Bijlage III Het risico op financiële armoede
|
|
|
- Lien van der Laan
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Bijlage III Het risico op financiële armoede Zoals aangegeven in hoofdstuk 1 is armoede een veelzijdig begrip. Armoede heeft behalve met inkomen te maken met maatschappelijke participatie, onderwijs, gezondheid, zelfredzaamheid, wonen en leefomgeving. Hier beperken we ons echter tot het financiële aspect van het armoederisico. I Omvang en samenstelling van de huishoudens met een inkomen Nederland kent een volledig dekkend systeem van sociale verzekeringen dat burgers een inkomen garandeert. Dit inkomen bestaat uit een basisbedrag, aangevuld met uitkeringen in verband met kinderen en wonen evenals gemeentelijke inkomensondersteuning. Dit laatste biedt maatwerk in individuele gevallen. Het aangewezen zijn op een inkomen staat niet gelijk aan financiële armoede. Uit onderzoek blijkt dat de meeste mensen met een inkomen geen moeilijkheden hebben met rondkomen. In de periode is hier een forse verbetering zichtbaar. In 1995 gaf 37% van de huishoudens met een inkomen aan moeilijk rond te kunnen komen. In 2000 is dit gedaald tot 23%. Naarmate mensen langer moeten rondkomen van een inkomen, geeft dit meer problemen en neemt het risico van sociale uitsluiting toe. Langdurig aangewezen zijn op een inkomen geeft daarmee een beter beeld van de omvang en samenstelling van de meest kwetsbare groep. Onder langdurig wordt verstaan een periode van 4 jaar of meer. Tabel 1 Ontwikkeling aandeel huishoudens met een inkomen rond het Totaal Langdurig Tot 101% Tot 105% Tot 110% Tot 101% Tot 105% Tot 110% Van alle huishoudens in Nederland is 7.7% gedurende een heel jaar aangewezen op een inkomen tot 101% van het. Deze groep wordt hier verder aangeduid als de huishoudens die moeten rondkomen van een inkomen. 2.5% moet langdurig rondkomen van dit inkomen. Tussen 1995 en 2000 is het aandeel minima met ruim 9% gedaald (van 8.5 tot 7.7%). Het aandeel huishoudens dat langdurig is aangewezen op een inkomen is met ruim 14% gedaald (van 2.9 naar 2.5%). Ook wanneer we kijken naar de huishoudens met een inkomen vlak boven het zien we overal een daling. Over de periode na 2000 zijn nog geen gegevens beschikbaar. De verslechtering van de economische situatie leidt vanaf 2002 tot een toename van de werkloosheid. Dit werkt met enige vertraging door in een toename van het aantal huishoudens dat is aangewezen op een bijstandsuitkering. Dit aantal neemt naar verwachting in 2003 en 2004 toe. Dit zou er toe kunnen leiden dat ook het aantal minima gaat stijgen. Aangezien het in tabel 1 echter gaat om huishoudens die een jaar lang zijn aangewezen op het inkomen zorgt een toename van het aantal bijstandsgerechtigden niet onmiddellijk voor een toename van het aantal i
2 minima. Veel is ook afhankelijk van de vraag wanneer de situatie op de arbeidsmarkt weer verbetert. In het vervolg van deze bijlage beperken we de beschrijving tot de positie van de huishoudens die zijn aangewezen op een inkomen tot 101% van het inkomen. In het vorige NAP werden gegevens over de groep tot 105% van het sociaal gepresenteerd. Door verbeteringen in de waarneming is het inmiddels mogelijk om de minima nauwkeuriger af te bakenen. Tussen het inkomen en 105% bevinden zich veel ouderen met een klein aanvullend pensioen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijft vooralsnog gebruik maken van 105% als grenswaarde voor de beleidsmatige inkomensgrens. Inkomensbronnen Van de huishoudens met een inkomen heeft tweederde een uitkering. Het resterende deel wordt gevormd door zelfstandigen en werknemers. Het aandeel uitkeringsgerechtigden onder de 65 jaar is, mede als gevolg van de gunstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt, substantieel afgenomen. Tabel 2 Samenstelling huishoudens met (langdurig) inkomen tot 101% Totaal Langdurig % Zelfstandig Werknemer Uitkering Uitkering Totaal Het aandeel zelfstandigen onder de minima stijgt, evenals het aandeel werknemers. Het gaat bij de werknemers niet om uitkeringsgerechtigden die een baan hebben gevonden en nog steeds aangewezen zijn op een inkomen. In Nederland is het loon in een voltijdbaan altijd hoger dan het sociaal. Het betreft hier voor een groot deel alleenstaanden die in het voorafgaande jaar geen inkomen hadden. Het grootste deel van deze groep heeft het volgende jaar een hoger inkomen. Langdurige minima zijn voor meer dan 90% aangewezen op een uitkering. Er zijn weinig zelfstandigen en nog minder werknemers langdurig aangewezen op een inkomen. Huishoudtype, kinderen en geslacht Van alle huishoudens met een inkomen is driekwart alleenstaand of eenoudergezin. Het aandeel alleenstaande mannen beneden de 65 jaar is bijna gelijk aan het aandeel vrouwen beneden de 65. Omdat de eenoudergezinnen ook voornamelijk vrouwen zijn, zijn de vrouwen toch oververtegenwoordigd onder de minima beneden de 65 jaar. Ook onder de 65 plussers zijn de alleenstaande vrouwen oververtegenwoordigd. Onder de langdurige minima vormen de alleenstaande vrouwen boven de 65 jaar de grootste groep. Het aandeel eenoudergezinnen dat (langdurig) is aangewezen op een inkomen neemt tussen 1995 en 2000 af. ii
3 Tabel 3 Samenstelling huishoudens met (langdurig) inkomen tot 101% Totaal Langdurig Beneden 65 jaar % Alleenstaande man Alleenstaande vrouw Eenoudergezin 1) Paren met kind Paren zonder kind jaar en ouder Alleenstaande man Alleenstaande vrouw Paar Overig Totaal Eenoudergezinnen met een inkomen hebben hoofdzakelijk een vrouwelijk gezinshoofd. Ter indicatie hiervan kan vermeld worden dat in 2000 van alle eenoudergezin met een bijstandsuitkering 97 procent een vrouwelijk gezinshoofd hadden. Bron: SZW. II Het risico om (langdurig) aangewezen te zijn op een inkomen Wanneer we voor verschillende groepen de aantallen huishoudens met een inkomen relateren aan de omvang van de betreffende groep krijgen we een beeld van de kans dat iemand in de groep (langdurig) een inkomen heeft. Op deze manier kunnen de risicogroepen in beeld worden gebracht. Inkomensbronnen Van de uitkeringsgerechtigden beneden de 65 jaar heeft ongeveer een kwart een inkomen. 9% is langdurig aangewezen op een inkomen. Het aandeel uitkeringsgerechtigden met een inkomen is gedaald. Dit hangt samen met de verbeterde arbeidsmarktsituatie. Naarmate de werkloosheidsperiode langer duurt, daalt de uitkering uiteindelijk tot het niveau. Het deel van de 65 plussers dat is aangewezen op een inkomen neemt geleidelijk af. Als gevolg van het volwassen worden van de pensioenfondsen wordt er steeds meer en steeds vaker aanvullend pensioen opgebouwd. Hierdoor stijgt de omvang van het aanvullend pensioen. Het aandeel huishoudens dat geen aanvullend pensioen heeft neemt af. Een groot deel van de huishoudens zonder aanvullend pensioen heeft bovendien inkomen uit eigen vermogen. Onder de zelfstandigen en werknemers is het risico om aangewezen te zijn op een inkomen gestegen. Veel zelfstandigen hebben sterk wisselende inkomsten. De toename van het aantal zelfstandigen met een inkomen wordt deels veroorzaakt door de groeiende groep startende ondernemers. Daarnaast zorgt het afbouwen van de Europese landbouwsubsidies en een grotere concurrentie er de laatste jaren voor dat het inkomen in de agrarische sector achter blijft. iii
4 Tabel 4 Aandeel huishouden met (langdurig) inkomen tot 101% Totaal Langdurig % Zelfstandig Werknemer Uitkering Uitkering Het aandeel huishoudens met een langdurig inkomen is het grootst onder de uitkeringsgerechtigden beneden de 65 jaar. In 2000 was 8.6% van deze groep langdurig aangewezen op een inkomen. Huishoudtype Eenoudergezinnen hebben de grootste kans op een inkomen. Van alle eenoudergezinnen heeft in % een inkomen. 14% heeft langdurig een inkomen. Het aandeel eenoudergezinnen met een (langdurig) inkomen is tot 2000 geleidelijk afgenomen. In 2000 is nog 31% van de eenoudergezinnen aangewezen op een inkomen waarvan 8% langdurig. Hierbij speelt ondermeer een rol dat het aantal tweeverdieners fors toeneemt en daarmee ook het aantal vrouwen dat een eigen inkomen verwerft. Wanneer in zo'n situatie een samenlevingsverband uiteen valt zullen beide partners vaker in staat zijn in het eigen onderhoud te voorzien en vaker een boven minimaal inkomen hebben. Hoewel werkende eenoudergezinnen minder vaak zijn aangewezen op een inkomen zijn zij nog wel oververtegenwoordigd onder de laagste inkomensgroepen. Tabel 5 Aandeel huishoudens met (langdurig) inkomen tot 101% Totaal Langdurig Beneden 65 jaar % Alleenstaande man Alleenstaande vrouw Eenoudergezin Paren met kind Paren zonder kind jaar en ouder Alleenstaande man Alleenstaande vrouw Paar Het armoederisico onder de alleenstaanden is veel hoger dan onder de samenwonenden. Dit komt voor een deel doordat er bij de alleenstaanden per definitie geen partner is met een inkomen welke er voor kan zorgen dat het huishoudensinkomen boven het blijft. Alleenstaanden hebben daardoor een grotere kans op een uitkering. Onder de alleenstaanden beneden de 65 jaar is het armoederisico afgenomen. Dit geldt zowel voor mannen als vrouwen. Mannen, vrouwen, kinderen iv
5 Wanneer we niet, zoals tot nu toe, het aantal huishoudens tellen maar het aantal personen in die huishoudens, blijkt welk deel van de bevolking aangewezen is op een huishoudensinkomen. In totaal leeft in % van de bevolking in een huishouden met een inkomen. 1.7% moet hier langdurig van rondkomen. Het armoederisico onder kinderen tot 18 jaar ligt 1.6%-punt boven dit gemiddelde maar neemt tussen 1995 en 2000 wel flink af. Dit hangt samen met de afname van het aandeel eenoudergezinnen dat is aangewezen op een inkomen. Van de bevolking boven de 18 jaar is in 2000 de kans voor vrouwen om een inkomen te hebben 2 % punten hoger dan voor mannen (6.8 versus 4.8%). Dit verschil is tussen 1995 en 2000 kleiner geworden. Onder de bevolking die langdurig is aangewezen op een inkomen blijft het verschil tussen mannen en vrouwen gelijk (1.1 versus 2.2%). Tabel 6 Aandeel personen in huishoudens met (langdurig) inkomen tot 101% Totaal Langdurig % Kinderen < 18 jr Mannen Vrouwen Totaal Allochtonen In 2000 waren er ruim 1 miljoen allochtone huishoudens. Daarvan was 0.4 miljoen afkomstig uit niet-westerse landen. Het aandeel huishoudens met een inkomen tot 105% van het is onder de niet-westerse allochtonen drie maal hoger dan onder de autochtonen. Tabel 7 Aandeel huishoudens met inkomen tot 105% 2000 Autochtoon 7.7 Allochtoon Westers 10.7 Niet westers 23.4 Bron: RIO Van het totale aantal huishoudens met een inkomen is ongeveer 30% allochtoon. Over de ontwikkeling van het aantal allochtonen met een inkomen zijn geen gegevens beschikbaar. Wel is bekend dat tussen 1998 en 2000 het aandeel niet-westerse allochtonen met een laag inkomen met 6%-punten gedaald. Het aandeel autochtonen met een laag inkomen is in die periode met 1%-punt gedaald. Allochtonen hebben dus geprofiteerd van de gunstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. III Ontwikkeling koopkracht inkomen Het aantal huishoudens dat is aangewezen op een inkomen wordt nauwelijks beïnvloed door veranderingen in de hoogte van dit inkomen. De aanpassing van de hoogte van het inkomen betekent dat alle minima een hoger inkomen krijgen. Tegelijkertijd wordt de definitie van het inkomen naar boven bijgesteld. Het aantal huishoudens met een inkomen blijft daardoor ongeveer gelijk; alleen het inkomen van deze huishoudens stijgt. Omdat het inkomen van de huishoudens met een inkomen vlak v
6 boven het in het algemeen evenveel of meer stijgt, komen er door de stijging van het inkomen geen groepen met een inkomen vlak boven het op het terecht. De ontwikkeling van het aantal (langdurige) minima geeft daarom een goed beeld van de veranderingen in het volume. Financiële armoede heeft zowel een hoeveelheidaspect als een prijs aspect. Het risico op financiële armoede daalt wanneer minder huishoudens aangewezen raken op het inkomen maar daalt ook wanneer het inkomen stijgt. Als indicator voor de inkomensontwikkeling wordt hier gebruikt de ontwikkeling van het reële inkomen van huishoudens met een inkomen (de koopkrachtmutatie). Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen het generieke, het specifieke als het gemeentelijke beleid. Het generieke beleid betreft de hoogte van de lonen en uitkeringen en belasting- en premietarieven. Het specifieke beleid betreft de regelingen ter dekking van specifieke uitgaven voor kinderen en woonlasten. De derde peiler, het gemeentelijke beleid, biedt maatwerk bij kosten waar de andere regelingen niet in voorzien. Als gevolg hiervan is de spreiding in het gebruik van gemeentelijke regelingen groot. In de tabel is de reële ontwikkeling van het gemiddeld ontvangen bedrag aan gemeentelijk beleid opgenomen. In hoofdstuk 1 is de ontwikkeling van de generieke koopkrachtontwikkeling weergegeven tot Omdat de gegevens over de gemeentelijke regelingen slechts beschikbaar zijn tot 2000 wordt in tabel 8 alleen de ontwikkeling tussen 1995 en 2000 geschetst. Tabel 8 Ontwikkeling reële inkomen huishoudens met een inkomen Uitkering 65- Generiek Specifiek Gemeentelijk Uitkering 65+ Generiek Specifiek Gemeentelijk Modaal loon generiek Bron: SZW Als gevolg van generieke maatregelen is het inkomen van uitkeringsgerechtigden boven de 65 jaar meer gestegen dan van uitkeringsgerechtigden beneden de 65 jaar. Over het algemeen hebben 65 plussers weinig perspectief meer op inkomensverbetering. Een laag inkomen betekent voor deze groep dan ook veelal een langdurig laag inkomen. De extra generieke inkomensondersteuning vanuit de overheid heeft hierin verbetering aangebracht. De uitkeringsgerechtigden beneden de 65 hebben daarnaast iets meer geprofiteerd van de specifieke inkomensmaatregelen en gemeentelijke inkomensondersteuning. Geconcludeerd kan worden dat de kleiner wordende groep minima er reëel in inkomen op vooruit is gegaan. Het risico op financiële armoede is dus langs twee kanten afgenomen. Dit kan zichtbaar worden gemaakt door de ontwikkeling van de koopkracht en de ontwikkeling van het aandeel huishoudens met een inkomen samen te voegen tot één indicator. Volgens de resulterende index halveert het armoederisico wanneer het aantal huishoudens met een inkomen halveert of wanneer de koopkracht van het inkomen vi
7 verdubbelt. Ter illustratie is dit in tabel 9 weergegeven voor de uitkeringgerechtigden beneden de 65 jaar met een inkomen. Tabel 9 Ontwikkeling financiële armoederisico (excl. gemeentelijk beleid), uitkeringsgerechtigden beneden de 65 jaar Aandeel huishoudens (1) Koopkracht (2) Financiële armoede risico (1/2) Bron: SZW IV Huishoudens met een inkomen en de EU indicator risk on poverty Tot nu toe is een beeld geschetst van de ontwikkeling van de Nederlandse indicatoren voor het risico op financiële armoede, te weten het aantal huishoudens dat (langdurig) is aangewezen op het nationale inkomen en de ontwikkeling van de hoogte van dat inkomen. Deze indicatoren sluiten het meest aan bij het nationale beleid rond het inkomen. In EU verband zijn voor het vergelijken van de prestaties van de verschillende landen andere indicatoren ontwikkeld. De indicator voor het risico op financiële armoede gaat uit van het aantal personen dat moet rondkomen van een (gestandaardiseerd) huishoudensinkomen dat beneden 40, 50, 60 of 70% van de mediaan ligt. Dit is een relatieve norm omdat de grens wordt gerelateerd aan het mediane inkomen in ieder land. De keuze voor een specifieke grens is betrekkelijk willekeurig. Het percentage van de bevolking dat in Nederland is aangewezen op een inkomen blijkt tussen de norm van 50 en 60% van de mediaan te liggen 1. Tabel 10 Aandeel personen beneden inkomensgrens, 2000 Aandeel Minimum inkomen (tot %) Tot 40% mediaan 2.3 Tot 50% mediaan 4.7 Tot 60% mediaan 9.7 Tot 70% mediaan 18.7 De grens van 60% van het mediane inkomen wordt het meest gebruikt om het risico op armoede af te bakenen. Het verschil tussen deze indicator en het Nederlandse inkomen kan verklaard worden door de volgende factoren: o Het toetsinkomen van 60% van de mediaan ligt boven het inkomen. o Gezien de bijzondere positie van studenten en onvolkomenheden in de meting van hun inkomen worden studenten in Nederland niet aangemerkt als huishoudens met een inkomen. Ze worden wel meegenomen in de EU definitie. o Gezinnen met kinderen en een inkomen vlak boven het worden niet tot de minima gerekend. In de EU definitie wordt uitgegaan van het zgn. gestandaardiseerde 1 De hier gepresenteerde gegevens zijn gebaseerd op administratieve bronnen. In de EU wordt gebruik gemaakt van enquêtegegevens (het European Commonity Household Panel (ECHP)). De gehanteerde definities komen overeen met die van de EU. Een uitzondering is dat er rekening is gehouden met de economische huurwaarde van de eigen woning en de hypotheekrente. Over het algemeen is voor 1999 het beeld van de onderkant van de inkomensverdeling voor Nederland iets gunstiger dan blijkt uit het ECHP. vii
8 inkomen. Gezinnen met kinderen moeten dan een hoger inkomen hebben om niet beneden de inkomensgrens te vallen. o Het inkomen is in Nederland afhankelijk van de woonlasten. Zo hebben minima, afhankelijk van de hoogte van de huur, recht op huursubsidie. Daarmee blijven ze echter nog steeds aangewezen op een inkomen. In de EU definitie tellen alle inkomensbestanddelen (dus ook de huursubsidie) mee om te bepalen of iemand onder de grens valt. Een huishouden met huursubsidie valt dan eerder boven de grens dan een huishouden zonder huursubsidie. Bij het inkomen maakt dit geen verschil. De gevolgen van dit verschil in benadering zijn aanzienlijk. Meer dan de helft (53%) van de personen beneden de 60% mediaan norm worden in Nederland niet aangemerkt als personen die moeten rondkomen van een inkomen. Anderzijds geldt dat van de Nederlandse minima ruim een kwart (27%) niet onder de relatieve armoedegrens valt. Dit heeft gevolgen voor de samenstelling van de populatie. Onder relatieve armoedegrens vallen naar verhouding meer werkenden, meer jongeren (studenten) en meer gezinnen met kinderen dan onder het Nederlandse inkomen. Het aandeel personen in huishoudens met een inkomen is tussen 1995 en 2000 gedaald. Het aandeel personen beneden de 60% mediaan geeft echter geen duidelijke trend te zien (tabel 11). Tabel 11 Ontwikkeling aandeel personen 16+ met een Inkomen (tot 101%) en een inkomen beneden 60% van de mediaan. Minimum inkomen 60% mediaan (tot 101%) Totaal Langdurig Totaal Langdurig1) , , , ,7 1, ,1 1, ,0 1,5 1) Inkomen beneden 60% mediaan in het lopende jaar en in minimaal 2 van de 3 voorafgaande jaren. Het aantal huishoudens dat is aangewezen op het inkomen daalt door de afname van het aantal uitkeringsgerechtigden. Onder de 60% mediaan grens wordt de afname van het aantal uitkeringsgerechtigden gecompenseerd door een toename van het aantal werkenden. Per saldo blijft het aandeel personen beneden 60% van de mediaan vrij stabiel. De oorzaak van het verschil in ontwikkeling ligt in de relatief sterke stijging van de 60% mediaangrens. Het gevolg is dat een koopkrachtverbetering voor de laagste inkomens niet noodzakelijk leidt tot een afname van de financiële armoede. Dit is pas het geval wanneer de koopkracht van deze groep méér stijgt dan die van het mediane huishouden. Dit is over het algemeen een werknemer. De vraag is echter of de huishoudens die moeten rondkomen van een laag inkomen niet iedere koopkrachtverbetering als vooruitgang zien. Dus los van de vraag of dat nu meer of minder is dan de vooruitgang van anderen. Op korte termijn zal dit zeker het geval zijn. Pas wanneer de laagste inkomens structureel zouden achterblijven dreigt uitsluiting (relatieve armoede). Dat geldt vooral in de situatie waarin de afstand tussen het inkomen en de mediaan groot is. Wanneer echter, zoals in Nederland, deze afstand viii
9 niet zo groot is dreigt eerder de situatie dat arbeid niet voldoende financieel aantrekkelijk is (de armoedeval). In een dergelijk situatie kan een relatieve vooruitgang juist onwenselijk zijn omdat het de armoedeval vergroot en daarmee ook de kans op uitsluiting. Een alternatieve benadering is het eenmalig vaststellen van het toetsinkomen van 60% van de mediaan, en dit toetsinkomen vervolgens jaarlijks aanpassen met de inflatie. Vervolgens wordt jaarlijks berekend hoeveel personen een inkomen hebben beneden de grens. Tabel 12 Ontwikkeling aandeel personen 16+ met een inkomen beneden 60% van de mediaan. 60% mediaan 60% mediaan niveau 1995 Totaal Langdurig Totaal Langdurig 1) ,6. 7, ,1. 7, ,0. 6, ,7 1,7 6,2 2, ,1 1,7 5,9 2, ,0 1,5 5,3 1,7 1) Inkomen beneden 60% mediaan in het lopende jaar en in minimaal 2 van de 3 voorafgaande jaren. Bij deze benadering levert een reële inkomensverbetering voor de laagste inkomens altijd een afname van het armoederisico op. Het verkleinen van de armoedeval zorgt dan niet voor een vergroting van het financiële armoederisico. Volgens deze benadering neemt het aandeel personen beneden 60% van de mediaan in de periode in Nederland met 30% af (van 7.6% tot 5.3%). Dit sluit aan bij de afname van het aantal huishoudens dat is aangewezen op een inkomen en de stijgende koopkracht van deze groep. ix
Afhankelijk van een uitkering in Nederland
Afhankelijk van een uitkering in Nederland Harry Bierings en Wim Bos In waren 1,6 miljoen huishoudens voor hun inkomen afhankelijk van een uitkering. Dit is ruim een vijfde van alle huishoudens in Nederland.
Informatie 10 januari 2015
Informatie 10 januari 2015 ARMOEDE: FEITEN EN CIJFERS ARMOEDE WERELDWIJD Wereldwijd leven ongeveer 1,2 miljard mensen in absolute armoede leven: zij beschikken niet over basisbehoeften zoals schoon drinkwater,
Kerncijfers armoede in Amsterdam
- Fact sheet juli 218 18 van de Amsterdamse huishoudens behoorde in 216 tot de minima: zij hebben een huishoudinkomen tot 12 van het wettelijk sociaal minimum (WSM) en hebben weinig vermogen. In deze 71.386
afdeling Beleidsonderzoek en Geo Informatie inkomen
101 inkomen 9 102 Inkomen 1) Inkomens van huishoudens Huishoudens in Hengelo hadden in 2007 een gemiddeld besteedbaar inkomen van 30.700 per jaar. Het gemiddeld besteedbaar inkomen van huishoudens in Hengelo
Dordrecht in de Atlas 2013
in de Atlas Een aantrekkelijke stad om in te wonen, maar sociaaleconomisch kwetsbaar Inhoud:. Conclusies. Positie van. Bevolking. Wonen. De Atlas voor gemeenten wordt jaarlijks gepubliceerd. In mei is
Informatie 17 december 2015
Informatie 17 december 2015 ARMOEDE: FEITEN EN CIJFERS Ondanks het aflopen van de economische recessie, is de armoede in Nederland het afgelopen jaar verder gestegen. Vooral het aantal huishoudens dat
Steeds meer vijftigers financieel kwetsbaar
Maart 215 stijgt naar 91 punten Steeds meer vijftigers financieel kwetsbaar De is in het eerste kwartaal van 215 gestegen van 88 naar 91 punten. Veel huishoudens kijken positiever vooruit en verwachten
Niet-westerse allochtonen behoren minder vaak tot de werkzame beroepsbevolking 1) Arbeidsdeelname niet-westerse allochtonen gedaald
7. Vaker werkloos In is de arbeidsdeelname van niet-westerse allochtonen gedaald. De arbeidsdeelname onder rs is relatief hoog, zes van de tien hebben een baan. Daarentegen werkten in slechts vier van
CBS: Meer werkende vrouwen op de arbeidsmarkt
CBS: Meer werkende vrouwen op de arbeidsmarkt Tussen maart en mei is het aantal mensen met een baan met gemiddeld 6 duizend per maand gestegen. De stijging is volledig aan vrouwen toe te schrijven. Het
OP DIT ARTIKEL RUST EEN EMBARGO TOT DINSDAG 6 JUNI OM 2:00 UUR
OP DIT ARTIKEL RUST EEN EMBARGO TOT DINSDAG 6 JUNI OM 2:00 UUR Financiën van werkende twintigers en dertigers Harry Bierings, Jasper Menger en Kai Gidding De meeste twintigers staan voor het eerst financieel
10. Veel ouderen in de bijstand
10. Veel ouderen in de bijstand Niet-westerse allochtonen ontvangen 2,5 keer zo vaak een uitkering als autochtonen. Ze hebben het vaakst een bijstandsuitkering. Verder was eind 2002 bijna de helft van
Oudere minima in Amsterdam en het gebruik van de AIO
Oudere minima in Amsterdam en het gebruik van de AIO In opdracht van: DWI Projectnummer: 13010 Anne Huizer Laure Michon Clemens Wenneker Jeroen Slot Bezoekadres: Oudezijds Voorburgwal 300 Telefoon 020
7. Effect crisis op de woningmarkt- dynamiek. Auteur Remco Kaashoek
7. Effect crisis op de woningmarkt- dynamiek Auteur Remco Kaashoek De dynamiek op de koopwoningmarkt is tussen 2007 en 2011 afgenomen, terwijl die op de markt voor huurwoningen licht is gestegen. Het aantal
PERSBERICHT. Armoedesignalement 2014: Armoede in 2013 toegenomen, maar piek lijkt bereikt. Den Haag, 18 december 2014
Inlichtingen bij PERSBERICHT Dr. J.C. Vrooman c. [email protected] T 070 3407846 Dr. P.H. van Mulligen [email protected] T 070 3374444 Armoedesignalement 2014: Armoede in 2013 toegenomen, maar piek lijkt
Minimuminkomens in Leiden
September 2013 ugu Minimuminkomens in Leiden Samenvatting De armoede in Leiden is na 2009, net als in heel Nederland, toegenomen. Dat blijkt uit cijfers uit het regionaal inkomensonderzoek van het Centraal
Langdurige werkloosheid in Nederland
Langdurige werkloosheid in Nederland Robert de Vries In 25 waren er 483 duizend werklozen. Hiervan waren er 23 duizend 42 procent langdurig werkloos. Langdurige werkloosheid komt vooral voor bij ouderen.
Inkomenstatistiek Westfriesland
Inkomenstatistiek Westfriesland Colofon Uitgave I&O Research BV Van Dedemstraat 6c 1624 NN Hoorn tel. (0229) 282555 Rapportnummer 2013-1941 Datum Juni 2013 Opdrachtgever De zeven Westfriese gemeenten 1.
Inkomens in Helmond RIO 2013
FACT sheet Inkomens in Helmond RIO 2013 Informatie van Onderzoek en Statistiek Jaarlijks levert het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) cijfermatige informatie over de inkomens van en huishoudens
Inkomenstatistiek Westfriesland
Inkomenstatistiek Westfriesland Colofon Uitgave I&O Research BV Van Dedemstraat 6c 1624 NN Hoorn tel. (0229) 282555 Rapportnummer 2012-1881 Datum Juli 2012 Opdrachtgever De zeven Westfriese gemeenten 1.
Trendrapportage Inkomen en risico op armoede
Trendrapportage Inkomen en risico op armoede Arnhem heeft relatief veel huishoudens met laag inkomen en weinig met een hoog inkomen Arnhem heeft relatief veel huishoudens met een laag inkomen en weinig
Armoedemonitor : Lage inkomens in Amsterdam
Armoedemonitor : Lage inkomens in Amsterdam Lage inkomens in Amsterdam In opdracht van: Gemeente Amsterdam, rve Participatie Projectnummer: Laure Michon Nienke Nottelman Clemens Wenneker Jeroen Slot Bezoekadres:
8. Werken en werkloos zijn
8. Werken en werkloos zijn In 22 is de arbeidsdeelname van allochtonen niet meer verder gestegen. Onder autochtonen is het aantal personen met werk nog wel licht toegenomen. De arbeidsdeelname onder Surinamers,
CBS: Koopkracht van werknemers in de zorg gestegen
Persbericht PB14 037 02 06 2014 16.00 uur CBS: Koopkracht van werknemers in de zorg gestegen Koopkracht van werknemers in gezondheids- en welzijnszorg steeg in 2008-2012 elk jaar Zelfstandigen en pensioenontvangers
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2014 2015 33 682 Evaluatie Wet uniformering loonbegrip Nr. 13 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede
BIJLAGE: LIJST VAN DE INDICATOREN VAN LAKEN
BIJLAGE BIJLAGE: LIJST VAN DE INDICATOREN VAN LAKEN Het Social Protection Commitee (SPC) heeft in het kader van zijn mandaat voor 2001 een verslag voorgesteld met een eerste reeks van tien primaire indicatoren
Gemiddelde looptijd werkloosheidsuitkeringen nog geen jaar
Gemiddelde looptijd werkloosheidsuitkeringen nog geen Ton Ferber In de jaren 1992 2001 was de gemiddelde looptijd van een WWuitkering elf maanden. Van de 4,3 miljoen beëindigde uitkeringen was de gemiddelde
Participatiewet. Figuur 2: Personen met bijstandsuitkering: verdeling naar leeftijd januari 2015 december % 80% 49% 54% 60% 40% 42% 37% 20%
Participatiewet Sinds 1 januari 215 is de Participatiewet van kracht. Deze wet vervangt de Wet werk en bijstand (Wwb), de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) en een groot deel van de Wet werk en arbeidsondersteuning
De inkomensverdeling van ouderen internationaal vergeleken
Bron: K. Caminada & K. Goudswaard (2017), De inkomensverdeling van ouderen internationaal vergeleken, Geron Tijdschrift over ouder worden & maatschappij jaargang 19, nummer 3: 10-13. De inkomensverdeling
Wat is armoede? Er zijn veel verschillende theorieën en definities over wat armoede is. Deze definities zijn te verdelen in categorieën.
Wat is armoede? Er zijn veel verschillende theorieën en definities over wat armoede is. Deze definities zijn te verdelen in categorieën. Absolute en relatieve definities Bij de absolute definities wordt
Uitstroom van ouderen uit de werkzame beroepsbevolking
Uitstroom van ouderen uit de werkzame beroepsbevolking Clemens Siermann en Henk-Jan Dirven De uitstroom van 50-plussers uit de werkzame beroepsbevolking is de laatste jaren toegenomen. Een kwart van deze
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 32 729 Evaluatie Wet inkomensvoorziening oudere werklozen Nr. 1 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter
solidariteit van jong met oud, of ook omgekeerd?
Bijdrage prof. dr. Kees Goudswaard / 49 Financiering van de AOW: solidariteit van jong met oud, of ook omgekeerd? Deze vraag staat centraal in de bij drage van bijzonder hoogleraar Sociale zekerheid prof.
Alleenstaande moeders op de arbeidsmarkt
s op de arbeidsmarkt Moniek Coumans De arbeidsdeelname van alleenstaande moeders is lager dan die van moeders met een partner. Dit verschil hangt voor een belangrijk deel samen met een oververtegenwoordiging
Inkomsten uit arbeid van vrouwen en hun partners
Inkomsten uit arbeid van vrouwen en hun s Karin Hagoort en Maaike Hersevoort In 24 verdienden samenwonende of gehuwde vrouwen van 25 tot 55 jaar ongeveer de helft van wat hun s verdienden. Naarmate het
Feitenkaart Inkomensgegevens Rotterdam en regio 2015
Feitenkaart Inkomensgegevens Rotterdam en regio 2015 Begin 2018 zijn inkomensgegevens over 2015 uit het Integraal Inkomens- en Vermogensonderzoek (het voormalige Regionaal Inkomens Onderzoek 2015) van
Inkomensstatistiek Westfriesland Augustus 2014
Inkomensstatistiek Augustus 2014 Colofon Uitgave I&O Research Van Dedemstraat 6c 1624 NN Hoorn Tel.nr. 0229-282555 Rapportnummer 2014-2041 Datum Augustus 2014 Opdrachtgever De Westfriese gemeenten Inleiding
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1a 2513 AA s-gravenhage
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1a 2513 AA s-gravenhage Postbus 90801 2509 LV Den Haag Anna van Hannoverstraat 4 Telefoon
ARMOEDE NIET IN BEELD Overzicht op basis van CBS-data
ARMOEDE NIET IN BEELD Overzicht op basis van CBS-data Armoede niet in beeld, overzicht op basis van CBS-data COLOFON Resultaten gebaseerd op eigen berekeningen gemeente Almere/ team Onderzoek & Statistiek
Pensioenaanspraken in beeld
Pensioenaanspraken in beeld Deel 1: aanspraken naar geslacht en burgerlijke staat Elisabeth Eenkhoorn, Annelie Hakkenes-Tuinman en Marije vandegrift bouwen minder pensioen op via een werkgever dan mannen.
Fact sheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2013
Fact sheet nummer 9 juli 2013 Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2013 Er zijn in Amsterdam bijna 135.000 jongeren in de leeftijd van 15 tot 27 jaar (januari 2013). Veel jongeren volgen een opleiding of
fluchskrift Vergrijzing in Fryslân neemt toe Aantal senioren sterk gestegen Aantal 65-plussers in Fryslân, /2012
Vergrijzing in Fryslân fluchskrift Vergrijzing in Fryslân neemt toe In Fryslân wonen op 1 januari 2011 647.282 inwoners. De Friese bevolking groeit nog jaarlijks. Sinds 2000 is het aantal inwoners toegenomen
Onderzoeksflits. Atlas voor gemeenten 2017 Thema geluk. De positie van Utrecht uitgelicht. IB Onderzoek, 18 mei Utrecht.
Onderzoeksflits Atlas voor gemeenten 2017 Thema geluk De positie van Utrecht uitgelicht IB Onderzoek, 18 mei 2017 Utrecht.nl/onderzoek Colofon uitgave Afdeling Onderzoek Gemeente Utrecht 030 286 1350 [email protected]
Doelgroepenanalyse Resto VanHarte Enschede
1 Doelgroepenanalyse Resto VanHarte Enschede Doelgroepen Iedereen is welkom bij Resto VanHarte. Mensen of groepen die sociaal geïsoleerd zijn of dreigen te raken krijgen onze speciale aandacht. Wij willen
Van eenverdiener naar tweeverdiener: de nieuwe norm?
Van verdiener naar tweeverdiener: de nieuwe norm? Lian Kösters en Linda Moonen Binnen de groep echtparen of samenwonenden tot 65 jaar is de laatste jaren met name het aantal tweeverdieners toegenomen.
CBS: Lichte toename werkenden, minder werklozen
CBS: Lichte toename werkenden, minder werklozen Het aantal mensen met werk is in de periode februari-april met gemiddeld 2 duizend per maand toegenomen. Vooral jongeren en 45-plussers gingen aan de slag.
De evolutie van de sociale situatie en de sociale bescherming in België Samenvatting en kernboodschappen
De evolutie van de sociale situatie en de sociale bescherming in België 2018 Samenvatting en kernboodschappen September 2018 ANNEX 6 : NEDERLANDSTALIGE SAMENVATTING EN KERNBOODSCHAPPEN VAN DE ANALYSE
Inkomen van AOW ers, 2000
Inkomen van AOW ers, 2000 Reinder Lok en Petra Ament Het aantal particuliere huishoudens met AOW ers nam in de jaren negentig met ruim 200 duizend toe tot 1,4 miljoen in 2000. Vrijwel alle huishoudens
Artikelen. De ongelijkheid van inkomens in Nederland. Marion van den Brakel-Hofmans. 2. Toename inkomensverschillen sinds 1977
De ongelijkheid van inkomens in Nederland Marion van den Brakel-Hofmans In 25 waren de inkomensverschillen onder de Nederlandse bevolking groter dan in 1977. Vooral in de tweede helft van de jaren tachtig
