Renteaftrekbeperking van overnameholdings
|
|
|
- Roel van de Veen
- 6 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Renteaftrekbeperking van overnameholdings Naam: Thomas Groot Studentnummer: Begeleider: De heer mr. S. Wolvers Masterscriptie Fiscale Economie Universiteit van Amsterdam Juli 2012
2 Inhoudsopgave 1. Inleiding blz Probleemstelling blz Historisch overzicht blz Richtige heffing blz Fraus Legis blz Artikel 15 lid 4 en 5 blz Artikel 15 ad Wet VPB 1969 (oud) blz De aftrek van derde rente blz De renteaftrekbeperkingstermijn blz De franchise blz De tegenbewijsregeling blz Wetsvoorstel van artikel 15ad Wet VPB 1969 blz De aftrek van derde rente blz De renteaftrekbeperkingstermijn blz De franchise blz De tegenbewijsregeling blz Definitieve artikel 15ad Wet VPB 1969 blz De aftrek van derde rente blz De renteaftrekbeperkingstermijn blz De franchise blz De tegenbewijsregeling blz Vergelijking criteria blz De aftrek van derde rente blz De Renteaftrekbeperkingstermijn blz De franchise blz De tegenbewijsregeling blz Conclusie blz Bibliografie blz. 26 Appendix A blz. 28 Appendix B blz. 29 Appendix C blz. 31 Appendix D blz. 32 2
3 1. Inleiding Op Prinsjesdag is het belastingplan 2012 gepresenteerd. Met dit plan probeert Staatssecretaris Weekers een eenvoudiger, solide en fraudebestendiger belastingstelsel te creëren 1. Het belastingstelsel moet weer geheel in het kader staan van het financieren van overheidsuitgaven. Dit betekent dat de nevendoelen opzij moeten worden gezet, waarbij fiscale voordelen, faciliteiten en vrijstellingen naar de achtergrond moeten worden gebracht. Daarnaast is de diversiteit van alle belastingen voor de Belastingdienst kostbaar. Het belastingstelsel moet begrijpelijker en eenvoudiger worden om de administratieve lasten te verminderen. Dit mag echter niet ten kosten gaan van de belastingcontrole. De aanpak van belastingontwijkers en ontduikers moet immers blijven en zelfs worden verbeterd. 2 Voor de Wet op de vennootschapsbelasting worden er twee nieuwe wetten ingevoerd. Het gaat ten eerste om een aftrekbeperking van overnameholdings en ten tweede om de objectvrijstelling voor winsten verkregen uit de vaste inrichting in het buitenland. Hiermee probeert de wetgever de onevenwichtigheden in de vennootschapsbelasting aan te pakken. 4 Daarnaast probeert de wetgever ook de belastinginkomsten te waarborgen, want beide regelingen voorkomen een uitstroom van winsten. Het wetsartikel van de overnameholdingproblematiek is echter niet geheel nieuw. De eerste regeling die er voor zorgde dat de rente die verband hield met een overname niet meer volledig aftrekbaar was, is in 1997 ingevoerd in het toen geldende artikel 15 lid 4 en 5. Daarna is artikel 15ad (oud) in de plaats van artikel 15 lid 4 en 5 gekomen. Dit artikel had ook tot doel om de overnamerente te beperken. Daarnaast heeft de wetgever verschillende wetsvoorstellen gedaan, waarbij hij de renteaftrek heeft proberen te beperken. De wetgever is dus niet onbekend met dit verschijnsel. In deze scriptie vergelijk ik de nieuwe 15ad regeling met de voorgaande wetsartikelen en wetsvoorstellen. Ik onderzoek of de huidige vorm van het wetsartikel wel de juiste vorm is, waarbij ik dit ga onderzoeken in het licht van doel en strekking van de wet. Dit wil ik doen aan de hand van een aantal criteria. Deze criteria zijn de aftrek van derde rente, de renteaftrekbeperkingstermijn, de franchise, en de tegenbewijsregeling. Mijn centrale vraag luidt derhalve: voldoet het huidige artikel 15ad Wet VPB 1969 beter aan zijn doel en strekking dan zijn voorgangers? 1 Kamerstukken ll 2011/2012, nr. 3, p. 1 (MvT) 2 Kamerstukken ll 2011/2012, nr. 3, p. 3 (MvT) 3 Hierna Wet VPB Kamerstukken ll 2011/2012, nr. 3, p. 15 (MvT) 3
4 In hoofdstuk 2 schets ik de renteproblematiek. Daarna zet ik in hoofdstuk 3 de geschiedenis van het renteaftrekprobleem uiteen. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 het oude artikel 15ad besproken. In hoofdstuk 5 wordt het voorgestelde wetsartikel behandeld. Daarna leg ik in hoofdstuk 6 het huidige wetsartikel uit. In hoofdstuk 7 zal ik een vergelijking maken met de genoemde criteria. Tenslotte zal ik eindigen met een conclusie die een antwoord geeft op mijn centrale vraag. 2. Probleemstelling Op 9 april 2008 laat de Staatssecretaris van Financiën in een brief weten onderzoek te doen naar de verdeling van de vennootschapsbelasting in Nederland. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de belastingdruk van ondernemingen die louter in Nederland zijn gevestigd en ondernemingen die ook internationaal opereren. 5 Het Centraal Plan Bureau voert het onderzoek uit en komt enige tijd later met de resultaten. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de effectieve belastingdruk op internationaal opererende ondernemingen gemiddeld lager is dan ondernemingen die alleen in Nederland zijn gevestigd. 6 De oorzaak die de staatssecretaris hier van geeft is dat internationaal opererende ondernemingen de mogelijkheid hebben om winsten te verdelen tussen verschillende landen. 7 Het schuiven van winsten is makkelijker bij eenvoudig verplaatsbare activa en passiva, zoals leningen, dan bij bedrijfsactiviteiten. Concerns worden hierbij geprikkeld om financieringsactiviteiten te verrichten vanuit laagbelaste landen. Rentebaten worden belast tegen een relatief laag belastingtarief, terwijl de rentelasten aftrekbaar zijn in Nederland tegen een normaal tarief. 8 Hieruit kan worden geconcludeerd dat internationaal gevestigde ondernemingen een voordeel hebben op nationale ondernemingen, wat mede wordt veroorzaakt door het schuiven van activa en het creëren van rentestromen. Er is al een aantal renteaftrekbeperkingen in de wet opgenomen, zoals in artikel 10a en artikel 10d Wet VPB Deze zijn echter niet voldoende om het nadelige effect van de aftrekbaarheid van rentelasten in Nederland te voorkomen. De Staatssecretaris van Financiën heeft daarop in het consultatiedocument 9 van 14 juni 2009 een aantal ideeën geopperd om de renteaftrek verder te beperken, waaronder de maatregel van het beperken van rente van een overnameholding 5 Kamerstukken ll 2007/2008, , nr. 3 p. 2 (MvT) 6 Kamerstukken ll 2008/2009, , nr. 5 p. 1 (brief van de Staatsecretaris) 7 Kamerstukken ll 2008/2009, , nr. 5 p. 2 (brief van de Staatsecretaris) 8 Kamerstukken ll 2008/2009, , nr. 5 p. 6 (brief van de Staatsecretaris) 9 Kamerstukken ll 2009/2010, nr. 6, p. 6 (brief Staatsecretaris met consultatiedocument) 4
5 en de aftrekbeperking van deelnemingsrente 10. Bij het opstellen van een dergelijke renteaftrekbeperking zit de Nederlandse overheid in een spagaat. Enerzijds voorkom je op deze manier dat de Nederlandse belastinggrondslag wordt uitgehold. Anderzijds maakt de maatregel Nederland als vestigingsplaats minder aantrekkelijk. Dit heeft weer gevolgen voor de werkgelegenheid en de innovatie. 11 Dit zal later nog uitgebreid worden besproken. Nederland heeft in het consultatiedocument de eerste vorm van een maatregel neergelegd waarbij rekening gehouden moet worden met de grondslag die niet mag worden uitgehold en waarbij het vestigingsklimaat aantrekkelijk blijft. Een maatregel waarbij de rente in zijn totaliteit niet meer mag worden afgetrokken, zal een slechte uitwerking hebben op de vestigingsplaats van Nederland. Een maatregel waarbij alle rente aftrekbaar zou zijn, is erg goed voor het vestigingsklimaat, maar maakt de kans op grondslaguitholling groter. De in het consultatiedocument voorgestelde maatregel probeert de volgende situatie te voorkomen: wanneer een concern een Nederlands onderneming wil kopen, kan dat op verschillende manieren. Één van deze methoden is dat het concern een tussenholding in Nederland opricht. Deze tussenholding leent liquide middelen voor de acquisitie van de Nederlandse onderneming. Het maakt hierbij niet uit of de tussenholding het geld leent van een verbonden lichaam of van een derde. Door de lening ontstaat er in de tussenholding een aftrekbare rentelast. Wanneer de tussenholding met de overgenomen Nederlandse maatschappij een fiscale eenheid aangaat, komen de rentelasten ten laste van de winst van de Nederlandse maatschappij. Zodoende financiert de overgenomen maatschappij zijn eigen overname. Dit zorgt ervoor dat de rentelasten niet in het vestigingland van het concern ten laste van de winst komen, maar in Nederland zelf. Wanneer er geen tussenholding was opgericht, kwamen de rentelasten gewoonlijk ten laste van de winst van het land waar het concern gevestigd is. Daarom wil de wetgever deze situatie verhinderen. In het oude wetsartikel 15ad, het wetsvoorstel en het huidige artikel 15ad komen een aantal gemeenschappelijke punten naar voren die onderling steeds iets verschillen. Deze punten gebruik ik als criteria om een antwoord te geven op mijn centrale vraag. Elk criterium toets ik aan het doel en de strekking van de wetgever. Het eerste criterium is de aftrek van derde rente en betekent het volgende: is er alleen een renteaftrekbeperking voor rentebetalingen aan een verbonden lichaam of is die er ook voor rente betaald aan een derde. Het tweede criterium is de renteaftrekbeperkingstermijn. Is er aan de renteaftrekbeperking een termijn verbonden of niet. Het derde criterium is de franchise. Dit is een drempel waaronder de renteaftrekbeperking niet op gaat en dus alle overnamerente aftrekbaar is. Het laatste criterium is de tegenbewijsregeling. De 10 Dit laatste onderwerp behandel ik niet in deze scriptie 11 Kamerstukken ll 2007/2008, 31369, nr. 3, p. 3 (MvT) 5
6 tegenbewijsregeling geeft de belastingplichtige een mogelijkheid om ervoor te zorgen dat de rente toch aftrekbaar is. 3. Historisch overzicht De renteaftrekbeperking van overnameholdings is echt niet nieuw. In het verleden is deze renteaftrek ook al bestreden. In deze paragraaf zal ik het historisch overzicht van deze bepaling weergeven. 3.1 Richtige heffing Voordat er regelgeving was over de renteaftrekbeperking van overnameholdings kon een belastinginspecteur zich toch weren tegen een dergelijke constructie. De Belastingdienst deed dit op basis van richtige heffing en fraus legis. Richtige heffing staat beschreven in artikel 31 AWR: Voor de heffing van de directe belastingen en de inkomstenbelasting wordt geen rekening gehouden met rechtshandelingen waarvan op grond van de omstandigheid dat zij geen wezenlijke verandering van feitelijke verhoudingen hebben ten doel gehad, of op grond van andere bepaalde feiten en omstandigheden moet worden aangenomen dat zij zouden achterwege gebleven zijn indien daarmede niet de heffing van de belasting voor het vervolg geheel of ten dele zou worden onmogelijk gemaakt. Met behulp van richtige heffing kan een rechtshandeling aldus worden weggedacht, indien deze rechtshandeling leidt tot het ontgaan van belastingen. In het geval van de rente van overnameholdings zal de rente niet aftrekbaar zijn. Dit stond beschreven in het Infobulletin 12 van mei Er werd een aantal voorbeelden gegeven waarbij sprake was van richtige heffing. Één van deze voorbeelden ging over een concern, waarbij de moedervennootschap is gevestigd op de Nederlandse Antillen. De moedermaatschappij hield alle aandelen in dochter, BV X, die op haar beurt alle aandelen hield in BV Y. De moedermaatschappij besloot om een nieuwe vennootschap op te richten in Nederland, BV Z. Daarna kocht de net opgerichte BV Z alle aandelen in BV X, waarbij BV Z de koopsom financierde met een lening van de moedermaatschappij. Vervolgens gingen BV X. BV Y en BV Z een fiscale eenheid aan. Uiteindelijk is er door een interne verhanging van een maatschappij een rentelast gecreëerd door de intern verstrekte lening. In dit geval is er een situatie die bestreden kan worden met richtige heffing. 3.2 Fraus legis Ook heeft de belastinginspecteur een beroep kunnen doen op fraus legis om een dergelijke 12 Infobulletin 86/209, V N 1986/1314, p. 3 6
7 constructie te voorkomen. Om een geslaagd beroep op fraus legis te doen, is er een motiefvereiste en een normvereiste nodig. Er wordt aan het motiefvereiste voldaan indien een belastingplichtige een rechtshandeling uitvoert enkel voor het behalen van fiscaal voordeel. Er wordt aan het normvereiste voldaan indien de rechtshandeling in strijd is met doel en strekking van de wet. Een geslaagd beroep op fraus legis was aan de orde in BNB 1989/217. Een onderneming had door een interne verhanging een extra rentestroom gecreëerd, waarbij de rentelasten in Nederland aftrekbaar waren en de rentebaten in een laagbelast land belast waren. Hierop zei de Hoge Raad dat deze constructie louter is uitgevoerd om een belastingvoordeel 13 te behalen en verklaarde: Het als fiscaal toelaatbaar aanvaarden van een constructie als hiervoor onder bedoeld zou (...) ertoe leiden dat een (...) vennootschap naar willekeur aanzienlijke bedragen als rente ten laste van haar winst zou kunnen brengen en aldus de heffing van de vennootschapsbelasting geheel of gedeeltelijk zou kunnen verijdelen door desgewenst herhaaldelijk zonder dat zulks betekenis zou hebben voor haar vermogenspositie dan wel voor de vermogenspositie of de zeggenschap van degenen bij wie het belang in haar berust, overeenkomstig bedoelde constructie te handelen. Deze consequentie, die zou neerkomen op het aanvaarden van een renteaftrek waarvoor een toereikende rechtvaardiging niet valt aan te wijzen, is strijdig met doel en strekking van de Wet Vpb. '69 14 Er is dus voldaan aan het motief en normvereiste. Dit was de eerste keer dat er een geslaagd beroep gedaan is op fraus legis om een dergelijke constructie te voorkomen. De Staatssecretaris van Financiën verduidelijkte in een brief aan de Tweede Kamer op 16 juni 1993 het beroep op fraus legis. 15 Voor zover in een geval financiering plaats heeft met vermogen dat weliswaar vanuit de (tussen)holding bezien, als vreemd vermogen wordt gepresenteerd, maar waarbij vanuit de overnemende groep als geheel bezien, in verband met de overneming van de Nederlandse vennootschap niet of niet in dezelfde mate vreemd vermogen is aangetrokken dient de renteaftrek bij de holding met toepassing van fraus legis te worden geweigerd indien: a. belastingbesparing de doorslaggevende reden is geweest voor het creëren van de lening; naar mijn mening zal dat het geval zijn als door het creëren van de lening van de groep als geheel een lagere belastingdruk zou optreden, dan zonder dat creëren; 13 HR 17 december 2004, nr , BNB 2005/ R.o Brief Staatssecretaris van Financiën 19 juni 1993, nr. AFP 93/165, V N 1995/2011 7
8 b. de handeling in strijd is met doel en strekking van de wet. Daartoe zal gesteld worden dat het naar willekeur creëren van leningen binnen een groep met als doel een rente aftrek en heffing over de rente daar te laten plaats hebben waar en wanneer de groep dat wenst, in strijd is met doel en strekking van de wet. De Hoge Raad oordeelde in 1995 en 1996 in een aantal arresten anders over dezelfde overnameconstructies 16. In 3 van de 4 arresten stelde de Hoge Raad vast dat de constructies niet in strijd waren met het doel en strekking van de wet. Indien het concern een lening verstrekte aan een overnameholding in Nederland, was rente in het land waar het concern gevestigd is ook belast. In het geval de heffing over deze rentebaten naar Nederlandse maatstaven redelijk was, was er niet voldaan aan het normvereiste. In BNB 1996/5 oordeelde de Hoge Raad het volgende: ( ) omdat over de rentebaten bij de ontvanger ( ) een belasting wordt geheven die naar Nederlandse maatstaven gemeten redelijk is, leidt het verlenen van de renteaftrek aan belanghebbende niet tot een resultaat dat strijdig is met doel en strekking van de Wet. 17 Hierdoor verloor het leerstuk van fraus legis kracht en moest de overheid iets anders bedenken om de overnameconstructies tegen te gaan. Op 23 april 1996 werd er een voorstel ingediend met de mogelijke veranderingen in de Wet VPB Met dit voorstel trachtte de wetgever de belastingplichtige meer zekerheid te bieden door aftrekbeperking van overnameholdings te codificeren Artikel 15 lid 4 en 5 Met ingang van 1 januari 1997 was het wetsvoorstel aangenomen en was beschreven in het toen geldende artikel 15 in lid 4 en lid In lid 4 werd beschreven in welke gevallen er sprake zou zijn van een renteaftrekbeperking van overnameholdings en in lid 5 was er een tegenbewijsmogelijkheid opgenomen. De nieuwe leden voorkwamen dat de rente van de overnameholding in aftrek kon worden gebracht op de winst van de gevoegde dochter. De rente kon enkel in aftrek worden gebracht in zoverre de overnameholding zelf winst genereerde. Er moest aldus een onderscheid 16 HR 23 augustus 1995, nr , BNB 1996/3; HR 6 september 1995 nr , BNB 1996/4; HR 20 september 1995, nr , BNB 1996/5 en HR 27 september 1995, nr , BNB 1996/6 17 HR 20 september 1995, nr , BNB 1996/5, r.o Kamerstukken ll 1995/1996, , nr. 1 p Kamerstukken ll 1995/1996, , nr. 3, p Zie Appendix A voor de wettekst 8
9 worden gemaakt tussen de winst van de overnameholding en de winst van de gevoegde dochter in de fiscale eenheid. Indien de overnameholding geen eigen winst kende, dan werd de rente doorgeschoven naar een volgend jaar. De doorgeschoven rente kon in andere jaren alleen in aftrek worden gebracht, indien de overnameholding winst zou maken. Artikel 15 kende een rentetemporisering, dus geen definitieve uitsluiting. De temporisering van rente duurde 8 jaar. Daarna is er voor de rente in het desbetreffende jaar geen beperking meer. De gedachte hierbij was dat de overnameholding en de overgenomen vennootschap na de 8 jaarsperiode dusdanig in elkaar verweven zijn, dat het scheiden van de winsten van de beide vennootschappen lastig is 21. Na de 8 jaarsperiode mag de nog niet in aftrek gekomen rente in de 4 jaar daarna in gelijke delen van de fiscale eenheidswinst worden afgetrokken. Echter alleen tot de hoogte van de fiscale eenheidswinst. Met andere woorden, de fiscale eenheidswinst mag niet negatief worden door de rentelasten. De rente die na de 4 jaarsperiode nog niet in aftrek is gekomen mag onbeperkt in de tijd worden doorgeschoven. 22 Uiteindelijk wordt er dus geen rente uitgesloten, maar alleen maar uitgesteld. Artikel 15 lid 5 Wet VPB 1969 kent een tegenbewijsmogelijkheid. Indien een onderneming een werkelijke financieringsbehoefte heeft en de rente aldus bij een derde wordt geleend, dan is de rente gewoon aftrekbaar. 23 Het maakt hierbij niet uit of de overnemende vennootschap de lening direct verkrijgt of dat deze indirect, met tussenkomst van een verbonden persoon of verbonden lichaam, wordt verkregen. 24 Er wordt dus een onderscheid gemaakt tussen een lening die direct of indirect afkomstig is van een derde en een lening die afkomstig is van een verbonden persoon of verbonden lichaam. In het geval dat de rente direct of indirect afkomstig is van een derde, dan wordt er aan de tegenbewijsregeling gedaan en vindt lid 4 geen toepassing. Daarnaast is er ook een tegenbewijsregeling voor bedrijfsopvolging in artikel 15 lid 5 onderdeel b opgenomen. Voor deze scriptie wil ik dit onderdeel buiten beschouwing laten. 4. Artikel 15ad oud Op 1 november 1999 is er een voorstel gedaan om het fiscale eenheidsregime te wijzigen. Er zou een zelfstandigheidbenadering voor de fiscale eenheid komen. Door deze toekomstige wijzigingen zag de wetgever dit als ideaal moment om de onevenwichtigheden en onduidelijkheden over de 21 Kamerstukken ll 1995/1996, , nr. 5, p.3 22 Kamerstukken ll 1995/1996, , nr. 5, p.1 23 Kamerstukken ll 1995/1996, , nr. 3, p. 10 (MvT) 24 Kamerstukken ll 1995/1996, nr. 5, p. 2 9
10 renteaftrekbeperking van de overnameholdings op te heffen en de renteaftrekbeperkingen te stroomlijnen. 25 De kern van artikel 15ad(oud) Wet VPB komt in hoofdlijnen overeen met zijn voorganger 15 lid 4 en 5. Ook in dit geval is een verwerving van een dochtermaatschappij door een overnameholding om een fiscaal voordeel te halen niet mogelijk. De aftrekbeperking geldt dus net als in artikel 15 lid 4 en 5 indien er sprake is van een lening van een verbonden persoon of verbonden lichaam. In het geval de overnameholding direct geld leent bij een derde, dan gaat artikel 15ad Wet VPB 1969 niet op. In de wettekst van artikel 15ad (oud) valt op dat een gefinancierde kapitaalstorting ook onder het toepassingsbereik is gevallen. Dit komt doordat er voor de invoering van het artikel 15ad veelvuldig gebruik werd gemaakt van de Nederlandse wetgeving door Amerikaanse concerns bij buitenlandse acquisities via BV1/BV2 structuren. 27 Door een overname via Nederland te laten lopen was het Amerikaanse bedrijf voordeliger uit, dan een overname zonder tussenkomst van een Nederlandse overnameholding. Dit negatieve effect op de internationale concurrentiepositie moest worden voorkomen, waardoor de gefinancierde kapitaalstorting binnen het toepassingbereik van artikel 15ad(oud) was opgenomen. Het eerdergenoemde doel van het voorkomen van de grondslagerosie speelde geen rol De aftrek van derde rente De aftrekbeperking van artikel 15ad (oud) Wet VPB 1969 geldt alleen voor rente betaald aan een verbonden persoon of lichaam. 29 Indien de rente aan een derde persoon of lichaam wordt betaald, dan valt die rente niet onder het toepassingsbereik van artikel 15ad (oud) en is er geen aftrekbeperking. 4.2 De renteaftrekbeperkingstermijn Wanneer de rente niet verrekend kan worden met de eigen winst wordt de rente getemporiseerd. Ook in het oude artikel 15 lid 4 en 5 wordt geduid op een rentetemporisering van 8 jaar. In het jaar waarop de fiscale eenheid tot stand komt en de daaropvolgende zeven jaren. Dit is anders dan bij de oude regeling, want die ging uit van het moment van de verwerving van de aandelen en niet bij het 25 Kamerstukken ll 1999/2000, nr. 3, p 39 (MvT) 26 Zie Appendix B voor gehele wettekst 27 P.J.J.M. Peeters, Gefinancierde kapitaalstorting nog geen duidelijkheid, WFR 2004/ P.J.J.M. Peeters, Gefinancierde kapitaalstorting nog geen duidelijkheid WFR 2004/ Het begrip staat in artikel 10a lid 4 Wet VPB 1969 uitgelegd 10
11 moment dat de fiscale eenheid tot stand komt. 30 De rente die in het jaar wordt getemporiseerd, wordt op basis van artikel 15ad lid 2 (oud) Wet VPB 1969 doorgeschoven naar het volgende jaar. In dat jaar mag de rente van de winst worden afgetrokken, mits de overnameholding voldoende eigen winst heeft. Na de 8 jaarsperiode geldt de winstsplitsing van de overnameholding en de overgenomen maatschappij niet meer. De op dat moment nog niet in aftrek gebrachte rente kan onbeperkt in de tijd worden doorgeschoven en worden verrekend met de fiscale eenheidswinst. 31 De renteaftrek mag echter niet leiden tot een verlies in de fiscale eenheid. 4.3 De franchise In het oude artikel 15ad Wet VPB 1969 is geen franchise opgenomen. Dit betekent dat indien de rentelast niet geheel met de eigen winst van de overnameholding kan worden verrekend, er altijd sprake is van een renteaftrekbeperking. Zelfs bij een minimale overschrijding. 4.4 De tegenbewijsregeling De temporisering van rente gaat echter niet op wanneer er wordt voldaan aan de tegenbewijsregeling in lid 3. Indien je hier aan voldoet is alle rente aftrekbaar. De tegenbewijsmogelijkheid bestaat uit drie mogelijkheden, waarop afzonderlijk een beroep kan worden gedaan. De eerste tegenbewijsmogelijkheid bestaat uit twee delen namelijk de grondslageis en de externe financieringseis. 32 De grondslageis is een extra eis in de tegenbewijsregeling en betekent dat de rente in de heffing van de schuldeiser moet worden betrokken. Dit is een verzwaring ten opzichte van de oude tegenbewijsregeling, die alleen maar een externe financieringseis kende. Het is noodzakelijk dat de heffing naar Nederlandse maatstaven redelijk is. 33 Daarnaast heeft de Staatssecretaris bevestigd dat het niet uitmaakt dat de rentebaten niet worden belast 34, in geval er een onderneming verlies maakt. Als de baten maar in beginsel in de grondslag betrokken zijn. De tweede cumulatieve voorwaarde is de externe financieringseis. Aan deze eis wordt voldaan indien 30 J.P. Linders en J.F.C. Smeets, Vroeger was alles beter, de onvoorziene gevolgen van art 15ad, WFR 2003/ Artikel 2C uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting J.P. Linders en J.F.C. Smeets, Vroeger was alles beter, de onvoorziene gevolgen van art 15ad, WFR 2003/ J.P. Linders en J.F.C. Smeets, Vroeger was alles beter, de onvoorziene gevolgen van art 15ad, WFR 2003/ Reactie staatsecretaris op commentaar NOB, V N 2001/
12 het lichaam of natuurlijke persoon, die de lening aan de overnameholding heeft verstrekt, het geld zelf bij een derde geleend heeft Wetsvoorstel van artikel 15ad Wet VPB 1969 In 2005 schrijft de voormalige Staatsecretaris van Financiën in de Memorie van Toelichting van de Wet Werken en Winst dat Nederland last heeft van de toenemende internationalisering en de opkomende economieën waardoor ook de fiscale positie van Nederland onder druk komt te staan. Nederland behoort sinds 2003 niet meer tot de top 5 van meeste gunstige vestigingslanden. 36 Door middel van de Wet Werken aan Winst wordt er getracht Nederland als vestigingsland aantrekkelijker te maken, met als hoofdlijn de grondslag te verbreden en het tarief te verlagen. 37 Artikel 15ad Wet VPB 1969 werd in 2007 uit de wet gehaald. In het kader van eenvoud en systematiek werd artikel 15ad in artikel 10a geïntegreerd. 38 Kenmerkend aan artikel 10a Wet VPB 1969 is dat dit artikel rente uitsluit in plaats van temporiseert. Artikel 10a Wet VPB 1969 verbiedt een renteaftrek ingeval de rente verschuldigd is aan een verbonden lichaam of persoon en waarbij de schuld verband houdt met een winstuitdeling aan, kapitaalstorting in of een verwerving van een belang in een verbonden persoon. Het maakt hierbij niet uit of het een interne acquisitie of een externe acquisitie is, in beginsel wordt de rente van beiden uitgesloten. 39 In artikel 10a lid 3 Wet VPB 1969 zijn de tegenbewijsmogelijkheden opgesomd. Indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan de schuld en de rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen, dan vervalt de renteaftrekuitsluiting. Dit is het zakelijkheidcriterium. Daarnaast kan de belastingplichtige ook nog een beroep doen op de compenserendeheffing criterium. Indien de rentebaten belast zijn naar een naar Nederlandse maatstaven redelijk tarief, dan is er een vermoeden dat aan de schuld en aan de rechtshandeling niet in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. In het hiervoor besproken consultatiedocument van 14 juni 2009 heeft Staatssecretaris De 35 Er bestaat ook nog een tweede en derde tegenbewijsregeling. Voor deze scriptie wil ik die buiten beschouwing houden. 36 Kamerstukken ll 2005/2006, , nr.3, p. 1 en 2 (MvT) 37 Kamerstukken ll 2005/2006, , nr.2, p. 1 (Voorstel van Wet) 38 Kamerstukken ll 2005/2006, 30572, nr.3, p. 1 (MvT) 39 J.L. van de Streek, Beperking van de aftrek van groepsrente in verband met winstdrainage per 1 januari 2007, Forfaitair 2007/nr
13 Jager een aantal wijzigingen in de Wet VPB 1969 voorgesteld. In dit voorstel is onder andere gepleit voor een algemene renteaftrekbeperking, de invoering van een verplichte groepsrentebox, de invoering van een renteaftrekverbod van deelnemingsrente en een renteaftrekverbod voor overnameholdings. In de Sinterklaasbrief van 5 december 2009 wordt echter alleen de renteaftrek van overnameholdings aangehouden. De overige voorstellen zouden te veel op Europees rechtelijke problemen stuiten. 40 De overnameproblematiek stuit in de publieke opinie op veel weerstand. De overnames van Ziggo, HEMA en Van Gansewinkel zijn hier een goed voorbeeld van. 41 Buitenlandse investeerders nemen Nederlandse ondernemingen over, die excessief gefinancierd worden met schulden, zowel groepschulden als schulden aan derden. Ondernemingen die financieel gezond waren, worden vol gepompt met schulden waardoor het belastbaar bedrag in Nederland daalt. Er zijn zelfs gevallen bekend waarbij de gehele winst wordt weggespoeld met rentekosten. 42 Hierdoor is het noodzakelijk om overnames die excessief gefinancierd worden met groepleningen en derde leningen aan te pakken, waarbij normaal gefinancierde ondernemingen moeten worden ontzien. 43 De reden om de renteaftrekbeperkingen meer te stroomlijnen speelde hierbij geen rol, ondanks dat die reden in 2007 zorgde voor een afschaffing van de maatregel. 44 De renteaftrekbeperking is concreet geworden bij het eerste wetsvoorstel. 45 Rentekosten van een overname, met tussenkomst van een overnameholding, komen aldus slechts in aftrek van de eigen winst. De rente is dus net zoals het voorgaande artikel 15ad alleen aftrekbaar van de eigen winst, waardoor ook hier de winsten van de overnemende vennootschap en de overgenomen vennootschap gesplitst moeten worden. 5.1 De aftrek van derde rente Het eerste wetsvoorstel van artikel 15ad Wet VPB 1969 maakt geen onderscheid tussen rente betaald aan groepsmaatschappijen en rente betaald aan derden. Dit is een wezenlijk verschil met het 40 H.Lohuis, Sinterklaasbrief over VPB consultatiedocument, NTFR 2009/ Kamerstukken ll 2011/2012, , nr. 77, p H.Lohuis, Sinterklaasbrief over VPB consultatiedocument, NTFR 2009/ Kamerstukken ll 2009/2010, , nr. 9 (brief Staatsecretaris) 44 R.P.C.W.M. Brandsma, Belastingplan 2012, p Zie Appendix C voor de gehele wettekst 13
14 oude artikel 15ad dat alleen betrekking had op de groepsrente. Achterliggende gedachte hiervan was dat de grondslag met zowel groeprente als derde rente wordt verlaagd De renteaftrekbeperkingstermijn Vervolgens valt het op dat de rente niet meer wordt getemporiseerd. Rente die door de wettekst niet in aftrek mag worden gebracht, werd voorheen getemporiseerd en mocht na 8 jaar alsnog in aftrek worden gebracht. In dit voorgestelde artikel wordt de rente doorgeschoven naar een volgend jaar. Aan het doorschuiven van niet in aftrek gebrachte rente is geen termijn verbonden. Hierdoor moet ieder jaar een berekening gemaakt worden van de eigen winst van de overnameholding. Mocht de belastingplichtige in een volgend jaar wel voldoende eigen winst hebben, dan kan de nog niet in aftrek gebrachte winst op basis van lid 8 in aftrek worden gebracht. 5.3 De franchise Het eerste wetsvoorstel van artikel 15ad Wet VPB 1969 kent in tegenstelling tot het oude artikel 15ad Wet VPB 1969 wel een franchise. De franchise bedraagt Indien de belastingplichtige op basis van lid 1 een gedeelte van de rente niet in aftrek mag nemen en het bedrag is niet groter dan de franchise, dan mag de rente alsnog in aftrek worden gebracht. Tevens moet er bij de fiscale eenheid sprake zijn van te veel vreemd vermogen De tegenbewijsregeling Ook in het voorgestelde wetsartikel 15ad is een tegenbewijsmogelijkheid opgenomen. Echter verschilt deze wezenlijk ten opzichte van 15ad (oud). In het voorgestelde artikel 15ad kan op twee manieren worden voldaan aan de tegenbewijsregeling. Lid 3 geeft aan dat het niet aftrekbare bedrag de laagste is van de volgende twee bedragen: 1) Het bedrag wat volgens het eerste lid niet in aanmerking genomen kan worden verminderd met ) Het in lid 4 berekende bedrag van het teveel aan overnamerente. Het teveel aan overnamerente is het gedeelte van het bedrag van in het eerste lid bedoelde rente, dat evenredig is aan de verhouding tussen het teveel aan vreemd vermogen en het gemiddelde bedrag van de overnameschulden. Op grond van lid 5 is er een teveel aan vreemd vermogen indien het totaal bedrag aan schulden, die voortvloeien uit een geldovereenkomst, meer bedraagt dan tweemaal het gemiddelde eigen vermogen. Opgemerkt dient te worden dat de franchise hier niet van toepassing is. 46 Kamerstukken ll, , , nr. 3, p Dit wordt in paragraaf 5.4 uitgelegd 14
15 Daarnaast wordt er voor de berekening van het eigen vermogen ook rekening gehouden met het goodwillgat. 48 Wanneer de overnameholding een vennootschap koopt, kan er een gedeelte voor goodwill worden betaald. Als de overnameholding daarna de overgenomen vennootschap in de fiscale eenheid voegt dan wordt de post deelnemingen geëlimineerd en komen alle activa en passiva van de overgenomen vennootschap op de balans van de fiscale eenheid te staan. Gezien het feit dat zelfgekweekte goodwill niet op de balans van de overnemende vennootschap staat vermeld, ontstaat er een verschil in het eigen vermogen van de enkelvoudige overnameholding en het eigen vermogen van de fiscale eenheid. Zie het volgende voorbeeld. De overnameholding koopt een deelneming voor In de deelneming zitten geen stille reserves, waardoor er 50 is betaald voor goodwill. Door het voegen van de overgenomen vennootschap in de fiscale eenheid daalt het eigen vermogen met 50. Dit heeft de wetgever opgelost door bij de fiscale eenheid de goodwill en eventueel aanwezige stille reserves 50 bij het eigen vermogen te tellen, waarbij de goodwill jaarlijks met tien procent afneemt Definitieve 15ad Uiteindelijk is het voorstel voordat de wet definitief geworden is drie maal gewijzigd. 52 De wettekst 48 Zie voorstel van de wet, Appendix C, artikel 15ad lid 6 sub c Wet VPB Alle bedragen x Zowel goodwill als stille reserves vallen onder het voorstel van de wet, artikel 15ad lid 6 sub c Wet VPB Kamerstukken ll 2010/2011, nr. 1, p A.H.M. Daniels en R.J. de Vries, Aanstaande overnameholdingwetgeving in de vennootschapsbelasting: waar gaan we met z n alle naar toe?, WFR 2011/
16 zoals die op 1 januari 2012 van kracht is geworden, staat hieronder uitgelegd 53. Het eerste lid bevat de hoofdlijn van de regeling: overnamerente komt enkel in aftrek van de eigen winst van de overnameholding. 6.1 De aftrek van derde rente In het definitieve artikel 15ad Wet VPB 1969 wordt de rente betaald aan een derde ook beperkt. In het oude 15ad Wet VPB 1969 werd enkel de rente betaald aan een verbonden personen of lichamen beperkt. Het toepassingsbereik van artikel 15ad Wet VPB 1969 is hierdoor vergroot. 6.2 De renteaftrekbeperkingstermijn Het definitieve artikel 15ad Wet VPB 1969 kende net als het wetsvoorstel van artikel 15ad Wet VPB 1969 geen temporisering, maar een doorschuifregeling. Op grond van het achtste lid wordt de niet in aftrek gebrachte rente doorgeschoven naar het jaar daarna. In dat jaar komt de oudste rente als eerst in aftrek. Dat wil zeggen dat de eerst betaalde rente als eerste eventueel in aftrek kan worden gebracht.. Daarnaast is het opvallend dat de rente onbeperkt doorgeschoven kan worden. Dit is anders dan bij de voorgaande artikelen over overnameholdings, waarbij de rente voor een 8 jaarperiode werd getemporiseerd, maar ook onbeperkt kon worden doorgeschoven. De eigen winst van de overnameholding moet aldus ieder jaar worden vastgesteld om te beoordelen of er de rente aftrekbaar is. 6.3 De franchise In het tweede lid staat de franchise van Dit verschilt met het oude artikel 15ad Wet VPB 1969 die geen franchise had. Enkel in het geval dat de overnamerente de eigen winst van de overnameholding overstijgt met , dan is de overnamerente in beginsel niet aftrekbaar. Bij een overschrijding van de is de franchise escape niet van toepassing De tegenbewijsregeling In het derde tot en met het zesde lid staat de tegenbewijsregeling uitgelegd. Deze tegenbewijsregeling is aanzienlijk veranderd ten opzichte van zijn voorgangers. Indien de overnamerente de eigen winst van de overnameholding met meer dan overstijgt en er is sprake van een teveel aan overnamerente, dan belandt de belastingplichtige in het derde lid. Op grond van lid 3 is het niet aftrekbare bedrag de laagste van de 2 limieten. 53 Zie Appendix D voor de gehele wettekst 54 A.H.M. Daniels, Aanstaande overnameholdingwetgeving in de vennootschapsbelasting: waar gaan we met z'n allen naar toe? WFR 2011/
17 1. De eerste limiet is het bedrag dat op basis van het eerste lid in aftrek kan worden gebracht verminderd met Dit is het bedrag dat niet met de eigen winst van de overnameholding verrekend kan worden en dit verminderd met Opgemerkt dient te worden dat dit overeenkomt met de franchise van In beide gevallen wordt het bedrag wat op basis van lid 1 niet in aftrek is gekomen verminderd met Onduidelijk is waarom de wetgever zowel lid 2 als lid 3 onderdeel a in de wet heeft opgenomen. 2. De tweede limiet is voor overnames die niet bovenmatig gefinancierd zijn met schulden en staat beschreven in het vierde, vijfde en zesde lid. Indien de overname gezond (niet bovenmatig) gefinancierd is, blijft de aftrekbeperking buiten toepassing. Dit wordt ook wel de gezondefinancieringsescape genoemd. De overname is gezond als de schuld minder dan 60% bedraagt van de verkrijgingsprijs van de verworven belangen aan het einde van het eerste jaar van de fiscale eenheid. Dit percentage neemt ieder jaar af met 5% tot 25%. Om de bovenmatigheid van meerdere gevoegde belangen met meerdere overnameschulden uit te rekenen, moeten deze belangen en schulden bij elkaar worden opgeteld. 55 Het voorgaande kan het beste nader worden toegelicht met een voorbeeld. Een Amerikaans concern wil een Nederlandse onderneming (BV Y) overnemen en richt hiervoor een overnameholding (BV X) in Nederland op. BV X koopt op 1 januari 2012 alle aandelen in BV Y voor en financiert de koopsom geheel bij een onafhankelijke bank. De rente is 5% waardoor BV X in rente betaalt. Ook heeft BV X een eigen winst van Welk gedeelte van de rente is niet aftrekbaar? Op grond van lid 1 is de rente alleen aftrekbaar van de eigen winst, waardoor er aftrekbaar is en er een bedrag van resteert. Het resterende bedrag wordt de overschotrente genoemd. De overschotrente is groter dan Ook wordt er niet voldaan aan de gezondefinancieringsescape. Hierdoor wordt er niet voldaan aan de escape van lid 2. Op basis van het derde lid bedraagt het niet aftrekbare bedrag de laagste van de 2 limieten. Limiet 1 bedraagt de overschotrente minus , waardoor deze bedraagt. De tweede limiet moet aan de hand van de gezondefinancieringsescape worden berekend. Het meerdere van 60% van de 55 A.H.M. Daniels en R.J. de Vries, Aanstaande overnameholdingwetgeving in de vennootschapsbelasting: waar gaan we met z n alle naar toe?, WFR 2011/
18 verkrijgingsprijs wordt als bovenmatig beschouwd en bedraagt De eerste limiet is lager dan de tweede limiet, waardoor een bedrag van niet aftrekbaar is Vergelijking In het voorgaande zijn er verschillende vormen van renteaftrekbeperkingen de revue gepasseerd. In dit hoofdstuk worden de verschillende elementen van de renteaftrekbeperking met elkaar vergeleken. Deze vergelijking zal plaats vinden in het licht van het doel en strekking van de wet. Uit het voorgaande kunnen we concluderen dat de wetgever een dubbele doelstelling heeft met het invoeren van de wet. Enerzijds wil de wetgever voorkomen dat de Nederlandse belastinggrondslag wordt geërodeerd. 58 Dat is slecht voor de schatkist maar het verstoort ook de internationale concurrentieverhoudingen. Anderzijds wil de wetgever er voor zorgen dat Nederland aantrekkelijk blijft als vestigingsland. 59 Dit zorgt namelijk voor veel werkgelegenheid en innovatie. De renteaftrek mag dus niet gepaard gaan met dusdanig lastige berekeningen en voorwaarden, dat het voor buitenlandse ondernemingen vele administratieve lasten met zich meebrengt. De volgende elementen wil ik met elkaar vergelijken: de aftrek van derde rente, de renteaftrekbeperkingstermijn, de franchise en de tegenbewijsregeling. 7.1 De aftrek van derde rente In artikel 15ad oud werd rente in aftrek beperkt indien deze werd betaald aan een verbonden lichaam. Indien het geleende bedrag indirect verschuldigd was aan een derde, dan werd er voldaan aan de tegenbewijs systematiek. In het wetsvoorstel en het definitieve wetsartikel is de rente niet aftrekbaar indien de rente betaald wordt aan zowel een verbonden lichaam als een derde. Voor het definitieve artikel 15ad en het wetsvoorstel maakt het dus niet uit aan wie de rente wordt betaald. Dat de renteaftrek ook geldt voor rente betaalt aan een derde, komt geheel overeen met het doel en de strekking van de wet. Het doel van de wet is om te voorkomen dat de belastinggrondslag wordt uitgehold door de leningen van overnameholding, waarvan de rentelasten ten koste gaan van de winst van de gevoegde maatschappij. Vanuit Nederlands optiek maakt het hierbij niet uit of de rente wordt betaald aan een verbonden lichaam of een derde. In beide gevallen komen de 56 (percentage overnameschuld niet bovenmatig deel overnameschuld)*overnameschulden*rentepercentage (100% 60%)* *0,05= Gebaseerd op een voorbeeld: J.L. van de Streek, Casuistiek vennootschapsbelasting, Den Haag, Boom uitgevers Kamerstukken ll 2007/ , nr. 3 p. 3 (MvT) 59 Kamerstukken ll 2008/2009, nr. 5, p. 3 18
19 rentelasten ten laste van de winst van de overnemende vennootschap. Door derde rente ook binnen het toepassingsbereik te laten vallen, wordt er voorkomen dat de belastinggrondslag wordt uitgehold. Daarnaast probeert de wetgever er voor te zorgen dat overnames meer worden gefinancierd met eigen vermogen. Wanneer ondernemingen grotendeels worden volgepompt met schulden ontstaat er een hefboomeffect. 60 Indien er meer rendement wordt gemaakt met het vermogen dan dat er wordt betaald aan verschaffers van vreemd vermogen, dan heeft dit een versterkte werking op het eigen vermogen van een onderneming. De onderneming kan in beginsel niet meer verliezen dan het totaal eigen vermogen. Door het hefboomeffect zal de onderneming eerder grotere risico s nemen om een versnelde toename van eigen vermogen te bewerkstelligen. 61 Kortom de wetgever heeft er goed aan gedaan om ook derde rente binnen het toepassingsbereik van artikel 15ad te laten vallen. 7.2 De renteaftrekbeperkingstermijn Met betrekking tot de renteaftrekbeperkingstermijn zijn er ook verschillen. Hiermee bedoel ik of er aan de renteaftrekbeperking een termijn wordt gesteld of dat de renteaftrekbeperking onbeperkt doorwerkt. Het oude artikel 15ad Wet VPB 1969 ging uit van een temporiseringperiode van 8 jaar. Het wetsvoorstel alsmede het definitieve wetsvoorstel gaat uit van een onbepaalde termijn. De renteaftrekbeperking kan dus onbeperkt in de toekomst van toepassing zijn. Het oude artikel 15ad ging uit van een termijn van 8 jaar. Dit kwam omdat ze vonden dat na deze termijn de overnameholding en de overgenomen en tevens gevoegde maatschappij dusdanig met elkaar in de fiscale eenheid zijn verweven dat er geen winstsplitsing gedaan kan worden. Na deze 8 jaars periode kon de rente alleen van het fiscale eenheidsresultaat worden gebracht indien dit niet zou leiden tot een verlies. Het voorstel en de definitieve versie van 15ad gaan uit van een renteaftrek waar geen termijn aan verbonden zit, het is dus in tijd een onbeperkte renteaftrekbeperking. Dit betekent dat er ieder jaar een onderscheid moet worden gemaakt tussen de overnameholding en de onderneming, om de eigen winst van de overnameholding te berekenen. Het is de vraag in hoeverre je deze splitsing nog kan maken als de fiscale eenheid al twintig jaar bestaat. Mijn inziens is het lastig om deze splitsing te maken. Daarnaast kan de onderneming door de jaren heen verwikkeld zijn geraakt in fusies, overnames en splitsingen, waardoor de berekening van de eigen winst van de overnameholding moeilijk wordt. Naarmate de tijd vordert, zal een splitsing maken lastiger worden. Dit is alleen mogelijk als de onderneming dusdanig ingewikkelde 60 Kamerstukken ll 2008/2009, , nr. 5, p Bijlsma en Zwart, Zijn strengere kapitaaleisen kostbaar, CPB nr
20 administraties bijhoudt om beide vennootschappen uit elkaar te houden, wat kostbaar is. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat er commercieel ook een splitsing gemaakt moet worden tussen de winst van de overnameholding en de overgenomen maatschappij. Daarnaast zijn er ook andere fiscale bepalingen waarbij de winst tussen de overnameholding en de overgenomen maatschappij gesplitst moet worden. Een voorbeeld hiervan is de toerekening van verrekenbare verliezen aan de vennootschappen. 62 In de voorgaande paragraaf is besproken dat het splitsen van de winst in de loop der tijd administratieve lasten met zich mee brengt. Deze administratieve lasten zijn echter niet nodig, als de belastingplichtige aan de gezonde financieringsescape voldoet. Daardoor is het vanuit de wetgever bezien een extra prikkeling om overnames niet bovenmatig te financieren met vreemd vermogen. De huidige temporisering is mijn inziens in lijn met doel en strekking van de wet. 7.3 De franchise In het oude artikel 15ad was er geen sprake van een drempel. Daarna heeft de Staatsecretaris in het consultatiedocument een drempel van euro voorgesteld. Uiteindelijk heeft artikel 15ad een drempel van Deze franchise is verhoogd om het midden en kleinbedrijf te ontzien. Gezien het feit dat er in het wetsvoorstel alsmede in het definitieve artikel 15ad Wet VPB 1969 een franchise is van , wil ik in deze vergelijking ook de franchise uit het consultatiedocument meenemen. Deze franchise bedraagt Geen franchise zou leiden tot een onwenselijke situatie. Indien een overnameholding een onderneming koopt, die gevoegd wordt in de fiscale eenheid, krijg je in alle situaties te maken met artikel 15ad. Zelfs in het theoretische geval als een onderneming euro kost. Voor zulke overnames is artikel 15ad niet in de wet gekomen, waardoor de franchise van nihil niet in lijn is met doel en strekking van de wet. Daarnaast bestaat er in het consultatiedocument een franchise van In het wetsvoorstel alsmede het definitieve artikel 15ad Wet VPB 1969 is er een franchise van Uitgaande van een rentepercentage van 7 procent kom je pas in aanraking met het huidige artikel 15ad, indien de overnameschuld meer dan bedraagt. 63 Bij de drempel van is dit bij een overnameschuld van plusminus De drempel is in het definitieve artikel verhoogd van naar om het midden en kleinbedrijf te ontzien. Echter mijn inziens is de drempel te hoog, omdat een concern met de huidige regeling pas in aanraking komt met 62 Zie artikel 15ab Wet VPB / 0,07= /0,07=
21 artikel 15ad Wet VPB 1969 als de overnameschuld meer dan bedraagt. Indien een onderneming overnameschuld heeft waarover hij meer dan aan rente betaalt, dan is dat mijn inziens terecht dat deze door artikel 15ad worden geraakt. Dit is conform doel en strekking van de wet, er moet immers worden voorkomen dat de belastinggrondslag wordt uitgehold. Geen franchise is niet wenselijk. In dat geval zullen belastingplichtigen bij een geringe overnameschuld getroffen worden door artikel 15ad Wet VPB Het kan eventueel voorkomen dat de administratieve lasten groter zullen zijn, dan dat er aan renteaftrek wordt voorkomen. Hierdoor was in mijn optiek een franchise van beter in lijn met doel en strekking van de wet geweest. 7.4 De tegenbewijsregeling In de verschillende documenten heeft de tegenbewijsregeling een metamorfose ondergaan. Met de tegenbewijsregeling wordt bedoelt of er nog een mogelijkheid bestaat dat de renteaftrekbeperking toch niet van toepassing is. In het oude artikel 15ad werd er voldaan aan de tegenbewijsregeling indien de lening direct of indirect was verkregen van een niet verbonden lichaam. In het voorgestelde 15ad artikel ging de wetgever uit van een eigen en vreemd vermogen ratio van 1:2. Uiteindelijk is er gekozen voor een drempel van en een gezonde financieringsescape. Gezien het feit dat de huidige regeling van 15ad ook derde renten betreft, gaat de tegenbewijsregeling van artikel 15ad oud niet meer op. Derhalve behoeft dit geen verdere uitleg. In het voorgestelde 15ad ging men uit van een tegenbewijsregeling met een ratio 1:2. Ze wilden bij artikel 10d Wet VPB 1969 aansluiten, omdat die ook uitgaat van een dergelijke ratio. In beginsel zorgt deze regeling ervoor dat overnames ook met eigen vermogen worden gefinancierd. De belastingplichtige wordt namelijk geprikkeld om niet alleen maar met vreemd vermogen te financieren en dit ook met eigen vermogen te doen. Wordt een overname wel geheel met vreemd gefinancierd, dan zal een gedeelte van de rente niet aftrekbaar zijn. Dit voorkomt dat de belastinggrondslag wordt uitgehold. Echter de wetgever houdt geen rekening met het feit dat er in de overgenomen vennootschap ook financieringen kunnen zitten. Het kan zelfs voorkomen dat zowel de overnameholding als de overgenomen vennootschap voor de voeging beide een ratio hebben van 1:2, echter na voeging kan deze ratio heel anders komen te liggen waardoor de rente niet aftrekbaar is. 65 Ter verduidelijking een voorbeeld. 66 De overnameholding heeft voor 150 euro 67 een 65 Commissie Wetsvoorstellen, Commentaar van de Commissie Wetsvoorstellen van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs op het wetsvoorstel Belastingplan 2012 en het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen, te raadplegen op 66 Gebaseerd op een voorbeeld van de NOB 67 Alle bedragen zijn x
22 vennootschap gekocht met 50 euro aan eigen vermogen en 100 euro vreemd vermogen. Per saldo is dit een ratio van 1:2 en wordt voldaan aan de tegenbewijsregeling. De overgenomen vennootschap heeft een ratio van 1:1 en voldoet ook aan de ratio. Zie hieronder beide balansen. Echter in het geval dat de overgenomen vennootschap zich in de fiscale eenheid bij de overnameholding voegt. Dan komt de balans er als volgt uit te zien. Het valt hierbij op dat de verhouding eigen vermogen:vreemd vermogen is veranderd. Eerst hadden beide vennootschappen een veilige ratio, maar na de voeging is de ratio 1:6 geworden. Hierdoor wordt er niet meer voldaan aan de tegenbewijsregeling, waardoor er eventueel een gedeelte van de rente niet meer aftrekbaar is. Daarnaast moet de belastingplichtige ieder jaar een berekening maken om de ratio eigen vermogen vreemd vermogen uit te rekenen. In het geval de overgenomen vennootschap die gevoegd is een lening aangaat voor een bedrijfsmiddel, dan kan dat invloed hebben op de ratio. Het kan gebeuren dat door de aankoop van een bedrijfsmiddel via een lening de rente die de overnameholding betaald niet meer aftrekbaar is. De overgenomen onderneming moet dus rekening houden met de schuld die is aangegaan om de onderneming zelf te financieren. Dit is echter niet conform doel en strekking van de wet. De wetgever probeert te voorkomen dat ondernemingen worden overgenomen door overnameholdings met veel vreemd vermogen en dus niet dat de overgenomen maatschappij rekening moet houden met zijn eigen overnamerente. 68 Er is aldus sprake van een overkill. De regeling werkt verder door dan wenselijk. De huidige tegenbewijsregeling bestaat uit twee onderdelen. Enerzijds een drempel van 68 Commissie Wetsvoorstellen, Commentaar van de Commissie Wetsvoorstellen van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs op het wetsvoorstel Belastingplan 2012 en het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen, te raadplegen op 22
23 Anderzijds is de rente aftrekbaar indien de overnameschuld in het eerste jaar niet meer bedraagt dan 60 procent. Het meerdere is daarbij niet aftrekbaar. Dit percentage daalt ieder jaar met 5 procent tot 25 procent. Een groot voordeel van een dergelijke regeling is dat belastingplichtigen duidelijkheid hebben. Ze weten wanneer de renteaftrekbeperking van toepassing is en ze weten hoeveel ze moeten aflossen, om aan de gezonde financieringsescape te voldoen. Dit biedt de belastingplichtige rechtszekerheid. Dit heeft een positieve werking op het vestigingsklimaat, wat in lijn is met doel en strekking van de wet. 69 In de Kamer wordt er gesproken over een nadeel van de gezonde financieringsescape. Een nadeel van de nieuwe escape zou zijn dat deze moeilijker uitvoerbaar is dan de eigen vreemd vermogen ratio. 70 Hierdoor zou de regeling voor belastingplichtige hoge uitvoeringskosten met zich mee brengen. Mijn inziens is dat echter onjuist. Jaarlijks moet het percentage van de overnameschuld ten opzichte van de verkrijgingsprijs worden berekend. De regeling is mijns inziens duidelijk genoeg, waardoor de belastingplichtige precies weet waar hij aan toe is. In vergelijking met de ratio 1:2 moet de belastingplichtige meerdere keren per jaar toetsen wat de ratio is. Mocht de ratio in het jaar niet voldoen aan de eisen van de tegenbewijsregeling, dan kan dit invloed hebben op de normale bedrijfsuitoefening van de onderneming. De belastingplichtige zal als hij niet aan ratio voldoet zijn bedrijfsvoering anders invullen zodat hij er wel aan gaat voldoen. Dit lijkt me een grotere barrière voor de uitvoerbaarheid. Naast de voordelen zit er ook nog een nadeel aan de huidige tegenbewijsregeling ten opzichte van de ratio. In de loop van tijd zal het verschil tussen de overnameschuld en gemaakte schulden van de gevoegde onderneming steeds verder vervagen. In het eerste jaar is het duidelijk wat de overnameschuld betreft en wat de overige schulden zijn. Stel de overnameholding lost zijn overnameschuld gedeeltelijk af en de gevoegde maatschappij gaat voor de verwerving van een activum een lening aan. De lening is net zo groot als het bedrag dat door de overnameholding wordt afgelost. Is er dan wel sprake van een afname van de overnameschuld? Volgens de Staatssecretaris verminderd de overnameschuld, wanneer de gevoegde dochter een schuld aangaat voor de financiering van haar bedrijfsactiviteiten, terwijl de overnemende vennootschap de overnameschuld aflost. 71 Dit geldt niet als de dochter leent voor andere doeleinden. In dat geval wordt de lening bij de overnameschulden opgeteld. Er moet een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen een lening voor bedrijfsactiviteiten en een lening voor niet bedrijfsactiviteiten. Dit onderscheid is in bepaalde 69 Kamerstukken ll , , nr. 4, p Kamerstukken ll , , nr. 4, p kamerstukken I, 2011/12, nr. D, p
24 gevallen lastig te maken. Daarnaast zorgt deze tegenbewijsregeling ervoor dat overnameholdings geprikkeld worden om de overnameschuld ieder jaar met een gedeelte af te lossen. Hierdoor zijn bedrijven minder snel geneigd om de overname met excessief veel vreemd vermogen te financieren. Dit komt overeen met de doelstelling van de wetgever. Worden er daarentegen wel overnames gepleegd met bovenmatig vreemd vermogen, dan is een gedeelte van de rente niet aftrekbaar. Hierdoor wordt de belastinggrondslag niet uitgehold. 8. Conclusie Begin dit jaar heeft de wetgever artikel 15ad ingevoerd om de overnameproblematiek aan te pakken. Concerns richten voor de acquisitie van een Nederlandse onderneming een overnameholding op. Deze overnameholdingen kochten de onderneming met bovenmatig veel vreemd vermogen. Door middel van het aangaan van een fiscale eenheid van de overnameholding met de verworven onderneming, konden de gemaakte financieringslasten in aftrek van de fiscale eenheidswinst komen. Hierdoor wilde de wetgever dit verschijnsel aanpakken, maar mocht die niet ten koste gaan van de vestigingsplaats van buitenlandse ondernemingen. De wetgever was niet onbekend met de bestrijding van overnameholdings. In 2004 is het oude artikel 15ad in de wet gekomen. Nadien is dit artikel verdwenen in artikel 10a wegens het stroomlijnen van de renteaftrekbeperkingsbepalingen. In het wetsvoorstel van artikel 15ad Wet VPB 1969 heeft de wetgever de eerste vorm van het artikel opgesteld. Uiteindelijk is artikel 15ad Wet VPB 1969 per 1 januari 2012 in de wet gekomen. Ik wilde in mijn scriptie deze vormen van 15ad met elkaar vergelijken. Mijn centrale vraag luidde derhalve: voldoet het huidige artikel 15ad Wet VPB 1969 beter aan zijn doel en strekking dan zijn voorgangers? Dit onderzocht ik aan de hand van een viertal vergelijkingscriteria: de aftrek van derde rente, de renteaftrekbeperkingstermijn, de franchise, en de tegenbewijsregeling. Ten eerste geldt de renteaftrekbeperking sinds begin dit jaar ook voor rente verschuldigd aan niet verbonden lichamen. Gezien het feit dat de belastinggrondslag met zowel derde rente als groepsrente wordt uitgehold, heeft de wetgever derde rente onder het artikel 15ad Wet VPB 1969 laten vallen. Uiteindelijk ben ik tot de conclusie gekomen dat het opnemen van rente betaald aan derde binnen het toepassingsbereik van artikel 15ad Wet VPB 1969 in lijn is met doel en strekking van de wet. Als tweede is de renteaftrekbeperkingstermijn van het oude artikel 15ad, het wetsvoorstel van artikel 15ad en het definitieve artikel 15ad Wet VPB 1969 met elkaar vergeleken. In het oude artikel 15ad Wet VPB 1969 ging men uit van een termijn van 8 jaar. In het wetsvoorstel en definitieve artikel was er geen termijn, waardoor de renteaftrekbeperking onbeperkt in tijd doorwerkt. Mijn 24
25 inziens is het splitsen van winst tussen de vennootschappen na de 8 jaarsperiode lastig en brengt het administratieve lasten met zich mee. Deze administratieve lasten zullen minder hoog zijn indien de belastingplichtige aan de tegenbewijsregeling voldoet. De administratieve lasten zijn een barrière voor concerns die niet aan de tegenbewijsregeling voldoen. Daardoor is een onbeperkte termijn meer in lijn met het doel en de strekking van de wetgever. Het geeft de belastingplichtige een extra prikkel om de overnameschulden af te lossen. Als derde is de franchise beoordeeld. Mijn inziens mogen concerns eerder getroffen worden door artikel 15ad Wet VPB Een franchise van had beter in lijn geweest van het doel en de strekking van de wet. Overnames die gepaard gaan met rentelasten van boven de zorgen voor een uitholling van de belastinggrondslag. De belastingplichtigen kunnen de overnameschulden ook aflossen waardoor er aan de tegenbewijsregeling wordt voldaan. Het midden en klein bedrijf hoeft daarbij niet worden ontzien. Geen franchise is ook niet wenselijk. In dat geval worden ondernemingen bij de meest geringe overnameschuld getroffen door artikel 15ad Wet VPB De administratieve lasten zullen in bepaalde gevallen groter zijn dan de renteaftrek die wordt voorkomen. Als laatste is de tegenbewijsregeling getoetst. De tegenbewijsregeling stuitte in het wetsvoorstel op diverse problemen. De 1:2 ratio van eigen vermogen ten opzichte van vreemd vermogen leidde tot een overkill van de maatregel. De administratieve lasten werden te hoog en er werd geen onderscheid gemaakt tussen overnameschulden en andere schulden. De maatregel werkte verder door dan wenselijk. De gezonde financieringsescape kende meer voordelen. Het gaf de belastingplichtige een prikkel om de overnameschulden af te lossen en de administratielasten waren lager. Hierdoor is mijn inziens de huidige tegenbewijsregeling meer in overeenstemming met doel en strekking van de wet. Uit het voorgaande kan ik concluderen dat het huidige artikel 15ad in lijn met doel en strekking van de wet is. Echter had de drempel van in mijn ogen verlaagd mogen worden naar waardoor de regeling nog beter aan zijn doelstellingen voldoet. 25
26 9. Bibliografie Beantwoording Kamervragen, kenmerk: AFP/2011/808, V N 1995/2011, p. 8 Bijlsma en Zwart, Zijn strengere kapitaaleisen kostbaar, CPB nr.215, p. 33 R.P.C.W.M. Brandsma, Belastingplan 2012, p Brief Staatssecretaris van Financiën 19 juni 1993, nr. AFP 93/165, V N 1993/2011 Commissie Wetsvoorstellen, Commentaar van de Commissie Wetsvoorstellen van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs op het wetsvoorstel Belastingplan 2012 en het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen, te raadplegen op Consultatiedocument, Mogelijke aanpassingen in de vennootschapsbelasting (Staatssecretaris van Financiën), V N 2009/30.3 A.H.M. Daniels en R.J. de Vries, Aanstaande overnameholdingwetgeving in de vennootschapsbelasting: waar gaan we met z n allen naar toe? WFR 2011/1322 Hoge Raad, 17 december 2004, nr , BNB 2005/169 Hoge Raad 23 augustus 1995, nr , BNB 1996/3 Hoge Raad 6 september 1995 nr , BNB 1996/4 Hoge Raad 20 september 1995, nr , BNB 1996/5 Hoge Raad 27 september 1995, nr , BNB 1996/6 Infobulletin 86/209, V N 1986/1314 Kamerstukken ll, 1999/2000, nr. 3 Kamerstukken ll, 1995/1996, , nr. 1 Kamerstukken ll, 1995/1996, , nr. 1 Kamerstukken ll, 1995/1996, , nr. 3 Kamerstukken ll, 1995/1996, , nr. 5 Kamerstukken ll, 2007/2008, , nr. 3 Kamerstukken ll, 2007/2008, , nr. 5 Kamerstukken ll, 2007/2008, nr. 9 Kamerstukken ll, 2011, nr. 77, Kamerstukken ll, 2011, nr. 1 H. Lohuis Sinterklaasbrief over VPB consultatiedocument, NTFR 2009/2617 J.P. Linders en J.F.C. Smeets, Vroeger was alles beter, de onvoorziene gevolgen van art 15ad. WFR 2003/873 P.J.J.M. Peeters, Gefinancierde kapitaalstorting nog geen duidelijkheid, WFR 2004/827, p. 1 J.L. van de Streek, Beperking van de aftrek van groepsrente in verband met winstdrainage per 1 26
27 januari 2007, Forfaitair 2007/nr
28 Appendix A Toevoeging aan artikel 15 (oud) 4. Indien ingevolge het eerste lid de belasting van een dochtermaatschappij wordt geheven alsof deze is opgegaan in de moedermaatschappij komen renten kosten en valutaresultaten daaronder begrepen ter zake van geldleningen welke rechtens dan wel in feite direct of indirect zijn verschuldigd aan een verbonden lichaam en welke verband houden met de verwerving van aandelen in die dochtermaatschappij, slechts in aftrek tot het bedrag dat de winst van de maatschappij die de geldlening heeft opgenomen zou hebben belopen zonder toepassing van het eerste lid. Voor zover in een jaar renten ingevolge de eerste volzin niet in aftrek zijn gekomen, worden deze aangemerkt als renten die verband houden met de verwerving van aandelen in de desbetreffende dochtermaatschappij van het volgende jaar. Onze Minister kan nadere regelen geven met betrekking tot het bepalen van het in de eerste volzin bedoelde bedrag dat de winst zou hebben belopen. 5. Het bepaalde in het vierde lid vindt met betrekking tot geldleningen die verband houden met de verwerving van aandelen geen toepassing: a. voor zover blijkt dat het lichaam waaraan de geldlening is verschuldigd, of een daarmee verbonden lichaam, met het oog op de verwerving van de aandelen vermogen uit hoofde van geldlening heeft aangetrokken van niet verbonden lichamen; of b. indien de moedermaatschappij aantoont dat het belang in de dochtermaatschappij in belangrijke mate is gewijzigd en een natuurlijk persoon onmiddellijk een belang heeft van ten minste een derde gedeelte in de moedermaatschappij en die natuurlijke persoon inkomsten uit arbeid geniet ter zake van een dienstbetrekking bij de moedermaatschappij dan wel de dochtermaatschappij. 28
29 Appendix B Artikel 15ad (oud) 1.Renten kosten en valutaresultaten daaronder begrepen ter zake van geldleningen die verband houden met de verwerving door een maatschappij van aandelen daaronder begrepen een kapitaalstorting in een andere maatschappij en die rechtens dan wel in feite direct of indirect zijn verschuldigd aan een lichaam of een natuurlijk persoon die met de eerstbedoelde maatschappij is verbonden, komen in het jaar waarin de fiscale eenheid ten aanzien van deze maatschappijen tot stand komt en de daarop volgende zeven jaren slechts in aftrek tot het bedrag dat de winst van de fiscale eenheid zou belopen zonder rekening te houden met het aan die andere maatschappij en de maatschappijen waarin die maatschappij ten tijde van de verwerving een belang had als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, toe te rekenen deel daarvan en voorts zonder rekening te houden met de hiervoor bedoelde renten alsmede winst waarop een regeling ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is. Voor de toepassing van de eerste volzin worden met aandelen gelijkgesteld, winstbewijzen en schuldvorderingen die bij de schuldenaar feitelijk functioneren als eigen vermogen in de zin van artikel 10, eerste lid, onderdeel d. 2.Voorzover renten in een jaar ingevolge het eerste lid niet in aftrek zijn gekomen, worden deze als zodanige renten in het volgende jaar in aanmerking genomen. 3.Het eerste lid vindt geen toepassing: a.voorzover blijkt dat aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1.de rente, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de schuldeiser in de grondslag betrokken van een belasting naar de winst of het inkomen, uiterlijk in het jaar dat volgt op het jaar waarin deze rente verschuldigd is; en 2.het lichaam of de natuurlijke persoon waaraan de geldlening is verschuldigd, of een daarmee verbonden lichaam, heeft met het oog op de verwerving van aandelen vermogen uit hoofde van geldlening aangetrokken van een niet verbonden lichaam; of b.voorzover blijkt dat de geldlening, bedoeld in het eerste lid, verband houdt met een kapitaalstorting en dat aan de volgende voorwaarde is voldaan: 1.de rente, bedoeld in het eerste lid, wordt bij de schuldeiser in de grondslag betrokken van een belasting naar de winst of het inkomen, uiterlijk in het jaar dat volgt op het jaar waarin deze rente verschuldigd is; of 2.de kapitaalstorting is binnen de fiscale eenheid aangewend, anders dan voor de overname, onmiddellijk of middellijk, van een onderneming of een gedeelte van een onderneming; of c.indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: 1.de moedermaatschappij toont aan dat met de in het eerste lid bedoelde verwerving van aandelen het uiteindelijke belang in de andere maatschappij in belangrijke mate is gewijzigd; en 2.een natuurlijk persoon of een samenwerkende groep van natuurlijke personen heeft middellijk of onmiddellijk een belang van ten minste vijf percent in de moedermaatschappij en de overige aandeelhouders hebben elk een belang van minder dan een derde in de moedermaatschappij, waarbij aandeelhouderslichamen die met elkaar zijn verbonden als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, als één aandeelhouder worden aangemerkt; en 3.één of meer van de onder 2 bedoelde personen geniet loon als bedoeld in artikel 3.80 van de Wet inkomstenbelasting 2001 ter zake van voor de in het eerste lid bedoelde andere maatschappij verrichte werkzaamheden welke van wezenlijke aard zijn. 4.Aan de in het derde lid, onderdeel b, onder 2, opgenomen voorwaarde wordt ook geacht te zijn voldaan in het geval de waarde in het economische verkeer van de in dat lid bedoelde andere maatschappij: 29
30 a of meer maar minder dan bedraagt, indien een natuurlijk persoon of een samenwerkende groep van natuurlijke personen middellijk of onmiddellijk een belang heeft van ten minste vijf percent in de moedermaatschappij en de overige aandeelhouders elk een belang van minder dan de helft in de moedermaatschappij hebben, waarbij aandeelhouderslichamen die met elkaar zijn verbonden als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, als één aandeelhouder worden aangemerkt; b.minder bedraagt dan , indien een natuurlijk persoon of een samenwerkende groep van natuurlijke personen middellijk of onmiddellijk een belang heeft van ten minste vijfentwintig percent in de moedermaatschappij. 5.Onze Minister kan nadere regelen geven met betrekking tot de verrekening van rente die bij het einde van de periode van acht jaren als bedoeld in het eerste lid nog niet in aftrek is gekomen. 30
31 Appendix C Voorstel van wet 1. Renten kosten en valutaresultaten daaronder begrepen ter zake van schulden die voortvloeien uit een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst, waarbij rente in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van de winst en die verband houden met de verwerving door een maatschappij van een belang in een of meer andere maatschappijen (overnameschulden), komen bij het bepalen van de in een jaar genoten winst slechts in aftrek tot een bedrag gelijk aan de winst van de fiscale eenheid van het jaar berekend zonder toepassing van dit artikel maar met inachtneming van het achtste lid, verminderd met het deel van die winst dat toerekenbaar is aan die andere maatschappijen en vermeerderd met de hiervoor bedoelde renten. 2.De aftrekbeperking van het eerste lid is slechts van toepassing indien het bedrag aan renten dat ingevolge dat lid niet in aftrek zou komen meer bedraagt dan en er bij de fiscale eenheid sprake is van een teveel aan vreemd vermogen. 3.De aftrekbeperking van het eerste lid is slechts van toepassing tot het laagste van de volgende twee bedragen: a.het bedrag aan renten dat ingevolge het eerste lid niet in aftrek zou komen, verminderd met ; b.het volgens het vierde lid berekende bedrag van het teveel aan overnamerenten. 4.Het bedrag van het teveel aan overnamerenten, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt gesteld op het gedeelte van het bedrag aan in het eerste lid bedoelde renten, dat evenredig is aan de verhouding tussen het gemiddelde bedrag van het teveel aan vreemd vermogen en het gemiddelde bedrag van de overnameschulden, waarbij het gemiddelde bedrag van het teveel aan vreemd vermogen slechts in aanmerking wordt genomen voor zover het niet uitgaat boven het gemiddelde bedrag van de overnameschulden. 5.Van een teveel aan vreemd vermogen als bedoeld in dit artikel is sprake voor zover bij de fiscale eenheid het totale bedrag aan schulden die voortvloeien uit overeenkomsten van geldlening of daarmee vergelijkbare overeenkomsten, waarbij rente in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van de winst, gemiddeld meer bedraagt dan tweemaal het gemiddeld eigen vermogen. 6.Voor de toepassing van het vijfde lid wordt: a.het eigen vermogen verminderd met de boekwaarde van de deelnemingen waarvoor de deelnemingsvrijstelling van toepassing is; b.een fiscale reserve niet als eigen vermogen beschouwd; c.ingeval op het voegingstijdstip het eigen vermogen is afgenomen dan wel toegenomen als gevolg van voeging van een in het eerste lid bedoelde andere maatschappij, in het jaar van voeging en in elk van de negen volgende jaren zolang die maatschappij deel uitmaakt van de fiscale eenheid het eigen vermogen verhoogd respectievelijk verlaagd met het bedrag van die afname respectievelijk toename, waarbij die verhoging dan wel die verlaging elk jaar afneemt met 10 percent van dat bedrag; d.het gemiddeld eigen vermogen na toepassing van de onderdelen a, b en c ten minste op nihil gesteld. 7.De in dit artikel bedoelde gemiddelden worden bepaald naar de stand bij het begin en het einde van het jaar, waarbij tijdelijke mutaties rond die tijdstippen worden genegeerd voor zover deze plaatsvinden met het oog op de toepassing van dit artikel. 8.Dit artikel is slechts van toepassing op bestanddelen van de winst die geen deel uitmaken van winst uit een andere staat als bedoeld in artikel 15e waarop de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten van toepassing is en op bestanddelen van het vermogen welke niet dienstbaar zijn aan het behalen van dergelijke winst. 9.Het bedrag aan renten dat ingevolge dit artikel niet in aftrek komt, wordt overgebracht naar het volgende jaar en wordt in dat jaar onderworpen aan de aftrekbeperking van dit artikel, met dien verstande dat het tweede tot en met zevende lid daarbij buiten toepassing blijven. 31
32 Appendix D Artikel 15ad (huidige) 1.Renten kosten en valutaresultaten daaronder begrepen ter zake van schulden die voortvloeien uit een overeenkomst van geldlening of een daarmee vergelijkbare overeenkomst, waarbij rente in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van de winst en die rechtens dan wel in feite direct of indirect verband houden met de verwerving of uitbreiding door een maatschappij van een belang in een of meer andere maatschappijen (overnameschulden), komen bij het bepalen van de in een jaar genoten winst slechts in aftrek tot een bedrag gelijk aan de winst van de fiscale eenheid van het jaar berekend zonder toepassing van dit artikel maar met inachtneming van het zevende lid, verminderd met het deel van die winst dat toerekenbaar is aan die andere maatschappijen en vermeerderd met de hiervoor bedoelde renten. Ingeval een in de eerste volzin bedoelde andere maatschappij tijdens het bestaan van de fiscale eenheid is geliquideerd, vindt dit artikel toepassing alsof die liquidatie niet heeft plaatsgevonden. 2.De aftrekbeperking van het eerste lid is slechts van toepassing indien het bedrag aan renten dat ingevolge dat lid niet in aftrek zou komen meer bedraagt dan en er bij de fiscale eenheid sprake is van een teveel aan overnamerenten. 3.De aftrekbeperking van het eerste lid is slechts van toepassing tot het laagste van de volgende twee bedragen: a.het bedrag aan renten dat ingevolge het eerste lid niet in aftrek zou komen, verminderd met ; b.het volgens het vierde lid berekende bedrag van het teveel aan overnamerenten. 4.Het bedrag van het teveel aan overnamerenten, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, wordt gesteld op het gezamenlijke bedrag aan in het eerste lid bedoelde renten die in het jaar zijn verschuldigd over het bovenmatige deel van de overnameschulden met betrekking tot de in het jaar gevoegde maatschappijen en over het bovenmatige deel van de overnameschulden met betrekking tot de in elk van de voorgaande jaren gevoegde maatschappijen. 5.Van een bovenmatig deel aan overnameschulden met betrekking tot de in een bepaald jaar gevoegde maatschappijen is sprake voor zover het gezamenlijke bedrag van de overnameschulden die verband houden met de verwerving of uitbreiding van een belang in een of meer in datzelfde jaar gevoegde maatschappijen bij het einde van het jaar meer bedraagt dan een in het zesde lid aangegeven percentage van de verkrijgingsprijs van die belangen. Daarbij worden tijdelijke mutaties van die schulden rond het einde van het jaar genegeerd voor zover deze plaatsvinden met het oog op de toepassing van dit artikel. 6.Het in het vijfde lid bedoelde percentage van de verkrijgingsprijs van een belang bedraagt in het jaar van voeging 60% en neemt vervolgens met 5% punt per jaar af tot 25%. 7.Dit artikel is slechts van toepassing op bestanddelen van de winst die geen deel uitmaken van winst uit een andere staat als bedoeld in artikel 15e waarop de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten van toepassing is en op bestanddelen van het vermogen welke niet dienstbaar zijn aan het behalen van dergelijke winst uit een andere staat. 8.Het bedrag aan renten dat ingevolge dit artikel niet in aftrek komt, wordt overgebracht naar het volgende jaar en wordt in dat jaar onderworpen aan de aftrekbeperking van dit artikel, met dien verstande dat het tweede tot en met zesde lid daarbij buiten toepassing blijven. 32
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2011 2012 33 003 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2012) Nr. 30 VIJFDE NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen 11 november
De renteaftrekbeperking bij externe acquisities in art. 10a Vpb
De renteaftrekbeperking bij externe acquisities in art. 10a Vpb Auteur: R.H. Honing Studentnummer: 5603218 Onder begeleiding van: Tweede beoordelaar: Universiteit: Faculteit: Opleiding: Studierichting:
PRAKTIJKNOTITIE Fiscaal. 1. Inleiding. 2. De fiscale eenheid in de vennootschapsbelasting Inleiding Voorwaarden vormen fiscale eenheid VPB
Van: NOAB Adviesgroeplid Marree & Van Uunen Belastingadviseurs Datum: februari 2019 Onderwerp: Spoedreparatie fiscale eenheid VPB voor het MKB 1. Inleiding In 2018 werd aangekondigd dat de regeling voor
Regime fiscale eenheid geraakt door uitspraak Hof van Justitie EU in zaak renteaftrekbeperking
Jasper van Nes Advocaat Belastingadviseur Regime fiscale eenheid geraakt door uitspraak Hof van Justitie EU in zaak renteaftrekbeperking Belastingrecht 23 maart 2018 Rente op een geldlening voor de financiering
Memorandum RECENTE BELASTINGONTWIKKELINGEN MET BETREKKING TOT DE FISCALE EENHEID
Memorandum REENTE ELASTINGONTWIKKELINGEN MET ETREKKING TOT DE FISALE EENHEID Op 6 juni 2018 heeft de Staatssecretaris van Financiën het wetsvoorstel Wet spoedreparatie fiscale eenheid gepubliceerd. In
Fiscale aspecten van groepsfinanciering van vastgoed
Fiscale aspecten van groepsfinanciering van vastgoed Wet VPB 1969 In een themanummer over vastgoedfinanciering kan een bijdrage over de fiscale aspecten niet ontbreken. In dit artikel gaan wij in op de
Alles onder Controle!
Alles onder Controle! VPB 2010 Het consultatiedocument Maurice de Clercq & Gunther Hoffmann 25 november 2009 Programma Inleiding Groepsrentebox Renteaftrekbeperkingen Laagbelaste beleggingsdeelneming Inleiding
Fiscale workshop Renteaftrekbeperkingen
Fiscale workshop Renteaftrekbeperkingen J.F.H.M. Knevels RV FB Stelling Rente is in Nederland NIET aftrekbaar, tenzij.. 2 1 vreemd vermogen vs eigen vermogen Fiscale hoofdregel: - Vergoeding op eigen vermogen
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1995 1996 24 696 Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en het versterken
Eerste Kamer der Staten-Generaal
Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2017 2018 34 323 Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere wetten in verband met enkele aanpassingen inzake de fiscale eenheid
Fiscale eenheid. Impact spoedmaatregelen. Agenda. februari dr. A. Rozendal. Toepassing art. 10a. Toepassing art. 20a.
Fiscale eenheid Impact spoedmaatregelen februari 2019 dr. A. Rozendal 1 Agenda Inleiding Toepassing art. 10a Toepassing art. 20a 2 Inleiding Toepassing art. 10a Toepassing art. 20a 3 Inleiding Voordelen
Vennootschapsbelasting. Toepassing van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Belastingdienst /Directie Vaktechniek Belastingen.
1 Vennootschapsbelasting. Toepassing van artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 Belastingdienst /Directie Vaktechniek Belastingen. Besluit van 25 maart 2013,nr. BLKB2013/110M. De Staatssecretaris
Checklist Deelnemingsvrijstelling
Checklist Deelnemingsvrijstelling Wie een (persoonlijke) holding bezit met daarin aandelen in een werkmaatschappij, zal al snel achter het belang van de deelnemingsvrijstelling komen. De deelnemingsvrijstelling
Renteaftrekbeperkingen bij Overnameholdings
Bachelor Thesis Naam: B. Kaerts Studierichting: Fiscale Economie Administratienummer: 695886 Datum: 5 juni 2012 Begeleider: mr. G. C. van der Burgt Inhoudsopgave: Hoofdstuk 1 - Inleiding... 3 Hoofdstuk
Geld geleend van de eigen vennootschap? Mogelijk dubbele heffing door nieuwe wetgeving! CROP.NL
Geld geleend van de eigen vennootschap? Mogelijk dubbele heffing door nieuwe wetgeving! Bovenmatig lenen bij eigen vennootschap wordt ontmoedigd! Algemeen De belastingdienst stelt de laatste jaren steeds
VpB 2010* Treasury Tax Update
VpB 2010* Treasury Tax Update Consultatiedocument VPB 2010: De groepsrentebox, renteaftrekbeperkingen en de deelnemingsvrijstelling Amsterdam, 13 juli 2009 *connectedthinking Agenda Opmaat herziening vennootschapsbelasting
Blok 11. IS 2: dubbele belasting en de Spaanse holding (ETVE). Deelnemingen, deelnemingsvrijstelling of voorkoming van dubbele belasting.
Blok 11. IS 2: dubbele belasting en de Spaanse holding (ETVE). Deelnemingen, deelnemingsvrijstelling of voorkoming van dubbele belasting. 1. Algemeen systeem. De wet voorziet in diverse gedetailleerde
Artikel 15ad Wet Vennootschapsbelasting 1969 (de regeling inzake de overnameholding nader beschouwd)
Artikel 15ad Wet Vennootschapsbelasting 1969 (de regeling inzake de overnameholding nader beschouwd) 30 december 2012 Universiteit van Amsterdam Fiscale Economie Remco Mosch nr. 10266321 1 ste Begeleider:
Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:
34 323 Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere wetten in verband met enkele aanpassingen inzake de fiscale eenheid (Wet aanpassing fiscale eenheid) NOTA VAN WIJZIGING Het
Spoedreparatie fiscale eenheid. Michel Ruijschop
Spoedreparatie fiscale eenheid Michel Ruijschop Spoedreparatiemaatregelen Uitgangspunten en vragen Geen temporele beperking (!) Hoe ver gaat het wegdenken? Ook wegdenken als de fiscale eenheid nadelig
Wij wensen u veel leesplezier en nodigen u uit contact op te nemen via [email protected] voor al uw vragen.
Fiscale actualiteiten mei 2013 In deze nieuwsbrief zullen de volgende onderwerpen worden behandeld: 1. Aftrek beperkende deelnemingsrente: indien een besloten vennootschap meer dan 750.000 aan rente betaalt
Geld geleend van de eigen vennootschap? Mogelijk dubbele heffing door nieuwe wetgeving! CROP.NL
Geld geleend van de eigen vennootschap? Mogelijk dubbele heffing door nieuwe wetgeving! Belastingdienst gaat bovenmatig lenen bij eigen vennootschap aanpakken. Inleiding De Belastingdienst stelt de laatste
Renteaftrek bij acquisities. Samenvatting
Ondernemingsrecht, Renteaftrek bij acquisities Klik hier om het document te openen in een browser venster Vindplaats: Ondernemingsrecht 2014/48 Bijgewerkt tot: 14-03-2014 Auteur: Prof. dr. Q.W.J.C.H. Kok
Reactie Register Belastingadviseurs (RB) inzake de aangekondigde spoedmaatregelen inzake de fiscale eenheid vennootschapsbelasting
Per post en per e-mail Aan de Vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer der Staten-Generaal T.a.v. mevrouw P.F.L.M. Tielens-Tripels Postbus 20018 2500 EA Den Haag Culemborg, 17 januari 2018 Betreft:
DE VERPLICHTE GROEPSRENTEBOX EN DE BEPERKINGEN VAN DE AFTREK VAN DE RENTE GETOETST AAN TWEE CRITERIA
De verplichte groepsrentebox en de aftrekbeperkingen van de rente getoetst aan twee criteria Gepubliceerd in Weekblad Fiscaal Recht 2009/6822, blz. 960-968 J. Vleggeert, Associate Professor at the Institute
I. ALGEMEEN. Memorie van toelichting. 1. Inleiding
Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in verband met de invoering van een tussenregeling voor valutaresultaten op deelnemingen (Tussenregeling valutaresultaten op deelnemingen) Memorie
Gegevens belastingplichtige. Naam. Adres Postcode Plaats Telefoon. Inspectienaam Boekjaar van.. t/m
Gegevens belastingplichtige Naam Adres Postcode Plaats Telefoon Inspectienaam Boekjaar van.. t/m Regeling functionele valuta van toepassing dit boekjaar? Ingangsdatum Valutacode Factor Koers Vpb aangifte
Ontwerpwijzigingen van enkele specifieke renteaftrekbeperkingen in de Wet Vpb 1969 (onderdeel van pakket BP2017)
Ontwerpwijzigingen van enkele specifieke renteaftrekbeperkingen in de Wet Vpb 1969 (onderdeel van pakket BP2017) Artikel I De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd: A) Artikel
Bachelor Thesis Invoering van een renteaftrekbeperking voor overnameholdings
Bachelor Thesis Invoering van een renteaftrekbeperking voor overnameholdings Naam : C.T.G. Scholten Studierichting : Fiscale Economie Administratienummer : 855808 Datum : april 2011 Examencommissie : prof.
$ 100,000 (2punten) Pand gebruik genot $ 417,500 50% $ 208,750 Boekwaarde $ 250,000 -/- 1 Hypotheek $ 100,000 +/+ 1.
Opgave 1 Activa Fiscale Werkelijke Passiva Fiscale Werkelijke boekwaarde waarde boekwaarde waarde Alternatief per goed Bedrijfspand 250,000 350,000 Kapitaal 337,500 667,500 getal 2 (x3) Voorraad 200,000
Consultatie wetsvoorstel implementatie ATAD2
Consultatie wetsvoorstel implementatie ATAD2 Op 29 mei 2017 is een aanpassing van de EU-richtlijn ter bestrijding van belastingontwijking aangenomen, zodat deze richtlijn zich (ook) richt tegen hybridemismatches
De dubbele zakelijkheidstoets van artikel 10a lid 3a Wet Vpb 1969 bij feitelijke derdenleningen, borg- en garantstellingen en onzakelijke leningen
De dubbele zakelijkheidstoets van artikel 10a lid 3a Wet Vpb 1969 bij feitelijke derdenleningen, borg- en garantstellingen en onzakelijke leningen Universiteit van Amsterdam Masterscriptie Fiscale economie
Datum 16 april 2012 Betreft Opzet aanpassing Bvdb 2001 (voorkoming dubbele bankenbelasting) en tweede Nota van wijziging bankenbelasting
> Retouradres Postbus 20201 2500 EE Den Haag de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA s GRAVENHAGE Directie Internationale Fiscale Zaken Korte Voorhout 7 2511 CW Den
De onzakelijke omleiding inzake de dubbele zakelijkheidstoets van artikel 10a, derde lid, Wet op de Vennootschapsbelasting 1969
De onzakelijke omleiding inzake de dubbele zakelijkheidstoets van artikel 10a, derde lid, Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 Bachelor thesis Fiscale Economie Universiteit van Tilburg Student: Maud Joosen
De dubbele zakelijkheidstoets van artikel 10a Wet op de Vennootschapsbelasting 1969
De dubbele zakelijkheidstoets van artikel 10a Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 De parallelliteitstoets bij externe financieringen Bachelor Scriptie Tilburg University Tilburg School of Economics and
Fiscale gevolgen herziening woningwet. Zorginstellingen en vennootschapsbelasting. Maarten Jan Brouwer Jan Pieter van Eck
Fiscale gevolgen herziening woningwet Zorginstellingen en vennootschapsbelasting Maarten Jan Brouwer Jan Pieter van Eck Combinatie Inleiding Als gevolg van de (flink) herziene woningwet moeten woningcorporaties
SRA-Praktijkhandreiking. Spoedreparatie fiscale eenheid vennootschapsbelasting
SRA-Praktijkhandreiking Spoedreparatie fiscale eenheid vennootschapsbelasting Inhoudsopgave 1 Algemeen... 3 2 Verloop en historie... 4 3 Hoofdlijn... 5 3.1 Terugwerkende kracht naar 1 januari 2018... 5
Overnameholdingwetgeving
ERASMUS UNIVERSITEIT ROTTERDAM Erasmus School of Economics Bachelorscriptie Nadruk verboden Overnameholdingwetgeving Een beoordeling naar effectiviteit en efficiëntie. Naam: J.A. Bakker Studentnummer:
HOLLAND IMMO GROUP BEHEER B.V. TE EINDHOVEN. Halfjaarcijfers per 30 juni 2014. Geen accountantscontrole toegepast
HOLLAND IMMO GROUP BEHEER B.V. TE EINDHOVEN Halfjaarcijfers per 30 juni 2014 Balans per 30 juni 2014 Vóór resultaatbestemming ACTIVA 30 juni 2014 31 december 2013 Vlottende activa Handelsdebiteuren 1.624
10a en fraus legis BESTAAT ER NOG RUIMTE VOOR BIJZONDERE RECHTSMIDDELEN NAAST ART. 10A WET VPB 1969?
10a en fraus legis BESTAAT ER NOG RUIMTE VOOR BIJZONDERE RECHTSMIDDELEN NAAST ART. 10A WET VPB 1969? Oscar Smeets Herculesstraat 27-I 1076 RZ Amsterdam T +31 (0)6 422 66 555 E [email protected] W www.oscarsmeets.nl
PRAKTIJKNOTITIE Reparatiemaatregelen fiscale eenheid Vpb. 1. Inleiding. 2. Waar ging en gaat de discussie over? 2.1. Globale beschrijving
Van: NOAB Adviesgroep-lid Punt & Van de Weerdt Belastingadviseurs Datum: Februari 2018 Onderwerp: 1. Inleiding Het is weer zover. Het Ministerie van Financiën lijdt in Luxemburg bij de Europese rechter
Wet werken aan winst in Staatsblad
Wet werken aan winst in Staatsblad De Wet werken aan winst is op 12 december 2006 in het Staatsblad gepubliceerd. Dit betekent dat de meeste wijzigingen ingevolge deze wet op 1 januari 2007 in werking
HOLLAND IMMO GROUP BEHEER B.V. TE EINDHOVEN. Halfjaarcijfers per 30 juni 2015. Geen accountantscontrole toegepast
HOLLAND IMMO GROUP BEHEER B.V. TE EINDHOVEN Halfjaarcijfers per 30 juni 2015 Balans per 30 juni 2015 Vóór resultaatbestemming ACTIVA 30 juni 2015 31 december 2014 Vaste activa Immateriële vaste activa
De Wet op de vennootschapsbelasting 1969 wordt als volgt gewijzigd:
Wijziging van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en enige andere wetten in verband met enkele aanpassingen inzake de fiscale eenheid (Wet aanpassing fiscale eenheid) VOORSTEL VAN WET Allen, die deze
Abnormale of goedgunstige voordelen toch geen minimale belastbare basis?
Abnormale of goedgunstige voordelen toch geen minimale belastbare basis? Aan de hand van bepaalde transacties wordt binnen groepen van vennootschappen soms gepoogd om winsten te verschuiven naar de vennootschappen
Position Paper. Een concernregeling voor de vennootschapsbelasting
Position Paper Een concernregeling voor de vennootschapsbelasting Het Register Belastingadviseurs (hierna: RB ) gaat graag in op de uitnodiging van het Ministerie van Financiën om een bijdrage te leveren
BACHELOR THESIS. Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Vpb) : Angela Aerts. Datum : november Prof. dr. J.A.G. van der Geld
BACHELOR THESIS De fiscale aspecten van de renteaftrekbeperkingen en de thin capitalisation in de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969 (Vpb) Naam : Angela Aerts Studierichting : Fiscale Economie Administratienummer
- Algemene toelichting 3. - Balans per 31 december Winst- en verliesrekening over het jaar Toelichting op de balans 6
Inhoudsopgave Verslag van de directie 2 Jaarrekening 2012 - Algemene toelichting 3 - Balans per 31 december 2012 4 - Winst- en verliesrekening over het jaar 2012 5 - Toelichting op de balans 6 - Toelichting
Jaarbericht Weller Wonen Holding BV 2016
Jaarbericht Weller Wonen Holding BV 2016 Inhoudsopgave Inhoudsopgave... 1 1. Algemeen... 2 2. Jaarrekening (x 1.000)... 3 2.1 Balans per 31 12 2016 (voor winstbestemming)... 3 2.2 Winst en verliesrekening
Stichting Bewaarder Holland Immo Group XI/ Retail Residential Fund te Eindhoven
Stichting Bewaarder Holland Immo Group XI/ Retail Residential Fund te Eindhoven Jaarrekening 2012 Stichting Bewaarder Holland Immo Group XI/ Retail Residential Fund Jaarrekening 2012 Inhoudsopgave Jaarstukken
Besluit van PM DATUM [CONCEPT] tot wijziging van enige wetten en uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen
Besluit van PM DATUM [CONCEPT] tot wijziging van enige wetten en uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen Artikel XII Het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:
De behandeling van positieve valutaresultaten bij artikel 10a Wet Vpb
Universiteit van Amsterdam Faculteit Economie en Bedrijfskunde Masterscriptie Fiscale economie De behandeling van positieve valutaresultaten bij artikel 10a Wet Vpb Anita Liu Studentnummer: 0468851 Eerste
Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, willekeurige afschrijving
Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, willekeurige afschrijving Geldend op 24-07-2009 - Besluit van 27 maart 2001; CPP 2001/366M De directeur-generaal Belastingdienst heeft namens de staatssecretaris
Bewaarbedrijf Ameuro N.V. Eindhoven Jaarverslag 2005
Bewaarbedrijf Am N.V. Eindhoven Jaarverslag 2005 1 Bewaarbedrijf Am N.V. Eindhoven Jaarverslag 2005 Inhoudsopgave Verslag van de directie 3 Jaarrekening 2005 Algemene toelichting 4 Balans per 31 december
Bijlage 1: Algemeen. Indien deze bijlage niet voldoende is, maak dan een kopie van deze bijlage.
Bijlage 1: Algemeen Indien deze bijlage niet voldoende is, maak dan een kopie van deze bijlage. 1 Bijlage 2: aandeelhouders Vul bijlage 2 in als het gaat om: een besloten vennootschap; een naamloze vennootschap
Voor wat betreft de rentebetalingen wordt verwezen naar onderdeel a hiervoor.
Uitwerking tentamenopgave 1 (totaal 50 ptn) Opgave a; relevante fiscale aspecten voor 2007 (5 ptn) Voor 2007 zijn in principe alleen de beide leningen relevant. Voor wat betreft de betaalde optiepremie
Jaarbericht Weller Wonen Holding BV 2014
Jaarbericht Weller Wonen Holding BV 2014 Inhoudsopgave 1. Algemeen 2 2. Jaarrekening 3 2.1 Balans per 31-12-2014 (voor winstbestemming) 3 2.2 Winst en verliesrekening over 2014 4 2.3 Kasstroomoverzicht
Bachelor scriptie Fiscale Economie: Renteaftrekbeperking van overname holdings
Bachelor scriptie Fiscale Economie: Renteaftrekbeperking van overname holdings Naam Studierichting : Dennis Kamps : Fiscale Economie Administratienummer : 552511 Datum : 15 november 2012 Begeleider : prof.
BEWAARBEDRIJF AMEURO N.V. Jaarverslag 31 december 2014
BEWAARBEDRIJF AMEURO N.V. Jaarverslag 31 december 2014 Jaarrekening is vastgesteld door de Algemene Vergadering van Aandeelhouders gehouden op 24 april 2014 R. Mooij Jaarverslag 2014 31 december 2014 JAARVERSLAG
Jaarbericht Weller Wonen Holding BV 2015
Jaarbericht Weller Wonen Holding BV 2015 Inhoudsopgave Inhoudsopgave... 1 1. Algemeen... 2 2. Jaarrekening... 3 2.1 Balans per 31 12 2015 (voor winstbestemming)... 3 2.2 Winst en verliesrekening over 2015...
SPO. Jaarrekening 2015
SPO Jaarrekening 2015 Inhoudsopgave 1. Inhoud 1.Jaarverslag... 3 1. Oprichting... 3 2. Samenwerking Proper Stok... 3 3. Personeel... 3 4. Fiscale positie... 3 2.Jaarrekening... 4 Balans per 31 december
De Earningsstrippingregeling (ATAD 1)
5 maart 2019 De Earningsstrippingregeling (ATAD 1) Eind december 2018 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de implementatie van de Europese Earningsstrippingmaatregel (hierna ook genoemd: ESM ) per 1 januari
SPO B.V. Jaarrekening 2016
SPO B.V. Jaarrekening 2016 INHOUDSOPGAVE pagina 1. Jaarverslag 1 2. Jaarrekening Balans 2 Winst- en verliesrekening 4 Toelichting op de jaarrekening 5 Ondertekening 10 3. Overige gegevens 11 1. Jaarverslag
Staatssecretaris beantwoordt vragen spoedreparatie fiscale eenheid
Staatssecretaris beantwoordt vragen spoedreparatie fiscale eenheid Op 4 juni 2018 is het wetsvoorstel Wet spoedreparatie fiscale eenheid ( het wetsvoorstel ) bij de Tweede Kamer ingediend (zie onze eerdere
