deze functie detecteert automatisch geluidsvervormingen en verlaagt het geluidsvolume totdat de vervorming is verdwenen. Dit betekent dat wanneer u het volume handmatig verhoogt de waarde in het display toeneemt, maar het geluid mogelijk niet toeneemt. 1. Druk op de MENU toets en houd deze ingedrukt totdat het display verandert. 2. Druk enkele malen op de MENU toets totdat CLIP in het display wordt weergegeven. 3. Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de functie inof uit te schakelen. 4. Druk enkele malen op de MENU toets of laat het systeem de functie afbreken om uw selectie te bevestigen. ALTERNATIEVE FREQUENTIES Veel programma's die op de FM golfband uitzenden, hebben een PI (programma-identificatie) code, die door het audiotoestel kan worden herkend. Wanneer bij uw radio AF (alternatieve frequenties) is ingeschakeld en u rijdt van het ene naar het andere ontvangstgebied, dan zoekt deze functie naar een krachtiger stationssignaal en stemt daarop af zodra het is gevonden. Onder bepaalde omstandigheden kan door het afstemmen op alternatieve frequenties (AF) de normale ontvangst tijdelijk worden onderbroken. Het toestel evalueert continu de signaalsterkte en, indien een beter signaal beschikbaar komt, schakelt het toestel over naar dat alternatief. De geluidsweergave wordt onderbroken terwijl het toestel de lijst met alternatieve frequenties controleert en, zo nodig, de gekozen golfband eenmaal afzoekt naar een alternatieve frequentie. Wanneer een radiostation wordt gevonden, wordt de geluidsweergave hervat; wanneer geen radiostation wordt gevonden, keert het toestel automatisch terug naar de oorspronkelijke frequentie. Op bepaalde toestellen wordt NOT FOUND in het display weergegeven. Wanneer AF-MAN is gekozen, werkt het toestel op dezelfde wijze als bij AF-AUTO of AF-ON, maar er wordt dan alleen naar alternatieve frequenties gezocht wanneer op een voorkeuzetoets wordt gedrukt. Wanneer AF-OFF is gekozen, blijft het toestel op de oorspronkelijk gekozen frequentie afgestemd. In deze modus wordt AF-OFF telkens wanneer het toestel wordt ingeschakeld, weergegeven. 148
151 Menu's audio-installatie 1. Druk op de MENU toets en houd deze ingedrukt totdat het display verandert. 2. Druk enkele malen op de MENU toets totdat AF in het display wordt weergegeven. 3. Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de gewenste instelling te kiezen. 4. Druk enkele malen op de MENU toets of laat het systeem de functie afbreken om uw selectie te bevestigen. REGIONALE MODUS (REG) De functie REG (regionale modus) regelt het gedrag van AF door tussen regionale netwerken van een hoofdzender te schakelen. Een zender kan over een groot netwerk beschikken dat in een groot deel van het land te ontvangen is. Op verschillende momenten van de dag kan dit grote netwerk worden onderverdeeld in een aantal kleinere regionale netwerken, die bijvoorbeeld in grotere plaatsen of steden zijn gevestigd. Wanneer het netwerk niet in regionale zenders wordt opgesplitst, zendt het complete netwerk hetzelfde programma uit. Regionale modus AAN: Dit voorkomt dat AF willekeurig naar andere regionale netwerken schakelt die niet hetzelfde programma uitzenden. Regionale modus UIT: Hiermee kan een groter gebied worden ontvangen wanneer naburige regionale netwerken hetzelfde programma uitzenden; het kan er echter wel toe leiden dat AF willekeurig overschakelt wanneer dit niet het geval is. 1. Druk op de MENU toets en houd deze ingedrukt totdat het display verandert. 2. Druk enkele malen op de MENU toets totdat REG in het display wordt weergegeven. 3. Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de functie inof uit te schakelen. 4. Druk enkele malen op de MENU toets of laat het systeem de functie afbreken om uw selectie te bevestigen. NIEUWSBERICHTEN Sommige radiotoestellen onderbreken de normale ontvangst voor nieuwsbulletins van radiostations op de FM golfband op dezelfde wijze als bij verkeersberichten. Tijdens nieuwsberichten wordt afwisselend de stationsnaam en NEWS in het display weergegeven. Het nieuwsbericht onderbreekt de geluidsweergave met hetzelfde voorgeprogrammeerde volume als bij verkeersberichten. 1. Druk op de MENU toets en houd deze ingedrukt totdat NEWS in het display wordt weergegeven. 2. Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de functie inof uit te schakelen. 3. Druk op de MENU toets om uw keuze te bevestigen. 149
152 CD-speler CD'S AANBRENGEN Controleer altijd dat de CD-sleuf leeg is alvorens een CD in te brengen. Breng een CD, met het label naar boven gekeerd, in het audiotoestel in. NUMMER SELECTEREN Druk eenmaal op de toets voor opwaarts zoeken om naar het volgende nummer te gaan of druk er meerdere malen op om naar daaropvolgende nummers te gaan. Druk eenmaal op de toets voor neerwaarts zoeken om het huidige nummer te herhalen. Wanneer binnen twee seconden vanaf het begin van een nummer op deze toets wordt gedrukt, dan wordt het vorige nummer gekozen. Druk meerdere malen op de toets voor neerwaarts zoeken om voorafgaande nummers te kiezen. CD AFSPELEN N.B.: Tijdens het afspelen wordt de CD, het nummer en de tijd die is verstreken sinds de start van het nummer in het display weergegeven. N.B.: Wanneer bij CD wisselaars twee of meer CD's na elkaar worden geladen, begint het afspelen met de CD die het laatst is geladen. Druk tijdens radio-ontvangst eenmaal op de toets CD om het afspelen van de CD te starten. Het afspelen start direct zodra een CD is geladen. VERSNELD VOORUIT/ACHTERUIT Druk op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken en houd deze ingedrukt om voorwaarts of achterwaarts binnen de nummers van de CD te zoeken. SHUFFLE/RANDOM (DOOR ELKAAR/WILLEKEURIG) Door het willekeurig afspelen van nummers, ook wel "shuffle" genaamd, worden alle nummers op een CD in willekeurige volgorde afgespeeld. N.B.: Wanneer SHUFF CD is gekozen, worden alleen de nummers van de huidige CD in willekeurige volgorde afgespeeld. Wanneer SHUF ALL is gekozen, worden de nummers van alle CD's in willekeurige volgorde afgespeeld. 1. Druk enkele malen op de MENU toets totdat SHUF in het display wordt weergegeven. 2. Scroll met de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken door het display totdat SHUF ALL of SHUFF CD in het display wordt weergegeven. 3. Gebruik indien nodig de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om het volgende nummer te kiezen. N.B.: Wanner de functie is ingeschakeld verschijnt telkens wanneer een nieuw nummer wordt gekozen SHUFFLE in het display. 150
153 CD-speler CD-NUMMERS COMPRIMEREN 1. Druk enkele malen op de MENU toets totdat COMP in het display wordt weergegeven. 2. Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om de functie inof uit te schakelen. 3. Druk op de MENU toets om uw keuze te bevestigen. CD-NUMMERS SCANNEN Met behulp van de SCAN functie kunt u elk nummer ongeveer 10 seconden lang beluisteren. N.B.: Na de selectie verschijnt SCAN kort in het display aan het begin van elk nummer. 1. Druk enkele malen op de MENU toets totdat SCAN in het display wordt weergegeven. 2. Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om SCAN CD dan wel SCAN ALL te kiezen. 3. Druk nogmaals op de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om een nummer verder te beluisteren. CD-NUMMERS HERHALEN 1. Druk enkele malen op de MENU toets totdat REPEAT in het display wordt weergegeven. 2. Gebruik de toets voor opwaarts zoeken of neerwaarts zoeken om te kiezen tussen OFF en TRK. AFSPELEN CD BEËINDIGEN Druk op de AM/FM of AUX toets. N.B.: Hierdoor wordt de CD niet uitgeworpen; de CD-weergave wordt alleen onderbroken op de plaats waar de radio-weergave werd hervat. Druk opnieuw op de CD toets om het afspelen van de CD te hervatten. CD'S UITWERPEN N.B.: De radio-ontvangst wordt automatisch hervat wanneer op de toets EJECT wordt gedrukt. N.B.: Wanneer onbedoeld op de EJECT toets wordt gedrukt, kunt u het uitwerpen annuleren door nogmaals op de toets te drukken. N.B.: Als de CD niet wordt verwijderd, dan wordt deze weer terug de audio-unit ingetrokken. Druk op elk gewenst moment op de EJECT toets en verwijder de CD. 151
154 Ingangsaansluiting (AUX IN) INGANGSAANSLUITING (AUX IN) N.B.: Stel voor optimale prestaties bij het afspelen van een extra apparaat het volume daarvan hoog. Hierdoor worden storingen gereduceerd wanneer het apparaat wordt aangesloten op de aansluiting voor de sigarenaansteker in de auto. Via de extra ingang (AUX IN), indien aanwezig, kan een extra apparaat zoals een MP3-speler op het audiotoestel van de auto worden aangesloten. Het geluid kan via de autoluidsprekers worden weergegeven. Sluit het extra apparaat met conventionele 3,5 mm audiostekkers aan op de AUX IN aansluiting. Kies de extra ingang door middel van de AUX toets en het extra apparaat wordt via de autoluidsprekers afgespeeld. AUX wordt in het display weergegeven. Volume, hoge en lage tonen kunnen zoals gewoonlijk via het audiotoestel worden geregeld. De toetsen van het audiotoestel kunnen ook worden gebruikt om de weergave van het audiotoestel te hervatten, terwijl het extra apparaat aangesloten blijft. 152
155 Storingen verhelpen audio-installatie STORINGEN VERHELPEN AUDIO-INSTALLATIE Display van het audiotoestel CD ERROR PLEASE CHECK CD CDC ERROR NO CD NO CDS NO CD # HIGH TEMP CD DRIVE HIGH TEMP SLOT FULL CDC FULL DATA CD CODE ---- WAIT TRIES LOCKED Remedie Algemeen storingsbericht voor storingen tijdens het afspelen van een CD, bijv.: kan CD niet aflezen, data-cd aangebracht. Kan ook wijzen op een storing in het audiotoestel. Controleer of de CD correct geladen is, reinig de CD en laad deze opnieuw of vervang de CD door een voor u bekende muziek-cd. Zie CD's uitwerpen (bladzijde 151). Zie CD's aanbrengen (bladzijde 150). Wanneer de storing blijft bestaan. Neem contact op met uw Ford dealer. Bericht dat aangeeft dat zich geen CD's in het audiotoestel of de CD-wisselaar bevinden. Breng een CD aan. Zie CD's aanbrengen (bladzijde 150). Omgevingstemperatuur te hoog CD-speler werkt niet totdat deze is afgekoeld. Bericht dat aangeeft dat zich reeds een CD in de sleuf bevindt. Werp de CD uit de gekozen sleuf uit alvorens te proberen een CD aan te brengen, of kies een andere sleuf. Zie CD's aanbrengen (bladzijde 150). Bericht dat aangeeft dat alle sleuven van het audiotoestel reeds bezet zijn. Zie CD's uitwerpen (bladzijde 151). Er is een ongeschikte CD aangebracht, bijvoorbeeld geen audio-cd. Zie CD's uitwerpen (bladzijde 151). Bericht dat u vraagt, de Keycode in te geven. Zie Beveiligingscode invoeren (bladzijde 141). Bericht dat u vraagt, te wachten tot de volgende poging kan worden ondernomen om de Keycode in te geven. Zie Onjuiste beveiligingscode (bladzijde 141). Bericht dat het aantal verkeerd ingegeven Keycodes aangeeft. Zie Onjuiste beveiligingscode (bladzijde 141). Bericht dat aangeeft dat de systeembeveiliging het toestel heeft geblokkeerd nadat herhaaldelijk onjuiste Keycodes zijn ingegeven. Neem contact op met uw Ford dealer. 153
156 Storingen verhelpen audio-installatie Display van het audiotoestel KEYCODE... ENTER KEYCODE... INCORRECT Remedie Bericht dat u vraagt, de Keycode in te geven. Zie Beveiligingscode invoeren (bladzijde 141). Bericht dat u informeert dat de ingegeven Keycode onjuist is. Zie Onjuiste beveiligingscode (bladzijde 141). 154
157 Telefoon ALGEMENE INFORMATIE LET OP Door gebruik van het systeem bij uitgeschakelde motor wordt de accu ontladen. In dit hoofdstuk worden de functies en eigenschappen van het handsfree systeem voor de Bluetooth mobiele telefoon beschreven. Het Bluetooth mobiele telefoongedeelte van het systeem zorgt voor de interactie tussen de audio-installatie of het navigatiesysteem en uw mobiele telefoon. Het zorgt ervoor dat u uw audio-installatie of het navigatiesysteem kunt gebruiken voor het ontvangen van telefoongesprekken zonder daarbij uw mobiele telefoon vast te houden. Compatibiliteit van telefoontoestellen LET OP Omdat er geen algemene overeenkomst bestaat, kunnen fabrikanten van mobiele telefoons een groot aantal profielen in hun Bluetooth apparaten implementeren. Daardoor is het mogelijk dat een telefoon niet compatible met een handsfree systeem is, waardoor in sommige gevallen de prestaties van het systeem aanzienlijk worden beperkt. Om dit te voorkomen moeten alleen aanbevolen telefoons worden gebruikt. Bezoek de website voor volledige gegevens. SETUP TELEFOON Telefoonboek Na het opstarten kan het al naar gelang de grootte enkele minuten duren voordat u toegang tot de telefoonboeklijst krijgt. Telefoonboekcategorieën Afhankelijk van uw telefoonboekadres kunnen verschillende categorieën op de audiounit worden weergegeven. Voorbeeld: M O H F Mobiel Kantoor Thuis Fax N.B.: Adressen kunnen met of zonder toevoegingen worden weergegeven. De categorie kan ook als icoon worden weergegeven: E87990 E87991 E87992 E87993 Telefoon Mobiel Thuis Kantoor Fax E
158 Telefoon Van een telefoon een actieve telefoon maken Wanneer het systeem voor het eerst wordt gebruikt, zijn er nog geen telefoons gekoppeld met het systeem. Bluetooth telefoon Nadat een Bluetooth telefoon bij het systeem is aangemeld, wordt deze de actieve telefoon. Raadpleeg voor meer informatie het menu van de telefoon. Selecteer de telefoon in het menu van de actieve telefoon. Wanneer het contact en het audio- of navigatiesysteem weer worden ingeschakeld, wordt de koppeling aan de laatste actieve telefoon door het systeem hersteld. N.B.: In sommige gevallen moet de Bluetooth verbinding ook op de telefoon worden bevestigd. Een andere Bluetooth telefoon aanmelden Koppel een nieuwe Bluetooth telefoon zoals is beschreven onder 'Eisen voor een Bluetooth verbinding'. Telefoons die in het systeem zijn opgeslagen zijn met behulp van de telefoonlijst op de audiounit toegankelijk. N.B.: Er kunnen maximaal zes apparaten worden gekoppeld. Als er al zes Bluetooth apparaten zijn gekoppeld, moet er één worden ontkoppeld om een nieuw apparaat te kunnen koppelen. SETUP BLUETOOTH Voordat u uw telefoon kunt gebruiken moet deze worden gekoppeld aan het telefoonsysteem in de auto. Telefoons bedienen Er kunnen maximaal zes Bluetooth apparaten aan het systeem in de auto worden gekoppeld. N.B.: Wanneer met de telefoon die als de nieuwe actieve telefoon wordt geselecteerd een gesprek wordt gevoerd, wordt het gesprek doorgeschakeld naar het audiosysteem in de auto. N.B.: Zelfs wanneer uw telefoon aan een systeem in de auto is gebonden, kan deze nog op de gebruikelijke wijze worden gebruikt. Eisen voor een Bluetooth verbinding Het volgende is vereist voordat met een Bluetooth telefoon een verbinding tot stand kan worden gebracht. 1. De Bluetooth functie moet op de telefoon en op het audiosysteem zijn ingeschakeld. Zorg ervoor dat de menu-optie Bluetooth in de audiounit op AAN is ingesteld. Raadpleeg voor meer informatie over telefooninstellingen de handleiding van uw mobiele telefoon. 2. Zoek in het Bluetooth menu van uw telefoon naar Ford Audio en selecteer deze optie. 3. Voer het op de voertuigdisplay weergegeven codenummer in met behulp van de toetsen van de telefoon. Wanneer geen codenummer wordt weergegeven op de display, voer dan het Bluetooth PIN nummer 0000 in met behulp van de toetsen van de telefoon. Voer nu het op de voertuigdisplay weergegeven Bluetooth PIN-nummer in. 4. Als de mobiele telefoon om goedkeuring van de automatische verbinding vraagt, selecteer dan JA. 156
159 Telefoon N.B.: Als de audiounit wordt uitgeschakeld, wordt een telefoongesprek verbroken. Wanneer de contactsleutel in de stand '0' wordt gezet, blijft de telefoonverbinding behouden. BEDIENINGSELEMENTEN TELEFOON Afstandsbediening Zelfs wanneer uw telefoon op de audio-unit is aangesloten, kan de telefoon op de gebruikelijke wijze worden gebruikt. N.B.: U kunt het telefoonmenu verlaten door op de CD, AM/FM of AUX toets te drukken. Bellen Een nummer kiezen m.b.v. spraakbesturing Telefoonnummers kunnen m.b.v. spraakbesturing worden gekozen. Zie Commando s telefoon (bladzijde 168). Een nummer kiezen m.b.v. het adresboek E Oproepen kunnen worden beantwoord door eenmaal op de toets MODE te drukken. Druk de toets opnieuw in om de oproep te beëindigen. GEBRUIK MAKEN VAN DE TELEFOON - AUTO'S ZONDER NAVIGATIESYSTEEM In dit hoofdstuk worden de telefoonfuncties van de audio-unit beschreven. N.B.: Raadpleeg de handleiding van de audio-unit voor meer informatie over de bedieningsorganen. Er moet een actieve telefoon aanwezig zijn. U kunt via Bluetooth toegang krijgen tot uw adresboek. De namen en nummers verschijnen op het display van het apparaat. 1. Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden'. 2. Druk op de MENU toets. 3. Houd de MENU toets ingedrukt tot PHONEBOOK verschijnt. 4. Druk op de zoektoetsen om het gewenste telefoonnummer te selecteren. N.B.: Houd de zoektoets ingedrukt om naar de volgende letter van het alfabet te gaan. 5. Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden' om het geselecteerde telefoonnummer te bellen. Een gesprek beëindigen Gesprekken kunnen worden beëindigd door op de toets 'weigeren' te drukken. Bij audio-units zonder telefoontoetsenblok kunt u ook een gesprek beëindigen door op PHONE, CD, AM/FM of ON/OFF te drukken of door op de toets MODE op de afstandsbediening te drukken. 157
160 Telefoon Een nummer herhalen 1. Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden'. 2. Druk op de MENU toets. 3. Selecteer de lijst CALL OUT of de lijst CALL IN. Selecteer op bepaalde audiounits de lijst GEMISTE, INKOMENDE of UITGAANDE gesprekken. N.B.: Indien de actieve telefoon niet over een lijst met eerder gekozen nummers beschikt, kan het laatst gekozen nummer opnieuw worden gekozen. 4. Druk op de zoektoets op de audiounit. 5. Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden' om het gewenste telefoonnummer te bellen. Een inkomend gesprek ontvangen Een inkomend gesprek beantwoorden Inkomende gesprekken kunt u aannemen door op de toets 'beantwoorden', de toets PHONE of de toets MODE op de afstandsbediening te drukken. Een inkomend gesprek weigeren Inkomende gesprekken kunnen worden geweigerd door op de toets 'weigeren' te drukken. Bij audio-units zonder telefoontoetsenblok kunt u ook een gesprek weigeren door op PHONE, CD, AM/FM of ON/OFF te drukken. Een tweede oproep ontvangen N.B.: De functie tweede inkomend gesprek op uw telefoon moet zijn geactiveerd. Wanneer er tijdens een gesprek een inkomend gesprek binnenkomt, klinkt er een 'piep' en kunt u het actieve gesprek in de wachtstand plaatsen en het tweede inkomende gesprek beantwoorden. Een tweede inkomend gesprek beantwoorden Een tweede inkomend gesprek kunt u aannemen door op de toets 'beantwoorden', de toets PHONE of de toets MODE op de afstandsbediening te drukken. Een tweede inkomend gesprek weigeren Een tweede inkomend gesprek kan worden geweigerd door op de toets 'weigeren' te drukken. Bij audio-units zonder telefoontoetsenblok kunt u ook een tweede inkomend gesprek weigeren door op de toets CD of de toets AM/FM te drukken. Microfoon dempen Het is mogelijk om tijdens een gesprek de microfoon te dempen. Tijdens het dempen verschijnt er een bevestiging op het display. Audio-units met een groene toets 'beantwoorden' Druk op de toets 'beantwoorden'. Druk nogmaals op de toets om deze functie uit te schakelen. Audio-units zonder een groene toets 'beantwoorden' Druk op de toets 'omhoog- of omlaagzoeken'. Druk nogmaals op de toets om deze functie uit te schakelen. Van actieve telefoon veranderen N.B.: Voordat telefoons kunnen worden geactiveerd moeten ze bij het systeem worden aangemeld. Met behulp van de voorkeuzetoetsen N.B.: Deze procedure geldt alleen voor audio-units met een telefoontoetsenbord. 158
161 Telefoon 1. Druk op de PHONE toets op de audio-unit. 2. Druk op de gewenste voorkeuzetoets (gebruik voorkeuzetoetsen 1-6). Met behulp van het menu op de audio-unit N.B.: Nadat een telefoon aan het systeem is gekoppeld, wordt deze de actieve telefoon. 1. Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden'. 2. Druk op de MENU toets op de audio-unit. 3. Selecteer de ACTIVE PHONE optie op de audio-unit. 4. Rol met behulp van de zoektoetsen door de verschillende opgeslagen telefoons om de gekoppelde telefoons weer te geven. 5. Druk op de MENU toets om de telefoon te selecteren die de actieve telefoon moet worden. Actieve telefoon afmelden Een actieve telefoon kan op elk gewenst moment uit het systeem worden gewist, behalve wanneer met deze telefoon een gesprek wordt gevoerd. 1. Druk op de toets PHONE of de toets 'beantwoorden'. 2. Druk op de MENU toets op de audio-unit. 3. Selecteer de optie DEBOND op de audio-unit. 4. Rol met behulp van de zoektoetsen door de verschillende telefoons om de te ontkoppelen telefoon weer te geven. 5. Druk op de MENU toets om de telefoon te selecteren die moet worden ontkoppeld. GEBRUIK MAKEN VAN DE TELEFOON - AUTO'S MET NAVIGATIESYSTEEM In dit hoofdstuk worden de telefoonfuncties van het navigatiesysteem beschreven. N.B.: Raadpleeg de handleiding van het navigatiesysteem voor meer informatie over de bediening. Er moet een actieve telefoon aanwezig zijn. Zelfs als uw telefoon met het navigatiesysteem is verbonden, kan deze nog steeds op normale wijze worden gebruikt. Bellen Een nummer kiezen Telefoonnummers kunnen m.b.v. spraakbesturing worden gekozen. Zie Spraaksturing (bladzijde 161). Een gesprek beëindigen Gesprekken kunt u beëindigen door op de toets BEËINDIGEN, de toets MODE op de afstandsbediening of de toets AAN/UIT op het navigatiesysteem te drukken. Een nummer herhalen 1. Druk op de toets PHONE op het apparaat. 2. Kies NUMMER HERHALEN. Een inkomend gesprek ontvangen Een inkomend gesprek beantwoorden Inkomende gesprekken kunt u aannemen door op de toets 'beantwoorden', de toets MODE op de afstandsbediening of de toets PHONE op het apparaat te drukken of door de optie AANNEMEN in het menu te gebruiken. 159
162 Telefoon Een inkomend gesprek weigeren Inkomende gesprekken kunt u weigeren door op de toets 'weigeren' of de toetsen CD of AM/FM op het apparaat te drukken of door de optie WEIGEREN in het menu te gebruiken. Een tweede oproep ontvangen N.B.: De functie tweede inkomend gesprek op uw telefoon moet zijn geactiveerd. Wanneer er tijdens een gesprek een tweede oproep binnenkomt, klinkt er een 'piep' en kunt u het actieve gesprek in de wachtstand plaatsen en de tweede oproep beantwoorden. Een tweede inkomend gesprek beantwoorden Een tweede inkomend gesprek kunt u aannemen door op de toets 'beantwoorden', de toets MODE op de afstandsbediening of de toets PHONE op het apparaat te drukken of door de optie AANNEMEN in het menu te gebruiken. N.B.: Hierdoor wordt het actieve gesprek beëindigd. Een tweede inkomend gesprek weigeren Een tweede inkomend gesprek kan worden geweigerd door op de toets 'weigeren' te drukken of op een van de volgende toetsen op het apparaat: CD, AM/FM. CD-navigatiesystemen Druk op de toets 'microfoon dempen'. Druk nogmaals op de toets om deze functie uit te schakelen. Van actieve telefoon veranderen N.B.: Voordat telefoons kunnen worden geactiveerd moeten ze bij het systeem worden aangemeld. N.B.: Nadat een telefoon aan het systeem is gekoppeld, wordt deze de actieve telefoon. 1. Druk op de toets PHONE op het apparaat. 2. Selecteer met behulp van de optie BT-INSTELLINGEN in het menu de actvieve telefoon in de lijst. Actieve telefoon afmelden Een actieve telefoon kan op elk gewenst moment uit het systeem worden gewist, behalve wanneer met deze telefoon een gesprek wordt gevoerd. 1. Druk op de toets PHONE op het apparaat. 2. Selecteer de optie BT-INSTELLINGEN in het menu. 3. Selecteer de AFMELDEN optie in het menu. 4. Selecteer de telefoon in de lijst. Microfoon dempen Het is mogelijk om tijdens een gesprek de microfoon te dempen. Tijdens het dempen verschijnt er een bevestiging op het display. SD-navigatie-units Druk op de toets 'dempen' (doorgestreept microfoonsymbool). Druk nogmaals op de toets om deze functie uit te schakelen. 160
163 Spraaksturing WERKING LET OP Door gebruik van het systeem bij uitgeschakelde motor wordt de accu ontladen. Met spraakbesturing kunt u het systeem bedienen zonder dat uw aandacht van de weg wordt afgeleid om bijvoorbeeld instellingen te veranderen of om reacties van het systeem te lezen. Wanneer u bij geactiveerd systeem één van de gedefinieerde spraaklabels gebruikt, zet het spraakbesturingssysteem uw spraaklabel om in een bedieningssignaal voor het systeem. Uw spraaklabels nemen de vorm aan van dialogen of commando's. U wordt door mededelingen of vragen door deze dialogen geleid. Maak uzelf vertrouwd met de functies van het systeem voordat u het spraakherkenningsysteem gaat gebruiken. Ondersteunde commando's Met het spraakbesturingssysteem kunt u de volgende systemen in de wagen bedienen: Bluetooth telefoon Radio CD-speler/ CD-wisselaar SD-kaart navigatiesysteem (alleen DVD-eenheden - raadpleeg afzonderlijke handleiding DVD-navigatiesysteem). N.B.: Het spraakbesturingssysteem is een taalgevoelig systeem. Wanneer u wenst dat het systeem in een andere taal werkt, raadpleeg dan uw dealer. Reactie van het systeem Wanneer u een gesproken commando geeft, antwoordt het systeem telkens met een piep wanneer het gereed is om door te gaan. Probeer geen nieuwe commando's te geven voordat u de piep hebt gehoord. Het spraakbesturingssysteem herhaalt elk gesproken commando. Wanneer u niet precies weet hoe u moet doorgaan, zeg dan "HELP" voor hulp of "CANCEL" wanneer u niet wilt doorgaan. De "HELP" functie biedt u alleen een verzameling van de beschikbare commando's. Een gedetailleerde uitleg over alle mogelijke gesproken commando's kunt u op de volgende bladzijden vinden. Gesproken commando's Alle commando's moeten op natuurlijke wijze worden uitgesproken, alsof u tot een passagier spreekt of een telefoongesprek voert. Uw stemvolume moet afhankelijk zijn van omgevingsgeluiden in of buiten de auto, maar schreeuw niet. SPRAAKGESTUURD REGELSYSTEEM GEBRUIKEN Werking van het systeem De volgorde en de inhoud van de spraaklabels zijn in de volgende lijst weergegeven. De tabel toont de volgorde van de spraaklabels van de gebruiker en de reacties van het systeem die voor iedere functie beschikbaar zijn. <> duidt een nummer of opgeslagen spraaklabel aan, die door de gebruiker moet worden opgeslagen. 161
164 Spraaksturing Short cuts Er zijn een aantal gesproken woorden (short cuts) mogelijk, waarmee u enkele functies van de auto kunt regelen zonder het complete commandomenu te hoeven volgen. Dit zijn: telefoon: "MOBILE NAME", "DIAL NUMBER", "DIAL NAME" en "REDIAL" CD-speler/CD-wisselaar "DISC" en "TRACK" radio: "TUNE NAME" SD-kaart: "TRACK". Communicatie met het systeem starten Voordat u kunt beginnen met het systeem toe te spreken moet u voor iedere handeling eerst op de VOICE of de MODE toets drukken en wachten tot het systeem met een piep antwoordt. Zie Spraaksturing (bladzijde 36). Druk de toets opnieuw in om de spraakbesturing uit te schakelen. Spraaklabel Het spraaklabel kan de telefoon, de audio-installatie en het navigatiesysteem ondersteunen door gebruik te maken van de "STORE NAME" functie (naam opslaan). U kunt spraaklabels toewijzen aan items zoals favoriete radiozenders en persoonlijke telefooncontacten. Zie Commando s audio-unit (bladzijde 162). Zie Commando s telefoon (bladzijde 168). Zie Commando s navigatiesysteem (bladzijde 173). Sla maximaal 20 actieve spraaklabels per functie op. De gemiddelde opnametijd per spraaklabel bedraagt ongeveer 2 tot 3 seconden. COMMANDO S AUDIO-UNIT CD-speler U kunt het afspelen direct met spraakbesturing bedienen. "CD PLAYER" "HELP" "PLAY" "TRACK" * Overzicht "SHUFFLE ALL" "SHUFFLE FOLDER" ** "SHUFFLE OFF" Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu aan de hand van gekozen voorbeelden. 162
165 Spraaksturing "CD PLAYER" "REPEAT FOLDER" ** "REPEAT TRACK" "REPEAT OFF" * Kan als short cut worden gebruikt. ** Alleen beschikbaar als de CD audiogegevensbestanden bevat, zoals MP3 of WMA. Muzieknummer U kunt direct een muzieknummer op de CD kiezen. Stappen Gebruiker zegt "CD PLAYER" "TRACK" * "<een getal tussen 1 en 99>" ** Systeem antwoordt "CD PLAYER" "TRACK NUMBER PLEASE" "TRACK <nummer>" * Kan als short cut worden gebruikt. ** Getallen kunnen ook als max. vier losse cijfers worden uitgesproken (bijv. "2", "4", "5" voor muzieknummer 245) Shuffle alles Random afspelen instellen. Stappen 1 2 Gebruiker zegt "CD PLAYER" "SHUFFLE ALL" Systeem antwoordt "CD PLAYER" Radio De gesproken commando's ondersteunen de radiofuncties en u kunt met Voice Control op radiostations afstemmen. Overzicht Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu. 163
166 Spraaksturing "RADIO" "HELP" "AM" "FM" "TUNE NAME" * "DELETE NAME" "DELETE DIRECTORY" "PLAY DIRECTORY" "STORE NAME" "PLAY" * Kan als short cut worden gebruikt. Afstemfrequentie Met deze functie kunt u met gesproken commando's afstemmen op radiostations. Stappen Gebruiker zegt "RADIO" "AM" "FM" "<frequentie>" * Systeem antwoordt "RADIO" "AM FREQUENCY PLEASE" "FM FREQUENCY PLEASE" "TUNE <frequentie>" * De frequentie kan op verschillende manieren worden ingevoerd. Raadpleeg onderstaande voor representatieve voorbeelden. FM-golflente: 87,5-108,0 in stappen van 0,1 "Eighty nine point nine" (89,9) "Ninety" (90,0) "One hundred point five" (100,5) "One zero one point one" (101,1) "One zero eight" (108,0) AM/MW-golflengte: in stappen van 9 AM/LW-golflengte: in stappen van 1 "Five thirty one" (531) "Nine hundred" (900) "Fourteen forty" (1440) 164
167 Spraaksturing "Fifteen zero three" (1503) "Ten eighty" (1080) Naam opslaan Wanneer u op een radiostation hebt afgestemd, kunt u deze met een naam in het bestand opslaan. Stappen Gebruiker zegt "RADIO" "STORE NAME" "<naam>" "<naam>" Systeem antwoordt "RADIO" "STORE NAME" "NAME PLEASE" "REPEAT NAME PLEASE" "STORING NAME" "<naam> STORED" Afstemmen op naam Met deze functie kunt u op een opgeslagen radiostation afstemmen. Stappen Gebruiker zegt "RADIO" "TUNE NAME" * "<naam>" Systeem antwoordt "RADIO" "NAME PLEASE" "TUNE <naam>" * Kan als short cut worden gebruikt. Naam wissen Met deze functie kunt u een opgeslagen radiostation wissen Stappen Gebruiker zegt "RADIO" "DELETE NAME" "<naam>" "YES" Systeem antwoordt "RADIO" "NAME PLEASE" "DELETE <naam>" "CONFIRM YES OR NO" "DELETED" 165
168 Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt "NO" Systeem antwoordt "COMMAND CANCELLED" Bestand afspelen Met deze functie kunt u het systeem alle opgeslagen radiostations laten opnoemen. Stappen 1 2 Gebruiker zegt "RADIO" "PLAY DIRECTORY" Systeem antwoordt "RADIO" "PLAY <DIRECTORY>" Bestand wissen Met deze functie kunt u alle opgeslagen radiostations wissen. Stappen Gebruiker zegt "RADIO" "DELETE DIRECTORY" "YES" "NO" Systeem antwoordt "RADIO" "DELETE DIRECTORY" "CONFIRM YES OR NO" "RADIO DIRECTORY DELETED" "COMMAND CANCELLED" Afspelen Met deze functie schakelt de audiobron over op de radiomodus. Stappen 1 2 Gebruiker zegt "RADIO" "PLAY" Systeem antwoordt "RADIO" 166
169 Spraaksturing Auxiliary ingang Stappen 1 2 Gebruiker zegt "EXTERNAL DEVICE" "LINE IN" Met deze functie laat u de audiobron overschakelen op het aangesloten apparaat met auxiliary ingang. Systeem antwoordt "EXTERNAL DEVICE" "LINE IN" SD-kaart Deze gesproken commando's ondersteunen de functionaliteit van een SD-kaart waarop geschikte audiobestanden zijn opgeslagen. Overzicht Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu aan de hand van gekozen voorbeelden. "SD CARD" "HELP" "PLAY" "TRACK" * "SHUFFLE ALL" "SHUFFLE FOLDER" "SHUFFLE OFF" "REPEAT TRACK" "REPEAT FOLDER" "REPEAT OFF" * Kan als short cut worden gebruikt. SD-kaart afspelen Met deze functie laat u de audiobron overschakelen op de audiobestanden van de SD-kaart. 167
170 Spraaksturing Stappen 1 2 Gebruiker zegt "SD CARD" "PLAY" Systeem antwoordt "SD CARD" Muzieknummer op SD-kaart U kunt direct een muzieknummer op de SD-kaart kiezen. Stappen Gebruiker zegt "SD CARD" "TRACK" * "<een getal tussen 1 en 99>" ** Systeem antwoordt "SD CARD" "TRACK NUMBER PLEASE" "TRACK <nummer>" * Kan als short cut worden gebruikt. ** Getallen kunnen ook als max. vier losse cijfers worden uitgesproken (bijv. "2", "4", "5" voor muzieknummer 245). COMMANDO S TELEFOON Telefoon Met uw telefoonsysteem kunt u een extra telefoonboek aanleggen. De opgeslagen nummers kunnen met behulp van Voice Control worden gekozen. Telefoonnummers, die met behulp van Voice Control zijn opgeslagen, worden in het systeem van de auto opgeslagen en niet in dat van uw telefoon. Overzicht Het onderstaande overzicht toont de beschikbare gesproken commando's. De volgende lijsten bieden aanvullende informatie over het complete commandomenu aan de hand van gekozen voorbeelden. "TELEFOON" "HELP" "MOBILE NAME" * "DIAL NUMBER" * 168
171 Spraaksturing "TELEFOON" "DIAL NAME" * "DELETE NAME" "DELETE DIRECTORY" "PLAY DIRECTORY" "STORE NAME" "REDIAL" * "ACCEPT CALLS" "REJECT CALLS" * Kan als short cut worden gebruikt. Telefoonfuncties Nummer kiezen Nadat het spraaklabel is uitgesproken kunnen telefoonnummers worden gekozen. Stappen Gebruiker zegt "TELEFOON" "DIAL NUMBER" * "<telefoonnummer>" "DIAL" "CORRECTION" Systeem antwoordt "TELEFOON" "NUMBER PLEASE" "<telefoonnummer> CONTINUE?" "DIALLING" "<laatste deel van nummer herhalen> CONTINUE?" * Kan als short cut worden gebruikt. Naam kiezen Nadat het spraaklabel is uitgesproken kunnen telefoonnummers worden gekozen. 169
172 Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt "TELEFOON" "DIAL NAME" * "<naam>" "YES" "NO" Systeem antwoordt "TELEFOON" "NAME PLEASE" "DIAL <naam>" "CONFIRM YES OR NO" "DIALLING" "COMMAND CANCELLED" * Kan als short cut worden gebruikt. Nummer herhalen Deze functie maakt het mogelijk het laatst gekozen nummer te herhalen. Stappen 1 Gebruiker zegt "TELEFOON" Systeem antwoordt "TELEFOON" 2 "REDIAL" * "REDIAL" "CONFIRM YES OR NO" 3 "YES" "NO" "DIALLING" "COMMAND CANCELLED" * Kan als short cut worden gebruikt. Naam mobiele telefoon Met deze functie kunt u met een spraaklabel toegang krijgen tot de in uw mobiele telefoon opgeslagen telefoonnummers. Stappen 1 2 Gebruiker zegt "TELEFOON" "MOBILE NAME" * Systeem antwoordt "TELEFOON" "MOBILE NAME" "<telefoonafhankelijke dialoog>" * Kan als short cut worden gebruikt. 170
173 Spraaksturing DTMF ('Tone' instelling) Met deze functie worden gesproken getallen in DTMF-tonen omgezet. Voor bijvoorbeeld het op afstand bedienen van het antwoordapparaat bij u thuis of voor het invoeren van PIN-nummer, enz. N.B.: DTMF kan alleen worden gebruikt tijdens een telefoongesprek. Druk op de toets VOICE en wacht op de systeemprompt. Kan alleen worden gebruikt op auto's met een aparte toets VOICE. Stappen 1 2 Gebruiker zegt "<cijfers 1 tot en met 9, nul, hekje, sterretje>" Systeem antwoordt "NUMBER PLEASE" Een telefoonboek aanleggen Naam opslaan Nieuwe spraaklabels kunnen worden opgeslagen met het commando "STORE NAME". Deze functie kan worden gebruikt voor het kiezen van een nummer door de naam in plaats van het complete telefoonnummer uit te spreken. Stappen Gebruiker zegt "TELEFOON" "STORE NAME" "<naam>" "<naam>" "<telefoonnummer>" "STORE" Systeem antwoordt "TELEFOON" "STORE NAME" "NAME PLEASE" "REPEAT NAME PLEASE" "STORING NAME" "<naam> STORED" "NUMBER PLEASE" "<telefoonnummer>" "STORING NUMBER" "<telefoonnummer>" "NUMBER STORED" Naam wissen Opgeslagen namen kunnen ook uit het bestand worden gewist. 171
174 Spraaksturing Stappen Gebruiker zegt "TELEFOON" "DELETE NAME" "<naam>" "YES" "NO" Systeem antwoordt "TELEFOON" "NAME PLEASE" "DELETE <naam>" "CONFIRM YES OR NO" "<naam> DELETED" "COMMAND CANCELLED" Bestand afspelen Gebruik deze functie om het systeem alle opgeslagen namen en nummers te laten opnoemen. Stappen 1 2 Gebruiker zegt "TELEFOON" "PLAY DIRECTORY" Systeem antwoordt "TELEFOON" "PLAY DIRECTORY" Bestand wissen Met deze functie kunt u alle ingevoerde gegevens in één keer wissen. Stappen Gebruiker zegt "TELEFOON" "DELETE DIRECTORY" "YES" "NO" Systeem antwoordt "TELEFOON" "DELETE DIRECTORY" "CONFIRM YES OR NO" "DIRECTORY DELETED" "COMMAND CANCELLED" 172
175 Spraaksturing Hoofdinstellingen Oproepen weigeren Oproepen kunnen zo worden ingesteld dat ze met spraakbesturing automatisch worden geweigerd. Stappen 1 2 Gebruiker zegt "TELEFOON" "REJECT CALLS" "ACCEPT CALLS" * Systeem antwoordt "TELEFOON" "REJECT CALLS" "ACCEPT CALLS" * schakel met dit commando de modus 'weigeren' uit COMMANDO S NAVIGATIESYSTEEM Raadpleeg de afzonderlijke handleiding van het navigatiesysteem voor meer informatie over de commandomenu's. 173
176 Bijlagen TYPEGOEDKEURINGEN FCC/INDUSTRY CANADA NOTICE Het apparaat voldoet aan Deel 15 van de FCC-regelgeving. Bediening is onderhevig aan de volgende twee voorwaarden: (1) dit apparaat mag geen schadelijke interferentie veroorzaken en (2) dit apparaat moet ontvangen interferentie accepteren (inclusief interferentie die kan leiden tot ongewenste bediening). FCC ID: WJLRX-42 IC: 7847A-RX42 Het uitvoeren van wijzigingen of modificaties aan het apparaat zonder nadrukkelijke toestemming van de verantwoordelijke partij kan leiden tot vervallen van het recht op bediening van het apparaat. RX-42 - Conformiteitsverklaring Wij, de partij verantwoordelijk voor naleving, verklaren onder volledige verantwoordelijkheid dat het product Handset Integration RX-42 voldoet aan de vereisten van Council Directive 1999/5/EC. Een kopie van de Conformiteitsverklaring kunt u vinden op: Het woord, het merk en de logo's Bluetooth zijn eigendom van Bluetooth SIG Inc. en de Ford Motor Company mag dergelijke merktekens onder licentie gebruiken. Namen van andere producten en bedrijven kunnen handelsmerken of handelsnamen van de respectieve eigenaren zijn. ELEKTROMAGNETISCHE COMPATIBILITEIT WAARSCHUWINGEN Uw auto is getest en gecertificeerd volgens de wetgeving betreffende elektromagnetische comptabiliteit (72/245/EEC, UN ECE Regeling 10 of andere geldende lokale vereisten). U dient ervoor te zorgen dat apparatuur die u heeft gemonteerd voldoet aan de betreffende lokale wetgeving. Laat apparatuur door goed geschoolde monteurs monteren. Radiofrequentie (RF) zenders (bijv. mobiele telefoons, amateur radiozenders, enz.) mogen alleen in uw auto worden gemonteerd, wanneer deze volledig voldoen aan de parameters die in de onderstaande tabel zijn weergegeven. Er zijn geen bijzondere voorzieningen of voorwaarden voor het monteren of gebruik. Monteer geen zender/ontvangers, microfoons, luidsprekers en dergelijke in de ontvouwruimte van de airbags. Bevestig geen antennekabels aan de originele bedrading, brandstofleidingen en remleidingen van de auto. Houd antennekabels en stroomdraden minimaal 100 mm weg van elektronische modules en airbags. N.B.: Breng alleen antennes op het dak aan op de aangegeven posities. 174
177 Bijlagen E Frequentieband MHz , Maximum uitgangsvermogen in watt (piek RMS) 50 W 50 W 50 W 50 W 50 W 10 W 10 W 10 W 10 W Antenneplaatsen N.B.: Controleer na het monteren van een RF zender of deze niet de overige elektrische uitrusting in de auto stoort, zowel in de standby- als in de zendmodus. Controleer alle elektrische uitrusting: met het contact AAN bij draaiende motor tijdens een proefrit bij verschillende snelheden. 175
178 Bijlagen Controleer of de elektromagnetische velden die door de gemonteerde zender binnen het passagierscompartiment worden opgewekt niet de grenzen overschrijdt waaraan het menselijk lichaam mag worden blootgesteld. 176
179 Index A A/C Zie: Klimaatregeling...67 Aan/uit toets Aandrijfregeling...93 Werking...93 Aanhangers trekken Aansluiting Auxiliary ingang (AUX IN)...84 Aansteker...82 ABS Zie: Remmen...91 Accessoires Zie: Onderdelen en accessoires...8 Accu van de auto Achterbank...78 Achterbank weer terugkantelen...80 Complete achterbank naar voren kantelen...79 Een rugleuningdeel naar voren kantelen...79 Achterruitwissers en -sproeiers...39 Ruitensproeier, achter...40 Wissen met intervallen...39 Wissen tijdens achteruitrijden...39 Achterste zijruiten...53 Afspelen CD beëindigen Afstandsbediening programmeren Zie: Programmeren van de afstandsbediening...25 Airconditioning Zie: Klimaatregeling...67 Akoestische waarschuwingssignalen en -indicaties...59 Laag brandstofpeil...59 Portier niet goed gesloten...59 Verlichting ingeschakeld...59 Vorst...59 Alarm...34 Werking...34 Alarm inschakelen...34 Alarm uitschakelen...34 Algemene informatie over radiofrequenties...25 Alternatieve frequenties Audiobediening...35 Modus...36 Seek (zoekfunctie)...36 Volume...35 Audiodisplays met tijd- en datumaanduiding Automatisch dimmende spiegel...53 Automatische volumeregeling Automatisch in- en uitschakelende ruitenwissers...38 Automatisch in- en uitschakelende verlichting...43 Auto op vier wielen slepen Autostore toets B Bagagenetten...98 Balance/fade (balans links/rechts, voor/achter) regeling Bandenspanningen Zie: Technische specificatie Banden Zie: Velgen en banden Bass/treble (lage/hoge tonen) regeling Batterij van afstandsbediening Zie: Batterij van afstandsbediening vervangen...26 Batterij van afstandsbediening vervangen...26 Bedieningselementen telefoon Afstandsbediening Bediening van de audio-installatie Bekerhouders...83 Tafeltjes op de rugleuningen...83 Belangrijke audio-informatie CD etiketten Labels op het audiotoestel Bergen van de auto Bescherming van inzittenden...20 Werking...20 Beveiligingscode Beveiligingscode invoeren Beveiligingscode vergeten Beveiliging van uw audio-installatie Bijlagen
180 Index Brandstof en tanken...87 Technische specificatie...88 Brandstofkwaliteit - Diesel...87 Opslaan voor de lange termijn...87 Brandstofverbruik...88 Brandstofverbruik Zie: Technische specificatie...88 Buitenspiegels...52 Handmatig inklapbare spiegels...52 C CD's aanbrengen CD's uitwerpen CD afspelen CD-nummers comprimeren CD-nummers herhalen CD-nummers scannen CD-speler Commando s audio-unit Auxiliary ingang CD-speler Radio SD-kaart Commando s navigatiesysteem Commando s telefoon Een telefoonboek aanleggen Hoofdinstellingen Telefoon Telefoonfuncties Contactslot...85 Contactslot Zie: Contactslot...85 Controle koelvloeistofpeil Zie: Motorkoelvloeistof controleren Controle oliepeil Zie: Motorolie controleren Controle vloeistofpeil koppeling en remsysteem D Dakrekken en bagagedragers...98 Imperiaal...98 De juiste zitpositie innemen...75 De motorkap openen en sluiten De motorkap openen De motorkap sluiten Dieselroetfilter...86 Regeneratie...86 Dimmer instrumentenpaneelverlichting...82 DPF Zie: Dieselroetfilter...86 E Een dieselmotor starten...85 Koude of warme motor...85 Een wiel vervangen Boordkrik Kriksteunpunten Reservewiel Wiel aanbrengen Wiel opbergen Wielslotmoeren Wiel verwijderen Een zekering vervangen Eerstehulpset Elektrisch bedienbare ruiten...52 Portierruit aan bestuurderszijde automatisch openen...52 Elektrische portiersloten Zie: Vergrendelen en ontgrendelen...27 Elektrisch verstelbare buitenspiegels...52 Elektromagnetische compatibiliteit Extra verwarming...70 Algemene informatie...70 Werkingsprincipe...71 Extra voedingsaansluitingen...82 G Gebruik maken van aandrijfregeling...93 Gebruik maken van de parkeerhulp...96 Gebruik maken van de telefoon - Auto's met Navigatiesysteem Actieve telefoon afmelden Bellen Een inkomend gesprek ontvangen Een tweede oproep ontvangen Microfoon dempen Van actieve telefoon veranderen
181 Index Gebruik maken van de telefoon - Auto's zonder Navigatiesysteem Actieve telefoon afmelden Bellen Een inkomend gesprek ontvangen Een tweede oproep ontvangen Microfoon dempen Van actieve telefoon veranderen Gebruik maken van stabiliteitsregeling...92 Gebruik van sneeuwkettingen Gebruik van veiligheidsgordels tijdens zwangerschap...23 Gebruik van winterbanden Gecodeerde sleutels...33 Gemaksfuncties...82 Gevarendriehoek Gloeilampentabel...51 Gloeilampen vervangen...46 Achterlichtunits...49 Derde remlicht...49 Interieurverlichting...50 Kentekenplaatverlichting...50 Koplampen...46 Leeslampen...50 Mistlampen, vóór...48 Zijknipperlichten...48 Gloeilampen vervangen Zie: Gloeilampen vervangen...46 Golfband toets H Handgeschakelde versnellingsbak...90 Achteruitversnelling inschakelen...90 Handmatige klimaatregeling...68 Airconditioning...69 Luchtrecirculatie...69 Snel verwarmen van het interieur...69 Temperatuurregelknop...68 Toetsen voor luchtverdeling...68 Ventilatie...69 Ventilator...68 Voorruit ontdooien en ontwasemen...69 Handrem Zie: Parkeerrem...91 Hill launch assist (HLA) Zie: Regeling voor bergop rijden gebruiken...94 HLA Zie: Regeling voor bergop rijden...94 HLA Zie: Regeling voor bergop rijden gebruiken...94 Hoofdsteunen...78 Hoofdsteun instellen...78 Hoofdsteun verwijderen...78 Hoogte van veiligheidsgordels afstellen...22 Hulpstartkabels Zie: Starten met hulpstartkabels I Immobilisatiesysteem inschakelen...33 Immobilisatiesysteem Zie: Motorstartblokkering...33 Immobilisatiesysteem uitschakelen...33 In één oogopslag...9 Overzicht instrumentenpaneel...9 Portieren met de afstandsbediening vergrendelen en ontgrendelen...11 Portieren met de sleutel vergrendelen en ontgrendelen...11 Stationair toerental na het starten...12 Stuurwiel instellen...12 Infoberichten...64 Berichtenindicator...64 Hellingstart...65 Niet goed gesloten portier(en)...64 Onderhoud...66 Stabiliteitsregeling (ESP)...66 Verlichting...66 Infodisplays...60 Algemene informatie...60 Informatiecentrum Zie: Infodisplays...60 Ingangsaansluiting (AUX IN) Inhouden en specificaties Technische specificatie Inleiding audio-installatie Inleiding
182 Index Inrijden Banden Motor Remmen en koppeling Instrumentenpaneel...54 Interieurverlichting...45 Leeslampen...46 ISOFIX verankeringspunten...18 Tourneo Connect...18 K Katalysator...87 Rijden met een auto met katalysator...87 Kindersloten...19 Tourneo Connect...19 Kinderzitjes...13 Kinderzitjes voor verschillende gewichtsgroepen...13 Kleine lakschade repareren Klimaatregeling...67 Werking...67 Koplamphoogte afstellen...44 Aanbevolen regelknopstanden...44 Alle uitvoeringen...44 L Ladingsteunen Zie: Dakrekken en bagagedragers...98 LAV-plaatje (lastafhankelijke remdrukregelklep) Luchtroosters Zie: Ventilatieroosters...67 M Menu's audio-installatie Meters...54 Brandstofpeilmeter...56 Koelvloeistoftemperatuurmeter...55 Mistachterlichten...43 Mistlampen - Achter Zie: Mistachterlichten...43 Mistlampen - Voor Zie: Voorste mistlampen...43 Motorkapslot Zie: De motorkap openen en sluiten Motorkoelvloeistof controleren Bijvullen Koelvloeistofpeil controleren Motorolie controleren Bijvullen Het oliepeil controleren Motorstartblokkering...33 Werking...33 Motor starten en stoppen...85 Algemene informatie...85 Motor uitschakelen...86 Auto's met turbocompressor...86 N Nieuwsberichten Nummer selecteren O Oliepeilstaaf - 1,8 l Duratorq-TDCi (Lynx) diesel /1,8 l Duratorq-TDDi (Lynx) diesel Onderdelen en accessoires...8 Onderhoud Algemene informatie Technische specificatie Onjuiste beveiligingscode Opbergruimtes...83 Opbergruimte bij de stoel...83 Opbergruimte boven de voorruit...83 Over deze handleiding...7 Overzicht audio-installatie Overzicht motorruimte - 1,8 l Duratorq-TDCi (Lynx) diesel /1,8 l Duratorq-TDDi (Lynx) diesel Overzicht van symbolen...7 Symbolen in dit instructieboekje...7 Symbolen op uw auto...7 P Parkeerhulp...96 Werking...96 Parkeerrem...91 Handrem aantrekken...91 Handrem vrijzetten...91 Op een helling parkeren
183 Index Passagiersairbag uitschakelen...23 Airbag aan passagierszijde inschakelen...24 Airbag aan passagierszijde uitschakelen...24 Persoonlijke instellingen...63 De klok instellen...63 ESP...63 Voertuiginstellingen...64 Plaatsen zekeringenhouders Centrale zekeringenkast Zekeringenkast in de motorcompartiment Plaatsing van kinderzitjes...15 Programmeren van de afstandsbediening...25 Een nieuwe afstandsbediening programmeren...25 Ontgrendelfunctie opnieuw programmeren...25 R Reductie geluidsvervorming (CLIP) Regeling functie verkeersinformatie Instellen van het voorgeprogrammeerde volume Lokale of algemene verkeersinformatie Verkeersberichten beëindigen Verkeersberichten inschakelen Volume van de verkeersberichten Regeling voor bergop rijden gebruiken...94 Het systeem activeren...94 Het systeem deactiveren...95 Het systeem uitschakelen...95 Regeling voor bergop rijden...94 Werking...94 Regionale modus (REG) Reinigen van binnenzijde auto Achterruiten Instrumentenpaneelschermen, LCD-schermen, radioschermen Veiligheidsgordels Reinigen van buitenzijde auto Achterruit reinigen Chromen onderdelen reinigen Koplampen reinigen Onderhoud van de lak Remmen...91 Werking...91 Richtingaanwijzers...45 Ruiten en spiegels...52 Ruitensproeiers Zie: Ruitenwissers en ruitensproeiers...38 Ruitensproeiervloeistof controleren Ruitenwisserbladen controleren...40 Ruitenwisserbladen vervangen...40 Ruitenwissers en ruitensproeiers...38 S Setup Bluetooth Eisen voor een Bluetooth verbinding Telefoons bedienen Setup telefoon Een andere Bluetooth telefoon aanmelden Telefoonboek Telefoonboekcategorieën Van een telefoon een actieve telefoon maken Shuffle/random (door elkaar/willekeurig) Sleeppunten Sleepoog, achter Sleepoog, voor Tourneo Connect Transit Connect Sleutels en afstandsbediening...25 Sloten...27 Sneeuwkettingen Zie: Gebruik van sneeuwkettingen Specificatie-overzicht zekeringen Centrale zekeringenkast Zekeringenkast in de motorcompartiment Spiegels Zie: Ruiten en spiegels...52 Zie: Verwarmde ruiten en spiegels
184 Index Spraakgestuurd regelsysteem gebruiken Spraaklabel Werking van het systeem Spraaksturing...36 Werking Stabiliteitsregeling...92 Werking...92 Standverwarming Zie: Extra verwarming...70 Starten met hulpstartkabels Zie: Starten met hulpstartkabels Starten met hulpstartkabels Hulpstartkabels aansluiten Motor starten Station afstemtoetsen Handmatig afstemmen Scanfunctie Zoeken Stoelen...75 Stoelverhogers...14 Kinderzitje (Groep 2)...14 Zitverhoger (Groep 3)...15 Storingen verhelpen audio-installatie Stuurbekrachtigingsvloeistof controleren Bijvullen Stuurwiel afstellen...35 Stuurwiel...35 T Tanken...88 Tankklep...88 Alle uitvoeringen...88 Tourneo Connect...88 Technische specificaties Zie: Inhouden en specificaties Telefoon Zie: Gebruik maken van de telefoon - Auto's met Navigatiesysteem Zie: Gebruik maken van de telefoon - Auto's zonder Navigatiesysteem Telefoon Algemene informatie Tijd en datum van de audio-installatie instellen /24 uurs modus Datum en tijd veranderen Tips voor het rijden met ABS Zie: Tips voor rijden met ABS...91 Tips voor het rijden Tips voor rijden met ABS...91 Transport...98 Algemene informatie...98 Trekken van een aanhanger Steile hellingen Tripcomputer...62 Actieradius tot de brandstoftank leeg is...63 Buitentemperatuur...63 Dagteller...62 Gemiddeld brandstofverbruik...63 Gemiddelde snelheid...63 Informatiedisplay, type Informatiedisplay, type Kilometerteller...62 Menu...63 Typegoedkeuringen FCC/INDUSTRY CANADA NOTICE RX-42 - Conformiteitsverklaring V Veiligheidsgordels vastmaken...21 Veiligheidsgordels achterin...22 Veiligheidsgordels Zie: Veiligheidsgordels vastmaken...21 Veiligheidsmaatregelen...87 Veiligheidsuitrusting voor kinderen...13 Velgen en banden Algemene informatie Technische specificatie Ventilatie Zie: Klimaatregeling...67 Ventilatieroosters
185 Index Vergrendelen en ontgrendelen...27 Achterklep vergrendelen en ontgrendelen...27 Automatisch opnieuw vergrendelen...29 Bevestiging van het vergrendelen en ontgrendelen...27 Centrale vergrendeling...27 De portieren openen...30 De portieren van binnenuit vergrendelen en ontgrendelen...29 Dubbele vergrendeling...27 Eén fase ontgrendeling...28 Geheugenvergrendeling schuifdeur...29 Portieren met de afstandsbediening vergrendelen en ontgrendelen...28 Portieren met de sleutel dubbel vergrendelen...28 Portieren ontgrendelen met behulp van de sleutel...27 Portieren vergrendelen met behulp van de sleutel...27 Twee fasen ontgrendeling...28 Verlichtingsbediening...42 Grootlicht en dimlicht...42 Home safe verlichting...42 Lichtsignaal...42 Parkeerlichten...42 Standen van de lichtschakelaar...42 Verlichting...42 Versneld vooruit/achteruit Versnellingsbak/transmissie...90 Versnellingsbak Zie: Versnellingsbak/transmissie...90 Verwarmde ruiten en spiegels...67 Ruitverwarming...67 Verwarmbare buitenspiegels...68 Verwarmde stoelen...81 Verwarming Zie: Klimaatregeling...67 Verzorging van banden Verzorging van de auto VIN Zie: Voertuigidentificatienummer Vloermatten...84 Voertuigidentificatienummer Voertuigidentificatieplaatje Voertuigidentificatie Voorkeuzetoetsen Voorruitsproeiers...39 Voorruitwissers...38 Intervalwissen...38 Voorste mistlampen...43 Voorstoelen...75 Armsteun instellen...77 Hellingshoek van de rugleuning instellen...76 Lendensteun instellen...76 Passagiersstoel, voor, neerklappen...77 Stoelen naar voren en achteren schuiven...75 Stoelhoogte instellen...76 Voorzorgsmaatregelen voor koude weersomstandigheden W Waarschuwings- en indicatielampen...56 Berichtenindicator...58 Controlelamp ABS...56 Controlelamp airbag...56 Controlelampen motor...57 Controlelamp grootlicht...58 Controlelamp koplampen...57 Controlelamp laadstroom...57 Controlelamp laag brandstofniveau...58 Controlelamp mistachterlicht...58 Controlelamp mistlampen, vóór...57 Controlelamp oliedruk...58 Controlelamp portier niet goed gesloten...57 Controlelamp remsysteem...56 Controlelamp schakeling...58 Controlelamp stabiliteitsregeling (ESP) en tractieregeling...58 Controlelamp voorgloeien...57 Controlelamp water in brandstof...59 Herinneringssysteem veiligheidsgordel...58 Indicator van onderhoudsinterval...58 Richtingaanwijzers...56 Waarschuwingsknipperlichten...44 Waarschuwingssignaal veiligheidsgordel...22 Herinneringssysteem uitschakelen
186 Index Wagen wassen Zie: Reinigen van buitenzijde auto Wassen Zie: Reinigen van buitenzijde auto Wat te doen bij pech Wegenkaartopbergvakken...84 Werking van de audio-installatie Winterbanden Zie: Gebruik van winterbanden Z Zekeringen Zekeringlabels
187
188 CG3526nl
FORD FUSION Instructieboekje
FORD FUSION Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor, specificaties,
FordKuga Instructieboekje. Feel the difference
FordKuga Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,
FordTourneoConnect FordTransitConnect Instructieboekje. Feel the difference
FordTourneoConnect FordTransitConnect Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden
FordFiesta Instructieboekje. Feel the difference
FordFiesta Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,
FORD FIESTA Instructieboekje
FORD FIESTA Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor, specificaties,
FordFiesta Instructieboekje. Feel the difference
FordFiesta Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,
FordFiesta Instructieboekje. Feel the difference
FordFiesta Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,
Instructieboekje FordTourneoConnect FordTransitConnect 100% Ford. 100% tevredenheid.
Instructieboekje FordTourneoConnect FordTransitConnect 100% Ford. 100% tevredenheid. De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling
FordFiesta Instructieboekje. Feel the difference
FordFiesta Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,
Instructieboekje FordMondeo 100% Ford. 100% tevredenheid.
Instructieboekje FordMondeo 100% Ford. 100% tevredenheid. De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het
FordMondeo Instructieboekje. Feel the difference
FordMondeo Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,
FordMondeo Instructieboekje. Feel the difference
FordMondeo Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,
FordKuga Instructieboekje. Feel the difference
FordKuga Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,
FORD MONDEO Instructieboekje
FORD MONDEO Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,
FORD FIESTA Instructieboekje
FORD FIESTA Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,
F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S
F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S Raadpleeg voor een uitvoerige beschrijving en meer informatie, of in noodgevallen, het instructieboek. DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting
FordTransit Instructieboekje. Feel the difference
FordTransit Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,
FordFocus Instructieboekje. Feel the difference
FordFocus Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,
FordFocus Instructieboekje. Feel the difference
FordFocus Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,
IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter
Panoramadak Dankzij het brede glazen dak zijn het zicht en de lichtinval in het interieur ongekend. 78 Te openen achterruit (SW) Dankzij deze voorziening hebt u eenvoudig toegang tot de bagageruimte zonder
FORD FOCUS Instructieboekje
FORD FOCUS Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,
FordC-MAX Instructieboekje. Feel the difference
FordC-MAX Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,
FORD C-MAX Instructieboekje
FORD C-MAX Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,
FORD FOCUS Instructieboekje
FORD FOCUS Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,
F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S
F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting - 2 Instrumentenpaneel - 3 Rechter hendel: bediening ruitenwissers, achterruitwisser, trip computer
Inhoud van de handleiding
Kort overzicht AFSTANDSBEDIENING................ 9 CENTRALE VERGRENDELING.......... 10 ACHTERKLEP...................... 10 MOTORKAP........................ 11 ELEKTRISCH BEDIENBARE STOELVERSTELLING VOOR
Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Inhoud
Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Lees de gebruikershandleiding voor gebruik zorgvuldig door en maak u vertrouwd met de verschillende functies van uw autoalarm. Deze handleiding beschrijft de functies
FORD C-MAX Instructieboekje
FORD C-MAX Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,
FORD C-MAX Instructieboekje
FORD C-MAX Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,
Stoelen IN DE JUISTE HOUDING ZITTEN
IN DE JUISTE HOUDING ZITTEN E81931 2 U mag de stoel niet tijdens het rijden verstellen. Als u dit toch doet, kunt u de macht over het stuur verliezen en letsel veroorzaken. 1 De stoel, de hoofdsteun, de
FORD B-MAX Instructieboekje
FORD B-MAX Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,
FordTransit Instructieboekje. Feel the difference
FordTransit Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,
FordTransit Instructieboekje. Feel the difference
FordTransit Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,
Stoelen VOORSTOELEN. Juiste zithouding H6544L. Stoelen
Stoelen VOORSTOELEN De stoel nooit afstellen als het voertuig in beweging is. Als van deze instructies wordt afgeweken, kan dit leiden tot lichamelijk letsel of verlies van controle over het voertuig.
FORD C-MAX Korte beschrijving
FORD C-MAX Korte beschrijving Over deze snelreferentiegids We hebben deze handleiding opgesteld om u te helpen vertrouwd te worden met bepaalde functies van uw auto. De gids bevat alleen basisinstructies
Veiligheidsgordels ALGEMENE INFORMATIE
ALGEMENE INFORMATIE oefenen hun werking uit via het beendergestel van het lichaam en horen laag over de voorkant van het bekken, de borstkas en de schouders gedragen te worden. Draag het heupgedeelte van
Veiligheid van kinderen
Veiligheid van kinderen KINDERZITJES Voor maximale veiligheid moeten kinderen altijd achterin zitten. Wij raden u aan om kinderen nooit voorin te laten zitten. Als het echter onvermijdelijk is om een kind
FORD FIESTA Korte beschrijving
FORD FIEST Korte beschrijving De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor, specificaties,
Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN
Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN verstellen. Als u dit toch doet, kunt u de macht over het stuur verliezen en letsel veroorzaken. 1. Verstelling naar voren/naar achteren. 2. Hoogteverstelling.
FordTransit Instructieboekje. Feel the difference
FordTransit Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,
FordTransit Instructieboekje. Feel the difference
FordTransit Instructieboekje Feel the difference De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de technische ontwikkeling behouden wij ons het recht voor,
VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA. Rijschool van Zuylen
VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA OPENEN MOTORKAP Motorkap in gesloten toestand OPENEN MOTORKAP Trek de hendel naar achteren en de motorkap is ontgrendeld. OPENEN MOTORKAP In het midden van de motorkap, net
Hartelijk gefeliciteerd met de aanschaf van een COBRA alarmsysteem type 889.
COBRA 889 INLEIDING Hartelijk gefeliciteerd met de aanschaf van een COBRA alarmsysteem type 889. De belangrijkste vernieuwing in deze 889-serie bestaat uit het systeem, dat de herkenningscode van de afstandsbediening
Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM
Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM H6716G Uw voertuig is voorzien van een uiterst verfijnd elektronisch diefstalalarm en motor-immobilisatiesysteem. Tevens beschikt het voertuig over een aantal extra veiligheidssystemen.
Verkorte gebruiksaanwijzing
Verkorte gebruiksaanwijzing VeloPlus Contactgegevens fabrikant: Tel. +31 (0)315 257370 E-mail: [email protected] Website: www.vanraam.com Van Raam Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Versie 18.06
Vehicle Security System VSS3 - Alarm system remote
Vehicle Security System VSS3 - Alarm system remote Alarmsysteem met afstandsbediening leidraad bij het instellen - Dutch Geachte klant, In deze handleiding vindt u de informatie en bedieningen die nodig
Gemaksvoorzieningen ZONNEKLEPPEN DIMMER VOOR DE INSTRUMENTENVERLICHTING ZONNESCHERMEN
Gema ksvoorzie ningen ZONNEKLEPPEN DIMMER VOOR DE INSTRUMENTENVERLICHTING AUTO E80434 De zonneklep kan tegen verblinding naar beneden of zijwaarts worden geklapt. ZONNESCHERMEN E993 Verdraai het duimwieltje
FORD FIESTA Korte beschrijving
FORD FIESTA Korte beschrijving Over deze snelreferentiegids Deze gids is opgesteld om u te helpen bepaalde functies van de auto snel te leren kennen. De gids bevat alleen basisinstructies (korte beschrijvingen)
Gebruiksaanwijzing ECE R kg 4-12 jr
Voorwaarts gericht Gebruiksaanwijzing ECE R44 04 Groep Gewicht Leeftijd 2-3 15-36 kg 4-12 jr 1 Bedankt dat U voor de BeSafe izi Up FIX hebt gekozen BeSafe heeft dit product uiterst zorgvuldig ontworpen
FORD C-MAX ENERGI Instructieboekje
FORD C-MAX ENERGI Instructieboekje Augustus 2014 Eerste druk FM5J 19A321 ABA (CG3628nlNLD) De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling
Gebruiksaanwijzing. izi Modular: voor- & achterwaarts gericht. izi Modular RF: achterwaarts gericht. Lichaamslengte cm.
a f d e b c i Gebruiksaanwijzing g h 4 > 5 cm izi Modular: voor- & achterwaarts gericht izi Modular RF: achterwaarts gericht 5 Lichaamslengte 6-05 cm. Lichaamslengte 88-05 cm. Max. gewicht 8 kg. Leeftijd
Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN
Kort overzicht Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN 6 5 4 3 2 1 12 9 3 6 80 100 120 km/h 60 140 40 160 LAND - - ROVER 20 0 180 200 H4959 7 8 9 1. Frisseluchtrooster - bedieningsknop 2. Ventilator - regeling
Veiligheid van kinderen
KINDERZITJES WAARSCHUWINGEN Op een stoel waarvoor een werkende airbag is aangebracht, mag u geen kinderzitje plaatsen. Wanneer de airbag wordt opgeblazen, bestaat er een risico op ernstig letsel of zelfs
FORD ECOSPORT Korte beschrijving
FORD ECOSPORT Korte beschrijving Over deze snelreferentiegids Deze gids is opgesteld om u te helpen bepaalde functies van de auto snel te leren kennen. De gids bevat alleen basisinstructies (korte beschrijvingen)
VOORWAARTS GERICHT GEBRUIKSAANWIJZING ECE R GROEP GEWICHT LEEFTIJD kg 4-12 j
VOORWAARTS GERICHT GEBRUIKSAANWIJZING ECE R44 04 GROEP GEWICHT LEEFTIJD 2-3 15-36 kg 4-12 j 1 Bedankt dat U voor de BeSafe izi Up hebt gekozen BeSafe heeft dit product uiterst zorgvuldig ontworpen om uw
FORD FOCUS Instructieboekje
FORD FOCUS Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,
voorwaarts gericht Gebruiksaanwijzing groep gewicht leeftijd kg 9m-4j
voorwaarts gericht Gebruiksaanwijzing ECE R44 04 groep gewicht leeftijd 1 9-18 kg 9m-4j 1 Dank u voor uw keuze voor de Besafe izi Comfort. BeSafe heeft dit product uiterst zorgvuldig ontworpen om uw kind
FORD TRANSIT Korte beschrijving
FORD TRANSIT Korte beschrijving De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,
FORD MONDEO HYBRID Instructieboekje
FORD MONDEO HYBRID Instructieboekje De informatie in deze publicatie was correct ten tijde van het ter perse gaan. In het belang van de continue productontwikkeling behouden we ons het recht voor om specificaties,
FORD MONDEO Korte beschrijving
FORD MONDEO Korte beschrijving Over deze snelreferentiegids We hebben deze handleiding opgesteld om u te helpen vertrouwd te worden met bepaalde functies van uw auto. De gids bevat alleen basisinstructies
Installation instructions, accessories. Stuurwiel, leer. Volvo Car Corporation Gothenburg, Sweden , ,
Installation instructions, accessories Instructienr. 30756608 Versie 1.2 Ond. nr. 30756607, 30756606, 31316446 Stuurwiel, leer IMG-339612 Volvo Car Corporation Stuurwiel, leer- 30756608 - V1.2 Pagina 1
Cobra Alarm 4627. Gebruikers Handleiding
Cobra Alarm 4627 Gebruikers Handleiding Clifford Electronics Benelux BV Tel.+31 20 40 40 919 [email protected] ISO 9001:2008 Cobra Alarmsysteem: Diefstal is de laatste tijd explosief gestegen. CAN Bus manipulatie
installatiehandleiding Alarmlicht met sirene
installatiehandleiding Alarmlicht met sirene INSTALLATIEHANDLEIDING ALARMLICHT MET SIRENE Gefeliciteerd met de aankoop van het WoonVeilig alarmlicht met sirene. Telefoonnummer WoonVeilig 0900-388 88 88
Vehicle Security System VSS3 - Vehicle original remote
Vehicle Security System VSS3 - Vehicle original remote Originele afstandsbediening van het voertuig leidraad bij het instellen - Dutch Geachte klant, In deze handleiding vindt u de informatie en bedieningen
Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama
Instructie www.lolkama.com Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama Voor het CBR praktijkexamen worden door de examinator, controle vragen gesteld over de banden, motor, dashboard
click! a b c d g h Gebruiksaanwijzing j k > 25 cm l m Lichaamslengte cm. Max. gewicht 13 kg. UN regulation no. R129 i-size Leeftijd 0-12 m.
1 3 a b c d e f g h click! Gebruiksaanwijzing 4 i j k l m > 25 cm 2 5 Lichaamslengte 40-75 cm. Max. gewicht 13 kg. Leeftijd 0-12 m. UN regulation no. R129 i-size 8 9 Dank u voor uw keuze voor de BeSafe
installatiehandleiding Alarmlicht met sirene
installatiehandleiding Alarmlicht met sirene INSTALLATIEHANDLEIDING ALARMLICHT MET SIRENE Gefeliciteerd met de aankoop van het Egardia alarmlicht met sirene. Website Egardia www.egardia.com Klantenservice
Bedieningen Dutch - 1
Bedieningen 1. Functieschakelaar Cassette/ Radio/ CD 2. Golfband schakelaar 3. FM antenne 4. CD deur 5. Schakelaar om zender af te stemmen 6. Bass Boost toets 7. CD skip/ voorwaarts toets 8. CD skip/ achterwaarts
Cobra 4627 Alarmsysteem met DriverCards
Cobra 4627 Alarmsysteem met DriverCards Gebruikershandleidingding Effectief en gebruiksvriendelijk Het in uw voertuig gemonteerde Cobra alarmsysteem biedt een simpele, maar uiterst effectieve en gebruiksvriendelijke
Parameters Zichtbaarheid. Inleiding
Inleiding Inleiding De lijst van parameters in dit document is beperkt tot die parameters die relevant worden geacht voor carrosseriebouwers. Neem contact op met een een erkende Scania werkplaats voor
Verwarming en ventilatie
Verwarming en ventilatie BEDIENINGSELEMENTEN 1. Temperatuurregeling. Afzonderlijk instelbaar voor de bestuurder en de passagier voorin. 2. Programma voor maximaal ontdooien. 3. Luchtverdeling. In de geselecteerde
Handleiding. Tilly Light fietsendrager
Handleiding Tilly Light fietsendrager mei 2015 Tilly Light BV Inhoudsopgave Algemeen 4 Onderdelen 5 Stekker aansluiting 10 Eerste gebruik 11 Op de auto plaatsen 15 Fietsen plaatsen 18 Rijden 23 Fietsen
PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! VOLVO V70 & XC70 quick guide
VOLVO V70 & XC70 quick guide PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! Het ontdekken van een nieuwe auto is een spannende bezigheid. Neem deze beknopte handleiding door om nog meer plezier te beleven aan uw nieuwe
click! a b c d e f g Gebruiksaanwijzing i j > 25 cm k l Groep 0+ Max. gewicht 13 kg. Leeftijd 0-12 m. ECE R44-04
1 3 click! a b c d e f g Gebruiksaanwijzing 4 h i j k l > 25 cm 2 5 Groep 0+ Max. gewicht 13 kg. Leeftijd 0-12 m. ECE R44-04 8 9 Dank u voor uw keuze voor de BeSafe izi Go. Het is belangrijk dat u deze
FORD TRANSIT Korte beschrijving
FORD TRANSIT Korte beschrijving Over deze snelreferentiegids We hebben deze handleiding opgesteld om u te helpen vertrouwd te worden met bepaalde functies van uw auto. De gids bevat alleen basisinstructies
FORD FIESTA Korte beschrijving
FORD FIESTA Korte beschrijving Over deze snelreferentiegids We hebben deze handleiding opgesteld om u te helpen vertrouwd te worden met bepaalde functies van uw auto. De gids bevat alleen basisinstructies
COP Quick start KA OLANDESE :32 Pagina 1. FordKa. Feel the difference
OP Quick start K OLNS 7-07-2008 8:32 Pagina FordKa Kort Owner s overzicht handbook Feel the difference K0468_Service_Portfolio_090508. 09.05.2008 5:52:47 Uhr 604.39.307 PP K OL 8-07-2008 4:03 Pagina S
Afstelbare parameters - Alarm en centrale vergrendeling
Inleiding Inleiding De lijst van afstelbare parameters is beperkt tot die parameters die relevant worden geacht voor carrosseriebouwers. Bezoek voor meer informatie over de huidige parameters voor een
2 Inleiding. Inleiding
Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 32 Opbergen... 53 Instrumenten en bedieningsorganen... 60 Verlichting... 77 Infotainmentsysteem...
Nederlandstalige handleiding Autoalarm AS5
Nederlandstalige handleiding Autoalarm AS5 Inhoud verpakking: Alarmunit Sirene Handzender ( 2 stuks) Kabels incl. zekeringen Zoekfunctie Stil alarm Startblokkering Paniek functie Anti carjacking Aansturing
Verkorte gebruiksaanwijzing
Verkorte gebruiksaanwijzing Fun2Go Contactgegevens fabrikant: Tel. +31 (0)315 257370 E-mail: [email protected] Website: www.vanraam.com Van Raam Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Versie 18.06
De voorkant. De zijkant. De banden
Controlepunten: In deze handleiding vind je de specifieke voertuigkenmerken van de Suzuki Swift. Algemene dingen kun je in je Ris praktijkboek vinden. Dus hier kun je b.v. vinden met welk knopje je de
GEBRUIKSAANWIJZING Ding Bas Autostoel 9-36 kg
GEBRUIKSAANWIJZING Ding Bas 1-2-3 Autostoel 9-36 kg Opmerkingen: 1. Dit is een Universele Autostoel. Deze autostoel is goedgekeurd volgens de Richtlijn 40.04 en is bedoeld voor gebruik in een voertuig.
Afstelbare parameters - Signalering en zichtbaarheidssystemen
Inleiding Inleiding De lijst van afstelbare parameters is beperkt tot die parameters die relevant worden geacht voor carrosseriebouwers. Bezoek voor meer informatie over de huidige parameters voor een
Zekeringen ZEKERINGEN
Zekeringen ZEKERINGEN Zekeringen zijn eenvoudige circuit-onderbrekers waardoor elektrische uitrusting wordt beschermd tegen de gevolgen van stroom-stoten. Een doorgebrande zekering blijkt uit het feit
Sloten en alarmen. Gebruiken van de zender
Sloten en alarmen ALARMSYSTEEM* Uw voertuig is voorzien van een uiterst verfijnd elektronisch diefstalalarm en motorimmobilisatiesysteem. Teneinde maximale veiligheid en maximaal bedieningsgemak te garanderen
OPEL AMPERA. Gebruikershandleiding
OPEL AMPERA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 34 Opbergen... 52 Instrumenten en bedieningsorganen... 59
VOORWOORD. Dit instructieboekje hoort bij uw auto. Bewaar het daarom altijd in uw auto, ook als u de auto verkoopt.
VOORWOORD Dit instructieboekje maakt u vertrouwd met de bediening van en het onderhoud aan uw nieuwe auto. Verder vindt u in dit instructieboekje belangrijke informatie over veiligheid. Lees het daarom
INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR
CITROËN AFTER SALES SERVICE INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR CITROËN DISTRIBUTEUR NIEUWE AUTO'S - Afleveringstechnicus - Coördinator terugroepacties CITROËN ERKEND REPARATEURS - Servicemanager - Technisch
GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding
GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding Rho-Delta b.v. Escudostraat 2 2991 XV Barendrecht Tel. +03110-4795755 Fax. +03110-2927461 www.rhodelta.nl [email protected] - OMSCHRIJVING De GT-912 /GT-913/GT-914
IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT. 1. Hendel motorkapontgrendeling. 2. Koplampverstelling. 3. Uitschakelen airbag aan passagierszijde
IN EEN OOGOPSLAG COCKPIT 1. Hendel motorkapontgrendeling 2. Koplampverstelling 3. Uitschakelen airbag aan passagierszijde 4. Verstelbaar en afsluitbaar zijventilatierooster 5. Schakelaar verlichting en
OPEL Vivaro Gebruikershandleiding
OPEL Vivaro Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 21 Stoelen, veiligheidssystemen... 45 Opbergen... 70 Instrumenten en bedieningsorganen... 78
GEFELICITEERD MET DE AANKOOP VAN UW NIEUWE VOLVO!
VOLVO V50 QUICK GUIDE GEFELICITEERD MET DE AANKOOP VAN UW NIEUWE VOLVO! Het is altijd spannend een nieuwe auto te leren kennen. Neem deze Quick Guide door om nog meer plezier te hebben van uw nieuwe Volvo.
Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards. Gebruikershandleiding. Vodafone Power to you
Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards Gebruikershandleiding Vodafone Power to you Effectief en gebruiksvriendelijk 1. Alarmsysteem met aparte autorisatie Het in uw voertuig gemonteerde
Tegen de rijrichting in. Gebruiksaanwijzing kg 0-12 m
Tegen de rijrichting in Gebruiksaanwijzing ECE R44 04 GROEP GEWICHT LEEFTIJD 0+ 0-13 kg 0-12 m 1 Bedankt voor uw keuze voor BeSafe izi Go BeSafe heeft dit product uiterst zorgvuldig ontworpen om uw kind
8075-000-048 - April 2010. Handleiding infrarood afstandsbediening
8075-000-048 - April 00 Handleiding infrarood afstandsbediening x 9V Batterij x x I zonder geheugen A, B, C + D S I met geheugen A, B, C + E I met massage A, B, C + F, G A Ontvangstinstelling A. Verwijder
De voorkant. De zijkant. De banden
Controlepunten: De voorkant De verlichting moet heel zijn en werken (de werking van de verlichting, remlichten en richtingaanwijzers kan voor je gaat rijden gecontroleerd worden door de examinator) De
PEUGEOT PK ALLURE
PEUGEOT 308 110PK ALLURE Prijs voertuig : * 15 900 * Excl. kosten van inschrijving en brandstof. vermelding verplicht vanaf 1.1.79 conform decreet 78993 van 4.10.78 Garantie Leeuwekeur Comfort (6 Maand)
OPEL INSIGNIA Gebruikershandleiding
OPEL INSIGNIA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 21 Stoelen, veiligheidssystemen... 47 Opbergen... 72 Instrumenten en bedieningsorganen...
Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards. Gebruikershandleiding. Vodafone Power to you
Vodafone Automotive 4627 Alarmsysteem met DriverCards Gebruikershandleiding Vodafone Power to you Effectief en gebruiksvriendelijk 1. Alarmsysteem met aparte autorisatie Het in uw voertuig gemonteerde
