1. De veld-theorie van Bourdieu

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "1. De veld-theorie van Bourdieu"

Transcriptie

1 1. De veld-theorie van Bourdieu De theorie die in deze scriptie centraal staat is de veld-theorie van Bourdieu. Deze Franse socioloog heeft in de laatste twintig jaar veel invloed gehad op de filosofie. Deze invloed is niet alleen in zijn geboorteland Frankrijk zichtbaar, maar ook elders in de wereld (Pels 1989: 7). Het werk van Bourdieu kan als grote rivaal gezien worden van de Duitse kritische theorie. Bourdieu zoekt naar een algemene cultuursociologie en probeert hiernaast een algemene handelingstheorie te formuleren. Bourdieu heeft zich, om tot deze theorieën te komen, veel meer dan zijn voorgangers, ingelaten met feitelijk empirisch onderzoek (Leezenberg & De Vries 2001: 192). Bourdieu heeft zijn sporen verdiend in de wetenschappelijke wereld door theorieën te ontwikkelen die betrekking hebben op de sociologie. Binnen deze theorieën zijn er verschillende elementen van belang voor deze scriptie. Deze zullen in dit hoofdstuk kort aan bod komen. Het eerste element dat van belang is, is de reflexieve sociale wetenschap. De reflexieve sociologie is een sociologie die de sociologische arbeid stelselmatig verdubbelt; omdat de objectiverende blik naar buiten, naar de werkelijkheid toe, telkens wordt aangevuld met de blik naar binnen. Deze blik naar buiten wordt de socio-analyse genoemd en de blik naar binnen de auto-analyse. Om het eenvoudiger te formuleren komt de reflexieve sociologie er op neer dat deze sociologie er niet alleen is om anderen te objectiveren, maar dat de objectiverende blik ook zichzelf observeert. Deze theorie van Bourdieu heeft deuren geopend naar een veel bredere kennissociologie. Het tweede kenmerkende element van Bourdieu is dat zijn werk een voortdurende poging is om allerlei vastgeroeste begripstegenstellingen en traditionele grenslijnen te verklaren. Hij laat zich niet vastpinnen op bepaalde stromingen en scholen, waardoor zijn werk een combinatie is van verschillende sociologische stijlen. Binnen deze stijlen zijn er drie grondbegrippen waarop Bourdieu zich baseert: veld, habitus en kapitaal (Pels 1989: 8-12). In het kader van deze scriptie is het begrip veld van onschatbare waarde. Eerst zullen echter de andere twee begrippen aan de orde komen, om de visie van Bourdieu goed uiteen te kunnen zetten. Habitus is een begrip dat centraal staat bij de handelingstheorie die Bourdieu ontwikkelde. Het begrip habitus is te omschrijven als een geheel van neigingen en disposities die leiden tot een bepaald gedrag. Deze neigingen worden hierbij aangeduid als onbewuste praktische principes. De habitus is dus geen onderliggende structuur met allerlei regels en waarden. Het is een systeem dat handelingen voortbrengt, die gericht zijn op doelen. Het feitelijk handelen wordt volgens Bourdieu gestuurd door zowel subjectieve overwegingen als objectieve gegevenheden (Leezenberg & De Vries 2001: 193). 1

2 Het begrip habitus lijkt voor een deel op het begrip van de universele grammatica, de UG, van Chomsky. Chomsky stelt dat er een aantal standaard, aangeboren noties zijn. Ook Bourdieu heeft het over een aantal standaard noties. Het grote verschil is dat de habitus van Bourdieu geen aangeboren verschijnsel is, maar een aangeleerd verschijnsel. Naast de habitus speelt het begrip kapitaal een belangrijke rol binnen de theorie van Bourdieu. Het begrip kapitaal kan niet los gezien worden van het begrip veld. Elk veld dat geconstrueerd wordt heeft zijn eigen logica of principes. Daarnaast heeft elk veld zijn eigen doelen en waarden. Deze doelen noemt Bourdieu kapitaal. Dit begrip kan meerdere vormen van kapitaal aanduiden. Zoals al eerder aan bod kwam, kan het begrip kapitaal niet los worden gezien van het begrip veld. Binnen de verschillende velden wordt gestreden voor zogenaamd symbolisch kapitaal. Dit symbolische kapitaal behelst het schaarse goed dat specifiek is voor hun veld. In het geval van het veld van de kunst is het symbolische kapitaal het monopolie dat kunstenaars zoeken op het weergeven en uitdrukken van schoonheid van de kunst. Binnen het veld van de wetenschap is het symbolische kapitaal het monopolie om het spreken van de waarheid. Het symbolisch kapitaal is dus veldafhankelijk. Naast het kapitaal dat aanwezig is binnen het veld bestaat er ook cultureel kapitaal dat betrekking heeft op de wereld buiten het veld. Met het vergaren van cultureel kapitaal doelt Bourdieu op de mogelijkheden die verschillende klassen krijgen om in aanraking te komen met cultuur. Mensen uit een hoger milieu, die een hogere opleiding hebben genoten, hebben meer cultureel kapitaal vergaard dan mensen uit de arbeidersklasse. Door het hebben van meer cultureel kapitaal onderscheiden de hogere milieus zich van de lagere, zowel in maatschappelijk opzicht, maar ook in ethisch en sociaal opzicht (Leezenberg & De Vries 2001: ). Binnen deze scriptie zijn het kapitaal en de habitus van ondergeschikt belang aan de algemene kenmerken van het veld. Uiteraard is het cultureel kapitaal van belang vanwege het feit dat er in de volgende hoofdstukken per eeuw zal worden gekeken welke groep mensen toegang had tot boeken en welke mensen er dus in staat waren om het cultureel kapitaal te vergaren, waarbij de habitus een belangrijke rol speelt om te kunnen onderzoeken waardoor mensen worden aangezet tot handelen. De nadruk zal echter liggen op de veld-theorie van Bourdieu. Het is daarom belangrijk om te kijken wat het begrip veld inhoudt en hoe het literaire veld eruit ziet. Bourdieu stelt dat een wetenschap van cultuurproducten drie stappen veronderstelt, die alle drie noodzakelijk zijn. In de eerste plaats is de analyse van het literaire veld belangrijk. Hierbij moet de positie van dit veld binnen het veld van de macht worden geanalyseerd. In de tweede plaats is de analyse van de interne structuur van dat veld belangrijk (Bourdieu 1994: ). 2

3 Binnen het gekozen veld moet er gekeken worden naar de relaties tussen de verschillende groeperingen en individuen binnen dat veld, die verwikkeld zijn in een strijd om legitimiteit. Tot slot is er een analyse nodig van de habitus en van de bezetters van deze positie (Bourdieu 1994: ). Er wordt dan onder andere gekeken naar de specifieke functie van de bezetters binnen het literaire veld. Deze drie stappen zullen hieronder uitgebreider worden beschreven. Het literaire veld is slechts een onderdeel binnen het veld van de macht. Het veld van de macht is de ruimte van krachtsverhoudingen tussen instituties die gemeen hebben dat ze het vereiste kapitaal bezitten om in verschillende velden dominantie posities in te nemen. Binnen dit veld vindt er dus een strijd plaats tussen de verschillende bezitters van macht. Inzet van deze strijd is de verandering van de relatieve waarde van de verschillende soorten kapitaal. Het literaire veld kan niet als een op zichzelf staand veld worden gezien. Hoezeer het veld zich ook probeert te onttrekken aan externe dwang, het is doortrokken van de noodzaak die in de omringende velden heerst (Bourdieu 1994: ). In de negentiende eeuw is het literaire veld ontstaan. Literatuur was toen nog een onderdeel van de kunst in het algemeen. Kunstenaars werkten in die tijd niet zozeer voor geld, maar men wilde bijdragen aan de kunst met hun werken. Uiteraard werkten de kunstenaars niet allemaal gratis, maar een deel van hen wilde een bijdrage leveren aan het autonome karakter van het veld. Door deze nieuwe motivatie ontstond binnen het veld van de kunst, het literaire veld. Een veld dat een belangrijke rol speelt binnen de literatuur (Leezenberg & De Vries 2001: ). Het literaire veld is een notie, die volgens Dorleijn & Van Rees (1999) in eerste instantie niet meer is dan een schets van de situatie in Nederland gedurende de laatste decennia van de twintigste eeuw. In deze scriptie zal er gekeken worden of deze veld-theorie ook toepasbaar is op eerdere eeuwen. Het literaire veld is een systeem dat bestaat uit verschillende elementen. Deze elementen hebben allen samenhang en kunnen dus niet los van elkaar gezien worden. Om een schets te geven van het literaire veld hebben Dorleijn & Van Rees (1999) een schematisch overzicht gegeven, dat op de volgende pagina is weergegeven. Zoals te zien is, is het veld onderverdeeld in drie onderdelen. Zo zijn er de onderdelen materiële productie, distributie en symbolische productie. Het schema begint bij de materiële productie. Zonder deze eerste stap zouden er geen boeken en tijdschriften geschreven worden en zouden er geen boeken worden gepubliceerd. Deze stap binnen het veld is puur hetgeen er vervaardigd wordt. Hierbij spelen de schrijvers en de uitgevers een belangrijke rol. Gekoppeld aan de schrijvers zijn de onderdelen: beroepsorganisatie, advies en subsidie. De daarachter geplaatste afkortingen zullen nu worden verhelderd om te kijken welke rol zij exact in het literaire veld spelen. 3

4 Schrijvers kunnen zich aansluiten bij de beroepsorganisatie VVL. Dit is de Vereniging voor Letterkundigen. Deze is opgericht in 1905 en is er voor alle schrijvers, vertalers, dichters en toneelschrijvers. Men waakt voor oneerlijke behandeling met betrekking tot contracten en auteursrechten en staat op deze wijze auteurs bij. Daarnaast reikt het bureau ook jaarlijks drie prijzen uit aan auteurs. De VVL had in april 2008, 798 leden, waarvan er 441 vrouw zijn en er 196 actief zijn als literair vertaler. Het advies op het literaire gebied, maar ook advies over andere disciplines binnen de kunst is afkomstig van de RvdK: de Raad voor de Kunst. Dit was de voorloper van de huidige raad van Cultuur. De RvdK is in 1947 ontstaan en behartigt de belangen van de kunst in Nederland. Deze raad is onafhankelijk en geeft adviezen aan de Nederlandse regering over het toekennen van subsidies en het cultuurbeleid in zijn geheel. De daadwerkelijke subsidie wordt toegekend door het FvdL. Schrijvers en vertalers kunnen zich tot het Fonds voor de Letteren wenden, wanneer zij een eenmalige subsidie willen ontvangen. Hier geldt een aantal regels voor, niet iedereen kan zo maar geld krijgen. Schrijvers moeten bijvoorbeeld al een literair werk op hun naam hebben staan, voor zij aanspraak kunnen maken op een vergoeding. Rechts in het schema, tussen de materiële productie en de distributie staan de afkortingen VBBB, KNUB en NBB. De VBBB is de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels, die tegenwoordig onder de naam KVB bekend is: Koninklijke Vereniging van het Boekenvak. Ook de KNUB is van naam veranderd. Waar het eerst stond voor de Koninklijke Nederlandse Uitgevers Bond, heet dezelfde organisatie nu de NUV wat staat voor Nederlands Uitgevers Verbond. 4

5 Deze organisatie behartigt de belangen van alle aangesloten uitgevers in Nederland. En dan tot slot de NBB: de Nederlandse Boekverkopers Bond. Werken kunnen wel geschreven en uitgegeven worden, ze moeten ook aan de man worden gebracht. De NBB, opgericht in 1907 is een brancheorganisatie die de belangen behartigt van de boekverkopers. Op 19 mei 2008, heeft de NBB 1146 leden, die gezamenlijk 1488 verkooppunten bezitten. Alle drie zijn ze van belang in verschillende onderdelen van het verwerken en verspreiden van de materiële productie. Onmisbaar in het literaire veld dus. Met betrekking tot de distributie zijn uiteraard de boekhandel en de bibliotheek uitermate belangrijk. De boekhandelaar is de plaats voor lezers die het zich kunnen veroorloven het boek van hun keuze aan te schaffen. De bibliotheek is een instantie die ervoor zorgt dat lezen wordt gestimuleerd. Vaak kan men hier tegen een redelijke vergoeding op jaarbasis de werken lenen. Binnen bibliotheken worden er jaarlijks ook activiteiten georganiseerd om mensen te enthousiasmeren voor lezen en literatuur. Naast deze instanties bestaan er ook zogenaamde boekenclubs. Deze kunnen professioneel georganiseerd zijn, maar er bestaan ook amateur boekenclubs. Bij de amateur boekenclubs gaat het vaak om een groep vrienden of collega s die onderling de werken uitwisselen en bespreken. Er is hier dus geen sprake van een lidmaatschap of van een formele organisatie. Dit in tegenstelling tot de professionele boekenclubs. Niet alle reacties zijn positief over deze clubs. Een voorbeeld van een boekenclub is ECI. Men wordt in het begin lekker gemaakt met lage prijzen, gratis producten en andere acties. Wat de klant dan nog niet weet is dat hij vanaf dan verbonden is en maandelijks wordt geacht werken af te nemen. Dit heeft zowel negatieve kanten als positieve. De drempel om werken te gaan kopen ligt laag, maar de organisatie maakt misbruik van dit gegeven door de klant direct aan zich te binden en een hoop voorwaarden te stellen die het moeilijk maken om het lidmaatschap op te zeggen. In het schema zijn deze drie onderdelen verbonden aan het lezerspubliek. Deze organisaties zorgen voor een connectie tussen lezer en boeken. Tot slot de symbolische productie. De symbolische productie is een overkoepelend begrip voor wat de invloed is van de materiële productie op het onderwijs en de literatuurkritiek. De symbolische productie is met betrekking tot het onderwijs geen meetbaar begrip. Het hangt van de docent af wat er in het onderwijs gebeurt met literatuur. Het is niet na te gaan, vandaar dat de term symbolisch wordt gebruikt. Het gaat dus niet om aantallen, maar puur om wat er met de geproduceerde werken wordt gedaan binnen het onderwijs. Ditzelfde geldt voor de literatuurkritiek. De geproduceerde werken hebben een invloed op de literatuurkritiek. Ze worden besproken in kranten en tijdschriften, wat met terugwerkende kracht invloed heeft op de nog te produceren werken. 5

6 Allereerst is er de literatuurkritiek die is onderverdeeld in de journalistieke, essayistische en academische kritiek. De journalistieke kritiek kennen we ook wel als recensies. In deze recensies worden in dagbladen of tijdschriften boeken besproken. Over het algemeen is de weg van de journalistieke, via de essayistische naar de academische kritiek. De essayistische kritiek is in één opzicht zeer verschillend van de journalistiek kritiek, bij de essayistische kritiek lijken de onderwerpkeuzes onuitputtelijk. Daarnaast is in de essayistische kritiek duidelijk de stem van de schrijver te horen. Het is een gekleurde manier van kritiek leveren die niet is opgebouwd volgens wetenschappelijke methoden, of een visie op een problematiek. De academische kritiek wordt steeds meer verdrongen door de journalistieke kritiek, die de lezer aangenamer vindt om te lezen. De academische kritiek is opgebouwd aan de hand van wetenschappelijke methoden en een kritiek met een persoonlijk oordeel vindt men net iets aangenamer. Naast de literatuurkritiek speelt ook het literatuuronderwijs een belangrijke rol binnen de symbolische productie. Het literatuuronderwijs heeft in de afgelopen eeuwen een grote ontwikkeling doorgemaakt. Waar men in de Middeleeuwen geen onderwijs had, en dus ook geen literatuuronderwijs, zien we in de zeventiende eeuw dat de Humanisten, de oprichters van de Latijnse School, grote waarde hechten aan de Klassieken en hun werken. In de huidige eeuw is literatuur op veel scholen onderdeel van het vak Nederlands. Hierbij hangt het van de motivatie en passie van de docent af hoeveel aandacht er wordt besteed aan literatuur. De zogenaamde boekenlijsten, een vastgesteld aantal boeken dat voor het vak Nederlands moet worden gelezen en besproken, bevat vaak slechts één oud werk. Veelal zijn dit werken als De klucht van de koe, Beatrijs, Lanseloet van Denemarken en Gijsbrecht van Amstel. Hierbij zijn vaak naast de Middelnederlandse schrijfwijze ook de modernere versie geplaatst. De interesse voor het Middelnederlands en de historische letterkunde zullen waarschijnlijk alleen nog maar meer af gaan nemen, indien de interesse niet opnieuw wordt aangewakkerd. Onderwijs speelt ook een belangrijke rol bij de invulling van het lezerspubliek en de groep niet-lezers. Dankzij de leerplicht en het onderwijs dat nu bijna iedereen in Nederland geniet, leert men lezen en zijn ze later een potentieel lezerspubliek van romans en andere werken. Verbonden aan het literatuuronderwijs is de Stichting School Schrijvers Samenleving: SSSS, welke bemiddelt in het organiseren van lezingen door schrijvers. Deze organisatie heeft als hoofddoel het bevorderen van lezen en literatuur in het algemeen. Zij organiseert lezingen op school, bibliotheken, buurthuizen en bedrijven. Voor het literatuuronderwijs dus een zeer eenvoudige oplossing om de lessen over literatuur leuk te maken. Het lezerspubliek, in de zin van de mensen die kunnen lezen, is in de afgelopen jaren sterk gegroeid. Waar het in de Middeleeuwen niet gebruikelijk was dat men kon lezen, zijn de niet-lezers in de huidige maatschappij slechts een uitzondering. De slinkende groep niet-lezers heeft een positief effect op de boekhandel en de bibliotheek. 6

7 Daarnaast is het onderdeel lezerspubliek verbonden met de literatuurkritiek, omdat de lezer zich laat beïnvloeden door deze kritiek. Nu duidelijk is geworden wat de verschillende onderdelen van het literaire veld behelzen en welke invloed zij hebben op het veld en op elkaar, zal nu onderbouwd worden waarom de theorie van Bourdieu gekozen is voor deze scriptie. De reden waarom de theorie van Bourdieu is gekozen als basis voor deze scriptie is vanwege de veelzijdigheid. De theorie richt zich, zoals eerder in dit hoofdstuk is gebleken, op alle onderdelen die voor de literatuur van belang zijn. In deze scriptie komen de verschillende onderdelen in meer of mindere mate aan bod. Er zijn uiteraard eeuwen waarin onderdelen ontbreken, of nieuwe onderdelen zijn toegevoegd, maar de basisbeginselen van het literaire veld blijven intact. Zo zijn de algemene kenmerken van een veld gelijk en houden het symbolische kapitaal en het culturele kapitaal hun waarde (Bourdieu 1989: ) stelt dat er een aantal vaste kenmerken zijn die een veld typeren. Deze kenmerken zullen nu op een rijtje worden gezet. - Velden zijn ruimten waarvan de eigenschappen afhangen van hun plaats binnen dit veld. - Deze eigenschappen kunnen los van elkaar of juist in combinatie met elkaar worden geanalyseerd. - Velden hebben een aantal algemene wetten. De zogeheten veldwetten houden in dat wat men leert van een afzonderlijk veld, ook gebruikt kan worden bij het onderzoeken van een ander veld. - Welk veld er ook wordt bestudeerd, er zijn altijd universele veldmechanismen aan te wijzen. Het veld van de filogie van de twintigste eeuw en de religie van de Middeleeuwen zijn hier slechts twee voorbeelden van. - Binnen een veld vindt er een strijd plaats. In het geval van het literaire veld vindt er onder andere een strijd plaats om schoonheid en stijl - De mensen die bewegen binnen het veld delen een aantal fundamentele belangen, namelijk alles wat samenhangt met het bestaan van het veld zelf. Dorleijn en Van Rees (1999) stellen dat hun schematisch weergegeven literaire veld feitelijk gezien een weergave is die van toepassing is op de twintigste eeuw en later. Verderop in deze scriptie zal ik deze stelling weerleggen. De verschillende onderdelen van het veld vervallen in de loop der jaren uiteraard, maar alleen de universele kenmerken zoals hierboven beschreven, geven ook een goed beeld van de situatie in de literaire wereld per eeuw dat toegepast kan worden op elke eeuw 7

8 2. Het literaire leven in de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd De literatuur uit de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd is niet te vergelijken met de hedendaagse literatuur. Twee van de grootste veranderingen, hebben te maken met de manier van schrijven en de andere ideeën die er toen heersten. In dit hoofdstuk zijn de twee belangrijkste bronnen Pleij (2007) voor de Middeleeuwen en Schenkeveld- van der Dussen (1997) voor de vroegmoderne tijd. In deze eerste paragraaf zullen er enkele algemene kenmerken aan bod komen van de literatuur uit de Middeleeuwen en zal er gekeken worden welke problemen literatuur uit de Middeleeuwen oplevert voor moderne literatuurgeschiedschrijvers. 2.1 Literatuur uit de Middeleeuwen In vergelijking met de literatuur van de Middeleeuwen, is er in de eeuwen die volgden veel veranderd. De literatuur in de Middeleeuwen had voornamelijk als doel om op een functionele wijze de lezer te vermaken. De Middeleeuwen, die duurt van 500 tot circa 1500, is voor moderne literatuurgeschiedschrijvers geen eenvoudige eeuw. In Nederland wordt het einde van de Middeleeuwen gezien als het moment waarop de Beeldenstorm van start ging (Pleij 1991: 10-11). De reden waardoor de Middeleeuwen geen eenvoudig onderzoeksgebied is, komt voornamelijk vanwege de grote verschillen over literatuuropvattingen. In de Middeleeuwen werden er veel werken geschreven op rijm. Ondanks dat het vandaag de dag poëzie genoemd zou worden, was het toen een onderdeel van het proza. Het was niet vreemd dat veel van de schrijvers uit de Middeleeuwen besloten zich uit te drukken via rijm, want hiermee probeerden ze een zo groot deel van de bevolking aan zich te binden. Rijm was eeuwenlang het vertrouwde middel geweest voor de mondelinge overdracht (Pleij 2007: 70-72). Rijm uit de Middeleeuwen is niet alleen paarsgewijs te vinden. Ook in allerhande ingewikkeldere combinaties is het aangetroffen. Men liet het ritme afhangen van de toehoorders waarvoor de poëzie was bedoeld (Pleij 2007: 18). Later in de Middeleeuwen begon men steeds meer overtuigd te raken van het idee dat ook door middel van proza de boodschap kon worden overgebracht (Pleij 2007: 70-72). In het begin van de Middeleeuwen echter waren teksten op rijm niet weg te denken uit de literaire wereld. Het probleem voor de huidige literatuurgeschiedschrijver ligt in de criteria die er voor poëzie en proza bestaan. Naast het verschil tussen poëzie en proza is een tweede verschil, het verschil in de maatschappij. In de Middeleeuwen was er een geheel andere maatschappij dan die van de huidige eenentwintigste eeuw. Dit had als gevolg dat de literatuur was gericht op een andere vorm van leven met (het gebrek aan) voorzieningen. Dit maakt het voor een lezer die het boek eeuwen later leest moeilijker om het werk terug te plaatsen in de context van die tijd. Dit heeft als gevolg dat het moeilijker is om een goed beeld te vormen. De onbekendheid van de wereld en de ideeën van toen, vormt een groot probleem. 8

9 Dit probleem is echter op te lossen door relevante literatuur over de Middeleeuwen te lezen om zo als lezer een vollediger beeld te kunnen schetsen. Toch is er nog een probleem dat wellicht zwaarder weegt dan de algemene ontwikkeling van de lezer (Pleij 1991: 3-10). Een grote barrière die zich opwerpt bij middeleeuwse teksten is die van de taal. Tegenwoordig worden steeds meer middeleeuwse geschriften vertaald in modernere taal, of wordt de tekst getranscribeerd zodat het moeilijk leesbare handschrift geen geheimen meer kent. Allerlei toen gebruikelijke afkortingen, accenten en vanzelfsprekende dingen zijn voor een andere lezer soms geheel onduidelijk. De Middeleeuwen is de periode tussen 500 en In Nederland gaan we uit van 1566, waar met het begin van de Beeldenstorm de Middeleeuwen wordt afgesloten (Pleij 1991: 10-11). De eerste echte schrijver die in de Middeleeuwen bekend werd was Bernlef. Hij werd vooral bekend door zijn heldenliederen. Zoals eerder gezegd komt pas in de twaalfde eeuw een beweging tot stand die literaire teksten in de volkstaal ging schijven, zodat ook de gewone mens in aanraking kon komen met literatuur. Die schreven wel in het Nederlands, maar noemden deze taal Diets. Het is een aanduiding die weergeeft dat de taal voor leken is. Met leken bedoelden ze in die periode, de mensen die niet van adel waren. In die tijd las voornamelijk de adel literaire werken, voor het gewone volk was dat niet haalbaar (Pleij 1991: 13). Door de beweging in de twaalfde eeuw kwam hier een einde aan. Het gebruik van volkstaal zorgde ervoor dat de werken ook tot de onderste lagen van de bevolking door konden dringen. Naast de normale burger gingen ook steeds meer ambtelijke instanties zich het Diets eigen maken. Nu het gebruik van de volkstaal steeds gebruikelijker werd, kwam er ook een onderscheid tussen spreek- en schrijftaal. Gedurende de Middeleeuwen is er binnen de literatuur dus veel veranderd. Waar men dus eerst de werken op rijm schreef, kreeg ook het proza binnen de Middeleeuwen een grote rol. De ambitie die de auteurs met hun werken hadden is niet veranderd. Leerzaam vertier was een term die gedurende de hele Middeleeuwen werd gebruikt om het doel van de werken te omschrijven. Er ontstonden in de Middeleeuwen dan ook teksten voor hoog en laag publiek, maar ook voor geestelijke lezers en leken. Dit maakt de Middeleeuwen tot een vruchtbare periode. Later in dit hoofdstuk zullen de verschillende genres aan bod komen die in de Middeleeuwen populair waren. 2.2 Literatuur aan het adellijk hof en kloosterliteratuur In de Middeleeuwen gingen prominenten binnen de maatschappij een eigen, vernieuwende literatuur ontwikkelen. Eén van de genres die toen werden ontwikkeld is de ridderepiek. Dit waren werken die over de vechtadel gingen. Het waren vooral spannende verhalen, geplaatst in de tijd van Karel de Grote. Naast deze ridderverhalen waren de heiligenlevens, dierverhalen, geestelijke en wereldlijke liederen ook vormen van genres die deels aan het hof werden ontwikkeld. 9

10 De nadruk ligt echter op de ridderepiek, ook wel de ridderroman genoemd. Middels dit genre creëert het adellijk hof een eigen identiteit. De oudste verhalen vertellen over Karel de Grote en zijn vazallen. In de twaalfde eeuw beginnen deze verhalen in een Middelnederlandse bewerking te circuleren. Bijzonder hierbij is het feit dat Karel de Grote eeuwen eerder leefde en men dus ondanks dit feit toch het verhaal op ging tekenen. Waarom neemt men niet meer situaties en gebeurtenissen die in het heden plaatsvinden? Dit kwam omdat men uit het verleden veel belangrijke voorbeelden ontleende voor in de eigen tijd. Een voorbeeld van een werk dat in die periode van het hof afkomstig is, is Karel ende Elegast. Karel de Grote dient in die periode als een modelvorst aller tijden. Verschillende vorsten namen dan ook zijn werk en zijn leven als voorbeeld. Zij zochten allen naar een ander doel en model, al was alles vaak op Karel de Grote geïnspireerd. De ridderroman en haar ontstaan is te verbinden aan het ontwikkelen en het propageren van ideale levenshoudingen en levensvormen tegenover de eigentijdse problemen. Deze hofliteratuur werd aan het eind van de Middeleeuwen niet overgenomen door de burgerij. Wel werd door deze nieuwe stroming de burger aangezet tot het lezen en het zich ontplooien in het literaire leven. Dit begint bij de hoger opgeleide burger binnen de maatschappij, maar dringt ook door tot de lagere lagen van de bevolking (Pleij 1991: 61-64). De ridderroman was geen stadsburgerlijke aangelegenheid. Het was nog meer dan hofliteratuur, het was eliteliteratuur. Hierbij bleek dat Nederland zeker een halve eeuw achterliep op Frankrijk. Nederland begon in de dertiende eeuw aan een explosieve inhaalslag. Binnen een aantal decennia werden er veel ridderromans verdietst. Naast de ridderepiek, de Karelepiek, was er ook de zogenaamde Arthurroman (Van Oostrom 2006: ). In de Arthurroman speelt de verbeelding een grote rol. Net als in de Karelepiek zit er in de Arthurroman ook een historisch figuur verscholen. Eén van de verschillen tussen beide vormen van genres is de inhoud. Terwijl koning Karel de Grote op permanente voet van oorlog had verkeerd, wist Arthur de vrede in zijn rijk voor twaalf jaar te bewaren. Koning Arthur kennen we voornamelijk van de Ronde Tafel. Deze staat symbool voor Arthurs hoofse heilstaat. Zowel de spannende verhalen over Karel de grote en Arthur waren geliefd bij het adellijke hof (Van Oostrom 2006: ). Toch had niet alleen het hof toegang tot literatuur. Voornamelijk later in de Middeleeuwen is duidelijk te zien dat literatuur een gemeengoed is. De literatuur heeft een publieke bestemming en wordt collectief beleefd. De manieren om literatuur te beleven waren ruimschoots aanwezig. Zo was er een stedelijke feestkalender, welke werd voorzien van inkomsten, rederijkersfeesten, vorstelijke bruiloften begrafenissen en geboortes. De collectieve beleving van literatuur zorgde voor een gevoel van verbondenheid en identiteit in de stad. Niet alleen de hofkringen beleefden gezamenlijk literatuur, ook in de stad las men elkaar verhalen voor. 10

11 Deze gewone burgers hadden vaak niet het geld om de handschriften te kopen en om toch van cultuur te kunnen genieten, waren de voordrachten een uitstekende manier (Pleij 2007: 49-51). Niet iedereen had een positief beeld gevormd over de leden van het adellijke hof. De adel werd in die tijd vooral gezien als onwetend. Zij hield zich immers bezig met boogschieten, zwemmen en paardrijden. Toch kwam er een grotere behoefte aan scholing voor de adel naarmate de Middeleeuwen vorderden. Ook in het adellijk hof kwam er onderwijs. Dit was veelal particulier onderwijs, zodat de kinderen, in het geval van adel de meisjes, op een eigen tempo de stof konden leren en begrijpen. Belangrijk hierbij is het accent dat ligt op hoofsheid. Hoofsheid gaat boven kennis, waardoor er weinig waarde wordt gehecht aan intellectualiteit. De hoofse traditie kent een lange geschiedenis. In de vroege Middeleeuwen was er een tegenstelling tussen twee ver uit elkaar verwijderde groeperingen inde maatschappij. Enerzijds de wereldse elite, anderzijds de kloosterlingen. Deze tegenstelling zou later in de Middeleeuwen worden opgeheven volgens Van Oostrom (2006). Het hof was voor de kloosterlingen een oord van niveau en verfijning, voornamelijk in de omgangsvormen. Deze omgangsvormen werden via een speciale vorm van overdracht verspreid. Deze was niet zozeer dialectisch, maar charismatisch. Het leven aan het hof werd gezien als de ideale leerschool en zorgde ervoor dat hofclerici een rolmodel werden voor edelen met wie zij verkeerden. Door deze ontwikkeling raakte hoofsheid wijd verspreid (Van Oostrom 2006: ). Dit alles had invloed op de werken die gelezen werden door de adel. Naast het hof heeft het klooster ook een belangrijke rol gespeeld binnen de literatuur van de Middeleeuwen. De geestelijken probeerden met hun werken een plaats te veroveren in de literatuur van de stad. Dit gebeurde op een bijna agressieve manier. Voornamelijk de bedelmonniken en de minnebroeders hadden deze ambitie. Deze ambitie kwam voort uit een drang om de massa kennis te laten maken met de goddelijke boodschap in ruil voor leeftocht. Dit deden ze door het uitbrengen van allerhande handleidingen, maar het grootste publiek bereikten ze bij hun publieke optredens. Hierbij was spektakel het hoofdonderdeel waaruit de voorstellingen bestonden. Bij deze voorstellingen werd er toneel gespeeld, maar er werd ook gedanst. Bij alle onderdelen speelde de humor een belangrijke rol. Het leek dan misschien niet heel serieus, de boodschap die het publiek te horen kreeg was een uiterst serieuze zaak. Deze manier van het verspreiden van een boodschap werd niet door iedereen op prijs gesteld. Een grote groep critici in de stad vond het gedrag van de monniken ordinair gelonk naar de massa (Pleij 2007: 47-49). Naast deze publieke opvoeringen, was er intern in het klooster ook sprake van een literaire ambitie. Kenmerkend voor het klooster zijn korte verhaaltjes in proza die vaak een anekdote bevatten. Deze werkjes worden ook wel exempelverzamelingen genoemd. 11

12 De onderwerpen van deze verhaaltjes waren over het algemeen religieus getint, waardoor ze veel aftrek vonden binnen de kloosters. Toch was het niet alleen religieuze inhoud die de werkjes aantrekkelijk maakte, ook fragmenten uit dierenencyclopedieën en dingen uit het dagelijkse leven werden beschreven. Dit was voor de bewoners van het klooster interessant om te lezen omdat ze vaak in stilte binnen het klooster leefden en het dagelijkse leven onbereikbaar was. Naast het genre van de exempelverzamelingen had de bibliotheek nog een belangrijke troef in handen. De meeste van de bibliotheken die toen bestonden, wat er zeer weinig waren, behoorden vaak toe aan een klooster. Het lag dan ook niet voor de hand dat de bibliotheek ridderepiek op nam in de collectie. De collectie van het klooster bestond vooral stukken die geestelijke toneelstukken beschreven. Goede werken bestonden uit een combinatie van de twee ingrediënten die hierboven beschreven zijn. Beschrijvingen uit het dagelijkse leven waar de religie niet vergeten moest worden. Dit subgenre dat voornamelijk binnen de muren van het klooster bleef, is niet te bestempelen als volwaardig genre, omdat het vaak niet buiten het klooster gelezen werd. Toch kunnen we deze stroming niet achterwege laten omdat het een bijzondere vorm was van literatuur vanwege de combinatie van onderwerpen (Pleij 1991: 16-17). Toch maakte de combinatie van onderwerpen deze literatuur ook buiten het klooster tot interessante literatuur. Dit had als gevolg dat ook andere mensen in aanraking kwamen met het geloof. Vooral de mystiek nam een hoge vlucht in de Nederlanden. De mystiek waarin zelfexpressie centraal staat sprak de mensen aan vanwege het einddoel: zelfexpressie en vervolmaking. Deze mystiek werd door de kerkelijke overheid verafschuwd, vanwege het doe-het-zelf karakter. Met de opkomst van de mystiek ontstond er een nieuw genre: de Bijbelvertalingen. Voor dit genre aan bod komt, eerst een kleine impressie van de weg die de mystiek heeft afgelegd. De mystiek behelst meer dan alleen de ontmoetingen met God en de visioenen die aanhangers van de mystieke leer beschrijven. De mystiek is volgens Van Oostrom (2006) uniek en indrukwekkend. Mystiek is de middeleeuwse christelijke traditie die bij uitstek liefdesmystiek tussen de gelovige en God verheerlijkt. Men legt binnen de mystiek de nadruk op het liefdevolle verlangen van de gelovige naar Hem. Naarmate deze mystiek zich in de volkstaal uitspreekt komt men al snel terecht bij de hoofse traditie. Het milieu van de mystiek bevond zich voornamelijk in de kloosters. Het klooster waarin monniken zich bevonden, zagen zij als een zelfgeschapen vorm van een godgewijd leven. Het was voor hen de ideale plaats voor contemplatie en het naderen tot God. Men ontwikkelde zich binnen die kloosters met Bijbelse geschriften (Van Oostrom 2006: ). 12

13 2.3 Literatuur in beweging Sterk verwant aan het eerder genoemde genre van de ridderepiek is het toneelspel in de Middeleeuwen. Deze kunst mag niet vergeten worden, aangezien zij een belangrijke rol vervulde in het middeleeuwse leven. Het toneel dat toen werd opgevoerd bestond vooral uit wereldlijk toneel. Niet alleen kluchten dus, ook serieuzere stukken. Toch waren de onderwerpen vaak sterk verwant aan de ridderepiek wat de overlevering van de werken niet ten goede kwam. In de loop van de veertiende eeuw verplaatst het centrum van de literatuur zich naar de stad. Dit ging niet zonder gevolgen voor de bestaande genres. Het belangrijkste gevolg heeft te maken met macht en het besturen van een stad. De stedelijke machthebbers organiseren een cultureel netwerk, dat uitmondt in de stichting van rederijkerskamers (Pleij 1991: 19-20). Deze kamers werden geleid door de meest getalenteerde schrijver van de stad. Het is eigenlijk een vorm van een commissie die activiteiten organiseert die te maken hebben met cultuur en kunst. De cultuur in het land moest ervoor zorgen dat er een nieuwe identiteit werd gegeven aan de maatschappij die niet langer onderverdeeld was in adel-geestelijkheid-boeren. Dit trekt ook door in de literatuur uit die periode. Men had geen behoefte meer aan ingewikkelde taal en termen van het hof, in prachtige beeldspraak, omdat deze niet meer van belang waren in de vernieuwde maatschappij. Waar men wel belangstelling voor had, was het sprookje, vechtpartijen en de romantiek. Men verlangde naar de oude riddercultuur. Naast deze hang naar de oudere riddercultuur en de daarbij behorende roman, is er ook vraag naar didactische en stichtelijke teksten die natuur, geschiedenis en zeden aan de orde stellen (Pleij 1991: 68-71). Een tweede gevolg dat erg veel invloed had op de ontwikkeling van de stad tot centrum van het literaire centrum was de ontwikkeling van de boekdrukkunst. Het is niet precies duidelijk wanneer deze precies is uitgevonden en door wie. Aangenomen wordt dat de boekdrukkunst in het midden van de vijftiende eeuw in praktijk begint te komen. De drukkers die toen aan het roer stonden van deze ontwikkeling merkten snel dat de stad het beste afzetgebied voor ze was. Ondanks dat de rederijkerskamers belangrijk waren voor culturele ontwikkelingen drukten de drukkers niet alleen literatuur van de rederijkers. Deze rederijkerskamers hebben een belangrijk aandeel in de literatuur die tussen 1400 en 1600 wordt gepubliceerd. In deze periode waren er 284 erkende rederijkerskamers. De meeste van deze kamers bevonden zich in het zuiden. Op het moment dat er een groot stedelijk bewustzijn groeide onder de burgers, komt ook de literaire institutie van de rederijkerskamer in het noorden aan de orde. 13

14 In Middelburg wordt omstreeks 1480 voor het eerst over een rederijkerskamer gesproken. Hierbij draaide het voornamelijk nog om het opvoeren van toneelstukken, later kwam hier ook de literatuur bij. De rederijkers zijn voortgekomen uit de wijkvereniging en broederschappen die zich organiseerden in de vijftiende eeuw. Binnen deze groepen zorgde de ambitie van de jongelingen binnen de groep voor een natuurlijke gang van zaken richting de overgang van broederschap tot rederijkerskamer (Pleij 2007: ). Deze literatuur was nogal cryptisch en erudiet en was in essentie bedoeld voor de rijkeren van de samenleving. Voor deze rijkeren drukten de drukkers in eerste instantie niet, omdat ze een zo groot mogelijk afzetgebied voor hun producten wilden. Wat werd er dan wel afgedrukt? De drukkers hielden zich vooral bezig met de smaak van de gemiddelde burger. Dit hield in dat ze zich richtten op oude ridderverhalen, maar ook dierverhalen. Dit was dus allemaal gebaseerd op oudere werken. Het duurde tot omstreeks 1500 voordat de rederijkersliteratuur in gedrukte versie beschikbaar was. De rederijkerskamers schreven voornamelijk toneelstukken, die door de drukkers omgevormd werden tot verhalen. Met het toevoegen van een nieuw genre werd het begin gelegd voor het uitgeven van andere genres, dan alleen de klassieke werken. In de zestiende eeuw kwamen ook novellen en anekdoteverzamelingen onder de aandacht. De ontwikkeling van de rederijkerskamers en de uitvinding van de boekdrukkunst gaf de Nederlandse Letterkunde een impuls. Toch was niet iedereen lovend over de ontwikkeling van de Nederlandse literatuur die dankzij de drukpers een nieuwe impuls kreeg. Er werd verondersteld dat de uitvinding van de boekdrukkunst een remmende werking zou hebben op de ontwikkeling van de Nederlandse literatuur. De reden hiervoor lag in het feit dat er vooral oudere werken opnieuw onder de aandacht werden gebracht en niet de werken die toen modern en nieuw waren (Pleij 1991: 22-32). 2.4 De boekdrukkunst De boekdrukkunst had een grote invloed op de hoeveelheid teksten die kon worden verspreid en welke mensen deze teksten konden lezen. Een kleine bloemlezing over de ontstaansgeschiedenis en de invloed van de boekdrukkunst mag dan ook niet ontbreken bij het schetsen van een beeld van de literaire cultuur in de Middeleeuwen. Over de exacte datum waarop de boekdrukkunst is uitgevonden, lopen de meningen uiteen (Schenkeveld- van der Dussen 1997: ). Vooralsnog wordt Johannes Gutenberg als ijkpunt genomen. Voordat deze man als uitvinder werd vastgesteld, werd er lange tijd vanuit gegaan dat Laurens Janszoon Coster de ontdekker was. Dit bleek later echt onjuist te zijn en toen werd Johannes Gutenberg benoemd tot uitvinder van de boekdrukkunst. In Nederland zijn er geen werken bekend van voor Het eerste boek dat in de Nederlandse taal verscheen kwam uit in

15 Voor deze periode waren er wel al werken gemaakt op onder andere houtsneden. Deze houtsneden konden echter maar één keer gebruikt worden en waren ongemakkelijk in gebruik. Gutenberg bedacht een systeem van losse loden letters waarmee je een pagina kon zetten. Als de letters eenmaal waren gemaakt in lood, kon er snel een nieuwe pagina worden gemaakt en konden de letters worden hergebruikt. Dit scheelde veel tijd in de productiekosten van het drukken van een werk. Voorheen waren en maanden nodig voor het drukken van een werk, nu kon men in diezelfde tijd honderd herdrukken maken van een origineel. Gutenberg vond al snel veel navolging van zijn uitvinding, die een groeiende boekenwereld tot gevolg had. De gedrukte boeken konden in kortere tijd geproduceerd worden en ze konden een hoop mensen bereiken, mits die mensen konden lezen. Dit nam niet weg dat boeken nog steeds geen goedkope aanschafprijs hadden. Ondanks dat de boeken in begin als zeer exclusief werden beschouwd, nam de prijs niet af. Na dit snelle begin en de snelle ontwikkeling duurde het nog twee decennia voordat het eerste boek in de Nederlanden werd gedrukt. Inmiddels was Gutenberg al overleden. Na de eerste druk werd er al snel weer een Nederlandse tekst gedrukt. In navolging van Gutenberg werd dit ook de Bijbel. De drukkers Jacob Jacobszoon van der Meer en Mauricius Yemantszoon waagden zich eraan. Het epische centrum van de drukkers zat vooral in voor die tijd grotere Hollandse steden zoals Delft en Gouda. Het duurde lang voordat ook het Zuiden de boekdrukkunst ging gebruiken. Nederland had echter niet genoeg daadkracht om een leider te blijven binnen dit ambacht. Al snel groeide Antwerpen uit tot het boekencentrum van de Nederlanden. De werken die gedrukt werden waren vooral herdrukken van oudere populaire teksten. Waar de drukker zich eerst gedroeg als een zetter van letters, ging hij zich steeds meer gedragen als een uitgever. Wat er werd uitgegeven, de samenstelling van het werk, werd door hem bepaald. Ook gaf hij opdrachten om oude werken te herschrijven en nieuwe te laten schrijven. De rol van de drukker was dus uitgebreid en hierdoor bepaalde een drukker voor een groot deel wat de lezer bereikte. Deze lezer werd door de drukker aangespoord tot lezen en werd omgevormd van een luisteraar naar een lezer (Schenkeveld van der Dussen 1997: ). Dat dit een grote overgang was, blijkt uit de verschillende aanwijzingen voorafgaand aan een verhaal waarin de lezer werd verteld hoe hij het boek moest lezen en wanneer hij dit het best kon doen. De drukker had geen vertrouwen in de beginnende lezer. 2.5 Vrouwelijke auteurs in de Middeleeuwen De rol van de vrouw in de maatschappij was duidelijk afgebakend van die van de man. Vanuit de middeleeuwse opvatting is de man bij schepping door God toebedeeld met wijsheid, dapperheid en kracht, en van nature heer en meester over de vrouw. 15

16 Mannen werden geboren heersers genoemd, terwijl vrouwen van nature zwakke, zondige wezens zijn die door mannen worden begeleid en onderwezen (Orlanda-Lie 2001: 252). Een andere keuze dan de priorin van het huishouden, was voor de vrouw in die tijd niet mogelijk. Dit had zijn weerslag op de mogelijkheid voor een vrouw om als auteur op te treden. Over vrouwelijke auteurs in de Middeleeuwen is weinig literatuur beschikbaar. Dit neemt niet weg dat vrouwelijke auteurs actief waren in die periode. Lange tijd werd de stichtelijke en ascetische literatuur, vervaardigd door vrouwen, geen interessant onderzoeksobject bevonden. De laatste jaren is dit aan het veranderen en is er veel aandacht voor werken voor en door vrouwen. De omgeving waarin vele vrouwen actief waren binnen hun leven, het huishouden, was geen geliefd onderwerp binnen de werken die de vrouwen vervaardigden. Dit duurde tot de achttiende eeuw. Getrouwde vrouwen schreven vaak over hun gezin en het huwelijk, en ongetrouwde vrouwen vertrouwden allerhande gevoelens aan het papier toe. Eén van de meest beschreven gevoelens, de liefde, kwam niet vaak aan bod. Dit onderwerp vindt zijn doorgang in de tweede helft van de achttiende eeuw, wanneer liefde, deugd en godsdienst onmisbaar zijn in de literatuur. Dit wil niet zeggen dat er in de Middeleeuwen niet over de liefde werd geschreven. In de Middeleeuwen had met het vaak over liefde in de zin van vriendschappen en de onvoorwaardelijke liefde voor familie en vrienden. De vriendschappen die centraal stonden in werk uit die tijd, hadden vaak een erotisch randje. Dit heeft als gevolg dat vriendschappen en liefdesrelaties moeilijk van elkaar zijn te onderscheiden. Deze kenmerken van literatuur in de Middeleeuwen golden niet specifiek voor literatuur die afkomstig was van een vrouw, ook mannen maakten gebruik van deze onderwerpen. De vrouwelijke auteurs die actief waren binnen de Middeleeuwen, hielden zich voor een groot deel bezig met de geestelijke letterkunde. De reden hiervoor lag in het karakter en de drang om een geestelijk leven te leiden in een klooster of in een kluis. Maagdelijkheid stond in die periode in hoog aanzien en een leven als bruid van Christus was voor veel vrouwen het ideaal (Schenkeveldvan der Dussen 1997: 8-14). Zo ontstond een nieuw genre, dat later aan bod zal komen wanneer de mystieke schrijfster Hadewijch wordt behandeld. Zoals duidelijk is geworden, heeft de positie van de vrouw in de Middeleeuwen een bescheiden karakter. Het waren de mannen die ambtelijke posities in namen en die hun energie liever in hun eigen geestelijke leven en de daarbij behorende mogelijkheden wilden steken, dan in een veeleisende vrouw. De vrouwen in die tijd hadden weinig opleidingsmogelijkheden. Dit lag voor een deel aan de traditie dat vrouwen bestemd waren om het huishouden te doen. Alleen de vrouwen die van adellijke afkomst waren hadden dezelfde opleidingsmogelijkheden als hun mannelijke leeftijdgenoten. Deze vrouwen werden Latijngeschoold en vervulden vaak een leidinggevende functie in een klooster. Kennis van het Latijn was onmisbaar voor een hogere functie. De vrouwen die ontsnapten aan vastgelegde rolpatronen waren uitzonderingen (Orlanda-Lie 2001: ). 16

17 Het gebrek aan opleidingsmogelijkheden voor vrouwen had tot gevolg dat veel vrouwen in die tijd geen kennis van het Latijn bezaten en dat de vrouwen hun gedachtegoed op gingen schrijven in de volkstaal (Scheepsma 1992: 322). De werken die in de volkstaal werden geschreven schetsten een beeld waarin vrouwen onderdanig moesten zijn aan de man en gehoorzaam aan hun echtgenoot. Dit waren de boeken die vaak door mannen waren geschreven. De vrouwen schreven in de volkstaal over andere onderwerpen en gebeurtenissen. Hierbij was de liefde een populair onderwerp (Lemaire 1986: 38-41). De oprichting van universiteiten werkte dus als een geïnstitutionaliseerd uitsluitingmechanisme, waardoor de kloof tussen geschoolde mannen en ongeschoolde vrouwen steeds groter werd (Orlanda-Lie 2001: ). Ondanks dat vrouwen weinig opleidingsmogelijkheden hadden, hadden ze wel behoefte aan geestelijke literatuur. Dit valt te concluderen uit de handschriften die de tand des tijds hebben doorstaan. Een belangrijke gebeurtenis die in de Middeleeuwen invloed heeft gehad op vrouwen en op hun mogelijkheden, was het ontstaan van de moderne devotie. Dit was een beweging die invloed had op het geestelijke leven in Nederland en Duitsland. De devoten streefden de spiritualiteit van de eerste christenen na. Opmerkelijk hierbij is dat vrouwen het grootste gedeelte van de moderne devotie gestalte hebben gegeven. Er waren drie manieren waarop vrouwen deel konden nemen aan de moderne devotie. Er ontstonden kloosters speciaal voor vrouwen, zonder dat deze vrouwen een kloostergelofte hoefden af te leggen. Men kon dus aanhanger worden van het klooster, zonder te kiezen voor een leven als non binnen het klooster. Het leven als non was de tweede mogelijkheid die vrouwen hadden. Men let zich dat vrijwillig plaatsen in een vrouwenklooster. Binnen deze kloosters leidden vrouwen een dienstig, geestelijk leven. Het bleek dat een toekomst als non veel vrouwen aansprak, omdat ze dan het gevoel hadden hun hele leven in dienst te stellen van de Devotie. In 1436 was het niet meer mogelijk in een vrouwenklooster plaats te nemen. Deze beslissing leidde tot het ontstaan van augustinessen- en tertiarissenkloosters. Ook in deze omgeving kregen vrouwen de mogelijkheid zich zowel spiritueel als literair te ontwikkelen. Door het aanmoedigen van het schrijven ontstond er in die periode een grote hoeveelheid literatuur in het Middelnederlands. De devote literatuur is in twee delen te scheiden. Het gedeelte dat de individuele auteurs behelst en het gedeelte dat eerder het collectief van bepaalde convenanten behelst. De laatste categorie wordt met betrekking tot de Middelnederlandse literatuur ook wel de nonnen- en zusterliteratuur genoemd. Deze werken beschrijven het leven van een overleden zuster die leefde binnen de gemeenschap. Dit is op te maken uit het feit dat ondanks dat de auteurs van zusterboeken anoniem waren, ze de gebeurtenissen uit het leven van de zuster zo realistisch konden vertellen, dat het wel zusters uit dezelfde gemeenschap moesten zijn (Scheepsma 1992: ). 17

18 De zusterboeken zijn slechts een voorbeeld van de verschillende genres die in de Middeleeuwen werden geschreven. Vrouwen hadden het niet altijd even eenvoudig binnen een kring van mannen. De literaire begaafdheid en de wijze waarop zij dit in woorden uitten resulteerde in aangrijpende en overtuigende teksten. Binnen de mannen van de devote beweging werd naast de angst voor vrouwen een afkeer van vrouwen als meerwaarde voorgesteld, het werd verheerlijkt. Binnen de devoten liep de spanning tussen mannen en vrouwen hoog op en werd er besloten dat er in eigen kring een schrijf- en kopieerverbod voor vrouwen moest worden ingesteld (Pleij 2007: ). 2.6 Vrouwelijke auteurs in de vroegmoderne tijd Het was voor vrouwen in de Middeleeuwen niet eenvoudig een plekje te verwerven binnen het domein van de mannen. De publicatiemogelijkheden voor werk van vrouwen waren in de Middeleeuwen vrijwel nihil. Voornamelijk religieuze of mystieke werken hadden de mogelijkheid tot publicatie dankzij een mannelijke opdrachtgever. Dit was niet ongewoon in de Middeleeuwen. Het is opvallend voor huidige literatuurschrijvers dat deze mannen veel respect leken te hebben tegenover hun vrouwelijke collega s en ze zelden of nooit betuttelden. Vaak werden de werken eerst in handschrift verspreid om ze vervolgens, wanneer bleek dat er animo voor was, te bundelen. Dit gebeurde door de dichteres zelf of door een vriend of familielid. De werken die een succes bleken te zijn werden zelfs gedrukt. Dit gebeurde alleen bij hoge uitzondering. Veelal brachten vrouwen hun gedichten onder in bundel, geschreven door mannen, of ze schreven een lofdicht op een te verschijnen werk. Dit zorgde ervoor dat lezers die geen interesse hadden voor het werk van vrouwen er toch mee in aanraking kwamen (Schenkeveld- van der Dussen 1997: 25-27). Het duurde tot 1665 voordat twee vrouwen het heft in eigen handen namen door hun gedichten te bundelen. Dit waren Christina Questiers en Cornelia van der Veer. Twee vrouwen met een opmerkelijke ambitie voor die tijd en met het geld om hun eigen droom uit te laten komen. Deze twee vooruitstrevende vrouwen gaven het startschot voor een groot aantal andere vrouwen om hun werk te gaan publiceren. Zoals al eerder benadrukt is, waren opleidingsmogelijkheden voor vrouwen niet aanwezig. Dit leidde ertoe dat ze op het gebied van studie een grote achterstand hadden op hun mannelijke collega s. De algemene opvatting in de Middeleeuwen was dat een dichter een geleerde moest zijn, iemand die door middel van zijn gedichten het volk kon toespreken. Veel van de vrouwen waren dus geen poeta doctus simpelweg omdat ze er geen mogelijkheid toe hadden. De vrouwen die zich bewogen binnen de literaire wereld waren dus te beschouwen als amateurs. Naast het gebrek aan talenkennis was volgens Brandt gebrek aan vrije tijd nog veel ernstiger. Vele vrouwen namen de huishoudelijke taken en de zorg voor hun man als belangrijkste taak. 18

19 De vrouwen die actief waren als schrijfster of dichteres waren ook vaak ongehuwd. Ook was het mogelijk dat getrouwde vrouwen uit welgestelde families gingen dichten uit verveling. Sommige schrijvende vrouwen brachten hun werk naar de drukker om het, voor die tijd, groots te laten verspreiden. Deze werken hadden echter geen literaire waarde. Ze dienden vaak als getuigenissen van deugd en boden ondersteuning aan gelijkgestemde zielen. Van literatuur, zoals wij die nu kennen, was dus geen sprake (Schenkeveld- van der Dussen 1997: 21). Het publiek van de vouwen bestond vaak uit familieleden of vriendinnen. Gedichten hadden in die tijd vaak een sociale functie, bijvoorbeeld gedichten naar naasten ter geloofsopwekking (Schenkeveld- van der Dussen 1997: 33-52). We kunnen vaststellen dat vrouwen het niet eenvoudig hadden in de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. Als mens hadden zij een vooropgelegde taak tot hoofd huishouding en als schrijfster had zij weinig mogelijkheden. Zonder de overlevering van werken uit de Middeleeuwen naar de huidige tijd, waren er veel vraagtekens. Het is dankzij die overlevering dat we een aantal elementen vast kunnen stellen. 2.7 Overlevering Een beeld schetsen van de Middeleeuwen en het toen heersende klimaat blijft in zekere zin gissen. Er zijn weinig overgebleven teksten die de onderzoekers kunnen vertellen hoe het er in de Middeleeuwen aan toe ging. In onderzoeken naar andere eeuwen, wordt er vaak gebruik gemaakt van literatuur uit die periode. Bij de Middeleeuwen wordt er juist gebruik gemaakt van dat wat er niet meer is. Kenmerkend voor de Middeleeuwen is de voornamelijk orale vertelcultuur die er toen heerste. In de Klassieke Oudheid was een sterke schrijftraditie aanwezig, maar in de Middeleeuwen bestond er voornamelijk een orale vertelcultuur. Veel van de literatuur die er bestond, bestond dus buiten boeken om. Dit maakt de overlevering van werken uit die tijd tot een lastige opgave. De teksten die niet opgeschreven zijn in de Middeleeuwen bepalen voor een groot deel het literaire klimaat. Men kon de teksten niet opschrijven, omdat men daar de middelen of de tijd niet voor had. In de Middeleeuwen was men erg oraal gefixeerd en veel verhalen zijn dus alleen bekend van vertellingen en anekdotes. Van alles wat al opgeschreven is, is slechts een heel klein deel bewaard. Bij onderzoek naar de Middeleeuwen is het dus zaak de gaten in te vullen en aan de hand van die gaten een beeld te schetsen van het literaire leven toen. Hoe kan het dat veel van de werken die in de Middeleeuwen wel werden opgeschreven niet zijn bewaard, of niet zijn terug te vinden?toen men in de vijftiende eeuw wel de middelen had om een boek te drukken gooide men de handschriften snel weg. Hierbij gingen veel mooie tekeningen die bij de verhalen hoorden verloren en soms ook delen tekst omdat het perkament niet alle tekst vasthield (Pleij 1991: 23-24). Naast deze eerste verklaring zijn ook apografen van belang bij de overlevering van Middeleeuwse werken Apografen zijn afschriften van het origineel, de brontekst. 19

20 Van de teksten die bewaard zijn, staat vast dat er bijna geen één, een originele versie is. Het zijn dus vaak afschriften. Soms zijn er meerdere afschriften van een tekst, wat nog al wat problemen op kan leveren. Zo is het niet ondenkbaar dat er tussen de verschillende teksten afwijkingen te vinden zijn. Deze verschillen waren meer regel dan uitzondering in de Middeleeuwen. Fouten ontstonden door gewoon menselijke fouten en het harde werken onder slechte omstandigheden, maar ook omdat de kopiisten bewust dingen veranderden, zodat het op een pagina paste bijvoorbeeld. Welke is nu de juiste? Wat hoort er nou eigenlijk te staan? Deze vragen zijn in vele gevallen moeilijk te beantwoorden. Belangrijk is dat er altijd eerst moet worden gezocht naar een brontekst, omdat eventuele nadrukken minder authentiek zijn (Pleij 1991: 26-29). In sommige gevallen betekent dit een tekst of afbeelding op houtsnede. Een voorbeeld van een afbeelding gemaakt op houtsnede is hieronder weergegeven (Pleij 1991: 26-29). Er waren uiteraard ook manuscripten op papier, maar deze werden vanwege de orale vertelcultuur nogal intensief gebruikt. Het intensieve gebruiken van teksten maakt de kans op overleven kleiner, maar er moeten veel van deze teksten zijn geweest. Deze handschriften werden niet alleen opgevoerd in het gemeenschapsleven, maar ook werd het gebruikt als familie-boek of huis-boek. Dit betekent vanzelfsprekend dat meerdere mensen van hetzelfde werk gebruik maken (Pleij 2007: 58-61). Naast deze twee meer uitzonderlijke redenen, zijn oorzaken zoals oorlogen, brand en natuurrampen ook oorzaken waardoor een groot aantal middeleeuwse teksten niet meer beschikbaar is. Het ontbreken van genoeg bronnen zorgt er voor dat de onderzoekers een verkeerd beeld schetsen op basis van wat ze wel hebben kunnen vinden. Vooral vanwege de didactische en stichtelijke teksten die het meest waren overgeleverd. De meer wereldlijke literatuur had weinig kans van overleven (Pleij 1991: 26). Ook de overlevering van de vrouwenliteratuur is zeldzaam. De verzamelaars van literatuur waren voornamelijk mannen. Het ligt voor de hand dat deze verzamelaars geïnteresseerd zijn geweest in mannengenres en dat ze vanuit die interesse ook niet zijn gaan zoeken naar eventuele werken van vrouwen. Daarnaast is bekend dat veel werken van vrouwen niet werden gebundeld, in tegenstelling tot de werken van hun mannelijke collega s (Schenkeveld- van der Dussen 1997: 19). Een tweede reden voor de matige overlevering valt te wijten aan de houding van de vrouwen zelf. De wereld van vrouwen was een wereld op zich. Gesloten voor mannen en voor de onderzoekers. Het gesloten karakter heeft eraan bijgedragen dat er niet veel belangstelling was voor vrouwen en hun werken. De overgang van de orale naar de schriftelijke cultuur hebben mannen genres, die voorheen van de vrouwen waren, geïmiteerd, overgenomen, omgevormd en tot de hunne gemaakt (Lemaire 1986: 33-36). Wat eens in handen van de vrouw was, werd overgenomen door de man. In latere perioden werd het pas duidelijk dat die genres eerst door vrouwen werden beheerd. De vrouwentraditie werd min of meer ontkend en vernietigd. 20

21 Een schrijfster die de overlevering wel heeft doorstaan is Hadewijch. De volgende paragraaf zal in het teken staan van haar leven en haar werk. 2.8 Hadewijch De eerste schrijfster die aan bod komt is Hadewijch. Zoals bij veel werken die in de Middeleeuwen zijn ontstaan, is er weinig bekend van de auteur van deze werken. Dit is ook het geval bij Hadewijch. Er is weinig bekend over Hadewijch als mens en als schrijfster, men moest vooral informatie halen uit de secundaire bronnen. Er valt niet met zekerheid te zeggen wanneer zij gestorven is en wat voor leven zij geleid heeft. Hadewijch is als schrijfster vooral actief in de dertiende eeuw. Hadewijch zocht in de dichtkunst een uitweg uit de pijn, een zoektocht naar een verlossing (De Paepe 1980: 32). Naast het schrijverschap was zij ook leider van een groep religieuze vrouwen. De doorbraak van Hadewijch laat de (on)mogelijkheden van een vrouw zien om literaire activiteiten te ontplooien (Orlanda-Lie 2001: ). Het erfgoed van Hadewijch bestaat slechts uit vier werken. De Visioenen, de Brieven, de Strofische gedichten en de Mengelgedichten. Een thema dat in een groot deel van haar werken een rol speelt is de liefde en de daarbij behorende verlangens. Haar wijze van het weergeven van dit verlangen naar de liefde of naar een God, is onmiskenbaar origineel vergeleken met haar tijdgenoten (Mommaers 2003: 15). Het christendom stond voor Hadewijch niet zozeer centraal. Het ging haar om het verlangen om uit te breken uit de begrenzingen van het kleine ik om vervolgens onder te gaan en op te gaan in het meer-dan-ik. Dit verlangen was haar drijfveer, haar zoektocht naar het eeuwige. Ook al stond het christendom niet centraal, Christus zelf betekent veel voor Hadewijch. Zij gelooft dat deze Christus één is met de mens Jezus van de Evangeliën. Zij trok hieruit de volgende conclusie: hoe meer de mens de aardse Jezus navolgt, hoe nader hij tot de hemelse Christus komt (Van der Zeyde 1934: 19-20). Aan de hand van haar mystieke ervaringen, waarin mystiek de onmiddellijke aanraking met God betekent, laat Hadewijch een nieuw genre ontstaan; de mystieke minnelyriek (Mommaers 2003: 17). Binnen dit genre staat de liefde en het verlangen naar God centraal, wat zich uit in ontmoetingen met God. In haar werken komen regelmatig passages voor waarin zij deze ontmoetingen beschrijft. Een voorbeeld hiervan is de eerste zin van Visioen VII: Op een pinksterdag het was bij dageraad, men zong de metten in de kerk en ik was daar aanwezig- kreeg ik een verschijning (Mommaers 2003: 39). Er zijn wetenschappers die de verschijningen die Hadewijch zegt te hebben gehad, afdoen als een leugen. Zij stellen dat het een schreeuw van aandacht geweest is van Hadewijch om de aandacht te vestigen op haar overige werken. 21

22 Het ritme dat Hadewijch in haar proza en poëzie gebruikt wekt voor de lezer uit de Middeleeuwen herkenning op. Het laat een strijd om een Godheid zelf te vinden zien, die ondanks meerdere teleurstellingen steeds opnieuw gevoerd wordt. Aan de hand van het ritme en haar stijl van schrijven is Hadewijch te karakteriseren als een hartstochtelijke vrouw met vlagen van vertwijfeling en wanhoop, met oog voor haar eigen tekortkomingen (Snellen 1932: 5-6). Haar stijl is een samensmelting van volharding en ijver, ze had bijzonder veel aandacht voor de vorm. Ze had een grote behoefte aan het scheppen van woordvormingen en nieuwe woorden, het scheppen van een eigen taal. Hieronder een fragment uit Lied XVII uit de liedbundel van Hadewijch (Van der Zeyde 1934: 59). Wat hulpet hem bliscap ochte tijd Die gherne in minnen name delijt, Ende niet en vint, inder werelt wijt, Daer hi met trouwen op mach rusten Ende vri toe segghen: lief, ghi sijt Die minen front mach custen. Ondanks dat Hadewijch maar één onderwerp gebruikt voor haar werken, de (geestelijke) Minne, is er van eentonigheid geen sprake (Snellen 1932: 10-19). Een tweede kenmerk dat duidelijk te zien is dat de werken door een vrouw zijn geschreven. Zij schreef in de ik-persoon en met die ik-persoon bedoelde zij zichzelf. Voor die periode is dat erg vooruitstrevend, omdat vrouwen in de maatschappij van toen werden geacht hun gedachten voor zich te houden, laat staan ze aan het papier toe te vertrouwen en ze te verspreiden. De vorm van het schrijven in een briefvorm, zorgt ervoor dat Hadewijch de ervaringen in het boek kan gebruiken als argument. Vaak is de schrijfster van de brieven onderdeel van het verhaal. Ze gebruikt het verhaal om haar eigen getuigenissen aan te voeren als een standaard ervaring. Dat zij zich onttrok aan dit stereotiepe zegt veel over haar daadkracht en dromen. De populariteit die haar werk genoot, is mede te danken aan de taal die Hadewijch gebruikte en haar sympathie met de erotische liefdesbeleving (Mommaers 2003: 18). Deze nadruk op de erotische liefdesverhoudingen dreigt in sommige gevallen de mystieke inhoud van het werk te overwoekeren. Deze erotiek is gebaseerd op een wil tot eenwording met Christus. Deze vinden we vooral terug in Visioenen. In dit werk vinden we dat de extase begint met lichamelijke pijnen en abnormale verschijnselen, wanneer ze opgenomen wordt in den geest (Snellen 1932: 13). Hadewijch wordt gezien als geestelijk leider van een groep religieuze vrouwen. Deze groep wordt vaak bestempeld als de groep begijnen van de eerste generatie. Het leiderschap en de daarmee gepaard gaande omgang met andere vrouwen laat zien dat Hadewijch sterk sociaal georiënteerd was. 22

23 Haar bezigheden bestonden uit werken van barmhartigheid als ziekenverpleegster en ze spoorde haar volgelingen ook aan tot dit werk (Van der Zeyde 1934: 61-63). Hadewijch had succes ondanks het feit dat ze een femina rudis et idiota was, een ongeletterde vrouw. Ze was onafhankelijk geworden van de geletterde heren bij het ontwikkelen van een eigen mystieke theologie (Mommaers 2003: 44-46). Dit zorgde ervoor dat haar het vuur aan de schenen werd gelegd. Door haar weinig orthodoxe godsbeleving, die vaker dan eens voor conflictsituaties zorgde, kreeg zij het aan de stok met de kerkelijke autoriteiten. Hadewijch stelt dat haar manier van godsbeleving (via de weg van het hart) beter is dan de manier van de theologen, die God met hun verstand zochten. Door deze manier van denken valt het leven van Hadewijch toch ook een grote teleurstelling ten deel. Vanaf het moment dat zij zich der Minne heeft willen wijden is de ontgoocheling groot als het niet iets heerlijks, iets schoons blijkt te zijn (Snellen 1932: 17). De vrouwen die schreven, waaronder Hadewijch, bleken toch vooral uit de meer welgestelde families te komen. Ze bevonden zich in het geestelijke milieu. De orale genres, zoals liederen en sprookjes, behoorden tot het domein van vrouwelijke auteurs (Orlanda Lie 2001: 251). Dat deze vrouwen veel aanhangers hadden is ook te zien in het geval van Hadewijch. Hadewijch had veel volgelingen door de manier waarop zij de liefdesgemeenschap beschreef (Mommaers 2003: 59). Deze volgelingen kwamen niet alleen uit Nederland. Hadewijch en haar bijzondere manier van het beoefenen van literatuur vermaarde in het buitenland snel bekendheid (Mommaers 2003: 22). Hadewijch schreef in de volkstaal voor een groep gelijkgestemde vrouwen. Als mulieres religiosae had zij een goede afkomst. Deze afkomst en de spirituele leefwijze waren een goede basis voor haar geletterdheid. Ze voelde zich geroepen om als spreekbuis van God te mogen fungeren (Orlanda-Lie 2001: 252). Het religieuze karakter van haar werken, duidelijk te zien in de Visioenen en de liefde, die een rode draad vormt in haar werken, sprak tot de verbeelding bij de lezer. Haar liederen houden nauw verband met andere hoofse werken uit haar tijd. Naast deze overeenkomsten is met zekerheid te zeggen dat Hadewijch zich heeft laten inspireren en beïnvloeden door Latijnse en Duitse voorgangers. De invloeden zijn merkbaar op het gebied van stijl en rijm, niet zozeer qua inhoud. Waar Hadewijch haar eigen gecompliceerde zielstoestand over probeert te brengen op de lezer, zijn andere auteurs uit haar tijd vooral bezig met medische teksten en werken over de natuur en haar verschijnselen (Van der Zeyde 1934: ).Nu er een beeld is geschetst van Hadewijch en haar werken, zal er nu gekeken worden hoe groot de invloed was van deze bijzondere schrijfster op het literaire veld. Het schema van Dorleijn & Van Rees (1999) zal als basis zal dienen om de invloed van de drie schrijfsters op het literaire veld te onderzoeken. Allereerst zal Hadewijch aan bod komen. Hadewijch was in haar tijd één van de eerste vrouwen die de pen ter hand nam, waarmee zij de materiële productie in de Middeleeuwen en vroegmoderne tijd heeft gestart. 23

24 Uitgeverijen bestonden in die periode nog niet en andere adviesorganen waren nog niet bekend. Voor Hadewijch speelde haar sociale netwerk en haar omgeving een grote rol. Die zorgden ervoor dat het werk van Hadewijch circuleerde, wat als gevolg had dat Hadewijch meer bekendheid ten deel viel. Belangrijk bij de materiële productie in het literaire veld, is ook de invloed die Hadewijch heeft gehad op zowel mannelijke als vrouwelijke collega s. Ten opzichte van haar mannelijke collega s heeft Hadewijch in het literaire veld een redelijke indruk gemaakt. Veel genres, die bedacht en uitgeoefend werden door vrouwen, werden overgenomen en hervormd door de mannen. Op die manier gingen mannen met goede ideeën van de vrouwen aan de haal en kregen zij een groter publiek. Deze mannen werden mede door de werken van Hadewijch aangezet tot schrijven. Het is niet vreemd te noemen dat deze mannen niet toegaven dat zij zich lieten inspireren door een vrouw, wat ervoor zorgde dat de mannen alle krediet kregen en de vrouwen langzamerhand naar de achtergrond verdwenen. Zonder sociaal netwerk rondom de schrijfster was het moeilijk om een werk op grotere schaal te verspreiden. Was er in de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd dan nog geen sprake van distributie op grotere schaal? In het geval van Hadewijch werden de boeken verspreid door haar volgelingen, welke in grote getale aanwezig waren binnen kloosters. Vanwege het feit dat de werken van Hadewijch in de volkstaal waren geschreven, was het mogelijk een groter publiek voor haar werken te genereren. Desalniettemin had de gewone burger behoefte aan eenvoudige verhalen, wat ervoor zorgde dat Hadewijch bij het gewone volk niet mateloos populair werd. Dit was anders in de kloosters, waarbij gelijkgestemde zielen kracht en troost haalden uit de ervaringen van Hadewijch. De distributie van werken was dus een beperking bij het schrijven. Binnen het huidige middelbare onderwijs schenkt men, afhankelijk van de docent, vaak wel enige aandacht aan Hadewijch binnen de literatuurlessen die vaak slechts een onderdeel zijn van het vak Nederlands. De reden dat Hadewijch aan bod komt binnen deze lessen, heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat zij één van de eerste schrijfsters is geweest waarvan werk overgeleverd is. Daarnaast heeft Hadewijch een nieuw genre geschapen, waarin zij openlijk spreekt over de liefde en haar ontmoetingen met God. De literatuurkritiek in de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd ontbreekt vanwege het feit dat men in die tijd geen tijdschriften en kranten kende waarin deze kritieken konden verschijnen. Het onderdeel van de distributie is in die periode dus nog zeer beperk. Tot slot de invloed van Hadewijch op de groepen niet-lezers en lezers. De Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd waren periodes waarin de groep niet-lezers aanzienlijk groter was dan de groep mensen die wel kon lezen. Er was in die tijd geen sprake van openbaar onderwijs en men kwam dus niet in aanraking met (volks)literatuur. Het zou te eenvoudig zijn om te constateren dat Hadewijch invloed heeft gehad om de niet-lezer. 24

25 Niet alleen Hadewijch droeg eraan bij dat men in de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd steeds vaker in aanraking kwam met literatuur. Toch heeft Hadewijch op de vrouwen in de Middeleeuwen en vroegmoderne tijd een positieve invloed gehad. Het waren voornamelijk vrouwen die de werken van Hadewijch lazen. Een reden hiervoor kan zijn dat mannen voornamelijk mannenliteratuur lazen en dat de inhoud van de werken van Hadewijch voornamelijk op vrouwen was gericht. Vrouwen konden zich herkennen in de werken van Hadewijch. Door deze herkenning in de liefde die Hadewijch beschreef, gingen steeds meer vrouwen geloven in hun eigen dromen. Ze werden geïnspireerd tot schrijven, tot het geloof in een God en het beleven van eventuele verschijningen van die God. Mede door deze verschijningen was zij ook als geestelijk leider van een groep religieuze vrouwen betrouwbaar (Mommaers 2003: 70-72). Door middel van haar werken had zij ook invloed op kerkelijke instanties, waar men kon lezen. Kerkelijke instanties bemoeiden zich met het werk van Hadewijch naar aanleiding van de uitspraken die Hadewijch deed over theologen. Hadewijch was van mening dat theologen te veel van het rationele uitgingen en niet van het emotionele. Door het innemen van dit standpunt zorgde zij voor opschudding. Hadewijch zette aan tot discussie. Een andere schrijfsters die voor discussie zorgde is Anna Bijns. 2.9 Anna Bijns ( ) Ondanks dat Bijns een schrijfster is die in de zestiende eeuw ook nog actief was, rekenen we haar toch tot de Middelnederlandse literatuur. Bijns is voornamelijk bekend geworden door haar afschuw ten opzichte van de lutherse secte. Veel van de beschuldigingen jegens de Lutheranen zijn erg grof en uit de lucht gegrepen (Van Riet 1984: 90). In 1528 verscheen een bundel met polemische refreinen. Verscheidene werken van Bijns worden gedurende haar leven herdrukt wat voor de heren rederijkers eerder een uitzondering is dan een regel (Pleij 1994: 113). Bijns was niet vies van schelden en sneren en dit is dan ook in veel van haar werken terug te vinden. In het verleden heeft men zich vaak enkel geconcentreerd op haar fervente antiprotestantse strijdlust, maar ook tegen haar eigen kerk kan zij tekeer gaan. Haar agressiviteit komt vaak voort uit een gevoel van totale ontreddering. Steeds vaker gaat de aandacht van huidige geïnteresseerden echter uit naar haar amoureuze refreinen. Dit zijn werken waarin eigenschappen terug te vinden zijn van de oude hoofse traditie. Thema s zoals zelfvernedering, de lof der liefde en ontrouw komen voor in haar werken (Schenkeveld- van der Dussen 1997: ). De stijl van Bijns is net zo bijzonder als die van Hadewijch. Zij beheerst de veeleisende rijmstrofe als geen ander. Op de volgende pagina een fragment uit het gedicht Zulk zoekt de goei nachten en verliest de goei dagen. Dit gedicht gaat over afvallige monniken en nonnen die onder invloed van Luther hun kloosters (de goede dagen) verlaten om met elkaar te trouwen (de goede nachten) waardoor zij in armoede en criminaliteit belanden. 25

26 Het gedicht is satirisch van aard en beschrijft op zeer felle wijze het beschimpen van de Lutheranen (Schenkeveld- van der Dussen 1997: 108). t Was hen tevoren gebrouwen en gebakken; Als t refterkloksken luidde, zonder dralen Gingen zij ter kribben, dat moet hen nu falen. Zij vermuilden ;t doen, daar zij nu naar snakken; Zij zouden naar t kloosterbrood hun vingers lakken, Mocht t hen gebeuren, maar neen t, al mag t hen spijten; Peinst, als zij dan krijgen jonge brakken En d een roept eten! en d ander kakken!. Haar enorme taalvirtuositeit maken haar tot één van de grootste rederijkers uit haar tijd. Ontbrak haar het geschikte woord zij schiep er een passend nieuw met ware schranderheid (Van der Branden 1911: 15). Bijns onderhield door middel van briefrefreinen de correspondentie met de rederijkers. De rederijkerskamers beheersten het literaire leven van de zestiende eeuw. Deze rederijkerskamers hadden een grote invloed op het stedelijke leven. Zij voerden onder andere tableuax vivants op en organiseerde optochten bij feestelijke gelegenheden. Deze rederijkers namen hun taak als hoeder van de literaire- en toneelwereld zeer serieus en besloten dat aanpak in de moedertaal het meest effectief was. De literatuuropvatting die aan hun activiteiten ten grondslag lag had een sterk argumentatief karakter. Door middel van hun literatuur probeerden zij de mondige burgers via correcte redeneringen, hoe ze tot een juist gedrag konden komen als individueel christen. Talenten die zich in deze omgeving ontwikkelden waren bijvoorbeeld Bredero en Hooft (Grootes 1997: ). In deze rederijkerskamers overheerste het collectief, niet het individu. In zekere zin waren Hooft en Bredero dus uitzonderingen die de rederijkerskamers als opstap gebruikten voor een individuele voortzetting (Grootes 1997: ). Ook Bijns gebruikte de rederijkerskamers als startpunt voor een carrière die een groot aantal werken voortgebracht heeft. Vrouwen werden in de zestiende eeuw niet als lid in de rederijkerskamer opgenomen, dit was alleen weggelegd voor mannen. Het is echter zeer waarschijnlijk dat Bijns semi-officieel deel heeft genomen aan activiteiten. Van daaruit groeide Bijns uit tot een gerespecteerd schrijfster. Bijns wordt de best verkopende Nederlandstalige auteur in de zestiende eeuw, waarbij zij vele mannelijke auteurs het nakijken gaf (Pleij 1994: 113). Naast haar militante religieuze poëzie, schreef Bijns ook liefdeslyriek. Deze refreinen bevatten niet alleen een ode aan de liefde, maar ook de onderwerpen ontrouw, bedrog en onbeantwoorde liefde. Na 1525 is de literaire bezigheid van Bijns afgelopen. De reden hiervoor ligt waarschijnlijk in het roerige privéleven (Van Mierlo 1951: 35). 26

27 Er waren groeiende zorgen in het gezin sinds de dood van de vader van Anna, waardoor schrijven voor haar niet meer op de eerste plaats stond (Van Mierlo 1951: 35). In 1623, na haar dood, publiceerde Hendrik Pippinck een nieuwe bloemlezing met refreinen van meer godsdienstige aard. Bijns was dus van de amoureuze refreinen afgestapt om zich te storten op religieuze refreinen. In tegenstelling tot de relatief luchtige onderwerpen die Bijns eerst behandelde kwamen er nu zwaarmoedige thema s aan bod waar de dood, de hel, de zonde, het stervensuur en boete en inkeer voorbeelden van zijn (Schenkeveld- van der Dussen 1997: 107). De wonderbaarlijke verstechniek en een sterk gevoel voor literair effectbejag maakten dat Bijns ook populair was bij het grote publiek. Thema s als ketters, huwelijk en het gezinsleven waren veelgebruikte onderwerpen van Bijns die hier mede aan bijdroegen (Pleij 1994: ). De invloed van Bijns op het literaire veld laat zich niet eenvoudig omschrijven. Bijns als schrijver was nooit populair geworden als zij geen uitgeverij had gehad, die achter haar werken stond. In dit geval was het geen uitgeverij zoals wij die nu kennen, maar draaide het om één man: Engeelbert vander Donck. Vander Donck was de man die ervoor zorgde dat het werk van Bijns een groter publiek kon bereiken. Bijns was afhankelijk van zijn inzicht en ze vertrouwde hem in alle opzichten. Bijns bleek gelijk te hebben gehad. Vander Donck publiceerde zowel in 1528 en 1529 een publicatie van Bijns. Vander Donck was in zijn opzet geslaagd om een groter aantal mensen kennis te laten maken met de werken van Bijns. Op basis van het aantal werken dat van Bijns werd gedrukt, kan men Bijns een populair schrijfster noemen. Alleen al tussen 1528 en 1668 werden refreinen van haar tenminste elf keer uitgegeven (Roose 1963: 53, 159). Er moest dus wel een lezerspubliek zijn. Welke mensen lazen de werken van Bijns? Bij de minnebroeders in Antwerpen was Bijns een geliefd auteur. Niet alleen waardeerden ze Bijns al schrijfster, ze waardeerden haar ook als mens. Grote verschil met Hadewijch is toch wel dat Bijns ook een geliefd auteur is bij de gewone burger. Dit kwam vanwege de onderwerpen die zij gebruikte in haar werken, maar ook de manier waarop Bijns schreef. Door haar taalgebruik, welke soms als grof werd bestempeld, was begrijpelijk voor de gewone auteur. Dit gegeven, in combinatie met de alledaagse gebeurtenissen die zij beschreef, maakte Bijns populair onder een groot deel van de bevolking. Nu rijst de vraag echter hoe de normale burger kennis kon maken met Bijns. In andere worden: hoe werden de werken van Bijns verspreid? Dat leidt naar het volgende onderdeel uit het literaire veld: de distributie. De distributie in de zeventiende eeuw was minder kleinschalig dan in de Middeleeuwen en vroegmoderne tijd. In deze periode had men nog geen kennis genomen van boekhandels of bibliotheken. Deze ontwikkelingen vinden we pas in de zeventiende eeuw terug. Het was de taak van de uitgeverij om de werken van Bijns terecht te laten komen bij boekhandels en bibliotheken. 27

28 De bibliotheken in de zeventiende eeuw waren voornamelijk bibliotheken die zich richtten op de geleerde medemens. De werken van Bijns waren niet wetenschappelijk en vinden we in veel van deze bibliotheken dus niet terug. In de boekhandel was het werk van Bijns wel te krijgen. Dit kwam mede door het feit dat Bijns semi-officieel lid was van een rederijkerskamer en dat deze instanties een goede naam hadden met betrekking tot de literatuur. Bijns zette geen hele groep vrouwen aan tot het mede haten van de Lutheranen. Deze haat heeft haar min of meer ook de das om gedaan. De argumenten en standpunten die Bijns gebruikte om haar haat gevoelens te onderbouwen waren vaak klinkklare onzin. De feiten over de Lutheranen waren uit de lucht gegrepen wat haar onbetrouwbaar maakte. Anna Bijns is kortom een bijzonder schrijfster geweest in de Middeleeuwen. Haar motieven om te schrijven kwamen voort uit een diepe haat jegens de Lutheranen, maar haar liefdesverzen bereikten ook een groter publiek. Zowel tijdens haar leven als na haar dood. Tot slot een staaltje dichtkunst, geciteerd uit Roose (1963) waar duidelijk te zien is van wie het afkomstig is. Van boven naar beneden en van beneden naar boven vormen de eerste letters haar naam. Alder Schoonste, Abel precieus beelde Neerstige Noemie, Nazareths bloeysele Notabele Jael, Niemant u verveelde. Aerdige Jodinne, Al ons drucx wtstroeysekem Bequaen Betstabee, Balaam bevroeysele Ingstige Amoreuse Ingelsche princersse, Iubilatie Nootvrient, In ons moeysele Noyt Negligent, Navolghende Gods lesse, Sunamijte Abisagh Soete cypresse, In weene alleene ons eene advocate Speciale sale, smale roede van Jesse. Een derde en laatste tijdgenoot binnen De Middeleeuwen is Alijt Bake. Haar leven en haar werk zullen in de volgende paragraaf aan bod komen Alijt Bake ( ) De opkomst van de moderne devotie zorgde er ook voor dat Bake haar gedachten en verhalen aan het papier toe gaat vertrouwen. De moderne devotie zorgde ervoor dat de vrouwengemeenschappen, die begin dertiende eeuw waren ontstaan, opnieuw werden gestimuleerd. Bij deze vrouwenbeweging kwam het steeds vaker voor dat de zusters hun ervaringen op gingen schrijven in een boekje. Een zogenaamd rapirarium. Dit boekje bood plaats aan tips en ideeën om te mediteren en het was een hulpmiddel bij het geestelijke vormingsproces. Veel van de andere werken die binnen de gemeenschap werden opgetekend, hadden als hoofdonderwerp deugdzaamheid. 28

29 Aan de hand van deze werken probeerden ze een deugdzaam leven te leiden en dat droeg bij aan de verdieping van hun geestelijk leven. Het op papier zetten van haar gedachten en ideeën was voor Bake een onderdeel van haar pastorale taak en had als bijkomstigheid dat het geheugen van de medezusters werd opgefrist (Orlanda-Lie 2001: 253).Haar schrijven laat een combinatie zien van lezen, schrijven en mediteren. Bake had bewust gekozen voor een leefwijze waarin de geestelijke omgang met Christus centaal stond. Haar schrijverschap stond onlosmakelijk in verbinding met haar ambt. Zij wilde haar volgelingen door middel van haar werk de weg wijzen naar een innerlijk geestelijk leven. Bake vertoont een aantal overeenkomsten met haar tijdgenoot Hadewijch. Ook Bake heeft het gevoel dat zij door God is uitverkoren om zijn boodschap door te geven. Dit laat zij in haar traktaten duidelijk doorschemeren. In deze traktaten schetst zij een beeld van de mystieke leer. Hierbij schuwt ze niet te spreken in naam van Christus zelf. Een tweede overeenkomt met Hadewijch is dat Bake het aan de stok krijgt met andere instanties. In het geval van Bake is dat de officiële leiding van de Windheim kloosters, het Generaal Kapittel. De reden hiervoor was dat Bake kritiek uitte op de handelwijze van haar voorgaande priorin. Daarnaast had ze ook kritiek op de mannen. De mannen staarden zich volgens Bake blind op de uitwendige deugdbeoefening en hadden geen aandacht voor het innerlijke geestelijke leven (Orlanda-Lie 2001: ).In tegenstelling tot het conflict in het leven van Hadewijch had dit conflict grote gevolgen. Bake werd in 1455 ontslagen als priorin en ze werd verbannen naar een klooster in Antwerpen. Een derde en meest zware gevolg was de oplegging van een schrijfverbod. Dit leidde tot een grote geestelijke crisis (Scheepsma 1992: ). Het opleggen van het schrijfverbod geeft aan dat mannelijke leiders van de kloosters moeite hadden met de werken van Bake. Het zou zelfs angst genoemd kunnen worden voor de vrouwelijke mening. Schrijvende vrouwen stonden onder curatele bij mannelijke autoriteiten (Orlanda-Lie 2001: 254). Het werd hen verboden hun mening op te schrijven uit angst dat vele vrouwen dit zagen als teken om zelf ook op te komen voor hun rechten (Orlanda-Lie 2001: 254). Ondanks deze crisis is zij vastbesloten dat Galilea de plek is, waar zij als hervormster van het innerlijke leven actief zal zijn. Bake liet tijdens dat ballingschap nog één keer van zich horen. In een brief, gericht aan haar biechtvader, verdedigt ze nog eenmaal met kracht, haar manier van leven. Dit overgeleverde document is het laatste wat bekend is van Bake. In hetzelfde jaar als de brief, overleed zij in het klooster in Antwerpen op veertigjarige leeftijd (Scheepsma 1992: 326). De literatuur over Bake is beperkt vanwege de matige overlevering van haar werken. Het meest bekende werk van Bake De vier wegen der passie betreft een beschrijving van het visioen dat zij op Hemelvaartsdag zegt te hebben gehad. Een tweede boek dat zij heeft geschreven Het boexken vander passien ons heren liet zij verschijnen op naam van een mannelijke minnebroeders. 29

30 Vanwege haar religieuze geschriften en het conflict dat zij hierdoor kreeg met de mannelijke kloosterleiders was Bake genoodzaakt trucs te verzinnen om actief te kunnen blijven als schrijfster. Het uitbrengen van een werk op naam van een mannelijke collega kon niet leiden tot het verbieden van een werk. Een derde bekend werk van Bake is Kloosteronderrichtingen. Net als haar collega Hadewijch had Bake het doel om de zusters in hetzelfde klooster geestelijke verruiming te brengen. Kloosteronderrichtingen was bedoeld als verklaring en toevoeging bij een tweetal preken van Jordanus van Quedlinburg. Haar laatste en vierde werk was Autobiografie. Dit werk, geschreven in 1541 beschrijft zeer nauwkeurig haar zielenleven. Dit zorgt ervoor dat er veel details beschikbaar zijn over Bake. Deze details bevinden zich echter vaak op het persoonlijke en geestelijke vlak. Over de receptie van haar werk en haar bekendheid in de Middeleeuwen is weinig bekend (Van Bork 1985). De verbanning van Bake naar een klooster in Antwerpen zorgde ervoor dat de mannelijke kloosterleiding een set nieuwe regels opgesteld had. Het kapittel van Windsheim besloot in 1455 dat nonnen uit de aangesloten kloosters geen Latijnse teksten meer mochten vertalen, geen visioenen meer mochten beschrijven en geen geleerde doctrines meer mochten bespreken (Scheepsma 1992: 327). Dit leidt tot de vraag hoe groot de invloed van Bake was op de literaire wereld en de maatschappij. De invloed van Bake zal worden onderzocht met het schema van het literaire veld als basis. De invloed van Bake op het literaire veld was niet groot. Ze schreef voor een klein publiek, vanwege haar onderwerpen en haar faam bleef dan ook beperkt. Zonder een literaire uitgeverij was Bake aangewezen op haar medezusters en overige mensen in haar nabije omgeving. Haar omgeving, voornamelijk haar eigen klooster, maar ook de overige kloosters die waren aangesloten bij de Windheim kloosters genoten van haar werken. Binnen deze kloosters was Bake dus een geliefd mens en een geliefd schrijfster. De zusters kregen inspiratie door de werken van Bake en kregen de aanzet tot het blijven geloven in een God. Dezelfde Bake zorgde er echter ook voor dat er beperkingen werden opgelegd aan de vrouwen die eenzelfde ambitie tot schrijven hadden. Dit zorgde ervoor dat Bake bij veel andere zusters in het kloosters niet geliefd was na deze nieuwe regels. Voordat deze nieuwe regels werden ingevoerd begreep een aantal zusters niet wat Bake in hun klooster deed. Haar medezusters vonden haar eigenwijs en ongezeglijk en lieten dit ook duidelijk merken aan Bake. Toch gingen de oordelen van de andere vrouwen haar niet in de koude kleren zitten. Ze zag de tegenwerking als een verzoeking door de duivel. Deze probeerde haar terug te krijgen op het niveau van haar medezusters zodat hij vat op haar zou kunnen krijgen (Dresen 1990: 77-79). Ondanks eerdere pesterijen en openlijke twijfel aan de motieven van Bake binnen het klooster, lieten haar medezusters haar niet meer gaan. Bake wilde terug naar Utrecht, maar kreeg hier geen kans toe (Dresen 1990: 79). 30

31 Haar literaire werk kwam dan ook niet verder dan haar eigen sociale netwerk. Haar schrijfverbod was een impuls voor de vraag naar werken van Bake. Het verbieden van de werken zorgde ervoor dat veel mensen nieuwsgierig waren naar wat er zo schokkend was dat zij het niet mochten lezen. Toch had dit geen grote publicaties tot gevolg, waardoor de bekendheid van Bake relatief gering bleef. Met betrekking tot de distributie van de werken van Hadewijch kunnen we dan ook kort zijn. Boekhandels verkochten haar werk niet en vanwege het dit dat het onderwerp niet wetenschappelijk genoeg was, kwam zij ook niet in aanmerking voor een plaatsje binnen de bibliotheek. In vergelijking met een tijdgenoot zoals Hadewijch, zijn de verschillen groot. De onderwerpen van Bake spraken minder mensen aan en de mannelijke leiders verboden Bake nog een letter op papier te zetten. Hierdoor ging het verhaal van Bake als een nachtkaars uit. De symbolische productie van de werken van Bake is gering te noemen. Het feit dat Bake één van de eerste vrouwen was, die werd verbannen maakte haar meer bekend dan haar werken. De onderwerpkeuze zorgde voor een beperking. Deze beperking vinden we ook terug in het huidige literatuuronderwijs. Bij onderwerpen die een breder publiek trekken, zoals de werken van Bredero bijvoorbeeld, kan men in de huidige tijd een voorstelling bij maken. Mystieke ervaringen is een moeilijk onderwerp, wat misschien niet minder actueel is geworden, maar wel moeilijker voor te stellen is voor veel tieners. Nu er een overzicht is gegeven van de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd wordt er teruggegaan naar het schema van Dorleijn & Van Rees (1999). Er zal worden gekeken hoe het literaire veld van deze periode eruit zag, wat weer zal worden gegeven door verschillende kleuren in het schema Het literaire veld van de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd Het literaire veld van de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd is minder gecompliceerd dan dat van de huidige eeuw. Dit komt voornamelijk omdat veel dingen binnen de materiële productie en de distributie simpelweg nog niet bestonden. De drie categorieën zullen nu worden nagelopen. De materiële productie in de Middeleeuwen had geen grote omvang. Er bestonden maar weinig auteurs en literaire uitgeverijen waren helemaal niet aan de orde van De reden hiervoor lag in het feit dat in de Middeleeuwen de orale vertelcultuur een belangrijke rol speelde. Uiteraard bestonden er ook geschreven teksten, maar de hoeveelheden waarin deze werden geschreven waren minimaal. Daarnaast zijn een deel van de teksten van voor 1600 door de overlevering verloren gegaan. Men had geen van de mogelijkheden van nu, om de werken goed te kunnen conserveren en door gebeurtenissen zoals brand maakten de werken geen schijn van kans. 31

32 De schrijvers die wel actief waren binnen de Middeleeuwen en de Vroeg Moderne Tijd waren veelal beoefenaars van het genre van de ridderepiek. De schrijvers van deze werken en die ook aan het hof schreven waren veelal de mannen. Van de vrouwen, zowel in de maatschappij als in de hofhuishouding, werd verwacht dat ze zich bezig hielden met huishoudelijke taken. Vrouwen die wel de pen ter hand namen, waren zeldzaam. De kloosters waren een belangrijke plaats voor vrouwen om hun werk ten toon te stellen. Er waren dus zowel mannelijke als vrouwelijke schrijfsters, vandaar dat dit onderdeel van het literaire veld groen gekleurd is. Beroepsorganisaties, adviesinstanties en het verkrijgen van een subsidie waren in de Middeleeuwen niet aanwezig. Het behoeft weinig verder uitleg, aangezien deze instanties pas eeuwen later zijn ontwikkeld. Het onderdeel is rood gekleurd. Bij het verspreiden en het drukken van werken, was de uitvinding van de boekdrukkunst een ontwikkeling die veel voordelen met zich meebracht. Uitgeverijen zoals in het schema te zien is, bestonden toen nog niet. Simpelweg omdat men in het begin van de Middeleeuwen nog geen mogelijkheden bezat om werken te drukken. Werken bestonden toen vaak maar in één versie, dat was het manuscript. Door het ontbreken van een drukpers in het begin, waren er ook geen boekwinkels waar men de werken kon kopen en geen bibliotheken waar men de boeken kon lenen, voor de meer armlastige burgers. Het onderdeel distributie is in deze eeuwen nog niet ontwikkeld. BEROEPSORG: ADVIES: SUBSIDIE: VVL RvdK FvdL SCHRIJVERS MATERIELE PRODUCTIE LITERAIR TIJDSCHRIFT LITERAIRE UITGEVERS VBB KNUB NBB DISTRIBUTIE BOEKHANDEL BOEKENCLUB OPENBARE BIBLIOTHEEK S S S S SYMBOLISCHE PRODUCTIE LITERATUURKRITIEK - JOURNALISTIEK - ESSAYISTISCH - ACADEMISCH LIT ONDERWIJS - HAVO / VWO - UNIVERSITEIT / HBO LEZERSPUBLIEK NIET-LEZERS Niet aanwezig Wel aanwezig Behoeft nadere uitleg 32

33 Ook de onderdelen VBB, KNUB en NBB van de distributie zijn pas veel later ontstaan. Men moest het in de Middeleeuwen hebben van onderlinge contacten, om het werk het doen verspreiden. De distributie heeft mede te maken met de wensen van de burgers. Zoals in het schema te zien is, is het onderdeel niet-lezers groen gekleurd. Dit wil zeggen dat een groot deel van de bevolking in deze periode niet kon lezen. Er bestond hier nog geen speciaal onderwijs voor en daarnaast was er weinig tijd om het lezen aan te leren. De groep analfabeten was flink vertegenwoordigd en vanwege het harde werk dat men moet verrichten om aan geld te komen werd er niet veel gedaan om dit analfabetisme terug te dringen. Toch was er in de Middeleeuwen en voornamelijk in de vroegmoderne tijd wel een lezerspubliek, vandaar dat het vak dus ook beide kleuren heeft. Dit lezerspubliek bevond zich voornamelijk onder de gegoede milieus en de intellectuelen die zich bezig hielden met de wetenschap. Ook vrouwen in kloosters en andere ambitieuze mensen wilden zich deze kunst machtig maken. Het literatuuronderwijs in de Middeleeuwen, welke alleen toegankelijke was voor de elite, richtte zich voornamelijk op grootheden uit het verleden. Schrijvers of schrijfsters uit de eigen periode werden niet behandeld. Wanneer we het onderdeel terugkoppelen aan de huidige eeuw, kunnen we concluderen dat het van de motivatie en interesse van de docent afhankelijk is welke auteurs uit de Middeleeuwen en vroegmoderne tijd worden behandeld. De kritiek, die in de huidige eeuw in volle gang is, kennen ze nog niet in de Middeleeuwen en vroegmoderne tijd. We kunnen vaststellen, mede aan de hand van het schematische overzicht dat het literaire veld van de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd een stuk minder gecompliceerd is dan velden uit overige eeuwen, zoals later zal blijken. In het volgende hoofdstuk zal de zeventiende eeuw aan bod komen. 33

34 Conclusie Hoofdstuk 2 De literaire wereld was in de Middeleeuwen volop in beweging. De boeken die verschenen waren veelal van religieuze aard. Nieuwe genres, zoals het ridderepiek en de kloosterliteratuur vinden hun oorspong in deze vruchtbare tijd. Waar lezen en literatuur eerst gezien werd als iets voor de meer welgestelde families en de adel, drong het later door tot het gewone volk. Binnen de Middeleeuwen neemt de boekdrukkunst een belangrijke plaats in. Door middel van nieuwe technieken kon het drukken en verspreiden van werken eenvoudiger worden uitgewerkt. Dit had een invloed op de hoeveelheid teksten die werd verspreid. Waar voorheen werken werden gemaakt op houtsneden, kon men nu overgaan tot het drukken op perkament. Deze ontwikkeling heeft er mede voor gezorgd dat wij vandaag de dag een goed beeld kunnen schetsen van de toenmalige literaire wereld. De overlevering van deze werken is hierbij erg belangrijk. Door middel van brand en oorlogen zijn veel werken uit die tijd verloren gegaan. De positie van de vrouw in de Middeleeuwen was er één die sterk verouderd is. Mannen werden gezien als het superieure geslacht en hadden meer mogelijkheden dan vrouwen. Het leven van de vrouw beperkte zich tot het huishouden en het zorgen voor haar man. Op het moment dat er opleidingsinstituten werden opgericht, kwam de vrouw daar niet voor in aanmerking. Het gros van de vrouwen sprak en schreef geen Latijn waardoor zij een achterstand hadden op de mannen. De revolutionaire vrouwen die besloten te gaan schrijven deden dit vaak binnen kloosters en de werken kwamen niet verder dan hun eigen sociale netwerk. De moderne devotie was een belangrijke gebeurtenis voor de vrouwen met ambitie. Deze beweging had invloed op het geestelijk leven in Nederland en Duitsland. Door de publicatie van hun belevenissen dwongen zij respect af bij hun mannelijke collega s die de werken in sommige gevallen zelfs lieten publiceren. Uiteraard zijn er uitzonderingen binnen een maatschappij. Hadewijch, Anna Bijns en Alijt Bake zijn hier voorbeelden van. Alle drie hadden zij op hun eigen wijze invloed op het literaire veld. Voornamelijk vanwege hun onderwerpkeuze en hun stijl vielen zij op in de literaire wereld. Het bleek dus niet onmogelijk om als vrouw op te vallen in de mannenwereld. Vaak vielen deze vrouwen echter op door negatieve gebeurtenissen zoals schrijfverboden, verbanning en gedwongen ontslagen. In het volgende hoofdstuk zal er gekeken worden naar de 17e eeuw. Was de positie van de vrouw toen wezenlijk anders? Of had zij dezelfde (on)mogelijkheden als in de Middeleeuwen? 34

35 3. Het literaire leven in de Gouden Eeuw 3.1 Communicatie in de zeventiende eeuw In de zeventiende eeuw had men minder mogelijkheden om te communiceren dan vandaag de dag. De manieren om te communiceren die wel al bestonden, waren de mondelinge communicatie, de communicatie in handschrift en de communicatie in druk. De mondelinge communicatie had alles te maken met toneelspelen. De stukken die in de zeventiende eeuw werden opgevoerd zijn onder te verdelen in drie categorieën: blijspelen, kluchten en tragedies. Deze stukken hadden allemaal een boodschap die werd overgebracht op het publiek gedurende de voorstelling. Naast de toneelspelen, was ook schrijven een manier om een boodschap over te dragen. Uiteraard werden toneelstukken niet alleen opgevoerd. Ze bestonden ook in geschreven uitvoeringen die men kon lezen. Schrijven was in de zeventiende eeuw een populaire bezigheid. Er werden voornamelijk brieven geschreven. Zo zijn er alleen al meer dan 7000 brieven aan Constantijn Huygens geschreven. Ook P.C. Hooft heeft in zijn leven veel brieven geschreven en ontvangen. Hij schreef bijzonder mooie brieven, aangepast in stijl en woordkeuze naar aanleiding van de ontvanger. Naast het schrijven van brieven naar mensen in zijn omgeving, stuurde Hooft ook gedichten rond in zijn sociale netwerk. De groep mensen om hem heen, en hijzelf, stuurden verzen naar elkaar met de vraag of de ontvanger ze wilde lezen en eventueel verbeteren. Een vorm van schrijven die in de zeventiende eeuw is ontstaan. Voornamelijk meisjes waren de bezitters van zulke boekjes, waarin men door vrienden en geliefden een versje liet schrijven, of een tekening liet maken. Tot slot de derde vorm van communiceren die in de zeventiende eeuw van belang was: de communicatie in druk. In de zeventiende eeuw is er een groei te constateren bij het uitgeversbedrijf. Steeds meer teksten verschenen in druk. De werken die werden gedrukt liepen sterk uiteen. Van liedjes, gelegenheidsgedichten en bekendmakingen tot pamfletten over actuele en godsdienstige zaken. De kennis die we kunnen destilleren uit de zeventiende eeuw, is afhankelijk van de overblijfselen van gedrukt of handgeschreven werk. Ons begrip literatuur is echter niet toe te passen op werken uit de zeventiende eeuw. De definitie van het begrip letteren verschilt nogal. Wat men in die tijd onder de letteren deed vallen, zouden nu allemaal wetenschappelijke teksten zijn. De letteren in de zeventiende hadden vooral een aantal doelen: informeren, redeneren, amuseren, emotioneren. De communicatie in druk komt in paragraaf 2.3 aan de orde wanneer er besproken wordt welke werken er werden gedrukt en door wie die werken werden gelezen. Vandaag de dag zijn er met de zeventiende eeuw en het literaire leven in die tijd, wel enkele verschillen aan te wijzen (Grootes 1990: 2-7). Een belangrijk verschil met de communicatiemogelijkheden in de zeventiende eeuw, is de toename van media. Waar men vroeger het geschreven, gedrukte en gesproken woord uitte in de vorm van brieven, boeken en toneelopvoeringen, zijn er in de huidige maatschappij meer mogelijkheden om bijvoorbeeld een boek te introduceren. 35

36 Internet, telefonie en televisie zijn drie media die hieraan bijdragen. Via internet zijn er websites waarop men boeken kan lezen, maar ook luisteren heeft een nieuwe dimensie gekregen, met het zogenaamde luisterboek. Daarnaast kan men tegenwoordig via een mobiele telefoon contact zoeken met internet en dus ook via dat medium een boek lezen. Tot slot wordt de telefoon vaak gebruikt om mensen op de hoogte te brengen van aanbiedingen, of het werven van leden. Dit gebeurt ook voor een grote boekenclub in Nederland, bijvoorbeeld de ECI, die de potentiële lezer kennis laat maken met recent verschenen werken. Een tweede verschil is het vervagen van de verschillende klassen binnen een maatschappij. Vroeger waren boeken vaak uitsluitend voor de elite en niet voor de 'gewone mens'. Wat opmerkelijk is, is dat het literaire bedrijf meer overeenkomsten toont met de maatschappij van nu dan met bijvoorbeeld de maatschappij van de Middeleeuwen. In de zeventiende eeuw spelen onderwijs en het uitgeversbedrijf een belangrijke rol bij het schrijven van een boek. Een belangrijke ontwikkeling hierbinnen was de start van de Latijnse school. De Latijnse school, welke overigens alleen genoten kon worden door geprivilegieerde jongens, kan worden vergeleken met het huidige VWO. Deze nieuwe vorm van onderwijs had een literaire inslag, vanwege de oprichters van deze school; de Humanisten. De Humanisten lieten zich beïnvloeden door de Romeinse Oudheid waar taalbeheersing een hoog aanzien had. In deze school werden de leerlingen overgoten met het idee dat literatuur een belangrijk en bijzonder goed was, als het aan de eisen voldeed die de Grieken en de Romeinen eeuwen terug hadden opgesteld (Grootes 1990: 11-12). Naast school hadden in het begin van de zeventiende eeuw ook de rederijkerskamers een grote invloed. Deze rederijkerskamers zijn niet van de zeventiende eeuw zelf, in de vijftiende eeuw bestonden ze al. Deze rederijkerskamers waren groepen amateurs die toneelspelen opvoerden in dorpen bij de daarvoor geschikte evenementen en gebeurtenissen. Tijdens die opvoeringen werden zij vaak gezien als de spreekbuis van de bevolking. Het werk dat deze rederijkerskamers opvoerden en schreven kwam vaak niet tot een uitgave (Grootes 1990: 12-16). Na het rederijkerskamers toneel ging het literaire leven zich meer individualiseren en was er sprake van eliteliteratuur. Schrijvers uit hogere kringen hadden meer invloed op wat er uitgegeven en gelezen werd in die eeuw. De leden van de rederijkerskamers waren mannen. Voor vrouwen was het niet toegestaan om lid te worden. Wanneer er in het toneelstuk een vrouwelijk personage aanwezig was, werd dit door een man gespeeld die zich verkleedde. Deze schrijvers en dichters vormden voor de zeventiende eeuw geen aparte groep mensen onder de bevolking. Van dichten kon met niet leven en het schrijven van gedichten was vaak een vorm van ontspanning tussen de meer belangrijke werkzaamheden in. Een voorbeeld hiervan is de treurspeldichter Jan Vos. Vos was naast glazenmaker in zijn vrije tijd succesvol dichter. Vos was de eerste die ervoor durfde uit te komen dat hij met het maken van glazen meer verdiende dan met het schrijven van zijn gedichten. 36

37 Zowel de verschillende beroepen als de status van de dichters hadden tot gevolg dat schrijvers van alle rangen en standen schreven over dezelfde onderwerpen, wat een bijzonder rijk scala aan perspectieven opleverde. In de zeventiende eeuw kon de literatuur de schilderkunst, die een grote vlucht had genomen, niet evenaren. De inhoud en de stijl van de werken was niet wezenlijk anders dan werken die in de zestiende eeuw waren geschreven. Opvallen na de werken uit de Middeleeuwen en de zestiende eeuw deed Nederland dus niet. Net als in het midden van de zestiende eeuw, waren de rederijkerskamers nog steeds aanwezig in de Gouden Eeuw. De retrosijnmeester was de belangrijkste persoon. Eén van zijn taken was het schrijven van gedichten en toneelspelen. De minder getalenteerde dichters schreven rondelen, balladen en refreinen. Deze gedichten maakten ze volgens een vastgesteld patroon van regels, erg veel variatie was er binnen die gedichten qua vorm niet. Naast dit patroon waar zij zich aan spiegelden was er een tweede reden die ervoor zorgde dat de Nederlandse dichters niet opvielen binnen Europa. Door een gebrek aan een eigen traditie die krachtig genoeg was, was het niet vreemd dat de Nederlandse dichters teruggrepen op klassieken en de classicistische renaissanceliteratuur in andere delen van Europa (Price 1974: 74-82). Naast het teruggrijpen op de klassieken probeerde men ook de oudere werken te overtreffen. Dit principe, aemulatio genaamd, werd veel toegepast in die tijd, met als doel het nog te schrijven werk, het eerdere werk te laten overtreffen (Grootes 1990: 28-33). De literatuur diende in die tijd voor lering en vermaak en de boeken waren dan ook opgezet, om naar deze doelen te streven. De rederijkerskamers ontstonden vanuit de drang een groep te vormen als dichter. Naast de rederijkerskamers bestonden er ook zogenaamde dichtgenootschappen. De leden hiervan werkten samen om tot een gedicht te komen. De meeste van deze gezelschappen vervingen de steeds meer op de achtergrond tredende rederijkers. Naast het beoefenen van poëzie, hadden de leden van deze dichtgenootschappen ook een rol als criticus. Na verloop van tijd begonnen deze genootschappen zich ook te richten op de toneelwereld en het schrijven en beoordelen van toneelteksten. Een bekend genootschap dat de voorganger is van deze traditie is Nil Volentibus Arduum. Dit Amsterdamse genootschap waarvan de naam niets is te moeilijk voor hen die willen betekent, begon treur- en blijspelen te vertalen vanuit het Frans en ze op het toneel te brengen. Door deze uitbreiding van het takenpakket vonden de oorspronkelijke dichtgenootschappen hun dood (Vrankrijker 1981: ). 3.2 Uitgeverijen en verspreiding Nu kan literatuur wel geschreven worden, het moet ook uitgegeven en aan de man gebracht worden. In de zeventiende eeuw is het verschil tussen drukker, uitgever en verkoper niet altijd even duidelijk te onderscheiden. 37

38 Veelal had men een dubbele functie en elke combinatie van de drie bovenstaande begrippen was dan ook mogelijk. Waarom hadden drukkers en uitgevers dan toch een succesvolle periode? Dit kwam door meerdere factoren. De belangrijkste factor is waarschijnlijk het ontbreken van censuur. Waar in andere landen allerlei regels voorkwamen dat een boek kon worden uitgegeven, was men in Nederland vrij om te gaan en te staan waar men wilde. Het kwam wel eens voor dat een boek verboden werd, maar omdat Nederland toen nog verdeeld was in staten was zo n verbod niet erg daadkrachtig. De regels waren niet zo streng in vergelijking met andere landen waar werken die de overheid of kerk tegen de haren instreken, zonder enkele tegenspraak en lezing werden verboden. Deze betrekkelijke vrijheid maakte Nederland en haar uitgevers tot interessante objecten. Nederland maakte handig gebruik van deze bijzondere positie in het literaire veld en exporteerde werken naar andere landen (Grootes 1990: 50-51). Deze betrekkelijke vrijheid was een teken voor de Staten-Generaal en de Staten der Gewesten om toezicht te gaan houden op de publicatie van boeken. Censuur is als begrip niet iets uit de zeventiende eeuw. Zolang als men al schrijft, worden er werken verboden. Dit vindt men al terug in de Klassieke Oudheid, waar geschriften van Griekse filosofen werden verbrand. Met de uitvinding en de ontwikkeling van de boekdrukkunst, start ook de geschiedenis van de boekcensuur. Op 17 november verscheen de eerste censuurwet, dit betrof een pauselijk document, welke stelde dat geen enkel boek mocht worden gepubliceerd zonder een voorafgaand onderzoek, een visitea, en zonder expliciete toestemming om tot drukken over te gaan. Daarnaast werd er gecontroleerd of de tekst wel getuigde van zuiverheid van geloof. Wanneer er werken werden ontdekt die aan geen van deze eisen voldeden, moest men overgaan tot het verbranden van het werk. Met deze eerste eisen, begon een tijdperk vol nieuwe regels en beperkingen. Waar men in het begin alleen de kerkelijke ban als straf kreeg, begon men in de Hervorming met het vervolgen van omstreden geschriften en hun auteurs. Het meest bekende voorbeeld hiervan is het verbod op de geschriften van Luther uit De zestiende eeuw is er één, waarbij er vele plakkaten werden vervaardigd die ervoor moesten zorgen dat het drukken onder controle kon worden gehouden. Een plakkaat tegen ketters, een plakkaat met daarin het verbod om werken te drukken zonder voorafgaand bezoek, van diegenen die met het uitgeven van het werk werden belast en tot slot een lijst van verboden werken. Men besloot het probleem niet bij de wortel aan te pakken, dus bij de schrijvers, maar bij de drukkers. Drukkers werden geacht een eed af te leggen, waarbij men zweerde om niets te zullen drukken zonder visitea of octrooi, niets te zullen drukken elders dan het octrooi toestond, het verkregen octrooi in het werk af te drukken en een exemplaar van het werk af te staan aan de Geheime Raad (Weekhout 1998: 21-29). 38

39 Ondanks dat de straffen hiervoor zwaar waren, indien een drukker zich niet hield aan bovenstaande eisen verloor hij zijn octrooi en zijn leven, bleek het in de praktijk moeilijk om deze straffen uit te voeren (Weekhout 1998: 29-32). De straf kon eerder gezien worden als een beleefdheidsgebaar zonder ernstige gevolgen. Toch werden er in de Nederlandse in de zeventiende eeuw dertienhonderd personen veroordeeld vanwege ketterij. Hiervan beoefenden er slechts vier het beroep uit van drukker. Ondanks de strenge plakkaten werden relatief weinig drukkers en boekverkopers zwaar gestraft. De plaatselijke autoriteiten hadden er echter wel een dagtaak aan. De maatregelen die er werden opgesteld, konden niet altijd voorkomen dat een werk alsnog verscheen. Wanneer men één van de regels in acht nam en de drukker het recht op octrooi ontnam, betekende dit dat het octrooi van toepassing was op het nadrukken van een werk in het gewest waar dit octrooi was opgelegd. Deze verschillen tussen de gewesten zorgden ervoor dat de regels geen waterdicht geheel vormden. Er waren manieren om de regels te ontwijken. Hoeveel werken er in die periode werden verboden is niet exact te schatten. Er zijn catalogi verschenen met de verboden werken van de zeventiende eeuw. Zoals al eerder aan bod is gekomen, werden boeken om verschillende reden verboden. Weekhout geeft in haar werk (1998) een overzicht van de verboden werken uit de zestiende en zeventiende eeuw. Uit dit overzicht valt af te lezen dat er in totaal 263 werken zijn verboden tussen 1576 en 1700 (Weekhout 1998: 60). Dit getal blijft echter een schatting aan de hand van haar eigen onderzoek en het verschenen werk van Knuttel uit Dit aantal is voor huidige maatstaven relatief gezien klein. Voor de Gouden Eeuw, waar schrijver zijn geen afzonderlijk beroep was, is het een representatief aantal. Niet iedereen kon boeken uitgeven en drukken. Men moest het geld hebben en de apparatuur. Daarnaast moest ook de inhoud dus nog aan bepaalde eisen voldoen. Er wordt geschat dat er in totaal tussen de vijfhonderd en tweeduizend werken zijn uitgegeven in de zeventiende eeuw. Voor een samenleving waar een groot deel van de bevolking ongeletterd was is dit een aanzienlijk aantal. Nu duidelijk is geworden dat er wel degelijk boeken waren die gedrukt werden, rijst de vraag hoe deze boeken werden verspreid. Ook al bleven veel werken binnen een sociaal netwerk dat zich letterlijk en figuurlijk dicht bij de desbetreffende auteur bevond, ook de gewone burger kwam in aanraking met werken. Welke weg legden deze werken af en wie bezorgde ze bij het leespubliek. Een fenomeen dat in de huidige maatschappij niet meer weg te denken is, is de boekwinkel. In de tijd van de Gouden Eeuw bestonden er ook boekwinkels, die echter op een aantal vlakken verschilden van de huidige winkels. De boekwinkels van de Gouden Eeuw, vooral gevestigd in vooraanstaande steden, leverden geen kant-en-klare boeken. Meestal verkocht een winkel losse bladen van het werk, die de koper naar eigen smaak kon laten voorzien van een band. De boekwinkel had dus een andere functie dan nu. Het was in de Gouden Eeuw voor de gewone burger de enige mogelijkheid om werken in te zien en te kunnen kopen (Grootes 1990: 54-57). 39

40 Voor de burgers die minder geld hadden bestond de bibliotheek als institutie nog niet. Wel was er sprake van een klein aantal universiteitsbibliotheken in de zeventiende eeuw.deze bibliotheken waren niet toegankelijk voor de gewone burger. Men moest ingeschreven staan bij de universiteit om toegang te krijgen tot de collectie boeken. Het waren vooral professoren die in deze bibliotheken een boek gingen raadplegen. Studenten vertrouwden voor een groot deel op de kennis van hun leermeesters. Ongeacht de studies die op de universiteit konden worden gevolgd, waren de werken binnen de universiteitsbibliotheek veelal van theologische aard. Niet elke student had theologische vakken en voor een groot aantal studenten was de bibliotheek dus niet relevant. Voor hen die wel boeken wilden raadplegen was er een restrictie. De boeken mochten de bibliotheek niet verlaten en het lenen van een werk was zodoende dus niet mogelijk (Grootes 1990: 57-60). Naast de bibliotheken en de legale boekwinkels, was er ook een grote handel in de verboden boeken. Het vervaardigen en vervolgens verspreiden van verboden drukwerk geschiedde altijd in een sfeer van geheimzinnigheid en anonimiteit. Juist omstreden geschriften verkochten goed en ze verkochten nog beter wanneer ze ook officieel verboden waren. Zoals al eerder aangegeven is, was het netwerk van regels niet totaal afsluitend. Er bleven mazen inzitten waarvan mensen gretig gebruik maakten. Door middel van verhulde opdrachten en een ondoorzichtige tussenhandel kwamen grote hoeveelheden geschriften van een bedenkelijke inhoud in omloop. Ze werden verkocht op hoeken van straten, in herbergen en op trekschuiten. Voor de instanties die waren aangewezen om deze illegale activiteiten te stoppen was dit vrijwel onmogelijk. Deze handel vond plaats op meerdere momenten en de betrokkenen hadden een mondelinge eed afgelegd voor strikte geheimhouding. Slechts een select gezelschap wist wanneer er werken zouden worden verkocht en door wie. Toch kwam het voor dat er huiszoekingen werden verricht. Zowel in de huizen van de vermeende betrokkenen, als bij de herbergen en trekschuiten. Bij sommige verkopers of drukkers werden zelfs herhaaldelijk invallen gedaan. Deze invallen werden pas gestart op het moment dat er een concreet verbod was uitgegeven op een nieuw werk. Er werd vrijwel nooit preventief gespeurd naar dubieus drukwerk. De huiszoekingen leverden vaak niet veel op. Vondsten van verboden werken werden eerder door toeval ontdekt, dan door intensief onderzoek (Weekhout 1998: ). Naast de legale boekhandel waren de zogenaamde venters en marskramers een uitkomst voor de gewone burger. Deze, voornamelijk mannelijke verkopers, gingen met goedkope uitgaven, pamfletten en eenvoudige volksliteratuur de straat op en de huizen langs. Ze namen ieder jaar honderden van die boekjes mee in hun mars en leverden ze aan huis voor jong en oud. Door de goedkope uitgaven, vaak waren het enkel losse vellen, kon ook de minder bedeelde burger aan een werk komen (Vrankrijker 1981: ). 40

41 Naast de verspreiding en het drukken van werken is voor een groot deel duidelijk geworden hoe dit proces zich in de zeventiende eeuw kon voltrekken. In de volgende paragraaf komen de genres uit de zeventiende eeuw aan bod en het publiek dat deze werken las. 3.3 Boeken en lezers Een belangrijke ontwikkeling in de zeventiende eeuw was de grote vlucht van het boekenbedrijf toen de boeken in volkstaal het minder gestudeerde publiek bereikten. De wetenschappelijke werken bleven in het Latijn verschijnen. Naast het feit dat wetenschappers de taal moesten kiezen waarin zij zich het best konden uitdrukken, waren boeken in het Latijn internationaal gezien ook interessant. Latijn was een taal die in meerdere delen van de wereld gelezen en begrepen werd. Buiten de academische wereld verschenen de boeken echter gewoon in het Nederlands (Price 1974: 98-99). De Gouden Eeuw was een periode waarin grote groei te zien was op verschillende vlakken. De grote economische groei had invloed op de verspreiding en het aantal werken dat in de Republiek der Nederlanden werd vervaardigd. Deze opbloei had ook een keerzijde. De mensen die een werk wilden drukken en verspreiden kregen voorafgaand aan dit proces bezoek van een regent om de inhoud van het werk te controleren. Wanneer er werd besloten dat een werk niet mocht worden uitgegeven, er werd dan geen octrooi voor aangevraagd door de Staten van een gewest, betekende dit niet dat het werk niet alsnog verscheen. Naast deze preventieve controle werd er in sommige gevallen censuur toegepast. De reden dat een boek een negatieve beoordeling kreeg had vaak te maken met de religieuze of beledigende boeken (Vrankrijker 1981: ). Een aantal boeken kwam dus op de verboden lijst terecht, gesorteerd in verschillende categorieën. Zoals eerder in dit hoofdstuk al aan bod is gekomen, werden boeken om verschillende redenen verboden. Hierbij kon de inhoud een rol spelen, bijvoorbeeld negatieve uitlatingen over het huidige regime of negatieve uitlatingen over een godsdienst. Daarnaast kon men ook een werk verbieden vanwege het feit dat de personen die in het werk voorkwamen geen toestemming gaven voor het gebruik van hun namen. De twee soorten werken die in de Gouden Eeuw het meest populair waren, waren de stichtelijke literatuur en de volksboekjes. Ook in deze twee soorten van literatuur vonden er verboden plaats. Zoals bij alle boeken van toepassing is, was er in de zeventiende eeuw ook een lezerspubliek waarmee rekening gehouden moest worden. Het lezerspubliek van literatuur in de Gouden Eeuw wordt grofweg in twee groepen onderverdeeld. Het is te eenvoudig om te spreken van een hoog ontwikkeld milieu en een laag ontwikkeld milieu. Uiteraard is voor een aantal teksten een hoog ontwikkelingsniveau nodig. Auteurs zoals Hooft schreven hun werk vaak voor mensen die hun klassieken kenden. Stichtelijke literatuur werd vaak gelezen door geleerden en volksboekjes door de eenvoudige burger. Ook de elite las echter in de volksboekjes. 41

42 De reden dat volksboekjes zo geliefd waren had te maken met het feit dat ze tastbaar waren, nuttig en voorzien van hekenbare inhoud. Deze kenmerken zorgden voor een aantrekkelijkheid die in alle lagen van de bevolking zichtbaar was. Het oudste volksboekje stamt uit de tweede helft van de zestiende eeuw. Dit geeft aan dat deze boekjes al meer dan een eeuw oud waren en dat ze ondanks hun ouderdom nog steeds lezers konden bekoren. De inhoud van deze boekjes had bijna een magische aantrekkingskracht die generaties overleefde. Deze aantrekkingskracht werd opgewekt door de mogelijkheid tot identificeren. Het verhaal van zulke boekjes speelde zich veelvuldig af op golfbanen, koffiehuizen en minder eerbare gelegenheden. Alles om de volksklassen en de burgerstand te behagen (Vrankrijker 1981: ). Niet alle volksliteratuur was origineel van aard. Wanneer een imitator grip kreeg op de volkslectuur werden werken vaak taai, onnatuurlijk en onmogelijk om te lezen voor de gewone burger. De burger is een term die in deze scriptie gebruikt wordt voor het omschrijven van mannen en vrouwen. Deze subgroep had het grootste aandeel binnen de bevolking. Naast de gewone burger bestond er de elite, een groep die in de minderheid was, maar wel meer privileges had, waaronder onderwijs. De burger kreeg toegang tot werken van auteurs zoals Boccaccio, Montaigne, Richardson en Swift. Alle mogelijkheden om werken te vertalen en bij te werken zodat het ook mogelijk was voor de gewone burger om zulke werken te lezen, werden aangegrepen. Deze boeken vonden gretig aftrek onder de burgers en dit leidde tot een vast publiek voor de werken. Wanneer er gekeken wordt naar de grote namen uit de zeventiende eeuw, valt op dat Cats een lezer is die bij beide lezersgroepen, dus zowel de elite als de gewone burger, erg geliefd is. Dit had voornamelijk te maken met de uitgangspunten die Cats gebruikte in zijn werk. Hij werkte met fundamentele eigenschappen en gebeurtenissen die voor iedereen herkenbaar waren. Een voorbeeld hiervan is zijn werk Verhalen uit de Trou-ringh dat het gehuwde leven aan bod laat komen. Naast zijn onderwerpen zouden ook zijn illustraties aan zijn populariteit hebben bijgedragen. Een tijdgenoot van Cats was Bredero. Door zijn luchtige kluchten werd hij mateloos populair bij het grote publiek. Hooft en Vondel schreven meer werken die bedoeld waren voor het geleerde publiek. De werken van Vondel waren doordrenkt met classicisme en dus niet voor elke willekeurige lezer behapbaar. Ook Huygens kan aan het rijtje worden toegevoegd van schrijvers die schreven voor een exclusief publiek (Vrankrijker 1981: 39-45). Naast de volksboeken was er ook een ander genre dat veel gelezen werd. Dit was de politieke literatuur. Bij dit genre kwamen thema s als politiek, godsdienst, maatschappij en het persoonlijk leven van de mens aan bod. Door het schrijven over politieke wantoestanden werd het vaderland gevoel sterk aangewakkerd. Niet alleen de politieke literatuur had een gevolg voor de maatschappij. De godsdienstige literatuur had als gevolg dat mensen zich gingen afvragen wie zij waren, waar zij voor stonden en wat zij wilden bereiken in hun leven (Grootes 1990: 39-45). 42

43 Deze stichtelijke literatuur was lange tijd het enige dat men in de zeventiende eeuw had. In de magazijnen van de boekhandelaren lag het vol met werken voor de geleerden van de maatschappij. Populair wetenschappelijke werken ontbraken nog in dit geheel. De zeventiende eeuw kon dit gat niet opvullen. Het onderscheid tussen wetenschappers en het volk als publiek bleef intact. Tegen het einde van de zeventiende eeuw kwam er een variant die beide werelden samen kon laten gaan. Er kwamen stichtelijke vertalingen uit en bundels met preken die geen welsprekende woorden bevatten. Welsprekendheid kwam voornamelijk voor in het Latijn, maar Cats is hier een uitzondering op. Hij deed veel met de retorica en de regels voor welsprekendheid. Door het vertalen van de welsprekendheid naar de volkstaal, bereikte de stichtelijke literatuur een groter publiek. Deze werken waren in eenvoudige bewoordingen geschreven, ze waren lang door de eindeloze variaties op een thema. Voor de geleerden bleek deze nieuwe ontwikkeling binnen de literatuur niet interessant genoeg. De thema s binnen de werken waren teveel uitgeplozen en verloren hun aantrekkingskracht voor de geleerden. Tegenstrijdig is dat de inhoud van de werken ook de burger niet kon bekoren. Ook zij vonden dat de onderwerpen te breed werden uitgesmeerd, wat de leesbaarheid niet ten goede kwam (Vrankrijker 1981: ). Zoals duidelijk geworden is in deze paragraaf, is er veel gebeurd binnen de literatuur. Binnen de paragraaf is er een onderscheid gemaakt tussen de elite en de gewone burger in de zeventiende eeuw. Bij beide groeperingen binnen de samenleving ging het om zowel mannen als vrouwen. Omdat in het licht van deze scriptie de rol van de vrouw binnen de literatuur erg belangrijk is, zal er in de volgende paragraaf worden gekeken naar de rol van de vrouw binnen de maatschappij van de zeventiende eeuw. Wanneer er een beeld kan worden opgemaakt van haar rol, kan de invloed op de literatuur beter worden onderzocht. 3.4 De rol van de vrouw in de Gouden Eeuw Voordat deze paragraaf de rol van de vrouw binnen de zeventiende eeuw zal beschrijven, moet er duidelijk gemaakt worden dat zoiets als dé vrouw van de zeventiende eeuw niet bestaat. Net zomin als dat dé man bestaat. Het is niet de bedoeling van deze paragraaf om een generaliserend beeld te schetsen van vrouwen in de zeventiende eeuw. Desalniettemin zijn er een aantal specifieke kenmerken van vrouwen die in de zeventiende eeuw naar boven komen. Deze zullen beschreven worden in het licht van de literatuur. De zeventiendeeeuwse literatuur was een middel om een ideaal te verwoorden. In een roerige tijd, waarin er veel veranderingen plaatsvonden in het maatschappelijke leven, voelde men de behoefte om binnen die veranderingen een ideaalbeeld te schetsen. Bij dit ideaalbeeld speelde de Bijbel een belangrijke rol. De Bijbel werd gezien als een ultieme bevestiging van dit ideaalbeeld en diende als hoogste autoriteit. 43

44 De burgerlijke maatschappij was in opkomst en de verhouding tussen mannen en vrouwen werd een belangrijk gegeven. De burgerlijke maatschappij beschouwde het gezin als het fundament van de samenleving. Dit had tot gevolg dat gehuwde vrouwen meer aandacht kregen omdat zij aan dit ideaalbeeld voldeden. Tegenspraak op deze nieuwe visie kwam er niet in grote mate. Deze aandacht voor gehuwde vrouwen was niet terug te zien in de aandacht voor literatuur van vrouwelijke auteurs. In dit hoofdstuk is duidelijk geworden dat er wel degelijk mogelijkheden waren om een boek uit te geven en het op kleine schaal te verspreiden. Voor vrouwen was dit echter niet eenvoudig. Eerbare vrouwen werden in de Gouden Eeuw niet geacht in de openbaarheid te treden. De vrouwen konden publicatie van hun werken dus niet in eigen hand nemen en zij die een godsdienstig werk wilden publiceren kregen vaak te maken met een hoge macht binnen de kerk die hen alsnog het uitgeven verbood. De manier om deze werken toch te verspreiden leidde alsnog naar een rol voor de man. De vrouwen die hun boodschap uit wilden dragen waren afhankelijk van een mannelijk familielid of vriend uit dezelfde (geloofs)kring als die van de schrijfster (De Baar 2005: 47-48). Voor die periode was het voor bepaalde milieus ook niet ondenkbaar dat zij zelf een drukpers aanschaften. Jean de Labadie en Comenius zijn hier slechts twee mannelijke voorbeelden van, waarvan zeker is dat zij een eigen drukkerij bezaten. Naast deze twee mannen was Katherina Lescailje een vrouwelijke boekdrukker. Deze vrouw neemt een bijzondere plaats in binnen de literatuur van de zeventiende eeuw. Als tweede dochter van een boekdrukker, Jacob Lescailje en Alida Verwou, had zij al vroeg een indruk hoe het boekdrukken in zijn werk ging. Dit zorgde ervoor dat zij en niet haar andere zussen en broers, in aanmerking kwam om de opvolger te zijn van haar vader. Het bedrijf was gespecialiseerd in het drukken van toneel- en dichtkunst. Naast het drukken van werken, had Lescailje ook talent voor het schrijven zelf. Zeker veertig van haar titels waren gedrukt door de drukkerij van haar vader, wat ervoor zorgde dat ze niet, zoals vele andere vrouwen uit haar tijd, tegen de problemen opliep die er waren als je als vrouw een werk wilde laten drukken (Schenkelveld- van der Dussen 1997: 397). Bij het drukken van een werk kwam een heleboel kijken. Met het aanschaffen van een drukpers alleen was het niet mogelijk om een werk te drukken. Hier waren ook letterkasten, zethaken, letters en inktbanken voor nodig. De prijzen voor deze benodigdheden, waarvan de gegoten letters het meest prijzig waren, liepen uiteen van zeventig tot tweehonderd gulden. Voor die periode was dit bedrag een smak geld, dat alleen door welgestelde families kon worden neergelegd (De Baar 2005: 48-52). 44

45 In vergelijking met de Middeleeuwen is de positie van de vrouw gedeeltelijk veranderd. Werd de vrouw in de Middeleeuwen vaak stereotiep afgebeeld als verzorger van het huishouden en de echtgenoot, in de zeventiende eeuw was het ook mogelijk om als vrouw ongehuwd te zijn. Uiteraard waren er ook in de Middeleeuwen uitzonderingen, denk hierbij aan Anna Bijns. Zij was een ongehuwde vrouw en een schrijfster. Een combinatie die voor de Middeleeuwen aandeed als zeer zelfstandig. In de zeventiende eeuw zijn er ook vrouwen geweest die voor de eeuw toonaangevend waren. Drie van deze vrouwen worden in de volgende paragraaf behandeld. Zij tonen aan dat vrouwen in de zeventiende eeuw uit de rol traden, die in de Middeleeuwen voor hen was weggelegd. 3.4 Maria Tesselschade Roemersdr. Visscher Maria Tesselschade Visser ( ) was de jongste dochter van Roemer Visscher en Aafke Onderwater. Zij kreeg de naam Tesselschade van haar vader om hem te herinneren aan de door hem, als koopman, geleden schade bij het eiland Texel. Roemer Visscher was in de omgang met zijn gezin een vrij dominante man die zelf ook regelmatig de pen ter hand nam. Hij behoorde tot de rederijkerskamer de Egelantier (Schenkeveld- van der Dussen 1997: 171). Maria had het talent voor dichten niet van een vreemde, zo zou later blijken. Maria zou opgroeien in een tijd van grote economische en artistieke bloei, waarin klassieke cultuur de levensstijl van de gegoede Nederlandse burgers ging bepalen. Hierbij konden ontplooiing van talent en oefening van intelligentie niet ontbreken (Smits-Veldt 1994: 13-15). Naast Maria hadden Visscher en Onderwater nog twee dochters: Anna (1583) en Geertrui (1588). Roemer Visscher bracht zijn dochters geheel volgens de trend van die periode in aanraking met kunst en letteren. Zij kregen alle ruimte om zich te ontplooien. Dit was vernieuwend voor die periode. Hiervoor was het gebruikelijk om vrouwen, ook uit aanzienlijke kringen, niet meer te leren dan een klein beetje Frans en muziek. Het huishouden werd als vanzelfsprekend gezien (Walch 1941: 154). Roemers voedde zijn dochters dus op volgens het nieuwe gedachtegoed van de Gouden Eeuw. Naast schilderen, musiceerden de dochters en graveerden ze glazen. Het beoefenen van een kunst beschouwde men als een belangrijke uiting van de persoonlijkheid. Belangrijke voorwaarde van de vader van de meisjes was de volledige inzet, zodat ze konden uitgroeien tot uitstekende amateurs. Deze ijzeren discipline zorgde ervoor dat de beide zussen gehoorzaam waren aan hun vader in de wetenschap dat hij het beste met ze voor had. Gehoorzaamheid was een belangrijke factor binnen het gezin, het werd gezien als de eerste deugd die moest worden bijgebracht (Smits-Veldt 1994: 17-31). 45

46 Tesselschade huwde de zeeofficier Allart Crombalch die in 1634 overleed. Mede door haar talent werd Tesselschade Roemers Visscher het middelpunt van de Muiderkring. Deze vriendenkring rondom Hooft ( ) kreeg mede door toedoen van de zussen Visscher een nieuwe impuls. Men laat in oudere werken doorschemeren dat er bijeenkomsten hebben plaatsgevonden op het Muiderslot, waarbij de vrienden zich onderhielden met literare gesprekken en muziek. Deze traditie zou ontstaan zijn rond Naast Hooft en de gezusters Visscher zouden ook Constantijn Huygens, de hoogleraren Vossius en Barlaeus en de zangeres Francisca Duarte een onderdeel zijn van de groep (Van Capelleveen 2004: 27). Binnen die Muiderkring was het bijzonder dat Tesselschade er deel van uit maakte. De literaire vriendengroep bestond voornamelijk uit mannen. Tesselschade was een uitzondering. Tesselschade werd door velen geprezen vanwege haar uitzonderlijke talent. Het werk Trou-ringh van Cats werd aan haar opgedragen en ook Hooft en Bredero hadden geen slecht woord over Tesselschade. De onderwerpen van Tesselschade veranderden toen haar dochter en haar man zijn overleden. Ze schrijft dan voornamelijk brieven aan vrienden die van een troostend karakter zijn. De brief naar Huygens, naar aanleiding van de dood van zijn vrouw, is hier een voorbeeld van. Huygens en Tesselschade hadden een lange en warme vriendschap waarin het Muiderslot een sleutelrol speelt (Walch 1941: ). Toch was Hooft diegene aan wie zij haar gedichten liet lezen in de hoop dat hij haar zou verbeteren. Deze gedichten schreef zij pas na negen jaar huwelijk achter de rug te hebben. Ze had tussen haar tienerjaren en het getrouwde leven haar ganzenveer niet voorgoed neergelegd. Er waren in de tijd daartussen wel liedjes van haar verschenen over de kracht van verliefdheid (Smits-Veldt 1994: 42-56). Vandaag de dag is er door literatuurhistorici ontdekt dat de Muiderkring een mythe was. Dat de term niet voortkwam uit het feit dat men geregeld bij elkaar kwam op het Muiderslot, maar dat het niet meer dan een benaming was voor een groep mensen die elkaars werk las en beoordeelde. Verschillende studies hebben uitgewezen dat het praktisch ook niet mogelijk was dat de Muiderkring bestond, aangezien een aantal documenten hebben uitgewezen dat men nooit allemaal tegelijkertijd op het Muiderslot aanwezig was. Een tweede belangrijke gebeurtenis in het leven van Tesselschade Roemers Visscher was haar bekering tot het katholicisme. Gedurende haar hele leven had ze een zeer diep religieus gevoel dat zich in 1641 uitte tot het aansluiten bij de katholieke kerk. Het was geen plotselinge beslissing die Tesselschade nam. In Alkmaar ging ze al geruime tijd om met de dochters van Pieter van Veen. Alkmaar was in de jaren 30 van de zeventiende eeuw het katholieke centrum geworden. Haar bekering viel niet bij iedereen in goede aarde. Tesselschade was aanhangster geworden van een godsdienst die de Muiderkring in eerste instantie vreemd was. Haar bekering zorgde ervoor dat de vriendschap tussen Hooft en Tesselschade tijdelijk bekoeld raakte. 46

47 Hooft distantieerde zich van Tesselschade en haar nieuwe geloof, tot hij zich in 1641 zelf ook bekeerde tot het katholicisme. Ook de vriendschap met Huygens liep een aantal breuken op, maar zowel met Hooft als met Huygens werd de vriendschap in ere hersteld (Smits-Veldt 1994: 86-92). Eén van de bekende gedichten van Tesselschade is die reizen wil op aard. Het gedicht is een meditatie over het einde van het leven en de daarmee gepaard gaande laatste reis van de ziel. Vanwege het abstracte karakter van het onderwerp, beschrijft Tesselschade het als een reis die nog gemaakt moet worden naar Italië. Hiermee bedoelt ze niet het aardse Italië, maar ze bedoelt de laatste rustplaats van de christenen. Een deel van het gedicht is op de volgende pagina weergegeven overgenomen uit Sneller & Van Marion (1994: 109). Die Rejsen wil op aerdt, hoe sterker hoe bequamer 1 Maer dese rejs te doen hoe sieker aengenaemer Nae 't hogh' Italia, daer nimmermeer verminckt Iet wat te voorschijn komt dat in Zyn aerde sinckt 4 Maer met syn volle lee'n herbooren om te hooren Ghij hebt mijn Rijck bemint, Ick heb u uytverkooren. De invloed van Tesselschade hangt nauw samen met de overlevering van haar werken. Er zijn maar weinig gedichten van Tesselschade bewaard gebleven. Uit de gedichten die wel overgeleverd zijn is de invloed te ontdekken van de Italiaanse maniërist Giambattista Marino. Marino was een Italiaanse dichter die de stichter is van het marinisme. Deze schrijfstijl kenmerkt zich door veelvuldig gebruik van metaforen en beeldspraak in combinatie met een uitgebreide woordenschat. Het werk van Marino bevat duidelijke invloeden van zijn voorganger Petrarca, ook een dichter waar Tesselschade zich door liet inspireren. Marino s precieuze woordkeus en gedurfde beeldspraak maakten een grote indruk op Tesselschade (Van Cappeleveen 2004: 27). De overlevering van haar werken was gering. Hield dit verband met haar populariteit in de zeventiende eeuw? Of staat het los van elkaar? Tesselschade werd gezien als het ultieme voorbeeld van hoe een vrouw moest zijn in de zeventiende eeuw. Ze was een ontwikkelde, veelzijdig artistiek begaafde, spirituele en innemende vrouw die een grote invloed had op de onderlinge relaties van de elite. De invloed van Tesselschade reikte ook buiten deze kringen. Haar contacten met andere vooraanstaande schrijvers en dichters van de zeventiende eeuw, leverden haar bekendheid op. Mede vanwege haar nevenactiviteiten en haar bekende achternaam wisten veel mensen in de zeventiende eeuw wie de Tesselschade was. Tesselschade was al voor haar dood een begrip geworden dat verder reikte dan de vriendenkring rondom Hooft (Smits-Veldt 1994: 109). Hierbij moest zij wedijveren met haar zus Anna die al veel eerder een aanzienlijke status had verworven. Anna was actief in dezelfde ambachten als haar zus. 47

48 Ook zij schreef gedichten, maar ze maakte al snel geen deel meer uit van het literaire Hollandse circuit. Tesselschade daarentegen werd verheven tot een levend instituut, ze was een voorbeeld voor alle vrouwen. Dit zag men niet terug in de publicatie van haar werken. Tijdens haar leven werden slechts tien van haar tweeëndertig gedichten, die bij ons bekend zijn, gepubliceerd. Na haar dood verschenen er nog acht andere (Smits-Veldt 1994: ). Voor een vrouw die mateloos populair was in de Gouden Eeuw is dit slechts een gering aantal. De oorzaak hiervoor ligt wederom in het verspreiden van het werk. De werken die zij schreef bleven vaak circuleren in haar eigen vriendenkring. De gelegenheidspoëzie die zij schreef ter herdenking van haar geloof, of bij het overlijden van haar man kwamen mogelijk ook in andere kringen terecht. Het was in die tijd gebruikelijk om poëzie in verschillende afschriften te laten circuleren binnen één vriendenkring. Zodoende kwam het ook wel voor dat de afschriften ook buiten die vriendenkring gelezen werden. Dat er maar weinig van haar werken tijdens en na haar dood werden gepubliceerd heeft er niet toe geleid dat Tesselschade in de vergetelheid raakte. Huygens nam de taak op zich om de herinnering aan Tesselschade levend te houden. Hij publiceerde in 1651 een aantal van de gedichten die hij, samen met tijdgenoot Barlaeus, over Tesselschade had geschreven. Naast deze specifieke bundel werd er in vele andere werken van Huygens ook aandacht besteed aan Tesselschade. Naast Huygens waren Jan Vos en Vondel ook twee bewonderaars van de artistieke vrouw. Zij lieten geen mogelijkheid onbenut om poëzie voor en over haar op te nemen in hun werk. Toch ging deze bewondering als een nachtkaarsje uit. Na het overlijden van Huygens en Vondel waren de twee grootste bewonderaars verdwenen. Zij moesten de nieuwe generatie op het Muiderslot de ruimte geven in de hoop dat er een nieuw vrouwelijk talent tussen zat dat de kwaliteiten en gave van Tesselschade kon evenaren (Smits-Veldt 1994: ). Zoals alle schrijfsters die in deze scriptie behandeld worden, zal er ook gekeken worden naar de invloed van Tesselschade. Dit gebeurt aan de hand van het schema van Dorleijn & Van Rees (1999). De invloed van Tesselschade op het literaire veld onderzoeken is een moeilijke opgave. Dit heeft mede te maken met het feit dat er maar een beperkt aantal gedichte van Tesselscade is overgeleverd. De onderzoekers zijn dus afhankelijk van materiaal over Tesselschade. Haar invloed op het literaire veld beperkte zich tot een kleine kring mensen om haar heen. Dit fenomeen vinden we in de Middeleeuwen ook vaak terug. Ook in de Gouden Eeuw was een groep vrienden en kennissen het aangewezen lezerspubliek. Dit kwam mede door het ontbreken van uitgaven van haar werk. Tesselschade had in het begin van haar carrière geen uitgever, later nam Huygens die taak op zich, om ervoor te zorgen dat men Tesselschade niet zou vergeten. De invloed van Tesselschade op de materiële productie was niet uitzonderlijk groot. 48

49 In de zeventiende eeuw bestonden geen van de instanties die verder behoren bij het onderdeel van de materiële productie. Tesselschade had tijdens haar leven geen uitgever en haar werken circuleerden onder haar vrienden. Met betrekking tot de distributie van werken, heeft er in de zeventiende eeuw een ontwikkeling plaats gevonden. Er zijn tekenen zichtbaar van de eerste bibliotheken en boekwinkels. Ondanks dat ze bestonden in een andere hoedanigheid dan ze vandaag de dag bekend zijn, het begin is gemaakt. Voor Tesselschade was de bibliotheek niet relevant. Ze schreef geen wetenschappelijke teksten en werd zodoende niet opgenomen in de bibliotheken die onderdeel waren van universiteiten. Openbare bibliotheken bestonden nog niet in de zeventiende eeuw. Dit was ook het geval met de boekenclubs zoals wij ze nu kennen. Tesselschade vormde echter wel een onderdeel van een boekenclub die de Muiderkring heette. Ook al was dit slechts een term voor een groep mensen die elkaars werk las zonder dat ze bij elkaar kwamen, Tesselschade speelde een belangrijke rol binnen deze groep. Haar invloed op deze groep was voornamelijk bijzonder vanwege het feit dat zij een vrouw was. De groep bestond voor haar toetreding voornamelijk uit mannen. Via de groep kwam zij in contact met andere grootmeesters uit de zeventiende eeuw. Dit leidde echter niet tot een grote invloed op de symbolische productie. De invloed van Tesselschade op bijvoorbeeld het huidige literatuuronderwijs is naar alle waarschijnlijkheid klein. Wanneer men jeugdige leerlingen kennis wil laten maken met de literatuur uit de zeventiende eeuw, denkt men waarschijnlijk eerder aan Vondel en Hooft. Wat slechts een beperkt beeld geeft van de zeventiende eeuw. Eén rang lager dan de grootmeesters, zit een bron vol talent. Dit talent wordt mondjesmaat ontdekt door de huidige literatuurkritiek en schrijvers. In de zeventiende eeuw was er van literatuurkritiek nog geen sprake. De onderlinge kritiek binnen een groep buiten beschouwing gelaten. Vandaag de dag zijn er maar weinig publicaties die zich specifiek richten op Tesselschade. Naast de werken die er gebruikt zijn voor deze scriptie, met het werk van Sneller & Van Marion uit 1994 als meest recente, wordt Tesselschade wel in veel overzichten genoemd. Een voorbeeld hiervan is het werk van Schenkeveld- van der Dussen (1997). Dit geeft aan dat Tesselschade toch een belangrijke rol heeft gespeeld binnen de literaire ontwikkeling. Hoe was het gesteld met de invloed van Tesselschade op de maatschappij? De invloed van Tesselschade op de maatschappij was gering. De Gouden Eeuw was een eeuw die veel grote namen voortbracht. Schrijvers en dichters zoals Bredero, Vondel en Hooft waren de vooraanstaande schrijvers. Respect hadden deze grote mannen wel voor het werk van Tesselschade en andere vrouwelijke auteurs. Ze namen de tijd om hun werken te lezen en te verbeteren. Verbeteren van werken van bekenden was een normale zaak in de Gouden Eeuw. De invloed van Tesselschade beperkte zich dus voornamelijk tot een groep vrienden om haar heen. Ze heeft geen hele groepen mensen aangesproken zoals Anna Bijns een eeuw eerder deed. 49

50 Haar werken werden niet verspreid in kloosters, zoals de werken van Alijt Bake, ze was afhankelijk van haar sociale netwerk. Het geringe aantal poëtische teksten dat is gepubliceerd tijdens en na haar dood geeft geen volledig beeld (lezen van het boek van van Marion over Tesselschade). Het is dankzij andere grootheden uit die tijd dat men vier eeuwen later nog steeds weet wie Maria Tesselschade is. Een tweede kenmerkende schrijfster die de Gouden Eeuw voortbracht is Anna Maria van Schuurman. 3.6 Anna Maria van Schuurman Ondanks dat Maria van Schuurman één van de belangrijkste schrijfsters is uit haar tijd, besteden literatuurgeschiedschrijvers maar weinig aandacht aan haar. Toen Van Schuurman slechts drie jaar oud was, las zij zelf de Bijbel (Van Buuren 1980: 36). Na het lezen van de Bijbel begon zij op achtjarige leeftijd met het schrijven van fraaie teksten in schoonschrift die door haar tijdgenoten werden verzameld en opgekocht. De ouders van Van Schuurman lieten haar vrij in haar opvoeding zodat zij al haar talenten kon ontdekken en ontwikkelen (Bouwman 1996: 13). Van Schuurman had dus al in haar vroege jeugd aandacht voor beeldende kunsten. Ze beheerste naast de kunst van het borduren wel acht verschillende technieken voor het genre de portretkunst (Smits-Veldt 1994: 20). Ze richtte een speciale 'konst-kamer' in binnen haar huis en ging zich steeds meer verdiepen in de theologie. Het schilderen en graveren zag zij slechts als een aangename ontspanning tussen haar meer belangrijke studies in. De ouders van Van Schuurman waren welgesteld. Ze kwamen uit Antwerpen maar vertrokken uit die stad tijdens de Spaanse bezetting. Zonder de goed gevulde portemonnee van de familie was het talent van Van Schuurman zeer waarschijnlijk minder ontwikkeld. Een belangrijk gegeven voor haar ontwikkeling is haar kennis van het Latijn. Het besluit van Frederik Schuurman om zijn dochter het Latijn machtig te maken is cruciaal geweest gedurende haar opvoeding. In de Middeleeuwen was het niet toegestaan voor vrouwen om Latijn te leren. Dit was een mannelijke aangelegenheid. In de zeventiende eeuw is er in dat opzicht weinig veranderd. Het was voor vrouwen in die periode verboden om een formele opleiding buitenshuis te volgen en om te spreken of preken in het openbaar. Dat Frederik van Schuurman zijn dochter de taal leerde was haar ticket naar de wereld van de geleerdheid (Van Beek 2004: 12-19). Toch duurde het nog tot 1626, zij was toen pas zestien jaar, tot zij een gerenommeerde plaats verwierf in de literaire en geleerde kringen. Boze tongen beweren dat dit vooral komt door haar contact met Jacob Cats en niet vanwege haar uitzonderlijke talent. Gave of niet, door Cats werd Van Schuurman geprezen als uitzonderlijke vrouw (Van Buuren 1980: 36-42). Doordat Cats aandacht voor deze vrouw vroeg, leidde dit tot briefwisselingen met beroemde dichters zoals Barlaeus en Huygens. Zonder Cats was zij waarschijnlijk niet met deze grootheden in contact gekomen. 50

51 Haar vrijwillig opgenomen contact met André Rivet leidde haar naar de vraag of het een christelijke vrouw paste om te studeren, welke later werd opgelost. De positie van de christelijke vrouw heeft zij hierna nooit meer losgelaten (Van Buuren 1980: 36-42). Het eerste boek dat na haar doorbraak verscheen en ook haar internationale bekendheid aanzienlijk vergrootte was haar Dissertatio. Het werk stond in het teken van het recht voor de christelijke vrouw. Het was een onderwerp waar zij zich al lange tijd voor interesseerde. De titel, van de in het Engels vertaalde Dissertatio, is veelzeggend: The learned maid; or, whether a maid may be a scholar. In een aantal woorden maakt zij duidelijk dat het boek een werk is dat opkomt voor de rechten van de vrouw en de vrouwen stimuleert om zich verder te ontwikkelen dan de standaard vrouwelijke werkzaamheden (De Baar 2007). Naast de vertaling wordt er gesuggereerd dat er ook een Franse vertaling van is verschenen, dit is echter tot op heden niet bewezen. Wel is bekend dat delen van haar betoog zijn verschenen in het Frans, gedurende haar schriftelijke correspondentie met Rivet. Er is geen uitgave waarin het hele betoog is opgenomen. De uitgave van dit pleidooi leidde ertoe dat geleerde vrouwen uit verschillende Europese landen contact zochten met deze vrouw (De Baar 2007). Haar werk werd zelfs zo zeer gewaardeerd dat een aantal Europese landen interesse toonden om werk van Van Schuurman te vertalen. Zowel Frankrijk als Engeland vertaalde werken van Van Schuurman. Deze interesse vanuit het buitenland was ook gebaseerd op haar geleerdheid en haar contacten met internationale schrijvers (De Baar en Rang 1992: 12). Haar fijne beschaving, haar bescheidenheid, haar vroomheid, haar artistieke talent, en haar maagdelijkheid worden geprezen (Van Beek 2004: 169). Het wenden tot het labadisme van Van Schuurman zorgt voor veel verongelijkte reacties. Het labadisme werd door vele geleerden in het buitenland gezien als een mystieke sekte met Jean de Labadie aan het hoofd en de interesse voor Van Schuurman nam door deze wending in haar persoonlijke leven af. Door het aansluiten bij deze mystieke groep werd Van Schuurman door velen bestempeld als ketter. In het gedicht Over het droevig verval der Christenen bekritiseert zij op vlijmscherpe wijze de predikanten die volgens haar een verkeerde volgorde van het heil preken. Een deel hiervan, overgenomen uit De Baar en Rang (1992) is hieronder weergegeven. Sy leeren Jesus is genesing voor de sonden; en niet hoe Godes wett eerst opent zielewonden en hoe het steenen hert moet eerst verbrieselt sijn, Eer Jesu Geest en bloet verdrijft het ziels fenijn. Een belangrijke ontwikkeling die zich tijdens het leven van Van Schuurman voltrok was de oprichting van de Universiteit van Utrecht in In tegenstelling tot vele vrouwelijke leeftijdgenoten vond Van Schuurman niet dat een vrouw een huwelijk aan moest gaan, kinderen moest krijgen en het huishouden voor haar rekening moest nemen. 51

52 Van Schuurman vond dat elke vrouw met genoeg geld, een gemiddeld verstand en genoeg vrije tijd, toegang moest hebben tot de studie. Ze raadde vrouwen af om hun tijd voor de spiegel te verdoen, en raadde ze aan om kennis op te bouwen (Van Beek 2004: 31-49). Volgens Van Beek (2004) is Van Schuurman de eerste studente die toegang kreeg tot de Universiteit van Utrecht en, wellicht nog belangrijker, ze was de eerste studente die voor vol werd aangezien (Van Beek 2004: 7). De professoren, docenten en studenten waren allen van het mannelijke geslacht dus Van Schuurman was een bijzondere verschijning. Het feit dat zij een vrouw was, had ook nadelen. Zo werd zij volledig geïsoleerd achter een schot geplaatst bij de openbare colleges. Toch was het voor Van Schuurman belangrijk om colleges te volgen en kennis op te doen. Die kon zij gebruiken in haar werken. Haar toelating tot de universiteit had als gevolg dat zij veel in contact kwam met buitenlandse geleerden (Van Beek 2004: 57). Deze buitenlandse geleerden trokken Europa door op zoek naar kennis, cultuur en avontuur (Van Beek 2004: 172). Ook de Universiteit van Utrecht viel binnen hun route en zo kwamen ze in contact met Van Schuurman. Wanneer zij weer verder gingen met hun reis binnen Europa werd er door middel van brieven contact gehouden. Dat Van Schuurman naast het werk in het Nederlands, ook in het Frans, Duits en Latijn schreef was een voordeel voor het onderhouden van deze contacten. In het geval van Van Schuurman speelt ook de overlevering een belangrijke rol. Van de werken die overgeleverd zijn, is het merendeel in het Nederlands en het Latijn geschreven. Van het Duits zijn er slechts twee knipsels overgeleverd (Van Beek 2004: 37). De gedichten die niet in het Nederlands werden geschreven hadden in de ogen van veel vooraanstaande zeventiende-eeuwers meer gewicht. De werken die ze schreef in het Latijn waren bedoeld voor de internationale geleerdenwereld. Deze bevatten veel mythologische beeldspraak. Latijn was in die periode de taal van de wetenschap met een hoge status en daarnaast was het de taal van publicatie. In haar Nederlandse werken richt zij zich tot medegelovigen en vermijdt ze juist de klassieke elementen. omdat die niet van belang zijn voor het lezerspubliek (Van Beek 1992: 83-84). Het werk dat Van Schuurman schreef werd tijdens haar leven niet gebundeld of verspreid. De werken bleven in het oorspronkelijke manuscript circuleren binnen haar kennissenkring of werden in het werk van andere schrijvers gepubliceerd. Voor de zeventiende eeuw was dit geen ongebruikelijke methode, zowel voor mannen als vrouwen. Pas in de tweede helft van de zeventiende eeuw gingen vrouwen werk publiceren dat ook andere onderwerpen bevatte dan alleen de godsdienst (Van Beek 2004: 38). De werken die Van Schuurman schreef in het Frans en Latijn werden wel gepubliceerd. Haar publiek bestond uit geleerde vakgenoten. In het geval van Van Schuurman bestaat haar kennissenkring uit vele bekende schrijfsters. Zo is bekend dat ze in brieven contact onderhield met Anna Roemers Visscher, Anna de Mercier en Charlotte de Huybert (Van Beek 2004: ). 52

53 Dat het werk van Van Schuurman tijdens haar leven niet gedrukt werd, zorgt ervoor dat de overlevering niet eenvoudig was. Dankzij de overlevering van de Eucleria, haar autobiografie werd er voor de huidige wetenschapper veel duidelijk. Het gebruik van de term autobiografie, is feitelijk niet juist voor de zeventiende eeuw. Men kende de autobiografie nog niet als dusdanig, maar de stijl van Van Schuurman was er duidelijk in te herkennen. De stijl van Van Schuurman kenmerkt zich door een Catsiaanse dreun, vernoemd naar tijdgenoot Jacob Cats. Deze stijl kenmerkt zich door paarsgewijs rijmende verzen en een zeer regelmatig alexandrijn. Thema s als de strijd tussen het vlees en de geest en de waarschuwingen tegen schijnchristenen keren steeds terug in haar werken (Van Beek 1992: 82). Ondanks dat de werken van Maria van Schuurman controversieel waren voor haar tijd, wilde zij daar niet mee de barricade op. Haar toon was bescheiden en ze wilde geen ophef maken (Bouwman 1996: 10). De invloed van Van Schuurman op het literaire veld zal net zo worden geanalyseerd als de voorgaande schrijfsters. Haar invloed op de materiële productie was net zoals in alle voorgaande gevallen aanwezig. Van Schuurman was een vrouw die al in het begin van haar leven van dichten en schrijven hield. Met betrekking tot de materiële productie van Van Schuurman heeft zij vele werken geschreven. Zowel in het Frans, Nederlands en Latijn was zij actief. Ook Van Schuurman had geen literair uitgever aan haar zijde, die ervoor kon zorgen dat haar werken een groot publiek bereikten. Van Schuurman was aangewezen op haar netwerk. Met betrekking tot de distributie van haar werken lag het in het geval van Van Schuurman anders dan bijvoorbeeld bij Tesselschade. De werken die Van Schuurman schreef waren mede doordat zij ze in het Latijn produceerde, interessant voor universiteiten en het buitenland. Van Schuurman, zelf de eerste vrouwelijke studente aan een universiteit, vond haar werken terug in de universiteitsbibliotheken. Voor een vrouw was dit een grote stap. Openbare bibliotheken waren er nog steeds niet. Het schrijven in Latijn zorgde direct ook voor een beperking. Deze werken waren minder interessant voor de burgers. De werken van Van Schuurman in het Nederlands, werden wel aangekocht door boekwinkels. Deze werken hadden een breder publiek. De boekenclub in de zeventiende eeuw, is zoals eerder gezegd, niet meer dan een groep mensen die elkaars werk lezen en beoordelen. Zo ook in het geval van Van Schuurman. In een groot aantal brieven tussen verschillende vooraanstaande personen in de Republiek is zij het onderwerp van gesprek. Belangrijke dichters en auteurs vragen haar om haar mening en haar kritiek wordt ook gerespecteerd en hoog gewaardeerd. Dit geeft aan dat men veel vertrouwen had in haar deskundigheid. Hier zijn de mannen die een band hebben met Van Schuurman zich goed van bewust. Zij schrijven meermaals wat er met de carrière van Van Schuurman had kunnen gebeuren mocht zij een man zijn geweest. 53

54 Dit neemt echter niet weg dat haar bewonderaars haar kwaliteit van schrijven gelijkstellen met die van een man. Dit was voor Van Schuurman een groot compliment (Sneller 1992: ). Met betrekking tot de symbolische productie is Van Schuurman net als Tesselschade, ondergeschikt aan haar mannelijke tijdgenoten. Huygens, Hooft en Vondel komen in het onderwijs veel vaker aan bod dan Van Schuurman. Dat neemt niet weg dat haar invloed op de maatschappij van grote waarde is geweest. Ze werd als voorbeeld gehouden en werd voor veel vrouwen een bron van inspiratie (Van Beek 2004: 149). Van Schuurman zou gezien kunnen worden als een feministe avant la lettre. Tot in de twintigste eeuw werd zij herdacht. In 1978 werd haar driehonderdste sterfdag aangegrepen om haar werk onder de aandacht te brengen van een groter publiek. In ditzelfde jaar werd de Eucleria opnieuw gedrukt (De Baar en Rang 1992: 25). Dit geeft aan dat driehonderd jaar na dato Van Schuurman met haar gedachtegoed vele mensen prikkelt. Een schrijfster die ook prikkelt is de mystieke schrijfster Maria Petyt, een tijdgenoot van Van Schuurman. Zij komt in de volgende paragraaf aan bod. 3.7 Maria Petyt Soms zijn het externe factoren die het mystici moeilijk maken te schrijven: van de Vlaamse Maria Petyt is bekend dat zij door slechte ogen problemen had met lezen en schrijven en daarom uit de grote kloosterordes was geweerd; desondanks is deze begijn tot een groot schrijfster uitgegroeid. Het vakgebied waar zij zich in bevond zijn de zogenaamde mystieke werken. Mystieke geschriften hebben vaak een complexe ontstaansgeschiedenis. De teksten gaan terug op diepe ervaringen die moeilijk in woorden te vangen zijn. Petyt is een aangename uitzondering. Het leven van Petyt is op het eerste gezicht een sober en eenvoudig leven geweest. Zij werd geboren uit een zeer welgestelde koopmansfamilie (Deblaere 1962: 23). Zij heeft gedurende haar leven op verschillende plaatsen verschillende mensen ontmoet die haar inspireerden. In haar leven is zij twee keer verhuisd om uiteindelijk in Mechelen terecht te komen. Tijdens die verhuizingen wisselde ze ook van de ene literaire kring naar de andere. Door deze wisseling heeft zij een grote hoeveelheid woordmateriaal opgedaan (Merlier 1976: 13). Met haar elfde levensjaar wordt Petyt door haar moeder in een klooster geplaatst waar zij voor het eerst in aanraking komt met God op een pure en intense wijze. Het deert haar nog niet veel op die leeftijd en na de verhuizing naar Poperinge leest zij liever romans op zondag dan dat ze mee gaat naar de kerk (Deblaere 1962: 14-15). In deze zelfde periode zet zij zich af tegen haar ouders en de godsdienstige tradities. Haar leven en haar belangstelling was voornamelijk gefixeerd op de simpele aspecten van het dagelijkse leven en Petyt leidde het leven van een normale adolescent in de Gouden Eeuw. Tot het moment dat zij vanuit het niets een sterk religieuze belevenis ervoer die haar nooit meer los zou laten. 54

55 Dit had tot gevolg dat ze zich al snel begon af te zonderen voor de buitenwereld en voor haar familie. Ze beperkte haar sociale verplichtingen tot het minimale en leerde mediteren (Deblaere 1962: 27-28). Uiteindelijk krijgt zij de vereiste toestemming om haar roeping te volgen. Ondanks dat zij zelf er van overtuigd is dat het kloosterleven het leven is dat zij wil leiden, is zij beschaamd om het thuis aan te kondigen. Haar moeder steunde haar echter in dit besluit en kwam alleen vrij snel te overlijden na de intrede van Maria in het klooster. In het begijnhof waar zij later woonde, kreeg zij de gedachte om haar belevenissen op papier te zetten (Deblaere 1962: 28-29). Veel van de literatuur die in die periode is verschenen behandelt een van de grootste thema s, de ontmoeting met een mens in het geheim der menselijke liefde. Met betrekking tot de mystieke literatuur houdt dit in dat de ontmoeting met de mens in dit geval God is. Zonder deze God kunnen zij niet meer leven (Deblaere 1962: 37). Petyt beschikt over een zeer uitgebreide woordenschat. Zij heeft gedurende haar leven een grote hoeveelheid boeken versleten. De stijl van Petyt kenmerkt zich door lange zinnen die ondanks hun lengte een eenvoudige structuur hebben. Door middel van haar woordenschat probeert ze hetgeen zij bedoelt, zo precieus mogelijk weer te geven. Haar stijl hangt nauw samen met het onderwerp dat zij beschrijft. Petyt is onzeker over de draagwijdte van haar ervaringen en ze is niet literair geschoold, dus ze twijfelt aan haat eigen capaciteiten. Het onderwerp, de beschrijvingen van haar ontmoetingen met God, vormen de basis voor haar werk. Ondanks dat dit een abstract onderwerp is, verliest Petyt de realiteit niet uit het oog. Petyt bezit de gave om in een werk de sfeer van een situatie zodanig te scheppen dat de lezer zich verbonden voelt met Maria zelf. Een voorbeeld hiervan, overgenomen uit Merlier (1976) is te vinden wanneer tijdens haar laatste ziekbed alle bijverschijnselen der mystiek zijn verdwenen. kerme sy godtvruchtelijck, segghende, waer zijn nu alle mijn voorgaende verlichtinghen, ende Goddelijcke bewerkinghen! die alleen, seyde sy, kan ick nog doen, te weten, mijn ghemoet met mijnen Beminden vereenight houden. In dit kleine fragment is duidelijk te voelen hoe Petyt daar geleden moet hebben. Ze trekt het Goddelijke in twijfel, want dat is er niet nu zij het zo hard nodig heeft. En ze schrijft op een directe wijze wat zij gevoeld heeft. Deze directheid is een tweede kenmerk van de stijl van Petyt. Deze directheid verhoogt de levendigheid van haar werken in zeer grote mate. Ondanks deze directe stijl maakt Petyt veelvuldig gebruik van stijlmiddelen zoals de vergelijking. Door deze vergelijkingen blijven het stijlprocedé en haar innerlijke beleving elkaar dekken. Beeld en beleving vormen een hechte eenheid in haar werk (Merlier 1976: 12-16). 55

56 Deze stijlkenmerken zijn voor de Gouden eeuw de kenmerken van de barokke traditie. Barok is afkomstig van het Portugese woord barocco. In de zestiende eeuw werd de term gebruikt om een ingewikkelde gedachtegang aan te duiden. Pas in de tweede helft van de achttiende eeuw werd het woord op de beeldende kunst en de schilderkunst toegepast (Kitson 1996: 8). Met betrekking tot de poëzie en de literatuur was de invloed in het begin van de zeventiende eeuw in de Nederlandse literatuur nauwelijks zichtbaar. Toen de barok in opmars kwam was Amsterdam een stad met groeiend prestige en een groeiend inwonersaantal. De schilderkunst had in de zeventiende eeuw een grote vlucht genomen die meesters zoals Rembrandt en Ruisdael voortbracht (Skrine 1978: 10). In de Nederlandse letteren kwam Vondel voort uit een barokke traditie. Met zijn gedicht lof der zeevaart maakte hij één van de grootste gedichten die voorkwam in het barokke Europa. Het heeft een groot gevoel voor ritme, sfeer, aandacht voor kleine details en aandacht voor beeld en beweging, typische kenmerken van de Barok (Skrine 1978: 78). Ook Petyt schreef volgens een aantal van deze principes. Hierbij moet gezegd worden dat de principes van de barokke traditie niet anders waren in de verschillende landen. Petyt schreef, als Vlaamse schrijver ook volgens een aantal van deze kenmerken. Maar bovenal was zij toch meer een mystieke schrijfster dan een barokke. Het doel van Petyt en haar werken was zichzelf verdedigen. Petyt schrijft haar passieve ervaringen, iets om anderen te winnen voor haar religie, maar alleen voor haar geestelijk leidsman. De leidsman kon dan haar toestand herkennen en erover oordelen. Deze literatuur heeft een didactische inslag en wil stichten. Petyt wil met haar werken enkel een objectieve beschrijving geven. In haar werk brengt Petyt twee mystieke richtingen bij elkaar. Ze brengt de oude Nederlandse traditie tot een nieuw hoogtepunt en deze laat ze samensmelten met de Spaanse mystiek (Deblaere 1962: 11-12). De geschriften van Petyt werden voor het eerst in een levensverhaal neergezet door haar geestelijke leidsman Michaël a S. Augustino (Merlier 1976: 5). Deze man zorgde er ook voor dat Jezus zo n grote plaats heeft ingenomen in het gebedsleven van Petyt. In de periode dat hij tot prior is benoemd in Mechelen zoekt Petyt hem op. Ze wil hem raadplegen over haar voornemen tot levensverstrenging. Hij moedigt Petyt hierin aan en een nieuwe periode in het leven van Petyt vangt aan. Ze krijgt een meer georganiseerd leven met om zich heen een klein groepje geestverwanten. Dit selecte gezelschap was ook het lezerspubliek van de werken van Petyt (Deblaere 1962: 33-34). Voor de zeventiende eeuw is het sociale netwerk één van de meest gekozen manieren om een werk te verspreiden. Zowel bij Van Schuurman als bij Tesselschade Roemers Visschers speelt het sociale netwerk een grote rol. Bij Petyt is er ook sprake van een onmisbaar groepje personen. De werken van Petyt werden niet groots verspreid buiten de muren van haar klooster. 56

57 De reden hiervoor is wellicht het onderwerp. Het beschrijven van mystieke ervaringen was voor een aantal mensen die niet religieus waren, misschien minder interessant, voor haar medezusters in het klooster was het een werk waar zij veel bewondering voor hadden. Door een ontmoeting te hebben met het Goddelijke dacht men dat je hoger in aanzien zou komen. De invloed van Petyt op het literaire veld is kleinschalig. De voornaamste reden is het onderwerp van haar boeken, zoals dat bij Bake bijvoorbeeld ook zichtbaar was. Een invloed op de materiële productie is uiteraard aanwezig. Petyt was een schrijfster die sterk afhankelijk was van haar omgeving. Zoals dat ook eerder het geval was bij de behandelde schrijfsters. In het geval van Petyt waren dat haar mede-zusters. Dit heeft grote invloed op de distributie van de werken van Petyt. In de boekhandel kwamen de werken van Petyt niet in losse bladen voor. Dit had wederom voornamelijk te maken met het onderwerp. Ditzelfde gold voor de bibliotheken. De teksten van Petyt waren gebaseerd op eigen ervaringen, welke zodoende geen wetenschappelijke inhoud kregen. Dit zorgde ervoor dat ze niet in aanmerking kwamen om opgenomen te worden in de universiteitsbibliotheken. Dan tot slot de invloed van Petyt op de symbolische productie. Binnen de literatuurlessen in het huidige onderwijs is de kans klein dat men aandacht schenkt aan Petyt. Niet alleen haar onderwerpen, maar ook het feit dat zij actief was in een tijd die vele grootheden heeft voortgebracht, maken het er voor Petyt niet makkelijker op. Naast een geringe invloed op de literatuur heeft Petyt ook geen grote invloed gehad op het sociale leven, zoals bijvoorbeeld Van Schuurman dat had. Haar genre en haar levensloop hebben niet genoeg mensen kunnen bekoren om uit te groeien tot een voorbeeld voor de vrouw of een bijzonder getalenteerd schrijfster. Desalniettemin mag Petyt niet ontbreken wanneer schrijfsters van de Gouden Eeuw worden beschreven. Haar schrijfstijl sprak tot de verbeelding en de stijl en woordkeus waren voor veel mensen begrijpelijk. Tot slot in dit hoofdstuk, het literaire veld van de zeventiende eeuw. 3.8 Het literaire veld van de zeventiende eeuw In vergelijking met de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd zijn er een aantal verschillen aan te wijzen. Om te beginnen met de eerste stap binnen het literaire veld de productie. Van de zeventiende eeuw is het bekend dat deze eeuw een aantal grote schrijvers heeft voortgebracht. De materiële productie was dus aardig op gang gekomen en er waren een flink aantal meer schrijvers dan voorheen. Deze schrijvers traden ook naar buiten, wat een groot verschil was met de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. Om naar buiten te kunnen treden hadden deze schrijvers uitgeverijen nodig. In de zeventiende eeuw is er een grote groei te constateren bij het uitgeversbedrijf. Er verschenen steeds meer teksten in druk, dit had een positieve invloed had op de grootte van het lezerspubliek. 57

58 In vergelijking met de invulling van het literaire veld van de Middeleeuwen is er op het gebied van de distributie een groot verschil op te merken. Zowel met de boekhandel, als de boekenclub en de bibliotheken. In de zeventiende eeuw werden de boeken toegankelijk voor de gewone burger dankzij de marskramers en de venters. Dit waren rondtrekkende boekwinkeltjes die goedkope uitgaven en volksboekjes verkochten. Naast de venters bestonden er ook boekhandels. Deze waren echter enkel toegankelijk voor de meer welgestelde delen van de bevolking. In deze winkels kocht men geen compleet afgewerkte werken, maar vaak losbladige delen. De boekenclub zoals wij die vandaag de dag kennen is nog niet aanwezig in de zeventiende eeuw, maar men had toen wel zogeheten rederijkerskamers. Deze rederijkerskamers waren gezelschappen die literatuur en toneel met elkaar bespraken en elkaars werk lazen. Dit is dus wel een vorm van een club, men moest ook echt lid worden van de rederijkerskamers. De leden van deze kamers gaven ook kritiek op werken die door andere leden waren geschreven. Van echte literatuurkritieken in kranten en tijdschriften was dus nog geen sprake, maar binnen zulke letterkundige genootschappen waren er wel critici aanwezig. Net als in de voorgaande eeuw, was er in de zeventiende nog geen sprake van openbare bibliotheken. Wel was er sprake van universiteitsbibliotheken. Deze waren dus niet vrij te bezoeken voor normale burgers en ook voor de studenten en professoren waren er een hoop beperkingen. Zo mochten de boeken niet de bibliotheek verlaten en waren veel van de werken niet relevant voor bepaalde studies. Tot slot de derde categorie. De symbolische productie. In de zeventiende eeuw is de oprichting van de Latijnse school belangrijk in het kader van deze scriptie. Zoals te zien is in het schema is het onderdeel literatuuronderwijs groen gekleurd. Deze nieuwe vorm van onderwijs had een grote literaire inslag, die voornamelijk kwam door de oprichters van het onderwijs: de Humanisten. Hierbinnen had de literatuur een hoog aanzien omdat men literatuur zeer belangrijk en bijzonder vond. Literatuuronderwijs was dus bedoeld om de leerlingen kennis te laten maken met de invloed van de Klassieken. Zoals al eerder aangegeven is, bestonden de journalistieke literatuurkritiek nog niet in de zeventiende eeuw, evenals de literaire tijdschriften, wel werd er binnen genootschappen kritiek geleverd op elkaars werken. Het lezerspubliek in de zeventiende eeuw was een mix van alle lagen van de bevolking. Doordat veel boeken werden geschreven in de volkstaal breidde het mogelijke lezerspubliek uit. Toch is er een scheiding aan te brengen in de lezers. De mensen met een betere opleiding lazen vaak wetenschappelijke werken, omdat zij het Latijn machtig waren, en richtten zich tot de Klassieken. De mensen uit een lager niveau lieten zich de volksboekjes zeer goed bekoren. Uiteraard waren er ook mensen die niet konden lezen. In vergelijking met de Middeleeuwen was er nog steeds een groep ongeletterde mensen. Deze groep was weliswaar aan het slinken, toch kon niet iedereen lezen. 58

59 Dit zou feitelijk niet veranderen tot de invoering van de leerplicht. Tot die tijd moest men zelf leren lezen, wat een hele klus bleek te zijn. Hieronder tot slot alle mogelijkheden in het schema op een rij. BEROEPSORG: ADVIES: SUBSIDIE: VVL RvdK FvdL SCHRIJVERS MATERIELE PRODUCTIE LITERAIR TIJDSCHRIFT LITERAIRE UITGEVERS VBB KNUB NBB DISTRIBUTIE BOEKHANDEL BOEKENCLUB OPENBARE BIBLIOTHEEK S S S S SYMBOLISCHE PRODUCTIE LITERATUURKRITIEK - JOURNALISTIEK - ESSAYISTISCH - ACADEMISCH LIT ONDERWIJS - HAVO/VWO - UNIVERSITEIT/HBO LEZERSPUBLIEK NIET-LEZERS Niet aanwezig Wel aanwezig Behoeft nadere uitleg 59

60 Conclusie Hoofdstuk 3 De Gouden Eeuw was een eeuw van verandering, vernieuwing en een eeuw waarin vele talenten in de literaire wereld zijn ontstaan. Schrijver als beroep bestond nog niet, het was voor velen vaak een hobby naast hun betaalde baan. De literaire wereld stond in het teken van het nabootsen en overtreffen van eerdere literaire hoogtepunten. Door dit principe was het literaire klimaat in Nederland niet erg vernieuwend en het leverde een splitsing op in het lezerspubliek. Er was duidelijk een onderscheid tussen de geleerde lezers en het gewone volk. De boeken moesten echter wel gedrukt worden. Dit gebeurde in vergelijking met de Middeleeuwen op een eenvoudigere wijze. Het drukken van een werk was nog steeds een tijdrovend proces, maar door het ontstaan van kleinschalige uitgeverijen was het denkbaar dat een geschreven werk ook buiten het sociale netwerk van de auteur terecht kwam. De nieuwe middelen zorgden niet voor een vrijer beleid. Ambtenaren en leden van de Staten-Generaal waren bevoegd om werken te verbieden. Dit gebeurde vaak op basis van de inhoud of op basis van de auteur. Vrouwen werden hier niet direct de dupe van. Op de index van verboden boeken staan geen werken van vrouwen. Het was als vrouw niet gepast om in de openbaarheid te treden met je mening waardoor het uitbrengen van een werk vrijwel ondenkbaar was. Vrouwen gingen omwegen verzinnen om hun ideeën toch naar buiten te brengen. Drie toonaangevende schrijfsters die in de zeventiende eeuw de bekendheid hebben gehaald waren Maria Tesselschade Roemers Visscher, Anna Maria van Schuurman en Maria Petyt. De eerste twee hebben hun bekendheid voornamelijk verworven met nevenactiviteiten naast het schrijven. De vader van Tesselschade liet zijn dochter vrij om zich kunstzinnig te ontwikkelen. Haar werken circuleerden voornamelijk binnen haar eigen netwerk. Ze werd gezien als het ultieme voorbeeld van een deugdzame vrouw. Van Schuurman werd bekend als eerste vrouwelijke studente. Een bijzondere gebeurtenis in een wereld waar mannen de boventoon voerden. Zij schreef haar werken in de taal van de weenschap, Latijn. Dit zorgde ervoor dat haar lezerspubliek selectief was, maar zij genoot hierdoor bekendheid in het buitenland. Ook na haar dood werden werken van haar uitgegeven, wat zeer bijzonder was. Petyt was een vrouw die vanwege haar religieuze inhoud van werken en haar kenmerkende stijl bekend was in de Gouden Eeuw. Haar werken werden vooral verspreid binnen het klooster vanwege die religieuze inhoud. Haar invloed was dus kleiner dan die van de vorige twee vrouwen, maar binnen het klooster groot. In het volgende hoofdstuk komt de Verlichting aan bod. Hoe zijn de mogelijkheden voor vrouwen daar. Zijn die veranderd in vergelijking met de zeventiende eeuw, of hebben zij het nog steeds moeilijk? 60

61 4.Verlichting in de literaire wereld 4.1 De overstap naar ratio en rede In de late middeleeuwen en het begin van de nieuwe tijd, zo rond 1650, was de westerse beschaving voor een groot deel gebaseerd op een gemeenschappelijke grondslag van geloof traditie en gezag. Na 1650 werd alles ter discussie gesteld in het licht van de filosofie en rede. Al het bestaande werd bekritiseerd, aangevallen en vervangen door scherp afwijkende concepten. Waar men eerst standaard alles terugbracht tot het geloof, ontwikkelde zich na 1650 een proces van secularisatie en rationalisatie dat in snel tempo de eeuwenoude tradities van de hegemonie omverwierp. De meeste mensen uit de bevolking waren zeer angstig voor de gevolgen die dit met zich mee zou brengen. De uitbarsting van het radicaal denken zorgde voor angst. De radicale Verlichting verwierp elk compromis met het verleden en probeerde bestaande structuren geheel weg te vagen (Israel 2001: 17-22). De Verlichting is een onmisbaar deel van de geschiedenis om de invloed van vrouwelijke schrijfsters op het literaire veld te kunnen onderzoeken. De Verlichting, die duurde van , komt in deze paragraaf aan bod waarbij de grenzen van de achttiende eeuw dus voor een deel vervagen en worden overschreden. De Verlichting is een bijzondere tijd. Gedurende deze geestelijke beweging wordt de nadruk gelegd op de mogelijkheid tot het creëren van een volmaakte burger, met behulp van de rede (Zwager 1972: 5). De Verlichting was een beweging voor en door de burgerij. Het gewone volk begon echter al snel te beseffen dat het meer was dan een marionettenpop van de burgerij. Door dit besef ontstond er een beweging die zorgde voor veranderingen in het kiesstelsel en in de toenmalige staatsvorm. Voor deze revolutie waren de sociale lagen in de Verlichting strikt gescheiden in vier groepen: Stadhouder-adel-burgerij-volk. Het volk begon zich na het inzicht over de in hun ogen scheve verhouding, te ontwikkelen tot een individu. Men deed meer aan zelfspiegeling in die periode. Dit zien we ook terug in de literatuur van die tijd. Weliswaar in iets minder letterlijke zin. Veel burgers schreven dagboeken, levensherinneringen en autobiografieën. Deze periode van zelfspiegeling kwam niet geheel uit de lucht vallen. In de zestiende en zeventiende eeuw was zelfspiegeling vooral voorbehouden aan gelovige mensen. Gedurende de Verlichting was het ook voorbehouden aan het gewone volk. De revolutie kwam de burger ten goede. Er werden een aantal kenmerkende wijzigingen doorgevoerd die duidelijk zichtbaar waren in de maatschappij. Eén van de sectoren waar de veranderingen zichtbaar waren, was het onderwijs. Er werden klassen ingesteld die ervoor zouden moeten zorgen dat de kinderen beter onderwijs kregen. 61

62 Waar het onderwijs in de Middeleeuwen en de Gouden Eeuw voornamelijk door jongens werd genoten, zien we in de achttiende eeuw dat sommige meisjes hun intrede doen in het onderwijs (Stouten 1984: 2-7). Een tweede gevolg van de nieuwe denkbeelden die heersten in de maatschappij was dat de natuurwetenschappen en de toegepaste wetenschappen, waar ook voornamelijk mannen actief in waren, naar elkaar toe groeiden. Dit leidde ertoe dat men kennis met elkaar kon delen die beide partijen ten goede kwam. Deze uitwisseling van kennis vond vaak plaats in een genootschap. 4.2 Genootschappen in de Verlichting Deze genootschappen, veelal bestaand uit mannelijke intellectuelen, hadden als doel de voortgang van theoretische en toegepaste kennis intact te houden. Dit gebeurde door middel van voordrachten, maar men organiseerde ook prijsvragen en schreef verhandelingen (Janssen 1982: 39). Nil Volentibus Arduum, opgericht halverwege de zeventiende eeuw, is waarschijnlijk het meest bekende genootschap. Zulke gezelschappen stelden regels op, zodat men als burger, ook hier ware het voornamelijk mannen, het talent in zichzelf kon ontplooien en ook een dichter kon worden (Stouten 1984: 7-8). Deze regels waren een onderdeel van een drietal basisprincipes. Dit waren: de eenheid van handeling, waarschijnlijkheid en hartstochtelijkheid. Deze principes waren vooral bedoeld voor toneelstukken, maar konden ook gebruikt worden in de literatuur. Het feit dat zulke genootschappen gedurende de Verlichting in opkomst waren, is geen verrassing. Gedurende deze periode van vernieuwing, waren de genootschappen een manier om Verlichtingsidealen te verspreiden. Vergeleken met hun zestiende- en zeventiende-eeuwse voorgangers, ontwikkelde de genootschappen zich in de achttiende eeuw explosief en waren ze zeer populair. Tussen 750 en 1800 waren er zestig letterkundige genootschappen in de Republiek. Er waren verschillende soorten genootschappen. Er bestonden intieme vriendenclubjes met bijvoorbeeld vier leden, maar er waren ook landelijke genootschappen die ongeveer honderd leden hadden. Niet alleen was er een behoefte aan samen zijn, maar er was ook een behoefte aanwezig bij de mensen om zich tot dichter of redenaar te ontwikkelen. Niet iedereen kon lid worden van een genootschap. Ook hier liepen de vrouwen tegen een beperking aan. Dit komt later nog aan bod. De leden van een genootschap werden geacht zich in dienst te stellen van het welzijn van het vaderland. Het genootschaps-denken zou je dus een ideologie kunnen noemen, veel literaire adviezen bijvoorbeeld weerspiegelden een ideaal. Het feit dat eerder in deze paragraaf wordt besproken over , wil niet zeggen dat er voor of na deze periode geen genootschappen waren (De Vries 2001: 7-13). 62

63 In de Middeleeuwen en de zeventiende eeuw spreekt men vaak van rederijkerskamers. De gemene deler onder de verschillende leesgezelschappen in de Republiek is de aandacht voor poëzie en literatuur. Aandacht voor toneel had het toneelgenootschap. Daarnaast lieten de genootschappen zich allemaal geregeld zien in kranten, tijdschriften en pamfletten. Ze schreven vaak prijsvragen uit, om de burger kennis te laten maken met het desbetreffende genootschap (De Vries 2001: 13-14). Hoe kwam het in de achttiende eeuw echter dat men genootschappen op ging richten? De meeste genootschappen in Nederland zijn ontstaan na een gevoel van onvrede. Men was ontevreden over de positie van de dichtkunst, men was er zeker van dat het verval reeds had ingezet. Naast het verval, merkte men ook op dat er weinig vooruitgang zat in de Nederlandse dichtkunst. Een criterium dat bij de leden van de achttiende-eeuwse genootschappen hoog in het vaandel stond. Na de grootheden zoals Vondel en Hooft uit de zeventiende eeuw snakte men naar dichters met talent. Alle kritiek op het verval van de poëzie leidde tot een periode van bezinning en reflectie. Daarnaast richtte men genootschappen op, die iets aan de situatie zouden kunnen doen. Om het verval van de poëzie tegen te gaan sloegen de genootschappen de handen ineen. Ook hier waren ze het weer met elkaar eens, de nieuwe poëzie moest nuttig zijn. Dit had mede te maken met het feit dat poëzie in de jaren ervoor altijd verdedigd moest worden. De dichtgenootschappen moesten zich elke keer verantwoorden. In de tweede helft van de achttiende eeuw werd de poëzie steeds populairder en hoefde de genootschappen zich niet meer te verdedigen. De genootschappen wilden ervoor zorgen dat gedichten niet alleen door de elite zouden worden gelezen. Bij het zoeken naar nuttige voorbeelden greep men vaak terug op oude werken. Het teruggrijpen op de Franse classicistische werken was uit pure nood, omdat er geen Nederlandse voorbeelden waren. Een tweede overeenkomst tussen alle genootschappen is de waarde die men hecht aan de zogenaamde beschaving. Men was van mening dat dit proces op verschillende niveaus kon worden gestuurd. Naast het feit dat men de Nederlandse taal wilde beschaven, had de term ook een brede maatschappelijke betekenis. Beschaven moest leiden tot vooruitgang in kennis, in zeden en in de culturele ontwikkeling van de Nederlandse burger. Het was dus een fundamentele term die verbetering en vervolmaking van de maatschappij veronderstelde. De genootschappen waren het erover eens dat literatuur het meest zou bijdragen aan beschaving. Ondanks dat de genootschappen dus een aantal gemeenschappelijke delers hebben, was er tussen de verschillende genootschappen geen of weinig contact. De grootste gemeenschappelijke deler is die van de thema s. Hierbij is het thema beschaven koploper. Bij alle genootschappen stond dit thema hoog in aanzien. Hierbij is het belangrijk om te vermelden dat het een vaderlands ideaal is. Niet alleen door middel van hun letterkundige werken, maar ook door andere initiatieven hebben de genootschappen geprobeerd om de vaderlandse poëzie te doen herleven (De Vries 2001: 17-36). 63

64 Deze initiatieven, waaronder het fysiek eren van een vaderlandse dichter door hem een grafsteen te doen toekomen, zorgden ervoor dat de literaire actie een nationaal karakter kreeg. De emancipatie van de Nederlandse literatuur ging gelijk op met de creatie van een nieuw nationaal besef (De Vries 2001: 36). Nu duidelijk is wat de beweegredenen waren van de genootschappen voor de literatuur en waar die genootschappen zich mee bezig hielden zal er nu gekeken worden waarom men lid werd van een genootschap. Leden van een genootschap hoefden niet per definitie de ambitie te hebben om zelf te gaan schrijven. Die lazen dan alleen vaak de werken van anderen. Binnen het genootschap schreven de meeste mensen voor de roem, voor de eigen glorie. Binnen een genootschap kon dit eigenlijk niet, omdat je als genootschap één was. Toch begon men steeds meer te zien dat mensen zich onafhankelijk van elkaar begonnen toe te leggen op het schrijven van werken. Het vergaren van roem en het schrijverschap is een onafscheidelijke combinatie die sinds de Oudheid al bestaat. Binnen een genootschap was dus eigenlijk geen plaats voor individuele ambitie. Waarom sloot men zich dan toch aan bij een genootschap? De meeste eenvoudige dichters konden leven van het schrijven hun gedichten. Deze dichters verdienden wel kleine bedragen met hun gedichten maar wilden op den duur meer. Men verkeerde in de veronderstelling dat dit zou veranderen door het lidmaatschap van een genootschap. In de praktijk kwam men echter vaak bedrogen uit. De genootschapsdichter publiceerde te weinig en de stijl was vaak te elitair om een groot publiek te kunnen bereiken. Ondanks dat het misschien geen grote glorie opleverde, was het voor de minder daadkrachtige dichters vaak wel een manier om hun sociale positie te verbeteren. De genootschapsleden speelden handig in op de eerzucht onder de dichters. Zij speelden in op de ambities van de leden, in de hoop dat zij aan het werk zouden blijven om de voortgang van hun genootschap te waarborgen. Dé manier om dit te doen was door middel van het uitschrijven van prijsvragen, zo leek. Deze zouden de werklust en de eerzucht van de dichters sterk aanwakkeren, waar het genootschap weer van profiteerde. Winnaars van de prijsvraag zouden met naam en toenaam in de krant komen te staan en hun werk zou worden gepubliceerd. Voor aankomende talenten wanhopig op zoek naar roem, was dit vaak een buitenkans. Niet alle inzendingen werden goedgekeurd. Om de klasse en stijl van de genootschapen te bewaken werd er een bestuur aangesteld dat er voor moest zorgen dat het prestige intact zou blijven. Bij de genootschappen kreeg men in de achttiende eeuw een sterke interesse voor dichttheoretische regels. De reden hiervoor vinden we terug na de oprichting van Nil Volentibus Arduum. Dit genootschap zorgde voor een eruptie van literair-historische teksten tussen 1689 en Na deze vruchtbare jaren, kwam er een schaarste in originele Nederlandse traktaten (De Vries 2001: 36-43). In de roemruchte periode van Nil Volentibuus Arduum ontstond er een aantal rotsvaste uitgangspunten waaraan de literatuur moest voldoen. 64

65 Men zag literatuur als een wetenschap en er ontstond een ideaal om de literatuur uit die tijd theoretisch te onderbouwen. Nadat deze idealen bekend waren leek het mode om dichttheoretische opstellen te schrijven waar er voorheen weinig bestonden (De Vries 2001: 43). De voor- en tegenstanders van de dichtregels voerden een strijd die niet meer goed zou komen. Enerzijds was er de angst voor ongereglementeerde poëzie, anderzijds waren er regels nodig om een werk te kunnen beoordelen. De groep voorstanders was een flink stuk kleiner dan de tegenstanders van de dichtregels. Naast het feit dat een werk nuttig moest zijn, moest het ook het publiek vermaken. Men bedoelde daar niet direct humor mee, maar het is niet altijd even duidelijk wat vermaken binnen de dichtkunst betekende. Wanneer men iets vermaak noemde was dit afhankelijk van opgestelde regels. Zonder rijm, ritme en beelden, zoetvloeiend taalgebruik, kon er onmogelijk sprake zijn van vermaak, aldus de leden van genootschappen in de achttiende eeuw. Het doel van de poëzie was dat het oor van de luisteraar gestreeld moest worden, zijn hart getroffen en zijn verbeelding gevoed. Vermaak was dus meer een aanduiding voor stijl, dan dat er humor mee werd bedoeld. Vermaak stond het nuttige karakter van een tekst niet in de weg. Aan welke van de twee voorrang werd verleend, was afhankelijk van het oogmerk waarmee de poëticale tekst was geschreven. Men vergeleek de dichtkunst in de achttiende eeuw met de welsprekendheid. Vaak wordt het niet expliciet vermeld, maar vanwege het feit dat dichtkunst een zeer breed begrip is, werd het vaak in één adem genoemd. Het had een aantal redenen dat de twee disciplines, zoveel op elkaar leken dat het vaak werd gezien als één. Allereerst was zowel de welsprekendheid als de kunst van het dichten een aangeleerde gave, die men door oefenen kon perfectioneren. Daarnaast was het verval in de achttiende eeuw net zo schadelijk voor de welsprekendheid, ook al werd de aandacht vaak alleen gericht op het verval van de poëzie. Tot slot hadden ze beiden een nuttig karakter. Ook de welsprekendheid werd een maatschappelijk nut toegedicht, waarvan het al zeker was dat de dichtkunst die ook had. Toch zijn er ook verschillen tussen de twee disciplines. Voornamelijk de dichters hielden zich met deze verschillen bezig, omdat zij als een autonoom onderdeel van de kunsten wilden worden gezien. Het verschil tussen de poëzie en de welsprekendheid zat hem voornamelijk in de functie, afgezien van het nut van de teksten. Welsprekendheid was bedoeld om de mensen te overreden op politiek, religieus en zedenkundig gebied. Poëzie was bedoeld om dezelfde onderwerpen aan te kaarten, maar om de lezer te attenderen op de bovenstaande onderwerpen. Bij poëzie was geen overredingskracht aanwezig. Ondanks dat er verschillen waren tussen de verschillende disciplines, was men er zeker van dat er iets moest worden gedaan aan het literaire verval (De Vries 2001: 43-68). Het optimisme over de goede afloop, was vooral afkomstig uit de vooruitgangsgedachte, die in allerlei vormen terug te zien was in de Verlichting. 65

66 De vooruitgangsgedachte wordt als één van de wezenlijke kenmerken gezien van de Verlichtingsfilosofie (De Vries 2001: 70). Het vooruitgangsdenken vervulde twee functies. Allereerst diende het als aanmoediging voor een betere tijd. Met de term vooruitgang kon er een vorm van pressie worden uitgeoefend. Vooruitgang betekende niet per definitie vernieuwing. Door de pressie worden dichters aangespoord nieuwe dingen te creëren. Mede omdat men in de eigen tijd alleen kon putten uit de Klassieke voorbeelden. Dit druist in tegen de Verlichting en de bijbehorende standpunten. Voortbouwen op Klassieken, terwijl men juist stap voor stap naar vooruitgang wilde, werd tegenstrijdig bevonden. Toch bleef er tussen 1750 en 1800 een grote affiniteit met de Klassieken zichtbaar. De genootschappen koesterden het werk van zowel Griekse als Latijnse auteurs. De bewondering was dusdanig groot dat er gesproken kan worden van Humanisme. Het begrip Humanisme omvat het beschavende aspect zoals eerder aan bod was gekomen, maar het bevat ook de maatschappelijke betrokkenheid. Het genootschappelijke humanisme beperkte zich niet louter tot de geleerden, maar ook de minder hoogopgeleide genootschapsleden waren zeer geïnteresseerd in deze nieuwe ontwikkeling die in een niet-academische setting plaatsvond. Door deze niet-academische omgeving begonnen de burgers zich ook te interesseren voor de dichtkunst. De werken die deze mensen schreven kregen de benaming: alternatieve literatuur. Dit was een term die bedoeld was voor alle werken die niet tot de officiële literatuur behoorden. Vandaag de dag is er nog steeds een discussie gaande wat men literatuur kan noemen en wat niet. Mede daarom is er een literaire canon vastgesteld waarin werken zijn opgenomen die belangrijke literatuur zijn. Deze canon is samengesteld door een groep mensen uit verschillende disciplines binnen de wetenschap. Op die manier wordt er onder verschillende mensen een algemeen heersend oordeel geformuleerd waarop men de canon samenstelt. Deze algemene oordelen komen voort uit eigenschappen die de beoordelaar belangrijk vindt in een werk. Deze oordelen zijn dus subjectief. De termen officiële literatuur en alternatieve literatuur zijn dus geen bindende begrippen. Het waardeoordeel speelt een grote rol. Vanaf 1800 was het heersende waardeoordeel schoonheid. De schoonheid van een werk stond hoog in aanzien. Bij de huidige literatuur wordt er gekeken naar bijvoorbeeld vernieuwing. In hoeverre is het werk vernieuwend binnen de literatuur van deze eeuw, of in hoeverre het boek maatschappelijke invloed heeft. Over officiële literatuur en alternatieve literatuur valt te twisten, vandaar dat vanaf nu gesproken wordt over literatuur. Zoals eerder aan bod kwam in deze paragraaf waren de genootschappen een manier om in hoger sociaal aanzien te komen. Nu ook minder hoogopgeleide burgers konden dichten, kwam de wereld van de dichtkunst er meer divers uit te zien (Hanou 2002). Onder de hoogopgeleide deelnemers aan de dichtkunst namen dominees een grote en belangrijke plaats in. Zij waren breed ontwikkeld, en hadden de behoefte om dingen aan andere mensen over te brengen. 66

67 Maar ook de mensen die niet tot de elite behoorden konden een plaatsje veroveren binnen een genootschap. Door bijvoorbeeld aan de hand van een prijsvraag zichzelf in de kijker te spelen. Ondanks de duidelijke scheiding tussen de verschillende groepen in de bevolking, kan iedereen in aanraking komen met kunst en ook zelf beoefenaar worden. Er kwam dus een verandering binnen de kunst. Gewoon leek hierbij het kernwoord te zijn, waarbij de roman een belangrijke rol speelde. Gedurende de achttiende eeuw was er een verzet gaande tegen de roman (Stouten 1984: 38-39). Ook Hanou besteedt in zijn werk (2002) aandacht aan de plaats van de roman in de achttiende eeuw. In de achttiende eeuw was er weinig sprake van vernieuwing op het gebied van de roman. Wanneer er wel romans werden geschreven, hadden deze vaak een christelijke geïnspireerd auteur. De aversie was dan voornamelijk gebaseerd op de combinatie van politiek en literatuur die in veel romans te zien was. Als de politieke inhoud de overhand neemt, wordt het meer een politiek retorisch instrument, in plaats van een roman (Hanou 2002: 135). Een voorbeeld hiervan is de roman van Wolff & Deken: Cornelia Wildschut. Ook de tweede reden voor de weerstand die de roman opriep was van inhoudelijke aard. Men vreesde moreel verval door de alternatieve roman. Men was bang dat de lezer teveel meegesleept zou worden in de amoureuze gebeurtenissen in de werken. Met de leus: passie roept passie op, probeerde men het verschijnen van romans aan te vechten. Van passie kwam niets dan narigheid, zeker als de hoofdpersoon een goed karakter had. Dan werd de roman te geloofwaardig en zou men het leven willen leiden van de hoofdpersoon in de roman en dat zou een gevaar op kunnen leveren voor de samenleving. Het was nu een zaak voor de kunstrechters geworden. Deze besloten hen genre van de roman het voordeel van de twijfel te geven. Dit oordeel was gebaseerd op het feit dat er in Engeland een roman bestond met een deugdzame hoofdpersoon. Dit was de roman van Samuel Richardson Pamela, or virtue rewarded. Dit gaf aan dat een roman niet per definitie aanzet geeft tot slechte daden. Toen eenmaal het dappere besluit was genomen om de roman niet op morele gronden te verbieden, liet men ook het literaire argument achterwege. Een roman was dan geen genre dat in de Klassieke Oudheid ook al werd beoefend, toch waren er overeenkomsten. De klassieken schreven heldendichten, ze hadden het epos beoefend. Een roman was hiermee te vergelijken en zodoende stond niet de roman meer in de weg om uit te groeien tot één van de grootste genres van de achttiende eeuw en verder (Stouten 1984: 38-39). Naast boeken, werden ook kranten en tijdschriften in de achttiende eeuw grootschalig gedrukt (Hanou 2002: 138). Men was in het buitenland niet te spreken over de keuzes die in Nederland werden gemaakt met betrekking tot het drukken. Gresset schreef ooit Tout ce fatras de libelles pervers. Dont la Batace infecte l univers. Wat in het Nederlands betekent: De Hollander druk, wat hij drukt is om t even, als hij er de wereld maar mee kan vergeven. 67

68 De Nederlanders werden er dus van beticht niet te drukken voor de plaatselijke markt, maar om het buitenland te laten zien wat er allemaal mogelijk was (Zwager 1972: 46-48). Een belangrijk tijdschrift uit de achttiende eeuw was de Post van den Helicon dat gedrukt werd tussen 1788 en De reden dat specifiek dit blad is gekozen, heeft ermee te maken dat het een blad was dat voornamelijk literatuur behandelde. Daarnaast is het van belang, omdat het voor het eerst een vorm van literatuurkritiek behandelde. Mercurius brengt in het blad allerlei nieuwe werken naar de kunstrechter, Apollo. In het blad speelde een klassieke rechtbank een belangrijke rol, wat ertoe leidde dat veel fundamentele nieuwe werken werden afgewezen. Proza, fictie, satire en poëzie kwamen allen niet in aanmerking voor een positief oordeel van de rechtbank. Ondanks dat dit een satirische weergave is van de strijd van de nieuwe literatuur ten op zichte van de bestaande literatuur, is het een goede. Toch krijgt de zogenaamde nieuwe moderne literatuur een naam en een waarde, wat een enorme bevrijding is voor de auteurs en liefhebbers van dit genre (Hanou 2002: 139). Deze literatuur en de tijdschriften moesten gedrukt worden om de lezer eenvoudiger te kunnen bereiken. Het drukken van boeken en tijdschriften was toen nog niet zo vanzelfsprekend als vandaag de dag. In de achttiende eeuw was de boekdrukkunst ook in ontwikkeling. De reden dat de boekdrukkunst wederom wordt aangestipt is omdat er nog steeds dingen veranderden die een andere uitwerking hadden op de literatuur. 4.3 De boekdrukkunst in ontwikkeling In de zeventiende eeuw was de boekdrukkunst een aangename uitvinding na de handgeschreven manuscripten. De ontwikkeling van de boekdrukkunst startte in de zeventiende eeuw en is in de huidige eeuw nog steeds in ontwikkeling. Gedurende vele jaren werden er technieken uitgevonden die het drukken van werken vereenvoudigden. De kennis van het zetten van letters en het drukken van werken werd gedurende lange tijd in de praktijk overgegeven van generatie op generatie. Handleidingen voor het drukken van een werk waren schaars. In Engeland en Frankrijk zijn zulke typografische handleidingen echter wel gevonden. In Nederland heeft men naderhand geen typografische handleidingen kunnen traceren. Dit wil niet per definitie zeggen dat ze niet bestonden. Zoals al eerder duidelijk is geworden speelt de overlevering van werken een grote rol bij kennis over eerdere eeuwen. In Nederland zijn er twee pogingen bekend waarin getracht werd een typografische handleiding op te stellen. Dit werk is echter nooit gedrukt. Ditzelfde geldt voor de tweede poging die werd ondernomen. In 1844 komt het tot het eerste gedrukte drukkershandboek (Jansen 1982: 11-23). We zitten dan al ruim in de negentiende eeuw. Dit was bijzonder aangezien Nederland met de kunst van het drukken ver vooruit liep op de buitenlandse grootheden. Engeland en Frankrijk brachten echter eerder het eerste gedrukte werk uit, namelijk al voor

69 Een oorzaak hiervoor kan de liefde voor het ambacht zijn geweest. De mensen die dit ambacht beoefenden hadden passie voor hun vak en wilden de fijne kneepjes van het vak niet prijsgeven aan buitenlandse concurrenten. Het is goed mogelijk dat men de kennis in die tijd niet wilde drukken in een boek dat verspreid kon worden buiten de eigen landsgrenzen. De in 1784 opgerichte Maatschappij tot Nut van t Algemeen stond positief tegenover de overdracht van kennis en bracht werken uit betreffende ambacht en techniek. Deze werken dienden voor de ontwikkeling van het volk, maar veel meer dan algemene informatie bevatte deze werken niet. David Wardenaar bracht hier verandering in. In zijn werk Beschrijving der Boekdrukkunst (1801) geeft hij een uitgebreide uiteenzetting wat het drukken van een boek behelst. Hiermee wijkt hij af van eerdere werken die bestonden over het ambacht van het drukken. De achterliggende intentie komt echter overeen. Wardenaar wil met zijn werk zijn vakgenoten onderrichten en het algemene publiek voorlichten. Door deze tweeledige doelstelling hoopt hij te bewerkstelligen dat de kwaliteit van drukwerk weer stijgt. In het midden van de achttiende eeuw was het technische peil van de boekdrukkunst achteruit gegaan. Verschillende mensen, onder andere de gebroeders Ploos van Amstel, gaven kritiek op sommige werken (Janssen 1982: 23-40). Hieronder staat een fragment weergegeven uit een beschouwing uit 1775 Het verzuim der Drukkers. In deze beschouwing wordt geklaagd over de achteruitgang van de Nederlandse boekdrukkunst, maar er worden ook oplossingen en verbeteringen aangedragen. De Letterzetters en Drukkers zyn nu zo bedreven niet als die van voorige tijden; of zy leggen er niet genoeg op toe. Niet alleen de boekdrukkunst ging achteruit in kwaliteit, de nijverheid in het algemeen kreeg aan het eind van de achttiende eeuw een knauw. Dit was niet vreemd na een tijdperk van glorie in de Gouden Eeuw, die lang daarna nog te merken was. Een terugslag moest een keer komen (Janssen 1982: 49-50). De boekdrukkunst speelde in de zeventiende eeuw een grote rol. Ook in de achttiende eeuw is hij onmisbaar vanwege de steeds geavanceerdere technieken die werden ontwikkeld. Gedrukt werd er dus, maar welke werken werden er gedrukt? 69

70 4.4 Genres Moderne onderzoekers zijn de literatuur uit de achttiende eeuw steeds meer gaan waarderen. In deze paragraaf zullen de genres uit de achttiende eeuw aan bod komen. De genres in de achttiende eeuw verschilden met die van de zeventiende eeuw. In de achttiende eeuw werden er verschillende nieuwe genres toegevoegd en werden er eisen gesteld aan genres. Eén van de genres was het imaginaire reisverhaal. De teksten zijn gedurende de hele Verlichting terug te vinden. Het betreft geen werkelijke reizen, ook al doet het werk dat de lezer geloven, maar het beschrijft tochten naar volkeren en gebieden die nooit gevonden zullen worden (Hanou 2002: 74). Ondanks dat de term imaginair reisverhaal pas in 1741 zijn oorsprong vond, bestaat het genre al veel langer. Deze verhalen hadden een groot aandeel in het achttiende-eeuwse proza. Het meest bekende voorbeeld van zo n verhaal is Robinson Crusoë van Daniël Defoe. Imaginaire reisverhalen hadden een grote aantrekkingskracht op het publiek (Buijnsters 1984: 6-10). Imaginaire verhalen waren de uiting van een behoefte, in de vorm van een reisbeschrijving, een samenlevingsmodel te scheppen en te beschrijven. De Verlichting kan haar eigen dromen dromen, zonder gevaar voor repercussies. De vorm was een uitstekende manier om repercussie weerstand te bieden. Het was voor het gezag moeilijk om in te grijpen bij de publicatie van een boek waarin de werkelijkheid werd beschreven (Hanou 2002: 75-76). Scheepsrampen, spanning en avontuur bood de lezers een aangename afwisseling met de dagelijkse werkzaamheden. Voor een groot deel maakte het onbereikbare de werken zo aantrekkelijk. Er werden werelden geschetst en avonturen beleefd die voor veel burgers onbereikbaar waren. Binnen deze verhalen was er sprake van de vrijzinnige geest van tolerantie en kosmopolitisme. Het laatste wil zeggen dat het nationale in twijfel wordt getrokken. Deze verhalen blinken niet uit in afwisseling en originele thema s. Veelal worden er stereotype motieven gebruikt. De taal daarentegen is vaak aangepast aan de bestemming van het boek. Vaak wordt er een imaginaire taal ontwikkeld voor een plaats (Buijnsters 1984: 10-12). Ondanks dat ingrijpen voor het gezag moeilijk bleek, zag men het wel als een dreiging. De beschrijving van fictieve volkeren, met hun fictieve samenleving schiep mogelijkheden voor de exploratie van eigen filosofische en staatkundige idealen. De verhalen waren voedsel voor de hongerige gedachte van de mens in de achttiende eeuw (Hanou 2002: 76). In Nederland deed het reisverhaal het ook goed bij het publiek en als auteur verwierf men al snel internationale roem. Een voorbeeld van zo n auteur is Hendrik Smeets. Met zijn werk Beschyvinge van het magtig Koningryk Krinke Kesmes startte hij een nieuw soort reisverhaal. Het werk was origineel en was van grote invloed op het literaire veld. Het werk zette Nederland op de kaart na een wat mindere periode op cultureel gebied (Buijnsters 1984: 12-16). 70

71 Naast het imaginaire reisverhaal zijn er tal van andere genres die het in de achttiende eeuw goed doen. Schelmenverhalen, avonturenverhalen en erotische verhalen zijn hier slechts drie voorbeelden van. Deze drie genres genoten in de achttiende eeuw een grote populariteit. Om deze werken populair proza te noemen wekt wellicht een verkeerde indruk (Stouten 1984: 16). Naast het feit dat populair betekent dat het werk een grote populariteit genoot, is in de context van de achttiende eeuw een werk populair wanneer het een werk is dat voor de gewone burger was bedoeld. Deze populaire werken werden per definitie niet gerekend tot de officiële literatuur, waaronder voornamelijk de wetenschappelijke literatuur viel. Een schelmenverhaal dankte zijn populariteit mede aan het feit dat het een weergave is van het werkelijke leven, inclusief de daarbijbehorende moeilijke kanten van het leven. Het leven in de huidige maatschappij, een schelmenverhaal is aan tijd gebonden, maakte het leven niet mooier dan het in die tijd was. Bij een schelmenroman speelt het verhaal zich af rond een schelm. Dit is iemand die zich uit nood en door honger aan een bestaan probeert te helpen. Zijn karakter hoeft niet per definitie slecht te zijn, dit maakte het karakter zo geloofwaardig, maar hij doet dingen die eigenlijk niet juist zijn. Een schelmenverhaal verkrijgt zijn aantrekkelijkheid door het doen en laten van de schelm. Door het wisselen van woonplaatsen houdt het verhaal een tempo dat niet gaat vervelen. Het verhaal is afwisselend en de emoties die er in voor komen zijn echt. Naast de kenmerken van afwisseling en tempo, bevat een schelmenverhaal ook avonturen. Deze avonturen worden vaak beleefd door de schelm. Hij moet de zwakke plekken van zijn tegenstander kennen zodat hij zijn tegenstander daar kan treffen. Tot slot is de kritiek op personen en verschillende situaties kenmerkend voor het schelmenverhaal. Door list en bedrog krijgt de schelm veel voor elkaar, waarbij hij het niet na kan laten om zich achteraf kritisch over de bedrogene uit te laten. De schelmenroman is geen nieuw genre dat in de achttiende eeuw is uitgevonden. Reeds in de Middeleeuwen bestonden er al werken waarin een schelm voor kwam die zijn eigen verhaal vertelt. Voorbeelden hiervan uit de Middeleeuwen zijn Tijl Uilenspiegel en Reinaart de vos. Ook in de zestiende eeuw blijft het genre bestaan. Het werk dat het meest bekend is bij groter publiek is waarschijnlijk Oliver Twist geschreven door Charles Dickens in Oliver Twist was een gevolg van de grote bloei die in Engeland was ontstaan op het gebied van de schelmenverhalen. Schrijvers als Dickens, Defoe en Fielding waren allen thuis in het genre. In Nederland was deze groei minder explosief. Het meeste bekende Nederlandse schelmenverhaal is het verhaal van Heinsius uit 1695 De vermakelijke avonturier (Stouten 1984: 26-27). Een werk dat de levensloop van Mirandor beschrijft. Een levensloop vol vermakelijke avonturen, amoureuze ontmoetingen en nuttige informatie over de wereld. 71

72 Het tweede genre dat in de achttiende eeuw gretig aftrek vond bij de lezer waren de erotisch getinte verhalen. Ook dit genre vond zijn oorsprong niet in de achttiende eeuw. Zo lang als er geschreven wordt, bestaat er erotische literatuur. Belangrijk in deze context is het onderscheid tussen erotiek en pornografie. De pornografische literatuur was een klein deel van de literatuur in de achttiende eeuw. De grens tussen erotiek en pornografie ligt ook in de literatuur dichtbij elkaar (Stouten 1984: 31). Hier worden alleen de erotische verhalen behandeld. Binnen de erotische verhalen is het wederom lastig om verschillende werken te categoriseren op hun erotische waarde Wanneer een jonge maagd zich inlaat met ridder of edelman, wil dat niet zeggen dat het werk erotisch is, ondanks verschillende erotisch getinte passages. Een groot verschil dat pornografie doet scheiden van erotiek is de taal die gebruikt wordt in de werken. In de erotisch getinte werken is de taal die gebruikt wordt verfijnd en gedeeltelijk onrealistisch. De geslachtsdelen worden door allerhande omslachtige woordkeuzes niet genoemd bij hun naam. In pornografische werken is dit geheel anders. De woordkeuze is daar vaak grof, ruw en realistisch (Stouten 1984: 31-32). Hier worden geen metaforen gebruikt en wordt het bedrijven van de liefde beschreven zoals het is. Pornografische literatuur wekt vaak ook meer weerstand op dan het lieve karakter van de erotische werken. Pornografie kan aanstootgevend zijn, terwijl erotiek niet per definitie provoceert. Tot slot het derde genre dat grote populariteit genoot: het avonturenverhaal. Het avonturenverhaal was een genre dat bij het publiek gretig aftrek vond. Toch heeft het in de literatuurgeschiedenis weinig tot geen aandacht gekregen. Het avonturenverhaal wordt vaak gezien als een slap aftreksel van het schelmenverhaal. De avonturier had geen noodzaak om erop uit te trekken vanwege bijvoorbeeld financiële problemen. De avonturier ging enkel op pad om avonturen te beleven en op die manier zijn leven aangenamer te maken. Dit gegeven draagt bij aan de afkeur van literatuurgeschiedschrijvers. Vanwege bovenstaand feit had het verhaal geen dwingend thema. Het verhaal bestond uit losse flarden, zonder een rode draad. Bij de schelmenverhalen was de rode draad juist zichtbaar aanwezig. Het chaotische karakter van het verhaal maakt het voor de lezer vaak ingewikkeld om achterliggende gedachten te kunnen ontdekken. Scènes waarin de avonturier vecht met een draak en afrekent met een heel leger aan soldaten doen niet realistisch aan. Hierin ligt de kracht van dit soort literatuur. De gewone burger wilde vluchten uit de nare realiteit en liet zich meevoeren in een wereld waar alles mogelijk was. Ook kritiek op andere personen, zoals de schelm vaak had, vinden we niet terug in de avonturenroman. De avonturier was vaak een goedig en bescheiden persoon (Stouten 1984: 27-28). 72

73 Naast boeken werden er in de achttiende eeuw ook tijdschriften geproduceerd. Naast boeken werden er in de achttiende eeuw ook tijdschriften geproduceerd. Lexicons en zogenaamde 'dictionnaires' vormden de motor van de Verlichting. Maar vanaf de jaren tachtig van de zeventiende eeuw kwam men tot de ontdekking dat het geleerde tijdschrift een nog krachtiger instrument was. Het succes van tijdschriften was echter niet zonder slag of stoot tot stand gekomen. Omstreeks 1682 verschenen er aan de lopende maand nieuwe wetenschappelijke periodieken. Hoewel het Frans en het Latijn in deze tijdschriften overheersten, kwam er al spoedig vraag naar boekennieuws en kritieken in het Duits en Nederlands. Periodieken met een regionaal karakter, hadden geen lange levensduur. Tijdschriften met meer Europese verspreidingsmogelijkheden hadden een grotere afzetmarkt en konden vaak langer bestaan. Succesvolle, blijvende tijdschriften waren niet gelijkmatig verdeeld over Europa. In sommige landen zoals Frankrijk, waren sommige tijdschriften zelfs niet welkom. De geleerde tijdschriften vormden een krachtig instrument dat de Verlichting voortstuwde. De tijdschriften waren georiënteerd op recente ontwikkelingen in de wereld van het denken, de wetenschap en dezen veel om de aandacht van de lezer te verschuiven van de gevestigde orde naar wat wat vernieuwend of uitdagend was. Deze tijdschriften bleven de Verlichting en het Verlichtingsdenken altijd verdedigen. De cumulatieve invloed van de tijdschriften op de gevestigde meningen van die tijd waren zonder twijfel een factor van grote betekenis. Een belangrijk effect van deze tijdschriften was dat ze deelnemer waren in de strijd om de diepgewortelde gedachte, dat er een universeel bekende, geaccepteerde en geëerbiedigde consensus bestond over wat waar is (Israel 2001: ). In de Verlichting ontstonden ook de eerste bibliotheken. Deze waren van belang bij het verspreiden en bewaren van de werken. Veel van de bibliotheken die in de Verlichting zijn opgericht, waren voornamelijk van vorsten, aristocraten en privépersonen. De gebeurtenissen binnen de achttiende eeuw werkten door in de bibliotheken. In het midden van de zeventiende eeuw, toen er een eind gekomen was aan het confessionele tijdperk in Europa, werd het karakter van de Europese bibliotheken bepaald door twee grote bewegingen: de Renaissance en de Reformatie. De bibliotheken van vorsten en andere belangrijke personen binnen de maatschappij waren klein en leerstellig beperkt. Het verzamelen van grote hoeveelheden lectuur over geloofsrichtingen en theologische tradities, zou in die tijd verdacht zijn geweest. De zogenaamde leerbibliotheken, zouden gezien kunnen worden als een werkplaats. De universitaire bibliotheek zag er geheel anders uit. Als een nieuw fenomeen in de achttiende eeuw ontwikkelde de bibliotheek zich tot een culturele machtsfactor die zijn hoogtepunt bereikte in de eerste helft van de achttiende eeuw. Naast de prive-bibliotheken en de universitaire bibliotheken waren er ook kerkelijke bibliotheken. De privébibliotheken konden snel worden opgericht, vanwege de kleinschalige collectie. 73

74 De kerkelijke bibliotheken deden er het langst over om te ontstaan. De universiteitsbibliotheken waren schaars in Europa. Parijs was de enige plaats in Frankrijk waar men een eersteklas bibliotheek kon vinden en in de rest van Europa waren er vijf (Israel 2001: ). Nu bekend is wat de populaire genres waren in de achttiende eeuw en er meer bekend is over de bubliotheken van de achttiende eeuw, zal er aandacht worden besteed aan de rol van vrouwen in het literaire veld van deze eeuw. 4.5 Verlichte vrouwen. Van halverwege de zeventiende eeuw tot halverwege de achttiende eeuw stond Nederland in het teken van grote veranderingen. Politieke en economische strubbelingen, een religieuze strijd en de opkomst van de wetenschap. Hoe hebben al deze veranderingen invloed gehad op vrouwen en de wereld waarin vrouwen leefden? Voor de Verlichting hechtten vrouwen grote waarde aan een harmonieus leven, religieuze waarden en traditie. Ook in de achttiende eeuw werd een vrouw niet geschikt geacht voor publieke functies of posities waarbij intellect nodig was. Geschriften die vrouwen voortbrachten werden gezien als feministisch en demonisch. Vrouwen werden in de zeventiende en achttiende eeuw vaak als heks gezien die de wraak van God beoefende. Ze werden gekoppeld aan de natuur, ze menstrueerden wat in verband stond met de cyclus van de maan en zij konden kinderen baren (Mack 1984: 1-6). Het levensdoel van vrouwen op aarde, was volgens mannen nog steeds het zorgen voor nageslacht en de mannen te behagen (Perrot 1987: 138). Mannen werden verbonden aan de wetenschap (Mack 1984: 1-6). In de achttiende eeuw was het motto alle burgers zijn gelijk, een motto dat veelvuldig werd aangehaald om de situatie in de eeuw weer te geven. In praktijk bleek dit motto niet op te gaan. Vrouwen werden in de achttiende eeuw als een aparte groep gezien. Men sprak over burgers, vrouwen en kinderen. Dit geeft aan dat vrouwen geen burgers waren en dus ook niet dezelfde rechten en plichten hadden als andere burgers. Met betrekking tot seksualiteit, erotiek en de positie van vrouwen openbaarde zich al vroeg de alles op losse schroeven zettende gevolgen van het filosofisch naturalisme en het spinozisme. Intellectueel gezien vormden vrouwen in de verlichting voor het eerst een publiek dat zich liet gelden. Er was een tendens zichtbaar in de vrouwen die geïnteresseerd raakten in de natuurwetenschappen. De meeste tijdgenoten, mannen en vrouwen, keken deze ontwikkeling met argusogen aan. Door deze tendens werden de traditionele waarden van zedelijkheid, gezin en sociale rolverdeling fundamenteel aangetast. De vrouwen kwamen dus in opmars in de filosofische wetenschappen. Hierbij konden de gevolgen niet uitblijven. Het eerste en meest opvallende gevolg was de opkomst van het fenomeen van de hooggeboren beschermvrouw van nieuwe ideeën. 74

75 Vrouwen ontplooiden zich echter niet alleen als beschermvrouwen van de filosofie achter de schermen, als het ware gastvrouwen van het filosofische debat, maar ze werden ook rechtstreekse publieke deelneemsters aan de uitbarstende Europese filosofische oorlog. Nu rijst de vraag of de intellectuele emancipatie van de vrouw los gezien kan worden van de emancipatie op seksueel, sociaal, juridisch en politiek gebied.. Spinoza beweert dat vrouwen te zwak zijn om zich te handhaven in de mannenwereld. Hij stelt dat vrouwen te zwak en afhankelijk zijn en dat ze daarom nooit op gelijke hoogte zullen staan met mannen. Hij achtte het onmogelijk dat vrouwen zich los zouden worstelen aan de dominantie van de man. Lange tijd was het denkbeeld van Spinoza het heersende binnen de Verlichting (Israel 2001: ). Enkele jaren later werd het duidelijk dat de vrijere omgang tussen mannen en vrouwen praktische problemen opleverde, omdat de sociale en morele waarden werden aangetast. Het bleek dat de intellectuele dames ondanks hun intellectuele genialiteit nog steeds even wellustig en wulps waren als ze bekoorlijk en wijs waren. Precies hier ligt volgens Doria, een Italiaans filosoof, het probleem. Sinds het einde van de zestiende eeuw had een nieuw epicurisme (ofwel spinozisme) zich verspreid over de samenleving, wat ervoor zorgde dat vrouwen interesse kregen voor de filosofie, met als gevolg dat zij weer open gaan staan voor zondige en wellustige gedachten. Contact met andere geleerde mannen betekende volgtens Doria onvermijdelijk amoureus geflirt buiten het huwelijk. De oplossing volgens Doria was speciaal onderwijs alleen voor vrouwen. Binnen dat onderwijs zouden zij leren de deugd al vroeg lief te hebben. Het nieuwe concept van zelfontdekking naast de ontdekking van de wereld door middel van filosofie verklaart de opmerkelijk sterke band tussen de filosofie en de seksualiteit, die zo kenmerkend is voor de Europese Verlichting (Israel 2001: ). In vergelijking met de zeventiende eeuw is er weinig veranderd voor de vrouwen. Veel mogelijkheden die mannen wel hadden werden niet verboden voor vrouwen, er werd gewoon niet aan gedacht. De vrouw was nog steeds de spil van het gezin en vervulde dus een belangrijke taak in het huiselijke leven. Toch hadden vrouwen naast hun huishoudelijke taken wel de wil en de ambitie om andere dingen te leren. Zo kwam het voor dat veel vrouwen in hun vrije tijd boeken lazen, dit is een bekend gegeven. Hierbij beperkten vrouwen zich niet alleen tot nationale literatuur, zij namen ook de tijd om buitenlandse literatuur tot zich te nemen. Door het lezen van werken werd de drang om zelf te schrijven aangewakkerd. Veel vrouwen die leeslustig waren begonnen zelf te schrijven (Stouten 1984: 10). Nu rijst de vraag hoe groot de invloed was van deze schrijfsters. 75

76 Met betrekking tot de invloed van vrouwen op de literaire wereld is het opmerkelijk dat de romans geschreven en gepubliceerd in de achttiende eeuw, voor de meerderheid afkomstig waren van vrouwelijke hand, die ook een groter publiek bereikten. Hierdoor werd het voor vrouwen mogelijk om broodschrijver te worden. Hun inkomsten waren groot genoeg om zichzelf of een gezin te onderhouden. Naast de mogelijkheid tot schrijven, hadden vrouwen in de Verlichting veel meer kans op een reguliere baan dan eerder mogelijk was. Werk van vrouwelijke hand had echter een kortere levensduur dan werken van mannen. Vanaf 1750 is er te zien dat veel vrouwelijke publicaties snel weer uit de belangstelling verdwijnen (Mack 1984: 7-9). Vrouwen hadden geen grotere invloed op het literaire veld dan mannen. De werken worden wel sneller gepubliceerd dan voorgaande eeuwen. Maar zo snel als zij gepubliceerd worden, verdwijnen zij ook weer van het toneel. In de volgende paragrafen worden er drie schrijfsters behandeld die op eigen, karakteristieke wijze invloed hebben gehad op het literaire veld. 4.6 Elizabeth Bekker Betje Wolff (geboren als Elizabeth Bekker) wordt in veel literatuur in één adem genoemd met Aagje Deken. Er is gekozen om deze twee auteurs toch apart te behandelen, vanwege het feit dat zij los van elkaar ook een literaire carrière hadden opgebouwd met de daarbij behorende invloed. Het doel dat zowel Wolff en Deken wilden bereiken met hun werken was invloed uit oefenen op de algemene ontwikkeling en beschaving van een land. Over het leven van Bekker is weinig bekend. De brand die in haar woonplaats het stadhuis en daarmee de archieven met gegevens van Bekker verwoestte, ligt hier aan ten grondslag. Wanneer Bekker in 1738 als jongste dochter wordt geboren in een streng gereformeerd gezin met veel ambities, wordt duidelijk dat de ouders ook van hun jongste dochter een hoop verwachtingen hebben. Bekker distantieert zich met haar ambities direct nadrukkelijk van het burgermilieu. Ze onderscheidt zich van de andere kinderen in het gezin door haar nieuwsgierigheid op alle vlakken. Ze speelt muziek, tekent, maar haar passie ligt bij het dichten en schrijven. Reeds op zesjarige leeftijd begon Bekker met dichten. Het jongste lid van het gezin zijn in combinatie met haar dichtkunst zorgde ervoor dat ze in haar verdere leven graag in het middelpunt wilde staan (Buijnsters 1984: 13-21). Een belangrijke gebeurtenis in het leven van Bekker is het aannemen door de predikant tot de gereformeerde gemeenschap. Dit vindt plaats wanneer Bekker slechts zestien jaar oud is. Het was niet gebruikelijk iemand aan te nemen die zo jong was, meestal werd iemand pas aangenomen als hij of zij de twintig was gepasseerd. De gereformeerde gemeente zag Bekker als het bewijs van een ongewone ontwikkeling van verstand en gemoed en was bereid een uitzondering te maken. Dat de keuze van de gemeenschap op haar was gevallen was niet alleen vanwege haar ontwikkelde geest. Ook haar opgewekte, enthousiaste karakter droegen bij aan deze beslissing. 76

77 In 1759 trouwde Bekker met een dertig jaar oudere predikant Adriaan Wolff, met wie zij in contact was gekomen middels brieven. Alles leek erop te wijzen dat Bekker net zoals veel vrouwen in die tijd, het leven ging lijden van een getrouwde vrouw met de daarbij behorende beperkingen. Dit was echter niet het geval. Liefde lag niet ten grondslag aan het huwelijk. Het was eerder een verbintenis gevoed door vriendschap en achting. Bekker vond in Wolff een schat aan kennis, levenservaring en een man met smaak. Daarnaast was het een man die leefde volgens de principes van de Verlichting. Hij was wars van alle tradities, een vrijzinnig man. Dit had ook invloed op Bekker. Ze leefde niet het huwelijk van de standaard getrouwde vrouw, maar zij bleef dichten. Bekker zag dichten als een manier om haar gemoed te kunnen uiten. Door middel van hekeldichten uitte zij haar gevoelens ten op zichte van mensen in haar omgeving. Maar zij schreef ook gedichten over de natuur en hekeldichten. Hieronder een fragment uit het gedicht Ons leven is een bloem. Hierin gebruikt ze de bloeiwijze van een bloem als metafoor voor het leven Bloemen, die de koele zoomen, Van het kristalijn der stroomen, Dat door vette beemden vloeit En het akkerland besproeit, Boort met duizend, duizend kleuren, Die ons aangenaamste geuren Schenkt, wanneer de lentetijd Al wat leeft eb zweeft verblijt. Bekker had gedurende haar gehuwde leven ook vriendschappen opgebouwd. Waarschijnlijk de meest bekende, is die met Aagje Deken. Bekker vond in haar een wederhelft, die voor rust en regelmaat zorgde in haar eigen werken. Bekker liet zich vaak lovend uit over deze vriendschap en noemde het de aller-volmaaktste vriendschap ooit. Deze vriendschap komt later in dit hoofdstuk nog aan bod, want er zijn ook mindere tijden voor het duo (Naber 1913: 32-37). In 1763 verscheen het eerste werk van Bekker : Bespiegelingen over het genoegen. Het was een dichtbundel die verscheen middels medewerking van Tjalling Tjallingius in Hoorn. Dit werk, en andere dichtbundels van Bekker, werd door bloemlezers van poëzie en schrijvers van literatuurgeschiedenissen volkomen genegeerd. Bekker baseerde zich op de grondlegger van de Verlichting: Rousseau. Hij was als een voorbeeld voor haar en in een heleboel werken kwam hij aan de orde (Ghijsen 1919: 147). Met haar werk, dat voornamelijk classicistisch is, verrast ze de geleerde wereld allerminst. In de geleerde wereld overheersen buitenlandse werken. Werken van Richardson en Fielding. Juist door deze buitenlandse overheersing, is haar aandacht en liefde voor de Nederlandse letterkunde groot. Vooral van Hooft is zij een liefhebber. 77

78 Vanwege het feit dat hij een geschiedschrijver is, maar ook vanwege zijn persoonlijkheid en zijn wellevenskunst (Ghijsen 1919: ). Haar vreugde en interesse duurden echter niet lang. In 1766, nog geen drie jaar na het uitgeven van haar eerste werk, werd Bekker ziek (Ghijsen 1919: 98-99). Gedurende deze periode wordt haar stemming rustiger en milder. En ondanks deze ziekte is haar geestelijke gezondheid sterker en dwingt deze haar tot opgewektheid (Ghijsen 1919: 133). In haar zieke periode kreeg Bekker veel steun van Deken. De al eerder opgebouwde vriendschap tilde zich naar een hoger niveau. De geestelijke drift van Bekker zorgde ervoor dat zij bleef dromen over een nieuwe uitgave. Deken, die zelf ook thuis was in de literatuur en het schrijven van romans, besloot samen met Bekker aan dit nieuwe avontuur te beginnen. Dit leidde tot het werk Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart uit Een werk dat in het literaire klimaat van de achttiende eeuw veel opzien baarde. Romans kregen in het begin van de achttiende eeuw weinig artistieke erkenning. Het duurde tot 1778, dat men sporadisch aandacht schonk aan romans. De in 1778 doorgevoerde kunsttheorie van Hieronymus van Alphen vormde de basis voor de ommekeer. Men kreeg meer aandacht voor werken die in eigen land waren geschreven en de roman, zoals hij al in veel andere landen bestond, kreeg ook in Nederland gevolg. Toch was het aantal romans in Nederland zeer beperkt. Sara Burgerhart was na de ommekeer in de kunsttheorie een opvallende verschijning vanwege zijn literaire karakter. Waar men in eerder romans zich voornamelijk richtte op verhalende fictionele elementen, maakten Bekker en Deken een stap richting de karakteranalyse en de individuele werkelijkheidservaring. Hun roman werd een zedenkundige briefroman genoemd. Het werk bestaat uit verschillende brieven die rondom Sara Burgerhart worden geschreven (Buijnsters 1984: ). Het aangrijpen van een correspondentie tussen de hoofdpersoon en mensen in zijn/haar omgeving, was een geliefde manier om de roman vorm te geven in de achttiende eeuw. Zelf doet Sara actief mee aan deze correspondentie. Bekker en Deken proberen met deze roman geen authentiek relaas van feiten weer te geven. De vraag blijft gedurende het lezen of de gebeurtenissen zijn gebaseerd op waargebeurde verhalen. Dit is exact het doel van Bekker en Deken. Het zoeken naar een manier om de lezer in het zogenaamde grijze gebied te laten circuleren, zichzelf telkens afvragend welke elementen echt zijn en welke elementen zijn verzonnen. Op deze wijze wordt de afstand tussen het vertellende en het belevende tot minimale proporties gereduceerd (Buijnsters 1984: ). Na Sara Burgerhart is het succes van Bekker en Deken als schrijversduo nimmer meer zo groot geweest. Zij vertrokken in 1787 richting het buitenland vanwege politieke noodzaak. Gedurende de tijd dat zij in het buitenland verbleven werden zij aangetrokken door de rust en de afgelegenheid die verschillende dorpen hen konden bieden. Zij brachten geruime tijd door in het Franse dorpje Trévoux. Gedurende deze periode vonden zij de inspiratie om een nieuw werk te schrijven. 78

79 Na een periode waarin er weinig verandert in het leven van de twee ambitieuze vrouwen, komen de vrouwen in een financiële misère terecht. Dankzij erfenissen, meevallertjes en donaties konden zij echter verder waar zij het beste in waren en waar ze het meest van hielden: schrijven (Höweler 1949: 63-64). De invloed van Bekker zonder Deken is minimaal te noemen. Bekker kreeg voor haar dichtbundels weinig waardering en er werd door literaire geschiedschrijvers geen aandacht besteed aan haar werken. De enige die aandacht besteedde aan het werk van Bekker was een vrouwelijke schrijfster, Ghijsen (1919). Zij gaat wel in op de poëzie van Bekker en zag in haar een verlichte vrouw. Ook Bekker zelf was over haar dichtbundels het minst enthousiast. In haar hekeldicht Aan mijnen geest laat zij zich uiterst kritisch uit over haar eigen werk (Buijnsters 1984: 47). Ze weet in haar hart dat ze een beginnelinge is, maar ze wordt overstemd door haar eerzucht om de geleerde wereld te willen verrassen. Het grootste argument hiervoor was het niet vernieuwende karakter van de werken. Op het moment dat zij een samenwerking aanging met Deken veranderde er veel voor de twee schrijfsters. De invloed van Bekker in combinatie met Deken is zeer groot te noemen. De samenwerking met Deken kwam Bekker dus goed uit. Hun al eerder opgebouwde vriendschap leidde er u toe dat ze elkaar van dienst konden zijn. Samen met Deken behoren zij tot de bekende duo s die nu nog steeds bekend zijn en waarvan hun werken nog gelezen worden. De briefroman Sara Burgerhart is bekend bij veel middelbare scholieren en wordt mede vanwege de vorm als bijzonder beschouwd. Zonder Deken was dit niet mogelijk geweest. 4.7 Aagje Deken Deken heeft gedurende haar leven lange tijd in de schaduw gestaan van de vrouw met wie zij, naast een innige vriendschap, ook een literaire samenwerking aanging. Binnen deze samenwerking was Deken diegene die zich op de achtergrond hield. Mede door haar verlegen aard, maar ook onder toeziend oog van Bekker. Bekker was diegene die buitenstaanders te woord stond en die het woord deed in alle openbare gelegenheden. Dit nam niet weg dat Deken wel degelijk een eigen mening had en die het liefst wilde uiten. Hier begon ze mee toen aan haar gevraagd werd hoe het schrijven van een boek met twee schrijfsters in zijn werk ging. Waar Wolff beweert dat er geen strikte scheiding aan te brengen is in het boek welke passages door één van beide schrijfsters is geschreven, stelt Deken dat dit niet het geval is. Zij geeft duidelijk aan welke delen van het boek van haar hand zijn. Kwaadsprekende mensen verweten haar dit te vertellen gedurende de ziekte van Wolff (Buijnsters 1984: ). Voor Deken was dit een belangrijk moment. Het meisje dat opgegroeid is in een remonstrants weeshuis, wist het ver te schoppen. Door haar verblijf in het weeshuis zijn er weinig gegevens bekend over haar kinderjaren. Bij een bombardement in was alle informatie die er was, in één klap verdwenen. 79

80 Ze kroop uit haar schulp, zocht contact met Betje Wolff en het kwam tot een samenwerking. Dit was de redding van haar toekomst. Succesvol zijn, ondanks het feit dat haar jeugdige jaren niet eenvoudig zijn geweest, is bewonderenswaardig (Roosenschoon 1986: 21-22). Over het leven van Deken voor de beroemde samenwerking is weinig bekend. Zelfs haar geboortedatum staat niet vast. Het gelukkige gezinsleven dat de familie Deken leefde zou niet lang duren. Door allerhande tegenslag, zoals branden, ziekte en veepest, zat er voor het gezin niets anders op dan te verhuizen naar een buurt die minder chic was, vlakbij de Amstel. Toen Deken slechts vier jaar oud was, waren allebei haar ouders al gestorven. Familieleden waren niet in staat om voor haar te zorgen en Deken was een weeskind geworden (Buijnsters 1984: 161). Het weeshuis waar zij in opgroeide, verwachtte dat Bekker, net als alle andere meisjes in het huis, uit zou groeien tot een dienstmeisje dat aan de slag zou kunnen gaan bij een welgestelde familie (Roosenschoon 1986: 21-23). De meisjes verbleven de meeste tijd van hun verblijf intern en vulden hun dagen met lessen. Overdag kregen zij les in lezen, naaien en breien. De avondlessen bestonden uit leren schrijven en godsdienstige vorming. Wanneer de meisjes de basisprincipes onder de knie hadden van het schrijven, werd er tijd vrijgemaakt voor leren dichten en het schrijven van proza. Deken had al snel smaak en bedrevenheid in het schrijven van poëzie. Dit zijn uiteraard niet de kunstige gedichten, maar gelegenheidsrijmpjes en psalmberijmingen (Buijnsters 1984: ). Zij schonk erg veel aandacht aan het dichten, omdat het vooruitzicht van werken in een rijke familie als dienstmeisje, haar niet aanstond. Haar laatste jaren in het weeshuis was zij uitgegroeid tot een assistente van de Binnenmoeder. Ze hielp bij het zorgen voor de jongere weesjes. Toen kwam ook voor Deken het moment tot afscheid nemen. Elk weesje werd geacht op zijn vijfentwintigste op eigen benen te kunnen staan. Zo ook Deken. Na haar vertrek koos zij ervoor om eerst in dienst te treden als dienstmeisje, zoals het weeshuis haar had opgevoed. Na drie van zulke mislukte ervaringen koos Deken voor iets anders. Deken kreeg contact met Maria Bosch en haar dochter en het zou niet lang duren voor zij bij deze vrouw in zou trekken (Buijnsters 1984: ). Maria Bosch was een ongeneeslijk zieke vrouw die hulp nodig had in haar huishoudelijke leven. Aagje wierp zich op als oppas en runde het huishouden. Deken had de taken van het huishouden niet het aangenaamst gevonden, maar samen met Bosch beoefende zij gezamenlijk poëzie (Roosenschoon 1986: 21-23). Hun wereldje is maar klein, ze zijn beiden aan huis gekluisterd, de zieke vrouw was bedlegerig en Aagje had 21 van de 27 jaar doorgebracht in een gesloten weeshuis. Ze haalden hun inspiratie tot dichten uit dagelijkse werkzaamheden en uit feestdagen of andere gebeurtenissen in de kleine kring mensen rondom hen. Hun poëtische kwaliteiten blijven niet onopgemerkt. Ploos van Amstel en een dichterlijk genootschap vernamen dat er twee vrouwen een samenwerking aan waren gegaan die uiterst succesvol bleek te zijn. Ook hier bleef Deken de bescheidenheid zelve en de prijs die zij kreeg uitgereikt nam zij met tegenzin aan. 80

81 Van haar hoefde het alles niet zo nodig. De samenwerking tussen de twee vrouwen kwam abrupt ten einde toen Bosch overleed. Deken zocht nauwer aansluiting bij andere vriendinnen om maar niet alleen te zijn. Zo ontmoette ze ook Bekker. Waar de vriendschap met Bosch in het teken stond van collectieve dichten, was er bij Bekker en Deken sterk sprake van twee individuen. Deken verdween op de achtergrond vanwege het sterk overheersende karakter van Bekker. Het eerste contact werd in 1776 gelegd vanuit Deken, die Bekker al een tijdje volgde. Gedurende hun vriendschap werd er dus niet genoeg nadruk gelegd op de kwaliteiten die Deken bezat. Deken had een gave voor humor, ze schreef brieven die de ontvanger niet snel zou vergeten en ze had dus heel wat meer in petto dan Bekker deed geloven (Buijnsters 1984: ). Nu rijst de vraag hoe groot de invloed van Deken als individuele dichter is geweest. Of dat zij net zoveel invloed zou hebben gehad, zonder deel uit te maken van het duo met Bekker. De invloed van Deken komt voor een groot deel overeen met de individuele invloed van Bekker. Deken heeft een hoop te danken aan de samenwerkingsverbanden die zij aanging en aan de vriendschappen die zij opbouwde gedurende haar leven. Deken heeft een klein corpus, waaronder zes werken geschreven met Bekker. Dat waren stichtelijke werken, maar ook liedjes en twee biografieën over Cornelia Wildschut en Willem Leevend. Het genre van de biografie bestond nog niet in die tijd, maar het had dezelfde strekking. Zonder Bosch, die haar kwaliteiten min of meer bijschaafde na haar vertrek uit het weeshuis, had Deken waarschijnlijk niet zulke mooie en goede poëzie kunnen schrijven. Ze inspireerden elkaar en het kwam tot een samenwerking die al snel werd beëindigd. Zonder het overlijden van Bosch was het opgenomen contact van Deken met Bekker waarschijnlijk uitgesteld, of had het nooit plaatsgevonden. Door een samenloop van omstandigheden komt zij terecht bij een vrouw die haar succes tot grote hoogte zou brengen. Dat Bekker er met alle eer vandoor ging, leek Deken in eerste instantie niet te deren. Toch moet het Deken pijn hebben gedaan dat de waardering voor haar aandeel in hun gezamenlijke werken zeer beperkt was. Toch heeft Deken aan de samenwerking meer te danken, een plaats in de huidige canon en eeuwenlange faam. De laatste schrijfster die zal worden behandeld is minder bekend, maar daarom niet minder invloedrijk geweest. 4.8 Petronella Moens Moens werd in 1762 in Friesland geboren en kwam voort uit een deftig gezin. Reeds op vierjarige leeftijd werd Moens getroffen door een zeer ernstige vorm van kinderpokken. Dit leidde ertoe dat zij op vierjarige leeftijd al haar gezichtsvermogen verloren was. Het jonge meisje haalde haar geluk uit het vergaren van kennis en het schrijven van gedichten. Op haar zesde jaar hadden haar dichtoefeningen effect en schreef zij haar eerste rijmpjes. 81

82 Aan veel van de schrijfsters die in de voorgaande hoofdstukken zijn behandeld, valt het op dat zij allemaal op jonge leeftijd al actief waren en zij volledig werden gesteund door hun ouders. Dit was ook het geval bij Petronella Moens. Haar ouders achtten het onmogelijk dat Moens een leven zou kunnen leiden in de openbaarheid. Door haar afwijkende ogen zou zij veel beperkingen tegenkomen. Haar ouders stimuleerden haar dan ook in het dichten. Moens leerde schrijven door de zogenaamde prikletters, die haar vader op haar hand tekende en die Moens maakte op een speldenkussen. Daarnaast las de vader van Moens voor uit werken van Vondel en Hooft (Veltmanvan den Bos 2000: 23-27). Een verschil met andere schrijfsters was dat Moens maar één taal machtig was. Zij kon alleen de vertalingen van de grootheden lezen omdat zij het Latijn niet beheerste. Door het lezen van werken van deze grootheden ontwikkelde Moens een smaak die gebaseerd was op het fraaie, het gemoedelijke en het edele. Zelf had zij een aangeboren talent voor goede smaak en een poëtische geest. Omstreeks 1800, wanneer Moens in de bloei van haar leven is, lijdt de poëzie onder de smetten van wansmaak, rijmelarij en onnatuurlijkheid. Moens liet zich hierdoor niet beïnvloeden en haar werk hield de kwaliteit die het voorheen al bezat. Ondanks haar slechte zichtvermogen wist Moens de natuur en de omgeving op een manier te beschrijven die dicht bij de werkelijkheid lag. De herinneringen van de natuur kwamen uit haar vroege jeugd. Dit zorgde ervoor dat ze in haar werken de natuur, de sterren en kleuren kon beschrijven (Veltman-van den Bos 2000: 27). Als dochter van een predikant had zij in het gezinsleven bepaalde waarden meegekregen die ook in haar werk zijn terug te vinden. Voornamelijk deugd, zedelijkheid, godsvrucht en vaderlandsliefde waren terugkerende thema s in haar werk, zowel in het proza als in de poëzie. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de werken van Maria Tesselschade, was bij Moens niet te zien dat het werk door een vrouw was geschreven. Sterker nog, het verhaal deed mannelijk aan. Het oeuvre van Moens bestaat uit ongeveer zeventig werken, dichtbundels, romans en zedengeleerde opstellen. Naast deze activiteiten werkte Moens ook vaak mee aan publicaties in tijdschriften, zoals het Nederlandse tijdschrift Euphoria. Moens nam een groot gedeelte van de inhoud voor haar rekening. Gedurende de periode dat het tijdschrift bestond schreef Moens veel gedichten met een politieke inhoud. De gedichten hadden een groot vaderland -gehalte, wat na de periode dat zij actief was voor het tijdschrift, zou veranderen (Veltman-van den Bos 2000: ). De reacties op haar werk waren verdeeld. Het was een kwestie van het werk liefhebben of een afkeer hebben jegens het werk. Een tussenweg leek er lange tijd niet te zijn. Over het algemeen was de kritiek van positieve aard en kwam het voort uit waardering, Moens had een voorbeeldfunctie gekregen. In veel negentiende-eeuwse biografische handboeken is Moens prominent aanwezig. De meeste onderdelen over Moens gaan over haar blindheid. 82

83 Men sprak waardering uit voor een vrouw die ondanks haar handicap iets van het leven wist te maken (Veltman- van den Bos 2000: 93-94). Daarnaast speelde ook de tijd mee waarin Moens haar werken publiceerde. Zoals al eerder benadrukt is, was de achttiende eeuw een onrustige tijd met veel veranderingen. De werken van Moens konden voor lijdende tijdgenoten een zalvende, troostende werking hebben. Niets dan goed dus over deze geniale, talentvolle vrouw. Hieronder is een fragment overgenomen uit de bundel Mengenpoezie daterend uit Hierin is duidelijk te zien at Moens zich inzet voor de mogelijkheden van vrouwen. Hierin stelt zij aan de orde dat ook vrouwen vaderland liefde kunnen tonen. t Gevaar schept vrouwen tot heldinnen, Begaafd met minder lichaamskracht, Zijn ze eindeloos sterker in t beminnen Dat t haar beschermende geslacht. Wat dierbaar is aan t vrouwelijke harte Ontwringt geen macht haar. Ja de vrouw, Die vaak de duldelooste smarte Voor boezemvriend of telgen tartte, Blijft ook aan t Vaderland trouw. Moens liet zich bij haar werken inspireren door de Franse Rousseau. De spreuk die hij als basisgedachte had, liet ook Moens niet onberoerd. Tenez votre âme en état de désirer toujours qu il y ait un Dieu et vous n en douterez jamais. In het Nederlands komt het erop neer dat men een sterk geloof moet hebben in God en in een toekomstig leven. Het geloof biedt altijd troost en hoop. Duidelijk te zien in haar werk, is dat Moens vanuit haar gevoel de bewondering over de vrouw uitspreekt en daarnaast ook haar vaderlandliefde verwerkt in bijvoorbeeld het gedicht hierboven. Deze speelse en emotionele manier van schrijven heeft niet alleen maar positieve kanten. Men verweet Moens dat haar werk te bont was en dat de steeds terugkerende beelden van vlinders, bloemen, druppels en zonnestralen iets teveel van het goede werd. Het maakte haar poëzie eentonig en vervelend. Naast deze thema s was ook haar weinig gevarieerde keuze voor onderwerpen een gebrek aan haar poëzie. Deze kritische blik had echter geen invloed op de prijzen die Moens behaalde met haar werken. Vanaf 1785 tot 1840 heeft zij meerdere prijzen in ontvangst mogen nemen. Het was een teken van contemporaine roem dat Moens gedurende haar leven vele malen is gelauwerd. Van Ackere (1832) stelde een lijst op, waar Veltman-van den Bos zich door laat leiden, met genootschappen die Moens hebben geëerd. Moens ontving gouden medailles ter ere van haar gedichten en vanwege haar aangename gezelschap. Daarnaast kreeg ze zilveren medailles en fraaie pennensets. Bijna alle prijzen die men als auteur kon ontvangen waren ook in het bezit van Petronella Moens. Naast deze tastbare prijzen was het voor Moens zeer belangrijk dat zij werd genoemd in de populaire tijdschriften van de achttiende eeuw. 83

84 Moens werd in tijdschriften zoals De Recensent, Vaderlandsche Letteroefeningen en De Algemeene Konst- en Letterbode veelvuldig besproken. Ook al waren dit geen specifieke literaire tijschriften, Moens voelde zich vereerd. Ondanks dat de recensensies in de bladen anoniem waren en men dus niet kon zien of de recensie was geschreven door een beroepscriticus, allen waren positief (Veltman- van den Bos 2000: 97-99). Door haar talent en haar uitgesproken vrolijke karakter bouwde Moens gedurende haar leven vele vriendschappen op. Met het meest van deze vrienden onderhield zij een intensieve briefwisseling, een manier van communiceren die gebruikelijk was in de achttiende eeuw. Naast vriendschappen met algemene vrienden, onderhield zij ook vriendschappen met letterkundigen (Veltman- van den Bos 2000: 64). Eén van deze bijzondere vrienden, Willem Hendrik Warnsinck komt later in deze paragraaf aan de orde, wanneer de invloed van Moens op het literaire veld wordt besproken. Ook als Moens de respectabele leeftijd van 78 heeft bereikt, is haar van nature vrolijk karakter en haar vlijtige houding nog niet vervaagd. Tot op de dag van haar dood in 1843, was zij nog actief met de pen. Kortom, Moens was een geduldige dichteres met oog voor detail, een groot talent en een omvangrijk oeuvre van zeventig werken, waarvoor zij veel waardering kreeg. Maar leidde die waardering ook tot een grote invloed op het literaire veld en wellicht op de maatschappij? Ondanks het grote aantal werken van Moens dat is overgeleverd, is over haar invloed maar weinig bekend. De informatie zal dus moeten worden opgemaakt aan de hand van de werken die over haar zijn geschreven. In de werken van Van Ackere (1832) en Veltman- van de Bos (2000) komt duidelijk naar voren dat Moens een grote schare bewonderaars had. Hierbij waren twee groepen zeer belangrijk. Ten eerste was dit haar vriendengroep, opgebouwd door de jaren heen. En ten tweede was dit de maatschappij. Binnen deze vriendengroep werd zij zeer gewaardeerd. Het is dan ook niet ondenkbaar dat deze vriendengroep de grootste afnemers waren van haar werken. Precieze verkoopaantallen van haar werken zijn niet bekend. Willen Hendrik Warnschink speelde een belangrijke rol in de invloed van Petyt. Waar Warnschink eerst wat sceptisch was ten op zichte van de werken van Moens, besloot hij ze toch na te kijken toen een drukker hem dat vroeg. Moens en Warnsick raakten zeer goed bevriend en ze werkten zelfs samen aan een Waarheid en Verlichting. Een werk uit 1828 (Veltman- van den Bos 2000: 71-72). Naast haar vrienden was er ook de gewone burger die haar werk interessant vond vanwege de troost die het kon bieden in zware tijden. Dit is de tweede groep die haar werk dus kon kopen. Toch was een groot deel van de bevolking analfabeet en kon dus niet lezen of schrijven. De verkoopaantallen zullen dan ook niet te vergelijken zijn met die van vandaag, ondanks dat de werken van Moens regelmatig werden herdrukt. Van het duo Wolff en Deken heeft iedereen gehoord. Hun werk is ook opgenomen in de canon en Sara Burgerhart wordt nu op veel middelbare scholen nog steeds behandeld. 84

85 Petronella Moens is een naam die minder herkenning oproept, maar daarom niet minder belangrijk voor de achttiende eeuw. Het enige dat nog rest in dit hoofdstuk is een overzicht van het literaire veld van de Verlichting. 4.9 Het literaire veld van de Verlichting De Verlichting was een nieuwe periode binnen de Nederlandse maatschappij. De gevolgen van de verlichting waren uiteraard niet alleen in Nederland zichtbaar. Ook de rest van Europa kreeg te maken met nieuwe ideeën en inzichten. Het belangrijkst in de Verlichting is de overstap van ratio naar rede. De burgers begonnen in te zien dat zij zelf ook een stem hadden en die wilden gebruiken. Zij wilden niet langer de marionettenpoppen zijn die bestuurd werden door de hogere macht. Met betrekking tot de materiële productie veranderde er veel. Allerhande burgers wilden laten zien dat zij zelf een mening hadden en wilden die op allerlei mogelijke manieren laten horen. Dit gebeurde ook via boeken. Er stonden in de Verlichting een heleboel schrijvers op die hun boodschap wereldkundig wilden maken. Het literaire klimaat werd in de Verlichting voornamelijk gedomineerd door hoger opgeleide academici. Naast deze academici voelden ook de gewone burgers dat zij literair getalenteerd waren. Grote namen zoals Hooft en Huygens uit de zeventiende eeuw zijn uit de achttiende eeuw nooit voortgekomen, maar het was zeker geen onbelangrijke eeuw. Met betrekking tot de uitgeverijen veranderde er veel. Er werden strenge regels opgesteld om te voorkomen dat boeken met een schadelijke inhoud konden verschijnen. De uitgeverijen en de drukkers stonden dus onder toezicht en dit leverde een grote druk op. Men kreeg te maken met censuur en moest omwegen verzinnen om een werk toch op de markt te krijgen. In de achttiende eeuw kwam ook het tijdschrift als zodanig op. De landelijke kranten werden massamedia en de burger was ook geïnteresseerd in meer specifiekere tijdschriften. Dit waren de eerste tijdschriften die in Nederland werden gesignaleerd. Met betrekking tot de distributie was de Verlichting een eeuw waarin er weinig verschil was met de zeventiende eeuw. De boekhandel was in veel opzichten verbeterd in vergelijking tot de losbladige systemen die men eerst verkocht. Deze losse bladen waren nog steeds verkrijgbaar, maar ook de volledige boeken konden nu worden aangeschaft. Daarnaast had de boekhandel wel te maken met verkoopregels die hen waren opgelegd door de Staten-Generaal. Elke boekhandel moest een lijst in de winkel hebben hangen met daarop de werken die hij niet mocht verkopen. De genootschappen, zoals men de rederijkerskamers had in de zeventiende eeuw, waren nog steeds aanwezig in het literaire klimaat van de achttiende eeuw. Nil Volentibus Arduum is een voorbeeld van zo n genootschap. Binnen dit genootschap las men elkaar werken en voerde men toneelstukken op. Het was een belangrijke spil binnen het culturele leven van Nederland gedurende de Verlichting. Dit gaf aan dat de genootschappen niet alleen op de literatuur gericht waren. 85

86 Ook kwamen in de achttiende eeuw de bibliotheken aan de orde. Dit waren ruimten waar men tegen betaling boeken kon lenen. Deze schoten niet als paddenstoelen uit de grond in Nederland. Er waren er slechts een aantal en hier bleek dat de gewone burger deze gelegenheden niet, of nauwelijks bezocht. Nederland was niet klaar voor een nieuwe institutie. Tot slot de symbolische productie. Met de opkomst van de tijdschriften die in sommige gevallen alleen gericht waren op de literatuur, nam ook de literaire kritiek een vlucht. In de kranten die in de Verlichting beginnen te verschijnen had men niet veel aandacht voor nieuw verschenen boeken. De journalistieke kritiek kwam pas net van de grond. In de tijdschriften die gericht waren op de literatuur werd meer aandacht besteed aan de nieuw verschenen werken. Op scholen werden geen literatuurlessen gegeven zoals die vandaag voorkomen. Men was gedurende de Verlichting nog steeds fervent liefhebber van de getalenteerde voorgangers. De Klassieken stonden aan de basis van vele werken die in die periode werden geschreven. De leerlingen kregen les aan de hand van die literatuur en men probeerde met de leerlingen de oude meesters te overtreffen. Aandacht voor de literatuur was aanwezig, maar ook andere vakken op school hadden aandacht nodig. De aandacht was in de achttiende eeuw meer verdeeld over de verschillende vakken. Gedurende het verstrijken van de eeuwen, nam het lezerspubliek steeds grotere vormen aan. Het feit dat er dagbladen en tijdschriften op de markt kwamen, geeft al aan dat er blijkbaar lezers voor zijn. Uiteraard waren er nog steeds lagen in de bevolking die niet konden lezen, dit zou nog duren tot de negentiende eeuw, maar die groep werd steeds kleiner. De mensen die wel lazen waren vooral liefhebbers van de nieuwe genres die in de achttiende eeuw in opkomst waren. Hieronder het gehele schema weergegeven met twee kleuren. BEROEPSORG: ADVIES: SUBSIDIE: VVL RvdK FvdL SCHRIJVERS MATERIELE PRODUCTIE LITERAIR TIJDSCHRIFT LITERAIRE UITGEVERS VBB KNUB NBB DISTRIBUTIE BOEKHANDEL BOEKENCLUB OPENBARE BIBLIOTHEEK S S S S SYMBOLISCHE PRODUCTIE LITERATUURKRITIEK - JOURNALISTIEK - ESSAYISTISCH - ACADEMISCH LIT ONDERWIJS - HAVO/VWO - UNIVERSITEIT/HBO LEZERSPUBLIEK NIET-LEZERS Niet aanwezig Wel aanwezig Behoeft nadere uitleg 86

87 Conclusie Hoofdstuk 4 In de achttiende eeuw maakte de Nederlandse maatschappij veel veranderingen door. Deze veranderingen kwamen voort uit een nieuwe stroming van filosofen die Nederland ook bereikte. Door deze stroming hechtte men meer waarde aan de ratio en de rede. Natuurwetenschappen kregen een grotere plaats binnen de maatschappij en de burger kreeg een grotere rol toebedeeld. Nederland ondervond deze veranderingen aan den lijve. Er werd een revolutie door burgers gestart die pleitte voor een minder strikte indeling in klassen. Waar voorheen sprake was van stadhouder-adelburgerij-volk, wilde men toe naar een samenleving waarin burgers dezelfde mogelijkheden hadden als mensen die zich in een hogere klasse bevonden. Dit leidde ertoe dat ook de gewone burger een rol kreeg binnen de culturele wereld. Een burger kon dichten dankzij de vooropgestelde regels van Nil Volentibus Arduum en zodoende benoemde men een tweede soort literatuur in die periode. De officiële literatuur, waarbij men zich liet inspireren door de Klassieken, en de alternatieve literatuur, waar de roman deel van uitmaakt. Waar men eerst niets wilde weten van de roman, kreeg men er later toch begrip voor en was de roman niet meer weg te denken uit de literatuur. De ontwikkeling die de boekdrukkunst had doorgemaakt zorgde ervoor dat de werken eenvoudiger konden worden gedrukt dan vroeger. Waar men voorheen de kennis van het drukken moest leren via een familielid, kwamen er handleidingen die het proces uitgebreid beschreven. De genres die gedrukt werden verschilden wel met die van de zeventiende eeuw. Voornamelijk avonturenverhalen, schelmenverhalen en erotische verhalen zijn populair in de achttiende eeuw. Deze genres hebben geen kenmerkende Nederlandse schrijvers opgeleverd, voornamelijk de Britse auteurs, zoals Charles Dickens en Daniel Defoe waren het genre machtig. Voor de vrouw was er in vergelijking met de zeventiende eeuw weinig veranderd. Vrouwen werden nog steeds gezien als de spil van het gezin. Ondanks het motto alle burgers gelijk dat in de achttiende eeuw werd geïntroduceerd, ondervonden vrouwen nog veel beperkingen. Studeren en kiesrecht waren niet aan de orde. Vrouwen hadden wel literaire ambities naast het huishouden en dit leidde ertoe dat net als in de zeventiende eeuw, er een aantal vrouwen waren die hun werken gepubliceerd kregen. De drie bekendste hiervan zijn waarschijnlijk Betje Wolff, Aagje Deken en Petronella Moens. De eerste twee zijn vooral bekend geworden als schrijvend duo, de laatste is bekend geworden vanwege het feit dat zij een blinde schrijfster was. Hoofdstuk vijf gaat in op de vraag of de positie van de vrouw in de maatschappij en de literaire wereld van de negentiende eeuw veranderd is. 87

88 5. Het literaire leven in de Negentiende eeuw. 5.1 Sociale groeperingen en het sociale leven Nieuw is een woord dat de negentiende eeuw kenmerkt. Er was een nieuwe kunst ontstaan, een nieuwe economie geboren en er was een nieuwe moraal. Door al deze veranderingen die de maatschappij voor een groot deel aangenamer maakten, begonnen een hele groep mensen met het zoeken naar hun nieuwe bestaan. Dit deden zij door overzee op zoek te gaan naar een beter leven, maar ook in een nabijgelegen stad. Deze explosie van veranderingen zorgde er ook voor dat men weer vertrouwen kreeg in de toekomst en dat men met een gerust hart kinderen op de wereld kon zetten. Om aan te geven hoe groot deze golf van kinderen was, zijn hier de getallen op een rijtje. In 1815 telde Europa 200 miljoen inwoners. Een eeuw lang nam deze groep mensen toe met driekwart procent, een groei die nog nooit eerder was vernomen bij zo n grote massa. In 1914 zijn de gevolgen zichtbaar en is de populatie van Europa verdubbeld. De natuurlijke drang om naar de grote stad te trekken duurt voort en de steden worden immense bevolkingscentra. Men zag in de stad het beloofde land. In de stad waren fabrieken gevestigd. Deze fabrieken zorgden voor werk en werk betekende inkomsten. In Nederland was men niet klaar voor deze grote verandering. Steden zoals Amsterdam en Rotterdam moesten ineens aan de grote vraag naar woningen voldoen. Er werden grote uit de grond gestampte arbeiderswijken gerealiseerd. De woningen die zich in zulke wijken bevonden waren klein, slecht en onmenselijk gebouwd. Toch hadden de avonturiers die richting stad kwamen, geen andere keuze. Amsterdam telde op het hoogtepunt van die groei inwoners. Er kwamen betere leefomstandigheden door onder andere de uitvinding van het elektrische licht. Waar deze omstandigheden dus eerst fantasieën waren van de rijken, waren ze nu gemeengoed geworden. Dit zorgde ervoor dat de kwaliteit van leven drastisch veranderde in positieve zin. Toch waren deze voorzieningen niet voor iedereen vanzelfsprekend. Zo groot als de verschillen in de klassen in de zeventiende en achttiende eeuw waren, waren ze nu nog steeds. Men sprak van een middenklasse, de arbeiders, de armoedige mensen onderaan de ladder en de rijke bovenlaag. De middenklasse was een redelijk welvarende groep in de bevolking. Ondanks dat zij zich niet de extravagante fratsen van de rijkeren konden veroorloven, konden zij toch een prettig leven leiden. Zij hadden genoeg kapitaal om levensmiddelen aan te schaffen die het leven prettig en genietbaar maakten. Men had feitelijk gezien dus niets te klagen. Men had een goede woning, kon zich buitenlandse reisjes veroorloven, had vaak een dienstmeisje in huis en een rijtuigje voor de deur. Dit stond in schril contrast met de arbeiderswijken en de mensen die leefden in totale armoede. De arbeiderswijken kwamen nog het meest in de buurt van de woningen waarin vandaag de dag de zogenaamde middenklasse woont. 88

89 Het interieur en het huis van de arbeidersklasse waren uiteraard veel soberder, omdat zij minder te besteden hadden (Van Stuijvenberg 1976: 64-69). Ondanks het kleinere budget probeerde de arbeidersklasse zich te omringen met mooie spulletjes. Dit waren vaak afdankertjes van de betere kringen. Het was een schijnvertoning, want echt geld om zich die spullen te veroorloven hadden ze niet. Toch vonden de arbeiders een manier van leven die voor henzelf aangenaam genoeg was. Veel van de arbeiders hadden nooit luxe gekend en waren gewend geraakt aan een simpel leven. Misschien nam niet iedere arbeider hier genoegen mee, het veranderen was heel moeilijk. In de negentiende eeuw speelt ook armoede een grote rol. De mensen die hier last van hadden, waren voornamelijk mensen die op straat hun geld moesten verdienen. Precieze aantallen van deze groep zijn niet bekend, wel waren het allerlei soorten mensen. Van jonge meisjes tot oude mannen, van bedelaars tot kooplui. Deze groep van de bevolking is van alle tijden en ze zijn niet meer weg te denken uit de grote stad. De leefomstandigheden werden in de negentiende eeuw aan de kaak gesteld. De hoeveelheid inwoners van een stad was te groot in vergelijking met de huisvesting. In de negentiende eeuw waren er al pogingen gedaan om de huisvesting menselijker te maken. In Frankrijk rees het idee van een flat. Woningen die de hoogte in gingen, geplaatst waren aan een galerij en waren gebouwd rond een aantal centrale, gemeenschappelijke voorzieningen. Nederland nam dit idee over en zo ontstonden er in de buitenwijken van de grote steden wijken vol van deze flats. Voorafgaand aan het bouwen van deze immense woonblokken, moesten de krottenwijken worden weg gesaneerd. Ze moesten plaats maken voor de flats, maar ook voor andere voorzieningen die onmisbaar waren voor de moderne wereld. Zo werden er stations, fabrieksterreinen, brede straten en pleinen aangelegd. De mensen die moesten wijken voor al deze plannen, vertrokken vaak weer uit de stad. Voor de nieuwe flats werd een hoge huur gevraagd die men niet kon betalen. In die nieuwe flats kwam de scheiding in klassen zichtbaar terug. De rijkeren van de samenleving hoefden niet langs de verdiepingen met minder welgestelde mensen. Zij namen hun intrek op de begane grond, of de eerste verdieping in een tienkamerappartement. Hoe hoger je in de flat kwam te wonen, hoe minder welgesteld je was. Op de bovenste verdiepingen woorden vaak naaistertjes, winkelmeisjes en studenten in een enkele kamer (Van Stuijvenberg 1976:69-78). Het klassenverschil in de negentiende eeuw was duidelijk zichtbaar. Er was een diepe kloof tussen arm en rijk. Feitelijk gezien is dit geen specifiek kenmerk van de negentiende eeuw. Ook in de voorgaande eeuwen is die kloof er altijd geweest. De kloof in de negentiende eeuw is zo bijzonder, omdat de verlichte eeuw, zoveel nieuwe uitvindingen, grotere fabrieken en nieuwe producten had uitgevonden die meer rijkdom zouden moeten brengen, ook een keerzijde had. Die werd zichtbaar in de negentiende eeuw. De veranderingen in de verlichting, zorgden voor meer armoede, meer ellende en meer weerstand. De negentiende eeuw was een eeuw vol oproer en revoluties. 89

90 De arbeiders maakten gebruik van stakingen als ultiem middel om op te komen voor hun recht. Zulke acties werden echter bestraft met het ontslaan van deze mensen of door de fabriek stil te leggen. Geen werk betekende geen geld en dat betekende dat het gezin niet kon worden onderhouden. Deze middelen hielpen om de stakers weer tot werken aan te zetten (Van Stuijvenberg 1976: ). Deze methode was een veelgebruikte manier tussen Verzet tegen de levensomstandigheden en de werkomstandigheden was niet alleen iets van Nederland. Ook in de rest van Europa streden arbeiders voor hun rechten. Dit soms met doden tot gevolg. Er wordt geschat dat mensen het leven hebben gelaten bij zulke stakingen. Toch leek dit het leven van alledag niet te beïnvloeden in de rest van Europa. Er werd even bij stil gestaan, maar het was al snel iets wat mensen weer waren vergeten. Op den duur heeft het wel effect gehad, alle stakingen en optochten. Waar in 1871 nog werd gestaakt voor een werkdag van maximaal tien uur, was men in 1890 actief voor een achturige werkdag. Zoals het bij alle betogingen en protesten gaat, staan niet alle arbeiders achter de eisen. Veel arbeiders vonden het prima om twaalf uur of zelfs meer te werken, want hoe meer uur, hoe meer loon. De lonen stegen in 1890 met een paar procent. Ondanks dat men toen gemiddeld drieëntwintig gulden per week verdiende, werd de stijging aangenaam ontvangen. Ook vrouwen waren actief in de arbeidersklasse. Men moest immers alle zeilen bij zetten om een inkomen voor een gezin te verdienen dat toereikend was. Zoals in alle voorgaande eeuwen, had de vrouw niet evenveel rechten als de man. Vrouwen konden slechts vier tot vijf gulden per week verdienen voor dezelfde werkzaamheden. Veel vrouwen gingen op zoek naar een baan als dienstmeisje bij een rijke familie. De werkomstandigheden waren hier beter, maar het verdiende nog minder. Hier namen zij vaak genoegen mee, als zij maar weg konden uit de ongezonde werkomgeving van de fabriek (Van Stuijvenberg 1976: ). Door het harde werken en het ontbreken van een goede opleiding, was het analfabetisme in Nederland een verschijnsel dat een groot deel van de bevolking in zijn macht had. 5.2 Analfabetisme, onderwijs en het lezerspubliek Vóór duidelijk kan worden gemaakt hoe het literaire leven in de negentiende eeuw eruit zag, is het niet onbelangrijk om stil te staan bij het analfabetisme dat in de negentiende eeuw nog aan de orde van de dag was. In vergelijking met andere landen in de wereld liep Nederland voorop bij het kunnen lezen. Voor deze koppositie zijn twee redenen aan te wijzen. De heersende geloven in Nederland en vooral het protestantisme drongen aan op het lezen van de Bijbel in het gezin. Dit droeg bij aan de hoeveelheid mensen die konden lezen. Ten tweede was de verbetering van het onderwijs en de daarmee gepaard gaande leerplicht een grote bevordering voor het aantal lezende burgers. 90

91 Al voordat de leerplicht was ingevoerd, was het mogelijk om kinderen naar school te sturen. Zowel de overheid als de Maatschappij tot Nut van t Algemeen hebben hieraan bijgedragen. Wanneer iemand geen analfabeet was, wilde dat nog niet zeggen dat diegene ook veel boeken las. Ook hier zijn een paar oorzaken voor aan te wijzen. Veel van de mannen, maar ook de vrouwen en kinderen moesten in de fabriek werken om hun gezin te kunnen onderhouden. Deze mensen maakten dagen van soms wel twaalf uur of langer. Om in hun vrije tijd dan nog te gaan lezen deden er maar weinig. Daarnaast waren de voorzieningen binnenshuis niet aangepast aan het lezen van boeken. Als men wilde lezen moest men dat doen bij een olielamp of kaars, aangezien gaslicht nog een kostbaar goed was. Dit zorgde voor vermoeide en slechte ogen en brillen waren niet betaalbaar voor de arbeidersklasse. Daarnaast waren boeken in de negentiende eeuw duur (Mathijsen 1987: 5-7). Zoals al eerder aangestipt speelde het onderwijs een belangrijke rol in het leren lezen. Tussen 1868 en 1886 werd vrijwel overal de leerplicht ingevoerd (Van Stuijvenberg 1976: 120). Er waren drie soorten scholen waar kinderen in die tijd naartoe konden. Hierbij speelde het onderscheid in verschillende sociale klassen een grote rol. De kinderen uit de burgerstand bezochten eenmansscholen. Dit waren scholen waarbij leerlingen van alle leeftijden en zowel jongens als meisjes in één lokaal zaten. Deze klassen konden oplopen tot zeventig kinderen in één klas. Het lokaal was vaak gevestigd in het huis van de meester en door middel van lijfstraffen werd het de kinderen aangeraden zich te gedragen. Kinderen van ouders die ruimer in het geld zaten, kregen les op een kostschool, of kregen thuisonderwijs van een gouverneur. Hierdoor kregen de kinderen voldoende aandacht en had men het vermoeden dat dit het best zou werken voor de ontwikkeling van het kind. Kinderen van de armste gezinnen gingen niet naar school. De ouders van deze kinderen probeerden hun kinderen hier en daar wat levenslessen bij te brengen, maar gericht onderwijs volgden zij niet (Mathijsen 1987: 7). Ondanks dat er al tijden plannen waren om het onderwijs te verbeteren, was het in het begin bedroevend slecht. Daarnaast was er een tekort aan scholen en bovenal aan kwalitatief goede onderwijzers. Ondanks dat de leerplicht verplichtte dat een kind op school aanwezig was, werd er maar nauwelijks gecontroleerd of dit ook echt zo was. Door deze nalatigheid was er geen structuur in het systeem. Om een duidelijke grens te trekken werden alle jongens en meisjes op hun twaalfde al van school gehaald. Zo kreeg de school ruimte voor andere leerlingen en konden de kinderen meewerken voor het gezin (Van Stuijvenberg 1976: ). Omstreeks het eind van de achttiende eeuw begon er verandering te komen. Aangespoord door de ideeën van de Verlichting, ging men ook andere eisen stellen aan het onderwijs. Men eiste onderwijs dat meer gericht was op de verstandelijke ontwikkeling. In het onderwijs dat door de Romantiek was geïnspireerd ging men uit van het natuurlijke vermogen van het kind en werden lijfstraffen niet getolereerd. 91

92 Echter, regels voor het onderwijs bestonden er nog niet. Dit veranderde in de Franse tijd. Men constateerde toen dat onderwijzers zelf geen opleiding hadden gevolgd en dat er geen aangepaste leermiddelen voor de kinderen waren. Er zou dus een opleiding moeten komen voor onderwijzers, zodat zij hun opgedane kennis door konden geven. Ook was men ervan overtuigd dat het onderwijs een staatsaangelegenheid moest worden. De staat moest het onderwijs subsidiëren zodat iedereen naar school kon. Deze ideeën werden doorgevoerd en er kwamen veel veranderingen in het onderwijs. De lijfstraffen vervielen en het klassikaal lesgeven werd geïntroduceerd. Mochten de basisjaren zijn doorlopen dan kon men ervoor kiezen om verder te gaan binnen het onderwijs. Hierna kon je de Franse school volgen waar aandacht werd besteed aan aardrijkskunde en Latijn. Op deze Franse scholen was geen plaats voor meisjes, die kregen een speciale onderwijsinstelling, de MMS (Mathijsen 1987: 8-11). Aan de leerplicht zaten naast de spijbelproblematiek en de chaos in het beleid echter ook positieve kanten. De positieve kanten hebben vooral betrekking op het toegankelijk worden van kranten en boeken. In 1900 werden er dubbel zoveel boeken gedrukt als in 1880 en ook het aantal kranten werd in die twintig jaar verdubbeld (Van Stuijvenberg 1976: 121). De boekjes die op school werden gelezen en gebruikt hadden voornamelijk als doel verschillende deugden bij te brengen. Het werd belangrijk geacht dat de kinderen van toen godsdienstig, vlijtig, dankbaar en voorkomend zouden zijn. De boekjes die hiertoe dienden konden individueel of klassikaal worden doorgenomen. De boekjes werden gezien als een vorm van lectuur, op de middelbare school ging men over tot het lezen van literatuur. Dit gebeurde in de les Nederlands. De werken die in de negentiende eeuw in de literatuurlessen werden gebruikt, worden nog steeds als toonaangevende werken beschouwd. Deze lessen waren wel uiterst normatief. Op basis van het waardeoordeel van de leraar werden de boeken onderverdeeld in goede en slechte boeken. Dit gebeurde op basis van een moralistisch uitgangspunt. Werken die een belangrijke levenslet bevatten werden tot de literatuur gerekend, mits ze in een goede vorm waren geschreven. Zoals duidelijk zal zijn, is dit allemaal zeer subjectief (Mathijsen 1987: 12-14). Naast het feit dat De Maatschappij tot Nut van t Algemeen een grote bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van het onderwijs, speelt het ook een belangrijke rol bij het toenemende aantal lezers. Het Nut werd opgericht in 1784 door een predikant. De doelstelling die achter elk van hun beslissingen en ideeën zat, was het vormen van een betere maatschappij, die bereikt kon worden door mensen een goede ontwikkeling te bieden. Het Nut werd voorgesteld als een organisatie waarbij iedereen lid kon worden. In praktijk viel deze toegankelijkheid tegen, het hoge lidmaatschapsgeld maakte dat veel mensen van het gewone volk geen lid konden worden. De meeste leden kwamen uit de middenklassen. Denk hierbij aan kleine notabelen, dominees, onderwijzers en winkeliers. 92

93 De organisatie had een aantal idealen waarbij het belangrijk was dat iedereen kon lezen om deze idealen te kunnen verwezenlijken. Er kwam bij het Nut dus een grote aandacht voor het lezen. Het analfabetisme werd bestreden door te beginnen bij de scholen. Daarnaast werden er ook volksbibliotheken opgericht waar mensen volksboekjes konden lenen. In het eerste jaar van de eerste volksbibliotheek, opgericht in 1794 in Haarlem, werden er al driehonderd mensen lid. Deze bibliotheken werden door vrijwilligers gedreven. In deze bibliotheken bepaalde het Nut welke boeken er konden worden geleend. Alleen goede en degelijke lectuur was toegestaan. Werken zoals sensatieromans en detectives werden geweerd. Een groot budget hadden de bibliotheken niet, en de werken waren niet erg up-to-date. De lezers waren redelijk snel uitgekeken op de boeken die voor hen werden geselecteerd door het Nut. In 1865 werd er een centrale bibliotheek opgericht. In deze bibliotheek was het mogelijk om meerdere genres te lenen en hier ging voor veel mensen dan ook de voorkeur naar uit. De doelstelling van het Nut was dus maar voor een deel bereikt. Men was wel gaan lezen, maar las ook werken die ze van het nut niet mochten lezen. Naast organisaties die het lezen stimuleerden waren er ook mensen anti-lezen. Hieronder vielen voornamelijk dominees en andere gezagsdragers. Zij zagen in het toenemende aantal lezers een gevaar en vreesden voor verregaande gevolgen. Het lezen van het volk zou een bedreiging zijn voor de gevestigde maatschappij, wat zou leiden tot eventuele revoluties en oproering. In de tweede helft van de achttiende eeuw begonnen gezagsdragers te beseffen hoe belangrijk het was als het volk kon lezen en dan voornamelijk de arbeiders. Dit leidde tot het oprichten van de Maatschappij voor de Werkende Stand. Er werd geoefend op lezen, schrijven en spreken in het openbaar. Er werd dus een heleboel gedaan om ervoor te zorgen dat het volk kon lezen. Boeken werden populairder. Vanwege de strenge regels op het gebied van de inhoud van werken, kwam het ook voor dat er boeken werden verboden. De boeken die verboden werden voldeden vaak niet aan de twee eisen die gesteld werden. Boeken mochten geen politieke opvatting bevatten die niet overeenkwam met die van de regering en de boeken mochten geen pornografische inhoud hebben. Zulke werken liepen de kans verboden te worden. Preventieve censuur was er in Nederland in de negentiende eeuw niet, alles mocht gedrukt worden, maar men liep na het drukken de kans om gearresteerd te worden als het werk aanstootgevend werd gevonden (Mathijsen 1987: 15-24). Toch bleven de werken gewoon verschijnen en de groeiende hoeveelheid duidt erop dat er een lezerspubliek moet zijn geweest voor al die werken. In de negentiende eeuw was het lezerspubliek niet alleen groter geworden, maar het was ook meer divers van samenstelling in vergelijking tot de voorgaande eeuwen. Vrouwen uit de negentiende eeuw lijken meer te lezen dan de mannen. Hierbij moeten de jonge ontwikkelde mannen buiten beschouwing worden gelaten, want die lazen voor hun kennis, niet voor hun plezier (Mathijsen 1987: 26). 93

94 In Nederland is er een maatschappelijke tweedeling wanneer het gaat om het lezerspubliek. Er zijn gegoeden en armen. Zoals bij veel van de besproken onderwerpen uit dit hoofdstuk speelt het verschil in klasse een grote rol. Van deze twee groepen, moet de sociale arbeidersklasse in de eerste helft van de negentiende eeuw buiten beschouwing worden gelaten. Gezinsbudgetten bieden weinig ruimte voor de aanschaf, of het lenen van een boek. Ook het onderwijs kon deze groep nauwelijks of niet bereiken. Voor avondonderwijs ontbrak de motivatie en de energie vanwege de slopende werkdagen. Voor de mensen die wel onderwijs genoten had lezen vaak geen prioriteit (Luger 1986: 48-49). In de hoogste standen las men voornamelijk Franse werken. Specifieker: men las voornamelijk Franse romans. Gedurende de negentiende eeuw waren de romans zeer populair. Dit was niet alleen zo in Nederland, ook in bijvoorbeeld Frankrijk. Hier schreven Zola, Dumas en Goncourt veel van de bekende romans. Waarom het publiek zo op de buitenlandse romans was gesteld is een moeilijk te beantwoorden vraag. In de buitenlandse uitgaven kwam gewoonlijk meer erotiek voor dan in de Nederlandse uitgaven, maar dit lijkt geen doorslaggevend criterium te zijn. In de middenklassen was men in de loop der tijd ook gewend geraakt aan lezen en deed men volop mee aan deze nieuwe golf. Deze, toch wat meer eenvoudige mensen, richtten zicht voornamelijk op vertaalde, en oorspronkelijk uit Nederland afkomstige historische romans. Naast deze werken, die behoren tot de literatuur, had de middenklasse ook toegang tot semi-literatuur. Dit waren werken die niet meer in de literaire canon zijn te vinden. Deze werken kocht men in de boekwinkel. Ook de hoeveelheid poëzie die gelezen werd in deze klasse, moet niet worden onderschat. De middenklassen waren fanatieke beoefenaars van het poëticale genre. Men leerde de gedichten uit het hoofd en droeg deze voor. Ook in de laagste laag van de samenleving werd er sporadisch gelezen. Binnen deze groep was het analfabetisme het meest aanwezig. Dit nam niet weg dat er een groep binnen deze mensen was die zich tegoed deden aan een vorm van gebruiksliteratuur. Deze literatuur is niet opgenomen in de canon en er is zeer weinig van overgeleverd. Marskramers en venters verkochten deze werken, welke volgens sommige onderzoekers niet behoren tot de echte literatuur. Het waren vaak alleen prenten die versierd waren met goedkope houtgravuren. Dit lezen was belangrijk voor de ontwikkeling van de maatschappij. In de volgende paragraaf wordt ingegaan op een bijzonder genre binnen de negentiende eeuw dat zeer populair is geweest (Mathijsen 1987: 26-28). 94

95 5.3 Genres, verspreiding en genootschappen In de negentiende eeuw namen de sociale romans en de sociale novelles een belangrijke plaats in binnen de literatuur. Door alle veranderingen die de verlichting met zich meebracht, ging men boeken gebruiken om de drager te zijn van de nieuwe ideeën. De roman, die in eerste instantie niet tot de literatuur gerekend werd, was een voorbeeld van een drager van politieke ideeën. Binnen het genre van de roman is de interventionistische populair in zijn soort. De interventionistische roman is een werk waarin de politiek centraal staat. Men probeert door middel van interventie, vaak is dit oorlog, een politiek oogmerk te bereiken. Door middel van deze romans probeerden onder andere Charles Dickens met behoud van de bestaande grondslagen te zoeken naar een vreedzame weg om aan de industriële anarchie te ontkomen. De verspreiding van de werken in Nederland ging een stuk eenvoudiger en sneller dan in de voorgaande eeuwen. Deze snellere manier van productie verklaart het stijgende aanbod en verklaart waarom er steeds meer mensen in aanraking kwamen met boeken. Voornamelijk na 1850 werden boeken een massaproduct. In Nederland kwam dit proces maar langzaam op gang. In het begin van de eeuw werden machinale persen al uitgevonden maar de Nederlanders maakten er halverwege de negentiende eeuw pas kennis mee na de wereldtentoonstelling in Londen in Een aantal van de uitvindingen die het boekdrukken eenvoudiger hebben gemaakt zijn van groot belang. Deze uitvindingen en ontdekkingen zullen nu kort worden besproken. Het eerste wat van belang was, was het papier. Nederland en dan voornamelijk Amsterdam stonden bekend om handgeschept papier van een uitstekende kwaliteit. Voordat deze manier werd toegepast, werd papier van lompen gemaakt. Dit was een zeer arbeidsintensief proces en het was duur vanwege de prijs van de grondstof. Naast het papier speelde ook de drukpers een belangrijke rol. Zoals al eerder is beschreven was met de uitvinding van de boekdrukpers een uitvinding geboren die de productie van boeken vereenvoudigde. Deze pers was in de beginjaren van hout. Deze pers werd in de loop van de negentiende eeuw vervangen door een ijzeren pers. Het grootste voordeel was, dat de bedieners van deze pers, de drukkers minder kracht hoefden te zetten om de letters mooi op papier te krijgen. Door deze ontwikkeling lag het tempo veel hoger dan in het begin van de uitvinding. Ondanks dat de ijzeren drukpers het werk lichter maakte, was het nog steeds een arbeidsintensief proces. Dit lag voornamelijk aan de tijd die verloren ging aan het zetten van de letters. De zetter gebruikte letters van lood en zette die in spiegelbeeld in een houten raam. Als er een pagina klaar was, werden de letters opnieuw gebruikt en begon het werk weer opnieuw. Dit had als nadeel dat als er een nieuwe druk nodig was van een boek, alle letters opnieuw moesten worden gezet. Een tweede probleem lag in de capaciteiten van de zetter. Wanneer hij het handgeschreven manuscript niet exact kon lezen, pakte hij de letter waarvan hij dacht dat die het moest zijn. Dit zorgde voor onzorgvuldigheden. 95

96 In de tweede helft van de negentiende eeuw, was er de mogelijkheid tot het bewaren van de houten ramen met letters, zodat een herdruk van een werk minder tijdrovend was (Mathijsen 1987: 39-41). Deze eenvoudigere manieren om een werk te drukken droegen bij aan het verspreidingsproces. In de achttiende eeuw kwamen er bibliotheken waar men werken kon lezen, maar er waren ook leesgezelschappen. Deze leesgezelschappen werden ook wel de rederijkerskamers genoemd. Dit is een groep mensen die samen literatuur, poëzie en toneel bespreekt en voordrachten geeft. Over het algemeen kent men het fenomeen rederijker uit de Middeleeuwen of de zeventiende eeuw. Rederijkerskamers uit de negentiende eeuw, zijn vaak bij het grote publiek onbekend. De rederijkerskamers baseren zich op een conventie waar men vindt dat poëzie niet in stilte of in eenzaamheid gelezen moet worden, maar dat het werk pas echt tot zijn recht komt wanneer het in gezelschap wordt voorgedragen (Westers 2003: 25-26).Deze voordrachten in het openbaar, dienen een tweeledig doel. Diegene die het gedicht voordraagt leert te spreken in het openbaar en door te spreken in het openbaar kunnen ook andere mensen kennis maken met de grote werken uit de Nederlandse poëzie. In het begin van de rederijkerskamers heeft het geheel nog een informeel karakter. Notulen van vergaderingen werden bijvoorbeeld nog niet bijgehouden, doelstellingen van de kamer waren er al helemaal niet. In eerste instantie hielden de kamers zich bezig met het verbeteren van toneelstukken. In 1840, toen de eerste rederijkerskamers werd opgericht, was er een crisis rond het nationale toneel. De voordrachten in de Schouwburg van Amsterdam waren onder niveau en de verontwaardiging hierover nam toe. De oprichting van de rederijkerskamers zou hier verbetering in moeten brengen. In 1846 werd Floris V opgevoerd. Dit was de eerste officiële rederijkersvoorstelling met publiek in Nederland in de negentiende eeuw. Door alle positieve respons besloten ze de deuren te openen, zodat men vaker voorstellingen met publiek kon opvoeren. De toneelstukken van toen hadden veel weg van poëzie. Ze waren op rijm geschreven en konden worden voorgedragen. Door de manier van werken wakkerden de rederijkerskamers het enthousiasme voor de klassieke treurspelen weer aan. Na de beginjaren van de kamers gingen zij zich toespitsen op meerdere activiteiten. Men concentreerde zich vooral op het geven van lezingen, het bevorderen van het niveau van de improvisatie en het uitvoeren van schrijfoefeningen. De lezing, die ook wel verhandeling wordt genoemd, kwam altijd direct na het reciteren van de gedichten. In deze lezingen werd er door leden van de kamer naar verschillende gedichten gekeken en maakte men daar vervolgens een lezing van. Deze lezing kon niet uitgroeien tot een verplicht onderdeel omdat veel leden van de kamers zeiden dat ze het te druk hadden met andere werkzaamheden. 96

97 De tweede activiteit die zeer belangrijk was, was het improviseren. Dit achtte de rederijkerskamers als een soort nuttig talent, dat in het dagelijkse leven vaak van pas kon komen. Het was een activiteit die hoog op de agenda stond. Door middel van het improviseren kon men in lastige situaties altijd terugvallen op een zeker zelfvertrouwen, dat men via het oefenen van het improviseren verkreeg. Ook werden er binnen de rederijkerskamers schrijfoefeningen en leesoefeningen georganiseerd. Ondanks dat de mondelinge overdracht centraal stond in het beleid werd er toch aandacht besteed aan het gesproken woord. Wanneer de rederijkerskamers een gevestigde orde waren, werd er nagedacht over nieuwe activiteiten om de oude eventueel te vervangen. De serieuze en leerzame kant van de kamers heeft nog niet genoeg opgebracht en leek geen succes te zijn (Westers 2003: 26-38). De opkomst van veel rederijkerskamers in de negentiende eeuw ging ontzettend snel. Hier vallen de leesgezelschappen, zoals beschreven in het vorige hoofdstuk, niet onder. De opmars van de rederijkerskamers was indrukwekkend omdat deze kamers in een klein tijdsbestek zeer groot werden. In de negentiende eeuw waren er ruim negenhonderd gezelschappen (Westers 2003: 49-50). Deze gezelschappen waren verspreid over het gehele land, het was dus niet per definitie een fenomeen van de grote stad. Vanaf de twintigste eeuw werd de naam rederijkerskamers vooral vervangen door een meer hedendaagse term: toneelvereniging. De oorsprong van de rederijkerskamers gaat lange tijd terug. De meeste van deze kamers begonnen als vriendengroep en groeiden langzamerhand uit tot een geformaliseerd genootschap. In dezelfde tijd als de rederijkers, waren er ook veel letterkundige genootschappen actief in het land. Deze letterkundige genootschappen groeiden soms uit tot rederijkerskamers. Dit was ook het geval bij het letterkundig genootschap Oefening Kweekt Kennis. Dit was de basis van het eerste plaatselijke rederijkersgezelschap. Dit gezelschap las poëzie en toneel en ging het op den duur ook opvoeren. Het publiek bij deze opvoeringen bestond echter vaak uit leden van het genootschap zelf. Naast deze letterkundige genootschappen waren er ook multidisciplinaire gezelschappen. Dit waren gezelschappen die zich met meer disciplines bezig hielden dan alleen de letterkunde. Ook deze gezelschappen waren een interessante voedingsbodem voor de rederijkerskamers. Binnen deze genootschappen leidde het voordragen een onofficieel bestaan. De beoefening van de voordrachtskunst groeide binnen deze genootschappen uit tot een specialisme, wat later bij de rederijkerskamers ook zo zou zijn (Westers 2003: 50-74). Al deze vormen van toekomstige rederijkers en de al bestaande rederijkers hadden één ding gemeen. Vrouwen waren binnen deze gezelschappen niet welkom, zij hadden geen mogelijkheden om lid te worden. Dit was het geval bij zowel open als gesloten genootschappen. Bij de toneelopvoeringen speelden mannen dan ook vaak vrouwen. Voornamelijk de letterkundige genootschappen waren echte mannengenootschappen. 97

98 Deze genootschappen lieten in hun uitspraken duidelijk merken dat de vrouwen wat hen betreft buiten spel gezet moesten worden. Men was er van overtuigd dat vrouwen de groei van een genootschap zouden beperken. Op den duur konden de gezelschappen er niet meer omheen, ook vrouwen moesten een mogelijkheid krijgen om de lezingen en opvoeringen bij te wonen. Men ging onderscheid maken in de lezingen. Er kwamen heren- en dameslezingen. Hierbij was het opmerkelijk dat bij de herenlezingen, de dames niet welkom waren, ook niet als introducé, maar dat bij de dameslezingen de mannen verplicht mee moesten als introducé. Van echte openbaarheid en gelijkheid was dus geen sprake (Van den Berg 1983: ). Een tweede genootschap, de Tachtigers, was ook actief in de negentiende eeuw. Het was een groep die zichzelf niet zag als wereldverbeteraar. Hun kunst kon door de domme burger niet begrepen worden. Het begrip burger had dus een andere lading gekregen dan in de eeuwen ervoor. De burger was in de ogen van de Tachtigers gezapig, een seksuele huichelaar en vooral onartistiek. Hier wilden de Tachtigers zich dus van distantiëren. Die keken neer op de domme, zelfgenoegzame burgerij. Deze wending binnen de artistieke wereld heeft ook invloed gehad op de literaire wereld. Het leidde onder meer tot een scherpe splitsing in het lezerspubliek. De Tachtigers hebben hun ideeën steeds moeten verdedigen tegenover sceptische buitenstaanders. De grootste tegenstand wierp men op toen men stelde dat poëzie in de ogen van de Tachtigers de plaats in nam van godsdienst. Men verafschuwde het christendom in veel gevallen en men erkende maar een eredienst: de schoonheid. Toch waren de Tachtigers niet autoritair op het gebied van de kunst. In de jaren negentig van de negentiende eeuw kon men niet langer leven met het cultiveren van de hyperpersoonlijke gevoeligheden. De Tachtigers startten een zoektocht naar houvast. Omdat het Christendom toen had afgedaan begonnen zij hun heil te zoeken in andere denkrichtingen. Men had in die periode veel belangstelling voor Spinoza, een filosoof die met zijn denkbeelden erg populair was, maar men had ook interesse in de oosterse filosofieën. Een belangrijke naam binnen de Tachtigers is Willem Kloos. Kloos schreef niet alleen honderden gedichten, maar ook een tiental sonnetten. Zijn roem was voornamelijk gebaseerd op zijn sonnetten die hij in zijn eerste levensjaren op papier had gezet. Maar zo mogelijk nog belangrijker was de kritiek die Kloos leverde op het werk van tijdgenoten. De literatuurkritieken die Kloos schreef voor De nieuwe gids waren van grote invloed op de jonge generatie (Anbeek & Kloek 1981: 1-5). De eerste literatuurgeschiedschrijver die de Tachtigers opnam in zijn werk is Prinsen. Hij vestigde het beeld van een groep jongeren met een hartstocht voor revolutie die zouden zorgen voor een herleving van de Nederlandse kunst. Deze beschrijving zou nog vaak herhaald worden. Tachtig betekende een literaire revolutie. 98

99 De beweging van Tachtig maakte in één klap een einde aan de kunst van de negentiende eeuw en introduceerde de moderne variant, waaronder de moderne literatuur. Deze beweging van Tachtig was een succes. De Tachtigers brachten niet alleen een nieuw geluid op een nieuwe manier, ze brachten ook een nieuwe stijl (Van Boven 1995: 25-26). De invloed van de Tachtigers was nog tot in de jaren dertig van de twintigste eeuw te zien binnen de literatuur. Nieuwe schrijvers bouwden voort op hun ideeën of men ging er tegenin. De Tachtigers hebben lang invloed gehad (Van Boven 1995: 26). Er waren dus meerder gezelschappen actief in de negentiende eeuw. De één was nadrukkelijker aanwezig dan een andere. Wel hadden zij allen een invloed op de literatuur. Naast de gewone boeken zien we in de negentiende eeuw een snelle ontwikkeling plaats vinden binnen de tijdschriften en kranten. 5.4 Tijdschriften en kranten Naast het feit dat het drukken van boeken en het kopen van boeken een grote vlucht nam, was de negentiende eeuw ook een eeuw waarin andere geschreven communicatiemiddelen in opkomst waren. In deze paragraaf zullen de tijdschriften en de kranten worden behandeld. De krant is in de negentiende eeuw uitgegroeid tot een massamedium. Vanwege de grote vrijheid van drukpers en de dalende productiekosten kon dit proces zich in Nederland ook voltrekken. Aan het eind van de negentiende eeuw telde Nederland zesentwintig dagbladen. Door middel van sensationele verslagen van gewone gebeurtenissen moesten de oplage stijgen. Deze verhalen waren vaak niet geheel waar, of totaal gebaseerd op fabels. Maar alles leek geoorloofd voor de oplage. Niet alleen volstrekt verzonnen verhalen deden de oplage stijgen, ook realistische verhalen konden een positief effect hebben. Zowel gebeurtenissen van de seriemoordenaar Jack the Ripper als het proces tegen Dreyfus, waarbij Emile Zola zich in de strijd wierp, hadden een positieve werking. In de laatste zaak heeft de pers een zeer grote invloed gehad op de gebeurtenissen. De macht van de pers werd uitgeoefend op een zeer subtiele wijze. De lezers werden voortdurend gemanipuleerd. Het manipuleren had te maken met de grote concurrentiestrijd waarin de dagbladen toen verwikkeld waren. De kranten beconcurreerden elkaar zelfs letterlijk op leven en dood. Er waren relatief gezien veel kranten voor een klein aantal inwoners. Men moest de ander steeds overtreffen om marktleider te blijven en om de lezer geboeid te houden. In de eerste jaren van de krant was alles in zwart wit en was het hoofdbestanddeel van de krant geschreven tekst. Pas later in de eeuw, omstreeks 1880, werd er gewerkt met plaatjes en foto s. Voornamelijk de plaatjes waren een interessant medium om een boodschap over te brengen, aangezien een plaatje meer zegt dan duizend woorden, volgens een oud gezegde. Deze technieken hadden een positief effect op de verkoop van de kranten. Ook voor de analfabeten, die er nog steeds waren in die tijd, was het nieuws nu toegankelijker geworden (Van Stuijvenberg 1976: ). 99

100 Naast de kranten speelde de opkomst van de tijdschriften een belangrijke rol in de negentiende eeuw. De Spectator was een toonaangevend tijdschrift in Nederland. Aan dit tijdschrift en aan andere tijdgenoten zal aandacht worden besteed. In 1860 kwam het eerste nummer van De Spectator op de markt. De twee mannen achter de geboorte van dit nieuwe tijdschrift waren M.P. Lindo en R.C Bakhuizen van den Brink. Zij vonden dat Nederland toe was aan een tijdschrift. Ze hadden voor De Spectator twee doelstellingen. Men wilde met het blad het verband tussen de Wetenschap, de kunst en de Schone Letteren bewaren. En daarnaast wilde men de nadruk leggen op het echte Nederlandse standpunt, waarvan zij aanhanger waren (Maas 1986: 11-14). De redactie van het blad was een samenvoeging van drie redacties van andere tijdschriften. In De Spectator kwamen verschillende onderwerpen aan de orde in meerdere rubrieken. De Spectator was vanwege het actuele nieuws, de plaatjes in de vorm van de cartoons en de kwalitatief goed geschreven bijdrages, een veelgelezen blad. De titel van het blad, De Nederlandse Spectator, verwijst naar een genre tijdschriften dat in de achttiende eeuw ontstond en in diezelfde eeuw zijn bloei beleefde. De keuze van de redactie voor de titel is een gevolg van het samengaan van de drie tijdschriften. De uitgever wilde gebruik maken van de naamsbekendheid die er was voor één van de tijdschriften, voordat het tot een fusie kwam. De aspecten die het blad aan de oude spectatoriale bladen deed denken, was bijna geheel verdwenen in Eén van de meest kenmerkende trekken van het spectatoriale genre, is de burgerlijke didactische moraal. Deze is nauwelijks nog terug te vinden in De Spectator. Alleen de spectator zelf vindt men nog wel eens terug in het blad, voornamelijk op een prent. Dit is vaak alleen bij feestelijke gebeurtenissen het geval. De Nederlandse Spectator was niet het enige tijdschrift in de negentiende eeuw. In vergelijking met de andere bestaande tijdschriften heeft De Spectator een uniek karakter. Twee eigenschappen dragen aan deze uniekheid bij. De Spectator functioneert als een nieuwsblad op kunstzinnig en wetenschappelijk gebied. Daarnaast combineert het blad een aantal kenmerken van buitenlandse bladen. Naast het algemeen blad doet De Spectator er alles aan om zich ook op andere gebieden dan alleen het nieuws te richten. Dit alles werd in werking gesteld om de opkomende concurrentie voor te blijven en te overtreffen. De bladen waar de Spectator eventueel concurrentie in kon zien waren de Nederlandsche kunstbode, Onze Tolk, De portefeuille en De leeswijzer. Dit waren allemaal bladen die zich op een deel van de letterkunde en de kunst baseerden. In 1877 wordt er een tijdschrift opgericht, De Amsterdammer, dat een volwaardiger tijdschrift blijkt te zijn dan De Spectator. In het nieuwe blad wordt er ook aandacht besteed aan politieke en maatschappelijke zaken, waar het in De Spectator nog wel eens aan ontbreekt. Het ontbreken hiervan, heeft gezorgd voor veel kritiek. De Spectator was in de jaren dat het bestond voortdurend onderwerp van discussie. Zoals bij elke discussie zijn er tegenstanders en voor- en tegenstanders (Maas 1986: 40-43) 100

101 De tegenstanders van het blad bevonden zich in het antiliberale en klerikale kamp. De kritiek die men op het blad uitte, was voornamelijk van inhoudelijke aard, maar ook persoonlijke kritiek kwam vaak voor, waarbij er verdachtmakingen werden uitgesproken over de desbetreffende persoon binnen de redactie. De tegenstanders hoopten op het vallen van het doek voor het tijdschrift. Het doek valt uiteindelijk in 1908 voor het blad. Hiermee ging een pionier op het gebied van tijdschriften verloren in Nederland. Andere bladen stonden te springen om de reputatie van de Spectator te evenaren en te overtreffen (Maas 1986: 43) Naast algemene tijdschriften zoals De Spectator, waren er ook speciale vrouwentijdschriften. Voor en door vrouwen gemaakt. Vrouwentijdschriften waren niet per definitie iets van de negentiende eeuw. Tot 1800 waren er in Nederland zeven vrouwentijdschriften, waarvan er drie directe vertalingen waren vanuit het buitenland. Ondanks dat het aantal in vergelijking met het buitenland laag was, in Engeland verschenen 26 vrouwentijdschriften en in Duitsland 115, waren er wel degelijk Nederlandse vrouwen geïnteresseerd in tijdschriften. Er waren zelfs vrouwen, zoals Betje Wolff, Belle van Zuylen en Derkje Theussink, die een abonnement hadden op een tijdschrift. Zoals al eerder in dit hoofdstuk duidelijk is geworden, is dat vrouwen vaak als een aparte groep van de bevolking werden gezien. Dit had ook invloed op de tijdschriften die er werden gemaakt. In het eind van de zeventiende eeuw kwam er een tijdschriftenpers tot ontwikkeling. De tijdschriften die toen werden vervaardigd hadden vooral artikelen over wetenschappelijke zaken en bevatten in sommige gevallen uittreksels van boeken. Deze tijdschriften hadden een publiek dat voornamelijk uit geleerde mannen bestond, afkomstig uit de bovenlaag van de bevolking. Op het eerste gezicht lijkt het alsof deze tijdschriften niet hadden gedacht aan een eventueel vrouwelijk publiek. Dit is echter lastig onderzoeken of deze bladen ook voor vrouwen bestemd waren. Bladen waarvan men zeker wist dat deze ook door vrouwelijke lezers aantrekkelijk werden gevonden waren de spectatoriale tijdschriften. Het spectatoriale weekblad ontstond aan het begin van de achttiende eeuw en bevatte zoals eerder gezegd moralistische betogen over serieuze levenskwesties. Op stormachtige wijze veroverde dit type tijdschrift de markt. Kenmerkend aan deze bladen was dat een fictieve auteur, de spectator, de gewoontes en gebreken van de tijd observeerde en daar kritiek op leverde. Het blad had als doel de lezers aan te zetten tot verlichte deugdzame mensen. De werkelijke auteur bleef in dit geval altijd anoniem. Deze spectatoriale weekbladen hebben een belangrijke rol gespeeld bij het aanspreken van de vrouwelijke bevolking. De spectators hadden een grote aandacht voor de schoone sexe, de vrouw, en hebben op deze wijze het startschot gegeven voor het ontwikkelen van zelfstandige weekbladen voor vrouwen (Jensen 2001: 26-29). 101

102 De belangrijke rol die de vrouw in de spectators was toebedeeld uitte zich op vier manieren. De vrouw werd direct aangesproken als de beoogde lezer van het tijdschrift. Men ontwikkelde speciale uitgaven bij het tijdschrift voor de vrouw, of men sprak ze aan in het voorwoord. Ten tweede waren er in tijdschriften vele vrouwelijke personages terug te vinden, waaraan de lezeres zich kon spiegelen. Deze personages konden gebreken weergegeven of als het goede voorbeeld dienen. Als derde vormden de vrouwen een geliefd onderwerp van discussie. Hoe vrouwen zich dienden te gedragen of dienden te kleden waren onderwerpen die vaak aan de orde kwamen. Ten vierde plaatste het tijdschrift ingezonden brieven, welke veelal van vrouwen afkomstig waren. Men gebruikte vrouwelijke personages als vertelinstantie en tot slot waren er bij het tijdschrift enkele vrouwelijke leden van de redactie (Jensen 2001: 29-30). Vanaf het begin van de jaren tachtig in de negentiende eeuw verschenen de eerste Nederlandse tijdschriften. De vertaalde tijdschriften worden hierbij buiten beschouwing gelaten. Algemeene Oeffenschool der Vrouwen, De Dames-Post, Weekblad voor vrouwen en De Recensent voor vrouwen zijn hier voorbeelden van. Deze tijdschriften waren onderhevig aan een snel veranderende markt en ze bestonden dan ook niet lang. Over deze tijdschriften, de redacties van de tijdschriften en de inhoud is weinig bekend. Slechts van twee van bovengenoemde tijdschriften zijn er afleveringen overgeleverd. Van veel van deze tijdschriften wordt gedacht dat zij een aantal terugkerende rubrieken had. Hierbij moet gedacht worden aan aardrijkskunde, historiekunde, zedenkunde en huishoudkunde. Door het combineren van huishoudelijke onderwerpen, met meer wereldse thema s was het blad een combinatie van nut en vermaak. De doelgroep die de tijdschriften wilde bereiken was voornamelijk die van de jonge, ongehuwde vrouw. Deze was nog jong en onwetend en zou dus veel hebben aan de inhoud van het blad. Maar de redactie spoorde ook oudere, reeds gehuwde vrouwen aan om het blad ter hand te nemen. Behalve het amusement dat veel van de vrouwentijdschriften probeerden te bieden, probeerden deze bladen ook een specifieke gemeenschap te creëren. Zo konden de bladen een doelgroep voor zich winnen die ze een lange tijd zouden behouden. De opmars van de vrouwentijdschriften in Nederland was zoals eerder al aangestipt, in vergelijking met de andere landen van Europa, traag te noemen. Hierbij speelt de kleine omvang van het taalgebied een grote rol. Bladen die in Engeland werden gedrukt en uitgegeven werden door andere landen vertaald en verspreid. Dit gebeurde met de omringende landen van Nederland op grote schaal. In Nederland was de afzetmarkt klein. Alleen in een klein deel van België konden Nederlandse tijdschriften worden uitgegeven. Deze kleine afzetmarkt heeft een explosieve groei in de weg gestaan. Moeilijk is het om te suggereren wat de Nederlandse vrouwentijdschriften teweeg hadden kunnen brengen indien de afzetmarkt groter was (Jensen 2001: 40-51). In de wereld van de tijdschriften hadden de vrouwen dus duidelijk een invloed. In de volgende paragraaf komt de invloed van de vrouwen op het literaire veld aan bod. 102

103 5.5 Vrouwen in de literaire wereld Al in de zeventiende en achttiende eeuw was er een groeiend verzet tegen de geleerde vrouw. In die eeuwen was het gebruikelijk dat het werk van de vrouw ingebonden werd bij het werk van hun man of een mannelijke vriend. In de loop van de achttiende eeuw kwamen er echter steeds meet zelfstandige publicaties van vrouwelijke auteurs. Door de nieuwe mogelijkheden groeide het geloof in hun eigen kunnen. Er werden in de achttiende eeuw zelfs een aantal genootschappen opgericht speciaal voor vrouwen. In de loop van de jaren, kreeg men ook een minder afwijzende houding ten op zichte van deze ambitieuze vrouwen. Dichtende en schrijvende vrouwen konden op sympathie rekenen (Streng 1997: 5). De thema s die veel van deze vrouwen in hun werken aan de orde stelden, was de gelijke behandeling die zij voor ogen hadden. Vrouwen wilden toegang krijgen tot scholing en wilden zo evenveel mogelijkheden creëren als hun mannelijke tijdgenoten. Waar de mannen eerder in de eeuw discussieerden over de mogelijkheid voor vrouwen om toe te treden tot de politiek, keerde het tij zich weer en werd vrouwen weer de toegang tot de politiek ontzegd. In de negentiende eeuw ontkende men niet dat er vrouwen waren met talent, alleen dacht men dat er voor geleerdheid specifieke vermogens nodig waren, die bij vrouwen per definitie ontbraken. De vrouw komt in een geïsoleerde wereld terecht. Haar eventuele grootheid en talent moest ze tonen in een ondergeschikte werkkring. Anders dan de kring van de mannen. In de eerste helft van de negentiende eeuw verscheen er een stortvloed van gedichten, geschreven door mannen, die schreven over vrouwen. Dit waren gedichten over de vrijblijvende idealisering van de vrouw. Wetenschappelijk werk geschreven door vrouwen werd in literatuurgeschiedenissen of tijdschriften weinig besproken. Wel was het zo dat als het werk besproken werd, het vaak gepaard ging met veel commentaar op de vrouw in plaats van op het blad. De verschillen tussen de beide sekses waren voornamelijk gebaseerd op de theorie van Imanuel Kant. Voor de beide geslachten had hij een aantal kenmerken en werkzaamheden op een rij gezet. Ondanks dat de geslachten in eerste instantie worden beschreven als anders, maar wel gelijkwaardig, wordt al snel de hoog-laag-terminologie toegepast. Waarbij de mannelijke waarden als het hogere worden gezien en de vrouwelijke waarden als de lage. Vrouwen kregen waarden toebedeeld als schoonheid, bevalligheid, ijverig, en een huishoudelijk leven. De waarden van mannen waren onder andere, denken, weten, geest, zelfstandig en doorzettingsvermogen. Dit noemde Kant de geslachtskaraktertheorie. De invloed van deze denkbeelden waren in Nederland zeer duidelijk zichtbaar (Streng 1997: 6-19). Voor een deel is deze nieuwe theorie een voorzetting op de oude denkbeelden over de vrouw die men kent uit de Middeleeuwen. De meeste jonge dichters en critici sloten zich aan bij de seksenleer. Dit zag men dus terug in de werken die er verschenen in die periode. 103

104 Tegelijkertijd met het verspreiden van de karaktertheorie, groeide de afkeer tegen vrouwen. Dit bereikte een hoogtepunt omstreeks 1815, waarna er steeds andere geluiden klinken. Na deze piek heeft de vrouw toestemming om te schitteren in de huiselijke kring. Naar buiten treden met een talent is nog steeds niet aan de orde. Op vele vlakken liep Nederland achter in vergelijking met buitenlandse landen. De eerste aanval op het gelijkheidsprincipe komt van Duitsland en Frankrijk. In de jaren dertig van de negentiende eeuw streden er vrouwen in Duitsland en Frankrijk voor vrouwenemancipatie. Voordat deze beweging Nederland bereikt zijn we een decennium verder. In Nederland maken de gevestigde autoriteiten zich niet druk om deze aandachttrekkende vrouwen. In Nederland zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen niet dusdanig groot dat Nederlandse vrouwen de behoefte lijken te voelen om te gaan strijden voor hun rechten. In Nederland waren de omstandigheden voor de vrouw zo slecht nog niet (Streng 1997: 19-23). De schrijvende vrouwen in Nederland kregen tot op zekere hoogte de ruimte om hun werken te publiceren. Rond 1830 zijn er echter weinig schrijvende vrouwen van wie de werken met regelmaat worden gepubliceerd. De vrouwen die schrijven, richten zich vooral op het vrouwelijke geslacht als leespubliek. De vrouwen gaan vooral te werk in het domein van de roman.de huiselijke roman is een genre dat uitstekend past bij de leefwijze van vrouwen in de negentiende eeuw. In de huiselijke roman wordt het privé-leven van de auteur beschreven waarbij emoties en gevoelens een belangrijke rol spelen. Tot veel meer dan bovenstaande prestaties waren vrouwen volgens de mannen niet in staat. Het was toen algemeen bekend dat vrouwen het vermogen misten om boven de beschrijving uit te stijgen en oorzaken te analyseren. Het genre van de politieke roman, dat rond de jaren veertig wordt gevormd is dan ook geen vrouwenkwestie. Deze mening is gevormd door de mannen binnen de samenleving. Vrouwen lieten zich uiteraard niet vaak negatief uit over de eigen sekse. De mannen staken hun mening niet onder stoelen of banken. Zij waren van mening dat vrouwen niet konden oordelen over politieke kwesties omdat zij niet werden geacht in het maatschappelijke leven te verschijnen. Hierdoor konden zij niet over politieke kwesties schrijven en al helemaal niet oordelen. Het is duidelijk dat er nog al wat eisen zijn waaraan een vrouw moet voldoen. Aan romans van vrouwen werden andere eisen gesteld dan aan die van mannen. Dit had alles te maken met het verwachtingspatroon. Het was niet gebruikelijk om de romans geschreven door vrouwen heel streng te beoordelen, omdat dat niet eerlijk was ten op zichte van hun mannelijke collega s. De periode van 1850 tot 1848 zag er dus uit zoals het bovenstaande is beschreven. Streng (1997) deelt de negentiende eeuw, in twee tijdvakken in. Het tweede tijdvak duurt van Deze periode zal nu aan bod komen. 104

105 1848 is een belangrijk jaartal binnen de negentiende eeuw. Het is het jaartal waarin er in Europa verschillende opstanden uitbreken. De angst voor een revolutie laait ook in Nederland op. De vrouw in die periode werd geacht zich terug te trekken in gesloten kringen. Het herstellen van de huiselijke waarden wordt gezien als een belangrijk middel in het afwenden van de revolutiegeest. Het gezin als hoeksteen van de samenleving zorgt voor een nieuwe waardering voor de positie van de vrouw. In Nederland is dit duidelijk zichtbaar. Steeds wordt benadrukt dat zij binnen het gezin een onmisbare schakel is. In de jaren vijftig van de negentiende eeuw verschijnen er veel artikelen over de cruciale rol van de vrouw binnen het gezin. Bij het opvoeden van kinderen tot ordelijke, vlijtige burgers was de vrouw onmisbaar. Door zich te richten op het opvoeden, dient men niet alleen een individueel belang, maar ook het maatschappelijke belang. Belangrijke zonen waren immers zo geworden door de opvoeding van hun moeder. Naast de opvoedkundige taken en het belang hiervan, was de vrouw ook een belangrijk tegengewicht in een wereld die geregeerd wordt door mannen en waarin materiële waarden overheersen. Vrouwen waren, volgens andere vrouwen, precies datgene dat de maatschappij nodig had, om de realiteit niet uit het oog te verliezen en de maatschappij niet teveel laten verharden. Vrouwen kregen dus meer aanzien binnen de maatschappij (Streng 1997: 24-44). Maar kregen de vrouwen ook meer invloed op het literaire veld. Zoals in de vorige paragraaf duidelijk naar voren kwam, is dat vrouwen in de tijdschriftenhandel gedurende de negentiende eeuw een aanzienlijk aandeel voor hun rekening namen. In combinatie met de hernieuwde waardering voor de vrouw en haar rol binnen de maatschappij, staat het bezwaar tegen werken van vrouwelijke auteurs. Steeds meer verhandelingen komen er op de markt die proberen te bewijzen dat vrouwen niet geschikt zijn voor het schrijverschap. Deze twijfel was voornamelijk gebaseerd op de vraag of het schrijverschap wel met het huwelijk en met de taak als huisvrouw gecombineerd kon worden. Daarnaast hadden de mannen ook kritiek op de vrouwelijke schrijfwijze. Omdat het voor vrouwen in de jaren dertig van de negentiende eeuw mogelijk was om ook te schrijven, buiten hun eigen huishouden om, stelden de mannen steeds hogere eisen aan hun romans. Deze eisen waren voornamelijk gebaseerd op de zedelijkheid en op de beschrijving van de eventuele vrouwelijke personages (Streng 1997: 55-63). Vrouwen schreven in de achttiende eeuw voornamelijk vrouwenromans. Deze vrouwenromans zijn in paragraaf 5.3 reeds beschreven. In de volgende drie paragrafen zullen er drie vrouwen worden besproken die kenmerkend zijn voor de achttiende eeuw en de opvattingen over vrouwelijke schrijfsters. Zowel Aletta Jacobs, als Mina Kruseman en Hélène Swarth hebben allen een andere invloed gehad op het literaire veld en op de maatschappij van de negentiende eeuw. 105

106 5.6 Mina Kruseman Kruseman werd in 1839 geboren in Velp, als dochter van een generaal-majoor en een huisvrouw. Door middel van brieven die zij aan haar naaste vrienden schreef is er veel bekend over Kruseman. In deze paragraaf zal er een schets van haar leven ontstaan, opgemaakt uit die brieven, waarnaar de precieze verwijzingen achterwege zullen blijven. In een gezin met drie andere zussen had Kruseman het zwaar, maar ze was wel intens gelukkig. Ze leefde in een familie die veel heeft gereisd en heeft verhuisd. De kleine dingen die in een gezin het grootste geluk konden brengen beleefde Kruseman zeer intens. Het plukken van roze bloemen in Indië en meer van dit soort kleine activiteiten scheppen veel vreugde in haar jonge jaren. Met haar vader had zij een minder goede band. Haar moeder is overleden toen Kruseman zeer jong was en ook één van haar zussen kwam jong te overlijden. De overige twee zussen vormden een hecht koppel en dus waren Kruseman en haar vader op elkaar aangewezen. In de jeugdjaren van Kruseman was er veel ruimte voor culturele vorming en muzikale ontwikkeling. De meeste dagen dat de gezusters met elkaar doorbrengen gebeurt er vrij weinig. Ze spelen piano, borduren, of schrijven versjes. Door deze opvoeding, waarbij Kruseman zich kon ontwikkelen op kunstzinnig gebied, is de passie voor het schrijven begonnen. Naast het schrijven had Kruseman nog een passie. Dit was haar verlangen om de positie van de vrouw ten opzichte van die van de man te verbeteren. Zowel de positie binnen het huwelijk als binnen de maatschappij wekte diepe verontwaardiging bij de jonge Kruseman. Ze besluit haar gedachten over dit onderwerp op te schrijven in een studie. Hierin stelt zij de visie van mannen op vrouwen en hun werkzaamheden aan de orde. Zij stelt dat mannen vinden dat vrouwen achter gesloten deuren moeten leven, dat zij zich niet mogen verdiepen in boeken en dat hun opvoeding in het teken moet staan van het huwelijk en het moederschap (De Waal 1978:7-10). Het huwelijk was voor Kruseman geen ideaal leven, zoals zij het zich voorstelde. In 1865 is zij voor een korte periode verloofd geweest. In deze periode zijn er geen brieven van haar gevonden. Ongeveer een jaar later laat zij echter weten dat het huwelijk nooit heeft plaatsgevonden vanwege haar angst. Zij schrijft aan Mej R.T: Gij weet hoezeer ik altijd tegen het huwelijk geweest ben en hoe razend veel ik van een man zou moeten houden, om over alles heen te stappen, wat mij tot dusverre een afschuw van dat vreeselijke juk gegeven had. Om ervoor te zorgen dat haar man de verloving zou verbreken, wees Kruseman hem op al haar onvolkomenheden, haar onhuishoudelijkheid en haar gebrek aan materieel bezit. Ook liet zij duidelijk weten dat ze een zelfstandige, onafhankelijke vrouw wilde zijn. Een huwelijk zou deze wens beperken. 106

107 Na het verbreken van de verloving heeft Kruseman niemand meer gevonden van wie zij hield. Dit wil niet zeggen dat er geen mannen waren die iets zagen in de eigenzinnige vrouw. Meerdere malen kwamen er huwelijksaanzoeken per post binnen en probeerden vrienden en vriendinnen van Kruseman haar te koppelen aan alleenstaande kennissen. Kruseman blijft echter de boot afhouden en gaat zich richten op zichzelf en haar idealen. Eén van die idealen is het leven als artiest. Kruseman wil niets liever dan concertzangeres worden. Om deze droom achterna te gaan verhuist zij naar Amerika. Ondanks dat Kruseman talent heeft laat de grote doorbraak op zich wachten. Ze besluit zich weer op het schrijven te richten, een andere grote passie. Tussen alle perikelen door van een mislukte carrière weet zij het voor elkaar te krijgen om nog een roman te produceren. Rondom het uitgeven van deze roman vormden zich nogal wat problemen. Zeer ongebruikelijk voor die tijd was dat Kruseman zelf de auteursrechten op het werk wilde hebben bij uitgeverij Nijhoff. Door deze bijzondere gunst die zij vroeg van de uitgever haalde ze de publiciteit. Meerdere dagbladen besteedden er aandacht aan. Op deze manier had zij een groter publiek dat ze kennis kon laten maken met haar denkbeelden. Naast de publiciteit in de krant gaat Kruseman ook lezingen geven. Men geeft een aantal groepen vrouwen de mogelijkheid kennis te maken met een aantal voortbrengselen van haar geest. Op deze bijeenkomsten las ze vaak voor uit haar eigen, nog niet gepubliceerd werk Vrouwen beelden. Door het naar buiten treden met haar werken krijgt ook de kritiek lucht van haar publicaties. In vele kritieken is het werk van Kruseman besproken. Iemand die geen goed woord over heeft voor Kruseman is Busken Huet. Huet recenseert en schrijft voor dagbladen en is een literatuurgeschiedschrijver. Hij stelt dat Kruseman geen goed voorbeeld geeft voor overige vrouwen in het land en dat zij een ongemanierde manier had van schrijven. In deze rumoerige periode vindt Kruseman een kompaan in de strijd voor de gelijke rechten, Betsy Perk. Deze twee onafhankelijke vrouwen raken verwikkeld in een drukke correspondentie, waarbij ook de lezingen van Kruseman aan de orde komen. Kruseman probeert Perk aan te zetten tot het geven van lezingen zodat ook zij de boodschap groots kan verspreiden. Kruseman zag het geven van lezingen als een ruim veld om te zeggen wat men denkt. Perk en Kruseman komen qua denkbeelden zeer sterk overeen. Ook Perk wilde de vrouw vrij en bewust maken, met andere woorden: ze wil emancipatie (De Waal 1978: 11-30) Het corpus van Kruseman is niet groot in vergelijking met een aantal van haar tijdgenoten. In totaal heeft zij zes werken gepubliceerd. Dit zijn De moderne Judith. Allerhandebundeltje (1873), Een huwelijk in Indië (1873), Mijn leven (1877), Cendrillon en De moord, aan Cendrillon gepleegd, gewroken (1880), Helene Richard of in weelde geboren (1880), en Parias uit

108 Haar werken zijn ook niet zo invloedrijk geweest dat men haar vandaag de dag nog kent van haar boeken. Haar mentaliteit en haar standpunten hebben haar meer aandacht gegeven dan haar schrijftalent. Toch zijn haar werken een gevolg van een goed staaltje schrijven. Kruseman was in de negentiende eeuw haar tijd ver vooruit. Haar stijl kenmerkte zich niet zozeer door het juist geschreven of geformuleerde Nederlands. Maar Kruseman liet het gesprokene en het geschrevene samen vallen in haar werk. Dit zorgde ervoor dat haar werken een levendig karakter hebben. Daarnaast zijn delen van de werken autobiografisch. Ondanks dat het corpus van Kruseman niet groot is, heeft zij wel degelijk invloed gehad. Alleen hoe groot is die invloed en waarop had zij eigenlijk invloed? Wanneer men kijkt naar de bezoekersaantallen van de lezingen die Kruseman gaf, moet men concluderen dat er niet massa s mensen op afkwamen. De vraag rijst dan ook of Kruseman niet de bedenker was van haar eigen legende. Legende of niet, ze heeft publiciteit gecreëerd voor haar denkbeelden. Deze denkbeelden beschouwden veel mensen uit de bevolking als schokkend en aanstootgevend. Vooral de burgerij van de negentiende eeuw was geschokt. Ondanks dat het grote schokeffect inmiddels verloren is gegaan, hebben de denkbeelden nog een vorm van actualiteit in zich. Kruseman lijkt haar tijd dus ver vooruit te zijn (De Waal 1987: 31-46). De wegen van Perk en Kruseman scheiden zich vanwege grote verschillen in het karakter. Waar Kruseman bleef vechten voor haar idealen, was Perk diegene die onzeker was of de strijd wel zin had. Kruseman nam dit Perk niet in dank af en sneerde nog regelmatig naar haar. Nu de strijd van Kruseman enigszins is gaan liggen wordt zij gevraagd om toneel te gaan spelen in Belgie. In deze periode, , komt zij ook in aanraking met Multatuli. Hij geeft Kruseman complimenten over de manier waarom Kruseman de aanval opent op het anti-artistieke Nederland. Kruseman is hier bijzondere trots op en ze besluit naar Wenen te gaan om een bezoek te brengen aan Multatuli. Na dit bezoek waren zowel Kruseman als Multatuli zelf aangenaam verrast. Ze onderhouden een intense correspondentie, waarbij Multatuli allerhande bekentenissen van Kruseman weet te ontfutselen, over de toestand van haar geluk en de zin van het leven. De strijd tegen het anti-artistieke Nederland, is er één die haar gedurende de rest van haar leven niet meer loslaat. In het najaar van 75 besluit zij een laatste tournee door Nederland te maken om haar gedachten nog eenmaal tentoon te spreiden. Tijdens deze laatste tournee kwam ze erachter hoeveel ze aan populariteit verloren had. De opkomst bij deze tournee begon af te nemen en de belangstelling voor haar persoon werd miniem. Deze wending in haar leven had Kruseman niet aan zien komen en ze kan niet leven met het idee dat haar ideeën in stilte weg zullen ebben. Toch moest Kruseman deze afnemende interesse accepteren en dit deed zij na lange tijd dan ook. Maar afscheid nemen deed ze niet in stilte. In de periode voor zij besloot zich in Indië te vestigen verscheen haar werk Mijn leven. 108

109 Kruseman zou zich niet zo maar in de vergetelheid laten manoeuvreren. Ook in Indië kon zij niet stil zitten. Als een laatste opleving begon Kruseman les te geven in de hoop dat haar leerlingen zich net zo in gingen zetten voor de rechten van de vrouw als zij in haar leven had gedaan. Daarnaast hield zij zich nog bezig met de Europese gemeenschap, tot zij in 1922 kwam te overlijden (De Waal 1987: ). Zoals duidelijk geworden is in deze paragraaf was Kruseman een bijzonder exemplaar, zonder enige blijk te geven van opgeven. Mede door de door haar gebaande paden konden andere vrouwelijke auteurs makkelijker doordringen in het literaire leven. Eén van deze vrouwen was Hélène Swarth. 5.7 Hélène Swarth Ondanks dat Brouwers (1987) aangeeft dat Swarth vlak na haar dood al vergeten was, wordt zij toch behandeld in deze paragraaf. Swarth wordt in 1859 geboren in Amsterdam. Dit was een roerige tijd in Nederland en vooral in Amsterdam. Amsterdam stond eind jaren vijftig aan de vooravond van de kentering, die er een moderne grootstad van zou maken. Op cultureel vlak waren er nog weinig vernieuwingen te zien. Deze artistieke opleving begint omstreeks 1870 voornamelijk in Den Haag, waarna het zich verder verspreid door Nederland. Swarth was een dochter van de consul van Portugal, Eduard Swarth en van een huisvrouw wiens grootste zorg het passen op de kinderen was. Swarth was de jongste in het gezin van negen. De jonge Hélène Swarth had een betere band met haar vader dan met haar moeder. In haar eigen biografie beschrijft zij dat ze geen sympathie, laat staan liefde, voor haar moeder kon voelen. Zoals ook bij eerdere vrouwelijke auteurs naar voren kwam, is het vaak de vader binnen het gezin die ervoor zorgt dat zijn dochter iets artistieks in de vingers krijgt. Zo ook bij Swarth. Vader Swarth speelt viool met zijn dochter, hij leest haar voor en ze bezoeken regelmatig samen een museum. Dit alles om het karakter van de jonge Swarth positief te beïnvloeden. Swarth kreeg huisonderwijs, wat voor een gezin bijzonder was. Er waren weinig opgeleide burgers die zo n grote groep kinderen thuis wilden onderwijzen. Dit huisonderwijs vond plaats in Brussel. Tijdens dit huisonderwijs raakte zij bevlogen van poëzie van Lamartine. Deze poëzie werd voornamelijk voorgedragen door haar zus Caroline, maar Hélène raakte ervan in de ban. Omstreeks haar achtste levensjaar ging zij voor het eerst kleine gedichtjes schrijven. Vanwege heimwee van de moeder van Hélène, keerden zij terug naar Amsterdam. Hier volgden ze klassen op een privéschool. Hélène bleef doorgaan met het schrijven van gedichten en toen zij veertien was stuurde ze één van haar gedichten op aan Victor Hugo. Deze schreef een persoonlijke reactie terug en Hélène was vervuld van blijdschap dat de grote dichter Hugo, positief over haar werk was. 109

110 Een belangrijke vriendschap die ontstaat in de jaren zeventig van de negentiende eeuw, heeft een grote invloed op het leven van Swarth. Op zichzelf is deze vriendschap geen toegevoegde waarde, maar de literaire waarde die deze vriendschap bevat, maakt het tot een bijzondere samenwerking tussen twee personen. Toen Swarth zeventien was ontmoette ze voor het eerst Max Waller. In de laatste jaren van haar verblijf op de privé-school werd de liefde en de lust ruimschoots besproken door de meisjes onderling. Swarth hunkerde naar deze liefde en werd dan ook snel verliefd op Max Waller. Naast zijn fysieke kenmerken was Swarth nog meer verliefd op zijn literaire belangstelling en de, in haar ogen, prachtige verzen. Al snel, na twee jaar slechts, blijkt toch dat Max en Hélène te weinig gemeen hebben om hun band voort te zetten en hun wegen scheiden (Liebaers 1964: 9-47). Swarth kon niet goed omgaan met deze breuk en heeft zich meermalen op uiterst bittere wijze, uitgelaten over de hele situatie. Zowel vlak na de breuk als vlak na zijn dood worden er twee boeken aan Max gewijd. Belangrijker in de context van deze paragraaf zijn haar werken. Swarth heeft zowel Nederlandstalige als Franse verzen geschreven. Deze verzen schreef zij tussen 1877 en Voor haar literaire bestaan had zij chaperons nodig om haar dichterschap te begeleiden en te beschermen. Deze chaperon is er ook in het leven van Swarth. Het is Pol de Mont die deze taak op zich neemt. Zelf kon Swarth geen leiding geven aan haar eigen bestaan. Ze had een infantiele natuur en heeft haar leven lang bij anderen aan de hand gelopen. Wanneer haar hand werd losgelaten zag Swarth het leven een stuk somberder in, veelal kreeg zij dan last vast depressies en begon zij te mopperen op iedereen in haar omgeving. Een tweede liefde in het leven van Swarth dient zich aan. Het is Willem Frederik Lodewijk Lapidoth, een notaris te Amsterdam. Swarth liet in vele brieven vol trots weten dat zij en Lopidoth verloofd waren en spoedig in het huwelijk zouden treden. Ondanks haar felle kritieken op het leven van een gehuwde vrouw, liet Swarth zich toch trouwen. Hieronder is een fragment dat stamt uit haar sonnet Ring van trouw. Hierin beschrijft ze hoe ze eerst de trouwring zag als een teken van slavenbond. O plechtig plukte ik, schier van weelde aan t weenen, Als uit een rood in Tooverland, uw ring. En uit dien ring, door zomergloed beschenen, Straalt nu t geluk, dat zoveel leed verving, Een atmosfeer van doulicht rond mij henen: Uw liefde omringt mij als een tooverkring. 110

111 Het gedachtegoed dat gedurende haar hele leven een rol heeft gespeel is de theosofie. Swarth hechtte een grote waarde aan haar dromen, welke zij veelvuldig heeft beschreven, ze had visoenen en verschijningen en ze voelde zich betrokken bij het spiritualisme. Swarth pikte van allerhande geloven en levenswijze kleine deeltjes mee en zorgde voor een geheel waarbij zij zich prettig voelde. Hélène wilde en kon zich niet laten leiden door haar intellect, ze deed alles op haar gevoel. Ze was religieus, maar ging niet uit van het principe van één God. Ze wist niet of God bestond en wat zijn functie was. Toch vond Swarth in deze manier van geloven kracht en troost (Brouwers 1985: 44-92). Bij het uitbrengen van haar eerste bundel met Franse gedichten begon het succes van Swarth. Swarth kreeg als één van de weinige vrouwelijke auteurs een honorarium, waarvan zij zich een boek kon veroorloven. Het boek dat ze kocht was haar eigen werk: Fleurs du rêve. De boekhandelaar had het haar zeer aangeprezen en ze kon het niet over haar hart verkrijgen het werk niet te kopen. Hierbij hield ze verzwegen dat ze zelf de auteur was van het prachtige werk. Deze in het Frans verschenen bundel werd ook in het Nederlands uitgegeven; Eenzame bloemen. De bundel werd herdrukt, wat redelijk bijzonder was voor een vrouwelijk werk, maar de critici stonden niet te springen om over deze bundel te schrijven. Busken Huet vond het wel aardig, maar vond dat er teveel over de schoonheid van de natuur werd gesproken. Kloos prees Swarth echter de hemel in. Hij noemde haar onder andere de souvereine kunstenaresse van het land en het zingende hart in onze letterkunde. Hij stak zijn bewondering niet onder stoelen of banken. Toch heeft Swarth niet de faam bereikt die vele andere leeftijdgenoten en voorgangers wel kregen (Brouwers 1987: 9-13). Men veronderstelt dat Swarth te lang is blijven doordichten, ver na haar hoogtepunt. De kwaliteit van de gedichten nam af en erkenning kreeg zij niet meer. Naast haar gedichten, wordt de persoon Swarth ook niet besproken in feministische kringen. In de Opzij en de Chrysallis heeft Swarth geen vermeldingen. In Vrouwenspiegel wordt haar verweten dat ze zo openhartig is over haar privéleven en haar denkbeelden. Dit behoorden vrouwen niet te doen. Deze openhartigheid van Swarth heeft ook invloed op het literaire veld en de maatschappij. In literaire-historische zin heeft Swarth geen enkele andere invloed gehad dan dat ze Neerlands eerste dichteres was die zo openhartig was tegenover buitenstaanders. Een feministe in hart en nieren bleek Swarth niet te zijn. Wel kwam Swarth bij het grotere publiek over als een feministe, dit was echter niet haar bedoeling en het uitdragen hiervan zal voor een groot deel onbewust zijn geweest. Ondanks deze onwetendheid over het feminisme heeft Swarth wel een bijdrage geleverd aan de geestelijke emancipatie van de vrouw, nogmaals dit was niet haar doel. 111

112 De invloed van Swarth is ook niet groot geweest vanwege haar keuze om buiten de publiciteit te blijven. Waar andere dichteressen niet konden leven zonder de pers die hun idealen en meningen publiceerde, moest Swarth niets van dit alles hebben. Zij leefde in de luwte en bleef terzijde van iedere beweging die zich in het land voltrok (Brouwers 1985: 66-85). In haar gedicht mijn naam, zegt ze mijn naam is niet gebleven. Hiermee geeft zij zelf al aan dat haar geringe bekendheid geen eeuwen kan overleven. Swarth is geen wereldvernieuwster, ze is geen pionier, maar ze is een dichteres die zich gedurende haar leven heeft laten leiden door de schoonheid van de wereld om haar heen (Brouwers 1987: 9). Vanaf haar veertigste levensjaar ging het bergafwaarts met de bekendheid van Swarth. Er begon een schaduw over haar roem te vallen. Voor Swarth was dit een te grote ommekeer. Na jaren van verwennerij, herdrukken, vleierij, landelijke bekendheid en faam, was er nu een tijd aangebroken die minder voorspoedig zou worden. Omstreeks 1900 was Swarth de meest gelezen schrijver in het Nederlandstalige gebied. Deze schaduw, voorafgaand aan de tweede periode van haar dichtersleven, werd steeds groter. Ze kwam in een gebied terecht waar de duisternis almaar dieper werd. Waar haar eerst positieve kritieken ten deel vielen, publiceerden tijdschriften nu recensies waarin men schreef dat het nieuwe werk van Swarth niet beter of slechter was dan het vorige. Men was al haar klagen zat en vond dat Swarth uit een ander tijdperk stamde. Na deze schaduw, waarbij haar talent in twijfel werd getrokken eindigde de carrière van Swarth in een staat van totale verdwijning. Waar Swarth op haar bundels eerst positieve en later negatieve kritiek kreeg, werd haar bundel van 1920 tot aan haar dood, niet meer besproken. Ze vond geen uitgever die haar nieuwe werk wilde publiceren en haar werk kwam terecht in de ramsj. Een einde zoals Swarth het zich niet had voorgesteld. Na een carrière van ruim zestig jaar zag zij in dat werken van haar hand niet meer op prijs werden gesteld en besloot zij te stoppen met haar passie (Brouwers 1987: 10-20). Hélène Swarth overleed op 81-jarige leeftijd in Velp in Een dichteres van grote kwaliteit, die zeer vaak werd miskend was niet langer in staat om prachtige verzen te schrijven (Brouwers 1985: 187). 5.8 Aletta Jacobs De reden dat Jacobs is opgenomen in deze scriptie heeft voornamelijk te maken met haar aandeel binnen de strijd om gelijkheid van de vrouwen. Daarnaast moet niet vergeten worden dat Jacobs ook een auteur was. Weliswaar gingen haar werken vaak over die voortdurende strijd, maar dit maakt haar juist ook zo kenmerkend. Ondanks dat men haar waarschijnlijk meer kent vanwege het feminisme, dan van haar boeken, verdient zij toch een plaats in deze opsomming van belangrijke vrouwen. Aan de hand van een werk dat door Jacobs zelf geschreven is, zullen haar levensjaren worden gereconstrueerd. 112

113 Jacobs is in een gezin van acht kinderen de jongste thuis. Ze komt uit een huwelijk waarbij de vader medicus is en de moeder leefde in het huishouden. Deze standaard gezinssituatie zou later het onderwerp zijn van vele van haar toespraken en geschreven betogen. Het huishouden in de negentiende eeuw was een dagtaak. Men moest ouderwets wassen, het brood bakken en ze bereidde zelf worst, vlees en kaas. De moeder van Aletta wist niet beter dan dat de vrouw dit hoorde te doen en dus voerde zij haar taken zonder enige klachten uit. Het enige waar moeder Jacobs zich zorgen over maakte waren de financiën. In de negentiende eeuw waren de verdiensten niet groot, ongeacht het beroep van vader Jacobs. De praktijk bleek in de loop der jaren niet genoeg inkomsten binnen te brengen om te kunnen voorzien in het levensonderhoud van het grote gezin. Na de geboorte van Aletta kwamen er nog drie kinderen ter wereld. Zoals bij meerdere grote vrouwelijke auteurs het geval is, is ook bij Aletta de band met haar vader zeer goed. Ze zag haar vader als haar grote voorbeeld. Hij was goed, braaf en rustig en hij had een opgewekt humeur. Al vroeg in haar leven wist Aletta dat zij haar vader achterna wilde gaan om dokter te worden. Bij die toekomstdroom realiseerde zij zich niet dat het voor een meisje nogal wat problemen mee zou brengen. Aletta was een ambitieuze jongedame die door tradities werd tegengewerkt. Toch hadden alle regels ook voordelen voor Jacobs. Bij de toelating tot een universiteit behoort men, zowel man als vrouw, een admissie-examen te voltooien. Vanwege haar behaalde apothekersexamen kreeg zij hier van een Groningse hoogleraar een vrijstelling voor. Op haar universitaire studie verheugde Aletta zich. Hoe eerder ze afgestudeerd kon zijn, hoe beter. Deze toelating tot de universiteit was voor de moeder van Aletta een moeilijk besluit. Inmiddels had zij de leeftijd van zeventien bereikt en was zij dus een goede hulp in het huishouden. Aletta beloofde dan ook in de vakanties terug te keren en dan alles te doen wat van haar gevraagd werd. Aletta Jacobs ging de studie medicijnen volgen. Door deze revolutionaire wending in haar leven, heeft zij deuren geopend voor een heleboel andere ambitieuze vrouwen. Deze grote gevolgen besefte Aletta toentertijd nog niet, later werd het haar pas duidelijk (Jacobs 1978: 1-24). Jacobs rondde haar studie succesvol af en was hiermee de eerste vrouw in de negentiende eeuw die aan de universiteit afgestudeerd was. Anna Maria van Schuurman was haar eeuwen terug al voorgegaan, maar de normen van toen waren zeer verschillend. Van Schuurman hoefde geen examens te doen om af te studeren, aanwezig zijn gedurende de colleges was voldoende. Na het examen, wat voor Aletta een teken was van intelligent zijn, kreeg het hele land lucht van deze bijzondere studente. Jacobs besloot te promoveren en te vertrekken naar Londen (Jacobs 1978: 26-57). 113

114 Na terugkomst uit Londen startte Jacobs haar eigen praktijk. Daar waar ze altijd van gedroomd had in haar jonge jaren, was werkelijkheid geworden, eigenlijk zonder al teveel tegenslagen of problemen. Wel is zij duidelijk in het feit dat het leven van toen er zeer anders uit zag dan het huidige leven. Ze klaagt niet over de problemen die ze is tegen gekomen, maar ze wil ze wel even aanstippen. In het begin van de praktijk hoefde Jacobs zich geen zorgen te maken over de toestroom van patiënten. Ook de samenwerking met mannelijke verliep collega s vlekkeloos. Jacobs was er van overtuigd dat hun interesse en hun aanbod om Jacobs ten alle tijden bij te staan, oprecht was. Aletta kwam in de jaren die zij in Amsterdam leefde, in het begin een aantal dagelijkse problemen tegen. s Avonds over straat lopen was voor een vrouw niet verstandig en in de schouwburg werd men niet toegelaten wanneer de dame niet in het gezelschap was van een man. Daarnaast werden er ook regels opgesteld voor kleding en het gedrag van vrouwen. Gedurende haar jaren in de praktijk, kon zij het probleem van gedwongen of ongewenste zwangerschappen niet loslaten. Steeds vaker kwam zij vrouwen tegen wier gezinnen steeds groter werden omdat ze, naast geheelonthouding, niets konden doen om een zwangerschap te voorkomen. Ondanks dat haar kennis op dit vlak niet voldoende is, pleitte zij voor een goed anticonceptiemiddel. Door het hebben van zo n middel kon er een hoop leed worden voorkomen. Met haar denkbeelden over het kunnen voorkomen van een zwangerschap, haalde Jacobs zich veel op haar hals. Uiteraard waren er tegenstanders van het idee, maar voornamelijk de vrouwen waren voorstander van haar plannen. Aletta Jacobs stelde haar medische kennis ter beschikking om vrouwen die een kind om welke reden dan ook niet wilde krijgen, een anticonceptiemiddel toe te dienen. Heel de medische wereld verklaarde Jacobs een slecht dokter en men pleitte ervoor om Jacobs uit haar ambt als arts te ontzetten. Jacobs liet zich door al deze tegenwerking niet uit het veld slaan. Ze was ervan overtuigd dat haar mogelijkheden een maatschappelijk belang dienden, maar ook een individueel belang. Door middel van woord en geschrift hoopte zij dat haar tegenstanders op een andere gedachte waren te brengen. Gedurende deze tijd kwam ze erachter dat vele geesten in het land nog bekrompen waren en veel mensen zich schijnheilig voordeden (Jacobs 1978: 57-86). De strijd voor het controleren van bevruchting leidde haar naar een meer algemener vraagstuk; de strijd voor het vrouwelijk kiesrecht. Door deze twee punten, die hoog op de agenda van Jacobs stonden, is zij het meest bekend geworden. Al in haar tienerjaren is Jacobs van mening dat vrouwen dezelfde rechten behoren te hebben als mannen. De slavernij der vrouw was het spookbeeld van de jonge Aletta. Het werd haar duidelijk dat mannen, die immers ook de wetten maakten, daardoor ook de macht bezaten alle voorrechten voor zichzelf te reserveren en de ondergeschikte positie van de vrouw uit te bouwen. Toen zij zich dit in haar hoofd had gehaald, begon zij alles te lezen over kiesrecht en over wetten in zijn totaliteit. 114

115 In haar strijd tegen het kiesrecht voor de vrouw, vond zij weinig vrouwelijke medestanders. Het leek erop dat de vrouwen zich neer hadden gelegd bij een ondergeschikte rol. De reden hiervoor lag in het bedrag dat men moest betalen om kiezer te zijn. Ze staakte haar missie, vanwege het gebrek aan animo. In 1893 waren er een zevental vrouwen die het bestuur vormden van de Vrije Vrouwenbeweging. Deze beweging stuurde erop aan hun vereniging uit te breiden en zo als collectief op te komen voor het vrouwelijke kiesrecht. De vereniging, met later Jacobs aan het hoofd, kreeg steeds meer succes en ze bereikten waar ze voor stonden: ook vrouwen kregen kiesrecht. Dit proces duurde echter wel vijfentwintig jaar. Niet alleen in Nederland was het kiesrecht voor vrouwen een punt van twist. Ook in andere landen zoals Amerika en Duitsland voerden groepen deze strijd (Jacobs 1978: ). Aletta Jacobs hield na deze kleine overwinning voor de vrouw nog niet op. Ze streed voor gelijke rechten binnen de arbeidsmarkt en wilde iets doen voor de vrouwen die gedwongen waren in de prostitutie te werken. Meer van deze vurige strijdpunten dan van haar werken kennen wij Aletta Jacobs. Men moet niet vergeten dat ook haar literatuur veel gelezen was onder vrouwen. Jacobs schreef gedurende haar leven ongeveer 100 artikelen, die te lezen waren in kranten, tijdschriften, boeken en brochures. Haar artikelen, die zij ontleende aan haar medische kennis verschenen voornamelijk in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Haar meer feministisch getinte artikelen verschenen onder andere in het Maandblad voor Vrouwenkiesrecht. Daarnaast gaf Jacobs ook lezingen die in schrift zijn verschenen. Tot slot zijn ook de boeken van Jacobs gedrukt, verschenen en gelezen. Nu er een overzicht is gegeven van de ideeën en het leven van Jacobs is het nu tijd te kijken naar de invloed van deze gepassioneerde dame. De invloed van Jacobs binnen de maatschappij is groter dan de invloed binnen het literaire veld. Door het oproepen van vrouwen om zich achter Jacobs te scharen heeft zij heel Neder;and bereikt. Een deel van de vrouwelijke bevolking stond lijnrecht achter Jacobs, maar er waren ook vrouwen die zich hadden neergelegd bij hun lot als huisvrouw. Desalniettemin zijn de punten waar zij in de negentiende eeuw voor streed, nog steeds actueel. Dankzij het revolutionaire werk van deze vrouw zijn er in de huidige maatschappij een aantal regels van kracht die zij heeft weten te bedwingen. Haar invloed is dus groot en langdurig te noemen. Haar invloed op het literaire veld is een stuk kleiner dan de maatschappelijke invloed. De werken van Jacobs waren voornamelijk uitgeschreven versies van de betogen die zij mondeling hield. Deze betogen bereikten publiek en ook de geschreven versies hiervan hadden een select publiek. Aletta Jacobs is in alles wat zij doet gepassioneerd en zij heeft veel betekend voor de vrouwen. Tot slot van dit hoofdstuk het schematische overzicht van het literaire veld van de negentiende eeuw. 115

116 5.9 Het literaire veld van de negentiende eeuw De negentiende eeuw, was een tijd waarin er vernieuwingen zichtbaar waren in de maatschappij. Voornamelijk werden er een aantal uitvindingen gedaan, denk hierbij aan de uitvinding van elektrisch licht, die de leefomstandigheden aangenamer maakten. Toch waren deze veranderingen geen gemeengoed. Er bleef armoede bestaan en het verschil in klassen was duidelijker zichtbaarder dan ooit. Met betrekking tot het literaire veld, valt het op dat er in de negentiende eeuw nog veel analfabetisme zichtbaar is op het platteland en in de steden. Dit heeft uiteraard invloed gehad op het uiterlijk van het literaire veld. Het analfabetisme werd terug gedrongen toen de leerplicht werd ingevoerd. Hierbij wordt de nadruk gelegd op teruggedrongen, het bestond nog steeds. Later zal blijken dat ook in de twintigste eeuw nog sprake is van analfabetisme. De uitvindingen die er die er in de negentiende eeuw bestonden, kunnen ook een positieve invloed hebben op het literaire veld. Er zal begonnen worden bij de materiële productie. In de negentiende eeuw was het schrijven van een werk, bereikbaar geworden voor meerdere groepen in de samenleving. Er zijn dan ook voldoende schrijvers aan te wijzen die werken voortbrachten. Logischerwijs werden niet alle van deze werken uitgegeven. Dit had te maken met de keuze van de literaire uitgever en met het proces dat voltrokken moest worden om een boek gedrukt af te leveren. Ondanks dat de ijzeren drukpers zijn intrede had gedaan, ter vervanging van de houten drukpers, bleef het drukken van een boek een arbeidsintensief proces. De literaire uitgevers zoals wij deze kennen in de huidige eeuw, waren nog niet aanwezig, maar de uitgevers beslisten wel voor een groot deel mee over het lot van een boek. Naast het drukken van boeken, kwamen ook de tijdschriften en kranten in de negentiende eeuw op. Zoals te zien is in het schema is dit onderdeel groen gekleurd. Het begin van de ontwikkeling start in het laatste decennia van de achttiende eeuw, maar de groei vindt plaats in de negentiende eeuw. Tijdschriften groeien dan uit tot een massamedium. Bij de materiële productie zien we in het schematische overzicht van het literaire veld nieuwe onderdelen verschijnen. Dit zijn de VBBB en de KNUB. Zowel de VBBB, de Vereeniging ter Behartiging van de Belangen des Boekhandels werd opgericht in de negentiende eeuw. In 1815 om precies te zijn. De KNUB staat hiermee in verbinding. De KNUB, de Koninklijke Nederlandse Uitgevers Bond, opgericht in 1880, behartigt de belangen van de literaire uitgevers. Deze soorten instanties zijn nog niet eerder dan de negentiende eeuw gesignaleerd. Met betrekking tot de distributie van de werken zien we terug dat alle drie de onderdelen groen gekleurd zijn. Zowel de boekenclub, als de openbare bibliotheek en de boekhandels zijn aanwezig in de negentiende eeuw. Het bestaan van de boekhandels zorgde er logischerwijs voor dat bonden zoals de VBBB ontstonden. 116

117 De leesgezelschappen moet men nog steeds beschouwen als rederijkerskamers. De opkomst van de rederijkerskamers kent een lange traditie, toch komt het in de negentiende eeuw tot een explosief en indrukwekkend groeimoment. Naast de rederijkerskamers kwamen er ook steeds meer openbare bibliotheken. De mogelijkheden voor burgers om in aanraking te komen met woorden, groeiden en dit gaf een positieve impuls aan het lezerspubliek. Tot slot de symbolische productie. Door het ontstaan van tijdschriften die zich in sommige gevallen alleen op literatuur richtten en het ontstaan van kranten, kwam er een doorbraak in de literaire kritiek. Daarnaast was er sprake van een literair onderwijs. In de klas besteedde men aandacht aan het onder knie krijgen van het lezen, maar daarnaast kreeg ook de literatuur van de Nederlandse grootheden aandacht. Uiteraard was het literatuuronderwijs niet in een stadium zoals het vandaag de dag is, maar het begin was gemaakt. Door het leren lezen veranderde het lezerspubliek. Het lezerspubliek in de negentiende eeuw was in vele opzichten dan het publiek in de voorgaande eeuwen. Allereerst verschilde het in de samenstelling. In de negentiende eeuw is duidelijk zichtbaar dat er meer vrouwen lazen dan mannen. Dit aspect was niet eerder zichtbaar geweest. Naast het feit dat het meer divers werd, is het ook toegenomen in grootte. Door de ontwikkelingen binnen het onderwijs waren het niet alleen de rijkeren konden lezen, iedereen had nu de mogelijkheid om zich het lezen eigen te maken. Hieronder het gehele schema van de negentiende eeuw. BEROEPSORG: ADVIES: SUBSIDIE: VVL RvdK FvdL SCHRIJVERS MATERIELE PRODUCTIE LITERAIR TIJDSCHRIFT LITERAIRE UITGEVERS VBB KNUB NBB DISTRIBUTIE BOEKHANDEL BOEKENCLUB OPENBARE BIBLIOTHEEK S S S S SYMBOLISCHE PRODUCTIE LITERATUURKRITIEK - JOURNALISTIEK - ESSAYISTISCH - ACADEMISCH LIT. ONDERWIJS - HAVO/VWO - UNIVERSITEIT/HBO LEZERSPUBLIEK NIET-LEZERS Niet aanwezig Wel aanwezig Behoeft nadere uitleg 117

118 Conclusie Hoofdstuk 5 In vergelijking met de achttiende eeuw, is er in de negentiende eeuw een maatschappij die zich kenmerkt door nieuwe mogelijkheden op verschillende vlakken. Het is een eeuw waarin de verschillen tussen de verschillende groepen in de bevolking duidelijk zichtbaar is. Zowel in huisvesting als in onderwijs hebben de verschillende groepen verschillende mogelijkheden. Het onderwijs is in de negentiende eeuw een belangrijke pijler die de ontwikkeling van de maatschappij positief beïnvloedt. Het onderwijs zorgt ervoor dat er steeds minder analfabetisme voorkomt in Nederland. Deze daling zorgt ervoor dat het leespubliek stijgt. Dit nieuwe fenomeen drong in alle lagen van de bevolking door, maar er waren wel verschillen. Deze verschillen uitten zich in de genres die de groepen lazen en ook de boeken kwamen op een andere manier bij de huishoudens terecht. Waar de rijkeren mogelijkheden hadden om boeken te kopen bij speciale winkels, waren de armere burgers afhankelijk van het assortiment van venters en marskramers. Ook de positie van de vrouw had veranderingen doorgemaakt in de negentiende eeuw. Nog steeds werd de vrouw gezien als de spil binnen het gezin, maar steeds meer kreeg zij mogelijkheden om haar talenten te ontwikkelen. Waar deze talenten eerst binnen de muren van het huis moesten blijven, waren er ook vrouwen die hun talenten groots wilden verspreiden. Binnen de vrouwentijdschriften hadden de vrouwen het in de negentiende eeuw voor het zeggen. Nederland liep achter bij deze vorm van tijdschriften, maar eindigde uiteindelijk op een waardig niveau. De massamedia zoals de krant bleven vrouwen weinig invloed hebben, het was toch voornamelijk een mannenaangelegenheid. Toch kwamen vrouwen steeds meer op voor hun rechten. Eén van deze vrouwen is Aletta Jacobs. Deze vrouw streed voor gelijkheid van vrouwen voornamelijk binnen het kiesrecht, maar ook was zij een voorstander van het afbreken van een ongewenste zwangerschap, mits er een goede reden was. Met haar vooruitstrevende gedachtegoed heeft zij veel invloed gehad op de maatschappij. Ook heeft zij dingen voor elkaar gekregen, onder andere gelijkheid binnen het kiesrecht, waar de maatschappij van nu nog veel voordelen van ondervindt. Kruseman was ook een vrouw die op kwam voor de rechten van de vrouw, maar zij was minder aanwezig dan Jacobs. Kruseman gaf lezingen waar maar weinig vrouwen op af kwamen en haar invloed is op zowel het literaire veld als op de maatschappij relatief gezien klein. De derde vrouw die is behandeld in Hoofdstuk 5 is Hélène Swarth. Een vrouw die redelijke bekendheid verwierf, maar later, net als vele anderen, op zou gaan in de massa en zou sterven zonder de aandacht die zij had verdiend. In het volgende en tevens laatste hoofdstuk, zal de twintigste eeuw worden behandeld en een deel van de eenentwintigste eeuw. 118

119 6. De literaire wereld van heden. Zoals in elke eeuw, waren er in de twintigste eeuw een aantal gebeurtenissen die hun stempel drukten op de maatschappij. Deze gebeurtenissen werken echter ook door in de literatuur van de twintigste eeuw. Het is onmogelijk om alle gebeurtenissen van de twintigste eeuw in deze paragraaf te behandelen. Daarom zijn er drie thema s. Dit zijn de wereldoorlogen, de verzuilde samenleving en de kunst en cultuur. Deze drie thema s zullen allereerst aan bod komen. 6.1 Een eeuw vol oorlog. Allereerst de Eerste Wereldoorlog. Nederland was een land dat op papier buiten de Eerste Wereldoorlog bleef, zo leek het althans op papier. Ook al stelde het land zich neutraal op, alleen al door de nabijheid van oorlogvoerende buurlanden, had Nederland er indirect mee te maken. Wanneer er wordt gekeken naar de literatuur omstreeks , valt het op dat veel literatuurgeschiedschrijvers geen aandacht besteden aan deze periode. Dit heeft er waarschijnlijk mee te maken dat Nederland, zoals hierboven al aangestipt, zich neutraal opstelde. Het zou overdreven zijn om te zeggen dat de Eerste Wereldoorlog de Nederlandse literatuur geheel over hoop heeft gehaald. De oorlog heeft veel gedichten, opstellen en romans voortgebracht en er wordt een aanzet gegeven voor vernieuwing van de literatuur en van de literatuurkritiek. De radicale literatuurkritiek van de jonge katholieken is mede door de Eerste Wereldoorlog bepaald (Buelens 2007: 59-72). Nederland heeft lange tijd bekend gestaan als een vredelievend, pacifistisch land. Tot 1930 had men het gevoel dat men buiten grote Europese gebeurtenissen kon blijven. Toen dit niet zo bleek te zijn ging Nederland zich bewapenen. Zoals duidelijk geworden is, was deze bewapening niet voldoende om het Duitse leger af te weren. Nederland moest zich overgeven aan de Duitsers en verloor al haar rechten. Nederland was bezet, het koningshuis was naar Engeland gevlucht en de Duitse overwinnaars hielden parades door de Nederlandse straten. Dat de bezetting grote gevolgen had voor de maatschappij van het toenmalige Nederland was onontkoombaar. Er werden allerhande anti-joodse maatregelen ingevoerd die de joden uitsloten van deelname aan het maatschappelijke leven. Binnen die angstige tijd kwamen er zelfstandigen in beroering die door middel van hun zogenaamde verzetskranten hun mening kenmaar wilden maken. Voorbeelden van zulke bladen zijn de Vrij Nederland, Trouw en Het Parool. Deze kranten lieten zich bij het opschrijven van het nieuws niet beïnvloeden door de indoctrinatie van de Duitsers. Het maken van deze kranten was een gevaarlijke bezigheid en ze circuleerden in geheime kringen. 119

120 Men kon rekenen op een afvoering naar het concentratiekamp wanneer er werd ontdekt dat er tegenstand werd geboden tegen de filosofie van Hitler (Schulte 1995: ). De tweede wereldoorlog heeft ook invloed gehad op de literatuur. Overleven was prioriteeit nummer één, het was een bittere noodzaak geworden. In deze periode schreef men vaak de gebeurtenissen op, of schreef men over de dromen die men had als de oorlog voorbij zou zijn. De jaren 50, dus de jaren direct na de oorlog waarin Nederland was bevrijd en men langzaam van de schrik bekomen was, worden vaak gezien als romantische jaren. Men schreef werken waarin levensgeluk centraal stond en er kwamen veel traditionele werken terug (Prinssen & Vermij 1991: 9). Al voor de eerste wereldoorlog hadden de schrijvers te maken met censuur en een laag honorarium. Vele schrijvers werden door hun uitgeverij op straat gezet wanneer zij geen genoegen namen met de vergoeding die zij kregen, of als brieven bij de uitgeverij binnen kwamen met klachten over een werk. De positie van de schrijver was dus erg kwetsbaar. Waar men eerst voordeel had van de redelijk grote tolerantie binnen de literaire wereld, ging het steeds meer als een nadeel werken: het werd bijna censuur (Anbeek & Kloek 1981: 9-15). Het tweede thema dat erg van belang is in de twintigste eeuw is de verzuilde samenleving. 6.2 Een verzuilde samenleving Aan het begin van de twintigste eeuw, dus rond 1900, heerste er een sterk christelijke traditie in Nederland. Men hechtte waarde aan het gezin, het geloof en een harmonieuze samenleving. Het zou slechts duren tot 1901 voor iemand hier verandering in wilde brengen. In 1901 was het de revolutie van Abraham Kuyper, die ervoor zorgde dat het bestel opgedeeld zou worden in rechts en links. Zijn christelijke coalitie, die bestond uit calvinisten en katholieken, kwam in de regering. In de jaren 30 was er echter een behoefte aan vernieuwing, die pas in de jaren 60 vervuld kon worden. Nederland was een land waaraan je nadat de verzuiling plaats had gevonden, duidelijk kon zien tot welke groepering mensen behoorden. De religieuze identiteit was onlosmakelijk verbonden met de culturele kenmerken. Zo waren er bijvoorbeeld de katholieken, die zich kenmerkten door grote gezinnen, het bijwonen van heilige missen, de communie en de eventuele kruisjes die zij sloegen of droegen aan een ketting. Naast de katholieken waren er ook de streng gereformeerde mensen. Deze kennen we van de zogenaamde zwartekousenkerk, de strenge sabbatheiliging en de oudtestamentische voornamen. Uit deze uiterlijke kenmerken blijkt dat de zuil waartoe men behoorde een vorm van levenswijze was geworden. De opdeling van het land in verschillende groeperingen had ook invloed op de schrijvende pers. Zo had de katholieke zuil een eigen katholieke krant een eigen jeugdblaadje en een radiokanaal. Door deze eigen media binnen de zuil, is het systeem zo dat toelating tot andere zuilen nauwelijks mogelijk is. 120

121 Door alles wat de eigen zuil had, had men geen behoefte aan eventuele invloeden van een andere zuil. De plaatsen van de zuilen waren niet her en der over het land verspreid. De vrijzinnige protestanten leefden voornamelijk in het noorden van het land en de katholieken bevolkten voornamelijk het zuidelijke deel van Nederland. Het verzuilde bestel in Nederland eindigde doordat de mensen, die tot een zuil behoorden, binnen de eigen zuil de godsdienstige-regionale verschillen op hebben geheven. Hierdoor kon het land weer één Nederland worden. De geest van de vernieuwing die na de jaren 60 door de politiek en de kerk waaide was op zichzelf niet nieuw. Wel leidde het na de doorbraak tot een overzichtelijk land. De ontkerkelijking is de belangrijkste gebeurtenis die eraan heeft bijgedragen dat de verzuiling tot een einde kwam. Omstreeks 1980 behoorden er slechts 8% niet tot een kerkelijke gemeenschap. In het midden van de jaren 80 was bijna de helft van de bevolking buitenkerkelijk. Men wijst de verstedelijking als een oorzaak aan (Van der Laarse 1995: 69-84). 6.3 Kunst en cultuur Tot slot de kunst en cultuur, het derde thema dat in dit hoofdstuk aan bod zal komen. Belangrijk bij de kunst en cultuur van Nederland is de hofcultuur die er in Nederland heerste. In tegenstelling tot andere Europese (buur)landen was het hofleven van Nederland slechts kleinschalig. Toch kon Nederland bijdragen aan de Europese kunst. Door de internationalisering van de kunst, waaronder dus ook de literatuur, had de kunst een grotere afzetmarkt dan alleen het eigen land. Deze afzetmarkt was allereerst toegankelijk voor de niet-taalgebonden kunst zoals beeldende kunst, muziek en dans. Kenmerkend binnen de kunst van de twintigste eeuw is de behoefte aan collectiviteit. Een voorbeeld hiervan is de bouw van de Beurs van Berlage. Dit gebouw werd niet door één iemand gebouwd, maar er waren verschillende mensen met verschillende inzichten die betrokken waren bij het project. De gemeenschapskunst vierde hoogtij in de twintigste eeuw. Deze gemeenschapskunst was voornamelijk gebaseerd op voorbeelden uit Engeland. De Nederlandse literatuur liet zich inspireren door het Frans socialisme. Gedurende de eerste wereldoorlog is duidelijk te zien dat deze periode invloed heeft op de kunst. Waar het niet erg duidelijk zichtbaar was binnen de literatuur, is dit in het geval van de kunst anders. Theo van Doesburg stond op als vertolker van de ideële richting in de kunst. Hij zag de kunst in het perspectief van de evolutie, die de mensheid onweerstaanbaar naar een hoger niveau zou tillen. Nieuwe ideeën braken echter niet door. Naast de invloed van de Eerste Oorlog is de opkomst van het fascisme ook een mijlpaal die belangrijk is in de ontwikkeling van de kunst in de twintigste eeuw. De ideologische uitdaging van dit fascisme was een geliefd thema voor de kunstenaars. Dit had echter een minder grote invloed dan de Tweede Wereldoorlog. 121

122 De inval van de Duitse troepen confronteerde de kunst met de tot dan toe onbekende consequenties van een totalitair regime. De kunstenaars wilden het regime verlokken en hoopten daarmee het verzet af te stoten. Er ontstond het Departement voor Volksvoorlichting en Kunsten, onder leiding van Tobi Goedewagen. Hier probeerde het naziregime echter de organisatie in het gareel te krijgen. Papier werd een schaars goed door de papiertoewijzing van de Nazi s en de kunstenaars werden allen gelijkgeschakeld in een zogeheten Kultuurkamer. Om de kunst, welke van de kunsten dan ook, te mogen beoefenen en voort te kunnen zetten, moest men zich aanmelden bij deze Kultuurkamer. Deze aanmelding was niet voor iedereen toegankelijk. Bijvoorbeeld de Joden werden bij voorbaat van lidmaatschap uitgesloten. Door deze strenge regels bleven er slechts twee mogelijkheden voor de kunstenaars over. Of men sloot zich aan bij de Kultuurkamer en kon voortaan niet meer zelf bepalen wat er gemaakt mocht worden, of men begon kunst te maken in de illegaliteit. Van deze illegale circuits is de ondergrondse literatuur het meest bekend. De kunst liet zich niet binden of beperken. Er waren zowel verzetspublicaties, die aanzetten tot het verzet tegen het naziregime en er waren clandestiene geschriften. De laatste waren literaire geschriften die buiten de officiële voorschriften van het bezettingsregime werden uitgebracht maar die niet per definitie opriepen tot verzet. Dit in tegenstelling tot de verzetspublicaties. De naoorlogse kunst veranderde veel. In 1945, vlak na de oorlog werd er in het Rijksmuseum in Amsterdam een tentoonstelling georganiseerd die Kunst en vrijheid heette. Aan de kunstenaars die hadden geweigerd lid te worden van de Kultuurkamer werd nu de mogelijkheid geboden om hun werken alsnog in de openbaarheid te laten zien. De eerste bloei van de kunst was voornamelijk een herhaling van wat eerder in de geschiedenis al eens voorgekomen was. Men greep terug op het bekende omdat men een vorm van zekerheid en vertrouwen wilde in de kunst. Aan het eind van de jaren 40 was dit gevoel verdwenen en veranderde de kunst radicaal. De Tweede Wereldoorlog maakte kunstenaars bewust van het feit dat er gezocht moest worden naar nieuwe vormen en dat men zich af moest wenden van de oude traditie. Vijftig jaar later was deze bevlieging afgezwakt en ging men in Nederland terug naar het basisniveau van de kunst. Al met al is er in de twintigste eeuw een hoop gebeurd. De inwoners kregen te maken met oorlogen, bezetting en de verdeling in verschillende religieuze groeperingen. Daarnaast kreeg de kunst een klap van het naziregime en moest men op andere manieren omgaan met de kunst. Om daar aan te ontsnappen kwam er illegale kunst die overging in moderne en experimentele kunst na de bevrijding (Bank 1995: ). Naast gebeurtenissen waren er in de twintigste eeuw ook een aantal stromingen die een grote invloed hebben gehad op de toenmalige kunst. In deze paragraaf zullen het modernisme, het postmodernisme en het symbolisme worden behandeld. 122

123 Het modernisme is een naam voor een stroming die zinspeelt op een bewustzijn van de actualiteit, op een afrekening met een traditie. Logischerwijs is dit een zeer algemene en korte verwoording van het doel van de modernisten. Door middel van modernistische literatuur probeert de auteur zijn intellectuele lezer op een expliciete manier deelgenoot te maken van het ontstaan, de aard en de effecten van zijn twijfels. Het modernisme was een stroming die tussen 1915 en 1945 de hoogste productiviteit heeft getoond en is duidelijk te onderscheiden van andere stromingen zoals het symbolisme en het surrealisme. Het modernisme concentreert zich voornamelijk rond de Europese letterkunde. Al betekent dit niet dat de rest van de wereld vrij is van modernistische literatuur. Veel stromingen die ontstaan, ontstaan als een reactie op een voorgaande stroming. Het modernisme was voornamelijk een reactie op het symbolisme en het realisme. Dit had voornamelijk te maken met de inzichten over de waarheid van beide stromingen. De wetenschappelijke waarheid was het fundament voor het realisme en de transcendente, ofwel hogere waarheid, werd door het symbolisme beleden. Voor de modernist is de waarheid alleen als hypothetische waarheid denkbaar. Wat wil zeggen dat de waarheid voorlopig is en op elk moment weerlegd kan worden als er nieuwe inzichten zijn. Geen enkele verklaring voor de hypothese kan exclusiviteit opeisen. Dogmatisme is niet acceptabel (Ibsh 1991: 3-18). Het modernisme heeft veel invloed gehad op de literatuur. Modernisme in literaire context wil zeggen dat ze de autonomie van de literatuur en het spel met het talige materiaal centraal stellen (Baetens 1005: 1). Volgens de meest gangbare visies, kenmerkt modernistische literatuur zich door de formele vernieuwing, het nadrukkelijke afstand nemen van literaire tradities maar vooral door de subjectivering van literatuur. Die formele vernieuwing was gebaseerd op een aantal technieken. Ironische afstandelijkheid, zelf-referentialiteit en afwisselen van meerdere, consequent aangehouden focalisatie-posities zijn hier voorbeelden van. Met focalisatie bedoelt men wie beleeft. De verhouding tussen de verteller en de focalisator is afhankelijk van de narratieve situatie (Rimmon-Kenan 1996: 73-75). Er zijn verschillende vertelsituaties, waaronder de auctoriale er slechts één is. In deze situatie is er een grote afstand tussen de verteller in het boek en de focalisator. Deze focalisator bevindt zich niet in dezelfde wereld als de personages. De verteller heeft dus een focalisator nodig om toegang te verlenen tot de fictionele wereld. Vanwege het gecompliceerde karakter van modernistische gedachtegang, is het voor de lezer niet altijd even eenvoudig een modernistische roman te begrijpen. Binnen de Europese letterkunde zijn er vele beroemde namen van typisch modernistische schrijvers. Hier zijn Proust, Joyce en Mann voorbeelden van. Paul van Ostaijen is waarschijnlijk de meest bekende Belgische modernist en in de Nederlandse letterkunde valt de naam van Nijhoff zeer voorzichtig. Het valt op dat ondanks dat modernisme voornamelijk met proza wordt gerefereerd, er ook veel modernistische poëzie te ontdekken valt. 123

124 Paul van Ostaijen was een Vlaamse dichter die een klassiek voorbeeld is van het modernisme. Hij experimenteerde met kleuren, vormen en woorden, wat duidelijk terug te zien is in zijn gedichtenbundel De feesten van Angst en Pijn. Ook Nijhoff wordt voorzichtig bestempeld als modernist. Het werk van Nijhoff straalt in eerste instantie geen modernisme uit. Hij schrijft zeer traditionele en ordelijke gedichten met een structuur (Van Halsema 1991: 110). Naast deze twee mannen waren er ook een zeer beroemde vrouwelijke modernisten: Virginia Woolff en Charlotte Mutsaers. De reden dat de werken van Woolff zo bijzonder waren had te maken met het feit dat zij experimenteerde met de zogenaamde stream of consciousness techniek, beschreven in Rimmon- Kenan (1996). Dit zag men direct terug in haar werk. Zij legde veel nadruk op de psychologische en emotionele motieven van haar karakters. De stream of consciousness is een techniek die in de negentiende eeuw opkwam in Frankrijk, maar die in de twintigste eeuw door veel Engelse schrijvers is gebruikt. De stream of consciousness zorgt voor een stroom gedachten, gevoelens, stemmingen en associaties van een personage. Ulysses van James Joyce is waarschijnlijk het meest bekende voorbeeld. De werken kenmerken zich door de fragmentarische zinsbouw, die het gevolg is van de vele input van een personage. Duidelijk is, is dat het modernisme een uitgebreide stroming is, die we in veel verschijningsvormen terug kunnen vinden in de Europese literatuur. In Nederland waren de gevolgen van het modernisme wel zichtbaar, maar de literatuur pikte het niet grootschalig op. In Engeland zien we bijvoorbeeld veel meer schrijvers die zich toe gingen leggen op het schrijven van modernistische romans. Bij het postmodernisme zien we wel een grote hoeveelheid auteurs die met deze nieuwe stroming aan de slag gingen. Het postmodernisme heeft vrij duidelijk te maken met het modernisme. Het woord post in postmodernisme duidt aan dat het na het modernisme komt. Post wil in dit geval niet zeggen dat het oude wordt vervangen door het nieuwe, het betekent dat het een opvolging is, een breuk met het voorgaande. In het postmodernisme is een breuk zichtbaar met het oude modernisme. Verschillende filosofen hebben zich beziggehouden met de vraag wat het postmodernisme nou eigenlijk is. Is het een stroming die na het modernisme kwam, of was het postmodernisme altijd al aanwezig (Lindijer 2003: 16-20). Om op deze vraag antwoord te kunnen geven heeft men een aantal verschillen op een rij gezet. Hierna wordt duidelijk dat het postmodernisme de grenzen van ons kennen, begrijpen en kunnen wil aftasten. Dat ze gevoel, fantasie en dromen zeer waarderen, en dat ze kritisch zijn ten op zichte van de mogelijkheden van de mens. Het woord postmodernisme is zeer breed. Verschillende mensen zullen iets aanduiden als postmodern, wat voor de ander juist modern is. Het grote verschil tussen de twee stromingen heeft te maken met kennis. De modernisten gaan er vanuit dat er een fundament nodig is om kennis op te baseren. Er worden argumenten uitgewisseld tussen verschillende groepen mensen en uiteindelijk probeert men het eens te worden. 124

125 In het postmodernisme gaat men juist uit van de gebrekkige basis van kennis. Er is geen eenduidige manier om tot de werkelijkheid te komen, een persoon wordt geleid door zijn emoties en onderbewuste handelen (Lindijer 20-34). Hoe uitte het postmodernisme zich in de literatuur? Bart Vervaeck (1999) stelt dat er niet zoiets is als hét postmodernisme of dé postmodernistische roman. Toch is het duidelijk geworden door het hedendaagse proza, dat het postmodernisme een grote rol hierbinnen speelt. Omdat postmodernisme in verschillende vormen kan verschijnen stelt Vervaeck vast dat het niet meer is dan een verzamelnaam voor een aantal kenmerken dat door de literatuurkritiek aan bepaalde teksten toegeschreven wordt (Vervaeck 1999: 7). Van deze definitie gaan we in dit hoofdstuk uit. Dan blijft echter wel de vraag over, uit welke kenmerken het postmodernisme dan bestaat binnen de verschillende vormen van postmodernisme. De verschillende vormen waarin postmodernisme kan verschijnen worden buiten beschouwing gelaten, omdat de nadruk meer ligt op de kenmerken van het postmodernisme, zoals deze ook zijn te vinden binnen de literatuur. In bijna elk boek kun je postmodernisme vinden, zij het in verschillende gradaties (Vervaeck 1999: 10-14). Een voorbeeld van een boek dat bol staat is het boek van Brakman: Het zwart uit de mond van Madame Bovary. Dit is een boek met een hoge gradatie, ook in de boeken van Mulish en Brouwers vindt men ook postmodernistische kenmerken, welke veel minder aanwezig zijn. Die werken hebben dus een lagere gradatie. In de twintigste eeuw vinden we veel postmodernistische romans. Binnen die postmoderne romans gaat het om de herkenning van de fictionele wereld. Hij gaat niet over de wereld van de alledag, maar de wereld van fictie. Dit neemt niet weg dat de realiteit wel degelijk aanwezig is in postmodernistische romans, alleen ze ontmaskeren de illusies die het realisme koestert. Binnen de postmodernistische romans is er veelvuldig sprake van intertekstualiteit. Wederom zal hier het werk van Brakman als voorbeeld dienen. Het zwart uit de mond van Madame Bovary is een duidelijke verwijzing naar Madame Bovary van Flaubert. Deze fictionaliteit hangt samen met de wereld van binnen en buiten. De roman is de spiegel tussen binnen en buiten. De binnenwereld moet in het geval van het postmodernisme het verleden en de buitenwereld weergeven, maar die blijken fictief afwezig (Vervaeck 1999: 30-31). Een tweede kenmerk van een postmoderne roman is de aaneenschakeling van beelden. De postmodernistische roman heeft een eigen netwerk van beelden. Een roman die postmodernistisch is, is een wereld van beelden die bijna obsessief is. Op den duur lijkt de lezer te stikken in eindeloze beelden en associaties. Zulke verstikkende samenhang vindt met niet alleen bij postmoderne schrijvers zoals Brakman. Het netwerk van beelden en associaties heeft zijn eigen logica. Deze logica is zowel geordend als chaotisch. Geordend, want alle beelden hebben samenhang, chaos omdat het zeer onoverzichtelijk wordt (Vervaeck 1999: 39-41). 125

126 Een derde kenmerk dat in de postmodernistische romans terug te vinden is, is de aanwezigheid van de verteller. Postmoderne vertellers zijn bijna lijfelijk aanwezig in hun verhaal. Deze dringen zich vanaf de eerste zin op de voorgrond. Uiteraard is dit niet het geval bij elke roman. De typische postmoderne prater richt zich tot een jij-figuur (vaak de lezer) en neemt de ik-vorm in de mond. Toch is het misleidend om te spreken van een postmoderne verteller. De term verteller suggereert dat het gaat om een subject en een vast centrum. Daar blijft in de postmoderne roman niets van over. De verteller wordt verspreid over de talloze verhalen die hij vertelt (Vervacek 1999: ). De drie kenmerken die hierboven genoemd zijn, worden vaak in verband gebracht met het postmodernisme. Het postmodernisme heeft dus grote invloed gehad op de literatuur. Dat is te zien aan de duizenden werken die één van bovenstaande elementen bevatten en alle andere werken die het postmodernisme op een andere manier uitten. Ook het symbolisme is een stroming die aan het eind van de negentiende eeuw ontstond in Frankrijk. In eerste instantie was de stroming duidelijk zichtbaar binnen de schilderkunst. Later zag men ook invloeden in de literatuur. Het symbolisme was een stroming die ontstond als reactie op de veranderingen in de maatschappij van de negentiende eeuw. De negentiende eeuw, was zoals duidelijk is geworden in het vorige hoofdstuk, een eeuw vol veranderingen. Het symbolisme was in eerste instantie een maatschappelijke visie en reactie op de snelle ontwikkelingen die zich hadden voltrokken in de negentiende eeuw. Het symbolisme, zoals de term al doet suggereren, was liefhebber van een romantische voorstelling van bepaalde gebeurtenissen. De bloei van een bloem stond symbool voor het leven en zo gebruikte met vele andere soorten symboliek. Binnen het symbolisme speelde het verleden een belangrijke rol. Waar men duidelijk kon zien dat andere stromingen een vervanging of extensie waren van eerdere stromingen en men dus wilde vernieuwen, zonder de oude traditie, zien we dat het verleden bij het symbolisme juist een belangrijke rol speelt. Het symbolisme vond haar oorsprong in de romantiek. Deze stroming aan het eind van de achttiende eeuw was weer een reactie op het overwaarderen van de rede en de objectiviteit. Toch hadden de symbolisten wel kritiek op hun voorgangers. De romantische beweging richtte zich teveel op de door God gegeven natuur. De symbolisten vonden het minder belangrijk om de natuur te observeren. De symbolisten vervreemden de werkelijkheid met hun symbolische woorden en beelden. Opvallend in het symbolisme is het centraal stellen van de vrouwelijke figuur. De nadruk wordt hierbij gelegd op de subjectieve zeggingskracht in een samenhang van erotiek en dood die mysterieus aandoet. Deze thema s kunnen worden gezien als het gevoel dat men had toen de samenleving een teloorgang beleefde. 126

127 In de literatuur zag men duidelijk een verwerping van het realisme en het naturalisme. Het symbolisme probeerde het onderliggende en irrationele van de werkelijkheid waarneembaar te maken. Om deze doelstelling te bereiken maakte men veel gebruik van taal-artistieke middelen, ofwel stijlmiddelen. Metaforen kwamen veelvuldig voor in symbolische literatuur en ook synesthesieën waren geliefde stijlmiddelen. Synesthesieën zijn begrippen die eigenlijk horen bij een bepaald zintuig, maar die ook bij andere zintuigen en begrippen passen. Baudelaire is een auteur die deze methode veelvuldig toepast. De auteur van de werken suggereert vaak dat er meer is dan hij rechtstreeks meedeelt aan de lezer. Het is als het waren een verhaal met dubbele bodem. Er moet achter de tekst worden gekeken om de daadwerkelijke boodschap te kunnen achterhalen (Dresen 1980). Nieuwe stromingen en andere kunstopvattingen zorgden ervoor dat het naar de achtergrond verdween, maar in sommige werken vinden we nog flarden terug. Slechts drie stromingen zijn er besproken in dit hoofdstuk terwijl er meer zijn. Er is gekozen voor deze drie omdat ze een grote invloed hebben gehad op de literatuur. Hoe was het met het literaire leven gesteld? 6.4 Het literaire leven in de twintigste eeuw. In de negentiende eeuw werd het duidelijk dat er een scheiding kwam tussen burger en kunstenaar. Tot voor kort waren burgers en kunstenaars één. Ook bleek uit eerder eeuwen dat het literaire leven zich voornamelijk in genootschappen afspeelde. In de twintigste eeuw waren er ook kunstenaars die met elkaar afspraken om elkaars werk te beoordelen, dit gebeurde echter vaak in cafés. Net zoals er veel veranderde in de maatschappij, veranderde er ook veel in de literatuur. Waar in de negentiende eeuw uitgebreide karakterbeschrijvingen een belangrijke rol speelden binnen de werken, was de literatuur in de twintigste eeuw sterk idealistische gekleurd. De hoofdpersonen waren, net als werken uit de negentiende eeuw, modellen van deugd en morele normen en waarden (Anbeek & Goedegebuure 1988: 5-6). De handelingen leidden in bijna alle gevallen tot een happy end en maken een nogal bonte en toevallige indruk. Op dit soort werken kwam aan het eind van de negentiende eeuw een reactie in de vorm van nieuwe werken. Binnen deze werken verschuift het accent van nadruk op handeling, naar karakteruitbeelding. Hierbij keken de Nederlanders voornamelijk het genre af. Bij de Engelse collega s was men geïnspireerd door de schoonheid en de zuiverheid van hun werken, welke zij over probeerden te brengen in de Nederlandse varianten van deze werken. Net zoals in de voorgaande eeuwen, kon men van het schrijven alleen niet leven. De economische positie van de auteur was zwak. Veel van de auteurs in de twintigste eeuw verhuurden hun werk aan de dagbladpers. De auteur kreeg geld voor het plaatsen van (een deel) zijn werk en kreeg zo wellicht meer publiciteit omdat een krant een medium was dat veel mensen lazen. In die sector kwam het steeds vaker voor dat er fulltime letterkundigen aan het werk waren. 127

128 Voorbeelden van zulke auteurs zijn Menno ter Braak en Anton van Duinkerken. Toch waren er ook auteurs die wel konden leven van hun talent voor het schrijven (Anbeek & Kloek 1981: 15-44). Er waren auteurs die met hun honorarium een bestaan op konden bouwen. Dit waren echter de uitzonderingen. Het zou tot de jaren 60 duren voordat schrijven een lucratieve bezigheid werd. De Eerste Wereldoorlog bracht hier weinig verandering in. Tussen de twee wereldoorlogen in, gedurende het interbellum namen de politieke spanningen in Europa toe. Het opkomende nationaalsocialisme nam hierbij een grote vlucht. Nederland kon in deze periode onmogelijk neutraal blijven. De Duitse zucht tot uitbreiding van hun gedachtegoed was te groot. De dictatuur die Hitler voor ogen had was ook voor Nederland niet te vermijden. In slechts vijf dagen was het leger van Nederland verslagen en was het land bezet. Dit had grote gevolgen voor de literatuur in die periode. Een vooraanstaand figuur in de Nederlandse literatuur, Menno ter Braak pleegde op 14 mei zelfmoord. Ook andere kopstukken overleden. Du Perron overleed aan een hartaanval, Jo Otten kwam om bij een bombardement en tot slot Marsman. Hij overleed toen hij vanuit Frankrijk naar Engeland over wilde steken. De Nederlandse literatuur was uitgedund en er bleven slechts drie grote namen over: Nijhoff, Holst en Vestdijk. De bezetting maakte in Nederland een einde aan de vrijheid van meningsuiting. Ondanks dat hiervoor jarenlang mensen op de bres hadden gestaan, werd het nu afgeschaft en men duldde geen tegenspraak. De Duitsers lieten er geen gras over groeien en maakten in 1940 bekend dat alle gedrukte teksten vooraf de goedkeuring van de Rijkscommisaris Seyss-Inquart nodig hadden. Naast deze maatregel werd het voor bibliotheken ook verboden om werken te bezitten met een anti-duitse strekking. Door deze maatregelen begonnen schrijvers listen te bedenken om onder deze maatregelen uit te komen. De meeste van de Nederlandse schrijvers bezweken niet onder de pressie van de Duitsers en gingen hun werk uitgeven onder een schuilnaam of gaven het illegaal uit. Vlak na de oorlog heerste er in Nederland een verlangen naar vernieuwing. Men wilde dat het land nooit meer zo zou worden als dat het in de oorlog geweest was. Hierbij dacht men aan verzuiling. Dit was een vorming van groepen op basis van het geloof. Hierdoor werd het volk dus opgesplitst in verschillende groepen. De intellectuelen van Nederland hoopten dat de calvinisten en de communisten samen zouden werken en er een einde zou komen aan de oude tegenstellingen. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog bleek deze gedachte enkel een illusie. Eind 1945 wordt de Katholieke Volkspartij opgericht en daarna in 1946 de Partij van de Arbeid. Met de oprichting van deze twee partijen zijn de oude zuilen weer in ere hersteld. De doorbaak die de intellectuelen in gedachten hadden, is nooit tot stand gekomen. Dit zorgt ervoor dat er op maatschappelijk en economisch vlak weinig verandert. In de literaire wereld verandert er wel veel. Door het overlijden van de drie gezaghebbende stemmen binnen de literaire wereld, verdween het kritische vacuüm (Anbeek & Kloek 1981: 44-50). 128

129 In een aantal tijdschriften die in de periode werden opgericht, werd er geschreeuwd om een nieuwe literatuur. Men wist alleen niet hoe die nieuwe literatuur eruit zou moeten zien. In de eerste jaren zijn er voorzichtige aanzetten gegeven om de nieuwe literatuur vorm te geven die in het naoorlogse Nederland heel wat beroering zou wekken. Het werk dat in 1947 verschijnt en inslaat als een bom is De Avonden van Gerard Reve. In Nederland was er een instantie, de IDIL de Informatie Dienst Inzake Lectuurvoorziening die zich uiterst negatief uitliet over het werk. Men achtte het niet geschikt voor de katholieke lezer vanwege het uiterst ordinaire taalgebruik en het cynisme. Daarnaast kreeg het werk vooral kritiek omdat er idealen in ontbraken. De critici beschouwden het werk van Reve als toonbeeld van werken die de nieuwe literatuur voort zou brengen: werken die vies en nihilistisch zouden zijn. Ook in de poëzie is er een hang naar vernieuwing. De poëzie na de Tweede Wereldoorlog behoort tot de vruchtbaarste in de Nederlandse literatuur. Net als bij de schilders, openbaarde zich een nieuwe generatie dichters met een poëtische taal die afweek van bijna alle conventies en van veel grammaticale regels (Bank 1995: 144). Men noemde deze groep de Vijftigers. De Vijftigers schreven experimentele poëzie. Het komt voor een deel overeen met de ontwikkelingen die zich voltrekken in het proza, maar er zijn ook verschillen op te merken. Een overeenkomst met de ontwikkelingen binnen het proza is de langzame voortgang van de vernieuwing. Deze vernieuwing kwam maar langzaam op gang. Ook hier was er een schreeuw om vernieuwing die maar langzaam werd gehonoreerd. De dichters van de oude stempel dichtten volgens de Criteriumtraditie. Dat wil zeggen dat de gedichten een anekdotisch karakter hebben en het irrationele schuwen. De veranderingen binnen de kunsten was eerder te zien bij de schilders dan bij de dichters. De oprichting van de Expirimentele Groep Holland in 1948 was een belangrijke ontwikkeling die zich inzet voor meer experimentele kunst. De nieuwe generatie moest zich losweken van patronen van eerdere generaties. In eerste instantie behoorden alleen schilders tot deze groep, later sloten ook dichters zich bij deze groepering aan (Anbeek & Kloek 1981: 50-53). Een overeenkomst tussen de experimentele poëzie en proza is dat het beide een heftige weerstand opriep die doordrong tot de Eerste en Tweede kamer van de Staten-Generaal. Kranten riepen op tot censuur van deze moderne, vieze romans en gedichten. Het publiek speelde een belangrijke rol in het lot van de nieuwe werken. De nieuwe literatuur vond zijn weg naar het lezerspubliek erg langzaam. Het grote publiek had weinig tot geen voorkeur voor het lezen van werken van de Nederlandse Modernisten. Het verschil tussen de officiële literatuur en hetgeen de massa las, was nimmer zo groot geweest. Dit gaf aan dat de lezer zich niet altijd liet beïnvloeden door de criticus. Werken waar de critici commentaar op hadden vonden in grote getale de weg naar de boekenkast van de lezer (Anbeek & Goedegebuure 1981: 50-65). 129

130 In de jaren zestig van de twintigste eeuw werd de scheiding tussen de gezellige auteurs en de luisterende romanciers steeds duidelijker zichtbaar. Deze twee begrippen staan bol van de subjectiviteit. Waar in hoofdstuk vier problemen waren met het definiëren van officiële literatuur en alternatieve literatuur, zijn ook deze twee termen geen vaststaande termen. De gezellige auteurs, waren auteurs die eenvoudigere werken schreven, waarbij de lezer het gevoel had het zelf ook te kunnen. Geen ingewikkelde plotten en gedetailleerde personagebeschrijvingen maar gewoon een eenvoudig, leesbaar, aantrekkelijk en voornamelijk herkenbaar verhaal. Deze werken waren voornamelijk aantrekkelijk voor de jongere lezer. Deze jonge lezer is ontstaan door de explosieve groei van de Nederlandse bevolking, die plaatsvond na de tweede wereldoorlog. Men ging naar school waar de leesinteresse werd aangewakkerd. Er is een duidelijk verband te constateren tussen de gevolgde opleiding en de leesinteresse. Het is gebleken dat mensen die meer opleiding gevolgd hebben, over het algemeen meer lezen. Deze jonge lezers hadden geen aversie tegen het moderne proza. Door de toename van kinderen, werd de toestroom tot scholen ook groter. De scholen waren hier niet op voorbereid en hadden niet genoeg mankracht om de roosters te vullen. Er werden zodoende steeds jongere docenten aangenomen die opgegroeid en vertrouwd waren geraakt met de moderne stroming. Naast deze explosieve groei van het leespubliek speelt ook de verzuiling een rol. Het literaire leven was, in tegenstelling tot het Interbellum, niet langer in zuilen verdeeld. De naoorlogse literatuur is niet godsdienstig. De godsdienstige literatuur verliest steeds meer aansluiting met de moderne variaties. Deze twee factoren zijn de belangrijkste binnen de twintigste eeuw die invloed hadden op het literaire veld. Duidelijk is geworden dat het lezerspubliek aanzienlijk groter was in de twintigste eeuw dan in de eeuwen ervoor. De luisterende romanciers, waar de grote namen mee worden bedoeld uit bijvoorbeeld de zeventiende eeuw, zoals Vondel en Hooft, maar ook de grote namen uit de twintigste eeuw zelf zoals Hermans en Mulisch, hadden een ander publiek. Ook de jonge mensen lazen deze werken wel, alleen het grootste deel was ouder en zat niet meer op school. Een speciale plaats in deze paragraaf is er voor de jaren 60 van de twintigste eeuw. Een periode die iedereen zich zal herinneren als een tijd waarin vaststaande structuren werden doorbroken. Was dit ook aan de orde in de literatuur? Tijdens de periode had een enorme verschuiving van normen en waarden plaatsgevonden. Hierbij werden een aantal taboes doorbroken. Zo ook het taboe op erotiek en seksualiteit. Voor 1960 was het taboe hierop wel aangetast, maar het was nog lang niet doorbroken. Dit bleek wel toen Cremer en Wolkers werken publiceerden waarin erotiek een belangrijke plaats innam. Er werd wel hiervoor gesproken over seks, maar dan was het in verhullende passages neergezet. Men was niet gewend aan de niet-verhullende taal van beide heren. Om nog maar te zwijgen over Reve die zijn seksuele voorkeur, de homoseksualiteit, duidelijk liet zien in zijn werken. Ook dit werd zeer schokkend bevonden. 130

131 Bij al deze onderwerpen is het opvallend dat de oudere generatie zich hevig geschokt en afwijzend opstelde, terwijl de jongeren tussen de twaalf en twintig jaar de werken met veel gejuich ontvingen. De jongeren hadden een vrijere geest (Anbeek & Goedegebuure 1988: 73-76). Er zijn in de twintigste eeuw dus een aantal dingen veranderd in vergelijking met de negentiende eeuw. De literatuur vernieuwde en er ging moderne experimentele literatuur bestaan. Daarnaast is de oorlog van groot belang geweest op het literaire veld. De bezetting zorgde er in eerste instantie voor dat de vrijheid van meningsuiting aan banden werd gelegd. Toen Nederland bevrijd was, werd men mondiger dan ooit en was er een groot verlangen naar vernieuwing in de letteren en de poëzie. Dit verlangen werd vervuld door de rol die de moderne literatuur ging spelen. Ook in de twintigste eeuw zal er gekeken worden naar de invloed van vrouwen in de literaire wereld. Haar toenmalige positie binnen de samenleving had zijn weerslag op de invloed die vrouwen hebben uitgeoefend op het literaire veld (Anbeek & Goedegebuure 1981: 65-70). 6.5 Vrouwen in de twintigste eeuw. De rol die de vrouw in de twintigste eeuw speelde, valt samen met allerlei ontwikkelingen in diezelfde eeuw. De verbetering van levens- en arbeidsomstandigheden hing nauw samen met de stijging van ee welvaart, de medische en technologische vooruitgang en de toename in kennis. In de twintigste eeuw is de bevolking verdrievoudigd en de gemiddelde koopkracht per gezin steeg ook. Geschoold en interessant werk was er maar weinig en het was zeker niet weggelegd voor de vrouwen binnen de samenleving. Toch werd van vrouwen wel verwacht dat zij zouden werken. Veel gehuwde vrouwen moesten werken omdat het inkomen van hun man niet toereikend was om hun gezin te kunnen onderhouden. De werkzaamheden die deze vrouwen mochten uitvoeren waren veelal de functies van naaister, garnalenpelster en schoonmaakster. Reguliere loonarbeid kwam voor de gehuwde vrouwen maar weinig voor. Wanneer de kinderen uit het gezin oud genoeg waren om zelf ook geld te verdienen, legde de vrouw zich neer bij de huishoudelijke taken binnen haar eigen gezien. Er is in de twintigste eeuw veel veranderd. Hierbij gaat het vooral om de dagelijkse bezigheden van zowel mannen als vrouwen. In de loop van de twintigste eeuw werd onderwijs niet langer als overbodig gezien voor een meisje. In de eeuwen hiervoor werd onderwijs vaak niet nodig geacht voor vrouwen, omdat zij toch in het huishouden zouden werken. In de twintigste eeuw werden de opleidingen tot onderwijzeres, verpleegster en maatschappelijk werkster geschikt geacht voor vrouwen. Door deze nieuwe mogelijkheden tot scholing, veranderden ook de mogelijkheden op de arbeidsmarkt voor de vrouw. 131

132 In de negentiende eeuw maakten de meeste vrouwen, net zoals de meeste mannen, lange werkdagen tegen minimaal loon. Daarnaast waren de werkzaamheden die zij moesten uitvoeren vaak lichamelijk zeer zwaar en in sommige gevallen ook ongezond en gevaarlijk. Mannen en vrouwen hadden over het algemeen verschillende banen. Er waren typische mannenberoepen, zoals functies in de landbouw en de industrie. De beroepen die vrouwen meestal uitvoerden waren meer van huishoudelijke aard. Gedurende de twintigste eeuw veranderden de kansen op de arbeidsmarkt. De werkgelegenheid in de industrie en de huishoudelijke diensten was bijna verdwenen en er kwam meer geschoold werk. Daarnaast kwamen er steeds meer kantoorfuncties waar ook vrouwen voor in aanmerking kwamen (Pott 1998: 2-10). Bij de arbeidsmogelijkheden voor vrouwen speelt het onderwjis een belangriujke rol. In de negentiende eeuw was men van mening dat vrouwen de helft van het onderwijs nodig hadden dan de mannen genoten. Later in de negentiende eeuw ging het om de combinatie onderwijs en het milieu waar de leerling uit afkomstig was. In de twintigste eeuw was gelijkheid het woord waarmee de wensen van vrouwen het best konden worden omschreven (Van Essen 1998: 110). Zoals eerder in dit hoofdstuk al duidelijk is geworden, streden feministische vrouwen om gelijke rechten en mogelijkheden voor vrouwen. In de twintigste eeuw is de belangrijkste doorbraak in het onderwijs, dat de vrouwen vrij kunnen kiezen voor alle beroepen. Waar het eerst gebruikelijk was dat een vrouw dingen aanleerde voor het huwelijk en het moederschap, kon zij nu zelf een keuze maken die wellicht niet in de lijn der traditie lag. Deze voltrekking van de zogenaamde Mammoet-wet uit 1963 rekende af met de verschillen tussen de beide seksen. Gelijkheid werd het leidende beginsel. Toch bleef het principe dat vrouwen veelal kozen voor vrouwelijke beroepskeuzen en veel van de vrouwelijke leerlingen zagen nog steeds het huwelijk en de gezinstaak als toekomst voor zich weggelegd. Meisjes beginnen in de jaren 70 aan hun grote sprong voorwaarts om op gelijke hoogte te komen met hun mannelijke leeftijdsgenoten. Hun onderwijsdeelname nam op alle niveaus van scholing toe. Er kwamen allerhande cursussen om vrouwen voor te bereiden op de samenleving, er kwamen moeder-mavo s en avondscholen. Toch was er van echte gelijkheid nog geen sprake. Een belangrijke school in de negentiende eeuw die niet bij draagt aan het opheffen van de verschillen tussen de seksen is de MMS. De Middelbare Meisjes School. Op deze opleiding konden meisjes uit gegoede milieus terecht. Binnen deze opleiding lag het zwaartepunt op het beheersen van het Nederlands, maar ook expressieve vakken zoals tekenen, handvaardigheid, als mede de vakken geschiedenis en aardrijkskunde speelden een belangrijke rol. Het duurde tot 1871 voor meisjes ook werden toegelaten tot de HBS. Dit was echter geen recht, ouders van de meisjes die dit wilden, moesten altijd een verzoek tot toelating indienen bij de minister van Binnenlandse Zaken. Bij de MMS vond er tussen 1950 en 1960 een enorme explosie plaats van het leerlingenaantal. 132

133 Na de oorlog kwam de behoefte aan een veilige haven in de vorm van het gezin terug en zodoende kregen veel vrouwen weer de behoefte om de spil van het gezin te zijn, met de daarbij behorende werkzaamheden die zij op de MMS kregen bijgebracht. Ondanks deze groei van het aantal leerlingen stierf het fenomeen meisjesschool in 1986 een langzame dood. Het aantal scholen dat zich alleen richtte op meisjes nam drastisch af, er bleven alleen een aantal meisjes-havo s over. De MMS was definitief verdwenen. De beroepsopleidingen kregen het door het wegvallen van de MMS drukker. Meisjes uit de burgerij gingen naar de kook- en huishoudscholen en meisjes uit een minder milieu werden vaak opgeleid tot dienstbode. Het idee dat vrouwen ook een beroep moesten leren heerste eind negentiende eeuw. Net als in de voorgaande eeuwen, waren er ook in de twintigste eeuw ambitieuze vrouwen. De wet op het hogeronderwijs van 1876 had expliciet betrekking op beide seksen. Zo kon het voorkomen dat ook vrouwen het hogerberoepsonderwijs gingen volgen. Met 120 vrouwelijke studenten, wat 4% was van het totale aantal studenten vormden de vrouwen in 1890 nog een uitzondering (Van Essen 1998: ). Pas vanaf 1910 steeg het aantal vrouwelijke studenten gestaag. Toch bleef het hoger onderwijs een mannenbolwerk. Voornamelijk de universiteit was een plaats waar mannen de macht hadden. Vrouwen waren buitenstaanders binnen universiteiten, die hun plekje niet kregen toegewezen, maar moesten veroveren. De invloed van mannen heeft invloed op de keuzes die vrouwen binnen de universiteiten maakten. Steeds vaker werd er gekozen voor maatschappelijke opleidingen en liet men de exacte studies links liggen. Vrouwen voelden dat ze binnen de maatschappelijke vakken meer kans hadden, omdat er minder mannen opereerden binnen hetzelfde vakgebied. Totale gelijkheid heeft in de negentiende eeuw dus lang op zich laten wachten. Vrouwen moesten voor veel dingen meer moeite doen dan mannen (Van Essen 1998: ). De mogelijkheden tot opleiden had invloed op de banen waar vrouwen voor in aanmerking kwamen. Een baan die bij uitstek geschikt lijkt te zijn aan het eind van de negentiende eeuw is administratief medewerkster. Veel ondernemers deden in de negentiende eeuw hun eigen administratie. Door de voortdurende mechanisering en automatisering werd de dienstverlening groter en zodoende kwamen er meer mogelijkheden voor vrouwen bij om te werken. Wanneer een bedrijf groter werd kon de administratie niet meer door de baas zelf gedaan worden en werd er iemand benoemd tot kantoorklerk. Deze klerk was veelal een familielid of een bevriende van de baas. Voor deze functies kwamen vrouwen in aanmerking. In het begin bestond er bij hun mannelijke collega s een grote weerstand, maar toen vrouwen het werk eenmaal uitvoerden verstomde het geluid. Deze vrouwelijke kantoormedewerkers stonden wel vaak onder toezicht van een mannelijke collega. Hogere functies binnen een bedrijf waren niet voor vrouwen weggelegd. De minister van Binnenlandse Zaken bepaalde elk jaar hoeveel vrouwen het examen mochten om een bepaalde rang te krijgen. 133

134 Dit examen bleek een uiterst effectief middel om de doorstroom van vrouwen te beperken. In de negentiende eeuw was het bij veel bedrijven standaard dat vrouwen een ander contract kregen dan hun mannelijke collega s. Het zogenaamde meisjescontract bevatte een clausule. Deze clausule bevatte de regel dat het dienstverband bij een huwelijk opgeheven zou worden. Het gebrek aan doorstroming speelde veel vrouwen parten. Ondanks hun mms-diploma en het voltooien van typecursussen kwam ze binnen het bedrijf vaak niet hogerop. De minister was echter geen voorstander van het doorstromen van vrouwen. Onder druk van de vrouwen zelf, besloot hij in zeer specifieke gevallen een rang open te stellen voor een vrouw. Een belangrijke gebeurtenis die ook invloed heeft gehad op de mogelijkheden van vrouwen in de negentiende eeuw, is de economische crisis van de jaren 30. Dure kantoorkrachten werden ontslagen om plaats te maken voor jonge, goedkopere krachten. Hiermee kwamen ook de lonen onder druk te staan. De lonen van vrouwelijke bedienden daalden met 13% tegenover 4% bij hun mannelijke collega s. Toch hadden de mannelijke bedienden meer te lijden onder de werkeloosheid dan de vrouwelijke bedienden onder hun salaris. Het werd vrouwen op dit moment verweten de plaatsen in te nemen van de mannen. Dit was het moment waarop vrouwelijke werknemers zich gingen organiseren om op te komen voor hun rechten. De algemene vakbonden kregen meer aandacht voor de positie en de werving van vrouwen. In de crisisjaren had de vakbond echter aandacht nodig voor andere zaken en bereikte de aandacht voor de vrouwen een dieptepunt. Het grootste goed in de ogen van de vrouw was de werktijd. Vrouwen klaagden met hun fysieke achterstand op mannen, dat ze veel langere dagen moesten maken. Overwerk werd niet betaald en de vrouwen gingen stuk op de lange dagen. Er werd een regel opgesteld die er voor zorgde dat er niet langer dan 8.5 uur per dag gewerkt mocht worden en het overwerk drastisch moest verminderen. Een tweede overwinning voor de vrouwen was het afschaffen van het meisjescontract. Dit was ook een belangrijk punt op de agenda van de vrouwelijke strijders. Waar het contract er eerst toe leidde dat vrouwen een afkeer kregen tegen het trouwen, werd het nu mogelijk om te blijven werken na het huwelijk. Het werd zelfs mogelijk om in deeltijd te werken. Ondanks dat het huwelijk of het krijgen van kinderen geen beperking meer was voor het werk, namen veel vrouwen zelfstandig ontslag bij zulke gebeurtenissen. Deze houding leidde er toe dat vrouwen nog steeds niet in aanmerking kwamen voor leidinggevende functies. Mannelijke werknemers zouden vrouwelijke leidinggevenden met een kind niet serieus nemen. Ze hadden er moeite mee dat een vrouw de leiding had. Vandaag de dag zijn er nog steeds verschillen te zien tussen mannen en vrouwen op de werkvloer en in het onderwijs. Binnen het onderwijs is er geen sprake meer van discriminatie vanwege de sekse, maar is er een duidelijke scheiding te zien tussen mannen en vrouwen en de studierichting. 134

135 Nog steeds is het zo dat mannen veelal voor exacte richtingen kiezen en vrouwen voor de meer sociale en maatschappelijke studies. Aan het begin van het studiejaar 2007/2008 stonden er ruim studenten ingeschreven bij het hoger onderwijs, hiervan was 52% vrouw (cbs). Dit geeft aan dat er zowel mannen als vrouwen, steeds vaker kiezen voor een opleiding in het hoger onderwijs en dat er in vergelijking met de voorgaande eeuwen dus veel is veranderd. Met betrekking tot de banen, komt het nog steeds voor dat de echte topfuncties bij grote multinationals worden bezet door mannen. Dit heeft niet alleen te maken met de ambitie van de man, maar ook met de ambitie van de vrouw. Vrouwen nemen in veel gevallen genoegen met een baan die te combineren is met hun gezin. Al met al is de reis van 1450 tot heden een reis die nieuwe kansen biedt voor vrouwen in de maatschappij. Waar de vrouw begon als huisvrouw, was er steeds meer mogelijk. Een vrouw mocht ambities en dromen hebben en kon zodoende haar eigen toekomst zeker stellen. Duidelijk geworden is dat de vrouw in de huidige maatschappij meer mogelijkheden kreeg. Binnen de twintigste eeuw heeft het feminisme een belangrijke rol gespeeld. Aan deze stroming zal een aparte paragraaf worden besteed. 6.6 Het feminisme Na deze jaren breken er woelige tijden aan voor de vrouw in de Nederlandse samenleving. Eén van de belangrijkste gebeurtenissen die de samenleving even op zijn grondvesten doet schudden is het feminisme. Deze stroming die voor het eerst aan de orde kwam in de jaren 70, kwam op voor de emancipatie van de vrouw. Het volgende citaat geeft weer waar het feminisme voor stond: Feminisme is het streven, om de vrouw algemeen erkend te zien als de gelijkwaardige van de man, het is een streven, niet een stelsel, het is een actie en geen star systeem. Er wordt gestreefd naar erkenning en gelijkwaardigheid, om een bewerking van de publieke opinie (Daalder1992: 554). Niet alleen werd er gestreden om gelijkwaardigheid, men wilde dat er mogelijkheden kwamen voor vrouwen, dat de vrouwen ook gewaardeerd werden en dat vrouwen geen hinder konden ondervinden van regels die waren opgesteld door mannen. Er was een aantal vrouwen dat actief opkwam voor hun standpunten en hier verscheen ook enige literatuur over. Men spreekt over drie golven die te vinden zijn binnen het feminisme. Tijdens de eerste golf, die volgens sommige literatuur plaatsvindt tussen 1870 en 1920, ging het met name om het verkrijgen van meer rechten voor de vrouw. Voor de vrouwen werd het nu meer bespreekbaar om eerst tot het huwelijk te werken en zich te daarna te wenden tot hoedster van het gezin. Voor dit mogelijk was, was het gebruikelijk dat men niet zou werken, maar direct na school het leven van een getrouwde vrouw zou gaan leiden. Het meest belangrijk en discutabel waren de punten over gelijkheid en seksuele vrijheid. 135

136 Met seksuele vrijheid hing seksuele controle mee samen. De vrouwen wilden controle hebben over het moment waarop zij kinderen zouden krijgen. Op uitzonderingen zoals Aletta Jacobs na, waren vrouwen vroeger tegen voorbehoedsmiddelen, voor zover ze bestonden. Dit zou later allemaal in een ander daglicht worden geplaatst (De Waard 1992). Na de strijd om het kiesrecht dachten sommige vrouwen wel dat de strijd gestreden zou zijn en dat vanaf nu alles een stuk vanzelfsprekender zou worden. De opleving was echter van korte duur en zodoende ontstond er een tweede feministische golf. Die tweede golf begon rond 1965 en duurde tot halverwege de jaren 80. Deze tweede opleving had alles te maken met het resultaat van de eerste opleving. Ondanks dat er veranderingen waren ontstaan, waren ze maar van korte duur en ze breidden zich niet uit naar andere maatschappelijke terreinen. Hierbij bleef de druk op vrouwen als de zogenaamde baarmachines nog aanzienlijk hoog. De zin het enige recht van de vrouw is het aanrecht werd geïntroduceerd door tevreden mannen, die niets wilden veranderen aan de positie van de vrouw zoals hij was. Ondanks dat het een nieuwe feministische golf zou moeten worden, waren de thema s vergelijkbaar met de eerste poging, alleen waren er nu drie nieuwe thema s aan toegevoegd. Die thema s waren seksualiteit, het huwelijk en het gezin. Denk hierbij aan de actie baas-in-eigen-buik van de Dolle Mina s. Wat heeft deze beweging teweeg gebracht in het literaire veld? Deze beweging heeft er toe geleid dat ook in de literatuur vrouwen zich genoodzaakt voelden om zich te laten horen. In eerste instantie lijkt die invloed klein, alleen wanneer we verder kijken dan alleen de oppervlaktelaag, is te zien dat de invloed aanzienlijk is. De televisie die beelden uitzond van honderden protesterende vrouwen, maar ook interviews met vrouwen. Deze interviews waren door heel Nederland op de televisie te zien, maar ook het geschreven woord verspreidde de mening. Vrouwen hadden het gevoel gekregen dat zij hun stem moesten laten horen aan lotgenoten en dus vertrouwden zij hun gedachten toe aan het papier. Een maandblad dat deze vrouwen hierbij hielp is het, nog steeds bestaande, tijdschrift Opzij. Het blad had een eigen slogan die duidelijk moest maken waar het blad voor stond: Over Opzij: dat ervan uitgaat dat vrouwen zijn achtergehouden en achtergebleven en dat zélf nog maar nauwelijks in de gaten hebben. Het werd in eerste instantie opgezet als een activistisch pamfletachtig tijdschrift, dat hedentendage nog steeds vecht waar het voor wil staan. Zo komen ze nu met het concept voor een vrouwencanon, na de reeds verschenen canon. Er staan volgens Opzij te weinig invloedrijke vrouwen in. Het bleef niet bij alleen een blad, er kwam een uitgeverij genaamd De Bonte Was. Een uitgeverij voor en door vrouwen (De Waard 1992). Er zijn vandaag de dag mensen die stellen dat er op dit moment van schrijven een derde feministische golf gaande is. Deze uitspraken werden versterkt door de komst van de zogenaamde chicklit boeken. Deze term wordt gebruikt voor boeken van (over het algemeen) vrouwelijke schrijfsters. Het ijkpunt voor dit nieuwe genre zou het boek Bridget Jones Diary van Helen Fielding kunnen zijn. 136

137 6.7 Vrouwen in de literaire wereld Wanneer de laatste eeuw wordt bekeken, is het opvallend dat er weinig vrouwelijke schrijfsters zijn opgestaan in de periode tussen 1945 en Dit zal wellicht te maken hebben gehad met de oorlog en de angst voor nieuwe aanvallen en de positie van de vrouw in de samenleving. Kortom de vrouwelijke invloed is gering te noemen (Prinssen & Vermij 1991: 1-2). In de Verlichting stonden er veel vrouwelijke auteurs op, die de behoefte voelden om hun mening kenbaar te maken aan een groter publiek. Zoals in Hoofdstuk 4 duidelijk is geworden waren schrijfsters zoals Deken en Bekker erg populair als duo, wiens briefroman Sara Burgerhart grote populariteit genoot. In de twintigste eeuw, waarin de naturalistische romans zegevierden, waren er enkele vrouwen te bespeuren. Maar dit waren er niet veel. Er zijn ongeveer veertig prozaschrijfsters die in de bovenstaande periode echter wel doorgedrongen waren en de daarmee gepaarde media-aandacht gelaten over zich heen lieten komen. Ondanks die gelatenheid, werden hun boeken goed verkocht en mochten verschillende schrijfsters prijzen voor hun werk in ontvangst nemen. Ondanks de soms met seksistische opmerkingen overladen recensies, waren er dus wel degelijk vrouwelijke auteurs. Deze vrouwelijke auteurs zijn echter ook afhankelijk van de pen van de criticus en hoewel ze vandaag de dag meer worden gerespecteerd dan vroeger, werd er weinig goeds over de dames geschreven. De vrouw werd gezien als huishoudster en als moeder. Niet als schrijfster die haar ideeën en - tot op zekere hoogte- haar gedachten en fantasieën deelde met de lezer. Onder de schrijfsters die wel de stap tot publicatie zetten heerst grote diversiteit. Geen van allen heeft dezelfde leeftijd of dezelfde sociale achtergrond. Er is wel een algemeen genre aan te wijzen, dat de dames maar al te graag beoefenen. Dit is het genre van de psychologische roman. De reden hiervoor kan zijn dat de vrouwelijke auteurs zich kunnen identificeren met de verhaallijnen. Een kenmerk van de psychologische roman is het huisvrouwenbestaan waaruit de vaak artistieke vrouwen vluchten. Centraal hierbij staat het thema liefde, dat in allerlei vormen terugkeert binnen de romans. Vaak terugkerend is het verschil tussen mannen en vrouwen. De twee geslachten zijn zo verschillend dat ze elkaar nooit zullen bereiken. Een vriendschap is wellicht mogelijk tussen man en vrouw, maar dit is schijnbaar niet interessant genoeg om als onderwerp te belichten in een roman. Seksualiteit is een onderwerp dat uit de boeken wordt gehouden (Prinssen & Vermij 1991: 2-21). Het werd niet gezien als lust, aangezien in die tijd anticonceptiemiddelen (ze werden vaak zelf bedacht door de koppels) nog geen gemeengoed waren en zeer zeker niet betrouwbaar waren (Prinssen & Vermij 1991: 1-21). Seksueel contact was dus iets wat verantwoordelijkheden en volwassenheid met zich meebracht en kwam niet uitgebreid voor in de romans uit die periode. Zoals door studie duidelijk is geworden blijkt het heel lastig iets gemeenschappelijks aan te wijzen binnen die jaren

138 Wanneer verderop in dit hoofdstuk drie schrijfsters worden aangehaald die een verandering teweeg brachten binnen het literaire klimaat, zal er wel één schrijfster aan bod komen die in deze periode debuteerde (Prinssen & Vermij 1991: 21-22). Toch is het nou eenmaal zo dat vrouwen minder macht hebben aldus Stamperius (1980). Zij verklaart dit door het feit dat zowel inkopers van boekhandels, maar ook critici, redacteuren, uitgevers en schrijvers van literatuurgeschiedenissen voornamelijk van het mannelijke geslacht zijn. Vanwege het feit dat een mens niet alles kan lezen, stelt zij dat de lezer zich voor een groot deel laat leiden door de literatuurgeschiedschrijvers en de critici. Aangezien werken van een auteur worden gelezen door een lezer van hetzelfde geslacht zijn veel van de boeken die besproken worden van mannelijke auteurs afkomstig. Daarnaast stelt Stamperius dat het een kwestie is van de eenzijdig ontwikkelde culturele smaak van ons land. Dit argument staat direct in verbinding met de vooroordelen die er nog steeds heersen over vrouwen. Vrouwen zijn een minderheidsgroep en zolang ze zo worden genoemd, zal alles anders worden beoordeeld dan wanneer iets van de mannen wordt beoordeeld. Een voorbeeld hiervan vinden we in de bespreking van boeken. Werken van vrouwen worden vaak gezamenlijk in één recensie besproken terwijl mannen een hele recensie voor zichzelf hebben. Deze argumenten die Stamperius aandraagt zijn vanuit een vrouw beschreven, dat komt vrij duidelijk naar voren. Vanuit een mannelijk standpunt zullen deze standpunten naar alle waarschijnlijkheid van tafel worden geveegd. Mannen hebben zich hier echter niet nadrukkelijk over uitgelaten, vrouwen schrijven vaak over vrouwen. Het is duidelijk dat vrouwen in de positie waren om werken te schrijven en ze uit te geven, er kwamen zelfs speciale uitgevers die zich alleen richten op werken van vrouwen. Wat schreven die vrouwen dan? In het begin van de twintigste eeuw schreven vrouwen voornamelijk over echte vrouwenzaken. Boeken over menstruatie en zwangerschap zijn hier twee voorbeelden van. De belevingswerelden van mannen en vrouwen zijn in de twintigste eeuw dus erg verschillend. Vrouwen zagen literatuur in de twintigste eeuw als geschikt middel om andere vrouwen te confronteren. Hierbij was overtuigen geen doelstelling. Naast de inhoud van de werken zijn er ook verschillen in de genres en de daarbij behorende kenmerken. Vrouwen maken gretig gebruik van brieven en dagboeken als basis van hun werken. Dit zijn twee kenmerken waarbij vrouwen eenvoudig kunnen oefenen. Dit wil niet uitsluiten dat mannen ook gebruiken maken van brieven en dagboeken, het is in dit verband belangrijk dat vrouwen hier gebruik van maken. Naast de rol die de vrouwen binnen het literaire veld speelden, hadden vrouwen ook een aandeel in de dagbladkritiek van de twintigste eeuw. Vandaag de dag zijn er in elke krant recensies te vinden van boeken, films en andere culturele gebeurtenissen. De kritieken over boeken hebben nog geen lange geschiedenis. Men denkt dat het begin van de dagbladkritiek is gesitueerd in 1814, direct na de Franse Tijd. 138

139 Recensies zoals wij die nu kennen kwamen toen nog niet voor, maar wel werd er in kranten aandacht besteed aan boeken die beoordeeld werden. Veel van de onderzoeken die er gedaan zijn naar vrouwen in de eerste helft van de negentiende eeuw, zijn nauwelijks vanuit seksistisch oogpunt gestart. Toch zijn er een aantal kenmerken van de dagbladkritiek met zekerheid vast te stellen. Veel van de stukken die gepubliceerd werden in de kranten in de negentiende eeuw waren anoniem. Korevaart (1988) heeft onderzoek gedaan naar de rol van vrouwen in de dagbladkritiek en constateert dat er binnen de artikelen en boekbesprekingen weinig vrouwelijke auteurs actief waren. Zij heeft onderzocht dat er maar 44 boeken van vrouwelijke auteurs uit binnen- en buitenland werden besproken, terwijl er in de periode veel meer boeken waren besproken. Vrouwen vulden maar 3% van de gehele besproken werken op. In de periode vlak na de Franse Tijd worden er 713 artikelen over literatuur geschreven. Ook binnen deze sectie, nemen vrouwen maar een bescheiden rol in: 36 van deze artikelen gaan over schrijfsters. In het begin van de twintigste eeuw was er met betrekking tot deze rolverdeling weinig veranderd. De enige rol die de vrouw speelt binnen de kritieken, is de rol van de lezer. Ze wordt meestal niet aangesproken als lezer van de krant, de doelgroep waar de recensent zich op richt, maar wel als lezer van werken die voor en door vrouwen zijn geschreven. Er wordt min of meer een veld geschapen, waarin het gaat over de relatie tussen de criticus en de lezer over schrijfsters, lezeressen en vrouwenfiguren in de besproken werken. In die werken worden vrouwelijke personages geschapen die fictief zijn. Ondanks deze fictiviteit worden er uit deze personages normen gedestilleerd waaraan vrouwen geacht worden zich te houden. In de dagbladkritiek komt er ook in de twintigste eeuw discriminatie voor. De seksspecifieke uitspraken die gedaan worden kunnen worden verdeeld in drie groepen: allereerst zijn er de opmerkingen over vrouwen in het algemeen, als tweede zijn er de generaliserende uitspraken en tot slot zijn er waardeoordelen die speciaal gebruikt worden bij de beoordeling van literatuur die geschreven is door vrouwen. Binnen kritieken komen er vaak stereotyperingen over vrouwen voor. Vrouwen worden gezien als het zwakkere geslacht en worden binnen die kritieken dan ook vaak vergeleken met hun mannelijke collega s (Stamperius 1980: 13-32). Deze uitspraken over vrouwen lijken voort te komen uit het feit dat vrouwelijke auteurs de bestaande orde in de war brengen. In de twintigste eeuw was het grootste deel van het lezerspubliek van romans een vrouw. Eerder uitgesproken angsten dat de roman aanzet zou geven tot verkeerde en onzedelijke gedachten bij de vrouwen, zijn in de twintigste eeuw niet meer aan de orde. Nu duidelijk is geworden dat vrouwen wel degelijk een invloed hebben als schrijfster en als criticus komen we bij de andere rol die vrouwen vervullen in het literaire veld. De rol van lezer. Vrouwen lezen en kijken anders naar een werk dan mannen. Mannen bepalen voor een groot deel wat literatuur is. 139

140 Vrouwen durven onder andere vanwege gebrek aan zelfvertrouwen, niet altijd op te komen voor hun literaire voorkeuren. Wanneer vrouwen een boek lezen over vrouwen, hebben zij gedurende het lezen het gevoel alsof het boek echt voor hen bestemd is. Ze voelen zich direct aangesproken. Deze factor draagt bij aan het plezier dat de vrouwen hebben gedurende het lezen (Stamperius 1980: 32-38). Na 1980 viel het op dat de vrouwen hernieuwde kracht hadden gevonden en gingen zij door met het schrijven van werken en de strijd tegen de mannen was een belangrijk punt waarna er veel verandert voor de vrouwen. Vrouwen liepen tegen veel minder problemen aan dan voor de strijd van het feminisme was gestart. Zowel in de literatuur als voor de vrouw in de maatschappij. Alle vrouwen werken, op een bevoorrechte minderheid na, en krijgen voor dit werk een redelijk salaris (De Beauvoir 1984: 63-66). Nog steeds staat er regelmatig een bericht in de krant over de salarissen van vrouwen binnen grote bedrijven. Het krijgen van kinderen is in ieder geval geen reden meer om niet te starten met werken. Dit levert echter weer andere problemen op, zoals het zorgen voor naschoolse-opvang. Dat buiten beschouwing gelaten is de vrouw gaan leven. Ze laat zich niet aan banden leggen door regels die mannen eeuwen geleden hebben opgesteld. Bij veel van bovenstaande uitspraken over hoe het nu met de positie van de vrouw gesteld is, is het belangrijk aan te geven dat veel literatuur waarin geklaagd wordt, geschreven is door vrouwen. De mannelijke auteurs die schrijven over het gelijkgesteld willen worden van de vrouw benaderen het op een afstandeljke wijze. Dit komt omdat zij er niet middenin zitten, net zoals de vrouwen. Het is dus afhankelijk vanuit welk standpunt je de materie bekijkt. Analyses van deze kwestie kunnen heel anders uitpakken naar gelang de beide standpunten. Ik kan niet voorkomen dat een aantal uitspraken in deze scriptie voortkomt uit het feit dat ik, ook al tracht ik onafhankelijk onderzoeker te zijn, toch wordt beinvloed door mijn vrouw zijn. Al met al is de rol van vrouwen in de twintigste en de eenentwintigste eeuw stukken groter dan in bijvoorbeeld de Middeleeuwen. In vergelijking met de negentiende eeuw hebben vrouwen nog net even wat meer mogelijkheden om hun werk te laten publiceren. Toch blijven er een aantal hordes waar vrouwen tegenaan blijven lopen. In de twintigste eeuw is de publicatie van Helen Fielding van groot belang bij de ontwikkeling van een nieuw genre: chick-lit. Dit zal in de volgende paragraaf worden besproken. 6.8 Bridget Jones als ijkpunt. Een belangrijke ontwikkeling binnen de twintigste eeuw, die een grote impuls heeft gegeven aan werken van vrouwelijke auteurs, is het werk van Helen Fielding: Bridget Jones Diary. Het werk waarmee Fielding in 1996 debuteerde als prozaschrijfster was een wereldhit en maakte de weg vrij voor een heleboel werken in dezelfde stijl. 140

141 Het werk van Fielding vertelt het verhaal van Bridget Jones. Een vrouw van rond de dertig die leeft met de angst dat zij altijd single zal blijven. Geen enkele man is geïnteresseerd in haar, of zij niet in hen. Als een goede start van een nieuw jaar besluit zij een dagboek bij te houden, met alles wat haar bezighoudt. Bridget is voornamelijk geobsedeerd door haar liefdesleven, haar gewicht en de zoektocht naar de ideale man. Bij deze zoektocht wordt zij geassisteerd door haar moeder. Waar er tot voor kort geen mannen aanwezig waren in het leven van Bridget, komen er op den duur twee tegelijk in haar leven voor. Allebei vechten ze om het hart te winnen van Bridget. Bridget zelf kan maar moeilijk kiezen tussen de mannen. De ene man is haar baas, de andere man is haar buurjongen van vroeger. Het boek, voortgekomen uit de columns van de auteur in de krant, kenmerkt zich door het verhaal. Een vrouw van midden dertig die overhoop ligt met haar gecompliceerde liefdesleven, of eigenlijk het niet hebben van een liefdesleven, haar fascinatie voor het mannelijke geslacht en haar shopverslaving. De publicatie van dit boek opent een wereld vol vrouwelijke schrijfsters die allemaal soortgelijke boeken willen publiceren. Steeds meer boeken over onafhankelijke vrouwen met een desastreus seks- of liefdesleven komen op de markt, zowel uit het buitenland en uit Nederland. Steeds een vrouwelijke hoofdpersoon van midden dertig, elke keer een clubje vriendinnen met wie ze haar problemen deelt en bijna elke keer een happy end. Op het eerste gezicht lijkt het een overdaad in één genre te zijn, maar toch zijn het keer op keer bestsellers over de hele wereld. Deze schrijvende vrouwen hebben dus een redelijk grote invloed op het aanbod van de boeken dat in de winkel ligt. En bestaan dus naast hun mannelijke collega s in het literaire veld. Waar dit vroeger in deze eeuw dus heel anders was, is het nu geen rariteit meer. Dit nieuwe genre wordt chick-lit genoemd. Boeken die tot dit nieuwe genre gerekend worden hebben een aantal overeenkomsten. Ze hebben een vrouwelijke hoofdpersoon, de liefde speelt een belangrijke rol en daarnaast zijn mannen niet weg te denken uit deze werken. Het lijken op het eerste gezicht nogal eenvoudige kenmerken waaraan een boek moet voldoen om tot de chick-lit te behoren. Dit is exact zo. Geen van de werken die ik heb gelezen, wat er plus minus een kleine 300 zijn, heeft een ingewikkeld plot. Zij hebben allemaal een vrouw als hoofdpersoon die onzeker is en ongelukkig of gelukkig in de liefde. De grote aantrekkelijkheid van deze werken ligt waarschijnlijk in de herkenning. Ook in de twintigste eeuw werden er boeken van vrouwen door vrouwen gelezen. Ook dit had te maken met de herkenning. Elke vrouw van midden dertig heeft wel eens een break-up meegemaakt, heeft een groep vriendinnen om dit mee te delen en loopt over van emoties op sommige momenten. Er kan gedebatteerd worden over de vraag of dit nieuwe genre literatuur genoemd mag worden. Wat zijn de eisen wil iets opgenomen worden in de canon? Aan de verkoopcijfers van deze werken ligt het niet. Ze vliegen als warme broodjes over de toonbank en elke vrouw heeft waarschijnlijk wel één zo n werk in huis. 141

142 Toch wordt het in de meeste discussies geen literatuur genoemd. De reden hiervoor lopen uiteen van argumenten over onbekende auteurs tot schrijfstijl en vernieuwing. De meeste van de schrijfsters van chick-lit houden het bij één werk. In de gevallen dat ze meer werken produceren is dit vaak een vervolg op al eerder verschenen werk. Naast Helen Fielding is geen enkele van de chick-lit auteurs wereldberoemd. Uiteraard zijn ze wel bekend, maar zonder verfilming of prijs gaan veel van de werken op in de massa. Dat is meteen het tweede argument waarom chick-lit geen literatuur genoemd kan worden. In het begin van de ontdekking van het genre was het vernieuwend in zijn soort. Vandaag de dag worden er echter zoveel van dit soort werken geschreven die allemaal nét even van elkaar verschillen, dat het niet vernieuwend meer is. Toch blijven vrouwen deze werken kopen, ze kunnen er geen genoeg van krijgen. Hierbij benadruk ik nogmaals dat dit komt door de eenvoudige verhaallijnen, de herkenbaarheid van de verhaallijnen en het hoge mee-lees-gehalte. Uiteraard bestaat dit nieuwe genre naast andere genres die ook geschreven zijn door vrouwen. In de voorafgaande hoofdstukken is in de laatste paragraaf steeds aandacht besteed aan drie kenmerkende schrijfsters van de desbetreffende eeuw. Omdat de twintigste eeuw nog maar net achter ons ligt en de eenentwintigste eeuw nog maar net begonnen is komen hieronder wel drie schrijfsters aan bod, maar die zijn minder kenmerkend voor de eenentwintigste eeuw. 6.9 Hella Haasse Het is lastig om een selectie te maken van allerhande vrouwelijke schrijfsters die binnen hun vakgebied domineerden in de twintigste eeuw. De keuze om de volgende drie Nederlandse schrijfsters te kiezen is gebaseerd op een aantal factoren. Stuk voor stuk zijn Hella Haasse, Connie Palmen en Heleen van Royen bijzondere schrijfsters. Haasse heeft vanwege haar grote oeuvre een grote indruk op mij gemaakt en met Oeroeg een eeuwige klassieker nagelaten. Daarnaast heeft Palmen indruk gemaakt met I.M. Niet alleen op mij heeft Palmen indruk gemaakt. Ze heeft veel prijzen gewonnen en met haar werken wezenlijk iets veranderd binnen de Nederlandse literatuur. Tot slot de keuze voor Heleen van Royen. We kunnen haar zien als Neerlands eerste schrijfster van chick-lit met haar drie romans. Naast de indruk die ze persoonlijk op mij hebben gemaakt hebben de drie schrijfsters ook veel media-aandacht gehad, wat mede meetelt. Tot slot spelen ook de oplagecijfers en de recensies een rol bij mijn keuze. Er moet niet vergeten worden dat deze drie vrouwen dus mede op subjectieve basis zijn gekozen. De twintigste eeuw heeft vele grote schrijfsters voortgebracht die ik hier helaas niet allemaal kan behandelen. Marga Minco, Annie M.G. Schmidt, Harriët Freezer, Jacoba van Velde, Susan Smit en Saskia Noort zijn hier slechts enkele voorbeelden van. 142

143 Hella Safina Haasse werd in 1918 geboren te Batavia, in het toenmalige Nederlands-Indië, als dochter van de pianiste Katherina Diehm-Winzenhöhler en Willem Hendrik Haasse, inspecteur van financiën bij het Gouvernement. Hella Haasse bracht haar gehele jeugd door in Nederlands-Indië. Zij doorliep er de lagere school en het gymnasium. Tussen 1924 en 1928 woonde zij, met haar broertje, in Nederland bij haar grootouders, omdat haar moeder voor enige tijd moest kuren in een sanatorium in Davos. 1 In de eerste jaren na haar terugkomst in Indië ontwikkelde Hella Haasse twee passies: lezen en toneelspelen. Zij schreef haar eerste gedichten, die in 1945 gebundeld zouden worden in haar poëziedebuut Stroomversnelling. Vanaf 1944 wijdde Hella Haasse zich onafgebroken aan het schrijven van proza. Haar prozadebuut Kleren maken de vrouw trok echter weinig aandacht. Voor een doorbraak zorgde de novelle Oeroeg. Met dat boek won Hella Haasse de novelle-prijsvraag die de CPNB in 1948 uitschreef; de bekroonde novelle werd dat jaar het Boekenweekgeschenk. Sinds de verschijning van Oeroeg, dat decennialang op eindexamenlijsten Nederlands van scholieren prijkte en in 1993 werd verfilmd onder regie van Hans Hylkema, is Haasse een veelgelezen en hooglijk gewaardeerd auteur. Aan haar werk werden verscheidene literaire prijzen toegekend. Waaronder de Nationale Atlantische prijs voor De ingewijden in 1985; in 1962 de Visser Neerlandiaprijs voor het toneelstuk Een draad in het donker. Zij ontving in 1981 de Constantijn Huygensprijs, in 1984 de P.C. Hooftprijs, in 1985 de dr. J.P. van Praagprijs, en in 2004 de Prijs der Nederlandse Letteren de laatste vier onderscheidingen voor haar gehele oeuvre. De roman Heren van de thee werd in 1993 genomineerd voor de AKO Literatuurprijs en door de Raad voor de Kunst voorgedragen voor de Europese Literatuurprijs. In 1993 ontving zij de Publieksprijs voor dezelfde roman; het was het door een breed publiek hoogst gewaardeerde boek van Met haar documentair-historische romans, waarvan de grote 'Indische' historische roman Heren van de thee voorlopig de laatste is, bereikte haar werk een zeer groot publiek. Het was haar tweede doorbraak, na een tijd afwezig zijn geweest binnen de literatuur. Na 1980 regent het voor de schrijfster erefuncties en gastdocentschappen. Ook ontving zij in 1992 van koningin Beatrix de Eremedaille in Goud voor Kunst en Wetenschap in de Huisorde van Oranje. Een zeer gerespecteerd schrijfster dus met een groot oeuvre. Haasse schreef meer dan zesentwintig romans, nouvelles en essays, wat haar tot een groot schrijfsters maakte. De invloed van Haasse laat zich niet moeilijk omschrijven. Van al de prijzen die zij toegekend heeft gekregen kan men concluderen dat haar invloed op de Nederlandse literatuur groot is geweest. Kwam dit door haar genre, door haar stijl of door een goede marketingcampagne?

144 Haasse heeft een zeer kenmerkende stijl die op zeer indrukwekkende manier gebeurtenissen kan omschrijven. Naast de keuze om te schrijven over Nederlands-Indie is het een aangenaam startpunt geweest voor haar carrière dat haar werk het Boekenweekgeschenk werd. Het Boekenweekgeschenk, dat men gratis krijgt bij een bepaald bedrag aan boeken, bereikt een grote groep mensen. Haase was in één klap op de literaire kaart neergezet. Toen men eenmaal kennis had gemaakt met Haasse kregen ook haar andere werken veel waardering. Bij het grote publiek, ze won publieksprijzen, maar ook bij een letterkundige jury oogstte zij waardering. Ze zette met haar werken en haar persoonlijkheid vrouwen in de twintigste literaire wereld op de kaart. Het lijkt erop dat Haase vanwege haar bijzondere stijl van schrijven waardering oogst. Haasse heeft een minitieuze manier van vertellen en alle details kloppen. Hieronder een voorbeeld van een passage uit Een perarka waarin de verteller de minnaar van haar vader treffend neerzet: De vrouw op de ligstoel, met haar kleine borsten, de diepe kuil tussen haar sleutelbeenderen, haar bleekbruine, van zonneolie glimmende huid (zij wreef zichzelf telkens in, met lome, zorgvuldige gebaren), kon ik mij niet voorstellen in een omhelzing. Ik vond haar lelijk. Zowel recensies van amateurs, als van professionele critici zijn lovend. Zo beschrijft Rob Schouten in Trouw: vierenvijftig jaar na dato is het nog niet verouderd, en dat terwijl de decorstukken voor het verhaal dat eigenlijk wel zijn ( ) 'Oeroeg' wordt met kalme, zekere slagen verteld tot aan het onontkoombare einde. Voorbeeldig, vlekkeloos. Ja, ik weet het, het klinkt saai en risicoloos maar het heeft ook iets heel aangenaams, alsof men terug in een vorige literaire wereld verzeild is geraakt. Het lijkt erop dat Haase wordt gewaardeerd vanwege haar stijl en haar talent. Dit komt mede door het feit dat Haasse weinig publiciteit zoekt wanneer er een nieuw werk van haar verschijnt. Haasse lijkt ervan overtuigd dat haar nieuwe werken wederom een soort basisniveau van waardering uit zullen lokken. Haasse heeft geen publiciteit meer nodig. Na het verschijnen van Oeroeg weet iedereen wie Haasse is Connie Palmen Palmen is de tweede vrouw die gekozen is uit de schrijfsters van de twintigste eeuw. Palmen heeft een stuk kleiner oeuvre dan bijvoorbeeld Haasse, maar dat maakt haar invloed niet per definitie kleiner. Palmen schreef vier romans, vier essaybundels en een novelle. De belangrijkste reden dat Palmen in het rijtje van drie schrijfsters thuis hoort, is vanwege de invloed die zij heeft gehad op het literaire veld. Daarnaast verscheen en verschijnt nog regelmatig in televisieprogramma s, radioprogramma s en interviews. Ondanks haar kleine oeuvre is Palmen één van de belangrijkste Nederlandse schrijfsters van deze tijd. 144

145 Zowel in haar romans als in haar essaybundels zien we een vermogen tot redeneren terug. Palmen heeft een zeer herkenbare stijl, die gekenmerkt wordt door het ontvouwen van beschouwingen die aan het eind samen komen. Met deze kenmerkende stijl en haar goede werken heeft zij verschillende prijzen gewonnen. De wetten en De vriendschap vallen het meest in de prijzen. Palmen wint een Gouden Ezelsoor om 1992 en de titel European novel of the year in 1991, voor De wetten. Hieruit blijkt al snel dat Palmen niet alleen in Nederland wordt gewaardeerd. Voor een debuutroman is dit een zeer grote prestatie. Het succes van het boek heeft zij mede te danken aan de uitvoerige campagne die er is gevoerd om de lezer in aanraking te brengen met de roman van Palmen. Er was geen programma, zowel op radio als tv, waarin zij niet verscheen en het gros van de Nederlandse dagbladen publiceerde interviews met Palmen. Hierin verschilt Palmen met Haasse, die het hele mediacircus voor een groot deel achterwege laat. Het zou te eenvoudig zijn om te zeggen dat Palmen haar verkoopcijfers alleen te danken heeft gehad aan haar goede reclame, maar hiermee zouden we Palmen tekort doen. Desalniettemin speelde de media ook een belangrijke rol bij de publicatie van haar tweede roman De vriendschap. Twee weken voor de publicatie van haar nieuwe werk overlijdt Ischa Meijer, een journalist/columnist die ze eerder bij een optreden in zijn tv-programma had leren kennen. De promotiecampagne werd afgeblazen, maar dit bleek geen invloed te hebben op de verkoopcijfers. Het boek verkocht zichzelf. Ook hier waren veel professionele panels het eens over de kwaliteiten van Palmen. Ze ontving de AKO-literatuurprijs in 1995, de Trouw publieksprijs in 1996, de Gouden Bladwijze van Humo en de Publieksprijs voor het beste Nederlandse Boek, allemaal vanwege De vriendschap. Publiciteit kan echter ook een keerzijde hebben. Dit merkte Palmen toen zij haar nieuwste werk introduceerde: I.M.. De initialen van Ischa Meijer. De recensenten waren een stuk minder lovend over haar nieuwste werk. Honderdduizend exemplaren werden er gedrukt omdat men na het succes van de eerste twee werken weinig tegenslag verwachtte. De uitgeverij, Palmen en de critici zaten ernaast. Voornamelijk de recensenten hadden geen goed woord over voor het feit dat Palmen de dood van een geliefde uitbuitte om mee te doen in het circus van de verkoopcijfers. Palmen zelf, zo werd duidelijk in een uitzending van KRO Profiel, wilde de herinnering aan Ischa Meijer levend houden, het was een eerbetoon aan hem. Hij moest alle waardering krijgen, niet Palmen zelf. Er is haar narcisme, machtsvertoon en grootheidswaan verweten. Niettemin werden er binnen een paar weken exemplaren verkocht. Het publiek vond de titel Vriendschap mooi passen bij het overlijden van Meijer. Deze smet op de carrière van Palmen zou ook een rol spelen bij de publicatie van haar volgende werk. Ook Geheel de uwe, wederom een boek waarin Ischa Meijer een rol speelt, wordt ook niet jubelend ontvangen. Hoe kan het dat Palmen ineens minder populair lijkt, maar dat de verkoopcijfers blijven stijgen? 145

146 Bij een lancering voor een werk van Palmen worden alle trucs uit de kast getrokken. Signeersessies, reclame op tv en radio en lezingen in boekhandels. Deze promotie helpt, want de verkoopaantallen stijgen. Er is ook een andere kant. Men vindt steeds vaker dat de promotie van Palmen berekend is, iedere succes lijkt gepland en hoe goed of slecht de roman ook is, Palmen kan niet zonder haar promotiewerk zo lijkt. Naast het kenmerkde media-circus zijn er ook een aantal kenmerken aan de werken van Palmen te ontdekken. Veel van haar werken zijn voor een deel autobiografisch. In I.M. is het logisch dat het autobiografisch is, maar ook in de andere werken zijn er autobiografische elementen terug te vinden. Persoonlijk ben ik van mening dat I.M een prachtig werk was, dat zeer intens geschreven was. Voornamelijk vanwege die al eerder genoemde autobiografische elementen, kun je je als lezer erg goed inleven. Palmen trekt je mee de roman in. Uit deze tegenstelling blijkt wel dat literatuur altijd subjectief zal blijven Heleen van Royen. De reden dat Van Royen is opgenomen in dit overzicht heeft te maken met haar invloed op de chick-lit. Hierop kom ik later in deze paragraaf terug. Heleen van Royen debuteerde met haar roman De gelukkige huisvrouw, die gezien kan worden als de eerste poging tot chick-lit van Nederlandse kant. Zij had direct een groot succes te pakken. In haar werk beschrijft zij een getrouwde zwangere, manisch depressieve vrouw, met alle gevolgen van dien. Het boek wordt lovend ontvangen. Hieronder een aantal fragmenten uit de reacties van de pers waaruit blijkt hoe positief men was over haar debuutroman. Een brutaal boek van moderne snit - de Volkskrant 'Heleen van Royen onthult en analyseert alle aspecten van het vrouw-zijn op uitzonderlijk openhartige wijze. Ik raad alle vrouwen aan meerdere exemplaren van het boek aan te schaffen - en die ogenblikkelijk aan de mannen in hun omgeving cadeau te doen' - The Times Tot op heden zijn er exemplaren van haar debuutroman verkocht. Naast deze verkoopcijfers is het ook indrukwekkend dat haar werk in acht talen wordt vertaald. Van Royen heeft zichzelf op grootse wijze geintroduceerd aan het grote publiek. In een roes van succes, werd ook haar tweede werk een bestseller. In Godin van de jacht is de hoofdpersoon wederom een getrouwde vrouw, die moeite heeft met de monogamie die er binnen een huwelijk normaliter heerst. Wanneer zij met haar man probeert te praten over een zogenaamde open relatie, waarbij (seksuele) contacten met andere mensen mogelijk is, gaat het mis. Wanneer ze vervolgens zwanger blijkt te zijn van haar man is er geen weg meer terug en moet zij bij hem blijven. Meer dan exemplaren zijn er in anderhalf jaar tijd verkocht en Van Royen lijkt een snaar te hebben geraakt bij zowel mannen als vrouwen. 146

147 Van Godin van de jacht zijn de vertaal- en filmrechten inmiddels verkocht en het lijkt erop dat ook de rest van Europa kennis gaat maken met het tweede werk van Van Royen. Dat niet alleen vrouwentijdschriften, maar ook gerespecteerde tijdschriften het werk van Van Royen bespreken, is een grote stap voorwaarts die Van Royen heeft gemaakt. Hieronder een passage uit de recensie in de Elsevier. Heleen van Royen schept er een vilein genoegen in de roze wolk van zwangerschap en gezinsleven aan flarden te schieten [...] Godin van de jacht is een buitengewoon vermakelijke roman geworden. Thomas van den Berg. Alles wat Van Royen aanraakt verandert in goud. Haar derde roman, die begin 2006 verscheen is: De ontsnapping. In De ontsnapping is er de ongelukkig getrouwde huisvrouw die vanwege de micro-penis van haar man besluit dat ze een tijdje voor zichzelf nodig heeft. Waarop ze vertrekt en in die periode dat ze alleen is, zich tegoed doet aan alles wat haar man niet kon bieden. Het begint een cliché te worden, maar ook deze roman kent vele sucessen. Het werk werd genomineerd voor de NS publieksprijs, welke het uiteindelijk niet won. De verkoopcijfers maakten dit echter direct goed, exemplaren in de eerste anderhalf jaar. Daarnaast wordt het boek op dit moment vertaald in elf talen. Nog steeds tonen de serieuze tijdschriften en kranten interesse in het werk van Van Royen. Hieronder een reactie uit het NRC Handelsblad. 'Wie een geslaagde parodie wil lezen op de zoetelijke en versluierende praatjes waarmee meisjes generaties lang tot het volkomen huwelijk zijn verleid, kan terecht bij Heleen van Royen. (...) Op een onweerstaanbaar grappige wijze drijft ze de spot met mannen, terwijl ze haar vrouwelijke personage met haar hopeloze jacht op geluk allerminst spaart.' - Elsbeth Etty. Naast deze twee werken publiceerde ze ook Je zal er maar mee getrouwd zijn, een bundel met een selectie van haar columns uit Het Parool en werkte zij mee aan het boek Stout waarin verschillende stoute Nederlandse vrouwen worden geinterviewd. Duideljik wordt meteen dat er een voortdurend thema van seksualiteit voorkomt in de werken van Van Royen. Is dit een van de reden waarom de werken zo aanslaan bij een groot publiek? Persoonlijk vond ik het de kijk van Van Royen op verschillende onderwerpen, zoals seks, relaties en liefde verfrissend. Ze nam geen blad voor de mond en schrijft in nietsverhullende woorden op, hoe veel mensen erover denken. Daarnaast zijn de werken van Van Royen eenvoudig te begrijpen en spreken ze meerdere doelgroepen aan. Niet alleen de jonge vrouw, maar ook de wat oudere vrouw vindt veel herkenning in haar werken. Daar ligt mijn inziens ook haar kracht. De werken hebben zeer veel bekende situaties, en onderwerpen waar de lezer zich mee kan identificeren. Met een eenvoudig plot, herkenbare situaties en een vrouw die worstelt met de liefde als hoofdpersoon, voldoet het werk van Van Royen aan de kenmerken om tot chick-lit gerekend te worden. 147

148 Vandaag de dag proberen echter steeds meer schrijfsters deze onuitputtelijke bron aan te boren. Steeds meer chick-lit boeken verschijnen omdat de formule zeer eenvoudig lijkt. Ook Nederland heeft zelf dus een bescheiden aandeel in de chick-lit. De discussie of chick-lit tot de literatuur gerekend kan worden, zal dus voorlopig nog in volle gang blijven. Met drie van zulke succesvolle schrijfsters rijst de vraag hoe vrouwen in de twintigste eeuw en eenentwintigste eeuw wel de invloed hebben waarnaar zij in de voorgaande eeuwen zo dringend naar op zoek waren? Allereerste heeft het te maken met de verandering van de maatschappij. Sinds de Middeleeuwen is de rol van de vrouw veranderd. Van huisvrouw, naar hoeksteen van het gezin, naar strijdende vrouw, naar vrouw met mogelijkheden en naar een mens. In de huidige tijd beschouwen we vrouwen als mens. Toch komt niet in iedere tak van de samenleving voor dat vrouwen dezelfde rechten hebben als vrouwen, deze strijd is voorlopig nog niet gestreden. Waarom worden de werken van vrouwen in de huidige tijd zo goed ontvangen? Heeft dat te maken met het feit dat het gewoon goede werken zijn, of omdat ze geschreven zijn door een vrouw? In sommige genres, waaronder in de chick-lit zien we weinig mannelijke schrijvers. De vrouwen die werken binnen dit genre schrijven, worden mede gewaardeerd omdat ze een vrouw zijn. Daarnaast ook omdat ze goede werken afleveren. Ik ben mij bewust van het feit dat goed een subjectieve term is, toch gebruik ik in deze context goed, omdat dat de verkoop-aantallen laten zien dat het goed gaat met de vrouwelijke auteurs. Hun werken zullen dus gewaardeerd worden, anders zouden ze niet verkocht worden. Mannen moeten meer moeite doen in genres die door vrouwen gedomineerd worden wat voor vrouwen ook geldt. Een tweede reden waarom de werken van vrouwen nu goed verkopen is de publiciteit die zij zoeken. Omdat vrouwen zich ervan bewust zijn dat zij het moeilijker hebben om een plaats te veroveren in het literaire veld, grijpen zij elke gelegenheid tot publiciteit aan. Hierbij is duidelijk te zien dat de vrouwen niet alleen verschijnen in literaire programma s. Ook bij programma s die goed scoren bij de doelgroep die zij willen bereiken schuiven ze aan. Mannen zien we dit veel minder doen. Niet alleen via de televisie bereiken zij hun doelgroep, ook via tijdschriften zoeken zij de publiciteit. Daarbij richten ze zich wederom op hun doelgroep, chick-lit schrijfsters, maar ook andere vrouwen laten zich interviewen door vrouwentijdschriften zoals Viva, Esta, Yes, en Flair. De vrouwelijke lezeressen hebben sympathie voor vrouwelijke schrijfsters, besluiten het boek eens te proberen en op die manier stijgen de verkoopaantallen. Bij mannen ligt dit gecompliceerder. In de echte mannenbladen zoals de FHM is geen plaats voor recensies over een boek. Mannelijke auteurs moeten dus op een andere wijze de publiciteit zoeken om hun doelgroep te bereiken. Kortom de materiële productie is veel veranderd in de afgelopen decennia. Naast de schrijvers zelf, hebben ze een literaire uitgeverij en vaak nog iemand die de public relations regelt. 148

149 Die laatste zorgt voor interviews, kostbare minuten tv, en overige acties om de desbetreffende auteur in de publiciteit te brengen. Dat men hierbij ver gaat is te zien aan Heleen van Royen. Interviews in de Opzij zorgden niet voor hogere verkoop-aantallen en een groter wordende doelgroep. Ze besloot om ook de mannelijke lezers aan te spreken uit de kleren te gaan voor het mannenblad Playboy. Ook al leverde het niet zozeer een stijging in de verkoop op, ze had weer publiciteit gekregen en een grote groep lezers bereikt Het literaire veld van de twintigste eeuw - heden Waar het schematische overzicht van het literaire veld in de Middeleeuwen voornamelijk rood gekleurd was, zien we nu in het schema van de twintigste eeuw- heden een schema dat opvalt vanwege de overwegend groene kleur. Waar schrijven in de Middeleeuwen niet voor iedereen is weggelegd, zien we dat er in de huidige maatschappij en in de twintigste eeuw, steeds meer schrijvers komen. Dit zijn mensen die eenmalig een boek schrijven of gevestigde namen. In principe is iedereen in staat om een boek te schrijven. Binnen deze scriptie is vooral de groep beroepsschrijvers van belang. In de twintigste eeuw kwamen er een aantal instanties tot leven die zich bezighielden met het behartigen van de belangen van schrijvers, vertalers en uitgeverijen. Zo is te zien in het schema dat het onderdeel beroepsorganisatie, advies en subsidie groen gekleurd is. Allereerst is er de beroepsorganisatie VVL. Vereniging voor Letterkundigen. De VVL had in mei leden, waarvan er 441 vrouw waren. De vereniging die opgericht is in 1905, behartigt de belangen voor alle mensen die iets met literatuur te maken hebben. Dit zijn dus niet alleen auteurs, maar ook vertalers en illustratoren. Daarnaast is er de RvdK. Deze Raad van de Kunst, is een adviesorgaan dat de Nederlandse regering advies geeft op het gebied van kunst en cultuur. Hieronder vallen ook de letteren. Tot slot kunnen auteurs nog een subsidie aanvragen bij het FvdL. Dit staat voor het Fonds van de Letteren, dat is opgericht in Hier zijn uiteraard een aantal voorwaarden aan verbonden. De schrijvers staan ook in verbinding met de literaire uitgevers. Vandaag de dag is de rol van de uitgever een andere dan die van drukker en uitgever. Een literaire uitgever beslist welke van de verkregen manuscripten hij laat drukken. Uiteraard komen er een heleboel manuscripten binnen, waarvan een overgroot deel de drukpers niet haalt. Het is voor de uitgever dus belangrijk om tussen al die toegezonden werken, de juiste te vinden. Naast de literaire werken, zijn er in de twintigste eeuw nog steeds literaire tijdschriften. Deze tijdschriften blijken te kunnen blijven bestaan, wat aangeeft dat er genoeg animo voor is. Tussen de materiële productie en de distributie zitten de instanties die in de negentiende eeuw zijn ontstaan. In vergelijking met de negentiende eeuw is er in de twintigste eeuw een nieuwe instantie bijgekomen. Dit is de NBB. De Nederlandse Boekverkopers Bond is opgericht in In april 2008 heeft deze organisatie 1146 leden die samen 1488 verkooppunten beslaan. 149

150 In de voorgaande eeuwen was het aantal boekhandels logischerwijs kleiner dan nu. Door het grote aantal boekverkooppunten, kunnen er meer boeken verkocht worden. Deze moeten dan wel een lezerspubliek hebben. Hier zal later in deze paragraaf op teruggekomen worden. De boekenclub en de bibliotheek zijn in de twintigste eeuw bloeiende verschijningen. Er zijn veel vestigingen van bibliotheken in Nederland, waar een groeiend aantal leden te constateren is. Rederijkerskamers zoals die in de voorgaande eeuwen bestonden, zijn in de twintigste eeuw niet meer aanwezig. Er zijn weliswaar groepen mensen die dezelfde evenementen organiseren als de rederijkerskamers, maar deze opereren niet onder deze naam. Boekenclubs, voornamelijk de commerciële, ronselen mensen die lid worden en dan elke maand een bepaald aantal werken afnemen van de organisatie. De naam boekenclub is hierbij verraderlijk aangezien de leden niet met elkaar werken doornemen. Zulke clubs zijn er ook, die vinden plaats in verenigingsverband en binnen familie en vrienden. BEROEPSORG: ADVIES: SUBSIDIE: VVL RvdK FvdL SCHRIJVERS MATERIELE PRODUCTIE LITERAIR TIJDSCHRIFT LITERAIRE UITGEVERS VBB KNUB NBB DISTRIBUTIE BOEKHANDEL BOEKENCLUB OPENBARE BIBLIOTHEEK S S S S SYMBOLISCHE PRODUCTIE LITERATUURKRITIEK - JOURNALISTIEK - ESSAYISTISCH - ACADEMISCH LIT. ONDERWIJS - HAVO/VWO - UNIVERSITEIT/HBO LEZERSPUBLIEK NIET-LEZERS Niet aanwezig Wel aanwezig Behoeft nadere uitleg Tot slot de symbolische productie. Literatuurkritiek is niet meer weg te denken uit de hedendaagse kranten en tijdschriften. De journalistieke kritiek speelt dus een grote rol, aangezien veel mensen deze kritiek tot zich nemen als lezer. De essayistische en academische kritiek, wordt voornamelijk in andersoortige media gepresenteerd, waar zij een kleiner publiek hebben. 150

151 Het literatuuronderwijs is relatief weinig veranderd binnen de eeuwen. Waar men in de zeventiende eeuw binnen het onderwijs veel aandacht besteedde aan de Klassieken, wordt in het huidige literatuuronderwijs ook voornamelijk aandacht geschonken aan oudere werken. Hierbij hangt het van de inzet en passie van de docent af hoe deze literatuurlessen worden ingevuld. Meestal worden bekende werken besproken en moet men op de zogenaamde literatuurlijst zelf een werk uit elke periode toevoegen. Nu alle eeuwen zijn besproken zal er een conclusie volgen die in een tabel laat zien welke veranderingen er zijn voltrokken in het literaire veld van 1450-heden. 151

152 Conclusie Hoofdstuk 6 De twintigste eeuw en het kleine stukje van de eenentwintigste eeuw toont een wereld van verschil met de eerste eeuw die in deze scriptie is beschreven. Er is op twee manieren tegen de twintigste eeuw aan te kijken, door een mannenperspectief en door een vrouwenperspectief. Hierover later in deze conclusie meer. De twintigste eeuw is een eeuw die bol staat van gebeurtenissen die allemaal invloed hebben gehad op de literaire wereld. De wereldoorlogen zorgden voor veranderingen, net als de verzuiling van de maatschappij. De cultuur en dus ook de literatuur, zijn erg veranderd na de Tweede Wereldoorlog. Er kwam een nieuw soort proza en ook de poëzie werd experimenteel. Dit was een gevolg van de literatuur zoals hij tijdens de bezetting was, toen mocht men zulke poëzie niet uitbrengen onder dwang van de nazi s. Opvallend is dat men in de twintigste eeuw nog steeds niet van het schrijven kon leven. Zeker vrouwen niet. Nog steeds waren er analfabeten, maar het lezerspubliek blijft groeien. De Nederlandse literatuur was geïnspireerd door het Frans symbolisme, wat het tot literatuur maakte die niet voor iedereen toegankelijk was. Uitgebreide zinnen, natuurbeschrijvingen en moeilijke woorden zijn hier facetten van. Voor vrouwen was er in de twintigste eeuw veel veranderd. Door de opkomst voor hun rechten gedurende de tijd van het feminisme kregen zij een aantal dingen voor elkaar, waaronder het kiesrecht voor vrouwen een erg belangrijke was. Ondanks deze opkomst voor hun rechten, zijn vrouwen in de literatuur nog niet geheel gelijkgesteld aan hun mannelijke collega s. Zo worden de werken van vrouwen anders behandeld in de literaire kritiek. Toch hoeven we ons over de werken van vrouwen geen zorgen te maken. De psychologische romans en de chick-lit, een genre dat ontstaan is na de publicatie van Bridget Jones Diary, verkopen goed en er is dus wel degelijk behoefte aan zulke werken. Toch ontstaat er min of meer een overschot van dit soort werken, waardoor het genre niet vernieuwend meer is en het bijna voorspelbaar wordt. Desalniettemin lijken vrouwelijke lezers zich daar niets van aan te trekken, de boeken blijven populair. Heleen van Royen is Nederlands chick-lit schrijfster. Haar boeken kunnen gezien worden als de eerste poging in Nederland. Ook deze werken zijn populair bij de lezer. Iemand van een heel andere orde, maar ook een schrijfster uit de twintigste eeuw is Hella Haasse. Zij valt meer op door de stijl en klasse van haar werken. Tot slot Connie Palmen. De klasse van haar werken staat voor veel recensenten buiten kijf. Zij was één van de eerste vrouwelijke schrijfsters die de publiciteit opzocht om er haar voordeel mee te doen. Uiteraard kun je alles onderwerpen aan het vrouwenperspectief en aan het mannenperspectief. De strijd welke sekse beter is, is niet direct te beantwoorden zonder subjectief te worden. Vrouwen steunen vaak vrouwen en bij mannen is dit hetzelfde. 152

153 De veranderingen van het veld In de voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk is duidelijk te zien dat er in de schema s veel veranderd. Waar het eerste tijdvak van deze scriptie, het veld voornamelijk rood gekleurd is, is in de twintigste eeuw het gehele veld groen. Hieronder is een tabel geplaatst waarin de veranderingen duidelijk zichtbaar zijn. Schrij vers literaire uitgevers literair tijdschrift Boek Handel Boeken club Openbare Literatuur Literatuur bibliothek en kritiek onderwijs Lezerspub Niet-lezers liek Middeleeuwen V X X X X X X X V/X V 17e eeuw V V X V V/X X X V/X V V Verlichting V V V V V/X V V V/X V V Negentiende eeuw V V V V V V V V V V/X Twintigste eeuw- heden V V V V V V V V V X Het eerste dat opvalt, is dat schrijvers in alle eeuwen actief waren. Zowel in de Middeleeuwen als in de huidige eeuw zijn er mensen die schrijfaspiraties hebben. Dit is een onderdeel van het literaire veld dat niet tijdgebonden is. Een onderdeel dat wel tijdgebonden is, is de literaire uitgever. In het begin van de vroegmoderne tijd en de Middeleeuwen was uitgever niet een eenduidige taak. Men was naast uitgever, ook letterzetter en drukker. Na deze periode begint het vak van uitgever zich steeds meer te onderscheiden. Vandaag de dag is de uitgever een belangrijke persoon. Hij draagt voor een groot deel bij aan het succes van een boek, door in de beginfase te kiezen om een manuscript wel of niet te drukken. De ontwikkeling van een literair tijdschrift en tijdschriften kwam in de achttiende eeuw op gang. Logischerwijs voltrok dit proces zich langzaam, tot het in de negentiende eeuw een explosieve groei kende. Vandaag de dag zijn de tijdschriften, waaronder ook de literaire exemplaren, niet meer weg te denken in het literaire veld, dit is dus niet altijd zo geweest. Een belangrijke schakel binnen het literaire veld is de boekhandel. Zonder deze mogelijkheid tot het verkopen van boeken, zouden ze het grotere publiek nooit bereiken. De eerste boekhandels zijn gesignaleerd in de zeventiende eeuw. Volledige werken kon men daar niet verkrijgen. De klanten konden losse pagina s kopen, die ze vervolgens konden laten inbinden. Boekwinkels zijn dus al een verschijnsel dat vroeg gesignaleerd wordt, wel heeft de vorm van verkoop veranderingen ondergaan in de manier van verkopen en in de aangeboden werken. 153

154 De boekenclubs hebben ook een verandering ondergaan. In de zeventiende eeuw wordt een boekenclub beschouwd als een rederijkerskamer. Dit gezelschap organiseerde literaire activiteiten en men las elkaars werk. Ook dit fenomeen is gegroeid in de afgelopen eeuwen. Nu vinden we deze clubs ook binnen familie, vrienden en online. Men leest de boeken en bespreekt ze vervolgens met elkaar. Naast boekenclubs zijn ook bibliotheken een manier voor mensen om in aanraking te komen met literatuur. Zo vanzelfsprekend als wij een bibliotheek in de huidige eeuw vinden, is dit lang niet altijd zo geweest. Het duurde tot de achttiende eeuw eer er een aantal kleinschalige bibliotheken werd opgericht. Voor deze oprichting, waren er wel al universiteitsbibliotheken, die niet voor de normale burger toegankelijk waren. Op literatuur komt altijd wel kritiek. Zowel positieve als negatieve. De literatuurkritiek speelt binnen de literatuur dus een belangrijke rol. Ook dit is een verschijnsel dat begon in de achttiende eeuw. Met de opkomst van de literaire tijdschriften, ging de literatuurkritiek gepaard. In eerste instantie verschenen in zulke bladen de literatuurkritieken, die we de huidige recensies zouden kunnen noemen. Naast de journalistieke kritiek zijn er ook de essayistische en academische kritieken. Deze nemen in aantal af, met het groeien van de hoeveelheid journalistieke kritiek. Het literatuuronderwijs is een factor die tijdgebonden is. Waar men in de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd nog geen leerplicht had, werd er alleen aan meer welgestelde kinderen onderwijs gegeven. Dit bleef zo tot de leerplicht werd ingevoerd. In de zeventiende eeuw hechtte men erg veel waarde aan literatuuronderwijs. Men was fervent liefhebber van de werken van de Klassieken en deze werden binnen het onderwijs veel behandeld. Het was echter geen apart vak, het werd als onderdeel beschouwd van de algemene ontwikkeling en kennis van het land en haar cultuur. Vandaag de dag wordt de aandacht voor de literatuur binnen het onderwijs kleiner, wat sterk afhankelijk is van de docent die het vak geeft. Tot slot het lezerspubliek en de niet-lezers. Het lezerspubliek en de niet-lezers zijn tijdgebonden factoren. Daarnaast hangt het samen met een aantal andere factoren welke mogelijkheden er waren voor lezers. Door het harde werken in de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd, was er geen tijd om te leren lezen. Toch is er altijd wel een lezerspubliek geweest. Waar dit in het begin voornamelijk de welgestelde burgers waren, konden later ook de gewone burgers lezen. Door de verbeteringen binnen het onderwijs is de groep die niet kan lezen aan het slinken. Toch zijn er vandaag de dag nog steeds mensen die niet kunnen lezen. Dit zijn voornamelijk de mensen die eerder in de twintigste eeuw geboren zijn. Kinderen die in de huidige maatschappij geboren worden leren allemaal lezen. De factoren van het literaire veld hebben een aantal veranderingen doorgemaakt. Duidelijk is wel dat de losse onderdelen van het veld ook toepasbaar zijn op andere eeuwen dan alleen de twintigste. Hierbij wil ik van de mogelijkheid gebruik maken om de stelling van Dorleijn & Van Rees (1999) te verwerpen. 154

155 Uiteraard is het schematische overzicht naarmate de eeuwen vorderen eenvoudiger te gebruiken omdat het schema dan de gehele literaire wereld dekt. Geen enkel onderdeel is niet aanwezig. Dit maakt het schema juist voor de overige eeuwen een belangrijk instrument om de ontwikkelingen in kaart te kunnen brengen. Als reactie op de stelling in de inleiding van deze scriptie, wil ik stellen dat ik heb getracht aan te geven dat het schema niet alleen van toepassing is op de twintigste eeuw, maar dat het ook voor overige eeuwen gebruikt kan worden. Hierbij heb ik in de desbetreffende eeuwen een overzicht gecreëerd van de gebeurtenissen binnen de eeuwen, welke uitvindingen en kenmerkende personen opstonden in de eeuwen en tot slot heb ik in de verschillende eeuwen aspecten van het literaire veld beschreven. Voorbeelden hiervan zijn de verschillende opgerichte organisaties, de schrijvers, de uitgeverijen, leesgezelschappen en tijdschriften. Ik hoop hiermee een compleet, doch beknopt overzicht te hebben gegeven van de ontwikkelingen binnen de Nederlandse literatuur. Uiteraard is met deze scriptie niet alles van de literatuur ineens opgelost. Er zijn nog veel mogelijkheden tot onderzoek opengelaten. De methode die hier gebruikt is om tot resultaten te komen, kan worden voortgezet in de andere eeuwen die nu nog komen gaan. Daarnaast kunnen de specifieke onderdelen van het literaire veld uitgebreider geanalyseeerd worden. Aangezien dit een scriptie was en geen proefschrift, was dit niet het juiste instrument om nog dieper in te gaan op de verschillende onderdelen. Tot slot van deze scriptie zal er een conclusie worden getrokken die antwoord geeft op de stelling die in de inleiding is gedeponeerd: Wat is de invloed van vrouwelijke auteurs op het literaire veld van 1450-heden? 155

156 Conclusie In de inleiding van deze scriptie stond de vraag centraal wat de invloed van vrouwelijke auteurs is geweest op het literaire veld. Het begrip literaire veld is uiteengezet door gebruik te maken van het schematische overzicht dat Dorleijn & Van Rees (1999) opgesteld hebben. Er is gekozen om te beginnen bij de Middeleeuwen en de Vroegmoderne Tijd. Wanneer er in deze periode, grofweg van wordt gekeken naar de invloed van schrijfsters valt er een aantal dingen op. De Middeleeuwen en vroegmoderne tijd kenmerken zich door de orale vertelcultuur, welke het tot een uitdaging maakt de literatuur te onderzoeken. Binnen de literatuur vormden de kloosterliteratuur en de adellijke literatuur twee belangrijke stromingen. Vooral binnen de laatste categorie speelden vrouwen een belangrijke rol. Ondanks dat deze werken voor het grootste deel binnen de muren van het klooster bleven, is de invloed van vrouwen groot. In de reguliere samenleving, dus buiten de kloosters, was het voor vrouwen gebruikelijk om hun rol in het huishouden te vervullen. Toch waren er vrouwen, bijvoorbeeld de ongehuwde vrouwen, die zich gingen richten op de literatuur. Bij deze stichtelijke en ascetische literatuur schreven deze schrijfsters ook romans waarin de liefde centraal stond. Daarnaast hadden de vrouwen een groot aandeel in de Moderne Devotie. Uit deze beweging kwam literatuur voort. Ook hieraan hebben vrouwen een grote bijdrage geleverd. De drie schrijfsters die in de Middeleeuwen en Vroegmoderne Tijd de meeste invloed hebben gehad zijn Hadewijch, Anna Bijns en Alijt Bake. De invloed op het literaire veld is zichtbaar in het feit dat vrouwen hun werken mondjesmaat gepubliceerd kregen. Zij hadden dus invloed op de materiële productie van het literaire veld, door werken te schrijven. De totale invloed van vrouwen op het literaire veld in de Middeleeuwen is aanzienlijk kleiner dan de invloed van hun mannelijke collega s. Is dit verschil in invloed tijdgebonden of wordt de invloed groter naarmate de eeuwen voortstrijken? Op de symbolisch productie en distributie hebben zij geen invloed gehad. Dit is voornamelijk vanwege het feit dat deze onderdelen van het literaire veld nog niet bestonden in de Middeleeuwen. Anna Bijns vormt hierop een uitzondering. Die werd bekend, ondanks dat uitgeverijen en boekhandels nog niet bestonden. In de zeventiende eeuw waren er meer vrouwen die de pen ter hand namen. Vrouwen hadden dus een positieve invloed op de materiële productie. De invloed van vrouwelijke schrijfsters op de literaire uitgevers is iets groter dan in de Middeleeuwen en Vroegmoderne Tijd. De vrouwen hadden geen directe invloed op de explosieve groei van het uitgeversbedrijf. Ondanks dat de traditionele rol van de vrouwen in het huishouden niet meer bijna een verplichting was, vrouwen konden ook ongehuwd zijn, braken de meeste vrouwen niet door met hun werken. Toch waren er zoals eerder gezegd wel degelijk vrouwen die de ambitie tot schrijven bezaten. 156

157 De vrouw zag de literatuur als een middel om haar ideaal te verwoorden. De invloed van de schrijvende vrouwen op het literaire veld was ondanks deze ambities klein. De vrouwen die wel een doorbraak vonden en die dus ook een invloed uitoefenden op het literaire veld waren Maria Tesselschade Roemers Visscher, Anna Maria van Schuurman en Maria Petyt. Deze hadden alle drie een specifieke rol. Tesselschade oefende een rol uit op het literaire veld door in contact te komen met beroemde schrijvers zoals Hooft en Cats. De invloed die zij uitoefende bleef beperkt tot de kring om haar heen. Toch was zij ook invloedrijk, het was voor een schrijver bijzonder als er postuum werken werden herdrukt, zoals dat bij Tesselschade gebeurde. Anna Maria van Schuurman had meer een invloed op de maatschappij dan op het literaire veld. Als eerste vrouwelijke studente maakte zij naam binnen het terughoudende Nederland. Binnen het literaire veld viel zij bij uitgevers op omdat zij ook werken schreef in het Frans en Latijn. Verder dan opvallen kwam het niet. Gedurende haar leven zijn er geen werken van Schuurman gedrukt. Tot slot Maria Petyt. Zij was duidelijk een voorbeeld van een mystieke schrijfster die binnen het klooster bekend wordt. Haar invloed is dus niet te vinden op de symbolische productie of de distributie. In zijn geheel is de conclusie dat de literaire invloed van vrouwen in vergelijking met de Middeleeuwen is toegenomen. Het is echter nog geen niveau waarop ze gelijkgesteld kunnen worden met de mannen. Er is in ieder geval een stap voorwaarts gezet. Voorafgaand aan de Verlichting hechtten vrouwen een grote waarde aan een harmonieus leven. Het motto in de achttiende eeuw was: alle burgers gelijk. In praktijk bleek dit niet op te gaan. Vrouwen werden als een aparte groep gezien. Zowel in de maatschappij als in de literatuur. Toch hadden de vrouwen wel literaire ambities. Meer dan de helft van de romans, gepubliceerd in de achttiende eeuw, waren afkomstig van een vrouw. In de materiële productie hadden de vrouwen dus invloed. Zowel qua schrijfsters als qua literaire uitgevers. De vrouwen besloten zelf werken uit te gaan geven, mits er geld voor was. Op die manier waren ze er van verzekerd dat hun werk werd gepubliceerd. Het waren er niet veel, maar er waren vrouwelijke uitgevers. Op het gebied van de distributie speelden de vrouwen geen rol van betekenis. Hun boeken werden wel verkocht, maar ze verdwenen vaak snel weer uit winkels en uit de buidels van marskramers. Ook in de bibliotheek werden hun publicaties wel opgenomen, maar ook hier verdwenen ze weer snel uit de collectie. Voor het eerst in het literaire veld van de verschillende eeuwen is te zien dat de vrouwen invloed hebben gehad op de literatuurgeschiedenis. Voornamelijk werken van Betje Wolff & Aagje Deken worden vandaag de dag in de literatuurlessen gebruikt. Deze hebben dus invloed op het literatuuronderwijs. Bij Petronella Moens is dit niet het geval. Ze is een stuk minder bekend dan het voorgaande duo. De werken van Wolff & Deken kregen ook allerlei kritiek te verduren. 157

158 Ze werden opgenomen in literatuurgeschiedenissen en daar werden de aspecten van de werken beschreven. Ook waren er in de achttiende eeuw tijdschriften waarin werken van de twee werden beschreven. De invloed van de vrouwen in de Verlichting nam dus toe. Wederom moet hier gezegd worden dat ze nog niet op gelijke hoogte stonden met hun mannelijke collega s, maar ze kwamen in de richting om dit doel te bereiken. In de negentiende eeuw veranderde er veel voor vrouwen. In de negentiende eeuw konden vrouwen een belangrijke rol spelen bij het tegenhouden van het verschil tussen mannen en vrouwen dat er toen nog steeds was. Er was nog steeds een traditie waarin de vrouw functioneerde als hoeksteen van het gezin. Vrouwen werden gezien als hetgeen de maatschappij precies nodig had. Er waren wel degelijk vrouwelijke auteurs en hun invloed op de materiële productie nam toe. Er werden steeds meer werken van vrouwen uitgegeven en ook werden er speciale vrouwentijdschriften opgericht. Dit gaf een grote impuls. Nu het gebruikelijker was dat vrouwen ook hun werken konden publiceren, kwamen ze ook terecht in de boekhandels. Daarnaast waren er ook speciale vrouwengenootschappen waarin werken van vrouwen werden gelezen en voorgedragen. Dus ook in de openbaarheid. Ook werden de boeken van vrouwen nu opgenomen in de bibliotheken, waar ze langer in de collectie bleven. Al met al spelen vrouwen dus een grotere rol bij de distributie. Ook de invloed op de symbolische productie nam toe. Kruseman en Aletta Jacobs zijn veel behandelde en gelezen vrouwen zowel in het literatuuronderwijs op universiteiten als hoger onderwijs instellingen. Hoge bomen vangen veel wind en de werken van Kruseman en Jacobs kregen dan ook veel kritiek over zich heen. Zowel positieve als negatieve. Vrouwen werden bijna gelijkgesteld aan mannen. In de twintigste een eenentwintigste eeuw kunnen we met zekerheid zeggen dat de mannen en vrouwen voor een groot deel op hetzelfde niveau zitten, literair gezien. Vrouwen blijken actief te zijn in andere genres, maar vrouwen worden niet meer gediscrimineerd bij het produceren, uitgeven en verkopen van hun werken. De vrouwen die in de Middeleeuwen streden voor een gelijke behandeling hebben niet voor niets gestreden. De vrouwen hebben een grote stap voorwaarts gemaakt en zijn op gelijk niveau met hun mannelijke collega s. Graag sluit ik mijn conclusie af met de woorden van Plinius jr: Nullus est liber tam malus ut non aliqua parte prosit. 158

159 Bibliografie Van Ackere, M. (1832) Petronella Moens. De blinde dichteres. Antwerpen: L. Dela Montagne. Anbeek, T. (1990) Geschiedenis van de Nederlandse literatuur tussen Amsterdam: De arbeiderspers. Anbeek, T. & Kloek, J.J. (1981) Literatuur in verandering: voorbeelden van de vernieuwing in het proza tussen 1879 en Den Haag: Martinus Nijhoff. Anbeek, T & Goedegebuure, J. (1988) Het literaire leven van de twintigste eeuw. Leiden: Nijhoff. De Baar, M e.a. (1992) Minerva of savante, heilige of dweepster. Receptiegeschiedenis van Anna Maria Van Schurman sedert de zeventiende eeuw. In: Anna Maria van Schurman. Een uitzonderlijk geleerde vrouw. Zutphen: Walburg Pers. De Baar, M. (2005) Publicatiestrategieen van een zeventiende-eeuwse vrouwelijke auteur. Antoinette Bourigignon en de uitgave van haar geschriften. In: Jaarboek voor de Nederlandse Geschiedenis vol. 12, pag Bank, J. (1995) Kunst en Cultuur. In: Nederland in de twintigste eeuw. Utrecht: Stichting Educatieve Omroep Teleac. De Beauvoir, S. (1984, 4e dr.) Wij vrouwen. Hilversum: Goossens. Van Beek, P. (2004) De eerste studente. Anna Maria van Schurman. Utrecht: Matrijs. Van den Berg, W. (1983) Het literaire genootschapsleven in de eerste helft van de negentiende eeuw. In: De negentiende eeuw, jaargang 7, nr. 25. Beulens, G. (2007) Bepaald geen kleine oorlog. De Eerste Wereldoorlog in de literatuur in Nederland. (Couperus, Verwey, Van Looy). In: Over Nederlandse literatuur van de twintigste eeuw. Leuven: Peeters. Bork, G.J. e.a. (1985) De Nederlandse en Vlaamse auteurs: van Middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auters. Weesp: De Haan. Bourdieu, P. (1989) Opstellen over smaak, habitus en het veldbegrip. Gekozen door Dick Pels. Amsterdam: Van Gennep. Bourdieu, P. (1994) De regels van de kunst: wording en structuur van het literaire veld. Amsterdam: Van Gennep. Bouwman, J. (1996) Anna Maria van Schuurman. Verhandeling over de aanleg van vrouwen voor de wetenschap. Groningen: Xeno Van Boven, E. (1997) In de schaduw van Tachtig. Doorwerking van Tachtig in de 20ste-eeuwse literatuurgeschiedschrijving. In: Over Nederlandse literatuur van de twintigste eeuw. Leuven: Peeters. Van Der Branden, J. (1991) Anna Bijna, Haar leven, hare werken haar tijd. Antwerpen: Drukkerij van Reseler. 159

160 Brouwers, J. (1985) Hélène Swarth. Haar huwelijk met Frits Lapidoth Amsterdam: Uitgeverij de Arbeiderspers. Brouwers, J. (1987) De schemerlamp van Hélène Swarth. Hoe zij beroemd was en in de schemer verdween. Amsterdam: Uitgeverij Joost Nijsen. Buelens, G. (2008) Oneigenlijk gebruik : over de betekenis van poëzie. Nijmegen: Vantilt Buijnsters, P. (1984) Nederlandse literatuur van de achttiende eeuw. Veertien verkenningen. Utrecht: H&S Uitgevers. Buijnsters, P. (1984) Wolff & Deken. Een biografie. Leiden: Martinus Nijhoff. Van Buuren, H. (1980) Vergeten vrouwen uit de Nederlandse literatuur tot Amsterdam: Elsevier. Van Cappeleveen, R.T. (2004) Beroemde vrouwen. Duiven: Absolute Figures Daalder, D.L. (1992) Feminisme en nieuw- feminisme. Zeist: Ploegsma. Deblaere, A. (1962) De mystieke schrijfster Maria Petyt ( ). Gent: Secretariaat van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Dorleijn, G.J. & Van Rees, C.J. (1999) Literatuuropvattingen in het prespectief van het literaire veld. Den haag: NWO. Dresen, G. (1990) Onschuldfantasieen. Offerzin en heilsverlangen infeminisme en mystiek. Nijmegen: SUN. Ghijssen, H.C.M. (1919) Betje Wolff in verband met het geestelijk leven van haar tijd. Jeugd- en huwelijksjaren. Rotterdam: W.L & J. Brusse s Uitgever-Maatschappij. Grootes, E.K. (1990) Het literaire leven in de zeventiende eeuw. Leiden: Martinus Nijhoff. Grootes, E.K. (1995) De Literator in: H.M. Belien, A. Th. van Deursen en G.J. van Setten, Gestalten van de Gouden Eeuw. Een Hollands groepsportret. Amsterdam, Hadewijch (1932, 13e) Hadewijch: een bloemlezing van haar poezie en proza. Met een inleiding en toelichting door J. Snellen. Zeist: Ploegsma. Van Halsema, J.D.F. (1991) Martinus Nijhoff in het licht van het Modernisme. In: Modernisme in de literatuur. Nijmegen: Vantilt. Hanou, A. (2002) Nederlandse literatuur van de Verlichting ( ). Nijmegen: Vantilt Howeler, H. (1949) Aagje Deken, Betje Wolff en personen uit haar kring. Amsterdam: J.H. de Bussy. Hunt, M. E.a. (1984) Women and the Enlightment. New York: The Haworth press Ibsch, E. (1991) Algemene inleiding: wat noemen wij modernisme. In: Modernisme in de literatuur. Nijmegen: Vantilt. 160

161 Israel, J.I. (2001) De radicale Verlichting. Hoe radicale Nederlandse denkers het gezicht van onze cultuur voorgoed veranderden. Franeker: Van Wijnen. Jacobs, A. (1978) Herinneringen van Aletta Jacobs. Nijmegen: SUN. Janssen, F.A.W.G. (1982) Zetten en drukken in de achttiende eeuw. Haarlem: Joh. Enschedeé en zonen. Jensen, L. (2001) 'Bij uitsluiting voor de vrouwelijke sekse geschikt': vrouwentijdschriften en journalistes in Nederland in de achttiende en negentiende eeuw. Hilversum: Verloren. Kitson, M. (1996) The age of Baroque. London: Paul Hamlyn Limited. Korevaart, K (1988) Vrouwen in taal en literatuur. Amersfoort: Acco. Van der Laarse, R. (1995) Een morele natie- religie en politieke cultuur. In: Nederland in de twintigste eeuw. Utrecht: Sctichting Exducatieve Omroep Teleac. Leezenberg, M. & De Vries, G. (2003, 3e dr.) Wetenschapfilosofie voor de geesteswetenschappen. Amsterdam: Amsterdam University Press. Lemaire, R. (1986) Ik zing mijn lied voor al wie met mij gaat: Vrouwen in de volksliteratuur. Utrecht: HES. Liebaers, H. (1964) Hélène Swarths Zuidnederlandse jaren. Gent: Sekretariaat van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Lindijer, C.H. (2003) Op verkenning in het postmoderne landschap. Den Haag: Stichting Lutherse Uitgeverij en Boekhandel. Luger, B. (1986) Wie las wat in de negentiende eeuw. Een verkenning. In: Nederlandse literatuur van de negentiende eeuw. Utrecht: HES Uitgevers. Maas, N. (1986) De Nederlandsche Spectator : schetsen uit het letterkundig leven van de tweede helft van de negentiende eeuw. Utrecht: Veen. Mathijsen, M.T.C. (1987) Het literaire leven in de negentiende eeuw. Leiden: Nijhoff Merlier, J. (1976) Het leven van Maria Petyt. Zutphen: Thieme & Cie. Van Mierlo, J. (1951) Nieuwe studien over Anna Bijns en andere opstellen. Gent: Drukkerij Erasmus. Mommaers, P. (2003) Hadewijch. Schrijfster- Begijn- Mystica. Leuven: Peeters. Naber, J.W.A. (1913) Betje Wolff en Aagje Deken, Amsterdam: Meulenhoff & Co. Natter, B. (1994) Over Hebban olla vogala en Connie Palmen. Utrecht: Kwadraat. Oerlemans, J.W. (1988) Rousseau en de privatisering van het bewustzijn. Carrierisme en cultuur in de achttiende eeuw. Groningen: Wolters-Noordhoff. 161

162 Van Oostrom, F.P. (2006) Stemmen op schrift: geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker. Orlanda-Lie, S.H. (2001) Middelnederlandse literatuur vanuit een genderperspectief: een verkenning in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal en Letterkunde 117, De Paepe, N. (1980) Hadewijch. In: De vrouw als auteur. Muiderberg: Coutinho. Perrot, P. (1987) Werken aan de schijn. De veranderingen van het vrouwelijk lichaam in de achttiende en negentiende eeuw. Nijmegen: SUN. Pleij, H. (1991, 2e dr.) Het literaire leven in de Middeleeuwen. Leiden: Martinus. Pleij, H. (1994) t Is al vrouwenwerk. Refreinen van Anna Bijns. Amsterdam: Querido. Pleij, H. (2007) Het gevleugelde woord. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker. Price, L. (1974) Nederlandse cultuur in de gouden eeuw. Vertaald door O. de Marez Oyens. Utrecht: Het Spectrum. Prinssen, M, & Vermij, L, Th. (1991) Schrijfsters in de jaren vijftig. Amsterdam: Sara/Van Gennep. Pott-Butter, H.A. (1998) Vrouwen: leven en werk in de twintigste eeuw. Amsterdam: Amsterdam University Press. Van Riet, R. (1984) Van Middeleeuwen naar Rennaissance. Utrecht: Uitgeverij het Spectrum. Rimmon-Kenan, S. (1996) A glance beyond doubt : narration, representation, subjectivity. Columbus: Ohio State University Press Roose, L. (1963) Anna Bijns. Een rederijkster uit de hervormingstijd. Onbekende literatuur door onbekende vrouwen. Gent: Secretariaat van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde. Roosenschoon, W. (1986) Leven & werk van Betje Wolff en Aagje Deken. Beemster: Historisch Genootschap J.A. Leeghwater. Scheepsma, W. (1992) Vrouwenliteratuur in de Middeleeuwen. Onbekende literatuur door onbekende vrouwen. In: Literatuur, vol. 9, afl. 6, Schenkeveld- van der Dussen, R. (red.) (1997) Met en zonder lauwerkrans. Schrijvende vrouwen uit de vroegmoderne tijd van Anna Bijns tot Elise van Calcar. Amsterdam: Amsterdam University Press. Schulte, A. (1995) Oorlog en vrede. In: Nederland in de twintigste eeuw. Utrechy: Stichting Educatieve Omroep Teleac. Skrine, P, N. (1978) The Baroque. Literature and culture in seventeenth-century Europe. Cambridge: University Printing House. 162

163 Smits- Veldt, M. (1994) Maria Tesselschade. Leven met talent en vriendschap. Zutphen: Walburg Pers. Sneller- van Veen, A.A. (1932) Men man en macht: analyse en interpretatie van teksten van en over vrouwen in de vroegmoderne tijd. Kampen: Kok Agora. Sneller, A.A. & Van Marion, O (ed.) (1994) De gedichten van Tesselschade Roemers. Hilversum: Verloren Stamperius, H. (1980) Vrouwen en literatuur. Stromingen en aspecten. Amsterdam: Wetenschappelijke Uitgeverij b.v. Stouten, J. (1984) Verlichting in de letteren. Leiden: Martinus Nijhoff. Streng, T. (1997) Geschapen om te scheppen?: opvattingen over vrouwen en schrijverschap in Nederland, Amsterdam: Amsterdam University Press. Van Stuijvenberg, W. (1976) De negentiende eeuw. Amsterdam: Amsterdam Boek. Veltman- van den Bos, A.J. (2000) Petronella Monens ( ). Nijmegen: Vantilt Vervaeck, B. (1999) Het postmodernisme in de Nederlandse en Vlaamse roman. Nijmegen: Vantilt. Vrankrijker, A.J.C. (1981) Mensen leven en werken in de Gouden Eeuw. Den Haag: Martinus Nijhoff. De Vries, M. (2001) Beschaven! Letterkundige genootschappen in Nederland Nijmegen: Vantilt. De Waal, M. (1987) Mina Kruseman Portret van een militante feministe en pacifiste. Amsterdam: De Engelenbewaarder. Walch, J.L. (1941) Vrouwen van formaat. Een galerij van vrouwen uit Nederlands verleden. Amsterdam: Querido. Weekhout, I. (1998) Boekencensuur in de Noordelijke Nederlanden. De vrijheid van drukpers in de zeventiende eeuw. Westers, O.C.W. (2003) Welsprekende burgers : rederijkers in de negentiende eeuw. Nijmegen: Vantilt. Van der Zeyde, M.H. (1934) Hadewijch: een studie over mens en schrijfster. Groningen: Wolters. Zwager, H.H. (1972) Nederland en de verlichting. Bussum: Fibula- van Dishoeck. 163

Naam: VAN WILLIBRORD tot Statenbijbel

Naam: VAN WILLIBRORD tot Statenbijbel Naam: VAN WILLIBRORD tot Statenbijbel Willibrord Willibrord werd geboren als zoon van pas bekeerde ouders en werd als zevenjarige jongen door zijn vader Wilgis toevertrouwd aan het klooster van Ripon nabij

Nadere informatie

havo 1

havo  1 havo www.mevrouwzus.wordpress.com 1 www.mevrouwzus.wordpress.com 2 Tekstfragmenten/gedichten + vragen (kennis toepassen); Wat is? Noem kenmerken van (begrippen leren) Koppel titels aan schrijvers. www.mevrouwzus.wordpress.com

Nadere informatie

Latijn en Grieks in de 21ste eeuw

Latijn en Grieks in de 21ste eeuw Latijn en Grieks in de 21ste eeuw Kiezen voor Latijn en/of Grieks? Als leerling in het laatste jaar van de basisschool sta jij voor een belangrijke keuze. Welke studierichting moet je gaan volgen in het

Nadere informatie

De Jefferson Bijbel. Thomas Jefferson

De Jefferson Bijbel. Thomas Jefferson De Jefferson Bijbel Thomas Jefferson Vertaald en ingeleid door: Sadije Bunjaku & Thomas Heij Inhoud Inleiding 1. De geheime Bijbel van Thomas Jefferson 2. De filosofische president Het leven van Thomas

Nadere informatie

Werkstuk Geschiedenis Frankrijk in de tijd van het absolutisme

Werkstuk Geschiedenis Frankrijk in de tijd van het absolutisme Werkstuk Geschiedenis Frankrijk in de tijd van het absolutisme Werkstuk door een scholier 1970 woorden 12 oktober 2005 6,7 72 keer beoordeeld Vak Geschiedenis Hoofdvraag: Hoe beschrijven en verklaren we

Nadere informatie

Boekverslag Nederlands Over de vos Reinaert door Onbekend

Boekverslag Nederlands Over de vos Reinaert door Onbekend Boekverslag Nederlands Over de vos Reinaert door Onbekend Boekverslag door S. 1180 woorden 16 maart 2013 6,2 6 keer beoordeeld Auteur Genre Onbekend Middeleeuws verhaal, Komedie Eerste uitgave 1300 Vak

Nadere informatie

Helaas zijn christenen niet per definitie hartelijke en gastvrije mensen.

Helaas zijn christenen niet per definitie hartelijke en gastvrije mensen. Heb God lief zo goed als je kunt, en heb elkaar lief zoals Jezus ons liefhad. Het is niet niks, wat we net gelezen hebben. Eerst het verhaal van het volk Israel. Gevlucht uit Egypte, een lange vermoeiende

Nadere informatie

Boekverslag door een scholier 1899 woorden 27 september keer beoordeeld. Eerste uitgave 1997 Nederlands

Boekverslag door een scholier 1899 woorden 27 september keer beoordeeld. Eerste uitgave 1997 Nederlands Boekverslag door een scholier 1899 woorden 27 september 2006 6 13 keer beoordeeld Auteur Genre Caja Cazemier Jeugdboek Eerste uitgave 1997 Vak Nederlands Opdracht 1: 1 Onderwerp: Het onderwerp van het

Nadere informatie

Van Bethlehem tot Golgotha

Van Bethlehem tot Golgotha Van Bethlehem tot Golgotha Het Mysterie van Inwijding Esoterische Begrippen Elly Lichtenberg De Bijbel, een mystiek verhaal of..? Deel I De Bijbel: een mystiek verhaal of..? Is het evangelieverhaal juist?

Nadere informatie

F r a n c i s c u s. v a n. Leven met aandacht. w e g D e. Erfgoed Congregatie Zusters Franciscanessen van Oirschot

F r a n c i s c u s. v a n. Leven met aandacht. w e g D e. Erfgoed Congregatie Zusters Franciscanessen van Oirschot Leven met aandacht Erfgoed Congregatie Zusters Franciscanessen van Oirschot w e g D e v a n F r a n c i s c u s 2 Leven met aandacht Inhoud 1 De weg van Franciscus 9 2 De oprichting van de congregatie

Nadere informatie

GODSBEELDEN BIJBELSTUDIE VGSU BLOK

GODSBEELDEN BIJBELSTUDIE VGSU BLOK GODSBEELDEN BIJBELSTUDIE VGSU BLOK 4 2010-2011 INHOUD Inleiding... 5 Avond 1... 7 Avond 2... 8 Avond 3... 9 Avond 4... 10 3 4 INLEIDING Een relatie hebben met iemand is een abstract begrip, maar toch

Nadere informatie

ÉÉN MET HET VELD DE ERVARINGEN VAN KWETSBARE MENSEN MET KAPITAAL EN IN- EN UITSLUITING IN DE SPORT

ÉÉN MET HET VELD DE ERVARINGEN VAN KWETSBARE MENSEN MET KAPITAAL EN IN- EN UITSLUITING IN DE SPORT 1 ÉÉN MET HET VELD DE ERVARINGEN VAN KWETSBARE MENSEN MET KAPITAAL EN IN- EN UITSLUITING IN DE SPORT Één met het veld De ervaringen van kwetsbare mensen met kapitaal en in- en uitsluiting binnen de sport.

Nadere informatie

Boekverslag Nederlands Elckerlijc door Onbekend

Boekverslag Nederlands Elckerlijc door Onbekend Boekverslag Nederlands Elckerlijc door Onbekend Boekverslag door C. 1869 woorden 2 juli 2014 6,7 22 keer beoordeeld Auteur Genre Onbekend Middeleeuws verhaal Eerste uitgave 1400 Vak Nederlands Boekverslag

Nadere informatie

Waar Bepaal ten slotte zo nauwkeurig mogelijk waar het onderwerp zich afspeelt. Gaat het om één plek of spelen meer plaatsen/gebieden een rol?

Waar Bepaal ten slotte zo nauwkeurig mogelijk waar het onderwerp zich afspeelt. Gaat het om één plek of spelen meer plaatsen/gebieden een rol? Hoe word ik beter in geschiedenis? Als je beter wilt worden in geschiedenis moet je weten wat er bij het vak geschiedenis van je wordt gevraagd, wat je bij een onderwerp precies moet kennen en kunnen.

Nadere informatie

Van Waarde(n) HUB 28 november 2015, Miranda Meijerman

Van Waarde(n) HUB 28 november 2015, Miranda Meijerman Van Waarde(n) Al voor de oprichting van het Humanistisch Verbond in 1946 bestond er buitenkerkelijke uitvaartbegeleiding. vandaag staan we stil bij de HUB die nu 10 jaar als zelfstandige stichting functioneert.

Nadere informatie

Een weg door de geestelijke stromingen vragenlijst voor het Christendom. Naam:

Een weg door de geestelijke stromingen vragenlijst voor het Christendom. Naam: Een weg door de geestelijke stromingen vragenlijst voor het Christendom Naam: Het Christendom Hallo, dit is de vragenlijst die hoort bij de website over geestelijke stromingen. Je kunt de website vinden

Nadere informatie

Kennismakingsvragen:

Kennismakingsvragen: Kennismakingsvragen: 1. Als je op een onbewoond eiland belandde, welke 3 dingen zou je dan in ieder geval bij je willen hebben? 2. Wat is je vroegste jeugdherinnering? 3. Wat heeft je doen besluiten om

Nadere informatie

PKN in contact met Nederland: kijk op het leven en kijk op geloven

PKN in contact met Nederland: kijk op het leven en kijk op geloven Protestantse Kerk Nederland / 27-8-2015 / P.1 PKN in contact met Nederland: kijk op het leven en kijk op geloven Presentatie 27 januari 2011 Peter Jobsen Protestantse Kerk Nederland / 27-8-2015 / P.2 Aanleiding

Nadere informatie

Boekverslag Nederlands Zwijgen door Marcellus Emants

Boekverslag Nederlands Zwijgen door Marcellus Emants Boekverslag Nederlands Zwijgen door Marcellus Emants Boekverslag door een scholier 1731 woorden 9 september 2014 5,4 6 keer beoordeeld Auteur Genre Marcellus Emants Psychologische roman Eerste uitgave

Nadere informatie

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, lieve mensen,

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, lieve mensen, Gemeente van onze Heer Jezus Christus, lieve mensen, Naar aanleiding van de lezingen vandaag, over het ophouden van de manna uit Jozua 5 en het teken van brood en vis uit Johannes 6, wil ik graag twee

Nadere informatie

Delftse Bijbel (1477)

Delftse Bijbel (1477) Delftse Bijbel (1477) 1 De uitvinding van de boekdrukkunst betekende een revolutie: de Bijbel kon nu veel goedkoper aangeboden worden en kwam binnen het bereik van gezinnen. De vraag naar de Bijbel in

Nadere informatie

Examen Geschiedenis. Geef de 7 tijdsvakken: Mintiens Quintin

Examen Geschiedenis. Geef de 7 tijdsvakken: Mintiens Quintin Examen Geschiedenis Geef de 7 tijdsvakken: Prehistorie :... 3500 v.c Stroomculturen : 3500 v.c 800 v.c Klassieke Oudheid : 800 v.c 500 n.c Middeleeuwen : 500 n.c 1450 n.c Nieuwe tijd : 1450 n.c 1750 n.c

Nadere informatie

inleiding 4 verantwoording 7 leven en werk van nicolaas beets 8 titel en pseudoniem 14

inleiding 4 verantwoording 7 leven en werk van nicolaas beets 8 titel en pseudoniem 14 h inhoud g inleiding 4 verantwoording 7 leven en werk van nicolaas beets 8 titel en pseudoniem 14 thema s en motieven 16 Vaste gewoonten 16 Interieur en kleding 17 Conversatie 19 Humor 20 Sociale controle

Nadere informatie

reeks ontmoetingen 2 een ontmoeting met Heraclitus

reeks ontmoetingen 2 een ontmoeting met Heraclitus reeks ontmoetingen 2 een ontmoeting met Heraclitus Toelichting Door deze ontmoeting met Heraclitus gaan we terug naar het begin van de westerse filosofie. Zo rond 600 voor Christus komen we in het KleinAziatische

Nadere informatie

Naam: DE BEELDENSTORM Ketters Luther en Calvijn

Naam: DE BEELDENSTORM Ketters Luther en Calvijn Naam: DE BEELDENSTORM Ketters Luther en Calvijn Filips II In 1566, meer dan vierhonderd jaar geleden, zijn veel mensen boos. Er is onrust in de Nederlanden. Er zijn spanningen over het geloof, veel mensen

Nadere informatie

Het ontstaan van het baptisme

Het ontstaan van het baptisme Het ontstaan van het baptisme In 1609 werden in Amsterdam vijftig Engelsen, die vanwege geloofsvervolging het moederland waren ontvlucht, op de belijdenis van hun geloof gedoopt. Dit jaar vieren miljoenen

Nadere informatie

Klassieke Muziekgeschiedenis De Middeleeuwen (500 1500)

Klassieke Muziekgeschiedenis De Middeleeuwen (500 1500) Klassieke Muziekgeschiedenis De Middeleeuwen (500 1500) Algemeen Als je aan de Middeleeuwen denkt, dan denk je waarschijnlijk aan grote kastelen, ridders en jonkvrouwen. Natuurlijk, dit is een gedeelte

Nadere informatie

PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen

PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen The following full text is a publisher's version. For additional information about this publication click this link. http://hdl.handle.net/2066/94829

Nadere informatie

Frederik Smekens Vak:Godsdienst Opdracht: de 7 deugden in het Christendom

Frederik Smekens Vak:Godsdienst Opdracht: de 7 deugden in het Christendom Frederik Smekens Vak:Godsdienst Opdracht: de 7 deugden in het Christendom De zeven deugden bestaan al heel lang. Al sinds het begin van de mensheid. Adam zat alleen in het hemelse rijk. Hij verveelde zich

Nadere informatie

Ted van Lieshout Floor van de Ven, H3G, Uitgeveri Plaats Jaar uitgave en druk Aantal bladzijdes Genre Inhoudsopgave Samenvatting

Ted van Lieshout Floor van de Ven, H3G, Uitgeveri Plaats Jaar uitgave en druk Aantal bladzijdes Genre Inhoudsopgave Samenvatting Boekverslag door F. 1662 woorden 8 juni 2016 7 7 keer beoordeeld Auteur Ted van Lieshout Genre Psychologische roman, Jeugdboek Eerste uitgave 1996 Vak Nederlands Gebr. Ted van Lieshout Floor van de Ven,

Nadere informatie

Doel van Bijbelstudie

Doel van Bijbelstudie Bijbelstudie Hebreeën 4:12 Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneen scheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het

Nadere informatie

En bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder, de zuster van Zijn moeder, en Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena.

En bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder, de zuster van Zijn moeder, en Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena. - 1 - Johannes, de discipel die Jezus liefhad. Johannes: zijn naam betekent: Jahwé is genadig. De vader van Johannes is Zebedeüs en zijn moeder is Salome, een zuster van Maria, de moeder van de Heere Jezus.

Nadere informatie

Op reis door het rijk der Letteren en der Godgeleerdheid

Op reis door het rijk der Letteren en der Godgeleerdheid History Christiane Simone Stadie Op reis door het rijk der Letteren en der Godgeleerdheid Herinneringen van mijne academiereis in 1843 (Abraham Des Amorie van der Hoeven Jr.) Seminar paper Christiane

Nadere informatie

Handleiding bij de studielessen voor groep 1-3 van de basisschool NAAM

Handleiding bij de studielessen voor groep 1-3 van de basisschool NAAM Handleiding bij de studielessen voor groep 1-3 van de basisschool NAAM September 2009 In september en oktober 2009 is de Levend Evangelie Gemeente gemeentebreed bezig met het onderwerp GEBED. Op verzoek

Nadere informatie

Zondag 9 oktober over de maaltijd van de Heer. Lezing: 1 Korinthe 10 : 14 t/m 17, 11: 17 t/m 26

Zondag 9 oktober over de maaltijd van de Heer. Lezing: 1 Korinthe 10 : 14 t/m 17, 11: 17 t/m 26 Zondag 9 oktober 2016 - over de maaltijd van de Heer Lezing: 1 Korinthe 10 : 14 t/m 17, 11: 17 t/m 26 Vandaag vieren we met elkaar als gemeente avondmaal. Heilig Avondmaal. Eigenlijk gebruik ik die woorden

Nadere informatie

Religie, christendom en politiek vanuit filosofisch perspectief

Religie, christendom en politiek vanuit filosofisch perspectief Religie, christendom en politiek vanuit filosofisch perspectief - Het christelijke belemmert de politiek niet, maar maakt haar juist mogelijk en waardevol - Pieter Jan Dijkman Vereniging voor Wijsbegeerte

Nadere informatie

Ontmoetingskerk Laren NH 1 mei Johannes 14

Ontmoetingskerk Laren NH 1 mei Johannes 14 Ontmoetingskerk Laren NH 1 mei 2016 Johannes 14 Als iemand in deze tijd zou zeggen: Ik ben de weg, de waarheid en het leven, zouden we hem al snel fundamentalistisch noemen. We leven in een multiculturele

Nadere informatie

Ethische optiek = hoe is de benadering dat mensen het uiteindelijk goede behoren te doen.

Ethische optiek = hoe is de benadering dat mensen het uiteindelijk goede behoren te doen. Samenvatting door A. 1576 woorden 4 december 2014 1,3 2 keer beoordeeld Vak Levensbeschouwing Paragraaf 2 De ethische optiek 1 inleiding Ethiek gaat over goed en kwaad in het menselijk handelen. Onderscheid

Nadere informatie

Tijd van pruiken en revoluties 1700 1800

Tijd van pruiken en revoluties 1700 1800 Onderzoeksvraag: Op welke gebieden wilden de Verlichtingsfilosofen de bestaande maatschappij veranderen? Rationalisme = het gebruiken van gezond verstand (rede/ratio) waarbij kennis gaat boven tradities

Nadere informatie

Preek de Wet van Mozes

Preek de Wet van Mozes Lieve gemeente, Aan Rabbi Hillel werd eens gevraagd of hij de hele Thora kon opzeggen terwijl hij op 1 been stond. Hij nam de uitdaging aan, ging op 1 been staan en zei: Behandel de ander niet zoals je

Nadere informatie

Wij maken uw eigen boek!

Wij maken uw eigen boek! Wij maken uw eigen boek! Ieder mens heeft een boek in zich, het moet alleen nog worden gemaakt (vrij naar Michelangelo) Een eigen boek. Soms is het een persoonlijk verhaal over gebeurtenissen in het leven.

Nadere informatie

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 2

Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 2 Samenvatting Geschiedenis Hoofdstuk 2 Samenvatting door S. 1030 woorden 18 mei 2017 0 keer beoordeeld Vak Geschiedenis Geschiedenis samenvatting H2 1: Wetenschappelijke Revolutie 17 e eeuw Kenmerken: Observeren

Nadere informatie

Vragen literatuur 6-VWO Deze vragenlijst is grotendeels gebaseerd op de Coach van Noordhoff. Literaire begrippen

Vragen literatuur 6-VWO Deze vragenlijst is grotendeels gebaseerd op de Coach van Noordhoff. Literaire begrippen Vragen literatuur 6-VWO Deze vragenlijst is grotendeels gebaseerd op de Coach van Noordhoff. A Literaire begrippen 1. Wat is het verschil tussen een Vergleich (vergelijking) en een Metapher (metafoor)?

Nadere informatie

Werkelijk hemels: na ruim 20 jaar

Werkelijk hemels: na ruim 20 jaar Succes verhaal - Stoppen met haren uittrekken Werkelijk hemels: na ruim 20 jaar knokken tegen Trichotillomanie eindelijk bevrijd van gewoonte tot haren uittrekken!!!! Al ruim 20 jaar lang had ik last van

Nadere informatie

Sint-Jan Berchmanscollege

Sint-Jan Berchmanscollege Sint-Jan Berchmanscollege Infobrochure Klassieke Talen (2de en 3de graad ASO) Leerlingprofiel Je leest graag, je wil je taalvaardigheid versterken, en je hebt interesse in cultuur en maatschappij? Een

Nadere informatie

Geschiedenis Amerika en Frankrijk in de tijd van pruiken en revoluties: een overzicht. Een les van: Bor

Geschiedenis Amerika en Frankrijk in de tijd van pruiken en revoluties: een overzicht. Een les van: Bor Geschiedenis Amerika en Frankrijk in de tijd van pruiken en revoluties: een overzicht. Een les van: Bor Terugkijken: Bij de ene revolutie ontstaat een nieuw en onafhankelijk land. Vrijheid is voor de inwoners

Nadere informatie

Info plus Het leenstelsel

Info plus Het leenstelsel Project Middeleeuwen F- verrijking week 1 Info plus Het leenstelsel Inleiding De Middeleeuwen betekent letterlijk de tussentijd. Deze naam is pas later aan deze periode in de geschiedenis gegeven. De naam

Nadere informatie

INFORMATIE OVER HET GEBRUIK VAN KINDERBIJBELS VOOR GEZINNEN MET JONGE KINDEREN

INFORMATIE OVER HET GEBRUIK VAN KINDERBIJBELS VOOR GEZINNEN MET JONGE KINDEREN INFORMATIE OVER HET GEBRUIK VAN KINDERBIJBELS VOOR GEZINNEN MET JONGE KINDEREN OVER KINDERBIJBELS OM TE BEGINNEN Als je een kinder- of jeugdbijbel aan wilt schaffen dan is het heel belangrijk dat je eerst

Nadere informatie

Samenvatting Nederlands Module 1 t/m 3

Samenvatting Nederlands Module 1 t/m 3 Samenvatting Nederlands Module 1 t/m 3 Samenvatting door een scholier 1502 woorden 16 december 2010 6 8 keer beoordeeld Vak Methode Nederlands Laagland Module 1 Motivaties Verschillende motivaties waardoor

Nadere informatie

SAMENLEVEN BURGERSCHAPSLEREN HOOFDSTUK 1

SAMENLEVEN BURGERSCHAPSLEREN HOOFDSTUK 1 Samenleven Familie, vrienden, studiegenoten, docenten. Ze zijn belangrijk in je leven. Ze vormen je mening en bepalen je gedrag. Samen helpen ze je een eigen identiteit te ontwikkelen en een volwaardig

Nadere informatie

Voorwoord Met oprechte blijdschap schrijf ik het voorwoord voor dit boek. Ik ken Henk Rothuizen al vele jaren en heb hem zien opgroeien tot een man van God, met een bediening die verder reikt dan zijn

Nadere informatie

Inhoud. Inleiding Zevende brief Nawoord Waarom filosofen moeten zwijgen Kleine bibliografie

Inhoud. Inleiding Zevende brief Nawoord Waarom filosofen moeten zwijgen Kleine bibliografie Inhoud Inleiding Zevende brief Nawoord Waarom filosofen moeten zwijgen Kleine bibliografie Inleiding Al zolang als mensen over het schrift beschikken, hebben zij langs die weg met elkaar berichten en gedachten

Nadere informatie

Luisteren naar de Heilige Geest

Luisteren naar de Heilige Geest Luisteren naar de Heilige Geest Johannes 14:16-17 En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen,

Nadere informatie

Denise Robbesom. Werken aan trage vragen. De woorden van Harry Kunneman ISVW UITGEVERS

Denise Robbesom. Werken aan trage vragen. De woorden van Harry Kunneman ISVW UITGEVERS Denise Robbesom Werken aan trage vragen De woorden van Harry Kunneman ISVW UITGEVERS Voorwoord 5 I Over Harry Kunneman 9 II Over studeren, idealen, Marx en Habermas 27 III Over postmoderne denkers en afscheid

Nadere informatie

Vincent van Gogh. Hier zie je er een afbeelding van.

Vincent van Gogh. Hier zie je er een afbeelding van. Vincent van Gogh Een van de beroemdste schilders die Nederland heeft gehad was Vincent van Gogh. Deze kunstenaar heeft zelfs zijn eigen museum gekregen in Amsterdam. Toch wel heel bijzonder, zeker als

Nadere informatie

JOOST VAN DEN VONDEL. Jakub Jun Kristýna Němčanská Ema Kubovičová

JOOST VAN DEN VONDEL. Jakub Jun Kristýna Němčanská Ema Kubovičová JOOST VAN DEN VONDEL Jakub Jun Kristýna Němčanská Ema Kubovičová 1. Geboren in Duitsland op 17 november 1587 Overleden te Amsterdam op 5 februari 1679 Vanaf 1596 leefde hij in Amsterdam 2. Streven naar

Nadere informatie

Boekverslag Nederlands De passievrucht door Karel Glastra van Loon

Boekverslag Nederlands De passievrucht door Karel Glastra van Loon Boekverslag Nederlands De passievrucht door Karel Glastra van Loon Boekverslag door F. 1442 woorden 25 mei 2016 2,5 6 keer beoordeeld Auteur Genre Karel Glastra van Loon Psychologische roman Eerste uitgave

Nadere informatie

LES 2. Invloed van je gezin. Lees. Lees. Maak Maak een voorbeeld van een dier. Leer. Bid Bid dat je een positieve invloed zal.

LES 2. Invloed van je gezin. Lees. Lees. Maak Maak een voorbeeld van een dier. Leer. Bid Bid dat je een positieve invloed zal. Invloed van je gezin De ouders van Debbie gingen scheiden toen zij 6 jaar was. Ze was haar hele leven naar de kerk gegaan-- soms met haar moeder en soms met haar vader, omdat zij een verschillend geloof

Nadere informatie

Verspreiding christendom vmbo12

Verspreiding christendom vmbo12 Auteur Laatst gewijzigd Licentie Webadres VO-content 12 july 2018 CC Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationale licentie https://maken.wikiwijs.nl/62161 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs van

Nadere informatie

JEZUS IS MIJN SUPERHELD

JEZUS IS MIJN SUPERHELD JEZUS IS MIJN SUPERHELD NAAM Studielessen voor 8-12 jarigen Lessen zijn geschreven door Beryl Voorhoeve, Ilja Witte en Judith Maarsen Mei 2007Levend Evangelie Gemeente Gebruikte Bijbelvertaling HET BOEK

Nadere informatie

Docentenhandleiding Schrijven bij geschiedenis

Docentenhandleiding Schrijven bij geschiedenis Docentenhandleiding Schrijven bij geschiedenis In deze docentenhandleiding vindt u meer informatie over de schrijfinstructie-les, die aansluit bij de lessenserie Nederland als democratie. Het doel van

Nadere informatie

Wie is de Heilige Geest?

Wie is de Heilige Geest? Wie is de Heilige Geest? De Heilige Geest is God, net als God de Vader en God de Zoon. Soms lijkt het of we over drie personen praten, maar het is allemaal dezelfde God. Hij is één. Net als water dat er

Nadere informatie

1. Met andere ogen. Wetenschap en levensbeschouwing. De wereld achter de feiten

1. Met andere ogen. Wetenschap en levensbeschouwing. De wereld achter de feiten 1. Met andere ogen Wetenschap en levensbeschouwing De wereld achter de feiten Dit boek gaat over economie. Dat is de wetenschap die mensen bestudeert in hun streven naar welvaart. Het lijkt wel of economie

Nadere informatie

Ds. Arjan van Groos ( ) Tekst: 1 Korinthiërs 7, 14 Middagdienst Dopen. Broeders en zusters,

Ds. Arjan van Groos ( ) Tekst: 1 Korinthiërs 7, 14 Middagdienst Dopen. Broeders en zusters, Ds. Arjan van Groos (1962-2014) Tekst: 1 Korinthiërs 7, 14 Middagdienst Dopen Broeders en zusters, 1. Zingen : Gezang 25 : 1 en 3 2. Gebed voor de opening van het Woord 3. Bediening van de Heilige Doop

Nadere informatie

De Independent Order of Odd Fellows. Vriendschap Liefde waarheid

De Independent Order of Odd Fellows. Vriendschap Liefde waarheid De Independent Order of Odd Fellows 1 De Independent Order of Odd Fellows De oorsprong van het Odd Fellowship werd al enige eeuwen geleden in Engeland gelegd. Vermoedelijk waren Odd Fellows vaklieden,

Nadere informatie

Aangenaam: Guido. Informatie over kennismaken met Guido. gelooft

Aangenaam: Guido. Informatie over kennismaken met Guido. gelooft Aangenaam: Guido Informatie over kennismaken met Guido gelooft Welkom op Guido Als u deze brochure leest dan heeft u uw zoon of dochter aangemeld voor GSG Guido. Guido is een gereformeerde school voor

Nadere informatie

VRAGENLIJST VOOR MIDDELBARE SCHOLEN BELGISCH STRIPCENTRUM

VRAGENLIJST VOOR MIDDELBARE SCHOLEN BELGISCH STRIPCENTRUM VRAGENLIJST VOOR MIDDELBARE SCHOLEN BELGISCH STRIPCENTRUM De volgende vragenlijst is ingedeeld naar drie categorieën: Gewoon Moeilijker Doordenker Om de juiste antwoorden te vinden neem je best de lijst

Nadere informatie

Jouw superrelatie start nu!

Jouw superrelatie start nu! Jouw superrelatie start nu! Inleiding Herinner jij je je eerste liefde nog? Was je ook zo ontzettend verliefd? Je kon aan niets anders meer denken. Je hoofd en hart stroomden helemaal over. Je had de meest

Nadere informatie

11 De ontdekking van de mens en de wereld - internet oefentoets

11 De ontdekking van de mens en de wereld - internet oefentoets 11 De ontdekking van de mens en de wereld - internet oefentoets Opdracht 1 Wat is de Sokratische methode? Opdracht 2 Waarom werd Sokrates gedwongen de gifbeker te drinken? Opdracht 3 Waarom zijn onze zintuigen

Nadere informatie

Juist in het openbaar onderwijs

Juist in het openbaar onderwijs Juist in het openbaar onderwijs Over de aandacht voor levensbeschouwing op de openbare school Legitimatie MARLEEN LAMMERS Wie denkt dat het openbaar onderwijs geen aandacht mag besteden aan levensbeschouwing,

Nadere informatie

SOLA SCRIPTURA VERKONDIGING 5 FEBRUARI Zusters en broeders, gemeente van onze Heere Jezus Christus

SOLA SCRIPTURA VERKONDIGING 5 FEBRUARI Zusters en broeders, gemeente van onze Heere Jezus Christus SOLA SCRIPTURA VERKONDIGING 5 FEBRUARI 2017 Zusters en broeders, gemeente van onze Heere Jezus Christus Aan het eind van zijn leven schreef Maarten Luther: 1 "Alles wat ik gedaan heb, is het Woord van

Nadere informatie

Praktische opdracht Levensbeschouwing New age

Praktische opdracht Levensbeschouwing New age Praktische opdracht Levensbeschouwing New age Praktische-opdracht door een scholier 1822 woorden 19 juni 2002 7,1 75 keer beoordeeld Vak Levensbeschouwing Inleiding Dit werkstuk gaat over New-Age. Iedereen

Nadere informatie

Verslag Geschiedenis Tijdvakkendossier tijdvak 2: tijd van Grieken en Romeinen

Verslag Geschiedenis Tijdvakkendossier tijdvak 2: tijd van Grieken en Romeinen Verslag Geschiedenis Tijdvakkendossier tijdvak 2: tijd van Grieken en Romeinen Verslag door Lotte 1570 woorden 19 juni 2017 3 4 keer beoordeeld Vak Methode Geschiedenis Feniks Tijdvak: Tijd van Grieken

Nadere informatie

Motieven 1: Een wereld

Motieven 1: Een wereld Motieven 1: Een wereld Doelstellingen: Doel eerste subthema Een wereld om vrij te zijn De catechisanten leren inzien dat vrijheid in Bijbelse zin bij het leven van mensen hoort en ze vormen een mening

Nadere informatie

Eisen en lay-out van het PWS

Eisen en lay-out van het PWS Eisen en lay-out van het PWS INHOUD EN OPZET VAN HET PROFIELWERKSTUK In het navolgende komen achtereenvolgens aan bod: de titelpagina, de inhoudsopgave, de inleiding, de hoofdtekst, de samenvatting, de

Nadere informatie

Boekverslag Nederlands Ik en mijn speelman door Aart van der Leeuw

Boekverslag Nederlands Ik en mijn speelman door Aart van der Leeuw Boekverslag Nederlands Ik en mijn speelman door Aart van der Leeuw Boekverslag door een scholier 1705 woorden 29 juli 2006 6,2 13 keer beoordeeld Auteur Genre Aart van der Leeuw Liefdesroman Eerste uitgave

Nadere informatie

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, lieve mensen,

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, lieve mensen, Gemeente van onze Heer Jezus Christus, lieve mensen, Het is bijzonder om te ontdekken, hoe veel overeenkomsten er zijn, tussen het verhaal van de opstanding zoals Matteüs dat vertelt, en het boek Daniël,

Nadere informatie

Voor christenen is de Bijbel met name een geloofsboek. Dat betekent

Voor christenen is de Bijbel met name een geloofsboek. Dat betekent De Bijbel Een geloofsboek EWe kunnen vele wegen gaan met de Bijbel. De één ervaart het vooral als een mooi kunstobject. Vele kunstenaars hebben er inspiratie in gevonden om een kunstwerk te maken. We kennen

Nadere informatie

L E N N Y V A N G E N D E R E N

L E N N Y V A N G E N D E R E N L ENNY VAN G ENDEREN 2 Kinderen van het licht 3 4 Lenny van Genderen Kinderen van het licht Afbeelding 1. De Boodschapper (schilderij door Lenny van Genderen). 2015 Lenny van Genderen 2015 Quint Essence

Nadere informatie

Aangenaam: Guido. Informatie over kennismaken met Guido. gelooft

Aangenaam: Guido. Informatie over kennismaken met Guido. gelooft Aangenaam: Guido Informatie over kennismaken met Guido gelooft Welkom op Guido Als u deze brochure leest dan heeft u uw zoon of dochter aangemeld voor GSG Guido. Guido is een school voor christenen in

Nadere informatie

Boekverslag Nederlands De ijzeren maagd door Bobje Goudsmit

Boekverslag Nederlands De ijzeren maagd door Bobje Goudsmit Boekverslag Nederlands De ijzeren maagd door Bobje Goudsmit Boekverslag door een scholier 1871 woorden 12 maart 2006 6,1 70 keer beoordeeld Auteur Genre Bobje Goudsmit Oorlogsroman, Jeugdboek Eerste uitgave

Nadere informatie

Boekverslag Nederlands Ik mail je door Yvonne Kroonenberg

Boekverslag Nederlands Ik mail je door Yvonne Kroonenberg Boekverslag Nederlands Ik mail je door Yvonne Kroonenberg Boekverslag door een scholier 1665 woorden 24 april 2006 6,4 82 keer beoordeeld Auteur Genre Yvonne Kroonenberg Jeugdboek Eerste uitgave 2004 Vak

Nadere informatie

TERRACOTTALEGER HET. & De erfenis van de eeuwige Keizer van China EXPO > PEDAGOGISCH DOSSIER JAAR LUIK GUILLEMINS TGV STATION

TERRACOTTALEGER HET. & De erfenis van de eeuwige Keizer van China EXPO > PEDAGOGISCH DOSSIER JAAR LUIK GUILLEMINS TGV STATION HET TERRACOTTALEGER & De erfenis van de eeuwige Keizer van China EXPO 23.12.16 23.04.17 PEDAGOGISCH DOSSIER 11-14 JAAR LUIK GUILLEMINS TGV STATION + 3 2 4 2 2 4 WWW. T E R R A C O T 4 9 3 8 TA - L I E

Nadere informatie

Tijd van monniken en ridders (500 100 n. Chr.) 3.3 Christendom in Europa. De verspreiding van het christendom in geheel Europa.

Tijd van monniken en ridders (500 100 n. Chr.) 3.3 Christendom in Europa. De verspreiding van het christendom in geheel Europa. 391 n Chr Onder keizer Theodosius wordt het christendom de staatsgodsdienst in Romeinse Rijk 496 n Chr De Frankische koning Clovis en vele andere Franken bekeren zich tot het christendom Wat waren de belangrijkste

Nadere informatie

lesmateriaal Taalkrant

lesmateriaal Taalkrant lesmateriaal Taalkrant Toelichting Navolgend vindt u een plan van aanpak en 12 werkbladen voor het maken van de Taalkrant in de klas, behorende bij het project Taalplezier van Stichting Wereldleren. De

Nadere informatie

Descartes schreef dat er geen ander land was "où l'on puisse jouir d'une liberté si entière" (waar men een zo volledige vrijheid kan genieten)

Descartes schreef dat er geen ander land was où l'on puisse jouir d'une liberté si entière (waar men een zo volledige vrijheid kan genieten) Verslag 25 mei 2018, Salon der Verdieping: Spinoza s politieke filosofie De bespreking van de politieke filosofie doe ik aan de hand van zijn belangrijkste politieke werk, te weten het Theologisch-politiek

Nadere informatie

Christa Mesnaric. Aristoteles. voor. managers

Christa Mesnaric. Aristoteles. voor. managers Christa Mesnaric Aristoteles voor managers BBNC uitgevers Rotterdam, 2011 Inhoud Aristoteles een managementgoeroe in de 21 ste eeuw 9 Wie was Aristoteles? Een beknopte biografie 15 Succesformules in het

Nadere informatie

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, lieve mensen,

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, lieve mensen, Gemeente van onze Heer Jezus Christus, lieve mensen, Afgelopen maandag hebben we met de deelnemers van de kring Eigentijds Bijbellezen Paasverhalen gelezen. Vier verhalen van de opstanding, verteld door

Nadere informatie

Thema : Die op een mens gelijkt Bijbellezingen: Profeet Daniël, 7, 13 14; Johannes, 18,33b-37

Thema : Die op een mens gelijkt Bijbellezingen: Profeet Daniël, 7, 13 14; Johannes, 18,33b-37 Overweging door Pastor John Rademakers Feest van " Christus Koning" 25 november Bennekom 2018 Thema : Die op een mens gelijkt Bijbellezingen: Profeet Daniël, 7, 13 14; Johannes, 18,33b-37 Overweging :

Nadere informatie

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, lieve mensen,

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, lieve mensen, Gemeente van onze Heer Jezus Christus, lieve mensen, Het is een overbekend verhaal, dat verhaal over de 3 wijzen uit het oosten. Een verhaal dat tot de verbeelding spreekt: drie wijzen, magiërs of koningen:

Nadere informatie

Examenprogramma Klassieke Talen vwo

Examenprogramma Klassieke Talen vwo Examenprogramma Klassieke Talen vwo Ingangsdatum: augustus 2014 Eerste examenjaar: 2017 Griekse taal en cultuur (GTC) vwo Latijnse taal en cultuur (LTC) vwo Griekse taal en cultuur (GTC) Het eindexamen

Nadere informatie

Vrijheid van de een is voorwaarde voor die van de ander

Vrijheid van de een is voorwaarde voor die van de ander Vrijheid van de een is voorwaarde voor die van de ander Amsterdam, juni 2017 Beste Axel Honneth, Iedere keer als ik in Duitsland ben zoek ik een Duits boek op. Ik ben opgegroeid met de Duitse cultuur en

Nadere informatie

SNORRI STURLUSON. Edda. vertaald uit het oudijslands ingeleid en toegelicht door MARCEL OTTEN. athenaeum polak & van gennep amsterdam 2011

SNORRI STURLUSON. Edda. vertaald uit het oudijslands ingeleid en toegelicht door MARCEL OTTEN. athenaeum polak & van gennep amsterdam 2011 Edda SNORRI STURLUSON Edda vertaald uit het oudijslands ingeleid en toegelicht door MARCEL OTTEN A athenaeum polak & van gennep amsterdam 2011 Deze uitgave is mede mogelijk gemaakt door een subsidie van

Nadere informatie

Preek De vrouw die Jezus beslissing veranderde. Lieve gemeente,

Preek De vrouw die Jezus beslissing veranderde. Lieve gemeente, Lieve gemeente, We zien het niet vaak in de Bijbel, maar in het verhaal dat we vandaag gelezen hebben is Jezus toch ronduit bot te noemen en buitengewoon onvriendelijk op het onbeschofte af, tegen een

Nadere informatie

Bloei van de Republiek hv123. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie.

Bloei van de Republiek hv123. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie. Auteur VO-content Laatst gewijzigd 15 December 2016 Licentie CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie Webadres http://maken.wikiwijs.nl/61308 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs Maken

Nadere informatie

De Onderwijsraad heeft in deze zes kerndoelen geformuleerd waar het primair onderwijs aan moet voldoen inzake Actief Burgerschap:

De Onderwijsraad heeft in deze zes kerndoelen geformuleerd waar het primair onderwijs aan moet voldoen inzake Actief Burgerschap: Actief Burgerschap Inhoudsopgave 1. Inleiding 3 2. Actief Burgerschap: een nadere kennismaking 3 3. Actief Burgerschap: een doel en een middel 4 4. Actief Burgerschap: Hoe leren we dit aan? 5 5. Actief

Nadere informatie

Identiteitsdocument Met de Bijbel op weg de wereld in

Identiteitsdocument Met de Bijbel op weg de wereld in Identiteitsdocument Met de Bijbel op weg de wereld in 1. We willen gereformeerd zijn 2. We geloven in genade 3. We zijn samen op reis Gereformeerd onderwijs voor christenen Met de Bijbel op weg de wereld

Nadere informatie

Verspreiding christendom vmbo12

Verspreiding christendom vmbo12 banner Auteur Laatst gewijzigd Licentie Webadres VO-content 19 juni 2017 CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie https://maken.wikiwijs.nl/62161 Dit lesmateriaal is gemaakt met Wikiwijs van

Nadere informatie