Kenangan Herinneringen
|
|
|
- Pieter-Jan Peeters
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1
2 Kenangan Herinneringen Molukkers in Zwolle Historisch Centrum Overijssel 2012
3 Inhoudsopgave 3 Voorwoord: 4 Bert de Vries, directeur Historisch Centrum Overijssel Inleiding 5 Herman Aarts, projectleider Molukkers in Zwolle Interviews: Julia Scholten-Rada Patty Wolthof - Mevrouw Rada-Soepardi 6 - Mevrouw Woearbanaran 12 - Mevrouw Putnarubun-Djoemi 17 - Jitro Ubro 22 - Max Pohowainjaan 27 - Bernard Patjanan 33 - Benoni Patjanan 38 - Wim Rahajaan 42 - Octovina Hoexum-Pohowainjaan 48 - Johannes Balabun 54 - Joop Rahantoknam 59 - Moni Woearbanaran 63 - Evie Rahakbauw-Ubro 67 - Thomas Somnaikubun 71 - Stans Huls 75 - Jil Frederiks 79 Kaderteksten Herman Aarts Geraadpleegde literatuur 85 Foto verantwoording 85 Colofon 85 2 Inhoudsopgave Inhoudsopgave 3
4 Voorwoord Nieuwe Nederlanders, nieuwe Overijsselaars. Na de Tweede Wereldoorlog zijn allerlei groepen mensen vanuit het buitenland in Nederland komen wonen. Al die mensen hebben een andere achtergrond, een andere geschiedenis, een ander verhaal. Overeenkomst tussen al die mensen is dat ze vanuit een ander land en een andere cultuur in Nederland zijn gekomen en zijn geconfronteerd met een nieuwe vestigingsplaats en een nieuwe cultuur. De verhalen en het erfgoed dat hieruit is voortgekomen zijn van belang om te kunnen documenteren en te kunnen reconstrueren hoe dit proces is verlopen en hoe dit door de betrokkenen is beleefd. Molukkers in Zwolle is een impressie aan de hand van interviews. In dit boek staan de verhalen opgetekend en daarmee zijn ze voor de toekomst vastgelegd. Het Historisch Centrum Overijssel is ontzettend blij dat dit is gebeurd en hoopt hiermee een bijdrage te leveren aan een completer beeld van de geschiedenis van Zwolle. Ik wil de gemeente Zwolle bedanken voor de steun aan het project en verder bedank ik alle mensen die een bijdrage hebben geleverd aan de realisatie van dit interessante boek. Bert de Vries Directeur Historisch Centrum Overijssel Inleiding In 2011 was het zestig jaar geleden dat de Molukkers naar Nederland kwamen. Een groep woont sinds het begin van de jaren zestig in de wijk Holtenbroek in Zwolle. De persoonlijke geschiedenis van een aantal van hen is in dit boekje vastgelegd en vormt daarmee een onderdeel van het collectieve verleden van Zwolle en van Nederland. Sommige verhalen beginnen al voor de Tweede Wereldoorlog toen veel Molukkers als militair in dienst traden van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger ( KNIL). De Molukse militairen streden loyaal aan de kant van de Nederlanders tegen de Japanse bezetter van Nederlands Indië en daarna tegen de Indonesische nationalisten. Na de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië ontstond een patstelling over de positie van de Molukse KNIL militairen, waarbij enerzijds de Republik Maluku Selatan (RMS), de vrije republiek der Zuid Molukken, werd uitgeroepen, en waarbij anderzijds Molukse militairen met hun gezinnen naar Nederland werden overgebracht, gevolgd door hun ontslag uit het Nederlandse leger. Omdat het verblijf van de Molukkers tijdelijk zou zijn heeft de Nederlandse overheid minimaal geïnvesteerd in hun integratie in de Nederlandse samenleving en omdat ook een politieke oplossing tussen Nederland en Indonesië over de terugkeer van de Molukkers uitbleef, groeide de onvrede onder de Molukkers, die zich afgescheept voelden. Jonge Molukkers kwamen op voor hun ouders, radicaliseerden en gingen in de jaren zeventig van de vorige eeuw over tot gewelddadige acties om aandacht te eisen voor hun positie. Hoewel sindsdien veel verbeterd is, blijft de door de Nederlandse overheid gebroken belofte van terugkeer naar de Molukken voor velen tot op de dag van vandaag onverteerbaar. Het uitblijven van een gebaar van de Nederlandse overheid van erkenning en respect voor de Molukse militairen en hun gezinnen houdt een pijnlijk gevoel in stand dat ook bij de huidige en komende generaties Molukkers merkbaar zal zijn. De persoonlijke verhalen van de Molukkers uit Zwolle, die oorspronkelijk afkomstig zijn van Tanimbar en de Kei-eilanden, zijn in mondelinge interviews opgetekend door Julia Scholten-Rada en Patty Wolthof. Om het kader te schetsen waarin de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden zijn korte teksten toegevoegd als extra informatie tussen de persoonlijke verhalen van de geïnterviewden en de lezer. De interviews weerspiegelen de herinneringen en meningen van de geïnterviewden en belichten een weggedrukt aspect van de Nederlandse koloniale geschiedenis, in het perspectief van dit moment. De Molukse mensen in Zwolle delen niet de RMS idealen, maar ze voelen zich wel verbonden met Indonesië en de eilanden waar zij vandaan komen. Ze tonen niet gauw hun zorgen, verdriet of moedeloosheid. Naar de buitenwereld zijn ze beleefd, behulpzaam en gaan goed om met andere groepen in de samenleving. In de interviews hebben ze zich voor het eerst laten horen, ze hebben de stilte doorbroken en zich kwetsbaar opgesteld. Herman Aarts, Projectleider Molukkers in Zwolle 4 Voorwoord Inleiding 5
5 Mevrouw Rada-Soepardi Stralend in haar sarong en kabaja zit ze op ons te wachten, alsof ze een statement wil maken; zo was het vroeger en dat vroeger zal nooit veranderen. Ze brengt ons thee met allemaal lekkernijen, dat past bij haar, bij haar cultuur, een cultuur die gekoesterd mag worden. Ingetogen en met een sprankje heimwee vertelt ze haar verhaal. Ik ben geboren in het dorpje Cikidang en groeide op in Bogor op Java. Bogor is een groene stad, het regent er veel, de stad wordt ook wel Kota Udjang genoemd. Bogor heeft een beroemde botanische tuin, Kebun Raya. In deze tuin staat het paleis van Soekarno, de vroegere president van Indonesië. In de zomermaanden is het in Bogor aangenaam, er komen dan veel mensen naar de stad. Mijn ouders hebben drie kinderen gekregen, waarvan ik de jongste ben. Ik heb mijn ouders niet zo goed gekend, zij stierven toen ik nog heel jong was. Mijn broer, zus en ik zijn door mijn opa en oma grootgebracht. Wij woonden met opa en oma dichtbij de rivier de Ciliwong. Opa had Mevrouw Rada-Soepardi theeplantages en sawa s, waar ik vaak met oma heen ging. Ik hoefde er niet te werken; de sawa s en theeplantages waren mijn speeltuin, daar speelde ik met de kinderen van de mensen die op de sawa s en de theeplantages werkten. Opa was een theeboer, de oogst verkocht hij aan fabrieken en kleine bedrijven. Opa en oma waren mohammedanen en beleden het islamitische geloof, ik ben daarmee opgegroeid. Ik ging naar een traditionele islamitische school, het geloof was het hoofdvak. Op een dag ging tante Sukina boodschappen doen en vroeg of ik mee wilde naar Jakarta, dat is een hele grote stad. Ik was buiten de sawa s en theeplantages nog niet in een echt grote stad geweest. Ik vond het fijn dat ik mee mocht. In Jakarta ontmoette ik toen mijn man. Het was liefde op het eerste gezicht. Mijn man was een KNIL-militair, hij was vaandrig, dat is een officier in opleiding. Hij werd stapelverliefd op mij en wilde met me trouwen. Dat trouwen was niet vanzelfsprekend; ik moest eerst toestemming vragen aan opa, oma en mijn broer. Mijn broer hoorde al van mijn tante dat ik een man had ontmoet die met mij wilde trouwen. Mijn broer was niet blij met het nieuws, hij gaf mij geen toestemming om te trouwen omdat mijn aanstaande man niet het islamitische geloof had. Ik was jong en wist niet wat ik moest doen. Ik was in de zevende hemel door mijn mans liefde voor mij, maar ook erg verdrietig omdat mijn broer mij niet steunde en het huwelijk afkeurde. Ik keerde terug naar Jakarta om mijn man te laten weten dat ik niet met hem kon trouwen. Hij was niet onder de indruk van het feit dat ik geen toestemming kreeg van mijn broer en vroeg mij wederom ten huwelijk. Hij zei: Ik neem de verantwoordelijkheid op me als je met mij trouwt en beloof dat je voor altijd mijn naam zal dragen. Wij trouwden, tegen de wil van mijn broer, in Bandoeng voor de burgerlijke stand en in Tjimahi in de tangsi voor de kerk. Ik droeg geen trouwjapon, ik ben heel traditioneel in een sarong en kabaja getrouwd. Ik was jong en ik had nog nooit een beslissing hoeven nemen, deze beslissing bleek de moeilijkste die ik ooit zou nemen. Ik hield van mijn man maar ik wist ook niet wat mij te wachten stond. Omdat ik tegen de wil van opa, oma en mijn broer was getrouwd kon ik en durfde ik niet meer thuis te komen. Ik kon niet aan hen vertellen dat ik met deze man was getrouwd en het protestantse geloof had aangenomen. Het zou hun hart breken en het zou ook heel moeilijk voor hen zijn om mijn man te accepteren. Als jong meisje ging ik niet echt uit, wel gingen we regelmatig op visite bij familie. Opa en oma waren lieve, zorgzame mensen, maar mijn broer trad op als hoofd van het gezin; mijn broer was heel streng voor mij, omdat hij zich verantwoordelijk voelde voor ons gezin. Toen de oorlog uitbrak werd ons leven anders; het werd gevaarlijk. Opa en oma maakten zich zorgen om ons. Het werd steeds moeilijker om naar de sawa s en de theeplantages te gaan en het was gevaarlijk vanwege het geschut en de vliegtuigen die laag boven ons vlogen. Ook was het moeilijk eten en andere dingen die dagelijks nodig waren te kopen. Omdat het bij opa en oma niet zo veilig meer was, brachten zij mij naar tante Sukina die in Laan Trevelli woonde, een Europese wijk bij Jakarta. Tante Sukina was kok en bereidde de maaltijden voor een Nederlandse familie. Bij haar heb ik een tijdje gewoond. 6 Mevrouw Rada-Soepardi De ingang van een tangsi Mevrouw Rada-Soepardi 7
6 Ik ben met mijn man mee gegaan en verhuisde van de ene tangsi naar de andere. In de tangsi kon je niet veel doen, maar ik greep mijn kans om zoveel mogelijk te leren. Ik heb er veel mensen leren kennen en veel vrienden gemaakt. Het leven in de tangsi was goed, we waren veilig en goed verzorgd in oorlogstijd, iets waarvoor ik dankbaar ben. Van Tjimahi moest mijn man naar Padang op Sumatra. In Padang is onze eerste zoon geboren. Mijn man werd daarna overgeplaatst naar Malang, hier verbleven wij drie maanden. Daarna werd hij overgeplaatst naar Lawang. Van Lawang werd hij weer overgeplaatst naar Soerabaja. De laatste drie plaatsen liggen op Java. In Soerabaja kregen wij het bevel voor inscheping naar Nederland. Wij kregen te horen dat het verblijf in Nederland drie maanden zou duren. Wij scheepten ons in op de Skaubryn, het schip dat ons naar Nederland zou brengen. Mijn man vond het spannend, hij wilde heel graag naar Nederland en was benieuwd hoe het land er uit zou zien. Aan boord kregen de KNIL-militairen te horen dat zij ontslagen werden als KNIL-militair, dit kwam erg hard bij hen aan. De Skaubryn voer op open zee, je zag de vertwijfeling en je hoorde de vele vragen van de KNIL-mensen. De Skaubryn was groot en hoog. Aan boord van het schip was veel ruimte voor de kinderen om te spelen, er was een kerk en ruimten waar mensen konden zitten, praten en spelletjes doen. We kregen eten en drinken en onderin het schip waren de hutten waar wij konden slapen. Met de Skaubryn voeren wij via Port Said door het Suez kanaal, de Straat van Gilbraltar en de Golf van Biskaje naar Southampton en hierna naar Rotterdam. De reis op zee was voor alle mensen een groot avontuur. In de Golf van Biskaje stormde het, de woelige golven maakten dat veel mensen ziek werden. De reis naar Nederland heeft 28 dagen geduurd. Op 2 maart 1951 kwam de Skaubryn in Rotterdam bij de Lloydkade aan. Daar werden wij opgevangen door Nederlandse mensen. Zij waren allervriendelijkst, al verstonden De Skaubryn wij hen niet en begrepen wij toen nog niet veel van wat er ging gebeuren. We kregen eten, drinken en een deken om ons tegen de kou te beschermen. Er stonden bussen te wachten die ons naar Amersfoort zouden brengen. Amersfoort was het verzamelpunt voor alle Molukse KNIL-militairen en hun families. In Amersfoort werden wij heringedeeld. Onze eerste overnachting was op een boerderij in Overbroek bij Ochten. We kregen kleding, schoenen, jassen, petten en handschoenen. Wij waren deze zware dikke kleding niet gewend en moesten erg lachen om die mallotige kleding. De kleren waren veel te groot voor ons, want we zijn maar kleine mensen. We kregen erwtensoep met een stuk varkenspoot te eten. Het was groen, dik en slijmerig en de poot van het varken erin was een raar gezicht, zeker voor de islamitische mensen. We konden de soep niet door onze keel krijgen omdat wij het niet lekker vonden. s Nachts sliepen wij op matrassen gevuld met hooi. Het hooi stak uit de matrassen en prikte in onze ruggen, we konden er niet van slapen. We gingen toen maar op de grond slapen. De Nederlandse mensen waren vriendelijk en behulpzaam, zij hadden denk ik ook een beetje met ons te doen. Na een nacht in Overbroek werden wij naar Schattenberg overgebracht. In Schattenberg hebben wij niet lang gewoond. Na Schattenberg verhuisden wij naar Laarbrug bij Ommen. In Laarbrug werden wij goed opgevangen. We woonden in barakken en mochten niet werken. Eten werd voor ons bereid in de gaarkeuken, brood en melk werden bezorgd door de bakker en de melkboer die naar het kamp kwamen. Iedere dag ging de bel voor het ophalen van het eten uit de gaarkeuken, voor het ophalen van brood bij de bakker en melk bij de melkboer. Iedere week kregen wij twee gulden en 50 cent zakgeld per persoon. Drie jaar later bleek dat de Nederlandse overheid niet meer voor ons kon zorgen. De mannen gingen werk zoeken, sommige mannen hadden twee, soms drie banen. Het was voor ons en de mensen in het kamp geen gemakkelijke tijd. De vrouwen leerden koken op een kachel. De kachel stookten wij met turf, eierkolen of antraciet. Eten en andere waren kopen ging op krediet. Als het verdiende geld binnenkwam konden wij dat pas betalen. De taal was ook een probleem, niet iedereen verstond of sprak Nederlands. Bij het boodschappen doen ontstonden vaak hilarische momenten. Het uitbeelden van wat je wilde hebben gebeurde met gebaren en met handen en voeten. We kochten veel bij boer Wessel, die op de weg van Laarbrug naar Ommen woonde. Wij kwamen er vaak voor kippen en eieren. De heer Hendriks was de kampbeheerder, hij begreep de mensen, de moeilijkheden, de verwarring en de vele vragen die ze hadden. Hij was hun tolk, vriend en familie. In Laarbrug trokken de mensen veel met elkaar op, Laarbrug vormde een hechte gemeenschap. In het kamp stond een barak met washokken waar de mensen hun was konden doen en een barak waar de mensen konden douchen. Je moest er wel vroeg bij zijn, want anders kon je lang wachten voordat je aan de beurt was. Er was een grote gaarkeuken waar het eten voor de mensen bereid werd. Ook was er een kerk, waar we iedere zondag heen gingen. Voorts was er een kantine, een plek waar de mensen bij elkaar kwamen voor bijvoorbeeld het vieren van het sinterklaasfeest en het kerstfeest. Bij de ingang van het kamp, naast het huis van de kampbeheerder, stond een klein ziekenhuis, tevens kraamkliniek. Veel kinderen zijn hier geboren. Achter het kamp liep een spoorlijn, waar je via een pad in de bossen kon komen. Als je de spoorlijn overstak en nog een stukje door het bos liep, kwam je bij een meertje. Hier kwamen de mensen in de zomer om te picknicken en te genieten. De kinderen speelden er en zwommen in het meertje. s Winters was het erg koud in de barakken, vooral als het vroor en sneeuwde. De ramen van de huizen waren vaak bevroren met ijsbloemen en overal hingen dikke ijspegels, wonderlijke dingen waren dat, die hadden wij in Indonesië niet. Wij waren die kou niet gewend en hadden het best moeilijk. Er moest veel gestookt worden, we sprokkelden hout uit de bossen en 8 Mevrouw Rada-Soepard Mevrouw Rada-Soepard 9
7 stookten daarmee de kachel op. We trokken dikke kleren aan, vaak laag over laag. Wij leerden hutspot met zwoerdjes en boerenkool met worst eten. De kersttijd was altijd een van de mooiste periodes van het jaar. Wij maakten veel lekkere dingen klaar, naast het bereiden van het diner met verschillende soorten groente en vlees, werden ook vele soorten koekjes gebakken. Koewee bidji is één van de lekkernijen die tijdens de kerst niet mag ontbreken in een Moluks gezin. Met kerst komen de mensen bij elkaar en wensen elkaar selamat kedjadian, gelukkig kerstfeest. In het nieuwe jaar is dat ook zo, wij geven elkaar de hand en wensen elkaar selamat tahun baru, gelukkig nieuwjaar. De gezamenlijke kerstviering in de kantine van het kamp was altijd één van de mooiste en meest onroerende momenten van het jaar. Veel mensen denken aan thuis; thuis is waar ze vandaan kwamen. In 1963 verhuisden wij naar Zwolle. Mijn man ging bij Philips werken. Veel Molukse mannen hebben bij Philips in Zwolle gewerkt. Wij zijn in de wijk Holtenbroek komen wonen, in een straat met veel Indische en Molukse mensen. Achter ons woonden Nederlandse mensen, later kregen wij een Nederlands gezin als buren, het was altijd gezellig. Veel Molukse ouderen in onze straat, die tegelijk met ons vanuit Indonesië naar Nederland kwamen, zijn overleden. Als ik eraan denk word ik een beetje verdrietig. Ik woon er alweer 50 jaar, nu nog met een handjevol Molukse en Indische mensen. Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, KNIL Het KNIL is in 1825 ontstaan als onderdeel van de Nederlandse krijgsmacht. Het is bij herhaling ingezet om het gezag in Nederlands-Indië te handhaven. De taken van het KNIL werden omschreven als: handhaving van het Nederlands gezag in de Archipel, optreden tegen inheemse tegenstanders en afwering van aanvallen van andere mogendheden. Voor de Tweede Wereldoorlog was 80% van de KNIL-militairen afkomstig uit Nederlands-Indië en 20% bestond uit Europeanen. Er waren naar verhouding veel Molukkers in dienst van de Nederlandse overheid, als ambtenaar, als onderwijzer of als militair bij het KNIL. De Molukse militairen hadden een bevoorrechte positie, ze ontvingen lange tijd meer soldij dan andere niet-europese bevolkingsgroepen. De verklaring daarvoor was dat de Molukkers christenen waren, veelal konden lezen en schrijven en trouw waren aan het Nederlandse gezag. Het KNIL werd in 1950, na de onafhankelijkheid van Indonesië, opgeheven. In 1983 ben ik voor het eerst met mijn zoon en dochter naar Indonesië geweest. Ik heb mijn familie opgezocht. Mijn opa leefde toen nog, hij was een oude sterke man. Hij dacht toen hij mij zag dat er een geest voor hem stond, hij was diep ontroerd. Opa had nooit gedacht mij nog eens levend weer te zien. Het is goed tussen ons en de familie. Twee keer ben ik al naar Indonesië geweest. Ik ben dankbaar dat ik dat heb kunnen doen. Mijn man is op 3 maart 1973 overleden. Mijn oudste zoon en mijn dochter zijn mij ook ontvallen, dat is en blijft voor mij heel moeilijk. Ik mis mijn man nog altijd en ik denk vaak aan mijn kinderen die er niet meer zijn. Mijn andere kinderen zijn allen de deur uit en hebben hun eigen leven, ze doen het goed. Mijn man heeft altijd tegen ze gezegd, we leven nu in een ander land, leer, ontwikkel je en pak je kansen. Elke woensdag ga ik naar Kembang Baru en doe ik mee aan de activiteiten die daar worden georganiseerd voor de Indische en Molukse mensen. Het oude gevoel komt zo nu en dan terug als ik daar ben. De tijd van samen zijn, samen delen, samen dingen doen, samen eten en praten doet mij goed. Ik ben heel erg gesteld op de mensen die de activiteiten leiden, ze zijn vriendelijk en ik voel mij senang. Het is goed dat mijn kinderen en kleinkinderen en de toekomstige generaties weten van onze geschiedenis, hoe wij hier zijn gekomen en hoe wij hier onze levens hebben opgepakt. De geschiedenis en onze herinneringen laten we achter voor de volgende generaties; haal het beste uit wat we achterlaten. We hebben een culturele achtergrond om trots op te zijn. Koester het. 10 Mevrouw Rada-Soepard Mevrouw Rada-Soepard 11
8 Mevrouw Woearbanaran Warm en hartelijk worden wij door mevrouw Woearbanaran ontvangen. Daar zitten wij dan aan haar keukentafel, de kinderen eromheen. De sfeer is ontspannen en gezellig. Met een verlegen glimlach vraagt ze wat wij willen drinken. We krijgen naast een drankje een zelfgemaakte appeltaart aangereikt. Ik ben geboren en getogen in kampong Waleran. Waleran is een kampong op het eiland Larat in de Molukken. Mijn moeder heet Naomi en mijn vader Octavianus. Ze waren strenge, maar goede ouders. Mijn ouders kregen vijf kinderen, ik was de vierde, mijn jongste broer is de vijfde in het gezin. Zoals vele jonge mensen uit de kampong heb ik in Waleran tot de derde klas op school gezeten, verder kon je niet. Op school was ik een goede leerling, de leerkracht was altijd tevreden en mocht mij graag. Soms paste ik op zijn kinderen, dat vond ik altijd leuk. Ik speelde ook graag buiten met leeftijdsgenoten, we hadden altijd lol. Mijn vader stierf toen ik nog heel klein was. Op mijn twaalfde Mevrouw Woearbanaran ging ik van school af om overdag mijn moeder te helpen op de akkers. s Zondags ging ik met mijn moeder naar de kerk en zong dan mee in het kerkkoor. Op mijn vijftiende mocht ik naar catechisatie. De kerk en catechisatie waren een belangrijk onderdeel van het leven in de kampong. Ik ging altijd met mijn vriendje, later mijn man, naar de catechisatie. Er werd wel met argusogen naar ons gekeken. Mijn moeder was streng en zij liet niet toe dat ik alleen was of wegging met een jongen. Ik kende mijn vriendje al een tijdje en ik ging vaak met hem mee als hij ging voetballen. Dat vond op een ander eiland plaats. Vanuit Larat was dat drie uur varen met de boot. Uitgaan was meestal met vriendinnen, we zochten ergens een plekje om wat met elkaar te praten. Mijn man heb ik ook in Waleran leren kennen. Op mijn zeventiende ben ik met hem getrouwd. Mijn schoonvader heeft ons huwelijk niet meegemaakt, hij is lang geleden overleden. Met mijn schoonmoeder heb ik een liefdevolle, sterke band. Zij is als een tweede moeder voor mij. Mijn man was zestien toen hij bij de politie ging. In eerste instantie wilde hij in militaire dienst maar hij werd te jong bevonden. Tegen de wil van zijn moeder gaf hij zich op achttienjarige leeftijd op voor de militaire dienst. Hij werd als rekruut naar Ambon gezonden. Zes maanden later volgde ik hem naar Ambon. Ik was net bevallen van Monica, ze was toen veertig dagen oud. In Ambon kregen alle militairen en hun vrouwen het bevel om in te schepen naar Java. Mijn man werd voor zes maanden in Tjimahi gestationeerd. Na die zes maanden werd hij als rekruut uitgezonden naar het front in Medan op Sumatra en werd in Berastagi gestationeerd. Ik bleef achter in Tjimahi. Zoals alle vrouwen van de KNIL-militairen verbleef ik in een tangsi die door militairen werd bewaakt. Wij werden goed bewaakt en begeleid als we ons van het ene gebouw naar het andere gebouw wilden begeven, want het was soms heel gevaarlijk om naar buiten te gaan. Overdag hielp ik met het bereiden van de maaltijden in de gaarkeuken. Veel konden wij niet doen. De vrouwen zochten elkaar op en maakten het gezellig, wij hadden het goed. Monica is in Waleran op Larat geboren, Micky in Semarang op Java. Mijn moeder heeft de geboorte van Monica niet meegemaakt, zij is kort voor haar geboorde overleden. Wij kregen onverwachts te horen dat alle militairen met hun vrouwen en kinderen overgebracht zouden worden naar Nederland. Het bericht heeft mij overdonderd en ik had het heel moeilijk. De gedachte alleen al dat ik mijn familie en mijn schoonmoeder achter moest laten, maakte mij erg verdrietig. In die periode heb ik veel gehuild. Op bevel van de Nederlandse regering bereidden wij ons voor op de inscheping naar Nederland. Wij hadden niet veel bezittingen bij ons omdat ons werd verteld dat het verblijf in Nederland tijdelijk was. In eerste instantie zouden de militairen weer teruggaan naar de kampongs waar zij vandaan kwamen. Omdat de situatie op dat moment te gevaarlijk werd heeft de Nederlandse regering besloten om alle KNIL-militairen naar Nederland over te brengen. Vijf maanden zou het verblijf in Nederland duren, daarna werd het vijf jaar. Inmiddels ben ik al meer dan 60 jaar in Nederland. Mijn man zag de overtocht naar Nederland als een groot avontuur. Hij wilde graag naar Nederland, hij wilde Nederland zien, ontdekken en beleven, niet wetende dat hij bij aankomst in Nederland zou worden ontslagen als KNIL-militair. Het ontslag heeft hem veel pijn gedaan. Voor hem en alle andere militairen was het KNIL-militair zijn een groot goed. Ze waren trots, vastberaden, gedreven en in hun beleving vochten zij voor vrede en veiligheid in hun land. Met het schip de Fairsea voeren wij in 28 dagen tijd naar Nederland. Het leven aan boord was spannend en wij keken onze ogen uit over de grootte van de zee. Ik heb mijn kinderen tijdens de reis zelf verzorgd, ze waren altijd bij mij. Het schip was groot, je kon er makkelijk verdwalen. Na 28 dagen op zee kwamen wij aan de Lloydkade in Rotterdam aan. Wij waren niet gekleed op de Nederlandse temperaturen. Ik droeg een sarong en kabaja. Wij werden door de Rotterdammers, ondanks dat wij de Nederlandse taal niet spraken, hartelijk ontvangen. In Rotterdam werden de mensen met bussen vervoerd naar kamp Lunetten bij Amersfoort. Daar werden de mensen over diverse kampen door heel Nederland verdeeld. Wij werden toen in Kamp Vught ondergebracht. Het Nederlandse eten was voor velen een grote ellende. Wij waren natuurlijk Indonesisch eten gewend; aardappelen, groenten en vlees werden anders bereid en brood kenden wij niet. Wij kregen kleding, lange broeken, borstrokken, hemden, dikke jassen. Wij moesten erg lachen om die vreemde kleren. In Indonesië ben ik wel gewend om een jurk te dragen, mijn man vond dat mooi, het weer is daar altijd mooi. Na zes maanden verhuisden wij van Vught naar Schattenberg, reden voor deze verhuizing was het overlijden van ons nichtje dat in Schattenberg woonde. 12 Mevr. Woearbanaran Mevr. Woearbanaran 13
9 Van Schattenberg verhuisden wij naar kamp Eerde. Baron van Pallandt was een bekende in kamp Eerde. De baron heeft veel betekend voor de mensen in Kamp Eerde. Van Monica hangt een foto in Kasteel Eerde. Monica had vroeger heel lang haar. De mensen in het kasteel mochten haar graag, zij vonden haar lange haar ook heel mooi. Het leven in het kamp viel niet altijd mee. De mannen gingen om een beetje geld te verdienen bij de boeren werken. De vrouwen kookten gezamenlijk in de grote gaarkeuken, deden de was en zorgden voor de kinderen. Een van mijn bezigheden was op zoek gaan naar djamoer, eetbare paddenstoelen. Met mijn witte jurk op de fiets sjeesde ik dan door de bossen. De vrouwen in het kamp moesten er altijd om lachen en plaagden mij als zij mij op de fiets zagen met mijn witte jurk. Ze riepen daar gaat de zuster. Twee van mijn kinderen, Lucas en Julie, zijn in Eerde geboren. Niet lang daarna kregen wij te horen dat de Nederlandse overheid niet langer voor de mensen kon zorgen. De mensen moesten gaan werken om in hun eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Dat was voor iedereen in het kamp best moeilijk. Mijn man vond dat niet erg. Hij was gewend hard te werken en pakte veel werk aan. Soms had hij twee of drie banen. Mijn man was begonnen met de opleiding voor metaalbewerker, maar stopte met deze opleiding omdat hij geld wilde verdienen voor zijn gezin. In Deventer ging hij bij Thomassen en Drijver werken. Hij ging bij mensen in de kost wonen. In die tijd was de afstand Deventer-Eerde ver, heel ver! In de weekenden kwam hij thuis. Mijn man had veel Nederlandse vrienden, hij nam ze mee naar huis en zij aten dan met ons mee en altijd was het heel gezellig. Mijn kinderen gingen in Ommen naar school. Ze werden met de bus opgehaald en weer thuisgebracht. In Ommen zaten zij op de Koningin Julianaschool. Mijn man ging naar de ouderavonden, ik bleef thuis bij de kinderen. Wij verstonden en spraken toen de Nederlandse taal nog niet goed, soms was dat lastig maar met handen en voeten hebben wij ons kunnen redden. Eerde herinnert mij ook aan een zeer moeilijke periode uit ons leven. In Eerde is ons huis afgebrand, dat heeft ons veel pijn gedaan. Veel materiële dingen zijn wij kwijtgeraakt, wij hebben alleen nog onze herinneringen. Toen bij een medisch onderzoek werd geconstateerd dat mijn man en ik tuberculose hadden stortte onze wereld helemaal in. Wij moesten worden opgenomen in het sanatorium in Hellendoorn. Ik heb anderhalf jaar in het sanatorium gelegen, mijn man twee jaar, van 1956 tot Wij konden niet voor de kinderen zorgen. Onze kinderen moesten naar pleeggezinnen. Micky, onze zoon, heeft in een kindertehuis gezeten. Onze zoon Jacob is in het sanatorium in Hellendoorn geboren. Vlak na de geboorte moest ook hij naar een pleeggezin. Het mooiste in je leven, je kinderen, moest je afstaan, je moest ze alleen laten, je moest je overgeven omdat het niet anders kon. Het was het aller moeilijkste dat je als man en vrouw kon overkomen, we waren intens verdrietig. Het geluk lachte ons weer toe toen mijn man uit het sanatorium weg kon en wij onze kinderen weer in de armen konden sluiten. We pakten de draad weer op en maakten het beste van het leven voor ons zelf. Zestig jaar geleden kwam ik met mijn man uit Kampong Waleran in Larat naar Ambon. Van Ambon gingen we naar Java en van Java naar Nederland. Mijn man is inmiddels overleden. De kinderen zijn volwassen, zij hebben hun weg gevonden. Op mijn kleinkinderen ben ik ook trots. Ze doen het goed. Er is veel veranderd. Jongeren van nu zijn niet de jongeren van toen. Ikzelf koester de jongeren van toen, alles is nu anders. Wij waren als jongeren meer ingetogen en luisterden veel meer naar onze ouders. Jongeren van nu hebben veel vrijheid, ik denk dat dat niet altijd goed is. Een keer in de week, iedere maandag, ga ik naar Rumah Kenangan, een dagbesteding voor Indonesische en Molukse mensen in Zwolle. Ik heb het daar naar mijn zin. We doen veel met elkaar; sporten, praten, knutselen, gezamenlijk eten. Ik hoef niet zoveel meer. Het gaat goed met mij, ik geniet als ik hier ben, net als vroeger, samen zijn, samen de dingen doen, er voor en bij elkaar zijn. Het is alleen maar goed dat wij onze geschiedenis en herinneringen achterlaten voor de jongere generaties. We hebben een culturele achtergrond om trots op te zijn. Ik hoop dat we daaruit iets waardevols kunnen meegeven aan de jongere generaties en dat zij dat ten goede gebruiken. KNIL militairen in de tangsi 14 Mevr. Woearbanaran Mevr. Woearbanaran 15
10 Mevrouw Putnarubun-Djoemi Tangsi Een tangsi is een militair kamp in Nederlands-Indië, waar soldaten van het KNIL en hun gezinsleden werden ondergebracht. Afhankelijk van de rang woonden ze op de kazerne of er buiten. Zo woonden Europese officieren en de Europeanen met een lagere rang met hun gezin buiten het kamp. Inheemse militairen daarentegen woonden met hun vrouwen en kinderen binnen de afrastering, in de compagniegebouwen, de chambrees. Er waren aparte chambrees voor ongehuwden. De tangsi was van de buitenwereld afgesloten door een kawat of omheining. De indeling van een kamp was vrijwel altijd hetzelfde: aan de voorzijde het wachtgebouw en het korpsgebouw, aan de zijkant de keukens en de vrouwenloodsen en aan de achterzijde de stallen en materiaalloodsen. Midden in het complex waren de compagniegebouwen met daarbij de sanitaire blokken en wat andere gebouwen, zoals de goedangs: de voorraad- en proviandkamers. Tussen de gebouwen waren grasveldjes en daarnaast het exercitieterrein. Het dagelijks leven in de tangsi zag er als volgt uit. Om half zes s morgens klonk de reveille. De soldaten hadden een uur de tijd om op te staan, te ontbijten en gewassen op het appèl te verschijnen. Daarna werden de chambrees schoongemaakt. Ook voor de vrouwen begon dan de dag, ze gingen naar de vrouwenloods, de kookloods, de wasplaats of naar de pasar. De kinderen gingen naar school. Om half zeven was het werkappèl voor de militairen die daarna uitrukten of schietoefeningen deden. Om elf uur was de ochtenddienst ten einde en aten de militairen met hun vrouw en niet-schoolgaande kinderen in de chambree. Er werd gerust van twee tot vier uur s middags. Om vier uur was er middagappèl. Sommige militairen hadden middagdienst, maar men kon ook gaan sporten. Vanaf zes uur waren ze vrij, behoudens een enkeling die dienst had of op wacht moest staan. Rond de tangsi was het druk met allerlei eetstalletjes en winkeltjes waar de militairen en hun gezinnen inkopen konden doen. Om tien uur werd de taptoe geblazen en vond het avondappèl plaats. Daarna gingen de lichten uit, in beginsel moest iedereen dan binnen zijn. In verzorgingshuis De Esdoorn worden we verwelkomd door Tante Putnarubun-Djoemi, ze is blij ons te zien. Ze laat ons binnen, gaat zelf in haar stoel zitten en verontschuldigt zich een beetje. Ze heeft last van haar benen en vertelt dat ze laatst is gevallen. Pakken jullie maar wat te drinken en er zijn ook koekjes, neem maar wat hoor Ze heeft een prachtige sarong en een kabaja met bij passende schoentjes aan. Haar huis is klein en praktisch ingericht, ze lijkt het niet erg te vinden om hier te wonen, ik ben maar alleen zegt ze. Op haar kastje staan foto s van haar dochter en schoonzoon en de kleinkinderen. Op een andere kast staan ook foto s. Als we vragen wie die meneer is op die foto zegt ze, dat is mijn man, dat was in Semarang, ze glimlacht en vertelt. Ik ben geboren in Djokja en opgegroeid in Magelang op het eiland Java in Indonesië. Ik kan niet veel over mijn ouders vertellen omdat zij zijn overleden toen ik nog heel jong Mevrouw Putnarubun-Djoemi was. Ik heb twee broers, ik ben de jongste van het gezin. Wij zijn door onze oom groot gebracht. Als jong meisje heb ik geen gemakkelijke tijd gehad, het gemis van mijn ouders en de oorlog maakten het leven in de kampong niet gemakkelijk. In die oorlogstijd heb ik mijn man leren kennen in Magelang en korte tijd later trouwden we in Magelang. Mijn man is een Molukse man, hij komt van kampong Ohoeil op het eiland Kei Besar. Kei Besar is één van de eilanden op de Molukken in Indonesië. Hij was korporaal in het KNIL. Net als alle andere vrouwen die met een KNIL-militair getrouwd zijn werd ik ondergebracht in een tangsi, dat is een kazerne. Tijdens de oorlog, verhuisde ik vaak van de ene naar de andere tangsi. Mijn man moest vaak van het ene front naar het andere en dat was meestal in een ander gebied. Ik ging dan mee en verbleef daar in de plaatselijke tangsi. Zo werd de tangsi een onderdeel van mijn nog jonge huwelijksleven. Mijn man was vastberaden, hij had lef, bravoure en veel humor. Ik herinner mij dat hij met zijn vrienden, ook militairen, op de pasar, de markt, was. Een koopman verkocht heerlijk ruikende gebrande katjangs, hij zei tegen mijn man: tjobbe?, proeven, proberen? Je mag er één proberen! Mijn man maakte van deze uitnodiging gebruik en spoorde zijn vrienden aan om ook de katjangs te proeven. De koopman werd er stil van, hij had niet gedacht dat mijn man met zoveel vrienden was. Een voor een proefden zij een katjang; er bleven voor de koopman hierna niet veel katjangs meer over om te verkopen. 16 Mevr. Woearbanaran Mevr. Putnarubun-Djoemi 17
11 In de tangsi leerde ik veel andere vrouwen van KNIL-militairen kennen, later zouden zij net als mijn man en ik naar Nederland verscheept worden. Het leven in de tangsi was goed, het was oorlogstijd en dan ben je blij dat je beschermd wordt, eten, drinken en onderdak hebt. Na drie maanden in een tangsi in Magelang verhuisden wij naar Semarang. In Semarang is op 13 september 1950 ons eerste kind, een dochter, geboren. Wij waren zeer gelukkig samen. Een jaar later keerden wij terug naar Magelang. De oorlog was weliswaar ten einde, maar de situatie in Indonesië was nog niet stabiel. Mijn man kon niet teruggaan naar Kei. De Nederlandse regering besloot toen de KNIL-militairen en hun gezinnen naar Nederland over te brengen. In Magelang kregen wij het bevel voor de inscheping naar Nederland. Wij kregen te horen dat het verblijf in Nederland drie maanden zou duren. Wij scheepten ons in op het schip de Fairsea dat ons naar Nederland bracht. Met de Fairsea voeren wij KNIL-militairen Egbert Rahanra (l) via Port Said door het Suez kanaal, de Straat van Gilbraltar en de en Aminadap Putnarubun (R) Golf van Biskaje naar Southampton en daarna naar Rotterdam. De reis op zee was voor alle mensen een groot avontuur. In de Golf van Biskaje waaide het hard. De hoge golven maakten dat veel mensen zeeziek werden. De reis naar Nederland met de Fairsea heeft 28 dagen geduurd. In mei 1951 kwam de Fairsea in Rotterdam aan. We werden opgevangen door Nederlandse mensen. Zij waren heel vriendelijk, al verstonden wij hen niet en we begrepen toen nog niet veel van wat er ging gebeuren. We kregen eten, drinken en een deken om ons tegen de kou te beschermen. Er stonden bussen te wachten die ons naar Amersfoort brachten. Amersfoort was het verzamelpunt voor alle Molukse KNIL-militairen en hun families. In Amersfoort werden wij heringedeeld. Ons eerste onderkomen was in Beenderibben bij Steenwijk. Hier bleven wij een paar maanden. Van daaruit werden wij overgebracht naar Pietersberg bij Westerbork. Na Pietersberg gingen wij naar Eerde en van Eerde naar Laarbrug bij Ommen. Ik heb goede herinneringen aan kamp Laarbrug, het was daar goed. In Laarbrug werden wij goed opgevangen. We woonden in houten huisjes, barakken noemen wij die. In het begin mochten wij niet werken of voor onszelf zorgen. We kregen eten van de gaarkeuken. Het eten was niet altijd lekker, gewoonweg omdat wij geen Nederlands eten gewend waren. Brood en melk werden bezorgd door de bakker en de melkboer die naar het kamp kwamen en een ieder kreeg naar rato een hoeveelheid brood en melk. Het sinterklaasfeest en het kerstfeest werden altijd gezamenlijk gevierd in de kantine van het kamp. Dat waren momenten van vreugde, ontroering en gedachten aan thuis, de kampongs in Magelang en op Kei. Samen feesten, samen zingen, samen eten, samen drinken, dat hoort bij ons. Drie jaar later na aankomst in Nederland veranderde er ineens heel veel. Wij kregen te horen dat de Nederlandse overheid niet meer voor ons kon zorgen. Wij moesten ons zelf nu redden, zelfzorg heette dat toen. De mannen gingen werk zoeken, sommige mannen hadden twee, soms drie banen. Dat moest ook wel, want het loon dat zij verdienden was niet voldoende om hun gezinnen te kunnen onderhouden. Voor die gezinnen, vaak met meerdere kinderen, was dat een moeilijke tijd. Vrouwen moesten hun leven anders gaan indelen, het was vreemd van wat ze gewend waren. De kinderen gingen naar school in Ommen. Ze werden met bussen opgehaald en weer thuisgebracht. Vrouwen kregen lessen in het maken van kleding, breien, haken en eten koken volgens de Nederlandse traditie. Soms was dat geen succes, het bereiden van maaltijden is voor de Indonesische en Molukse vrouwen niet alleen anders, het smaakte ook anders en dat was wennen. Dat zal denk ik altijd zo blijven. In het kamp hadden wij een soort ziekenhuis en kraamkliniek. De meeste vrouwen die moesten bevallen kregen hun kinderen in deze kliniek. Wij werden ook opgeleid om in de kraamkliniek te assisteren bij bevallingen. Dat vond ik in het begin erg moeilijk. Tante en oom Putnarubun (3e en 4e van links) 18 Mevr. Putnarubun-Djoemi Mevr. Putnarubun-Djoemi 19
12 Wat ik ook heel moeilijk vond was een nare gebeurtenis op school met mijn kind. Wij hebben een dochter Orpha. Zij is ons enige kind en onze trots. Mijn dochter kwam huilend thuis. Ze vertelde dat meester Joling haar had geslagen. Mijn man was furieus, hij vroeg niet naar het hoe en waarom. Hij ging de volgende dag naar de Koningin Julianaschool in Ommen waar mijn dochter op school zat. Meester Joling zag hem aankomen en vermoedde al dat iets niet goed was. Hij wilde uitleg geven maar daar was mijn man niet van gediend. Hij vond dat de meester niet het recht had om zijn kind te slaan. Mijn man rende op meester Joling af en sloeg hem. Meester Joling zette het op een lopen. De kinderen op het schoolplein keken er naar en ik denk dat zij ook bang waren. Mijn dochter zou dit voorval nog jarenlang moeten aanhoren. In 1963 verhuisden wij naar Zwolle. Wij woonden aan de Frobergerstraat in Holtenbroek. Het was daar fijn wonen. Onze naaste buren waren Nederlanders, tegenover ons woonden de mensen die in Laarbrug naast ons woonden. Het was een wijk met Molukse en Nederlandse mensen. Ons leven ging door zoals wij dat in Laarbrug gewend waren, maar ook de omgang met de Nederlanders was goed. Ik heb geen problemen ondervonden in de meer dan vijftig jaren die ik in Holtenbroek woonde. Toen wij in Zwolle kwamen wonen werkte mijn man bij een linoleumfabriek in Wijhe. Hier heeft hij lange tijd gewerkt. Daarna is mijn man voorganger geworden van de Molukse kerk in Zwolle. Helaas heeft hij dit niet lang kunnen doen. Mijn man is ziek geworden, hij was suikerpatiënt, een paar jaar later is hij overleden. Tweede Wereldoorlog en dekolonisatie Begin 1942 veroverde het Japanse leger Nederlands-Indië. De soldaten van het KNIL werden krijgsgevangen gemaakt. De meeste inheemse militairen kwamen al snel weer vrij, maar de Nederlandse KNIL-militairen en een deel van de Molukse militairen werden opgesloten in interneringskampen. Later werden ook Nederlandse burgers, vrouwen en kinderen in deze kampen opgesloten. De Molukse militairen weigerden hun eed van trouw aan Nederland te herroepen en werden daarom ingezet als dwangarbeider bij de aanleg van vliegvelden voor de Japanners. Na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 ontstond een gezagsvacuüm in Nederlands-Indië. Politieke activisten grepen de kans om de koloniale banden met Nederland te verbreken. Op 17 augustus 1945 riepen Soekarno en Mohammed Hatta eenzijdig de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesia uit. Toen Nederland zijn gezag over de archipel wilde herstellen kwam het op diverse plaatsen tot gewelddadigheden, waarbij duizenden doden vielen. Dit wordt de Bersiap periode genoemd. Bersiap was de strijdkreet van de nationalisten en betekent letterlijk maak je klaar of wees paraat. Mijn dochter was inmiddels getrouwd, zij heeft drie kinderen en is naast moeder ook oma. Ik ben gelukkig en dankbaar dat ik dit mag meemaken en dat ik achterkleinkinderen heb. Sinds een jaar of drie woon ik in verzorgingshuis De Esdoorn in Zwolle. Er wordt goed voor mij gezorgd, mijn armen en benen doen het niet meer zo goed, maar ik mag niet klagen, het gaat verder goed met mij. Mijn dochter en haar man en mijn kleinkinderen komen mij elke week liefdevol een bezoek brengen. Ik heb verder geen familie meer. Jaren geleden heb ik contact gezocht met mijn familie op Java; tot nu toe heb ik niets meer van hen gehoord. Ik weet niet hoe zij het maken en of zij nog in leven zijn. Een keer in de week ga ik naar Rumah Kenangan, van Kembang Baru, een dagbesteding voor de Indonesische en Molukse vrouwen. Daar ben ik weer onder onze mensen, ik spreek hun taal, we drinken samen thee, praten en eten samen. Wij doen ook andere activiteiten als gymnastiek, spelletjes en andere creatieve bezigheden. Ik vind het belangrijk dat jongeren weten hoe wij hier in Nederland zijn gekomen en dat ze deze geschiedenis doorgeven aan hun kinderen en kleinkinderen. Ze mogen niet vergeten dat wij de overtocht hebben gemaakt en dat ze daarom hier zijn. Alle kansen moeten zij benutten en wat van hun leven maken. Ik wil jongeren meegeven om respect voor een ieder te hebben, vooral voor de ouder wordende mens, want op een dag zijn zij dat ook en dan verdienen zij ook respect. 20 Mevr. Putnarubun-Djoemi Mevr. Putnarubun-Djoemi 21
13 Jitro Ubro 22 Jitro Ubro Jitro Ubro is een druk bezet man. Helemaal voor iemand van 70 jaar. In zijn woning in Zwolle Zuid vertelt de voorzitter van de Integratieraad vrij zakelijk over zijn verleden en over zijn on-molukse pragmatisme. Zijn ogen twinkelen als het gaat over voetbal en muziek, maar worden weer serieus zodra het gaat over de route die hij heeft gekozen in zijn leven. Terugblikken is altijd goed. Het herinnert je aan waar je vandaan komt. Mijn ouders zijn geboren op Grote Kei op de Zuid Oost Molukken. Mijn vader is geboren en getogen in Kampong Ohoirenan, waar ik ook geboren ben in Ik meen dat mijn vader een jaar of achttien was toen hij zich aanmeldde bij het KNIL. Hij ging van de ene naar de andere kazerne en de vrouwen en kinderen moesten mee met het militaire transport. Ik herinner me er niet zo veel meer van, maar ik weet nog wel dat we in die auto s moesten klimmen. Jitro Ubro Wij gingen naar school onder escorte, want kinderen van KNIL-militairen waren een gewillige prooi voor de rebellen. Wij wisten helemaal niets van het feit dat we met de boot naar Nederland zouden gaan. s Avonds werden we ingeladen en naar de haven gereden. Onze ouders kregen het bevel hun kinderen zo stil mogelijk te houden, want de omgeving moest niet gealarmeerd worden dat er een colonne met militairen, met hun vrouwen en kinderen onderweg was naar de haven. Dat was voor onze eigen veiligheid. We zijn op 10 mei 1951 vanaf Semarang op Java met de Fairsea vertrokken naar Nederland. Ik weet niet heel veel meer van de boottocht. Je was zo trots als een aap dat je niet misselijk werd als er een golf kwam. Ik had geen idee hoe lang de reis zou duren. Maar op een gegeven moment voeren we door het Suezkanaal en door de Rode Zee en dan ga je je natuurlijk wel beelden vormen. Zoals over het volk van Israël, dat door de Rode Zee is getrokken. In Indonesië ging je naar bijbel-les, dus die geschiedenis kende je wel. We maken nu nog altijd grapjes als we met vrienden uit de Molukse wijk gaan vissen met de boot. Sommigen zijn hier geboren en hebben die reis dus niet mee gemaakt en we zeggen dan altijd: De mensen die door de Rode Zee zijn getrokken, zijn nooit misselijk! Nog voordat het schip aangelegd was in Rotterdam, kreeg mijn vader te horen dat het KNIL gedemobiliseerd werd. De KNIL-ers mochten eigenlijk niet meer in hun uniform blijven lopen, maar ze moesten wel want ze hadden verder geen kleding. Molukse militairen zijn erg statusgevoelig wat uniformen betreft: ze dragen des konings wapenrok. Je ontneemt ze hun waardigheid door ze hun uniform af te nemen. Dus ik denk dat het de mannen veel pijn heeft gedaan. We kwamen op 5 juni 1951 in Nederland aan, dat was net in de overgang naar de lente. Wij hadden allemaal een soort romper aan. Dat was zo n doorlopende korte broek met een vestje met korte mouwen. Zo dun als het maar kan, want dat is tropenkleding. Voor Nederland was dat dus veel te koud. Wij kwamen de boot af en werden gelijk naar een bus gedirigeerd. We werden naar Amersfoort gebracht en daar werden we als het ware ingecheckt. We kregen allemaal nieuwe kleding. Ik weet nog heel goed dat een aardige Nederlandse vrouw naar me toe kwam en een trui voor me hield en zei ja die past jou. En dat terwijl ik nog geen Nederlands verstond. We kregen allemaal zo n dikke trainingsbroek en rubberen laarzen van vroeger. Niemand uit de Molukken had in die tijd benul van de maten van kleding of schoenen. In Amersfoort volgde ook een medische keuring. Daarna brachten ze ons naar de eerste halteplaats en dat was voor ons Kamp Vught. Bij het welbekende conflict tussen Ambonezen en Keiezen in Kamp Vught was een jongetje omgekomen en waren twee zwaargewonden gevallen. Als gevolg daarvan zijn we toen eerst naar Pietersberg verhuisd, daarna naar kamp Eerde en uiteindelijk kwamen we in Laarbrug bij Ommen terecht. In de tussentijd moest ik naar school. In Pietersberg zaten we met allemaal Molukse kinderen op een dorpsschool. We moesten eerst discipline krijgen om klassikaal les te volgen. Dat waren we helemaal niet gewend. Ook moesten we de Nederlandse taal leren. Een van de eerste liedjes die ik me kan herinneren die ik heb geleerd is Drie Kleine Kleutertjes, dat was blijkbaar een van de makkelijkste liedjes om te onthouden. Het was heel belangrijk voor mijn ouders dat we goede cijfers haalden. Alles onder een zes betekende dat je óf je best niet had gedaan, óf dat je dom was. De familie Ubro voor hun barak in Laarbrug Na de lagere school moest ik naar de ambachtsschool in Vroomshoop. Daar zit eigenlijk een verhaal achter. Alle Molukkers stonden vroeger onder begeleiding van het Commissariaat van Ambonese Zorg. De Nederlanders wisten dus helemaal niet hoe of wat, alsof er alleen maar Ambonezen onder de KNIL-ers zaten. Voor hen waren alle Molukkers één pot nat. Maar het Commissariaat zorgde ervoor dat meisjes naar de huishoudschool dat vroeger de bijnaam spinazie academie droeg - en jongens naar de ambachtsschool Jitro Ubro 23
14 moesten. De achterliggende filosofie was dat we toch terug zouden gaan naar de Molukken, met deze opleiding konden wij het land daar weer opbouwen. Er zijn ouders die hun kinderen wel naar de MULO hebben gestuurd, maar dan had je gewoon geluk als kind. De meeste ouders deden gewoon wat ze opgelegd werd en stuurden hun kinderen dus naar de ambachtsschool of naar de huishoudschool. Voor 80% van mijn generatie is dat op die manier gegaan. In het kamp werd veel muziek gemaakt. Iedereen bespeelde wel een instrument. De muziekinstrumenten kregen we van het Commissariaat. Ik speelde toen bas en drums. Eerst had ik een echte basgitaar, maar toen die kapot ging speelde ik op een zeepkist met twee snaren. Ik speelde ook in een bandje The Black Eyes met mijn vrienden Max Pohowainjaan, Jo Rahanmetan, Junus Watratan en de inmiddels overleden Johannes Lefitar. We hebben ook wel meegedaan aan talentenjachten, maar dat liep natuurlijk op niets uit. Ik zat ook samen met wat vrienden in een Moluks voetbalteam. Wij speelden zelfs in Limburg. Soms tegen andere Molukkers, maar we werden ook uitgedaagd door Nederlandse teams. Na de ambachtsschool ging ik naar Hengelo, naar de avond-mts voor elektronica. Ik zat daar op kamers. Overdag werkte ik bij Hazemeijer, een bedrijf dat elektrische apparaten maakt. Vervolgens ben ik bij de Staatsmijnen in Hoensbroek gaan werken als onderzoeker. Toen ik ongeveer 23 was, kwam ik bij Shell te werken, om vervolgens bij een Amerikaanse multinational in Harderwijk terecht te komen. Ik ben daar als vatenroller binnengekomen en als lid van de directie weggegaan. In de tijd van de treinkaping in 1977, heb ik mijn Nederlandse vrouw ontmoet. Een jaar later zijn we getrouwd. In die periode heb ik, net als elke andere Molukker, wel eens last van ondervonden als gevolg van de activiteiten van de RMS. Je werd staande gehouden en extra gecontroleerd als je ging reizen. Ik ben heel pragmatisch ingesteld, mijn hele leven al. Dat is eigenlijk on- Moluks. Daar gaat de communicatie vaak een stuk omslachtiger dan bij Nederlanders. Ik vind dat enerzijds mooi, ik hecht aan het respect dat daaruit blijkt. Maar aan de andere kant denk ik, tijd is kostbaar, laten we nu maar zeggen waar het op staat. Ik word altijd met bung aangesproken door Molukse mensen die jonger zijn dan ik, dat is een vorm van respect. Die aanspreekvorm bestaat niet in het Nederlands. Mijn kleinkinderen spreken mijn broers en zussen met opa en oma aan. Als ik een Molukse vergadering voorzit, is dat heel anders dan wanneer ik een vergadering van bijvoorbeeld de Integratieraad voorzit. Daar ben ik heel pragmatisch en doelgericht. Bij een Molukse vergadering duurt dat veel langer. Dan wil iedereen aan het woord komen en dat laat ik dan ook toe. Dat is de wijze waarop men daar vergadert. Ik denk dat mijn Moluks zijn in mijn werk tot uiting komt in de opmerkingen die ik maak. Laatst probeerde ik een halsstarrig persoon uit te leggen dat hij meer moest zijn als bamboe. Dat hij net als bamboe mee moest buigen met de wind, anders breekt hij af. Of op een gegeven moment vroeg iemand mij over iets zakelijks: hoe weet u dat?. Toen vertelde ik het verhaal over mijn grootvader, die ik nog ontmoet heb op de Molukken in 1983, die toen tegen mij zei: Als ik de wind door de bladeren hoor ritselen, weet ik waar die bladeren vallen. Oftewel, je moet erop bedacht zijn waar iemand naar toe wil. Molukse ouderen hebben altijd bepaalde wijsheden in zich. Je moet alleen wel de moeite nemen om te ontleden wat ze daar precies mee bedoelen. Als ik in een discussie terecht kom waarin het gaat om rechtvaardigheid of het nakomen van beloftes, dan kun je erop wachten dat ik een link ga leggen met de Molukse geschiedenis. Er was bijvoorbeeld een keer dat iemand met verontwaardiging sprak over de uitbuiting van Zuid Afrika door de Engelsen. Toen werd mijn mening gevraagd. Ik heb gezegd dat Nederland precies hetzelfde heeft gedaan met Indonesië. Dat het land is leeggeroofd en dat ze een deel van het volk, dat altijd trouw was, naar Nederland verkast hebben en hen vervolgens heeft laten stikken. Toen was het stil. Ik vind dat de wereld mag weten wat een land op zijn geweten heeft. Net als met de recente berichtgeving over het uitmoorden van een geheel dorp op Java tijdens de politionele acties. Ik vind het hypocriet als je een oordeelt velt over ander een land of volk, zonder dat je naar jezelf hebt gekeken. 24 Jitro Ubro The Black Eyes Zoals gezegd, ik vind het belangrijk om terug te blikken. Het is belangrijk om de geschiedenis te kennen. Dat is iets anders dan je vastklampen aan je afkomst. Ik zeg tegen mijn kinderen en kleinkinderen: leef in de tijd waarin je leeft. Je kunt de geschiedenis gebruiken om je aan te spiegelen. En dan kun je kiezen of je ook op die manier wilt leven of juist anders. Ik zie bij veel te veel Molukse kinderen dat ze kunstmatig leven, op een manier waarop anderen willen dat ze leven. Ze laten zich inkapselen door wat de gemeenschap wil. Ik heb een eigen route gekozen, Jitro Ubro 25
15 Max Pohowainjaan maar ik sta nog wel ten dienste van de gemeenschap. Ik ben niet voor niets in een andere wijk gaan wonen. Ik denk dat als je buiten de kaders treedt, je een ruimere blik krijgt. Maar ik respecteer ieders keuze. Individuele vrijheid betekent voor mij ook dat, op het moment dat iemand een beroep op mij wil doen, ik op mijn eigen manier een helpende hand toesteek. Indonesië onafhankelijk Na de Tweede Wereldoorlog dacht Nederland het bestuur in Nederlands-Indië weer over te kunnen nemen. Om de macht weer in handen te krijgen stuurde Nederland maar liefst militairen naar Nederlands-Indië en wierven nieuwe soldaten; hieronder waren veel Molukkers. In een tweetal grootscheepse militaire acties, politionele acties genoemd, werd geprobeerd de Republik Indonesia op de knieën te krijgen. Doordat vele landen de nieuwe republiek erkenden kwam Nederland internationaal alleen te staan. Uiteindelijk, op 27 december 1949, werd de soevereiniteit over Indonesië, met uitzondering van Nieuw Guinea, overgedragen aan de Republik Indonesia Serikat. Daarmee was de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog ( ) ten einde. In de soevereiniteitsoverdracht was afgesproken dat Indonesië een federale structuur zou kennen. De Molukken zouden een autonome positie, als daerah in de deelstaat Oost Indonesië krijgen. De inkt van de overdrachtsakte was nog niet droog of Indonesië begon met het opheffen van de federale structuur en met het inrichten van een eenheidsstaat. Dat leidde met name op de Molukken tot verzet, maar dat werd hardhandig de kop ingedrukt. Nederlands Nieuw Guinea werd in 1962 aan Indonesië overgedragen. In de woonkamer van Max Pohowainjaan staan oude familiefoto s en wajangpoppen en hangen souvenirs uit Indonesië aan de muur. Het verhaal van bung Max bestaat uit gedetailleerde anekdotes en veelzeggende stiltes. Soms omdat hij een Maleis woord moet vertalen naar het Nederlands, maar niet minder vaak omdat hij zijn emoties weg moet slikken. Van een kamp in Batavia tot een rijtjeshuis in de Aa-landen in Zwolle. Ik ben op 8 maart 1939 geboren in Batavia. Mijn vader is Salmon Pohowainjaan, hij was een Molukse militair bij het KNIL. In 1927 was hij één van de eerste Molukkers die zich aanmeldden bij het KNIL. Daarvoor was hij werkzaam bij de politie in de stad Ambon. Mijn vader is in 1898 geboren in Ohoifaruan op Kei Besar. Mijn moeder is Lentji Tenlan, zij is geboren op 10 oktober Mijn moeder komt van dezelfde kampong als mijn vader. Ze hebben elkaar op de kampong leren kennen en zijn daar ook getrouwd. Drie jaar nadat Max Pohowainjaan ik was geboren, brak de oorlog uit in Indonesië. Dat was op 9 maart Mijn vader werd toen geïnterneerd en weggebracht naar Sukabumi. Hij was eigenlijk met 45 jaar al gepensioneerd. Een paar maanden later is hij naar een interneringskamp in Soerabaja gebracht en daarna is hij naar Bandung overgebracht. Ik heb nog een vage herinnering dat we afscheid konden nemen van mijn vader en dat hij Javaanse kledij aan had. De vrouwen en kinderen die achterbleven werden in een tangsi ondergebracht. Ik was vijf jaar en ik kan het me nog heel goed herinneren. Mijn moeder moest in haar eentje voor vier kinderen zorgen, dat was voor ons gezin een hele moeilijke periode. Wij moesten naar een kamp ten noorden van Jakarta, de Jembatang Merah. We zaten daar met vrouwen en kinderen uit verschillende gebieden van Indonesie zoals de Menadonezen, Ambonezen, Timorezen, Javanen en noem maar op. Wat ik nog goed weet is dat het kamp aan de rivier de Ciliwung lag. De vrouwen deden daar altijd de was. Vervolgens moesten we weer verhuizen naar Klender bij Bekasi, ten oosten van Jakarta. We kwamen terecht in een Chinese vesting, een heel groot gebouw met veel kamers. In die tijd moesten jongens vanaf vijf jaar hun hoofd kaal scheren en ik dus ook. Het kaalscheren gebeurde met glasscherven, tot bloedens toe. Ook werden wij verplicht het Japanse volkslied te zingen. Iedere ochtend werd gymnastiekles gegeven, dat gebeurde op een open veld, Lapangan. De Japanse vlag, midden in het veld, wapperde fier. We moesten de Japanse taal leren, de soldaten groeten en nederigheid tonen. Als je weigerde kreeg je straf. Wat ik verder nog weet is dat we met veel kinderen en vrouwen bij elkaar waren en dat wij op de galerijen speelden. Mijn moeder 26 Jitro Ubro Max Pohowainjaan 27
16 Die middag gingen wij weer terug naar de Chinese vesting in Klender. Wij zijn daar een paar dagen gebleven. Toen brak er een roerige nacht aan. We werden ineens bewaakt door Gurkhasoldaten met tulbanden. Ik kon vanuit de vesting zien dat er een klapperboom in brand stond. Dat was voor ons een teken dat er iets aan de hand was. s Ochtends om half zes kwam er een jeep met Indonesische nationalisten om de oudere jongens op te halen. De vrouwen hadden alle kisten en spullen al buitengezet. Ze sloegen op de deur en riepen dat we open moesten doen. Ze riepen alle jongens ouder dan drie jaar maken wij dood!. Want die jongens zouden, als ze ouder werden, gaan sympathiseren met de Hollanders. Alle vrouwen schreeuwden, kinderen huilden, iedereen was in paniek. Ik kreeg de jurk van mijn zus aan, zodat ze niet zouden zien dat ik een jongetje was. Uiteindelijk moesten wij ons overgeven. Ze sleurden de vrouwen en kinderen naar buiten. We moesten allemaal op een rij gaan zitten. De leider van de groep had een pistool bij zich en richtte het pistool op de mensen. Ze wezen vrouwen aan en zeiden dingen als: jij trouwt met mij. Ik hield me vast aan mijn moeder. We zouden met de trein worden weggevoerd door de nationalisten. Maar die trein kwam gelukkig nooit. Barak Laarbrug maakte en verkocht sieraden. We wisten op dat moment helemaal niet waar mijn vader was en of hij nog in leven was of niet. Een Molukse man, meneer Kaihatoe, was op de hoogte van het feit dat Japanse officieren op zoek waren naar Molukse vrouwen om voor hen te werken. Want Molukse vrouwen waren goed in koken en wassen en ze zouden niet stelen volgens de Japanse soldaten, iets waar de Javanen wel om bekend stonden. Het huis waar mijn moeder moest gaan werken stond in Menteng Pulo aan de Palmenlaan in het binnen centrum van Jakarta. Er woonden twee Japanse officieren en ik zal die namen nooit vergeten, Akasa en Amimia. Die Amimia was wel een vriendelijke man. Hij sprak zelfs een beetje Nederlands. Wij hadden het daar niet slecht. Mijn moeder was hun kokkie, dus voor ons werd ook goed gekookt. De officieren woonden in huizen van Nederlanders en er waren speciale huisjes voor het personeel, daar woonden wij. Toen mijn zus Maria ernstig ziek werd, moest mijn moeder helemaal naar Pasar Seneng naar een Chinese apotheek en dat was erg ver, want Jakarta is ongeveer even groot als de provincie Groningen. Het medicijn dat mijn moeder had gehaald zorgde er gelukkig wel voor dat mijn zus weer beter werd. Toen het einde van de oorlog aanbrak zag ik mijn moeder praten met officier Amimia. Hij vertelde mijn moeder dat de oorlog voorbij was en de volgende dag waren ze weg. Zomaar, van de ene op de andere dag. Eindelijk kwamen toen de KNIL-militairen om ons te helpen. In de namiddag zijn we met een militaire vrachtauto vertrokken. De wegen waren erg slecht begaanbaar en soms zelfs geblokkeerd. We kwamen eerst aan bij de tangsi Kemayoran, maar die was propvol met mensen uit allerlei andere kampen. Dus we moesten allemaal een nachtje buiten slapen. De dag daarna gingen we naar Airport Meester Kornelis, dat was ook vol. Toen reden we door naar Tien Bataljon, maar ook daar was geen plaats meer voor ons. Uiteindelijk konden we in het gebouw van de Algemene Middelbare School blijven. Dat was in augustus of september Daar heeft een medegedetineerde van mijn vader ons verteld dat mijn vader was overleden. Het schip waar mijn vader op zat was door de geallieerden tot zinken gebracht op 18 november 1943 in de Banda Zee. Het schip voer onder Japanse vlag, maar de geallieerden wisten niet dat er ook militaire gevangenen op het schip zaten. Dat Japanse schip was de Ryukyu Maru, dat heb ik later kunnen achterhalen. Op 28 december 1946 is mijn moeder hertrouwd. Mijn stiefvader was ook een KNIL-militair. Hij kwam ook uit Kei, uit dezelfde kampong als mijn ouders. Hij was geïnterneerd geweest bij de Birma spoorlijn. Na de oorlog is hij naar Timor overgeplaatst en van daaruit onderhield hij contact met mijn moeder. Vanuit Timor is hij ons toen komen opzoeken in Jakarta. Daar zijn ze ook getrouwd. Hierna zijn we vaak verhuisd, want mijn stiefvader werd telkens ergens anders geplaatst vanwege zijn werk voor het KNIL. We zijn onder andere naar Soerabaja en Makassar gegaan. Daar hebben we ook een paar jaar gewoond. We gingen vanuit Makasssar naar Samburu (Lumajang) op Java. Op Samburu kreeg mijn stiefvader bericht dat de vader van mijn moeder ernstig ziek was. Hij is toen met vakantieverlof naar de Molukken gegaan. Wij bleven achter in Lumajang. 28 Max Pohowainjaan Max Pohowainjaan 29
17 In 1949 mocht mijn stiefvader wederom met vakantieverlof. We gingen met het hele gezin twee maanden naar de Molukken, naar Kei Besar. Ik wist niet eens dat ik Keiees was, ik dacht dat ik Ambonees was. Ik wist überhaupt niet dat er een verschil was tussen Ambonezen en Keiezen. Op Kei werd ik ziek en daarom moest ik naar het ziekenhuis in Larak op Kei Besar. Hierdoor meldde mijn stiefvader zich te laat op het militaire kamp in Ambon. Normaal gesproken moest een korporaal dan zijn strepen inleveren, maar mijn stiefvader hoefde dat niet. Hij had zijn strepen namelijk niet verdiend door een opleiding op de kaderschool, maar aan het front vanwege zijn daden. Van Kei Besar gingen we terug naar Samburu, Lumajang op Java. Als kleine jongen van twaalf jaar moest ik elke dag naar school buiten het kamp. Op een gegeven moment hoorde ik dat we naar Holland gingen. Volgens mij hoorden we dat via de soldaten. Dat vond ik in eerste instantie heel leuk en spannend, maar ik kan me herinneren dat de vaders niet zo blij waren. Zij hadden een andere gedachte, namelijk dat ze terug naar de Molukken zouden gaan. Toen zijn wij van Malang naar Soerabaja gebracht. Vanuit Soerabaja werden wij in een dichte vrachtwagen naar de haven gebracht. Daar lag het allereerste schip dat naar Holland ging, de Kota Inten. Op 23 februari 1951 vertrokken we met de boot vanuit Soerabaja en op 21 maart 1951 kwamen we aan in de haven van Rotterdam. Op de boot werden we begeleid door majoor Sapeno. Ik heb me als kind goed vermaakt op de boot. Ik heb daar leren boksen. Wat ik ook nog weet is dat de militairen daar hun ontslag uit het KNIL te horen kregen. Dat was echt heel erg voor die KNILmilitairen. Wat ze allemaal niet hebben moeten doorstaan. Eerst de oorlog in Indonesië, daarna de Bersiap periode en in Nederland werden ze ook zomaar in kampen gestopt. school kon heeft de Centrale Ambonezen Zorg mij opgevangen en ervoor gezorgd dat ik naar de technische school in Zwolle kon. In 1963 kwamen we in Holtenbroek in Zwolle te wonen. Ik ging naar de LTS aan de Deventerstraatweg. Hierna heb ik nog één jaar in Den Haag gewoond, bij mijn zus Octovina, maar uiteindelijk ben ik uit heimwee toch naar mijn ouders in Zwolle teruggegaan. Ik ben bij Stork gaan werken als machinebankwerker en later bij Philips. Ik was in die tijd naast mijn werk alleen maar bezig met muziek. Ik was op een bruiloft in Eerde en werd toen op het podium gevraagd. Ze wisten dat ik kon spelen. Vanaf dat moment ben ik op iedere bruiloft en partij gevraagd. Van Laarbrug tot Tiel en van Pietersberg tot Nistelrode: overal heb ik gespeeld. Samen met vrienden hadden wij een bandje, we speelden Hawaïaanse muziek, Indonesische muziek en Amerikaanse rock n roll. We speelden liedjes van Elvis en we hadden zelfs vetkuiven. Ik speelde elektrische gitaar. We hebben onder andere veel opgetreden in de Buitensoos in Zwolle. In 1974 ben ik met mijn vrouw in Zwolle getrouwd. Mijn vrouw kwam uit Indonesië en ze was in Nederland voor een verpleegsteropleiding. Ze is in 1999 overleden. We hebben een paar jaar aan de Palestrinalaan gewoond en na vijf jaar zijn we naar de Welle gegaan. In dat huis woon ik nu nog, met mijn nieuwe vrouw, die ook uit Indonesië komt. Ik heb drie kinderen, Harris, Jeffrey en Stephanie. Ik ben heel trots op mijn Moluks zijn. Ik lees nog veel over bijvoorbeeld de Adat en over de Keiese taal. Wij kwamen dus ook in zo n kamp terecht. We werden via Amersfoort naar kamp Schattenberg gebracht. Daar woonden wij in barak nummer veertien. Dat was een hele mooie barak. We hadden een toilet binnenshuis en aparte slaapkamers. Dat hadden andere barakken niet. Wij hebben van 23 maart tot 6 december 1951 in Schattenberg gewoond. In die tijd ging ik elke dag met de bus naar school in Assen. Ik was toen al twaalf, maar ik kon niet lezen of schrijven. Dus kwam ik een paar klassen lager te zitten. Ik was wel klein gebouwd en ik leek veel jonger, maar toch kon je wel zien dat ik ouder was dan de rest. Toen kwam het conflict tussen Ambonezen en Keiezen in Vught. Dat heeft ertoe geleid dat we weg moesten uit het kamp. Wij wilden het liefst in Schattenberg blijven, wij waren ook goed bevriend met de Ambonezen. We gingen in Laarbrug bij Ommen wonen. In Laarbrug woonden twee bujangs, dat is Maleis voor vrijgezellen en twaalf Keiese gezinnen. In Laarbrug had ik het iets minder naar mijn zin. Alle Keiese kinderen waren een stuk jonger dan ik. Als ik daaraan terug denk word ik nog erg emotioneel. Het was een moeilijke tijd voor mij. Voor de generatie die in Nederland is geboren ligt dat anders. Ik had zo n grote leerachterstand. Toen ik eindelijk weer naar school kon werd ik ziek. Ik had ernstige longontsteking en moest in het sanatorium in Schattenberg worden opgenomen. Twee jaar heb ik in het sanatorium gelegen. In het sanatorium heb ik van de wat oudere mensen gitaar, mandoline en ukelele leren spelen. Toen ik naar huis mocht en weer naar 30 Max Pohowainjaan Uitbreiding van het kamp Laarbrug 1957 Max Pohowainjaan 31
18 Bernard Patjanan Ik heb zelf mijn herinneringen opgeschreven in het Maleis, een jaar of vijf geleden. Ik vind het erg belangrijk dat mijn kinderen en kleinkinderen kunnen lezen wat hun ouders en grootouders hebben meegemaakt. Onze geschiedenis is een onuitwisbaar deel van de historie van Nederland en de wereldgeschiedenis. Deze geschiedenis moet doorverteld en levend gehouden worden voor de toekomstige generaties. Republik Maluku Selatan, RMS Na de soevereiniteitsoverdracht werd het KNIL opgeheven. De ongeveer Molukse KNIL-militairen kregen de keus tussen demobiliseren of overgaan naar het nieuwe Indonesische leger waartegen men hevig strijd geleverd had. Dat was een moeilijke keuze. Ongeveer de helft van hen koos voor een burgerbestaan op de Molukken en militairen maakten de overstap naar het Indonesische leger. De overige militairen wensten niet op vijandig Indonesisch grondgebied te worden gedemobiliseerd. Terwijl de onderhandelingen over de toekomst van deze Molukse militairen nog gaande waren werd op 25 april 1950 op Ambon de Republik Maluku Selatan (RMS) uitgeroepen. Het uitroepen van de onafhankelijke republiek der Zuid Molukken en de daarop volgende strijd om Ambon maakte dat de Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen in de verdrukking kwamen. Om uit de patstelling te komen besloot de Nederlandse regering hen tijdelijk naar Nederland over te brengen en tot een politieke oplossing te komen. Een kleine groep guerrillastrijders van de RMS streed tot in de jaren zestig door, onder leiding van de president van de RMS, Chris Soumokil. In 1963 werd hij gevangen genomen en drie jaar later geëxecuteerd. Ir. J.A. Manusama richtte vervolgens in Nederland een RMS regering in ballingschap op, waarvan hij de eerste president werd. Na de dood van zijn vrouw Oesi Ina woont Bung Ben alleen in het grote huis aan de Griegstraat in Zwolle. Bung en oesi zijn voor de Molukse jongeren een aanspreekvorm voor een ouder persoon. Bernard Patjanans kinderen zijn de deur uit, maar ze komen hem vaak opzoeken. Na het overwinnen van zijn ziekte is hij sterker dan ooit, het gaat het goed met Bung Ben. Ik ben geboren op 14 mei 1943 in Fako, een dorp op het eiland Kei Besar op de Molukken in Indonesië. Op Kei was mijn vader een landbouwer en visser. Hij ging het leger in als hospik bij het KNIL. Toen mijn vader bij het KNIL ging, reisde ik met mijn ouders met de boot vanuit Kei naar Ambon en van Ambon naar Makassar op Celebes, daar zijn wij twee maanden gebleven. Na die twee maanden werd mijn vader overgeplaatst naar Djember en vervolgens naar Malang. Toen volgde Soerabaja en daarna nog Problinggo. Mijn moeder en ik bleven achter in de tangsi. In Djember ging ik naar een katholieke school, een kloosterschool. De school was opgericht door missionarissen. Op de kloosterschool moesten wij van de zusters bidden en kruisjes slaan. Ik ben van huis uit protestants opgevoed, maar omdat ik op deze school de Nederlandse taal kon leren, hebben mijn ouders mij op de kloosterschool geplaatst. Als ik weer in de tangsi was sprak ik Maleis met mijn moeder en de mensen daar. In Malang bezocht ik de Fröbelschool, ik was toen vijf jaar. Ik herinner mij dat mijn vader een geweer bij zich droeg als hij mij en de kinderen uit de tangsi naar school bracht. Dat maakte een grote indruk op de andere kinderen, zij liepen ons achterna van de tangsi naar school en dat was een heel eind. In Malang hadden wij een juf, Janssen was haar achternaam, zij was een Indo, dat is een mengeling van een Indische en een Nederlander. In Djember werd de tangsi een hele avond beschoten. Er kwam een man naar ons toe die zei, doe een matras voor de deur en blijf liggen. Mijn moeder en ik waren alleen. Mijn vader was weg, waarschijnlijk op patrouille. We verhuisden weer van de ene tangsi naar de andere. Alle spullen werden in kisten gedaan en met militaire trucks vervoerd. Van Djember gingen wij naar Malang, daarna naar Soerabaja. Mijn broertje Benoni is in Djember geboren, mijn zusje Bence is in Malang geboren. In Makassar op Celebes is mijn oudste broer overleden. Mijn moeder zei een keer tegen mij: Je moet hem eens opzoeken, maar ik weet niet waar hij begraven is. Op bevel vertrokken mijn ouders, broer, zus en ik vanuit de tangsi in Soerabaja naar Nederland. Tegen mijn vader werd gezegd dat Ambon bezet was en dat wij niet terug konden naar Kei en dat we daarom naar Nederland moesten. We gingen in februari 1951 met het schip de Atlantis naar Nederland en kwamen op 23 maart 1951 aan in Rotterdam. De Atlantis had 922 passagiers aan boord. Aan boord van het schip had je slaapzalen, we sliepen in kooien boven elkaar. Mijn zusje lag apart in een wiegje. We kregen drie keer per dag eten in de eetzaal. Op de boot had je ook een school, de heer Mantouw, een Molukse leraar, gaf ons les. Hij werd later voorzitter van de Molukse inspraakraad. Tijdens de bootreis was ik ook zeeziek. In Colombo voeren kooplui met 32 Max Pohowainjaan Bernard Patjanan 33
19 kleine bootjes langs het schip. We konden met een mandje langs de railing van het schip spullen van hen kopen. In Aden zagen wij voor het eerst Arabieren. Toen het schip door de Golf van Biskaje voer sneeuwde het. We wisten niet wat dat was, sneeuw zagen wij hier voor het eerst. Op 23 maart 1951 kwamen wij s nachts in Rotterdam aan. Daar stonden bussen klaar die de mensen naar Amersfoort gingen brengen. Van de busreis heb ik niet veel meegekregen, tijdens de busreis sliep ik. In Amersfoort kregen wij trainingspakken aangereikt. Mijn vader kreeg een dikke militaire jas. Wat ik wel weet is dat het erg koud was. Van Amersfoort gingen wij naar Schattenberg in Drenthe. We kwamen in barak 37 te wonen. Onze barak had een woonkamer, één slaapkamer, een keuken en een wc. Ik weet nog dat mijn vader toen zei: Het is maar voor eventjes, we gaan gauw weer terug naar ons eigen land, het is maar voor een half jaar, dat half jaar is nu zestig jaar. De geschiedenis van de Molukse bevolking in Nederland zal voor Nederland altijd een zware last blijven als ze niet erkennen dat ze fout waren. De Molukse mensen hebben te goeder trouw gediend in het KNIL, ze verdienen dit niet, ze verdienen respect. In Schattenberg ging ik eerst naar de lagere school in Assen omdat er in Schattenberg nog geen school was. Toen Schattenberg zelf een school kreeg, ben ik daar naar school gegaan. Het was een grote lagere school speciaal voor Molukse jongens en meisjes. Na de lagere school ging ik met vrienden uit het kamp naar de ambachtsschool in Beilen. Ik volgde daar de opleiding voor bankwerker. De omgang met de Nederlanders was toentertijd vrij moeilijk. Als je in Assen was en je liep elders in de stad dan hoorde je de mensen zeggen: daar lopen bruine mensen. Wij werden dan boos, we wisten niet dat het niet kwaad bedoeld was, zij wisten ook niet dat wij daar boos om zouden worden. Na de ambachtsschool ben ik naar de UTS gegaan, maar omdat ik niet goed in wiskunde was heb ik de UTS niet afgemaakt. Via school ben ik bij Stork gaan werken en tekende daar als leerling voor een tweejarige opleiding. De eerste twee maanden was dat als bankwerker en de volgende twee maanden als draaier. Ook ging ik vier avonden per week naar school, het eerste jaar in Beilen, het tweede jaar in Assen. Daar haalde ik het diploma voor bi-metaal. Mijn ouders hebben steeds met de gedachte geleefd dat ze op een dag te horen zouden krijgen dat ze terug konden naar de Molukken. Ze hebben echt hun hele leven op dat moment gewacht. Wij moesten als kind naar school om een ambacht, een vak te leren, want als we terug zouden gaan naar de Molukken dan konden we daar het geleerde vak uitoefenen en ook wat voor de mensen daar betekenen. Mijn vader had zich omgeschoold tot automonteur. Hij werkte eerst in Assen bij een busmaatschappij, daarna bij een steenfabriek in Maasbracht in Limburg. Wij zouden eerst naar Maasbracht verhuizen, maar de verhuizing ging niet door, omdat mijn moeder heel erg ziek werd. Ik moest vaak als jongetje van 11 jaar op mijn broertjes en zusjes passen omdat mijn moeder door ziekte vaak op bed lag. In Schattenberg heb ik catechisatie gevolgd en daarna belijdenis gedaan. Op 15 april 1962 ben ik aangenomen bij de Geredja Indjili Maluku (GIM), de Molukse Evangelische kerk. Daarna mocht ik van mijn vader overal heen waar ik wilde. Mijn moeder overleed in 1959 in het Academisch Ziekenhuis in Groningen aan een astmatische bronchitis. Ze is begraven in Hooghalen. Zij overleed vlak na de geboorte van mijn broertje Frans. Ons gezin bestond toen uit acht kinderen, vijf waren in Nederland geboren. Mijn broertjes en zusjes kwamen in een kindertehuis terecht, het Julianahuis aan de Terborchstraat in Zwolle. Het tehuis werd geopend in 1927 en was onderdeel van de Protestants Christelijke Vereniging Jeugd- en Kinderzorg. Op een bruiloft in Ommen leerde ik mijn vrouw kennen, zij woonde in Teuge. Ik was heel erg verliefd op haar en ik wilde graag met haar trouwen, maar ik mocht van mijn vader niet met haar trouwen omdat ik een pela, een bloedband, met haar had. Voor mensen die pela van elkaar zijn, is het onmogelijk met elkaar te trouwen. In 1964 is mijn dochter geboren, maar ik mocht nog steeds niet trouwen. Mijn schoonvader was ook tegen het huwelijk. Het heeft tot 1970 geduurd voordat ik tenslotte met mijn vrouw in Zwolle kon trouwen. Mijn vader wilde een traditioneel bruiloftsfeest maar dat wilden wij niet, we zijn op onze eigen manier getrouwd in de Buitensoos in Zwolle met heel veel vrienden om ons heen. 34 Bernard Patjanan De familie Patjanan, begin jaren 50 Bernard Patjanan 35
20 Molukse jongeren. De bedoeling was om te onderzoeken of er daadwerkelijk mogelijkheden waren voor Molukkers om terug te keren naar de Zuid Molukken. De meeste Molukkers wilden toen terug, maar de Zuid Molukken was en is geen vrij land. Het is een voldongen feit dat wij niet terug kunnen. Je hebt hier een goede baan, maar als je teruggaat heb je daar niets aan. De ontwikkeling op de Molukken loopt erg achter. Ik was op een dok en zag daar mensen aan het werk en ik dacht waarom doen ze het zo. Ik liep naar de mensen toe, ze keken mij van verre al aan. Wat moet die hier, hij denkt zeker dat hij het beter kan. Ik liet de mensen zien dat het anders kan, ze vonden het goed, maar daar is het ook bij gebleven. De vooruitgang stagneert en het is ook niet motiverend voor de jongeren. Ik denk dat de jongere generatie heel veel problemen zou ondervinden als zij zou terugkeren naar de Molukken. Ik ben heel erg ziek geweest en ik ben toen in het ziekenhuis opgenomen. De artsen wilden mij opereren maar ik wilde dat niet, maar door het vertrouwen en geloof in God kwam een omslag in mijn leven. Het geloof in God heeft mij een sterker en tevreden mens gemaakt. Na het overlijden van mijn beide ouders kwam ik erachter dat ik door hen was geadopteerd. Ze hebben dit nooit aan mij verteld. Ik heb het ook nooit geweten of gevoeld, mijn ouders hebben mij altijd met heel veel liefde en respect grootgebracht. Ik ben ze voor altijd dankbaar. Ze zijn voor mij mijn enige ouders. Mijn ouders zijn inmiddels geschiedenis, het is aan ons en de volgende generatie om hun geschiedenis levend te houden. Molukse dansgroep In 1970 werd het kamp Schattenberg opgeheven. Veel bewoners van Schattenberg zijn verhuisd naar Winterswijk. Ik werkte toen bij constructiebedrijf Reijnders in Groningen. Samen met mijn vader besloot ik in Zwolle te gaan wonen, dicht bij mijn broers en zusjes die in het Juliana kindertehuis zaten. Ik ging werken bij PSK in Apeldoorn. Mijn vader kreeg een baan in Deventer. Na mijn trouwen ging ik met mijn vrouw bij mijn vader in de Purcellstraat in Zwolle wonen. Mijn broers en zussen uit het tehuis kwamen ook weer thuis wonen. Mijn dochter, toen zes jaar oud, woonde nog steeds bij mijn schoonvader en ze werd door mijn schoonzus verzorgd. Zij kwam pas later naar Zwolle. Ik kreeg werk in Zwolle en ging samen met mijn vrouw in een flatje aan de Beethovenlaan wonen. We hebben twee zoons en drie dochters. Toen mijn vrouw een zware hartaanval kreeg, werd ze opgenomen in het ziekenhuis, daarna is ze naar het verpleegtehuis het Zonnehuis in Zwolle gebracht. Korte tijd later is ze overleden. Ik heb nu nog twee dochters, een zoon en een kleinzoon. Ik zou wel terug willen naar Indonesië. Het liefst zou ik teruggaan naar Bali. Ik ben al vijf keer op vakantie geweest naar Indonesië: In 1978 heb ik een oriëntatiereis gemaakt met acht andere Naar Nederland De Nederlandse regering besloot de hele groep Molukkers naar Nederland over te brengen. Het zou maar tijdelijk zijn; zodra een oplossing was gevonden voor de situatie zouden de Molukkers en hun gezinnen terugkeren. In het eerste halfjaar van 1951 kwamen de Molukkers in twaalf schepen naar Nederland. Bij aankomst in Nederland wachtte hen een grote deceptie. Ze waren aan boord gegaan als ex KNIL-militairen, die de tijdelijke status van militairen van de Koninklijke Landmacht hadden, maar ze kregen in Nederland te horen dat ze uit militaire dienst waren ontslagen. Protesten en een rechtszaak tegen de Staat bleven zonder resultaat. Veel Molukse ex-knil militairen wilden niet de Nederlandse nationaliteit aannemen, ze wilden vasthouden aan een terugkeer naar de onafhankelijke republiek der Zuid Molukken. Daarmee werd deze groep Molukkers stateloos wat onder meer het reizen naar andere landen, bij het ontbreken van een paspoort, onmogelijk maakte. In 1976 werd door de Wet betreffende de positie van de Molukkers geregeld dat de Molukkers recht hadden op een Nederlands paspoort, maar dat ze hun stateloosheid niet hoefden op te geven. 36 Bernard Patjanan Bernard Patjanan 37
21 Bernard Patjanan Benoni Patjanan Onder de indruk van het gebouw en de tuin van Kembang Baru en Rumah Kenangan, een dagbesteding voor de Indische en Molukse ouderen, vertelt Benoni over zijn kinderjaren in Schattenberg en de jaren in kindertehuizen. De perioden waarin hij werd gescheiden van zijn familie hebben hem gevormd tot wat hij nu is, een wereldburger, zo wil hij ook gezien worden. Ontroerd vertelt hij over de ervaring van zijn reis naar Kei Besar, het eiland waar zijn ouders vandaan kwamen. Mijn ouders zijn Keiezen, zij komen uit kampong Fako op het eiland Kei Besar in Indonesië. Mijn vader was KNIL-militair, hij was toentertijd gestationeerd in Djember op Midden Java. Ik ben in Djember geboren op 11 november Mijn zus is op 21 september 1950 in Malang geboren. Wij zijn net als zovele Molukkers in 1951 met het schip de Atlantis naar Nederland overgebracht. Na aankomst in Nederland zijn wij naar Amersfoort gebracht. Daar werden we verdeeld en in kamp Schattenberg ondergebracht. Schattenberg was in de oorlog een concentratiekamp voor joden. Ambonezen Zorg er voor gezorgd dat wij in een kindertehuis in Zwolle werden geplaatst. In Zwolle zat ik op de Wilhelminaschool, een lagere school op het Assendorperplein. Toen ik te oud werd bevonden voor het kindertehuis in Zwolle werd ik weer ergens anders geplaatst en kwam toen alleen in Nijmegen terecht. Mijn broertjes en zusjes bleven in Zwolle. In Nijmegen werd ik opgevangen door de Lindehout Stichting in Neerbosch. De Lindehout Stichting was vroeger een Kinderdorp Neerbosch dat voortkwam uit de de Weezeninrichting, gesticht door Johannes van t Lindehout in In Neerbosch heb ik wel een leuke tijd gehad. Ik zat met 8 tot 10 jongens in een groep. We waren wel beperkt in ons doen en laten omdat er regels waren waar wij ons aan moesten houden. Ik had ook veel vrienden, het is jammer dat we elkaar uit het oog zijn verloren. Ik zou graag willen weten hoe het hen is vergaan. In Nijmegen heb ik een paar jaar gewoond, daarna keerde ik terug naar Zwolle en ging ik samen met mijn broers en zusjes in Zwolle wonen. We waren één van de eerste Molukse gezinnen die in de wijk Holtenbroek kwamen wonen. Mijn vader ging uit Schattenberg weg en verhuisde naar Zwolle, hij ging ook bij ons wonen. Het hele gezin was weer bij elkaar. Na een moeilijke tijd waarin we als gezin uit elkaar waren gehaald, pakten wij de draad weer snel op en gingen als gezin ons leven leiden. Mijn eerste baantje was in Staphorst bij de Rollecate. Ik ging solliciteren met Simon, een kameraad van mij, op de brommer! Ik werd aangenomen. Bij de Rollecate heb ik twee en een half jaar gewerkt. Daarna kwam ik in Zwolle bij een soortgelijk bedrijf terecht. Bij dat bedrijf maakte ik stalen ramen en kozijnen en dat soort dingen. Twee en een half jaar heb ik daar gewerkt. Toen wilde ik weer wat anders gaan doen. Mijn vader werkte, net als de meeste Molukse mannen, bij de Vocaleumfabriek in de Hoogstraat in de Kamperpoort, vlakbij de huidige winkel van Leen Bakker. Tot begin jaren zestig heb ik in kamp Schattenberg gewoond. Daar kan ik me nog veel van herinneren. Ik ging met andere kinderen op het kamp zelf naar school. Het kamp was eigenlijk een groot dorp voor ons. Er was een bioscoop, een ziekenhuis, scholen en een militaire schietbaan. Op school waren veel Nederlandse leraren en leraressen en een hoofdmeester. Een van de leraren was een Surinamer. Op school werd Nederlands gesproken maar als we thuis waren, spraken wij Maleis met onze ouders. Kamp Schattenberg ligt verscholen in de bossen. Als ik niet naar school hoefde, speelde ik vaak met andere kinderen in het bos. Ik was nooit zo bezig met mijn Molukse identiteit en dat ik geen Nederlander ben. Dat ik in Nederland was drong toen ook niet tot mij door. Ik had natuurlijk wel een andere kleur en in die tijd was dat bijzonder. Er werd wel gevraagd waar ik vandaan kwam en dan zei ik wel Indonesië, maar zelf weet ik daar niets meer van. Pas later kwam ik daar achter en ook dat ik een Keiees ben en uit de Molukken kom. Mijn moeder was zwaar astmapatiënt, ze is al in 1959 op haar zevenendertigste overleden. Ik heb twee zussen en vijf broers. Mijn vader moest toen alleen voor acht kinderen zorgen. Dat was voor hem niet gemakkelijk. Waarschijnlijk heeft de Centrale In 1975 werd de trein bij de Punt gekaapt. Ik luisterde naar de radio en keek vaak naar de televisie en dan hoorde ik de namen van de jongens die mij bekend in de oren klonken. Het was een behoorlijk heftige periode, ook op mijn werk. De meeste Nederlanders wisten helemaal niet wat er gaande was. Ze wisten alleen maar dat het Molukkers waren die de treinkaping op hun geweten hadden. Er werkten toen veel Molukkers bij het bedrijf waar ik werkte en er waren momenten dat het voor ons ook heel bedreigend was. Een half-surinaamse jongen werd die dag ook bedreigd. Een jongen uit Nijverdal die heel goed wist hoe het allemaal zat, heeft toen uitgelegd waarom die kaping plaatsvond. Hoewel ik begrip heb voor hun actie, om aandacht te vragen voor de Molukse geschiedenis, is die kaping niet goed te praten, er zaten veel onschuldige mensen in die trein, mensen die er niets aan konden doen. In 2005 ben ik samen met mijn zus, broer en enkele neven voor het eerst vier weken lang naar de Molukken geweest. Deze reis kwam eigenlijk een beetje onverwacht voor mij. Mijn zus vroeg of ik mee wilde naar Indonesië. Voor mij was het de eerste keer dat ik in een vliegtuig de oceaan overvloog helemaal naar de andere kant van de wereld. Te bedenken dat vliegen helemaal niets 38 Benoni Patjanan Benoni Patjanan 39
22 mee bezig. Met de Molukse gezinnen in de wijk hadden wij goede contacten, wij beleden geen geloof, zij wel. Dat komt misschien ook doordat wij in tehuizen zijn opgegroeid. Bijna iedereen in de wijk is gedoopt of heeft belijdenis gedaan. De Molukse gemeenschap is een hechte gemeenschap. Ik ben misschien een buitenbeentje. Toen ik in Nijmegen woonde was ik de enige Molukker die daar aan het schaatsen was. De Nijmeegse Vierdaagse heb ik twee keer gelopen. Ik ben getrouwd met een Indische vrouw. Ze is in Jakarta geboren, ook zij weet niet veel over Indonesië te vertellen. Het is mooi dat er een Rumah Kenangan bestaat voor de ouderen, maar ik zie mezelf er niet naar toe gaan op mijn oude dag, maar ja, je weet het niet Ik ben een Molukker die het goed kan vinden met de Nederlanders. Moluks zijn is een gevoel. Als ik een Molukker zie dan zal ik hem altijd groeten, ook al ken ik hem niet, omgekeerd is dat net zo. Iets dat mij misschien wel meer Moluks maakt, is de beleefdheidsnorm. Dat vind ik het grootste verschil tussen Nederlanders en Molukkers. Het respect voor ouderen. Het elkaar aanspreken met bung of oesi in plaats van elkaar bij de voornaam te noemen, ik vind dat mooi. Maar het is ook aan het veranderen bij de jongeren. Ik ben daar wel realistisch in. Je kunt wel zeggen dat je dat wilt bewaren, maar dat moet dan wel onderdeel zijn van de opvoeding. Kei-eilanden nu voor mij is. Om de Kei-eilanden te bereiken moesten wij in totaal tien binnenlandse vluchten maken. Op de Kei-eilanden vlogen we met het vliegtuig eerst naar Tual op Kei-Kecil. Het eiland is mooi, maar heel vlak en er zijn geen bergen. Van hieruit gingen wij met de boot naar Kei Besar. Op Kei Besar ligt Fako, de kampong waar mijn ouders vandaan kwamen. Bij aankomst op Kei Besar is het eerste wat je ziet, de bergen. Prachtig! Op Kei Besar werden wij door de mensen van het eiland heel, heel hartelijk ontvangen. Vooral toen ze hoorden dat ik ook een Patjanan ben, werd ik door iedereen omhelsd. De kennismaking met de mensen op het eiland heeft een diepe indruk op mij gemaakt. De reis ernaar toe, de aankomst op het eiland en in de kampong was heftig en emotioneel. Toen we in de kampong waren wist ik niet wat mij overkwam. Het was voor iedereen een ware cultuurshock. Vooral de armoede greep mij erg aan. De mensen op het eiland hebben helemaal niets. Het verblijf in Fako op Kei Besar was eigenlijk te kort om dat goed te kunnen beseffen, het is iets dat mij is overkomen. Ik wil graag weer een keer terug naar Fako maar dan zou ik mij beter moeten voorbereiden. Als ik het kon dan zou ik eerst zorgen voor sanitair en elektriciteit. Aan mijn ouders heb ik jammer genoeg niet veel kunnen vragen over hun leven in Indonesië, over hoe ze zich voelden en wat dat met ze gedaan heeft. Ik was elf toen mijn moeder overleed. Dan denk je daar niet aan. Met mijn vader sprak ik daar ook niet over. In die tijd was ik er niet De geschiedenis van onze ouders is er één waar wij met z n allen een betekenis aan moeten geven. De gehele Nederlandse samenleving kan hier wat van leren, vooral hoe het niet moet. Schepen De Molukkers kwamen met de onderstaande schepen naar Nederland: Kota Inten, aankomst 21 maart 1951 in Rotterdam Atlantis, aankomst 23 maart 1951 in Rotterdam Roma, aankomst 8 april 1951 in Rotterdam Castelbianco, aankomst 24 april 1951 in Rotterdam New Australia, aankomst 29 april 1951 in Amsterdam Groote Beer, aankomst 6 mei 1951 in Amsterdam Skaubyrn, aankomst 10 mei 1951 in Rotterdam Sommersetshire, aankomst 16 mei 1951 in Amsterdam Asturias, aankomst 17 mei 1951in Amsterdam Fairsea, aankomst 5 juni 1951in Rotterdam Goya, aankomst 15 juni 1951 in Rotterdam Kota Inten, tweede reis, aankomst 21 juni 1951 in Rotterdam 40 Benoni Patjanan Benoni Patjanan 41
23 Wim Rahajaan Het interview met Wim Rahajaan vindt plaats in zijn woonkamer met fraai uitzicht op de Milliger Plas in Zwolle. Wim heeft een behoorlijke kennis van de geschiedenis van de Molukkers. Hij vertelt het levensverhaal van zijn ouders en zichzelf met daarbij een hele hoop achtergrondinformatie. Zijn eveneens Molukse vrouw vult hem af en toe aan. Een geschiedenisles van Wim Rahajaan. Ik was altijd al geïnteresseerd in het verleden. Het is een stukje geschiedenis van jezelf en van je familie. Ik vind dat je aan je kinderen en schoonkinderen moet kunnen vertellen waar je vandaan komt. Het willen doorgeven van de familiegeschiedenis heb ik van mijn moeder. Vroeger in het kamp, als het koud en donker was, kropen we met zijn allen rond de kachel en dan ging mijn moeder vertellen. Wim Rahajaan Over het verleden. Over de Molukken. Over de families. Mijn moeder komt uit Weduar, een kampong op Kei Besar. Ze was al uitgehuwelijkt toen ze nog in de buik van mijn oma zat. Mijn vader is de enige zoon uit een gezin met zes dochters. Hij kwam van de kampong Ohoiwait, wat nieuw dorp betekent. Mijn moeder is al op haar veertiende bij mijn vader in huis gaan wonen. De oorlog was net begonnen en zoals veel ouders waren ook mijn grootouders bang dat hun dochter door de Japanners als troostmeisje gebruikt zou worden. Op deze manier was ze beschermd. Na een oproep van het KNIL heeft mijn vader zich ingeschreven. Maar zijn vader heeft hem tegengehouden. Hij wilde niet dat zijn zoon in militaire dienst ging. Daarna heeft mijn vader zich toch stiekem weer opgegeven. In 1947 ging hij naar Ambon om zich te melden. Mijn moeder ging hem later achterna met de andere vrouwen. Mannen mochten hun vrouwen naar de kazerne meenemen, maar er mocht maar één kind mee. Ze mochten met maximaal drie mensen naar Ambon. De boottocht van de Kei-eilanden duurt een dag en een nacht. Voor mijn ouders was dat überhaupt de eerste keer dat ze van het eiland afkwamen. Na de rekrutentijd op Ambon zijn ze naar Makassar op Celebes gegaan. Daar ben ik geboren op 29 februari Daarna zijn we naar Java gegaan. Mijn vader was op Oost-Java gestationeerd. Hij was ingedeeld bij de militairgeneeskundige dienst. Hij heeft geluk gehad dat hij niet naar het front hoefde. Hij was hospik, dus hij was steeds bij de kamparts. Wij zaten bij het tweede transport dat van Indonesië naar Nederland ging. Met een gezin van vijf personen gingen wij in januari 1951 met de boot naar Rotterdam toe. Onze boot heette de Atlantis, dat was een boot van het Rode Kruis. Deze boot was speciaal bedoeld voor alle vrouwen die pas een baby hadden gekregen of die zwanger waren. Onderweg zijn er kinderen geboren die de naam Atlantis kregen. Zo bestaat er een Atlantis Marijanan en een Atlantis Renjaan. Mijn moeder lag de hele overtocht ziek op bed. Wij werden de hele reis verzorgd door een tante. Bij de Golf van Biskaje spookte het en werden heel veel mensen zeeziek. Na een maand kwamen we aan in Rotterdam. Ik was toen net drie jaar. Vanuit Rotterdam gingen we rechtstreeks naar Amersfoort. Daar moesten onze vaders zich afmelden om vervolgens ontslagen te worden uit het leger. Indertijd reageerden de meeste vaders daar heel gelaten op. Later kwamen ze pas tot besef: we zijn een ambteloos burger!. Mensen die de Nederlandse taal machtig waren, waren wel op de hoogte. Mijn ouders hadden geen Nederlands geleerd in Indonesië. Mijn moeder kende bijvoorbeeld het woord hoestdrank. Maar ze wist niet dat het een Nederlands woord was. Daar kwam ze pas achter in Nederland. Een ander voorbeeld: onze vaders kenden vanuit de rekrutentijd bijvoorbeeld het woord kriestoek oftewel krijgstucht. Ze kenden dus al diverse Nederlandse woorden, waarvan ze dachten dat het Maleis was. Er was wel een mogelijkheid om Nederlands te leren, maar de Nederlandse school in Indonesië was alleen maar voor de welgestelden, zoals kinderen van de dorpsoudsten. Via Amersfoort zijn we in het voormalige Westerbork, in Schattenberg terecht gekomen, waar we tot december 1951 zijn gebleven. Vanwege een bloedig voorval in Vught tussen Keiezen en Ambonezen zijn we vertrokken. De overheid was van mening dat het beter was de groepen te scheiden, omdat het anders zou escaleren. Alle KNIL-militairen werden Ambonezen genoemd, maar de Nederlandse ambtenaren waren echter wel op de hoogte van het feit dat er Ambonezen en Zuid-Oost Molukkers waren. De Keiese groep was duidelijk in de minderheid: van de zestig kampen, waren er maar acht met Zuid-Oost Molukkers. Hoewel ons gezin goed met de Ambonezen kon samenleven, zijn we toch weggetrokken. Mijn moeder wilde echter niet weggaan, ze zei: Ik heb toch niets tegen deze mensen. Ik weet van mijn schoonouders in Elst dat ze het ook moeilijk vonden. Maar we zijn een groepsvolk. Uit loyaliteit zijn we uiteindelijk toch gegaan. De Keiezen gingen naar kampen in Eerde, Laarbrug, Pietersberg, Groesbeek, Donsel, Baarschot, Echt en Montfoort. Pastoor Vlieger heeft hierin een grote rol gespeeld, hij bracht de scheiding aan tussen de Zuid-Oost Molukkers onderling. Hij sprak heel goed Keiees. De rooms-katholieke Molukkers waren als de dood voor hem. Dan zaten ze bijvoorbeeld te kaarten voor geld, maar dat mocht niet, dan kregen ze de wind van voren. Pastoor Vlieger heeft bewerkstelligd dat alle rooms-katholieke Molukkers naar het zuiden van Nederland gingen. Dus er was aan de ene kant een tweedeling tussen Keiezen en Ambonezen en aan de andere kant binnen de Keiezen tussen protestanten en katholieken. Die tweedeling was verder niet kwaadschiks. Eigenlijk was het gewoon een aanpassing aan de bestaande religieuze kaart van Nederland. De indeling van de Molukken is overigens een verhaal apart. De Zuid-Molukken werden na de onafhankelijkheid van Indonesië Midden-Molukken genoemd. De Zuid-Molukken wilden namelijk een zelfstandige staat: de Republiek der Zuid-Molukken oftewel de Republik Maluku Selatin (RMS). De Indonesische regering heeft de Molukken toen als volgt ingedeeld: Noord, Midden en Zuid-Oost Molukken. Op die manier bestaan er dus geen Zuid-Molukken! De meeste Ambonezen in Nederland sympathiseerden met de gedachte van de RMS. De Zuid-Oost Molukkers hadden daar minder mee. 42 Wim Rahajan Wim Rahajan 43
24 De oorsprong van het conflict in Vught gaat ver terug. Want hoewel veel Keiese gezinnen geen problemen hadden met de Ambonezen, was er toch wel wrijving. Dat kwam onder meer doordat Ambon tijdens de kolonisatie een vooraanstaande positie kreeg. De Nederlanders zaten daar vanwege de specerijen, kruidnagels en nootmuskaat. De Ambonezen kregen allerlei opleidingen van de Nederlanders. Je had de STOVIL (School Tot Opleiding Van Inlandse Leraren) en STOVIA (School Tot Opleiding Van Inlandse Artsen) en zodoende was er een hele schare van Ambonese leraren en artsen. Zij werden verspreid over heel Indonesië. Kun je nagaan wat voor macht de Ambonezen vroeger hadden, onder de Nederlanders. Ze waren het lievelingetje van de Nederlanders. Ze hadden vaak ook Portugese of Nederlandse achternamen en hadden een lichtere huidskleur. Sommigen werden zelfs gelijkgestelden genoemd. Dat betekende dat ze gelijk waren aan de Nederlanders. En die leraren kwamen niet alleen ontwikkeling op het gebied van onderwijs en hygiëne brengen, zij brachten ook het christelijke evangelie, ook op de Keieilanden. Dat zette soms kwaad bloed. Het botste tussen die leraren en de mohammedaanse leiders. Er was ook sprake van discriminatie. De Ambonezen praatten heel denigrerend over Keiezen en Tanimbarnezen, over hun kroeshaar en hun donkere huidskleur. De Ambonezen waren heel bevoogdend. Op deze manier is waarschijnlijk de aversie tegen de Ambonezen ontstaan. Toch heeft het koloniale verleden ook zo z n voordelen gehad. Bijvoorbeeld voor de ziekenhuizen en de hygiëne. Het schoonmaken van het dorp bijvoorbeeld noemden ze heredies. Dat komt van herendiensten. We zitten altijd wel te katten op de Hollanders, maar je kunt wel wat van dat volk leren. Zulke dingen hebben ze ook gebracht. 44 Wim Rahajan Familie Rahajaan in Indonesië We zijn dus uiteindelijk uit Schattenberg verhuisd naar Laarbrug bij Ommen. In Laarbrug zijn we vaak verhuisd binnen het kamp, vanwege de grootte van ons gezin, maar ook vanwege het feit dat mensen het kamp verlieten. Ons gezin telde in totaal dertien kinderen. Er zijn er dus negen bijgekomen in Laarbrug en nog één in Zwolle. Ik ging in Ommen naar de kleuterschool. Thuis spraken we Maleis. Het enige dat ik me nog kan herinneren van de kleuterschool is dat er een juffrouw Pronk was. Mijn zusje en ik hadden les van haar. Juffrouw Pronk had een verhouding met een vrijgezelle oom uit Laarbrug, daarom kwam ze wel eens op het kamp. De lagere school heb ik veel bewuster meegemaakt. Ik had laatst een reünie van de lagere school en toen hadden we het nog over integratie. Bij ons ging dat gewoon spelenderwijs. We woonden ook maar in een kleine gemeenschap. Toch was er een duidelijke verdeling in het dorp, ook tussen de Nederlanders. Er was een gereformeerde, een openbare, een katholieke en een hervormde school. Wij zaten op een hervormde school, namelijk de Koningin Julianaschool. Als protestanten gingen wij naar Ommen. De katholieken gingen in Vilsteren naar school. Je zag elkaar vooral met sportdagen of als je moest voetballen tegen een andere school. Later kwamen we met de gereformeerde jongens op de MULO te zitten. Toen was dat verschil tussen hervormd en gereformeerd grappig genoeg helemaal verdwenen, terwijl je op de lagere school echt tegen elkaar in ging. De omgang met Nederlandse jongens is nooit een probleem geweest. Ze kwamen zelfs weleens bij ons in het kamp op bezoek. Dan gingen we zwemmen in een plas achter het kamp. Het ging echt vanzelf, de integratie. Ik ben naar de MULO gegaan in Ommen. In 1966 zijn we naar Zwolle verhuisd. We konden kiezen tussen Rijssen, Zevenaar of Zwolle. Wij kozen voor Zwolle, onder andere omdat onze vaders bij Philips Familie Rahajaan na aankomst in Nederland werkten. Wij waren één van de laatste vier families die naar Zwolle gingen vanuit het kamp. Omdat wij een groot gezin hadden, kregen wij een huis in Holtenbroek IV, met vier slaapkamers. In Holtenbroek III woonden veel meer Molukkers bij elkaar. De contacten met de Nederlandse buurtbewoners waren goed. Vanuit de gemeente was er een soort maatschappelijk werkster, zij heette Ada Timmerman. Zij organiseerde activiteiten voor de Molukse vrouwen en kinderen, zowel om ze de Nederlandse taal te leren en dingen te laten ondernemen, als om te helpen met de belasting, de huur of wat dan ook. Ada betekent in het Maleis Het is er, dus als wij hulp nodig hadden riepen we altijd Ada, ada. Mannen en vrouwen konden allerlei cursussen volgen in het kamp, georganiseerd door de Nederlandse overheid. Een oom van mij heeft een volledige coupeuse-opleiding gevolgd. Volgens mijn vrouw kregen de vrouwen kooklessen en moesten ze bijvoorbeeld leren hoe ze de was moesten ophangen. In Indonesië legden ze het op de grond, maar hier moest je het aan een waslijn hangen. Dan lieten ze een filmpje zien over hoe de was moest worden opgehangen. Het moest dan wel goed gesorteerd worden: theedoeken bij theedoeken en handdoeken bij handdoeken en ondergoed apart. Wim Rahajan 45
25 Mijn vader heeft tot 1960 gewerkt als assistent van de huisarts. Hij heeft ook vroedvrouwen geholpen. In het begin mochten de mannen eigenlijk geen geld verdienen van de Nederlandse overheid. Maar de vrijgezellen uit het kamp gingen s avonds uit en hoorden dan dat ze in plaats van de drie gulden die ze kregen van de overheid, ook veertig gulden konden verdienen als ze gingen werken. Dat gingen ze dus doen. Mijn vader ging ook in de fabriek werken. Ze werden wel op de vingers getikt door de CAZ, maar ze deden het toch. Toen heeft de Nederlandse overheid de hulp aan de Molukkers onttrokken. De gaarkeuken werd gesloopt en er werden keukentjes bijgebouwd. Wat betreft mijn werkzame leven: ik heb eerst als ambtenaar gewerkt bij de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders. Daarvoor moesten we naar Lelystad verhuizen, maar mijn vrouw wilde niet. Ik moest halsoverkop gaan solliciteren en via een advertentie kwam ik bij Te Siepe wegenbouw terecht. Ik heb daar administratieve werkzaamheden verricht. Ik was daar ook werkzaam ten tijde van de treinkaping. Ik zat tussen de boeren en die namen geen blad voor de mond. Ik heb toen wel uitgelegd dat er in Zwolle geen RMS-ers zijn. Je voelt je toch aangevallen en wilt je op de één of andere manier toch verdedigen. Je bent en blijft toch een Molukker. Of mijn kinderen zich ook zo zien weet ik niet. Ze hebben allemaal een relatie met een Nederlander. Onze kleinkinderen worden in ieder geval óók opgevoed met de Nederlandse normen en waarden. Een voorbeeld van een verschil is dat, als wij voor een ouder iemand langslopen, wij een beetje een gebukte houding aannemen, uit respect. Maar dat zijn Nederlanders niet gewend. Onze kleinkinderen dus ook niet. Ik heb nergens spijt van, maar als ik het opnieuw mocht doen zou ik mijn kinderen wel Maleis leren. De taal is toch een belangrijk onderdeel om de cultuur te begrijpen. Want als je echt dingen wilt weten, of de Keiese cultuur wilt begrijpen, dan moet je bijvoorbeeld goed luisteren naar de teksten van Keiese liederen. De verhalen worden namelijk traditioneel zingend overgeleverd. Mijn moeder heeft de jongeren in Laarbrug en Zwolle Keiees leren dansen en zingen. Woonoorden Na de Tweede Wereldoorlog was er een grote woningnood in Nederland. De Molukkers werden daarom ondergebracht in woonoorden, verspreid over het hele land. In totaal waren er 90 woonoorden; kloosters, landhuizen, vakantieoorden en kampen die tijdens de oorlog hadden dienstgedaan voor de internering van joden en andere gevangenen, zoals Westerbork (Schattenberg) en Vught (Lunetten). In de omgeving van Zwolle werden woonoorden ingericht in Eerde en Laarbrug. Dat de Molukkers als groep bij elkaar zaten en vrijwel gescheiden waren van de Nederlandse bevolking werd niet als een bezwaar gezien, het verblijf was immers tijdelijk. De Molukkers waren voor hun huisvesting, voedsel en kleding afhankelijk van de Nederlandse staat. De eerste jaren mocht men niet zelf koken, maar moest het eten gehaald worden in centrale keukens en het werken tegen betaling werd vrijwel onmogelijk gemaakt. Volwassenen kregen een zakgeld van drie gulden per week per persoon, kinderen kregen twee gulden. Grote woonoorden hadden hun eigen school, in kleinere gingen de Molukse kinderen naar de plaatselijke scholen. Eind 1952 bundelde de overheid zijn bemoeienis met de Molukkers tot het CAZ, het Commissariaat van Ambonezenzorg. De tegenspelers van het CAZ waren de kampraden die vooral de belangen behartigden van de mensen in de woonoorden. Ik ben momenteel koorleider. Ik leid zowel het Molukse mannen- als vrouwenkoor. Dat heb ik al in de zestiger jaren overgenomen van mijn ouders. Dat wij hier in Nederland zijn is ons lot maar het is geen noodlot. Onze ouders zeggen het is Gods leiding. Toch waren mijn ouders in de vijftiger jaren wel van plan om terug te gaan naar de Molukken, samen met een viertal gezinnen. Ze moesten daarvoor helemaal naar Brussel, want in Nederland was er geen consulaat vanwege de slechte politieke verhouding met Indonesië. Bij het consulaat werd ze gezegd dat ze beter in Nederland konden blijven. Het was in Indonesië nog te gevaarlijk voor ex-knil militairen. Zij hebben zich daarbij moeten neerleggen. En ze zijn hier iets van hun leven gaan maken. Onze ouders zijn daar op hun manier mee omgegaan. Ze stuurden geld op naar de Molukken, lieten familie overkomen om hen deelgenoot te maken van de welvaart hier in Nederland, ze stuurden pakketten op, of waren hun familie op een andere manier tot steun. Je kunt niet steeds achterom kijken. Je mag wel achterom kijken, maar dan om te zien wat je van je ouders hebt meegekregen. 46 Wim Rahajan Wim Rahajan 47
26 Octovina Hoexum-Pohowainjaan Octovina Hoexum-Pohowainjaan - usi Octo voor familie en kennissen - woont in Emmen. Haar huis lijkt wel een klein museum met allemaal foto s en voorwerpen. Met een kopje koffie en een stukje sponscake worden we op ons gemak gesteld en de geur uit de keuken verraadt al dat ik niet vertrek zonder een uitgebreide Indische maaltijd. De nog altijd charmante usi Octo vindt het een eer dat ze is gevraagd om mee te werken aan het boek. Met een lach en een traan vertelt ze het verhaal van een dapper meisje dat als eerste kamp Laarbrug verliet. Er komt heel veel bij me naar boven als ik de vragen voor dit interview lees. Ik praat natuurlijk wel eens over mijn verleden, maar meestal is dat oppervlakkig. Ik ben geboren op 23 november 1940 in Jakarta in het ziekenhuis. Ik was de jongste van Octovina Hoexum-Pohowainjaan vier kinderen. Mijn ouders komen van de Kei-eilanden. Mijn vader Salmon Pohowainjaan en mijn moeder Lentji Tenlan komen van de kampong Ohoifaruan. Mijn vader is bij het KNIL gegaan en zodoende hebben mijn ouders de Kei-eilanden verlaten. Het oudste kind, mijn zus Antonette, is op Ambon geboren en in Jakarta zijn er nog drie kinderen bijgekomen: mijn broer Marcus, mijn zus Maria en ikzelf. Van mijn jeugd in Indonesië weet ik vooral nog dat ik altijd aan het spelen was. Ik klom in bomen, speelde met jongens. Ik weet nog heel goed dat mijn broer geld uit de portemonnee van mijn moeder had gestolen. Mijn moeder vertelde dat aan de kinderen en zij renden allemaal achter hem aan om hem te vangen en naar mijn moeder te brengen. Mijn vader vocht aan het front en mijn moeder zorgde voor de kinderen. Helaas is mijn vader in 1942 gesneuveld in de Banda Zee. Dat hoorde wij pas na afloop van de oorlog. Mijn moeder is daarna hertrouwd met mijn stiefvader. Mijn stiefvader zat ook bij het KNIL. Omdat hij steeds weer ergens anders werd gestationeerd, moesten wij vaak verhuizen. Moeder moest iedere keer weer nieuwe scholen voor ons zoeken. Ik ging dan mee, maar we kregen heel vaak te horen dat de scholen vol waren. We hebben op veel plaatsen gewoond, onder meer in Malang, in Lumadjang en in Bondowoso. We spraken thuis Maleis, maar als ik naar school ging was dat op een Nederlandse school. Daar kreeg ik naast de gewone vakken als rekenen ook Nederlandse les. Ik had les van een lange slanke dame met krullen. Ik kan me haar nog goed voor de geest halen. veel weet ik er niet meer van. De mannen zaten apart van de vrouwen en kinderen. Wij zaten namelijk helemaal onderin de boot, dicht bij de motoren. Die motoren ronkten als een gek. Ik weet nog dat heel veel mensen zeeziek werden. Veel moeders hebben heel veel overgegeven. De kinderen moesten het eten ophalen in een grote zaal ergens op de boot. Toen we in de Straat van Gibraltar waren, was de zee heel wild met hele hoge golven. Alle borden vielen op de grond. Wij waren verder gewoon aan het ravotten, we hadden het eigenlijk heel leuk op de boot. Er werden ook veel activiteiten georganiseerd door de Nederlanders. Op 21 maart 1951 kwamen we met de Kota Inten aan in Rotterdam. Bij aankomst in Rotterdam was mijn moeder nog steeds heel erg ziek. We gingen met de bus naar Amersfoort en daar moest mijn moeder meteen in de ziekenboeg, want ze was helemaal uitgedroogd. Wij zaten in de bus met grote ogen te kijken naar de omgeving. Het was hartstikke koud en de bomen waren kaal. Mijn moeder zei op een gegeven moment: Wat zijn die bomen allemaal dood. Wat erg is dat!. We wisten niet wat we zagen. Er werd wel gezegd dat Nederland heel koud was, maar je kon je er niets bij voorstellen. We vonden de Nederlandse huizen wel mooi, heel anders dan in Indonesië. Maar alles was wit van de sneeuw. Een man was een hondje aan het uitlaten en mijn moeder zei: Wat doet die man? Dat is zielig. Die hond moet los! Wat ik nog weet van Amersfoort is dat er heel groot matras van hooi lag, dat prikte natuurlijk ontzettend in onze lijven. Ik vond het daar vreselijk. De volgende dag gingen we naar Kamp Schattenberg. We kregen kledingbonnen waarmee we één keer in de drie maanden kleding konden uitzoeken. Mijn moeder wilde liever Op een gegeven moment moesten we naar Soerabaja om vanuit daar naar Holland te gaan. Mijn moeder vond dat echt erg, want we moesten alles achterlaten. Mijn broer had een hele mooie papegaai, maar die mocht niet mee. De baboe nam het huis en alle spullen van ons over. Het was een drama! Ik weet nog dat mijn moeder een wadjan, een vijzel en een strijkijzer meenam naar Holland. Verder gingen er wat koffers en een kist met spullen van mijn vader van het leger mee. Het schip waar we mee naar Holland gingen was de Kota Inten. Ik was toen tien jaar, dus echt 48 Octovina Hoexum-Pohowainjaan Verpleegstersopleiding in Leeuwarden Octovina Hoexum-Pohowainjaan 49
27 zelf voor ons koken. Het eten uit de gaarkeuken vonden we niet lekker. We kregen ook zakgeld, ongeveer drie gulden vijftig per persoon per week. Van dat geld kocht mijn moeder allerlei kruiden. Er kwam één keer in de zoveel tijd een busje bij het kamp. Daar werden tomaten, uien, knoflook en andere specerijen verkocht. We gebruikten die vervolgens om het eten te bereiden in een pot op de kachel. Daarvoor gingen de vrouwen hout halen in het bos. Als ze dan lange, dunne takken gevonden hadden, bonden ze die vast en maakten dat vast op hun hoofd. Mijn moeder kwam dan thuis met het hout en mijn stiefvader kapte dat in stukken en dat ging in de kachel. Pas later toen de gaarkeuken werd gesloopt, werden er echte keukentjes aan de barakken bijgebouwd. Ik ging naar school in het kamp. Ik had zowel Nederlandse als Molukse onderwijzers. Daarna ging ik naar school in Assen met de bus. Daar kreeg ik allemaal Nederlandse vriendinnen. Ik weet nog dat ik dat heel leuk vond, ik leerde bijvoorbeeld fietsen op het schoolplein. Tussen de middag vochten de Nederlandse kinderen over wie de Molukse kinderen mee naar huis mochten nemen: Jij gaat met mij mee naar huis zeiden ze dan. Ik weet nog dat ik voor de eerste keer yoghurt gegeten heb bij een Nederlands gezin. Ik heb daar een heleboel suiker in gedaan, zo zuur vond ik het. Ik vergeet dat nooit meer. Elke morgen hielden de vaders appèl in het kamp. Ze droegen nog steeds de uniformen van het KNIL. Meneer Sapeno leidde de soldaten. Ik weet er niet meer zoveel van, want ik was voornamelijk aan het spelen. Mijn stiefvader vertelde veel over de oorlog in Indonesië, hij had gevangen gezeten en werkte aan de Birma spoorweg. Hij vond het erg dat hij niet meer als soldaat kon functioneren in Nederland. We hebben negen maanden in Schattenberg gewoond en toen kregen de Ambonezen en Keiezen ruzie. We hoorden dat er bij iemand een hand was afgehakt. Er waren ook spanningen in ons kamp, vooral tussen de mannen, dus werden we uit elkaar gehaald. Ons gezin werd in het kamp Laarbrug bij Ommen geplaatst. Dat was voor ons heel raar, want wij speelden gewoon met de Ambonese kinderen. Wij hadden helemaal geen problemen met elkaar. We woonden in Laarbrug in houten barakken net als in Schattenberg. De beheerder heette meneer Hendriks. Hij had in militaire dienst gezeten in Indonesië en sprak ook Maleis. We kregen allemaal regels: zo laat moet je steenkolen ophalen met een kolenkit en zo laat moet je eten ophalen. Het was allemaal erg triest voor mijn ouders om zo te moeten leven in een kamp. In Ommen ging ik naar de Koningin Julianaschool. Ik was toen elf en ik zat in de derde klas. Ik kon wel naar de MULO, maar ik wilde liever naar de huishoudschool in Ommen. Na de huishoudschool ben ik naar de industrieschool in Zwolle gegaan, dat was een school voor meisjes. Ik ging samen met mijn broer naar Zwolle, hij zat op de technische school. Van de Centrale Ambonezen Zorg kregen wij geld om met de trein te gaan. In de zomer gingen we op de fiets in plaats van met de trein. Dat was 24 kilometer, maar dan konden we het geld houden! In Zwolle heb ik mijn coupeuse diploma gehaald, maar ik wilde niet meer studeren, ik wilde meer met mensen omgaan. Ook wilde ik weg uit het kamp. Ik heb er toen voor gekozen om de opleiding tot kraamverzorgster te gaan doen in Leeuwarden. Dat was een beetje tegen het zere been van mijn ouders, hoewel ze er achteraf wel blij mee waren. Ik was het eerste meisje uit het kamp dat op zichzelf ging wonen. Dat was me wat! Als meisje mocht je eigenlijk niets. De jongens hadden meer vrijheid dan de meisjes. De ouders waren heel streng voor de kinderen. Het was voor hen ook wel een moeilijke situatie hoor. Ze hadden alles achter moeten laten. De moeders waren wat milder, die stimuleerden de dochters wel om iets met hun leven te gaan doen. Toen de vaders nog geen werk hadden, moesten ze zich vermaken in het kamp. Ik weet nog dat ze varkens en kippen kochten, die dik gemest werden en voor de kerst geslacht werden. Om de tijd te verdrijven gingen de mannen kaarten, ook voor geld. Op een gegeven moment kreeg mijn stiefvader wel werk bij Thomassen & Drijver in Deventer. In de jaren zestig zijn ze verhuisd naar Zwolle. 50 Octovina Hoexum-Pohowainjaan Familiefoto in Indonesië Ik was in Leeuwarden het enige zwarte meisje op de verpleegstersopleiding. Er was daar totaal geen sprake van discriminatie. Ik werd juist heel goed geholpen. Ik had daar een Hollands vriendje, een mooie blonde Friese jongen. Hij is zelfs nog een keer naar Laarbrug gegaan om mij op te halen, maar ik was toen al naar Leeuwarden. Ach, het was kalverliefde! Van Leeuwarden Octovina Hoexum-Pohowainjaan 51
28 ging ik naar Assen en daar heb ik eindexamen gedaan. Ik ben gaan werken in Den Haag aan De La Reyweg bij de kraamkliniek. Toen ik daar woonde heb ik mijn man leren kennen. Hij was eerst een penvriend. Hij had een advertentie geplaatst in de Tuney Tunes, waarin hij schreef dat hij graag wilde corresponderen met een Indonesisch meisje. Ik heb daarop gereageerd en zodoende hebben we eerst anderhalf jaar geschreven. Hij zat in dienst in Garderen. We hebben de eerste keer afgesproken op het station in Den Haag. Ik wachte hem op, maar ik had geen idee hoe hij eruit zag, dus ik had de foto meegenomen die hij me had opgestuurd. Hij herkende mij als eerste. Mijn ouders waren niet heel blij dat ik met een Hollandse jongen thuis kwam. Ik nam hem ook niet meteen mee naar het kamp natuurlijk. Vanuit Den Haag ging ik één keer in de maand terug naar het kamp. Als ik dan weer in het kamp kwam dan kwam iedereen kijken en zeggen Oh Octo komt weer thuis!. Ik nam ook vaak iets kleins mee voor mijn ouders. Toen ik vertelde over mijn vriendje was vooral mijn stiefvader niet blij, maar ja, hij had geen keuze. De eerste keer dat mijn man bij ons binnen stapte, ging mijn stiefvader via de achterdeur naar buiten. Moeder was stapelgek op mijn man. Hij moest wel een beetje wennen aan onze cultuur. Vooral aan de nederigheid die wij kennen. In Indonesië en dat is misschien een beetje overdreven, moet je nederig zijn als kind. Je moet om iemand heen lopen, maar in Nederland lopen ze gewoon voor je langs. Dat vinden wij brutaal. Dat heb ik mijn kinderen ook meegegeven. Hij hield heel erg van het feit dat er s avonds laat nog werd gegeten en dat iedereen mocht mee eten. Voor mij liggen de cultuurverschillen tussen Nederlanders en Molukkers vooral in het sociale leven. Bij Nederlanders is alles op afspraak. Ik weet nog goed dat we een keer bij mijn schoonouders kwamen rond etenstijd maar we mochten dan niet mee eten. Ze zeiden dan: Eigen schuld hoor, had je maar moeten bellen. Ik ben inmiddels al acht keer terug geweest naar Kei. Wegens zijn ziekte kon mijn man maar twee keer mee. Hij is een paar jaar geleden overleden. Ik was er voor het laatst in 2009 en ik ga misschien volgend jaar weer met mijn dochter. Als ik daar kom is het heel gezellig. Het stikt er van de familieleden! Ze vinden mij heel verwesterst. Ze denken dat ik heel rijk ben omdat ik helemaal daar naartoe kan komen. Ik zeg dan tegen ze dat we echt moeten sparen om dat te kunnen doen. Maar dat kennen ze niet, sparen. Als ze daar geld in handen krijgen dan moet het meteen ook op. Ik vertelde ook nog dat je hier zelfs moet betalen als je naar het toilet gaat. Daar snappen ze echt niets van. Ik heb mijn kinderen geen Maleis geleerd, daar hebben ze ook nooit om gevraagd. Met mijn man sprak ik gewoon Nederlands. Ze kennen wel grappige woorden en scheldwoorden, zoals muka kete (apekop), maar verder niet echt. Ik heb mijn kinderen wel van alles geleerd over de Molukse cultuur. Ze zijn wel op de hoogte. Maar voor hen is het toch anders omdat zij half Nederlands zijn. Ten tijde van de treinkaping heb ik me wel zorgen gemaakt. Want hoewel ik me nooit echt gediscrimineerd heb gevoeld, is er toen wel iets naars gebeurd. Ik was aan het fietsen in de buurt in Emmen. Er was een stuk weg afgezet, maar iedereen fietste daar gewoon Ik fietste ook door. Ik ging boodschappen doen geloof ik. Toen zei een oudere Nederlandse man tegen me: Mevrouw u moet afstappen hoor, u bent hier te gast in dit land!. Toen zei ik: Nou meneer, weet u wel wat u zegt! En toen ben ik naar huis gefietst. Ik heb het huilend aan mijn man verteld. In die tijd voelde ik het ook bij de kassa in de supermarkt. Dan keken ze zo van oh, daar heb je haar. Ik werd met de nek aangekeken, maar gelukkig hadden de kinderen op school daar geen last van. Wat ik vind dat behouden moet worden van de Molukse cultuur is respect. Mensen respecteren, mensen in hun waarde laten. Dat is iets dat bij ons hoog in het vaandel staat. Als ik in Zwolle ben dan ben ik onder mijn volk, onder mijn eigen mensen. Zo voel ik dat. Bij mijn schoonouders is dat toch anders. Toch zou ik niet naar Zwolle willen verhuizen. Ik vind het fijn dat ik daar naar toe kan rijden, maar ook dat ik weer weg kan gaan zodra ik dat wil. Ik heb wel regelmatig contact met families van het kamp uit Zwolle en Zevenaar. We zien elkaar op verjaardagen en trouwerijen, maar de laatste tijd ook steeds vaker op begrafenissen. Conflict in kamp Vught Na hun komst naar Nederland werden de Molukkers door de Nederlanders in het algemeen aangeduid als Ambonezen. Hiermee werd de indruk gewekt dat de termen Molukkers en Ambonezen synoniem zijn. De Ambonezen vormen echter, evenals de Keiezen, Tanimbarezen en anderen, een aparte groep binnen de Molukse gemeenschap. De Ambonezen vormden traditioneel wel de grootste en meest dominante groep binnen die gemeenschap. De Nederlanders gingen voorbij aan het onderscheid tussen de diverse groepen. Molukkers die niet van Ambon afkomstig waren voelden zich niet zelden achtergesteld. Daarin lag een sluimerend conflict dat in augustus 1951 tot uitbarsting kwam. De Keiezen in kamp Vught hadden een uitnodiging ontvangen om dansuitvoeringen in Venlo te geven, waardoor de Ambonezen zich gepasseerd voelden. Hun teleurstelling leidde tot een gewelddadig treffen, waarbij een Keiees kind om het leven kwam en diverse gewonden vielen. Als reactie hierop zijn de Keiezen en Ambonezen in aparte woonoorden ondergebracht. 52 Octovina Hoexum-Pohowainjaan Octovina Hoexum-Pohowainjaan 53
29 Johannes Balubun Johannes Balabun Vriendelijk worden we onthaald in Zwolle Zuid door Johannes Anton Balubun en zijn vrouw. Er staan foto s van de kinderen en de kleinkinderen en heel veel cd s en dvd s van Cliff Richard. Daar zijn ze beide fan van. Praten over het verleden vindt hij heel belangrijk. Achter in de woonkamer, aan de eettafel, doet hij enthousiast zijn verhaal. Ik vind het heel belangrijk om over de historie van Molukkers te praten. Ik heb toch een heleboel kunnen leren van het doen en laten van mijn ouders. Ik denk dat van mijn generatie de helft van onze gedachten in de Molukse cultuur is. Dat gaat veel gemakkelijker. Ik ben geboren op 16 juni 1945 in Muntok op Sumatra. Mijn vader heet Humbert Balubun en is geboren op 15 maart 1915 in Elaar op Kei Ketjil, oftewel Kleine Kei. Mijn moeder heet Teodora Lioe A Ten. Zij is geboren op 2 juni 1923 in Dengklok Krawang op Java. Mijn vader is heel lang in dienst geweest, hij was een eerste klas KNIL-militair. We woonden in Indonesië in de tangsi. Iedere keer als mijn vader naar het front moest, gingen wij mee. Hij heeft het heel moeilijk gehad in die tijd. Hij vertelde me altijd veel verhalen, maar vroeger geloofde ik ze niet. Ik dacht dat hij overdreef. Later bevestigden oud-knil-ers de verhalen van mijn vader. Het bleek dat hij toch vaker de waarheid sprak dan ik dacht. Ik weet me één verhaal nog heel goed te herinneren. Mijn vader zat op een Japans schip dat werd getorpedeerd door de geallieerden. Hij belandde in een volle reddingsboot met Japanners. De Japanners zeiden dat er niemand meer bij mocht. Mijn vader heeft toen toch nog een paar mensen uit het water in de boot getrokken. Ze zeggen dat hij zijn leven heeft gewaagd voor dat van anderen. Dat vond ik toch wel mooi om te horen. Van mijn tijd in Indonesië weet ik niet veel meer. Maar van de periode in Tjimahi op midden-java herinner ik me nog dat mijn moeder op het punt stond te bevallen van mijn jongste broer. Ze moest snel naar het ziekenhuis, maar uiteindelijk beviel ze onderweg naar het ziekenhuis in de auto. Daarom hebben mijn ouders mijn broer Otniel genoemd. Dat betekent in de auto. Mijn broer Eduard is ook in Indonesië geboren. Mijn drie zusjes Paulin, Repka en Sara zijn in Nederland geboren. We zijn vertrokken uit Indonesië, uit Tandjun Priok op 27 maart 1951 met de Castel-Bianco. De boottocht naar Nederland duurde heel lang. Ik kan me het Suezkanaal nog goed herinneren, waar je aan twee kanten wal ziet. Op 24 april 1951 kwamen we aan in Rotterdam. Vanuit Rotterdam gingen we met een bus naar Amersfoort. Iedereen zat door elkaar. Er werd geen rekening gehouden met wie Keiees of Ambonees was. Ons gezin kwam in woonoord Sint Joseph in Glanerburg terecht. Dat ligt aan de Duitse grens. Er was nog één andere Keiese familie in het kamp, de anderen waren Ambonezen. Deze twee families zijn naar Eerde verhuisd. Wij waren de eerste in het kamp daar. Later kwamen er nog meer Keiezen bij, maar ook Tanimbarezen, die daarvoor in Rijssen hadden gewoond. Mijn vader was de kampraad van het kamp. Dat wil zeggen dat je zeggenschap hebt in het kamp. Hij besliste over van alles, bijvoorbeeld over de verdeling van het eten. Ook voerde hij overleg met de beheerder. De beheerder staat bovenaan in de hiërarchie en daarna komt de kampraad. Normaal wordt de kampraad gekozen, maar omdat mijn vader er als eerste was werd hij dat als vanzelfsprekend. Het kamp werd hoe langer hoe groter. Toen wij daar kwamen stonden er drie barakken en de kantine, de badkamer en de ziekenafdeling. Uiteindelijk had je in vijf barakken tien gezinnen wonen. Iedereen woonde bij elkaar. Voor mij was het best een zware tijd. Ik was de oudste en moest zorgdragen voor het gezin. Mijn vader was altijd ziek, dus kwam er nog meer verantwoordelijkheid op mijn schouders terecht. Gelukkig voor mijn vader woonde er een hospik in het kamp, die hem af en toe kon helpen. Mijn vader was gastvrij, open, eerlijk en streng. Heel streng. Zo was ik een keer aan het spelen met een paar vriendjes. We waren stenen aan het gooien bij de Vecht en op een gegeven moment gooide een jongen een steen tegen het hoofd van een vriendje. Ik heb hem toen naar de dokter gebracht, waardoor ik te laat thuiskwam. Ik weet nog heel goed dat ik binnenkwam en een lel van mijn vader kreeg. Mijn moeder nam het nog voor me op, maar vrouwen waren in die tijd erg onderdanig. Toen kwam de vader van dat vriendje binnen om me te bedanken dat ik zijn zoon had geholpen. Denk je dat mijn vader zijn excuses aanbood? Echt niet. Ze waren hard. Heel hard. Ik moest vaak helemaal naar Ommen lopen. Wat me nog heel erg is bij gebleven is dat mijn vriendjes allemaal naar de film gingen. Maar ik mocht niet. Ik zat achter het raam en zag ze weglopen. Dat heeft me veel pijn gedaan, maar het heeft me ook gehard en doorzettingsvermogen gegeven, om heel hard te werken om mijn familie alles te kunnen geven wat ik zelf nooit had. En daar ben ik mijn ouders toch dankbaar voor. Ik had ook wel een leuke tijd in het kamp hoor. Ik verveelde me nooit. We zaten midden in de bossen, waar we altijd speelden. Het kamp stond op het landgoed van baron van Pallandt. De baron was erg betrokken bij de Molukse gemeenschap. Hij organiseerde allerlei activiteiten voor de ouderen. Zo werd er één keer per week een film vertoond, maar er waren ook danslessen voor onze ouders. Ze kregen les in tango en Engelse wals. Dat was geweldig om te zien. Ik had als kind wel moeite met de Nederlandse taal. Ik kan me nog herinneren dat ik spreekwoorden erg moeilijk vond op school. Mijn ouders konden me daar niet mee helpen, zij konden de Nederlandse taal niet lezen of schrijven. Met mijn vrouw Margreet spreek ik nu overwegend Maleis, maar af en toe ook wel Nederlands. We hebben elkaar in 1968 ontmoet in Wijhe. We hebben drie kinderen: Bianca, Daud en Claudia. We hebben ze bewust geen Maleis 54 Johannes Balabun Johannes Balabun 55
30 geleerd. Ik wilde dat de kinderen, in tegenstelling tot ik zelf, de Nederlandse taal heel goed zouden leren spreken. Toch spreken ze het alle drie wel, de oudste heeft ook een cursus Maleis gedaan. Vanuit Eerde gingen we naar kamp Laarbrug, want kamp Eerde werd opgedoekt. Ik ging naar de technische school in Vroomshoop. Samen met andere jongens uit het kamp: Jitro, Jerred en Otto. We gingen met de fiets, of heel soms als het koud was met de bus. In onze vrije tijd voetbalden we. Diverse jongens speelden in Ommen I. We hadden ook een Moluks elftal. Verder maakten we muziek. Ik heb zelf een gitaar gekocht. De meeste van ons zijn muzikaal en er werd al veel gezongen in het kerkkoor. We hadden een band: The Black Eyes. We speelden van alles: Elvis, Fats Domino, Cliff Richard. Ik ben zelfs nog op tournee gegaan in Duitsland, maar het onzekere en harde muzikantenbestaan was toch niet helemaal wat ik wilde. In 1963 gingen we van kamp Laarbrug naar Zwolle, naar de Frobergerstraat 56 in de wijk Holtenbroek. Er waren twee gezinnen die minder dan zes kinderen hadden, die gingen eerst naar de wijk. In die tijd werkte ik en gaf de helft van mijn salaris aan mijn ouders, dat ging in die tijd zo. Mijn vader heeft nooit gewerkt. Hij weigerde dat. De KNIL-militairen kregen geen tropenjaren, zoals de Nederlandse soldaten. Hij heeft 15 jaar in dienst gezeten. Hij wist dat het betekende dat zijn gezin moest lijden, maar hij heeft die keuze toch gemaakt. Een voormalig beheerder van een kamp woonde bij ons in de straat, op nummer één. Hij heeft me een keer geroepen en hij vertelde mij dat als alle Molukkers zo koppig zouden zijn geweest als mijn vader, de Nederlandse regering het levensonderhoud van alle Molukkers had moeten betalen. Ik denk ook dat mijn vader een oorlogstrauma had, maar als kind kon je daar je vinger niet op leggen. En er werd niet over gesproken. In dat huis in Holtenbroek hebben we brand gehad en zijn we alles kwijtgeraakt. Alle foto s met herinneringen. Dat was echt heel erg. Ik heb nog wel mijn vaders ontslagbrief van het KNIL gevonden, toen ik aan het rondsnuffelen was in een koffer van mijn vader. Wat ik niet snapte was dat die brief in het Nederlands geschreven was. Mijn vader kon wel Maleis lezen, maar geen Nederlands. Ik vond het eerlijk gezegd echt schandalig. Mijn ouders hadden rechten, maar ze waren te bang en te bescheiden om die rechten ook op te eisen. Ik vind wel echt dat mijn ouders onrecht is aangedaan. Op een bepaald ogenblik kregen ze een vergoeding van 2000 gulden. Die mensen waren al 65 jaar toen ze dat geld kregen. Dat geld hadden ze beter kunnen krijgen toen ze hier kwamen en niet op zo n laat moment. Tijdens de treinkaping was ik onderhoudsmonteur. Ik moest vanuit Assen met de trein naar Utrecht. Ik stapte de trein in en daar zaten toevallig vier militairen. En zij zeiden hup tas open!. Ik antwoordde: Wat mankeren jullie? en zij stonden daar met die geweren Open doen!. We werden allemaal over één kam geschoren. Mijn eigen collega s hebben mij daar gelukkig nooit op aangekeken. Wat ik me ook nog kan herinneren uit die tijd is dat ik op de markt in Zwolle was en er stond een oud Indisch vrouwtje dat groenten wilde kopen. Maar de groenteman wilde haar niet helpen. Hij sloeg haar telkens over. Toen trok ik mijn mond open. Hij zei iets over de kaping, maar ik zei dat hij haar gewoon moest helpen. Bescheidenheid is iets dat ik kan gebruiken bij mijn familie en mijn volk, maar bescheidenheid kan ik niet gebruiken in de Nederlandse cultuur. Als je voor jezelf op wil komen en hogerop wil komen, moet je afstappen van je bescheidenheid. Dan moet je zeggen waar het op staat. Gewoon eerlijk zijn en dan bereik je veel meer. Ik ben terug geweest naar de Kei eilanden. We hadden daar nog een stuk grond. De traditie is dat daarop dan niet gebouwd mag worden. Ook al woont de familie in Nederland, je mag niet aan die grond komen. Mijn moeder heeft toen gezegd dat ze het wel mochten gebruiken. Dat vind ik heel belangrijk uit de Molukse cultuur: respect. 56 Johannes Balabun Moluks voetbalelftal Mijn kinderen weten dat als ze in Holtenbroek mijn broer tegenkomen, dat ze oom moeten zeggen. En dat ze dus nooit zijn voornaam moeten gebruiken, want dan vreet ik ze op. Mijn kleinkinderen noemen mijn broer ook opa. Zijn kinderen noemen mij bapa tua. Mijn broertje is dan bapa muda. Dat is een bepaald soort respect. In 1963 ging ik werken in de bouw. Daar werkte een jongen en die moest iets hebben van een oudere man. Toen riep hij zijn voornaam. Ik schrok me kapot! Dat zou ik in onze cultuur nooit kunnen doen, dan kreeg ik een lel. Maar die Johannes Balabun 57
31 Joop Rahantoknam oudere man luisterde gewoon. Mijn vader heeft me al die Molukse manieren bijgebracht. Zo was er ooit een keer, dat mijn zus ging trouwen. Mijn broer had een vergadering belegd, maar ik was ziek dus ik was er niet bij. Mijn vader kwam naar beneden en vroeg waar ik was, waarop mijn broer antwoordde dat ik ziek was. Vergadering gesloten, zei mijn vader. Ik hoorde daar gewoon bij te zijn, anders mocht de vergadering niet doorgaan. Ik vind het respect heel belangrijk. Respect en eerbied voor oudere mensen. Ze niet met de voornaam aanspreken. Als ik oude Molukse mensen zie lopen dan ben ik altijd heel trots. Het is toch familie. Mijn moeder zei altijd: verhoog je niet, want je kunt heel diep vallen. Woonoord Laarbrug/Eerde In Eerde is in 1935 een barakkenkamp gebouwd voor werkloze jongeren uit de grote steden. Na de oorlog kregen jongens, die belangstelling hadden voor de scheepvaart er onderwijs. Kamp Eerde is als Moluks woonoord in gebruik geweest van 1952 tot In december 1952 woonden er 120 Molukkers, verdeeld over 26 gezinnen en drie alleenstaanden. Het enige dat nu nog herinnert aan kamp Eerde is de voormalige beheerderswoning. In kamp Laarbrug woonden in die tijd 231 personen, 52 gezinnen en 21 alleenstaanden. De houten barakken waren in een ovale vorm geplaatst. In 1957 werden in woonoord Laarbrug zes nieuwe barakken gebouwd. Het was de bedoeling woonoord Eerde op te heffen en de bewoners daarin onder te brengen. In 1958 bezocht de minister van Maatschappelijk Werk, mevrouw Klompé de juist gereedgekomen nieuwe barakken, die 32 woningen bevatten, in het woonoord Laarbrug. De minister bezocht ook de ziekenzaal met de daaraan verbonden kraamkamer en ze liet zich uitvoerig inlichten over het kampleven, aldus een krantenartikel uit die tijd. Onder de indruk van de prachtige Balinese houten deur en de gebatikte muur van Kembang Baru in Holtenbroek, vertelt Joop Rahantoknam over zijn herinneringen, zijn jeugd als protestants jongetje in katholiek Limburg en over het loskomen van, maar ook over het vasthouden aan een aantal Molukse tradities. Ik ben geboren op 3 maart 1948 in Makassar, op het eiland Celebes in Indonesië. Mijn vader komt van het eiland Tutrean, mijn moeder van het eiland Saparua, beide eilanden liggen in de provincie de Molukken op Indonesië. Mijn vader is een Keiees en mijn moeder een Ambonees. Mijn oudste zus is op Kei geboren en mijn broer in Malang op het eiland Java. Van Indonesië kan ik mij niet zoveel herinneren. Ik was drie jaar toen ik met mijn ouders, zus en broer naar Nederland werd overgebracht. Ik weet alleen wat mijn ouders mij daarover verteld hebben. Mijn vader was verpleger bij het KNIL. Hij wilde arts worden, maar in die tijd ging dat niet want daar was geen geld voor. Als verpleger hielp en verzorgde hij militairen en burgers die gewond waren geraakt, hij moest van de ene kazerne naar de andere. Joop Rahantoknan Van de bootreis naar Nederland kan ik mij weinig herinneren, alleen de spelmomenten op de boot, zoals zaklopen en meer van dat soort spelletjes. Met het schip de Atlantis zijn wij naar Nederland gekomen. Mijn moeder was in die periode in blijde verwachting. De hoge golven op zee waren soms zo ruw dat veel mensen zeeziek werden. Aangekomen in Rotterdam werden wij met bussen naar Amersfoort gebracht. Van daaruit gingen wij naar Schattenberg. In Schattenberg hebben wij een tijdje gewoond. Daar ben ik ook naar de lagere school gegaan. Vrijgezellen, waaronder de broer van mijn vader, werden in Echt in de provincie Limburg ondergebracht. Mijn vader wilde heel graag dicht bij zijn broer wonen, dus verhuisden wij van Schattenberg naar Echt. In Echt woonden voornamelijk katholieke Molukkers. In Echt ging ik naar de katholieke school. Ik herinner mij dat ik, nadat ik gevallen was en mijn been had gebroken, van mijn vader van de katholieke school af moest en naar een protestantse school ging. Om naar de protestantse school te gaan moest ik iedere dag naar Roermond. Vlakbij Roermond was ook een kamp met veel Molukkers. Ik had in die tijd niet veel Nederlandse vrienden, ik ging vooral om met de Molukkers die daar in het kamp woonden. Tussen de middag ging ik ook met hun mee naar het kamp. 58 Johannes Balabun Joop Rahantoknan 59
32 overigens wel een paar keer van school gewisseld. In Zwolle ging ik naar de MULO. Het was eind jaren zestig, de tijd van de flower power beweging. Omdat mijn vader bij de NS werkte kon ik gratis met de trein reizen. Ik was daardoor vaker in Amsterdam te vinden dan op school. In Zwolle leerde ik Gerda kennen en met haar ben ik getrouwd. In Zwolle beleden wij net als veel Molukkers het Christelijke geloof. De Molukse Evangelische Kerk, Geredja Indjili Maluku (GIM), vindt haar oorsprong in de moederkerk, de Gereja Protestan Maluku, Het is de grootste protestantse kerk voor de Molukse gemeenschap in Nederland, die kerkelijk zeer versplinterd is. Wij hebben als GIM een eigen dominee die zowel in Zwolle, als in Nijverdal of Echt de kerkelijke dienst doet. Vanwege mijn baan bij Rijkswaterstaat en de noodzaak van een woonplaats met centrale ligging zijn Gerda en ik in Arnhem gaan wonen. We zijn in 1984 naar Renkum verhuisd omdat we daar een huis hebben gebouwd. Bij Rijkswaterstaat in Arnhem werk ik nog steeds. In de tijd van de kaping moest ik van Arnhem naar Nijmegen met de trein reizen. Ik merkte wel dat mensen me negeerden. Dat was wel een heftige tijd natuurlijk. Ik heb me er toch nooit zo druk over gemaakt. Er werden op mijn werk ook wel eens opmerkingen gemaakt. Maar die deed ik dan af met een grapje. Toen ik eens te laat kwam en iemand daarover een opmerking maakte zei ik: Ja jongens, ik moet toch eerst mijn broeders in Wijster wat te eten geven. Toen ik jong was werden we ook wel eens uitgescholden voor zwarte of weet ik veel wat. Toen wist ik niet hoe ik daarmee om moest gaan. Meestal gingen we meteen op de vuist. Institueren GPMT Laarbrug in 1959, met ds. Talubun en dhr. Rahantoknam Mijn zus zat op de Rijks HBS in Roermond en ik ging naar de MULO. Mijn vader stuurde me naar de Christelijke MULO in Treebeek. Daarvoor moest ik eerst met de trein van Echt naar Sittard. In Sittard moest ik met de bus naar Treebeek. Er was geen discussie mogelijk, ik deed wat mijn vader wilde. Ik was eerst de enige Molukker op school in Treebeek, tot twee jaar later mijn broer erbij kwam. Op school gingen we gewoon om met Nederlandse leerlingen. In die tijd spijbelde ik veel, ik ging vaak vissen in een gebied waar ook klei werd gewonnen. Toen mijn vader erachter kwam dat ik spijbelde was hij natuurlijk niet blij. Hij vond dat wij onze kansen hier optimaal moesten benutten en ons best moesten doen om te studeren. Hij vond het heel belangrijk dat wij onze diploma s haalden. Mijn vader verdiende niet veel geld, maar hij maakte altijd geld over naar familie in Indonesië zodat de kinderen daar konden studeren. Vanuit Echt zijn wij naar Breda verhuisd omdat mijn vader bij Van Gend en Loos ging werken. Toen dat bedrijf werd overgenomen door de NS werkte mijn vader voor de spoorwegen. Wij hebben tot 1966 in Breda gewoond. Hierna zijn wij naar Zwolle verhuisd. In die tussentijd ben ik Van echte heimwee heb ik nooit iets gemerkt bij mijn ouders. Mijn vader miste zijn broers wel, ze zijn in Indonesië gebleven. Er woont nog veel familie van mij in Indonesië. In 1998 ben ik met mijn vrouw, zoon en dochter met de rugzak van west naar oost door Indonesië gereisd. Het was de eerste keer dat ik terugging, ik was toen vijftig. Ik merkte dat ik zo verwesterst was, ik was gewend aan de Nederlandse cultuur van afspraak is afspraak, dat je op tijd ergens kwam. Op Kei kwam ik in een heel andere cultuur terecht, ik verheugde me erop die cultuur beter te leren kennen. We zijn een week op Kei geweest, waar enorm veel belangstelling was van de familie. Voor mij viel het nog mee om goed met al die aandacht om te gaan, want ik sprak Maleis. Voor mijn vrouw was dat een stuk moeilijker. Ik ben echt bij mijn roots geweest. We zijn op begraafplaatsen geweest waar ooms en tantes begraven liggen. Ook zijn we in het ouderlijk huis geweest, het huis van Rahantoknam. Daar kunnen we altijd terecht. Het onrecht dat de Molukse ouderen is aangedaan, de belofte van terugkeer die niet werd nagekomen, trilt nog door in de gevoelens van de volgende generatie Molukkers. Nederland wist bij voorbaat al dat de Molukkers die overgebracht werden naar Nederland nooit konden terugkeren. Die belofte, die toezegging dat zij na zes maanden weer thuis zouden zijn, hadden zij nooit mogen doen. Ze hebben de Molukse ouderen aan het lijntje gehouden. Nederland was blind voor de gevolgen. 60 Joop Rahantoknan Joop Rahantoknan 61
33 Moni Woearbanaran Het hele Moluks zijn is een gevoelskwestie. Zelf vraag ik ook wel eens aan een Molukker wat hem nou anders maakt dan een Nederlander. We zijn allemaal mensen, ondanks de verschillen zijn er ook veel overeenkomsten. Wat ik terug zie bij mijn dochter is de geborgenheid en de binding met en het samenzijn van familie. Dat is echt iets dat ze heeft van de Molukse cultuur. De warmte die ze kregen van de familie in de Molukken heeft een grote indruk achtergelaten. Zelf ben ik niet zo geweest, ook niet toen ik hier in Zwolle in de wijk woonde. Ik zeg tegen mijn kinderen dat ze het beste van twee culturen moeten nemen. Je leeft hier in Nederland dus je moet je aanpassen, wil je vooruit komen. Je kunt hier niet bescheiden afwachten tot het succes naar je toe komt. Ik vind het belangrijk dat de Molukse geschiedenis wordt verteld. Als je geen geschiedenis hebt, heb je ook geen toekomst. Ik vind dat de Molukse jeugd moet weten dat ze in Nederland wonen en dat ze zich moeten aanpassen aan de Nederlandse samenleving. Krampachtig aan de traditie hechten kan een struikelblok zijn, je moet durven loslaten zeker als dat je iets op kan leveren, maar dat wil niet zeggen dat je je identiteit moet verliezen. Wat ik echt heel belangrijk vind van de Molukse cultuur en wat ik ook aan mijn kinderen heb meegegeven is respect, niet jezelf verliezen en de traditie van de gastvrijheid. Als iemand om twaalf uur s nachts nog binnenkomt, wees gastvrij. Zelfzorg Na een aantal jaren vond de Nederlandse regering dat de Molukkers zelf meer moesten bijdragen aan de kosten van hun levensonderhoud. Velen waren inmiddels al gaan werken, vaak in fabrieken. In 1956 werd de zelfzorg ingevoerd. De mensen moesten in principe in hun eigen levensonderhoud voorzien, als dat niet lukte dan kon men op financiële steun van de overheid rekenen. De centrale keukens verdwenen en de mensen moesten zelf gaan koken. De Molukse gemeenschap protesteerde fel; de regering had hen naar Nederland gehaald en was daarom ook verantwoordelijk voor hun verzorging, zo was men van mening. De regeling werd uiteindelijk geaccepteerd, een enkeling bleef principieel weigeren om te werken. Moni Woearbanaran praat snel en af en toe met een hese stem vanwege haar astma, maar altijd met het hart op de tong. Hoewel ze een lange tijd bewust haar Molukse afkomst op afstand hield, is ze er na een confronterend bezoek aan haar geboorteplek des te meer mee bezig. Ik ben geboren op 13 augustus 1948 in het dorpje Walerang op het eiland Fordata, dat behoort tot de archipel van Tanimbar. Mijn ouders zijn daar ook geboren. Het eiland is ongeveer net zo groot als Schiermonnikoog en er zijn zes dorpjes waarvan Walerang er één is. Het hele eiland is in één dag te belopen. Mijn vader was boer, hij had een bananenplantage. Naast bananen verbouwde hij mandarijnen, mango s en van die rode zoete aardappelen ubis en allerlei soorten rijst: zwarte rijst, rode rijst en witte rijst. Veel van de verbouwde producten verkocht hij aan het hoofdeiland. De tocht met de boot naar het hoofdeiland duurde wel drie tot vier uur. De verbouwde producten werden ook door ons zelf gebruikt. Op het eiland aten de mensen veel vis en vlees. In de kampong werd ook veel jacht gemaakt op everzwijnen. Moni Woearbanaran Eind jaren veertig kwamen soldaten op Fordata om mannen te ronselen voor de militaire dienst. Die mannen werden eerst gekeurd. Zij moesten wel een bepaald postuur hebben, wilden ze in aanmerking komen om zich te kunnen inschrijven. Mijn vader schreef zich toen in voor de militaire dienst. Hij was een avonturier. Mijn oma had het er moeilijk mee dat haar zoon zich ingeschreven had. Mijn moeder daarentegen ging met hem mee. Volgens de adat, een ongeschreven rechtspraak, waren ze toen getrouwd. Ze waren toen pas zeventien jaar. Op Ambon zijn mijn ouders officieel getrouwd. Vanuit Ambon zijn ze met de boot naar Semarang op Java gegaan. Mijn Broer Micky is in Semarang geboren. Mijn vader was KNIL-militair. Tijdens zijn KNIL-tijd werd hij van het ene naar het andere frontgebied in Indonesië verplaatst. Mijn moeder ging met mijn vader mee, zij werd in een van de tangsi s ondergebracht. Toen de oorlog ten einde was kon mijn vader als KNIL-militair niet terugkeren naar zijn geboortestreek vanwege het feit dat het nog onrustig en gevaarlijk was in Indonesië. De Nederlandse regering besloot toen alle KNIL-militairen tijdelijk over te 62 Joop Rahantoknan Moni Woearbanaran 63
34 brengen naar Nederland. Dit tijdelijke verblijf in Nederland duurt nu al zestig jaar in plaats van drie maanden zoals was gezegd. Mijn vader is nu al weer een tijdje overleden, de belofte van terugkeer en de erkenning zijn nooit nagekomen. De geschiedenis van mijn ouders laat ook in mijn leven diepe sporen na. De jongere generatie Molukkers is zich bewust van de geschiedenis van hun ouders. Het heeft geleid tot rellen en nog steeds is er onbegrip en verbolgenheid. Het doet hen pijn dat het respect en de erkenning door de Nederlandse regering uitblijft. De Molukse KNIL-militairen hebben samen met de Nederlanders tegen de Japanners gestreden voor vrijheid, vrede en veiligheid in hun land. Ik was bijna drie, toen ik met mijn ouders en broertje met het schip de Fairsea naar Nederland kwam. Van de overtocht naar Nederland kan ik mij niet zoveel meer herinneren. Later hoorde ik van mijn ouders dat ik op de boot heel erg ziek was geweest. Mijn ouders hebben alles achter moeten laten, vooral hun familie, dat was nog het ergste. Ik heb enorm veel respect voor mijn ouders dat zij, naast die overtocht naar Nederland, hun leven hier hebben opgepakt. Ik denk dat alle ouders die dat gedaan hebben diep in zichzelf de pijn nog steeds voelen. Het tonen, uiten, bespreken is voor de Molukse ouderen een doorlopend proces dat ze meenemen tot in het graf. Van de negen kinderen zijn Mick en ik de enigen die in Indonesië zijn geboren. Tegen mijn broer Mick werd altijd gezegd dat hij goed zijn best moest doen en geld moest verdienen, zodat wij terug konden naar Indonesië. Ik heb toen dagelijks gebeden dat dat niet zou gebeuren. Het leek me verschrikkelijk. Ik was te jong en kon mij toen ook niet voorstellen hoe het leven in Fordata zou zijn. Later toen wij wat langer in kamp Eerde woonden kwam bij mij beetje, bij beetje het besef waarom mijn ouders in Nederland waren. Als oudste kind in het gezin moest ik heel veel meehelpen. Ik kon al koken toen ik acht was. Ik moest ook de luiers wassen van mijn broertjes en zusjes. We hadden van die grote zinken teilen en met die teilen moest ik naar het waslokaal. Die teil zette ik dan op mijn hoofd en ik deed de was op zo n wasbord. De jongens hadden het wat dat betreft veel minder zwaar. Tenminste zo zag ik dat toen. Ik was de spil die mijn moeder hielp en daar mocht ik niet over klagen. Thuis werden wij spartaans opgevoed. Ik botste daarom vroeger enorm met mijn vader en dat liet hij voelen ook. Ik denk dat ik wel het meest rebelse kind geweest ben van het gezin. Ik nam het ook altijd op voor mijn broertjes en zusjes als zij wat gedaan hadden, wat in de ogen van mijn vader niet mocht. Ik mocht graag naar school gaan en was erg leergierig. Ik leerde dan ook graag. Boeken lezen bijvoorbeeld, dat vond ik heel leuk, maar thuis werd het lezen van boeken niet altijd begrepen. Van een vriendinnetje heb ik mijn eerste meisjesboek te leen gekregen om te lezen, maar ik kon pas een boek gaan lezen als ik eerst mijn moeder geholpen had met het huishouden. Met de bus die in het kamp kwam werden wij naar de Koningin Julianaschool in Ommen gebracht, vijf dagen in de week gebeurde dat. We hadden thuis wel een radiootje waar ik veel naar luisterde. Ik besefte later pas dat ik als kind in twee werelden leefde. Mijn ouders waren zich dat niet zo bewust. Zij kenden de westerse manier van leven toen nog niet. Voor hen was alles nieuw, zij moesten nog veel leren en ontdekken in Nederland. Na een kort verblijf in Eerde verhuisden wij in 1960 naar Rijssen. We gingen in het eerste zogenaamde burgerhuis in Rijssen wonen. Hier hebben wij drie jaar gewoond. Vanwege familieomstandigheden verhuisden we naar Wijhe. Wij waren toentertijd de enige Molukse familie die in Wijhe woonde. We hebben daar fijn gewoond. Door persoonlijke omstandigheden ben ik op zestienjarige leeftijd uit huis vertrokken en naar Groningen gegaan. In Groningen heb ik de vooropleiding tot verpleegkundige gedaan. Ik noemde mijzelf toen Moniek, omdat ik Monica zo n vreselijke naam vond. In Groningen ontmoette ik mijn man en met hem ben ik ook getrouwd. Het huwelijk heeft niet lang stand gehouden. In 1987 ben ik van hem gescheiden. De drama s en de gevolgen ervan in mijn leven hebben mij bewuster gemaakt. Dingen gebeuren misschien met een reden, voor mij is dat tot nu toe goed geweest, het heeft mij sterker gemaakt. 64 Moni Woearbanaran Koningin Julianaschool Ommen In 1986 ben ik met mijn vader en met andere familieleden naar Indonesië gegaan. Toen kwam eigenlijk de omslag. In eerste instantie vond ik het heel moeilijk om mijn vader daar te zien Moni Woearbanaran 65
35 Evie Rahakbauw-Ubro als patriarch. Hij had redelijk veel aanzien en dat was wel wennen. Omdat ik verpleegkundige ben greep ik de kans aan om de mensen te helpen. Ik hield elke dag spreekuur. Het hele dorp kwam dan naar ons toe. Veel kinderen waren ziek en veel kinderen heb ik ook niet kunnen helpen. Onder de mensen was gewoon niet voldoende kennis of medicatie. Er was daar ook een bepaald soort traditie die ik niet ken en daar ben ik wars van. De Molukse cultuur moet je willen respecteren en begrijpen. Voor de meeste Molukse jongeren is dat best moeilijk, zij leven nu nog in twee culturen. Aan de ene kant zijn ze er trots op en koesteren zij hun oorsprong. Aan de andere kant vraagt de maatschappij waarin zij nu leven een andere aanpassing. Ik neem de goede dingen van beide culturen mee, maar de emotie kan ik het best verwoorden in het Nederlands. Nieuwe huisvesting Aan het eind van de jaren vijftig van de vorige eeuw ging de Nederlandse overheid er van uit dat de Molukkers niet op korte termijn zouden kunnen terugkeren naar de Molukken. Het beleid werd er op gericht om de Molukkers te laten integreren in de Nederlandse samenleving. Onderdeel van dat beleid was dat de Molukkers uit de woonoorden zouden verhuizen naar nieuwe woonwijken in een stedelijke omgeving. In 1960 kwam de eerste Molukse woonwijk tot stand, er zouden nog meer dan zestig volgen, waaronder die in de Zwolse wijk Holtenbroek. Sommige Molukkers verzetten zich tegen verhuizing omdat het tijdelijke karakter van hun verblijf in Nederland daarmee werd ontkend. Lange tijd zijn de wijken de centra van de Molukse gemeenschap geweest. Ook nu nog speelt de wijk een belangrijke rol, hoewel er meer Molukkers buiten dan binnen de wijk wonen. Evie Rahakbauw-Ubro vertelt over haar jeugd en haar warme gevoelens voor Laarbrug, waar ze met haar vader en moeder, broers en zusje tot 1965 heeft gewoond. Niet alleen de geschiedenis van haar ouders maar ook die van alle andere Molukse mensen in Nederland heeft haar geraakt. Een gebaar van dank en erkenning van de Nederlandse regering zou dan ook op zijn plaats zijn. Ik ben geboren op 30 november 1949 in Morotai, Halmaher, het is het grootste eiland van de Molukse Archipel. Het eiland bestaat uit vier schiereilanden die van elkaar worden gescheiden door brede baaien. Het landschap is zeer bergachtig. De Gunung Gamkonara, een actieve vulkaan, is 1635 meter hoog. Mijn moeder is Dorcas Rahakubang-Ubro, van kampong Tutrean, mijn vader is Petrus Ubro van kampong Ohoirenan. Ze komen beiden van het eiland Kei Besar op Evie Rahakbouw-Ubro de Molukken in Indonesië. Mijn vader was als KNIL-militair gestationeerd in Morotai op het eiland Halmahera. Van Indonesië kan ik mij niets herinneren, ik was toen nog heel jong. Mijn vader sprak in die tijd weinig over de oorlog in Indonesië. Dat komt denk ik door de verwondingen die hij in de oorlog heeft opgelopen. Ik zie dat aan zijn handen, rug en gezicht. Mijn vader is in de Tweede Wereldoorlog door de Japanners heel erg mishandeld. Hij heeft daar veel littekens aan over gehouden. Vooral de littekens op zijn gezicht zijn nog heel duidelijk te zien. We zagen eens een oorlogsfilm over de gruweldaden van de Duitsers, wat wij heel erg vonden. Maar mijn vader zei dat de Japanners veel erger waren. Hij vertelde dat de Japanners de buiken van zwangere vrouwen met een zwaard opensneden en het kind eruit haalden. Dat was het enige wat hij vertelde. Ik had het gevoel dat hij heel nare dingen in de oorlog heeft meegemaakt en daardoor ook zijn emoties heeft weggedrukt. Alleen als hij iets wil vertellen over de Japanners wordt hij fel. Voor mijn vader is de oorlog een traumatische ervaring geweest. De gruwelheden van de Japanners hebben voor altijd een litteken achtergelaten in zijn ziel. Ik kwam met mijn ouders in 1951 met het schip de Fairsea naar Nederland. In Rotterdam aangekomen zijn we met bussen naar Amersfoort overgebracht. Van daaruit gingen we naar Vught. Door een conflict tussen Ambonezen en Keiezen verhuisden wij eerst naar Pietersberg, daarna naar Eerde en later naar Laarbrug bij Ommen. Als ik Laarbrug hoor begin mijn hart sneller te kloppen. Aan Laarbrug heb ik fijne herinneringen, daar heb ik als kind een onbezorgde jeugd gehad. De warme gevoelens voor Laarbrug zal ik altijd blijven houden. We voelden ons een grote familie met de Zuid Oost Molukse mensen die in Laarbrug woonden. 66 Moni Woearbanaran Evie Rahakbouw-Ubro 67
36 Onze ouders hadden het toen niet gemakkelijk en ze deelden hun moeilijkheden niet met ons. Als ze verdrietig waren of iets aan elkaar wilden vertellen wat wij niet mochten weten, dan deden ze dat in het Keiees zodat wij het niet konden verstaan. Ze hebben ons, ondanks hun stille verdriet en tegenslagen, een onbevangen jeugd gegeven. Als kind voelde ik mij veilig en geborgen. Naar school met de bus vond ik geweldig. We werden opgehaald en thuisgebracht wat ook handig was, want als de bus te laat was dan konden we langer blijven spelen met de andere kinderen, we genoten daar met volle teugen van. Onze ouders konden ons dan ook niet verwijten dat we laat waren. Het kerstfeest in Laarbrug was de mooiste tijd in het kamp, het bracht de mensen nog dichter bij elkaar. We gingen met de kinderen naar de mensen en wensten ze dan een gelukkig kerstfeest en altijd kregen we wat lekkers mee. Mijn vader en moeder bleven thuis, want de andere kinderen kwamen dan ook bij ons huis langs. In de kantine van het kamp stond altijd een hele grote kerstboom met een piek in de top. De boom werd versierd met heel veel kerstballen, lichtjes en engelenhaar. We hebben het er thuis nu nog vaak over hoe mooi dat was. Ik heb net als mijn broers en zusjes op de Koningin Julianaschool in Ommen gezeten. We zien de klasgenoten van toen nog steeds, vaak met de reünies die door de klasgenoten van toen worden georganiseerd. Op school hebben wij ons niet gediscrimineerd of afgewezen gevoeld. Wij zijn niet anders behandeld en ook niet gepest. De leerlingen waren aardig en speelden graag met ons. Ik denk dat het ook te danken was aan de leiding en de leerkrachten die er toen waren. Lang van tevoren was het al op de Julianaschool bekend dat er donkere kinderen zouden komen. Ook gaven zij ons het gevoel dat wij van harte welkom waren. De klassen waren toen groter, we zaten met 40 leerlingen in de klas. Dat is nu wel even wat anders. Wat mij wel opviel was dat Nederlandse ouders anders met hun kinderen omgingen dan mijn ouders. Ik kon er makkelijk in meegaan en dat komt omdat ik vanaf mijn derde jaar pleegouders had en dat heeft mij gevormd tot wie ik nu ben. Mijn ouders zijn er ook steeds in blijven geloven dat ze op een dag zouden teruggaan naar Kei op de Molukken. Dat bleek ook wel toen ik na de lagere school van mijn ouders naar de huishoudschool moest. Ik vond dat verschrikkelijk, want ik wilde een compleet andere richting kiezen. Ik wilde graag naar de kunstacademie en tekenaar worden. Maar hoe leg je aan je ouders uit dat je een heel andere ambitie had. Toen ik mijn ouders dat ging vertellen zeiden ze: Nee, je moet naaister worden, want als we teruggaan naar Tual op Kei dan kan je kleren maken en een winkel openen want dat wordt daar veel gevraagd en dan kun je goed geld verdienen. We luisterden toen erg goed naar onze ouders en tegenspreken deed je alleen maar tegenover je vriendinnen. Na de huishoudschool ben ik ook nog een andere opleiding gaan volgen, in de richting van de zorg. Daarnaast heb ik tekenlessen gevolgd. Tekenen is nu één van mijn hobby s. Mijn kinderen leven in een geheel andere wereld, die van individualisten. Hun tijd en ontwikkeling gaan tig keer sneller dan die van ons. Zoals onze ouders paden voor ons baanden waar wij op hebben kunnen lopen, zo banen wij paden voor onze kinderen, alleen lopen ze niet, ze gaan er met een vaart erover heen. Wij vinden het belangrijk dat ze de normen en waarden van onze eigen cultuur meekrijgen, ik hoop dat ze van beide culturen het beste meepakken. Hoewel ik geen moeite heb met het leven in twee culturen raakt de geschiedenis van mijn ouders mij wel. De manier waarop de Molukkers gedwongen werden in Nederland te leven, dat had nooit zo mogen gebeuren. Als ik het nieuws op de radio of televisie hoor over Vanuit de Hervormde Kerk in Rotterdam hebben Nederlandse mensen toentertijd humanitaire hulp geboden aan de Molukse kinderen in Eerde en Laarbrug, ze werden opgevangen voor een kort, soms langer verblijf. Meestal was dat in vakantieperioden. Doel was de integratie te bevorderen voor de kinderen, zodat ze zich later gemakkelijker zouden kunnen aanpassen aan de Nederlandse samenleving. Daarnaast zouden de kinderen makkelijker de Nederlandse taal leren spreken en begrijpen en twee culturen leren ontdekken. Deze humanitaire hulp van de gemeente Rotterdam heeft eraan bijgedragen dat ik me op een ongedwongen manier kon aanpassen aan de Nederlandse samenleving, op school en thuis. Eigenlijk heb ik twee opvoedingen gehad. Ik ben mijn ouders dankbaar dat zij daarmee ingestemd hebben. We leefden in twee werelden, want zodra we de deur uit waren en naar school gingen spraken we Nederlands met de leerkrachten en onze klasgenoten. We pasten ons heel gemakkelijk aan. Als we thuis waren spraken wij Maleis met onze ouders en leefden volgens de waarden en normen van onze Molukse ouders. 68 Evie Rahakbouw-Ubro Amarijn Rahakbouw (l) oom Rahakbouw (5e van links) Sam Rahakbouw (voorgrond rechts) Evie Rahakbouw-Ubro 69
37 Thomas Somnaikubun Turken, Marokkanen, de islam, de hoofddoekjes of boerka s, het niet leven volgens de regels in Nederland, dan word ik heel fel. Nederland heeft gefaald; zoals onze ouders zijn behandeld, krijgen ze nu een koekje van eigen deeg. Wij Molukkers zijn met een heel ander verhaal naar Nederland gekomen. Onze ouders zijn hier niet gekomen om te profiteren of om eigen regeltjes te maken. Onze ouders hebben op hun eigen manier in stilte gestreden en die stilte wordt nu door de volgende generatie Molukkers doorbroken. De jongere generatie Molukkers zag het leed en voelde het verdriet van hun ouders Zij willen dat de Nederlandse regering, de beloften en de fouten erkent en een gebaar maakt naar de nog in levende zijnde ouderen en naar de tweede generatie Molukkers in Nederland. Moluks zijn betekent voor mij Ain-ni-Ain (naar elkaar omkijken). De emoties die wij van ouders meegekregen hebben zijn: subtiel, respectvol en altijd benaderbaar. Radicalisering De Molukse gemeenschap stelde zich aanvankelijk terughoudend op naar de Nederlandse overheid als het ging om het niet nakomen van de belofte tot terugkeer naar de Molukken en van andere toezeggingen. Naarmate de tijd vorderde groeide het besef dat vele jaren verloren waren gegaan, zonder dat de positie van de Molukkers verbeterde en dat van volwaardige deelname aan de Nederlandse samenleving ook geen sprake was. Ze voelden zich in de steek gelaten en niet gerespecteerd. Vooral onder de jongeren groeide de onvrede. Na de executie van RMS president Soumokil in 1966 escaleerde de situatie door brandstichting bij de Indonesische ambassade in Den Haag. In de strijd voor een vrije Republiek der Zuid Molukken volgden meer acties. De bekendste zijn de bezetting van de woning van de ambassadeur van Indonesië in 1970 en de treinkapingen bij Wijster in 1975 en de Punt in 1977 en de bezetting van het Provinciehuis in Assen. Deze acties waren een luide roep om erkenning en hebben diepe wonden achtergelaten, zowel in de Nederlandse als in de Molukse samenleving. Krachtig, soms emotioneel, vertelt Thomas over de ervaringen in zijn leven, zijn jeugd in kamp Laarbrug en Ommen. Over de herinneringen van zijn ouders zegt Thomas: mijn ouders hebben herinneringen achtergelaten die tot nu toe een stempel op ons drukken. Mijn ouders komen uit kampong Weduar op het eiland Kei Besar in de Molukken, in Indonesië. Mijn ouders hebben elkaar niet leren kennen op de manier zoals wij dat hier gewend zijn, maar ze zijn door hun ouders uitgehuwelijkt volgens de traditionele normen en waarden van de familie op Weduar. Mijn vader was KNIL-militair. In die tijd was hij dan ook vaak weg. Mijn moeder verbleef toen met ons in de tangsi. Mijn ouders hadden toen zij nog in Indonesië waren, twee kinderen, ik ben het tweede kind. Op 1 december 1950 ben ik in Soerabaja geboren, mijn oudste broer heb ik niet goed gekend, hij is al heel jong overleden. Mijn ouders zijn net als alle andere KNILmilitairen en hun gezinnen in 1951 met de Skaubryn naar Thomas Somnaikubun Nederland overgebracht. In eerste instantie zou dat voor drie maanden zijn. Inmiddels is die tijd meer dan verstreken. Ik herinner mij dat er bij mijn ouders altijd twee koffers in de hal stonden. Ik wist eerst niet waarom en waarvoor. Later pas begreep ik waarom die koffers daar stonden. Mijn ouders hebben altijd gehoopt dat zij op een dag bericht zouden krijgen voor terugkeer naar hun geboorteland. In Nederland aangekomen zijn we in kamp Laarbrug bij Ommen komen wonen. In Laarbrug heb ik tot mijn veertiende jaar met mijn ouders, broers en zusjes gewoond. In Laarbrug was mijn vader assistent kampbeheerder. De eerste drie jaren in kamp Laarbrug mochten de mensen niet werken. Ze leefden van de gaarkeuken en van een klein beetje zakgeld dat wekelijks uitgedeeld werd. Toen de zelfzorg door de Nederlandse regering werd ingevoerd moesten de mannen werk zoeken. Mijn vader wilde niet werken, hij was in die tijd zeer gekant tegen de Nederlandse regering. Hij had zijn principes en hij vond dat de Nederlandse regering zijn verantwoordelijkheid moest nemen en de beloftes die gedaan waren, moest nakomen. Het tijdelijk verblijf in Nederland van drie maanden duurt nu al zestig jaren. Ik heb het als kind heel erg gevonden dat mijn vader niet wilde werken. Als assistent kambeheerder verdiende mijn vader niet veel. Je kunt dat vergelijken met leven op bijstandsniveau. Ondanks dat wij het niet breed hadden spaarden mijn ouders geld voor de mensen op de Molukken, met name voor de kampong. Mijn ouders hadden overal potjes voor, maar als ik een nieuwe fiets wilde, of nodig had, dan moest ik daar zelf voor zorgen. Ik ging tankwagens schoonmaken om te kunnen sparen voor een fiets. 70 Evie Rahakbouw-Ubro Thomas Somnaikubun 71
38 Mijn moeder was vaak ziek, ook was ze psychisch vaak in de war. Vele malen is ze opgenomen in een kliniek op de PAAZ-afdeling. Ze kon er daarom ook niet altijd voor ons zijn op de momenten dat we haar nodig hadden. Mijn vader kon noch voor haar, noch voor ons zorgen. Toen bij mijn vader tuberculose werd geconstateerd moest hij in het sanatorium in Hellendoorn worden opgenomen. Ik was de oudste en ik werd belast met vele verantwoordelijkheden, wat ik toen heel erg vond. Laarbrug herinnert mij daarom aan een niet fijne jeugd. Ik ben in Ommen naar school gegaan. Aan Ommen heb ik fijne herinneringen, vooral aan de Koningin Julianaschool en de ULO. Daar kon ik mijzelf zijn. Ik kon ontvluchten aan de verantwoordelijkheden en de zorgen thuis. In Ommen had ik veel schoolvrienden, met enkele van hen heb ik nog steeds contact. Ik ben naar de ULO gegaan omdat mijn ouders dat wilden, zelf had ik graag techniek willen studeren. In die tijd sprak je je ouders niet tegen en deed je wat van je gevraagd werd. In 1965 verhuisden wij naar Holtenbroek een nieuwbouwwijk in Zwolle. Mijn vader kreeg een baan aangeboden bij de WEZO en zo ploeteren we verder met ons leven. Als ik terugkijk en aan mijn ouders denk hoe zij hier in Nederland kwamen en hoe zij toen het leven hebben moeten oppakken, hoe zij in stilte hun verdriet in zich hielden, besef ik dat ik niet mag klagen toen ik zelf mijn fiets moest verdienen en de verantwoordelijkheden op mij moest nemen omdat het niet anders kon. Die tijd heeft mij in positieve zin gevormd. Ik ben er sterker uitgekomen, ik wilde presteren, ik wilde doorzetten en ik ben mezelf trouw gebleven. Ik ben nu al veertig jaar lang werkzaam bij elektrotechnisch bedrijf Nooter in Zwolle en ik heb het nog steeds naar mijn zin. wij zouden ontdekken dat teruggaan naar Kei voor ons en voor het grootste deel van de jongere generatie Molukkers geen optie is. Waar moeten we van bestaan, of waar kunnen wij de nieuwste gadgets, mobieltjes of jeans kopen en wat dacht je van de ipod en computers? Vele ouderen zijn er niet meer. Ze zijn voor de boeken geschiedenis, maar voor de Molukse generaties zullen zij altijd een levende geschiedenis blijven. Ik wil dat de Nederlandse regering rechtop gaat staan en onze ouders en ons spijt betuigen en ons datgene geven waar wij altijd op hebben zitten wachten, het respect en de erkenning. De tweede generatie Molukkers heeft het leed van hun ouders wel ervaren maar niet kunnen verzachten. Nederland herdenkt ieder jaar op 4 mei de doden, op 5 mei de bevrijding, de televisie herhaalt beelden en films van de Duitse bezetters, van Anne Frank, van de bevrijding, allemaal beelden van de oorlog in Nederland. Het wordt tijd dat de Nederlandse regering laat zien dat zij aandacht heeft en respect toont voor de Molukse KNIL-militairen. Vele jonge generatie Molukkers in Nederland wachten nog steeds op dat gebaar. De tweede generatie Indische en Molukse jongeren heeft ook veel moeten incasseren. Ze zien en maken mee hoe hun ouders door de regering behandeld werden. Hun ouders kwamen naar Nederland en wachten en wachten, nu al weer zestig jaar, waar blijft het gebaar? Een tijdlang heb ik als vrijwilliger vluchtelingenwerk gedaan. Als ik aan die periode terugdenk bekruipt mij af en toe een gevoel van onbehagen en verbolgenheid over deze mensen. Vluchtelingen krijgen veel meer aandacht dan de Molukkers vroeger. Er wordt beter voor hen gezorgd, soms tot in het absurde. Een vluchteling kreeg een fiets, die had hij nodig omdat hij mobiel moest zijn. De man accepteerde de fiets niet omdat hij hem niet mooi vond. De vrouwen, velen islamitisch, hadden ook hun wensen. Soms begreep ik gewoonweg niet dat zij de dienst konden uitmaken. Er werd veel, heel veel rekening met hen gehouden. Ik moet dan aan mijn ouders denken. Zij zijn op bevel van de Nederlandse regering naar Nederland overgebracht, zij hebben gestreden voor de vrede en veiligheid in hun land, hebben het KNIL hoog gehouden maar de erkenning en het respect dat zij verdienden bleven weg, toen en nu. Mijn ouders hebben telkens in het ongewisse geleefd, alles achtergelaten, familie, vrienden, de kampong op de Molukken. De drie maanden werden zes maanden. Dan drie jaren en na die drie jaren kwam ineens die zelfzorg. Ze kregen drie gulden zakgeld per week in plaats van soldij. Leven in een vreemd land, een andere taal, andere normen en waarden, alles is anders dan waar zij vandaar kwamen. Ze hebben moeten overleven om voor ons een goed leven achter te laten. Je hoort hen niet klagen, je hoort ze zeggen, doe je best jongen, leer goed op school zodat je straks geld kan verdienen, dan kunnen wij terug naar Kei. Ze hadden nooit gedacht dat 72 Thomas Somnaikubun Feestelijke Molukse bruiloft Thomas Somnaikubun 73
39 Stans Huls Niet alleen de normen en waarden van de Molukse mensen, maar ook de Molukse identiteit wordt teniet gedaan. Molukkers zijn opeens allochtonen, een minderheid, maar we zijn ook geassimileerd! Voor de Nederlander ben je de ene keer een Surinamer, dan een Afrikaan, Chinees of zelfs een Japanner. De geschiedenis van de Molukse KNIL-militairen is een geschiedenis die verschil maakt en die moet verteld worden. De geschiedenis van onze ouders heeft blijvende wonden veroorzaakt, wonden die niet zullen helen. De tweede generatie is de generatie die tussen wal en schip is geraakt. Ergens in een blad las ik het volgende: De Nederlandse regering heeft verzaakt zich te beijveren voor de tweede generatie kwetsbare Molukse jongeren, een loopplank te bouwen op de brug naar hun volwassenheid zodat ze niet tussen wal en schip raken De kapingen bij de Punt en Wijster zijn niet goed te praten, maar roept wel vragen op zowel bij de Molukkers als bij de Nederlanders. We leven in een grote wereld met allerlei culturen, dat leert ons grenzen verleggen, maar die wereld schept ook chaos in normen en waarden. Ik ben het in heel veel dingen niet met Wilders eens, maar als ik naar zijn betoog luister begrijp ik hem wel. Toen mijn vader 65 was, zijn mijn ouders teruggegaan naar Indonesië. De heimwee, het verlangen naar de familie in de kampong hebben hen doen besluiten terug te gaan naar Kei op de Molukken. Mijn ouders hebben herinneringen achtergelaten die tot nu toe een stempel op ons drukken. De geschiedenis van onze ouders is er één die wij moeten vertellen aan de volgende generaties en er een betekenis aan geven. Zij zijn diegenen die de overtocht hebben gemaakt, zij hebben geschiedenis geschreven. Dat betekent niet dat wij moeten overleven zoals zij dat gedaan hebben. Sociaal economische maatregelen Als antwoord op de acties van de Molukse jongeren werden in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw maatregelen genomen om problemen op maatschappelijk gebied aan te pakken en werden landelijke Molukse organisaties opgericht, waaronder het Museum Maluku in Utrecht. Toen bijvoorbeeld grote problemen op het gebied van de huisvesting dreigden, werden onderhandelingen gevoerd tussen de Nederlandse regering en Badan Persatuan, de grootste Molukse belangenorganisatie. De onderhandelingen mondden in 1986 uit in een gezamenlijke verklaring. De eerste generatie Molukkers die naar Nederland was gekomen kreeg een herdenkingspenning en een jaarlijkse uitkering. Er kwam een duizend banenplan om de grote werkloosheid onder Molukkers te bestrijden, een maatregel die succesvol was. In dezelfde periode kwam ook het Landelijk Steunpunt Educatie Molukkers tot stand. Met haar Indische roots en voorliefde voor de Indische keuken is Stans Huls de ideale activiteitenbegeleidster voor Rumah Kenangan. Rumah Kenangan is Maleis voor Het huis van de herinnering en het is de naam van de dagbesteding voor Indische ouderen, die twee keer per week plaats heeft in wooncomplex Kembang Baru in Holtenbroek in Zwolle. Stans vertelt trots en bevlogen over haar werk, haar verleden en haar gezin. Ik ben geboren in Indonesië, in Malang op Java in In 1951 zijn we naar Nederland vertrokken. Ik weet niet meer met welke boot. Mijn vader heette Piet Huls, is geboren in Bilthoven en was Nederlander. Mijn moeder heette Riet van Minos en is geboren in Buitenzorg. Ze was Javaanse, van een Portugese vader en een Javaanse moeder. Mijn vader was naar Indonesië gekomen als vrijwilliger in het Nederlandse leger en is daar ook gedemobiliseerd. Daarna gaf hij les op de HBS in Malang. Hij gaf daar onder andere Nederlandse les. Mijn ouders woonden daar in een heel mooi huis. Ik heb twee oudere broers die in Indonesië zijn geboren en twee zusjes die er pas in Nederland bijgekomen zijn. Ik weet van mijn Stans Huls ouders dat ze met pijn in hun hart naar Nederland moesten. Het was heel moeilijk om het land waar ze zo veel van hielden te moeten verlaten. Toen we in Nederland aankwamen hebben we heel even in Oegstgeest in een pension gewoond. Maar al snel kregen we een woning, eerst in Oegstgeest, daarna in Rijssen. Voordat ik in mijn huidige functie terecht kwam, was ik werkzaam als trainer en begeleider bij de telefonische hulpdienst in Hengelo. Maar ik wilde daar weg, ik had het wel een beetje gezien. Ik wilde in eerste instantie les gaan geven, want ik ben opgeleid tot orthopedagoog. Maar toevallig had ik in een weekend uitgebreid Indisch gekookt voor mijn collega s en voor de buren, waardoor ik sowieso al een beetje in Indische sferen was toen ik in de Stentor zag dat er een medewerker activiteiten gezocht werd voor een nieuw te starten project: een dagbesteding voor ouderen van Indische of Molukse afkomst. In de advertentie stond dat je ervaring moest hebben met het werken met vrijwilligers en dat je van Indische afkomst moest zijn, of er affiniteit 74 Thomas Somnaikubun Stans Huls 75
40 mee moest hebben. Toen heb ik meteen een brief geschreven. Na een aantal gesprekken werd ik uitgekozen. Op 1 april 2007 zijn we in Het Zonnehuis gestart met de dagbesteding. Ik vind het geweldig om met Indische en Molukse ouderen te werken. In 2004 is mijn vader overleden en mijn moeder overleed vijf maanden daarna. In die periode na mijn vaders dood ging mijn moeder heel erg terug naar haar Indisch zijn. Ze bezocht veel Indische mensen en vrienden en familie. En ze sprak ook weer meer Maleis. Toen ze overleed dacht ik, nou dit was dus mijn Indische periode. Ik heb verder geen Indische familie. Dankzij dit werk heb ik toch nog veel contact met Indische mensen. Ik heb me altijd met hen verbonden gevoeld. Vanaf de lagere school had ik een bijbaantje bij Van Oertel, een Indische groothandel in Rijssen. Ze hadden zo n winkel op wielen, een warung keliling. Die kwam ook in Zwolle in de Molukse wijk. In 1995 ben ik met mijn man voor het eerst naar Indonesië geweest. Terug naar mijn roots. Ik ben in het huis geweest waar ik geboren ben en in het huis van mijn moeder. In Malang mochten we alle officiële papieren inzien bij het gemeentehuis. Ze hadden daar een groot boek: Het Geboorteregister der Europeanen en dat werd naar ons hotel gebracht. We mochten er zelfs dingen uit kopiëren. Dat was heel bijzonder. Ook zijn we naar de kerk geweest waar ik ben gedoopt. Toen ik daar liep begonnen de klokken ineens te luiden. Dat was een hele emotionele ervaring. Ik kon me na de reis beter voorstellen hoe het voor mijn ouders geweest moet zijn om Indië ineens te moeten verlaten. Mijn ouders hebben niet echt heel vaak gesproken over hun heimwee. Ook niet over hun verdriet. Het enige dat mijn moeder wel eens zei was dat het hier in Nederland zo koud was. Er heerste een soort van berusting bij mijn ouders. Het is lastig te omschrijven wat Indisch zijn nu eigenlijk betekent voor mij. Het betekent toch anders zijn. Het betekent ook wel iets van trots. Als ik nu kijk naar mijn jeugd in Rijssen, dan waren daar maar weinig Indische mensen. Dus het was wel iets speciaals. Met een vriendin waren we de enige bruinen op de school. Je bent toch anders dan de anderen. Het Indische is voor mij ook de sfeer, de gezelligheid, de gastvrijheid, het eten. Ik heb twee zoons. De oudste ziet er het meest Indisch uit, maar bij mijn jongste zoon kun je het bijna niet zien. Opmerkelijk genoeg zat mijn jongste zoon eind jaren tachtig op een basisschool in Deventer die nog bi-cultureel onderwijs verzorgde voor Molukse kinderen. Dat was één uur in de week. Toen is hij zelf naar het hoofd gegaan en heeft gezegd dat zijn moeder ook uit Indonesië kwam en dat hij ook die lessen wilde volgen. Dat mocht toen ook. Het was een Molukse juffrouw die over Indonesië en de Molukse cultuur vertelde. Het toeval wil dat mijn zoon een half-molukse vriendin heeft. Wat Rumah Kenangan zo belangrijk maakt is dat de mensen echt zichzelf kunnen zijn. Ze kunnen onderling Maleis spreken als ze willen, want bijna iedereen spreekt Maleis. Er wordt Indisch gekookt. Er heerst een bepaalde sfeer. Als iemand het bijvoorbeeld moeilijk heeft, omdat er iets in de krant stond over Indonesië of over de oorlog, dan wordt dat begrepen zonder dat het uitgelegd hoeft te worden. We zijn nu met ongeveer vijftien mensen op maandag en op woensdag. We zijn begonnen met vier deelnemers. Het duurde even maar door de mond op mond reclame kwamen er steeds meer mensen bij. Ik heb echt gezien dat mensen hier zijn opgebloeid. Hun sociale contacten zijn weer uitgebreid. Ook na de dagbesteding hebben ze contact met elkaar. Ouderen kunnen snel sociaal geïsoleerd raken, omdat ze niet mobiel zijn. Hier worden ze met de taxi gebracht en weer naar huis gebracht. 76 Stans Huls Molukse en Indische mensen, dagopvang Rumah Kenangan Het dagprogramma begint meestal met thee en koffie en een beetje bijkletsen. Rond elf uur gaan we meestal wat bewegen op muziek, vaak in spelvorm. Er moet een beetje competitie in zitten. Er wordt altijd vreselijk veel gelachen. Het is belangrijk dat ze dat op die leeftijd nog doen en dat bewegen ook weer een beetje leuk wordt. Ondertussen wordt er gekookt door de vrijwilligers. Dan ruikt de hele ruimte al lekker. Dan wordt er gegeten en dat is het hoogtepunt van de dag voor iedereen. Er wordt van tevoren gepraat over eten, tijdens het eten en na het eten! Onderling worden vaak recepten uitgewisseld. Het leuke daarvan is dat je kunt zien dat de Stans Huls 77
41 Jil Frederiks mensen uit verschillende delen van Indonesië komen. De één maakt het gerecht zus, de ander zo. Daarna gaan de vrijwilligers afwassen en opruimen en hebben de mensen even een beetje rust. Ze gaan dan naar buiten of lezen een boek. Soms wordt er muziek gedraaid bijna altijd Indorock - of gaat men een dvd kijken. Band met de Molukken Door politieke verhoudingen en logistieke beperkingen was het lange tijd moeilijk voor de Molukkers in Nederland om contact te onderhouden met hun familie op de Molukken, laat staan hen te bezoeken. Vanaf 1980 is daarin verbetering gekomen en hebben vele Molukkers een bezoek gebracht aan de plaats waar zij oorspronkelijk vandaan kwamen. Niet alleen de Nederlandse samenleving, maar ook de Molukse samenleving is in de tussenliggende periode erg veranderd. Door de contacten met de Molukken wordt ook zichtbaar hoe groot het verschil in welvaart met Nederland is. Diverse Molukse verenigingen in Nederland zetten zich in om de levensomstandigheden in hun dorpen van herkomst te verbeteren, bijvoorbeeld door het aanleggen van een goede waterleiding. In 1999 ontbrandde er op het eiland Ambon een felle strijd tussen christelijke en islamitische bevolkingsgroepen waarbij vele doden vielen. De ongeregeldheden laaien nog zo nu en dan op, waardoor velen een bezoek aan het gebied uitstellen. De emotie was haar drijfveer, ze is vastberaden, verantwoordelijk en van nature maatschappelijk betrokken. Haar inspanning om een eigen plek te creëren voor de ouder wordende Indische en Molukse mensen, die na de oorlog in Indonesië in Nederland kwamen wonen, werpt haar vruchten af. In 2007 werd Rumah Kenangan Huis van herinneringen een dagbestedingscentrum voor Indische- en Molukse mensen gerealiseerd. Jil Frederiks, hoofd van Rumah Kenangan, kijkt naar de toekomst en realiseert zich dat er behoefte is aan meer dan alleen een dagbestedingcentrum. Ik ben op Bali geboren en was twee jaar toen ik naar Nederland kwam. Als kind van twee was ik mij niet bewust van wat er gaande was. Uit de verhalen van mijn zus, die zes jaar ouder is dan ik, begreep ik dat mijn ouders eerst op Bali zaten. Mijn geboorteakte was een stukje papier dat in mijn vaders jas zat, tijd, datum, plaats en mijn naam stonden erop vermeld. Mijn vader was militair, mijn moeder huisvrouw. Mijn moeder was een half-indische. Haar opa was een Amsterdammer, haar moeder was een mengeling van Indisch, Belgisch of Frans. Ik heb een zus en drie broers. Jil Frederiks Na mijn geboorte werd mijn vader in Malang gestationeerd. Hierna zijn we drie of vier keer verhuisd, maar uiteindelijk zijn we weer teruggegaan naar Malang waar we nog een jaar zijn gebleven. In Malang moesten wij voor onze eigen veiligheid op het militaire kampterrein wonen. Wij wisten toen niet waarom. Later bleek dat mijn vader een functie had bij het leger waar ik verder niet over mag praten. In Malang kreeg mijn vader te horen dat hij terug moest naar Bali. Kort daarna is mijn vader op Bali op de boot gezet. Mijn familie en ik werden door de Militaire Politie in geblindeerde auto s opgehaald en daarna zijn wij ook op de boot gezet. Wij hebben verder niets mee kunnen nemen, want onze veiligheid was in gevaar. In december 1950 zijn wij van Bali vertrokken en in januari 1951 zijn wij in Nederland aangekomen. Bij aankomst in Nederland zijn wij in Sneek in een contractpension ondergebracht. Vrij kort daarop zijn wij naar Zuidlaren verhuisd. Mijn vader was militair bij het 44e infanterie bataljon, hij was opleider voor dienstplichtige militairen. Mijn vader was niet vaak thuis. Acht maanden van het jaar zat hij in het buitenland. Mijn moeder zorgde vaak alleen voor ons. In 78 Stans Huls Jil Frederiks 79
42 Indonesië had mijn moeder een grote koffieplantage en baboe s die het huishoudelijk werk deden. Mijn moeder was niet gewend om het huishouden te doen. Koken kon mijn moeder niet, ze heeft alles hier in Nederland moeten leren. Hoewel mijn moeder na een tijdje goed Nederlands sprak, kwam ze niet vaak buiten. Ze was veelal in de keuken te vinden om het eten te klaar te maken. In Indonesië waren mijn ouders gewend om twee keer per dag warm te eten. Mijn zus en ik moesten mijn moeder helpen en ik deed vaak de boodschappen. Ik heb een heel andere jeugd gehad dan de meeste kinderen van mijn leeftijd. Mijn broers, zus en ik waren al heel jong volwassen, wij zijn beschermd en streng opgevoed met veel verantwoordelijkheden,. Mijn zus en ik mochten wel uitgaan, maar we werden dan weggebracht en weer opgehaald. Mijn broers daarentegen konden vaak alle kanten op. Twee van mijn broers zijn inmiddels al overleden. Mijn jongste broer en zijn vrouw gingen voor een bezoek aan een missionaris naar Afrika, waar een kindertehuis was. Het vliegtuig waarin ze zaten vloog tegen een berg en beiden zijn toen omgekomen. Ze zijn in Westenholte begraven. Mijn andere broer is aan kanker overleden. Mijn moeder was toen al oud en dement, ze is tien jaar ouder dan mijn vader. Voor mijn vader was het een harde klap, zijn vrouw werd dement en hij verloor twee van zijn kinderen! Hij heeft deze tragedie nooit kunnen verwerken. Mijn ouders verhuisden jaren geleden van Zuidlaren naar Ommen. Na mijn trouwen ben ik met mijn man in Zwolle gaan wonen. Later zijn mijn ouders dichter bij ons in Zwolle komen wonen. Mijn man en ik hebben het samen heel lang volgehouden om voor haar te zorgen. Toen het echt niet meer ging is mijn moeder in een gesloten inrichting, in Het Zonnehuis in Zwolle, opgenomen. Mijn vader ging alle dagen, drie keer per dag bij haar op bezoek. Op een gegeven moment kon hij het niet meer opbrengen om mijn moeder zo vaak op te zoeken, het werd hem teveel. Ik besloot toen minder te gaan werken om wat meer tijd vrij te maken om voor mijn moeder te zorgen. Ik werkte toen als directiesecretaresse bij het Deltion College. in Indonesië waar ze vandaan komen. Voor de verpleging en verzorging is het heel moeilijk de Indische en Molukse mensen te begrijpen of zich in te leven, want ze weten helemaal niet hoe hun wereld eruit zag. De mensen in Het Zonnehuis voelden zich steeds eenzamer. Met mijn schoonmoeder is dat ook zo gegaan. Haar man is in de oorlog omgekomen, na zijn dood is ze naar Nederland vertrokken. In Indonesië was ze onderwijzeres, in Nederland pakte ze de draad weer op en ging weer lesgeven. Ze heeft dat vrij lang gedaan. Toen mijn schoonmoeder oud was en het fysiek slechter met haar ging, is ze opgenomen in het Zonnehuis. Ze heeft zich erg eenzaam en niet begrepen gevoeld. Ik heb haar dood zien gaan met al haar verdriet en eenzaamheid. Wij konden elke dag naar haar toe gaan maar daar was ze niet mee geholpen. Als je geestelijk nog heel goed bent wil je over alles praten, maar mijn schoonmoeder kon dat niet meer. Mijn moeder is lang dement geweest en ik heb veel tijd gehad om na te denken over de situatie waarin zij en haar leeftijdgenoten zich bevonden. Dementie is een ziekte die veel van de leeftijdgenoten van mijn ouders treft. Ook de partners van een dementerend persoon kunnen in een isolement raken. Zo ook mijn vader; hij kon overal naartoe, maar hij miste zijn partner. Zijn vrouw leefde nog, maar hij kon niet met haar communiceren. Mijn vader ging tegenover mijn moeder wonen in De Havezathe en niets deerde hem. Het enige wat telde was dat hij naar mijn moeder kon. Mijn moeder is in 1987 overleden en mijn vader in Toen mijn beide ouders overleden waren dacht ik, dit kan helemaal niet, dit mag helemaal niet, deze mensen verdienen een betere oude dag. Intussen was ik al bezig om 35 appartementen te realiseren voor deze groep mensen. Er moest een oplossing komen voor mensen die in Indonesië of de Molukken zijn geboren en die nu in Nederland wonen. Voor die groep mensen moest iets geregeld zijn voor als zij oud worden en in een verpleeghuis of verzorginghuis terecht zouden komen. Er moest iets zijn waar ze aandacht en begrip voor hun cultuur konden krijgen, waardoor ze zich veilig voelen. Drie keer in de week ging ik mijn moeder in Het Zonnehuis bezoeken. Tien jaar lang is mijn moeder dement geweest en in die tien jaren heb ik veel meegemaakt en gezien hoe het haar is vergaan. In Het Zonnehuis zie je een heleboel en daarvan heb ik veel geleerd. Ik zag dat Indische en Molukse mensen tegen muren oplopen, omdat ze niet begrepen werden. Mijn moeder was heel erg dement, ze liep rondjes en mompelde steeds hele verhalen. Ze stond vaak in een hoek of bij het raam en praatte tegen dingen. In haar beleving was ze in Indonesië op de pasar en liep ze de kraampjes af. Ik moest vaak komen kijken, want dan had ze mooie stofjes in haar handen en dan wilde ze naar de naaister. Ik deed maar mee, het waren vaak heel ontroerende momenten. Het was niet gemakkelijk om je moeder zo te zien. Net zoals oude mensen uit bijvoorbeeld Nieuwleusen in hun herinneringen teruggaan naar hun vroegere dorp, zo gaan de Indische en Molukse mensen terug naar hun stad of kampong 80 Jil Frederiks 15 augustus 2011, herdenking van het einde van de oorlog in Indië Jil Frederiks 81
43 In Het Zonnehuis raakte ik in gesprek met iemand die mij vertelde dat in Groningen een dagbesteding was opgezet voor Indische en Molukse mensen. We zijn daar gaan kijken en na het bezoek was het voor iedereen duidelijk dat er behoefte aan een uitlaatklep bestaat en dat er ook begrip moet zijn voor deze mensen. Maar wat moet je doen om deze mensen een fijne oude dag te kunnen bieden en niet eenzaam en verstild te laten geraken in den vreemde? Het bezoek aan de dagbesteding in Groningen is een inspiratiebron geweest om hier in Zwolle een dagbesteding op te zetten voor de Indonesische en Molukse mensen. Indische en Molukse ouderen delen vaak gelijksoortige ervaringen, spreken dezelfde taal en hebben eenzelfde culturele achtergrond. Samen eten, praten, herinneringen ophalen en deelnemen aan de op maat geboden activiteiten, geeft hen een vertrouwd gevoel en herkenning. We bieden bij de dagbesteding een veilige omgeving met een geheel eigen sfeer, die recht doet aan de specifieke achtergrond van haar deelnemers. Zo herdenken we al een aantal jaren op 15 augustus de bevrijding van Nederlands-Indië van de Japanse bezetting. Op die dag wordt een officiële herdenking gehouden in Park Eekhout in Zwolle, maar omdat veel ouderen slecht ter been zijn wordt ook een herdenking gehouden in de sociëteit van Kembang Baru. Als ik op maandag- en woensdagochtend de mensen uit de bussen zie stappen, ze zie lachen en gelukkig zijn, dan weet ik precies waar ik het allemaal voor doe! Pela Pela zijn bondgenootschappen tussen dorpen in de Molukken, waarbij sprake is van een stelsel van rechten en plichten. Pela is kenmerkend voor de Molukse cultuur, ook in Nederland zien Molukkers pela nog steeds als één van de pijlers van de eigen identiteit. De regels van het bondgenootschap, wederzijdse hulp en respect, golden en gelden voor alle inwoners van de betrokken dorpen. Een veel voorkomend verbod is dat op onderlinge huwelijken. Als je pela bent mag je niet met elkaar trouwen. Ook in Nederland houden de Molukkers de traditie van de pela in ere. Als je pela bent van elkaar voelt dat als een familieband, je helpt en steunt elkaar. Door middel van een ceremoniële bijeenkomst kan het bondgenootschap tussen dorpen, dat soms al eeuwen oud is, vernieuwd worden. Na het geweld van het begin van deze eeuw op de Molukken kijkt men naar pela en andere tradities als middelen om de bevolking weer in harmonie met elkaar te laten leven. 82 Jil Frederiks Jil Frederiks 83
44 Geraadpleegde literatuur Y. ten Brinke, Steunpunt Minderheden in Overijssel Ceritra Saja, geschiedenis van de Molukkers in Overijssel, 2005 Ab Gellekink, HCO mijn stad mijn dorp nr. 5, 2011 Wij leven voort als treinkapers Manon Meijer, RUG Instituut voor geschiedenis, 2010 De politieke geschiedenis van Indische Nederlanders en Molukkers Museum Maluku Utrecht Tekst website Henk Smeets en Fridus Steijlen In Nederland gebleven, de geschiedenis van de Molukkers Foto verantwoording Hans van den Brink Jan Drost Museum Maluku, Utrecht Particuliere collecties Julia Scholten-Rada Patty Wolthof Colofon Kenangan Herinneringen Uitgave: Historisch Centrum Overijssel, Zwolle, 2012 Tekst: Herman Aarts Julia Scholten-Rada Patty Wolthof Vormgeving: Yvonne Derksen, Kessenich (België) Druk: Netzodruk, Zwolle Oplage: 500 exemplaren Deze uitgave werd mogelijk door een subsidie van de gemeente Zwolle. 84 Kenangan, Herinneringen Kenangan, Herinneringen 85
45
Het is de familieblues. Je kent dat gevoel vast wel. Je zit aan je familie vast. Voor altijd ben je verbonden met je ouders, je broers, je zussen.
De familieblues Tot mijn 15e noemde ik mijn ouders papa en mama. Daarna niet meer. Toen noemde ik mijn vader meester. Zo noemde hij zich ook als hij lesgaf. Hij was leraar Engels op een middelbare school.
We zijn 2 zusjes Leah en Dika, we komen uit een gezin van 10 kinderen. We zijn in Teuge geboren en opgegroeid, waar we een geweldige jeugd hebben
Barakkenkampen In 1951 kwamen 12.000 Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen noodgedwongen in Nederland aan voor een tijdelijk verblijf. Ze werden opgevangen in kampen. Het woonoord in Lage Mierde was
IK OVERLEEFDE AUSCHWITZ
Ferenc Göndör IK OVERLEEFDE AUSCHWITZ Uitgeverij Eenvoudig Communiceren 3 Mijn vader Lang geleden kwam een jonge, joodse man naar het land Hongarije. Mohr Goldklang was zijn naam. Dat was mijn opa. Mohr
De tijd die ik nooit meer
De tijd die ik nooit meer vergeet Jan Smit uit eigen pen deel 3 De Stiep Educatief De tijd die ik nooit meer vergeet De schrijver die blij is dat hij iets kan lezen en schrijven, vertelt over zijn jeugd.
Verhaal: Jozef en Maria
Verhaal: Jozef en Maria Er was eens een vrouw, Maria. Maria was een heel gewone jonge vrouw, net zo gewoon als jij en ik. Toch had God haar uitgekozen om iets heel belangrijks te doen. Iets wat de hele
Speech tijdens opening tentoonstelling Oorlog! Van Indië tot Indonesië 1945-1950, Bronbeek.
Speech tijdens opening tentoonstelling Oorlog! Van Indië tot Indonesië 1945-1950, Bronbeek. 19 februari 2015 Goedemiddag, Ik ben heel blij met deze tentoonstelling. Als dochter van een oorlogsvrijwilliger
Alleen een plastic tasje
Alleen een plastic tasje Gaat u zitten, fijn dat u er bent. Wilt u thee? Met suiker? Zal ik beginnen bij het begin? Ik woon hier sinds 1970. Toen ik hier aankwam, had ik alleen een klein plastic tasje
Een Berbers dorp. Mijn zussen en ik mochten van mijn vader naar school. Meestal mochten alleen jongens naar school.
Een Berbers dorp Ik ben geboren en opgegroeid in het noorden van Marokko. In een buitenwijk van de stad Nador. Iedereen kent elkaar en altijd kun je bij de mensen binnenlopen. Als er feest is, viert het
O, antwoordde ik. Verder zei ik niets. Ik ging vlug de keuken weer uit en zonder eten naar school.
Voorwoord Susan schrijft elke dag in haar dagboek. Dat dagboek is geen echt boek. En ook geen schrift. Susans dagboek zit in haar tablet, een tablet van school. In een map die Moeilijke Vragen heet. Susan
werkt voor en met bewoners in wijken en buurten
werkt voor en met bewoners in wijken en buurten Oma Geertje vertelt. 2 Welbions: we werken er allemaal. Wij zijn dé woningcorporatie van Hengelo en verhuren meer dan 13.000 woningen aan in totaal 25.000
Voorwoord. Daarna ging ik praten met Chitra, een Tamilvrouw uit Sri Lanka. Zij zette zich in voor de Tamilstrijd.
Voorwoord In dit boek staan interviews van nieuwkomers over hun leven in Nederland. Ik geef al twintig jaar les aan nieuwkomers. Al deze mensen hebben prachtige verhalen te vertellen. Dus wie moest ik
Toespraak van Anouchka van Miltenburg, Voorzitter van de Tweede Kamer, bij de bijeenkomst van de Stichting Herdenking 15 augustus 1945, op 14 augustus 2015 in de Tweede Kamer We dachten dat we na de capitulatie
Op weg met Jezus. eerste communieproject. Hoofdstuk 5 Bidden. H. Theobaldusparochie, Overloon
Op weg met Jezus eerste communieproject H. Theobaldusparochie, Overloon Hoofdstuk 5 Bidden Eerste communieproject "Op weg met Jezus" hoofdstuk 5 blz. 1 Joris is vader aan het helpen in de tuin. Ze zijn
INTERVIEW MET TANTE MIEN SALAMPESSY Op 13 december 2018 hebben we een bezoek gebracht aan tante Mien
INTERVIEW MET TANTE MIEN SALAMPESSY Op 13 december 2018 hebben we een bezoek gebracht aan tante Mien Salampessy in De Bolder, woon-zorgcentrum voor ouderen, aan de Akkerweg in Huizen. We hebben via haar
Klein Kontakt. Jarigen. in april zijn:
A Klein Kontakt Het is alweer eind maart wanneer dit Kontakt uitkomt, het voorjaar lijkt begonnen, veel kinderen hebben kweekbakjes met groentes in de vensterbank staan, die straks de tuin in gaan. Over
Beertje Anders. Lief zijn voor elkaar. Afspraak 2
Beertje Anders Lief zijn voor elkaar. Afspraak 2 H. Vos Beertje Anders Wat zonlicht is voor bloemen, is een glimlach voor een beer. Beertje Anders en Beertje Bruin gaan bij oma spelen. Het was maar even
Toespraak G. Verbeet Zwolle, 15 augustus 2016
Toespraak G. Verbeet Zwolle, 15 augustus 2016 Dames en heren, jongens en meisjes, Dank voor de uitnodiging om vandaag te mogen spreken bij deze bijzondere herdenking bij het monument Indië-Nieuw-Guinea
De steen die verhalen vertelt.
De steen die verhalen vertelt. Heel lang geleden kenden de mensen geen verhalen, er waren geen verhalenvertellers. Het leven zonder verhalen was heel moeilijk, vooral gedurende de lange winteravonden,
Verteld door Schulp en Tuffer
Verteld door Schulp en Tuffer Het allereerste kerstfeest Het allereerste kerstfeest Verteld door Schulp en Tuffer Vertaald en bewerkt door Maria en Koos Stenger Getekend door Etienne Morel en Doug Calder
Jezus vertelt, dat God onze Vader is
Eerste Communieproject 26 Jezus vertelt, dat God onze Vader is Jezus als leraar In les 4 hebben we gezien dat Jezus wordt geboren. De engelen zeggen: Hij is de Redder van de wereld. Maar nu is Jezus groot.
0-3 maanden zwanger. Zwanger. Deel 1
Zwanger Ik was voor het eerst zwanger. Ik voelde het meteen. Het kon gewoon niet anders. Het waren nog maar een paar cellen in mijn buik. Toch voelde ik het. Deel 1 0-3 maanden zwanger Veel te vroeg kocht
Kinderkerstfeest van de Kindernevendienst 26 december Kerstverhaal
Kinderkerstfeest van de Kindernevendienst 26 december 2016 Kerstverhaal Heel lang geleden was er een jonge vrouw, Maria. Zij woonde in het dorpje Nazareth. Maria was een heel gewone vrouw, net zo gewoon
OPA EN OMA DE OMA VAN OMA
Hotel Hallo - Thema 4 Hallo opdrachten OPA EN OMA 1. Knip de strip. Strip Knip de strip los langs de stippellijntjes. Leg de stukken omgekeerd en door elkaar heen op tafel. Draai de stukken weer om en
Bijbellezing: Johannes 2 vers 1-12. Bruiloftsfeest
Bijbellezing: Johannes 2 vers 1-12 Bruiloftsfeest Sara en Johannes hebben een kaart gekregen In een hele mooie enveloppe Met de post kregen ze die kaart Weet je wat op die kaart stond? Nou? Wij gaan trouwen!
Johannes 20, 1-18 20 april Pasen 2014 Wehl. (ds. A. Oude Kotte-de Boon) Thema: 'Het verhaal van Maria van Magdala ' Gemeente,
Johannes 20, 1-18 20 april Pasen 2014 Wehl (ds. A. Oude Kotte-de Boon) Thema: 'Het verhaal van Maria van Magdala ' Gemeente, We zijn er doorheen gegaan, Veertig dagen en nachten, Tijd van voorbereiding...
Mijn laatste nieuwsbrief
Mijn laatste nieuwsbrief Lieve familie, vrienden en sponsors! Mijn laatste nieuwsbrief schrijf ik vanuit het prachtige en kleurrijke Sri Lanka! Hier vierde ik Kerst en Oud en Nieuw met de bemanning van
9 Vader. Vaders kijken anders. Wat doe ik hier vandaag? P Ik leer mijn Vader beter kennen. P Ik weet dat Hij mij geadopteerd
53 9 Vader Wat doe ik hier vandaag? P Ik leer mijn Vader beter kennen. P Ik weet dat Hij mij geadopteerd heeft. P Ik begin steeds beter te begrijpen dat het heel bijzonder is dat ik een kind van God, mijn
LES 6. Nu zie je Hem wel, nu zie je Hem niet.
LES Nu zie je Hem wel, Sabbat Doe Lees Lukas 4. 40 nu zie je Hem niet. Heb je weleens een moment gehad dat je het gevoel had dat God heel dicht bij je was? Misschien door een liedje, een bijbelvers, een
Veertien leesteksten. Leesvaardigheid A1. Te gebruiken bij : Basisexamen Inburgering Studieboek. Ad Appel
Veertien leesteksten Leesvaardigheid A1 Te gebruiken bij : Basisexamen Inburgering Studieboek Ad Appel Uitgave: Appel, Aerdenhout 2011-2016 Verkoopprijs: 1,95 Ad Appel Te bestellen via www.adappelshop.nl
Uitzicht op de heuvels 10 km van Kabaya Uitzicht op de heuvels ten noorden van Kabaya. Ongeveer 7 km van het dorp.
Verblijf van Tautvydas Rindzevicius in Kabaya/RWANDA in het kader van het bezoek aan wezen en kwetsbare kinderen gesponsord door de Jyambere stichting. Inleiding Tijdens de periode van juli-augustus 2015,
Verloren grond. Murat Isik. in makkelijke taal
Verloren grond Murat Isik in makkelijke taal Moeilijke woorden zijn onderstreept en worden uitgelegd in de woordenlijst op pagina 84. Dit boek heeft het keurmerk Makkelijk Lezen Mijn geboorte Mijn verhaal
14 God ging steeds voor hen uit, overdag in een wolk, s nachts in licht en vuur.
Psalmen Psalm 78 1 Een lied van Asaf. De lessen van het verleden Luister allemaal naar mijn woorden. Luister goed, want ik wil jullie iets leren. 2 Wijze woorden wil ik spreken, wijze woorden over het
Eerste druk, september 2009 2009 Tiny Rutten
Doortje Eerste druk, september 2009 2009 Tiny Rutten isbn: 978-90-484-0769-9 nur: 344 Uitgever: Free Musketeers, Zoetermeer www.freemusketeers.nl Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgenomen
Ik besloot te verder te gaan en de zeven stappen naar het geluk eerst helemaal af te maken. We hadden al:
Niet meer overgeven Vaak is de eerste zin die de klant uitspreekt een aanwijzing voor de hulpvraag. Paula zat nog maar net toen ze zei: ik ben bang om over te geven. Voor deze angst is een mooie naam:
Weer naar school. De directeur stapt het toneel op. Goedemorgen allemaal, zegt hij. * In België heet een mentor klastitularis.
Weer naar school Kim en Pieter lopen het schoolplein op. Het is de eerste schooldag na de zomervakantie. Ik ben benieuwd wie onze mentor * is, zegt Pieter. Kim knikt. Ik hoop een man, zegt ze. Pieter kijkt
NOORWEGEN. Vertrek: s ochtends moesten we gewoon naar school tot 12 uur. we werden 09-05-2012 13-05-2012
NOORWEGEN 09-05-2012 13-05-2012 Vertrek: s ochtends moesten we gewoon naar school tot 12 uur. we werden door onze ouders naar Schiphol gebracht. Ik zat bij Ilonka in de auto. Op Schiphol gaf meester Hendrie
Gijsje zonder staart geschreven door Henk de Vos (in iets gewijzigde vorm) Er was eens een klein lief konijntje, dat Gijs heette. Althans, zo noemden
Gijsje zonder staart geschreven door Henk de Vos (in iets gewijzigde vorm) Er was eens een klein lief konijntje, dat Gijs heette. Althans, zo noemden zijn ouders hem, maar alle andere konijntjes noemden
Papa en mama hebben ruzie. Ton en Toya vinden dat niet leuk. Papa wil graag dat Ton en Toya bij hem op bezoek komen, maar van mama mag dat niet.
Bezoek op kantoor Papa en mama hebben ruzie. Ton en Toya vinden dat niet leuk. Papa wil graag dat Ton en Toya bij hem op bezoek komen, maar van mama mag dat niet. Ton en Toya hebben wat problemen thuis.
zondagmorgen 14 november 2010 Welkomkerk ds. W.H. Hendriks-Vogelaar
Gemeente van de Heer Jezus Christus, Jongeren, ouderen, kinderen van God, Zoals ik voor de lezing al gezegd heb; het gaat vanmorgen niet over trouwen of getrouwd zijn, dat is alleen een voorbeeld verhaal.
We hebben verleden week nog gewinkeld. Toen wisten we het nog niet. De kinderbijslag was binnen en ik mocht voor honderd euro kleren uitkiezen.
Woensdag Ik denk dat ik gek word! Dat moet wel, want ik heb net gehoord dat mijn moeder kanker heeft. Niet zomaar een kankertje dat met een chemo of bestraling overgaat. Nee. Het zit door haar hele lijf.
Voor Cootje. de vuurtoren
Voor Cootje de vuurtoren De Koos Meinderts vuurtoren Lemniscaat & Annette Fienieg Nederlandse rechten Lemniscaat b.v. Rotterdam 2007 isbn 978 90 5637 909 4 Tekst: Koos Meinderts, 2007 Illustraties: Annette
God houdt zijn belofte Genesis 21:1-6. De berg op Genesis 22:1-8. God heeft me heel gelukkig gemaakt! Ze noemden hun zoon Izak. Dat betekent: lachen.
35 God houdt zijn belofte Genesis 21:1-6 Abraham wist dat God zich met Sodom en Gomorra aan Zijn woord gehouden had. Hij vertrouwde erop dat God Zijn belofte aan hem en Sara ook zou houden. Ze zouden een
Toespraak Gerdi Verbeet bij de Indiëherdenking 15 augustus 2014 in Den Haag
Toespraak Gerdi Verbeet bij de Indiëherdenking 15 augustus 2014 in Den Haag Elk jaar op de ochtend van 14 augustus is er een korte plechtigheid in de ontvangsthal van de oude Tweede Kamer. Een kleine groep
Iris marrink Klas 3A.
Iris marrink Klas 3A. 1 Inhoud. 1- Voorpagina 2- Inhoud, inleiding & mijn mening 3- Dag 1 4- Dag 2 5- Dag 3 6- Dag 4 7- Dag 5 Inleiding. Ik kreeg als opdracht om een dagverslag te maken over Polen. 15
Die overkant was een streek waar veel niet-joodse mensen woonden. Vreemd gebied.
e Opstandingskerk - 15 maart 2015 4 zondag van de veertig dagen - Laetare Lezing: Johannes 6, 1-15 Gemeente van Christus, Het is kort voor het paasfeest. Jezus gaat naar de overkant van het Meer van Galilea.
Mijn mond zat vol aarde
Mijn mond zat vol aarde Serie: Verhalen kind in oorlog Tekst: Meike Jongejan Onderzoek: Mariska de Boer en Hans Groeneweg Redactie: Jan van Zijverden Vormgeving: Richard Bos 2015, Fries Verzetsmuseum,
De jongen weet dat hij niet in slaap moet vallen. Want dan zullen dieven zijn spullen stelen. Ook al is het nog zo weinig wat hij heeft.
In Kanton, China Op de hoek van twee nauwe straatjes zit een jongen. Het is een scheepsjongen, dat zie je aan zijn kleren. Hij heeft een halflange broek aan, een wijde bloes en blote voeten. Hij leunt
2.2. Het Nieuwe Testament, of het verhaal van Jezus en de eerste kerk 1
2.2. Het Nieuwe Testament, of het verhaal van Jezus en de eerste kerk 1! " #$% & #& '$' '& + ()" *% $, $ -% 1 H. Jagersma en M. Vervenne, Inleiding in het Oude Testament, Kampen, 1992. J. Bowker, Het verhaal
Koos en Cilie Noordermeer
Je hebt welvaart en welzijn. We hebben enorme sprongen gemaakt op het gebied van welvaart. Maar ik twijfel wel eens aan het welzijn. Er zijn zoveel gestreste mensen. En problemen en dergelijke. Dus het
Op hun knieën blijven ze wachten op het antwoord van Maria. Maar het beeld zegt niets terug.
1950 Het huilende beeld De zon schijnt met hete stralen op het kleine dorpje. Niets beweegt in de hitte van de middag. De geiten en koeien slapen in de schaduw. De blaadjes hangen stil aan de bomen. Geen
Inhoud. Woord vooraf 9. 1. Ik haat de dood 11 Overdenking bij 1 Korintiërs 15: 1-7 42
Inhoud Woord vooraf 9 1. Ik haat de dood 11 Overdenking bij 1 Korintiërs 15: 1-7 42 2. Papa, ik ben bang dat jij ook dood gaat 44 Overdenking over 1 Korintiërs 15: 35-49 78 3. Ik ben mijzelf niet meer
HET VERHAAL VAN KATRIN
HET VERHAAL VAN KATRIN Katrin begon heroïne te gebruiken toen ze ongeveer 12 was. In het begin deed ze dat nog af en toe. We hadden er niet genoeg geld voor. Door een ingrijpende gebeurtenis ging ze steeds
De kleine draak vindt het drakenland Iris Kater. Vandaag wil ik jullie iets vertellen over een kleine draak.
De kleine draak vindt het drakenland Iris Kater Vandaag wil ik jullie iets vertellen over een kleine draak. Deze kleine draak werd in de mensenwereld geboren en heeft lang bij zijn vriend Maurice en zijn
Al heel snel hadden ze ruzie met elkaar. Het spelen was niet leuk meer.
Beertje Anders en Beertje Bruin gingen bij oma spelen. Al heel snel hadden ze ruzie met elkaar. Het spelen was niet leuk meer. Oma hoorde: Ik wil de bal, Ik wil de blokken, Ik ga kleuren, Ik wil de kleurpotloden
Het was één groot feest!
Het was één groot feest! Serie: Verhalen kind in oorlog Tekst: Meike Jongejan Onderzoek: Mariska de Boer en Hans Groeneweg Redactie: Jan van Zijverden Vormgeving: Richard Bos 2015, Fries Verzetsmuseum,
Geelzucht. Toen pakte een vrouw mijn arm. Ze nam me mee naar de binnenplaats van het huis. Naast de deur van de binnenplaats was een kraan.
Geelzucht Toen ik 15 was, kreeg ik geelzucht. De ziekte begon in de herfst en duurde tot het voorjaar. Ik voelde me eerst steeds ellendiger worden. Maar in januari ging het beter. Mijn moeder zette een
Er was eens een heel groot bos. Met bomen en bloemen. En heel veel verschillende dieren. Aan de rand van dat bos woonde, in een grot, een draakje. Dat draakje had de mooiste grot van iedereen. Lekker vochtig
Spreekbeurt Dag. Oglaya Doua
Spreekbeurt Dag Oglaya Doua Ik werd wakker voordat m n wekker afging. Het was de dag van mijn spreekbeurt. Met m n ogen wijd open lag ik in bed, mezelf afvragend waarom ik in hemelsnaam bananen als onderwerp
Vraag aan de zee. Vraag aan de tijd. wk 3. wk 2
Bladzijde negen, Bladzijde tien, Krijg ik het wel ooit te zien? Ander hoofdstuk, Nieuw begin.. Maar niets, Weer dicht, Het heeft geen zin. Dan probeer ik achterin dat dikke boek. Dat ik daar niet vaker
Janusz Korczak. door Renée van Eeken
Janusz Korczak door Renée van Eeken Hoofdstukken 1. Inleiding 2. Wie was Janusz Korczak? 3. Zijn levensverhaal 4. Janusz Korzcak in deze tijd 5. Waarom ik hem gekozen heb 6. Nawoord 7. Bronvermelding 1
Herdenking vanuit het oogpunt van Japanse Nakomelingen. Aya Ezawa, Universiteit Leiden
Indië Lezing, 8 maart 2016, Amsterdam Herdenking vanuit het oogpunt van Japanse Nakomelingen Aya Ezawa, Universiteit Leiden Mijn doel in deze lezing is een beeld schetsen van de ervaringen van Japans-Indische
Koningspaard Polle en de magische kamers van paleis Kasagrande
Koningspaard Polle en de magische kamers van paleis Kasagrande Eerste druk 2015 R.R. Koning Foto/Afbeelding cover: Antoinette Martens Illustaties door: Antoinette Martens ISBN: 978-94-022-2192-3 Productie
De ontelbaren is geschreven door Jos Verlooy en Nicole van Bael. Samen noemen ze zich Elvis Peeters.
Over dit boek De ontelbaren is geschreven door Jos Verlooy en Nicole van Bael. Samen noemen ze zich Elvis Peeters. Dit boek bestaat uit twee delen. Het eerste deel gaat over een man die vlucht naar Europa.
Eerste nummer. Op kamers Eerst durfde ik de woonkamer niet naar binnen. Eetfobie. Het was moeilijk om te zien dat mijn nichtje van 5 meer at dan ik.
juni 2014 Op kamers Eerst durfde ik de woonkamer niet naar binnen. Eetfobie Eerste nummer Het was moeilijk om te zien dat mijn nichtje van 5 meer at dan ik. INHOUD juni 2014 Eten als een kind Op kamers
Zondag 6 maart 2016, 10.00 uur Jeugddienst. Voorganger: ds. Bert de Wit
Preek Zondag 6 maart 2016, 10.00 uur Jeugddienst Thema: @Home Voorganger: ds. Bert de Wit Schriftlezing: Lucas 15:11-32 Een vader had twee zonen zo begint het verhaal. Met de beschrijving van een gezin.
LES 4. Handelingen 12:1-19; Van Jeruzalem tot Rome: Verlost uit de gevangenis blz.109-116
LES 4 Handelingen 12:1-19; Van Jeruzalem tot Rome: Verlost uit de gevangenis blz.109-116 De boodschap God hoort en verhoort onze gebeden voor elkaar. Leertekst: Terwijl Petrus onder zware bewaking zat
De exodus. Foto s van het materiaal
De exodus Focus van dit verhaal De focus van dit verhaal ligt bij de uittocht van het volk van God (Exodus 11:1 15:21). Het verhaal is één van de heilige verhalen en behoort tot de kernpresentatie. Lesdoelen
Jezus zoekt ruzie. en tussen een schoondochter en haar schoonmoeder
Jezus zoekt ruzie Inleiding Denk niet dat ik gekomen ben om op aarde vrede te brengen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. Want ik kom een wig drijven tussen een man en zijn vader,
Praktische opdracht Geschiedenis Rolverdeling in het gezin
Praktische opdracht Geschiedenis Rolverdeling in het gezin Praktische-opdracht door een scholier 2111 woorden 7 februari 2003 7,7 39 keer beoordeeld Vak Geschiedenis Inleiding: Dit hoofdstuk gaat over
tje was saai. Haar ouders hadden een caravan, waarmee ze ieder jaar in de zomer naar Frankrijk gingen. Ook voor deze zomer was de camping al
Hoofdstuk 1 Echt? Saartjes mond viel open van verbazing. Maar dat is supergoed nieuws! Ze sloeg haar armen om haar vriendin heen. Waaah, helemaal te gek. We gaan naar Frankrijk. Zon, zee, strand, leuke
BIJLAGEN LESPAKKET 1.2
BIJLAGEN LESPAKKET 1.2 BIJLAGE 1 A4 BLADEN THEMA S BIJLAGE 2 DOMINO EMOTIES BIJLAGE 3 MATCHING OEFENING GEVOELENS BIJLAGE 4 VRAGENLIJST FILM BIJLAGE 5 VRAGENSTROOKJES HOEKENWERK BIJLAGE 6 ANTWOORDENBLAD
Eenzaam. De les. Inhoud. Doel. Materiaal. Belangrijk. les
8 Inhoud 1 Eenzaam De Soms ben je alleen en vind je dat fijn. Als alleen zijn niet prettig aanvoelt, als je niet in je eentje wilt zijn, dan voel je je eenzaam. In deze leren de leerlingen het verschil
Heilig Jaar van Barmhartigheid
Heilig Jaar van Barmhartigheid van 8 december 2015 tot 20 november 2016 Paus Franciscus heeft alle mensen van de hele wereld uitgenodigd voor een heilig Jaar van Barmhartigheid. Dit hele jaar is er extra
Boek en workshop over het verlies van een broer of zus. Een broertje dood. Door Corine van Zuthem
Het overlijden van een broer of zus is een ingrijpende gebeurtenis. Toch wordt het onderwerp in de rouwliteratuur doodgezwegen. Tot verbazing van Minke Weggemans. De pastoraal therapeute schreef er daarom
Niet in slaap vallen hoor!
Niet in slaap vallen hoor! Marcus 13: 33-37: Dierenversie Geïllustreerd door: 30 november 2014 Maria Koninginkerk Baarn 2 De oude leeuw heeft vakantieplannen. Dat vertelde hij vanmorgen aan alle dieren:
ISABEL EN BAS VAN RHIENEN (6)
Als tweeling ben je nooit alleen. Maar je bent ook altijd de helft van iets. Vijf broers en zussen vertellen hoe ze samen zichzelf zijn. Tekst Nanneke van Drunen Foto s Edith Verhoeven ISABEL EN BAS VAN
Wat was voor jou de belangrijkste reden om aan dit project mee te werken?
Carpe Diem! Afgelopen december vertrokken vijf Nederlandse dames naar het prachtige Zuid-Afrika om hier mee te werken aan een summerschool in een township in Hermanus. Dit is een project van People4Change,
Veel mooie herinneringen verzachten onze smart. Voorgoed uit ons midden, voor altijd in ons hart. Iedere moeder is uniek: Zij was dat heel speciaal
Veel mooie herinneringen verzachten onze smart. Voorgoed uit ons midden, voor altijd in ons hart. Iedere moeder is uniek: Zij was dat heel speciaal De mensen van voorbij Zij worden niet vergeten De mensen
Ik ben maar een eenvoudige ezel, maar ik wil je graag een mooi verhaal vertellen
De ezel van Bethlehem Naar een verhaal van Jacques Elan Bewerkt door Koos Stenger Ik ben maar een eenvoudige ezel, maar ik wil je graag een mooi verhaal vertellen over iets wat er met me gebeurd is. Het
En rijke mensen werken niet. Die kunnen de hele dag doen wat ze leuk vinden.
Warm in Verona Romeo loopt een beetje rond. Dat doet hij bijna elke dag. Hij vindt het leuk om door het stadje te lopen. Door de kleine straatjes. Langs de rivier waar de meisjes de was doen. En over de
AMIGA4LIFE. Hooggevoelig, wat is dat? WWW.AMIGA4LIFE.NL T. 06-424 99985 @AMIGA4LIFECOACH VLAARDINGEN
AMIGA4LIFE Hooggevoelig, wat is dat? 7-10 jaar WWW.AMIGA4LIFE.NL T. 06-424 99985 @AMIGA4LIFECOACH VLAARDINGEN 1 voorlichtingsbrochure hooggevoeligheid - www.amiga4life.nl Ik heb een talent! Ik kan goed
Hij had dezelfde soort helm op als in het beeld vooraf...2 Mijn vader was verbaasd dat ik alles wist...3 Ik zat recht overeind in mijn bed te
Hij had dezelfde soort helm op als in het beeld vooraf...2 Mijn vader was verbaasd dat ik alles wist...3 Ik zat recht overeind in mijn bed te kijken...4 De mensenmenigte opende zich in het midden...5 Toen
2
2 Het kerstverhaal Kijk ook op: www.ploegsma.nl www.viviandenhollander.nl www.miesvanhout.nl ISBN 978 90 216 7085 0 / NUR 227 Tekst: Vivian den Hollander 2012 Illustraties: Mies van Hout 2012 Vormgeving:
Voorwoord. Rome en de Romeinen
Voorwoord Rome en de Romeinen Dit verhaal speelt in Rome, ongeveer 2000 jaar geleden. Rome was toen een rijke stad, met prachtige gebouwen. Zoals paleizen voor de keizers, voor de Senaat en voor de grote
Een greep uit een presentatieviering met als thema: Licht zijn voor anderen
Een greep uit een presentatieviering met als thema: Licht zijn voor anderen Openingstekst: (Door een ouder en kind) A. Zeg zou jij het licht aandoen? Je moet opschieten, want het is bijna tijd. Dadelijk
Ruth 1. Ruth en Noömi
Ruth 1 Ruth en Noömi Elimelech en zijn familie 1 Toen de rechters het land bestuurden, was er eens hongersnood in Juda. Daarom besloot een man uit Betlehem naar het land Moab te gaan. Zijn vrouw en zijn
Bijbellezing: Johannes 14 vers 1 tot 12. Tom, Tom is altijd goed Kom, kom nou zeg, is dat zo?
Bijbellezing: Johannes 14 vers 1 tot 12 Tom, Tom is altijd goed Kom, kom nou zeg, is dat zo? Heb een Tom, Tom gekocht Bij de ANWB winkel in Drachten Nou ja ik heb hem eigenlijk gekregen Voor mijn verjaardag
Eerwraak. Naam: Paul Rustenhoven Klas: 4GTL1 Inlever datum : Titel: Eerwraak Schrijver: Karin Hitlerman. Blz 1.
Eerwraak Naam: Paul Rustenhoven Klas: 4GTL1 Inlever datum : Titel: Eerwraak Schrijver: Karin Hitlerman Blz 1. Vra!n. 1) Wat voor soort verhaal is je boek? Mijn boek is een eigentijdsverhaal/roman 2) Waar
Kies je route Trainingsmap voor de deelnemer Deze map is van:
Kies je route Trainingsmap voor de deelnemer Deze map is van:... Auteurs: Titia Boers en Anja Valk Projectleiding en eindredactie: Carola van der Voort [email protected] 020 5986575 Vrije Universiteit
Ria Massy. De taart van Tamid
DE TAART VAN TAMID Ria Massy De taart van Tamid De taart van Tamid 1 Hallo broer! Hallo Aziz! roept Tamid. Zijn hart klopt blij. Aziz belt niet zo dikwijls. Hij woont nog in Syrië. Bellen is moeilijk in
De gebroeders Leeuwenhart
Astrid Lindgren De gebroeders Leeuwenhart vertaald door Rita Törnqvist-Verschuur met tekeningen van Ilon Wikland Uitgeverij Ploegsma Amsterdam Hoofdstuk 1 Wat ik nu ga vertellen gaat over mijn broer. Over
R O S A D E D I E F. Arco Struik. Rosa de dief Arco Struik 1 www.gratiskinderboek.nl
R O S A D E D I E F Arco Struik Rosa de dief Arco Struik 1 www.gratiskinderboek.nl In de winkel 3 Bart 5 Een lieve dief 7 De telefoon 9 Bij de dokter 11 De blinde vrouw 13 Een baantje 15 Bijna betrapt
rijm By fightgirl91 Submitted: October 17, 2005 Updated: October 17, 2005
rijm By fightgirl91 Submitted: October 17, 2005 Updated: October 17, 2005 Provided by Fanart Central. http://www.fanart-central.net/stories/user/fightgirl91/21803/rijm Chapter 1 - rijm 2 1 - rijm Gepaard
Ben jij een kind van gescheiden ouders? Dit werkboekje is speciaal voor jou!
Hallo Ben jij een kind van gescheiden ouders? Dit werkboekje is speciaal voor jou Als je ouders uit elkaar zijn kan dat lastig en verdrietig zijn. Misschien ben je er boos over of denk je dat het jouw
ik? Houd je spreekbeurt over GGNet
ik? Houd je spreekbeurt over GGNet 1 Houd je spreekbeurt over GGNet Krijg je zelf hulp van GGNet Jeugd? Of je vader/moeder/broer(tje)/zus(je) of iemand anders die je kent? Werkt één van je ouders bij GGNet?
De meeuwen van de Afsluitdijk
De meeuwen van de Afsluitdijk Eerste druk, oktober 2011 2011 Ellen D. IJzendoorn Kleuringbewerking cover: Kasper Smoolenaars ISBN: 978-90-484-9016-5 NUR: 277 Uitgever: Literoza, Zoetermeer www.literoza.nl
De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan.
De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Eerst lezen. Daarna volgen er vragen en opdrachten. Gelijkenissen Toen de Heere Jezus op aarde was, heeft Hij gelijkenissen verteld om de mensen veel dingen
De gelijkenis van de verloren zoon.
De gelijkenis van de verloren zoon. Eerst lezen. Daarna volgen er vragen en opdrachten. Gelijkenissen Toen de Heere Jezus op aarde was, heeft Hij gelijkenissen verteld om de mensen veel dingen te leren.
DE WEEK VOOR WE HET AV0NDMAAL VIEREN
DE WEEK VOOR WE HET AV0NDMAAL VIEREN AVONDMAAL VIEREN Het Avondmaal is meer dan zomaar een maaltijd. Om dat te begrijpen, is dit boekje gemaakt. Vooral is daarbij gedacht aan de kinderen, omdat zij met
2. Onze lieve zoon, broer, zwager, oom en vriend is niet meer bij ons
1. Verdrietig, maar vol dankbaarheid voor alle goede zorgen en liefde die wij van hem mochten ontvangen, geven wij kennis van het overlijden van mijn maatje en onze lieve vader.. 2. Onze lieve zoon, broer,
