NOBODY POLICING THE POLICE
|
|
|
- Lucas Bakker
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 NOBODY POLICING THE POLICE Mr. S.L.J. Janssen Inleiding: de Schutznorm Onrechtmatig optreden door politie en justitie is van oudsher een heet hangijzer en mag zich, met de uitbreiding van bevoegdheden en de nadruk op crimefighting, de laatste jaren in hernieuwde belangstelling verheugen. Gaat het in de rechtszaal uiteindelijk om de vraag welke consequenties aan zulke onrechtmatigheden in een specifieke zaak moeten worden verbonden, daarnaast speelt het grotere vraagstuk hoe te bewerkstelligen dat het opsporingsapparaat zich bij het oplossen van strafbare feiten aan de regels houdt. Traditioneel is het de rechter die de rol van policing the police op zich neemt; de dreiging van uitsluiting van bewijsmateriaal of zelfs niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt geacht politie en justitie binnen het gareel te houden. Al enige jaren is er echter, met name bij de het leerstuk de Schutznorm, een trend zichtbaar waarbij de rechter zich uit die rol lijkt terug te trekken. Recent zijn er door de Hoge Raad twee arresten gewezen die in die trend lijken te passen. In het eerste hier te bespreken arrest 1 waren politieagenten zonder de benodigde machtiging en tegen de uitdrukkelijke wens van de bewoner een woning binnengetreden, hetgeen een gebruikelijke praktijk bleek te zijn. In het tweede arrest 2 fouilleerde een daar niet toe bevoegde beveiligingsbeambte een winkeldief. De Hoge Raad lost het op verschillende wijzen en anders dan het Gerechtshof en de Advocaat-Generaal (AG) op, maar in beide zaken bleef het onrechtmatig optreden geheel zonder gevolgen. Reden genoeg voor enkele kanttekeningen, na eerst een korte introductie van de Schutznorm. De Schutznorm stelt dat wil een verdachte met succes een beroep op onrechtmatig opsporingshandelen kunnen doen, bij dat handelen normen moeten zijn geschonden die strekken tot bescherming van zijn belang, terwijl dat belang door het onrechtmatig handelen ook daadwerkelijk is geschonden. 3 De HR stelde in het standaardarrest over de werking van artikel 359a Sv van 30 maart 2004 dat:... indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim. 4 Daarbij worden twee varianten onderscheiden: de vraag of er sprake is van een norm die de rechten van de verdachte beoogt te beschermen wordt wel als de toetsing in abstracto aangemerkt, de vraag of het de verdachte zelf is die door de schending daadwerkelijk nadeel heeft geleden als de toetsing in concreto. Meestal zal het om de laatste gaan: is de onderliggende norm niet geschonden (bijvoorbeeld door het niet geven van de cautie aan een verdachte die wist dat hij het recht had te zwijgen) of is de overtreding tegen een ander gepleegd (huiszoeking in de woning van een derde waarbij illegale goederen van verdachte zijn aangetroffen) dan is het beroep op onrechtmatig handelen door politie of justitie gedoemd te sneuvelen. 5 De Schutznorm staat dan aan strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de weg. Er zijn echter omstandigheden waarin dit niet het geval hoeft te zijn, te weten wanneer er sprake is van een flagrante strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde 6 of, in de woorden van AG Wortel in zijn conclusie bij de hieronder als eerste te bespreken zaak, bij een grove en onherstelbare schending van één van de fundamentele normen van Advocaat bij Cleerdin & Hamer Advocaten te Amsterdam 1 HR 29 november 2005, LJN AU HR 8 november 2005, LJN AU AG Jörg bij HR 6 juli 2004, LJN AO HR 30 maart 2004, NJ 2004, Zie voor een voorbeeld van de toetsing in abstracto HR 28 mei 2002, NJ 2002, Memorie van Toelichting bij Wet Vormverzuimen, Kamerstukken II , 23075, nr. 3. 1
2 ons strafproces. Daarbij kan bijvoorbeeld aansluiting worden gezocht bij het algemene belang dat uit de ratio van het geschonden voorschrift voortkomt, zoals de Hoge Raad deed in het arrest van 12 januari 1999 betreffende het afluisteren van een geheimhouder. 7 Prakken sprak in een artikel in het Nederlands Juristenblad over een relativering van de Schutznorm bij schending van een norm die strekt ter verdediging van iedereen. 8 HR 29 november 2005: Onrechtmatig binnentreden Ten grondslag aan het (eerste en hier relevante) cassatiemiddel lag de aanhouding van de verdachte ter executie van een nog uitstaande onherroepelijke vrijheidsstraf. Twee opsporingsambtenaren meldden zich daarvoor bij de woning van de ex-vrouw van verdachte. Deze weigerde echter hen binnen te laten, waarna zij haar een machtiging tot binnentreden lieten zien die op dat moment blanco was (niet gedagtekend, zonder vermelding van de namen van de verbalisanten, het te betreden adres, het doel van het binnentreden etcetera). De vrouw weigerde nogmaals de ambtenaren binnen te laten, waarop zij besloten desondanks de woning te betreden. Daar troffen zij de persoon die zij zochten aan in de kinderslaapkamer, die hen vervolgens bedreigde. De strafvervolging terzake die bedreiging heeft uiteindelijk geresulteerd in het onderhavige arrest. Bij het Gerechtshof Amsterdam werd het verweer gevoerd dat er door deze wijze van binnentreden sprake was van een doelbewuste en grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, hetgeen diende te leiden tot een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Hetzelfde verweer was gevoerd in de strafzaak tegen de vrouw en was daar gehonoreerd. Het oordeel van het Hof op het verweer van de man luidde echter dat nu de verdachte niet als bewoner van de woning kon worden aangemerkt hij niet getroffen was in het belang dat de overtreden norm trachtte te beschermen. Het Hof onderkende dat er sprake was van een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde maar oordeelde dat Schutznorm aan het daaraan verbinden van consequenties in de weg stond. 9 AG Wortel richt zich met name op de vraag wat er nu precies gebeurd is, en (impliciet) of dat een dermate ernstig vormverzuim oplevert dat het algemeen belang is geschonden. In zijn conclusie stelt de AG vast dat zich twee stukken in het dossier bevinden, de in het proces-verbaal genoemde blanco machtiging, en een ingevuld modelformulier, op welke laatste de gegevens en de handtekening van de hulpofficier met een zwartschrijvende pen zijn aangebracht, terwijl de namen van de verbalisanten, het te betreden adres en het doel van het betreden in een ander handschrift met een blauwschrijvende pen zijn aangebracht. Het formulier is dus door de verbalisanten zelf, mogelijk achteraf, ingevuld. Aan de vereisten van de Algemene Wet op het Binnentreden (Awbi) is duidelijk niet voldaan en het lijkt er volgens de AG zelfs op dat deze manier van machtigen gangbare praktijk is. Desondanks heeft de AG naar eigen zeggen niet de indruk dat er sprake is geweest van een opzettelijk in strijd met de wet handelen door de verbalisanten. De vraag is of de AG de handelingswijze van de verbalisanten niet wat al te welwillend wenst te bekijken. Wordt deze langs de lat van het voorwaardelijk opzet gelegd dan zou gesteld kunnen worden dat deze verbalisanten op zijn minst de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat zij de toepasselijke wettelijke bepalingen zouden schenden. Bovendien: ook wanneer sprake is van een oprecht misverstand is dat zorgwekkend, aangezien verwacht mag worden dat opsporingsambtenaren 7 HR 12 januari 1999, NJ 1999, 290. Zie ook Rechtbank Rotterdam 10 oktober 2005, LJN AU4036 en anders Hof Den Haag, 10 februari 2006, LJN AV E. Prakken, de strafprocessuele Schutznormleer gerelativeerd?, NJB 1999 nr. 6, p. 245 e.v. 9 De vraag is of dit standpunt juist is in het licht van het EVRM: Uit Straatburgse jurisprudentie blijkt dat het bij invulling van het recht op een privé-leven met name gaat om de ontwikkeling van de persoonlijke vrijheid, en dat het begrip home niet alleen de eigen woning dekt, maar ook hotelkamers, gastenverblijven en tijdelijke verblijfplaatsen. Zie o.a. J. van de Lanotte en Y. Haeck (red.), Handboek EVRM, Deel 2, Artikelsgewijs commentaar (2004), pag. 711 ev. en A.M. van Woensel, Sanctionering van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal, DD 2004, 10. 2
3 de wet kennen en toepassen. De Garantenstellung eist van hen extra waakzaamheid en zorgvuldigheid, zeker wanneer zij dwangmiddelen toepassen op burgers. Redenen om hier een hogere graad van opzet te vereisen dan voorwaardelijk opzet zijn dan ook moeilijk te bedenken. Gezien de feiten kan van een verontschuldigbaar dwalen bij de verbalisanten in ieder geval geen sprake zijn. De opening die de Hoge Raad nog biedt in zijn arrest van 19 juni 2001, 10 waarmee bewijsuitsluiting en niet-ontvankelijkheid in geval van goede trouw bij de opsporingsambtenaren kunnen worden omzeild, is daarmee niet aan de orde. Het enige dat dus nog aan sanctionering van de onrechtmatigheid in de weg kan staan is de Schutznorm, tenzij deze wordt gerelativeerd omdat er sprake is van een schending van het algemeen belang. Dat laatste is volgens de AG, die wel duidelijk aangeeft de gang van zaken af te keuren, hier niet aan de orde. Hij concludeert, dat nu de gang van zaken geen groot risico in zich bergt dat woningen zonder wettelijk voorziene reden of daadwerkelijke noodzaak zullen worden betreden, een en ander geen grove en onherstelbare schending van één van de fundamentele normen in ons strafproces oplevert. De Hoge Raad lijkt zich terughoudend op te willen stellen en omzeilt de problematiek geheel door de zaak noch vanuit de invalshoek van het Hof, noch van de AG te benaderen: In cassatie staat het volgende vast: (i) er is door de politiefunctionarissen onrechtmatig binnengetreden in de woning van een derde; (ii) die functionarissen traden op ter executie van een tegen de verdachte gewezen vonnis; (iii) daarop is de thans tenlastegelegde en bewezenverklaarde bedreiging door de verdachte van een van die functionarissen gevolgd Daaruit kan bezwaarlijk anders volgen dan dat het onrechtmatige binnentreden niet heeft plaatsgevonden in het kader van het voorbereidend onderzoek van de in deze zaak tenlastegelegde en bewezenverklaarde bedreiging. Het Hof heeft het verweer dus terecht verworpen (vgl. HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376). Het beroep dat wordt gedaan op schending van art. 8 EVRM doet daaraan niet af. De overweging van de Hoge Raad werpt de vraag op of onrechtmatig overheidsoptreden buiten beschouwing dient te blijven wanneer dit niet plaatsvindt in het kader van een tegen een verdachte gericht onderzoek, maar daar wel (onmiddellijk) aan vooraf gaat. Dit lijkt haast een derde dimensie aan de Schutznorm, maar staat daar dogmatisch gezien los van. In het al genoemde arrest van 30 maart 2004 heeft de Hoge Raad met aanhaling van de wetsgeschiedenis 12 het bereik van het begrip vormverzuim beperkt tot onrechtmatigheden begaan in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte terzake het aan hem tenlastegelegde feit. Toepassing van deze stelregel op de onderhavige casus moet inderdaad tot de conclusie leiden dat er geen sprake was van een tegen de verdachte lopend strafrechtelijk onderzoek, nu deze slechts aangehouden diende te worden om te gaan zitten. Anderzijds is er natuurlijk wel een verband te leggen tussen de onrechtmatigheid en het strafbare feit. Het onrechtmatig binnentreden geheel zonder consequenties laten doet dan ook naar rechtsgevoel vreemd aan. Bovendien zou, doorredenerend in de lijn van de Hoge Raad, ook de exvrouw wanneer zij zou worden vervolgd geen beroep kunnen doen op artikel 359a Sv. Er is immers ook geen sprake van een tegen haar lopend strafrechtelijk onderzoek. Zoals gezien had het Hof Amsterdam in deze zaak het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard. Hier wreekt zich de enge definiëring die aan het begrip voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Sv is gegeven; het miskent dat politieoptreden, zowel rechtmatig als onrechtmatig, de aanzet kan geven tot een verdenking en tot een voorbereidend onderzoek. De rechtmatigheid van dat 10 Hoge Raad 19 juni 2001, NJ 2001, Helaas wordt daarmee ook geen duidelijk standpunt ingenomen betreffende de problematiek van de machtiging in de Algemene wet binnentreden (Awbi). Ook daarin zou een ondubbelzinnige stellingneming wenselijk zijn geweest. Zie ook Strafblad nr. 1, 17 februari 2005, pagina Memorie van Toelichting bij Wet Vormverzuimen, Kamerstukken II , 23075, nr. 3. 3
4 optreden blijft dan wel degelijk, of zelfs juist, van belang. Enigszins doorslaand in deze door de Hoge Raad weergegeven redenering, zou de politie immers willekeurig en zonder wettelijke bepalingen in acht te nemen allerhande dwangmiddelen kunnen gaan toepassen (binnentreden, aanhouden, fouilleren), om vervolgens te betogen dat contrabande die daarbij toevallig worden aangetroffen of strafbare feiten die in reactie op dat optreden worden gepleegd, zonder beperking vervolgd kunnen worden. Het is evident dat daarmee het gehele stelsel van dwangmiddelen wordt ondergraven. 13 HR 8 november 2005: onrechtmatig fouilleren In het tweede arrest was sprake van een onrechtmatige fouillering door een (particuliere) beveiligingsbeambte. Het Hof Amsterdam oordeelde dat dit onrechtmatig was, maar vond dat nu de aangever had gezien dat de verdachte iets wegnam en onder zijn jas deed en de bekennende verklaring dus niet alleen het gevolg was van de fouillering, niet viel in te zien hoe gebruikmaking van het aldus verkregen bewijs zou moeten leiden tot schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde of tot veronachtzaming van de rechten van de verdediging. 14 De Hoge Raad vertaalt deze overweging van het Hof naar de Schutznorm, en stelt dat het kennelijk oordeel van het Hof dat de onrechtmatigheid geen nadeel voor de verdachte heeft opgeleverd, en compensatie door strafvermindering dus niet op zijn plaats is, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet onbegrijpelijk is. 15 Een vraag die daarbij gesteld kan worden is of het nu zo begrijpelijk is dat iemand geen nadeel lijdt wanneer deze mogelijk en plein public door een daartoe onbevoegde beveiligingsbeambte aan een fouillering wordt onderworpen. Natuurlijk is het zo dat wanneer de betreffende beveiligingsbeambte juist had gehandeld en de komst van de politie had afgewacht deze laatste waarschijnlijk alsnog de betreffende fouillering zou hebben uitgevoerd en het gestolen goed dan ook wel boven water zou zijn gekomen, maar het is een drogreden om dat gegeven aan te grijpen om te stellen dat het subject van een onrechtmatige fouillering dús geen nadeel heeft gehad. Men zou kunnen betogen dat onderworpen worden aan onrechtmatige dwangmiddelen per definitie nadelig is. Belangrijker is echter om te benadrukken dat het toepassen van artikel 359a Sv op onrechtmatig handelen niet alleen strekt ter compensatie van een verdachte. Ook AG Wortel vraagt zich in punt 9 van zijn conclusie af of een signaal aan de beveiligers zou moeten worden gegeven, maar beantwoordt die vraag uiteindelijk ontkennend. Het arrest was niet indicatief voor een grootschalige misstand binnen de particuliere beveiligingsbranche die dringend om een reactie vroeg, aldus de AG; van een algemeen belang tot sanctionering was dus geen sprake. Dat een reactie in de vorm van strafvermindering naar alle waarschijnlijkheid toch niet tot de branche zou doordringen, zoals hij tevens overweegt, geeft eerder een tweede probleem aan dan dat het een relativering van het eerste probleem betreft, en mag geen reden zijn om dan maar van een reactie af te zien. Het antwoord lijkt mij in dit geval ook minder van belang dan de vraagstelling, nu daarin immers het tweede, zo niet hiërarchisch gezien het eerste belang van het in reageren op onrechtmatig overheidshandelen ligt: te weten de corrigerende werking die een rechterlijk vonnis kan hebben op overheidsoptreden. Zoals aan het begin van dit artikel al aangegeven wordt daarbij de verdachte niet zozeer beloond, maar wordt het onrechtmatig optreden van justitie en politie gesanctioneerd. 13 Overigens biedt de Wetsgeschiedenis van de Wet vormverzuimen voldoende aanknopingpunten om te betogen dat het juist níet de bedoeling van de wetgever is geweest om de rechter te beperken in zijn mogelijkheden om te reageren op onrechtmatig overheidsoptreden; zie o.a. Kamerstukken II 1993/94, , nr. 6, p Het Hof geeft een variant op het uiterst strikte criterium over wanneer bewijsuitsluiting aan de orde is uit wederom HR 30 maart 2004 (r.o ), welk criterium is bevestigd in o.a. HR 5 april 2005 (LJN AS7572): door de onrechtmatige bewijsgaring is een (belangrijk) strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate geschonden. 15 Opvallend is daarbij wel dat de Hoge Raad er niet voor kiest te oordelen dat nu de onrechtmatigheid niet door de politie maar door een burger is begaan, er van een vormverzuim geen sprake is en het Openbaar Ministerie in zijn algemeenheid hiervoor niet verantwoordelijk kan worden gehouden. Wellicht dat het arrest van het Hof voor die benadering onvoldoende ruimte bood. 4
5 Strafprocessuele bewijsregels zijn niet alleen geschreven ter bescherming van de individuele verdachten maar hebben een wijdere betekenis. 16 Wat maakt dat de crimefighter de waarborgen rond de inzet van dwangmiddelen of betreffende de rechten van de verdachte en de verdediging naleeft, wanneer deze waarborgen de efficiency van de opsporing in de weg staan, en het buigen of zelfs breken van de regels geen consequenties heeft of slechts leidt tot een zeer marginale strafvermindering? De vraag is retorisch. Slechts wanneer onrechtmatig optreden, hoe indrukwekkend de resultaten ook, door bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkheid leidt tot het tegengestelde effect van wat wordt beoogd, is er een effectief correctiemechanisme om tegengewicht te bieden aan de verleiding om in de hitte van de opsporing van (ernstige) strafbare feiten, de risico s die met het negeren van de ingebouwde waarborgen samenhangen, uit het oog te verliezen. Conclusie Who s policing the police? is de gevleugelde vraagstelling die ondanks de wat ludiek aandoende formulering als een fundament van de rechtsstaat moet worden beschouwd. Uit de hier besproken arresten kan (opnieuw) volgen dat de Hoge Raad terughoudend is om de onrechtmatige toepassing van dwangmiddelen ten voordele van een verdachte te laten komen. De jurisprudentie betreffende de werking van artikel 359a Sv, de vormverzuimen en de Schutznorm heeft de sanctionering van onrechtmatig optreden verregaand ingeperkt. Van de mogelijkheid om onrechtmatigheden in een groter geheel te zien en daarop te reageren met het oog op het algemeen belang wordt op een enkele uitzondering na geen gebruik gemaakt. De lijn die daaruit afgeleid zou kunnen worden is dat de rechter de rol van policing niet (altijd) op zich hoeft te nemen. Zeker in tijden van verharding van het strafklimaat en verruiming van de bevoegdheden en mogelijkheden van justitie is dit is een riskante ontwikkeling. Recent schreef Knigge vanuit een andere problematiek (het ondervragingsrecht) dat de integriteit van opsporingsambtenaren deels te danken is aan het feit dat zij functioneren binnen een rechtssysteem dat waarborgen biedt tegen machtsmisbruik. 17 Wanneer opsporingsambtenaren zich structureel en zelfs opzettelijk niet houden aan die waarborgen, is dat voldoende ernstig om noch het precieze moment van de schending, noch de precieze aard van de schending, noch de precieze persoon tegen wie de schending is begaan, aan een reactie in de weg te laten staan. De rechter moet in alle vrijheid de grenzen van de rechtsstaat kunnen controleren én verdedigen. Als de Schutznorm of een bepaalde lezing van artikel 359a Sv die controle blokkeert, is relativering meer dan ooit gewenst. 16 G.J.M. Costens, het Nederlandse strafprocesrecht, 4e druk, p Noot bij HR 10 februari 2004, NJ 2004, 452 5
Zakboekenpolitie.com
Zakboekenpolitie.com Art. 359a Sv Relativering onrechtmatig verkregen bewijs Gebaseerd op paragraaf 3.9 e.v. van het zakboek Strafvordering voor de Hulpofficier 1 Vormverzuim / relativering onrechtmatig
Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe,
Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe, X Z (belanghebbende), \ beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 juli 2013. Bij brief van 11 oktober 2013 heeft de griffier mij
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 augustus 2008 in de strafzaak tegen de verdachte:
Gerechtshof te s-gravenhage meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 augustus 2008 in de strafzaak tegen de verdachte: (naam
Vergoeding kosten van de bank bij conservatoir beslag
RAPPORT Vergoeding kosten van de bank bij conservatoir beslag Een onderzoek naar een afwijzing van het Openbaar Ministerie in Den Haag om kosten na vrijspraak te vergoeden. Oordeel Op basis van het onderzoek
ECLI:NL:HR:2015:643. 1 Geding in cassatie. Uitspraak
ECLI:NL:HR:2015:643 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 20-03-2015 Datum publicatie 20-03-2015 Zaaknummer 13/03959 Formele relaties Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:521, Contrair In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2013:1943,
arrest GERECHTSHOF AMSTERDAM Parketnummer: X Datum uitspraak: 20 oktober 2016 TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)
arrest GERECHTSHOF AMSTERDAM Parketnummer: X Datum uitspraak: 20 oktober 2016 TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis
WEEK 7 VORMVERZUIMEN...
Inhoudsopgave WEEK 7 VORMVERZUIMEN... 2 HOOFDSTUK XVI: BERAADSLAGING EN EINDUITSPRAAK... 2 16.12 De eerste hoofdvraag: bewijs (pag. 816 842)... 2 HR Afvoerpijp... 3 HR De onbevoegde hulpofficier... 5 In
Rapport. Datum: 7 juli 2005 Rapportnummer: 2005/190
Rapport Datum: 7 juli 2005 Rapportnummer: 2005/190 2 Klacht Verzoekers klagen erover dat het regionale politiekorps Utrecht hun verzoek om vergoeding van de schade als gevolg van een politieonderzoek in
http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=bz...
Page 1 of 5 LJN: BZ4987, Rechtbank Alkmaar, 15.740827-12 Datum 20-03-2013 uitspraak: Datum 20-03-2013 publicatie: Rechtsgebied: Straf Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig Inhoudsindicatie:Niet-ontvankelijkheid
ECLI:NL:HR:2014:381. Uitspraak. Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer 13/ Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2556, Gevolgd
ECLI:NL:HR:2014:381 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 18-02-2014 Datum publicatie 19-02-2014 Zaaknummer 13/02084 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2556,
UITLEVEREN OF VERVOLGEN IN NEDERLAND?
UITLEVEREN OF VERVOLGEN IN NEDERLAND? W.R. Jonk, mr R. Malewicz en mr G.P. Hamer 1 Op 1 januari 2004 had het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel 2 in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd
GERECHTSHOF TE 's-hertogenbosch meervoudige kamer voor strafzaken
parketnummer : 20.001938.96 uitspraakdatum : 29 april 1997 verstek dip GERECHTSHOF TE 's-hertogenbosch meervoudige kamer voor strafzaken A R R E S T gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis
ECLI:NL:HR:2010:BO2558
ECLI:NL:HR:2010:BO2558 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 02-11-2010 Datum publicatie 03-11-2010 Zaaknummer 09/00354 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BO2558
Rapport. Rapport over een klacht over het College van procureurs-generaal te Den Haag. Datum: 25 februari 2014. Rapportnummer: 2014/010
Rapport Rapport over een klacht over het College van procureurs-generaal te Den Haag. Datum: 25 februari 2014 Rapportnummer: 2014/010 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het College van procureurs-generaal
Annotatie NJ 2012, 145 (onrechtmatige doorzoeking) HR 4 januari 2011, nr. 08/03766. M.J. Borgers
Annotatie NJ 2012, 145 (onrechtmatige doorzoeking) HR 4 januari 2011, nr. 08/03766 M.J. Borgers 1. Enkele opsporingsambtenaren betreden op grond van artikel 9 Opiumwet het woon- en slaapgedeelte van een
«JOR» Bank- en effectenrecht
169 NOOT 1. Bovenstaand arrest is gewezen door de Hoge Raad als belastingrechter. Centraal staat de vraag of bewijsmiddelen waarvan in een eerdere strafprocedure door de strafrechter is geoordeeld dat
ECLI:NL:GHSHE:2012:BW5999
ECLI:NL:GHSHE:2012:BW5999 Instantie Datum uitspraak 16-05-2012 Datum publicatie 16-05-2012 Zaaknummer 20-002733-11 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Gerechtshof 's-hertogenbosch Strafrecht
Parketnummer: /17 Uitspraak: 2 november 2018 Tegenspraak
vonnis GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO Parketnummer: 500.00480/17 Uitspraak: 2 november 2018 Tegenspraak Vonnis van dit Gerecht in de strafzaak tegen de verdachte: R.M.C., geboren op Curaçao, wonende
ECLI:NL:HR:2003:AH9998
ECLI:NL:HR:2003:AH9998 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 21-10-2003 Datum publicatie 23-10-2003 Zaaknummer 02580/02 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AH9998
Rapport. Publicatiedatum: 15 oktober 2014. Rapportnummer: 2014 /139. 20 14/139 d e Natio nale o mb ud sman 1/6
Rapport Publicatiedatum: 15 oktober 2014 Rapportnummer: 2014 /139 20 14/139 d e Natio nale o mb ud sman 1/6 Rapport Een onderzoek naar de titel op grond waarvan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen
Bewijsuitsluiting, een uitgesloten zaak?
LOEVENDIE NEIJNDORFF A D V O C A T E N Bewijsuitsluiting, een uitgesloten zaak? Een onderzoek naar de mogelijkheden om bewijsverweren met een verzoek tot bewijsuitsluiting beter te kunnen onderbouwen,
Rapport naar aanleiding van een klacht over de politie-eenheid Den Haag. Publicatiedatum 9 september 2014 Rapportnummer 2014/098
Rapport Rapport naar aanleiding van een klacht over de politie-eenheid Den Haag. Publicatiedatum 9 september 2014 Rapportnummer 2014/098 2014/098 de Nationale ombudsman 1/5 Gerard* is eigenaar van een
ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4692
ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4692 Instantie Datum uitspraak 19-03-2013 Datum publicatie 19-03-2013 Zaaknummer 21-000368-12 Formele relaties Rechtsgebieden Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGRO:2009:BH3578,
HC 5-a, , sanctionering van onregelmatigheden: bewijsuitsluiting Art. 359a Sv Wet vormverzuim
HC 5-a, 06-03-2018, sanctionering van onregelmatigheden: bewijsuitsluiting Er wordt gekeken naar het uitsluiten van bewijs, dus materiaal dat bij zou kunnen dragen aan de bewezenverklaring. Het gaat in
ECLI:NL:GHSHE:2017:978
ECLI:NL:GHSHE:2017:978 Instantie Datum uitspraak 17-02-2017 Datum publicatie 10-03-2017 Gerechtshof 's-hertogenbosch Zaaknummer 20-003836-13 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht
Hof van Discipline Zitting van 19 juni 2017 te uur Kenmerk: art. 515 lid 4 Sv en daartoe overwogen:
Hof van Discipline Zitting van 19 juni 2017 te 14.30 uur Kenmerk: 160102 PLEITNOTA Inzake: Deken orde van Advocaten Den Haag - mr. M.J.F. Stelling Raadsman: W.H. Jebbink Geen ontzegging tot onafhankelijke
Rapport. Rapport betreffende een klacht over de politiechef van de regionale eenheid Noord- Nederland. Datum: 11 februari 2015 Rapportnummer: 2015/030
Rapport Rapport betreffende een klacht over de politiechef van de regionale eenheid Noord- Nederland. Datum: 11 februari 2015 Rapportnummer: 2015/030 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat een politieambtenaar
ECLI:NL:GHSGR:2003:AI1012
ECLI:NL:GHSGR:2003:AI1012 Instantie Datum uitspraak 11-06-2003 Datum publicatie 12-08-2003 Zaaknummer 2200326602 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Gerechtshof 's-gravenhage
1 Rechtbank Breda, 13 juli 2012
BEDRIJFSOPVOLGINGSFACILITEIT SUCCESSIEWET OOK VOOR PRIVÉVERMOGEN? Op 13 juli 2012 heeft rechtbank Breda uitspraak gedaan in een zaak over de bedrijfsopvolgingsfaciliteit uit de Successiewet 1956 (LJN:
Rapport. Rapport over een klacht over de hoofdofficier van justitie te Den Haag. Datum: 3 juni 2014. Rapportnummer: 2014/044
Rapport Rapport over een klacht over de hoofdofficier van justitie te Den Haag. Datum: 3 juni 2014 Rapportnummer: 2014/044 2 Klacht Meneer Jansen1 klaagt erover dat de hoofdofficier van justitie onvoldoende
`Voorheen kon ook zonder machtiging de raadsman de verdediging voeren voor zijn afwezige cliënt, sedert het Bouterse-arrest niet meer.
3.8 Meningen van bevraagden ten aanzien van de verstekregeling 3.8.1 Verruiming mogelijkheden verdachte? Uit de verkregen reacties wordt duidelijk dat er uiteenlopende antwoorden zijn gegeven op de vraag
ECLI:NL:RBZUT:2004:AO7273
ECLI:NL:RBZUT:2004:AO7273 Instantie Rechtbank Zutphen Datum uitspraak 31-03-2004 Datum publicatie 08-04-2004 Zaaknummer 06/060115-03 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht Eerste
1 De totstandkoming van art. 359a Sv
1 De totstandkoming van art. 359a Sv 1.1 De commissie-moons Vóór 1996 kende ons strafrecht een zogeheten stelsel van formele nietigheden, waarvan sprake is wanneer vormvoorschriften in de wet met nietigheid
Tilburg University. Elk nadeel heb z n voordeel? Artikel 359a Sv en de ontdekking van het strafbare feit Kooijmans, Tijs
Tilburg University Elk nadeel heb z n voordeel? Artikel 359a Sv en de ontdekking van het strafbare feit Kooijmans, Tijs Published in: Delikt en Delinkwent Document version: Publisher final version (usually
Rapport. Rapport naar aanleiding van een klacht over de regionale politie-eenheid Zeeland-West-Brabant. Datum: 7 juli Rapportnummer: 2014/071
Rapport Rapport naar aanleiding van een klacht over de regionale politie-eenheid Zeeland-West-Brabant. Datum: 7 juli 2014 Rapportnummer: 2014/071 2 Feiten Op 28 november 2013 hebben politieambtenaren van
Rapport. Rapport naar aanleiding van een klacht over de regionale politie eenheid Amsterdam en het Openbaar Ministerie te Amsterdam
Rapport Rapport naar aanleiding van een klacht over de regionale politie eenheid Amsterdam en het Openbaar Ministerie te Amsterdam Datum: 30 december 2013 Rapportnummer: 2013/213 2 Feiten Verzoeker is
De Hoge Raad moet om! Over het recht minderjarige slachtoffers in zedenzaken te ondervragen
This is a postprint of De Hoge Raad moet om! Over het recht minderjarige slachtoffers in zedenzaken te ondervragen Wilde, B. de Nederlands Juristenblad, 2009(44/45), 2885-2886 Published version: no link
I n z a k e: T e g e n:
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN Datum : 1 juni 2018 Zaaknr. : 18/01151 VERWEERSCHRIFT MET VOORWAARDELIJK INCIDENTEEL CASSATIEBEROEP I n z a k e: 1 Stichting SDB Gevestigd te Stichtse Vecht 2 Stichting Euribar
Instantie. Onderwerp. Datum
Instantie Hof van Cassatie Onderwerp Bewijs. Strafzaken. Bewijsvoering. Onrechtmatig verkregen bewijs. Toelaatbaarheid. Beoordeling door de rechter Datum 23 maart 2004 Copyright and disclaimer Gelieve
Verder klaagt verzoekster over de wijze waarop het UWV te Venlo haar klacht heeft behandeld.
Rapport 2 h2>klacht Verzoekster klaagt erover dat een met naam genoemde verzekeringsarts van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen te Heerlen (UWV) bij het vaststellen van de belastbaarheid
ECLI:NL:RBUTR:2011:BT1675
ECLI:NL:RBUTR:2011:BT1675 Instantie Rechtbank Utrecht Datum uitspraak 07-09-2011 Datum publicatie 15-09-2011 Zaaknummer 16-600572-11 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht Eerste
Beoordeling. h2>klacht
Rapport 2 h2>klacht Verzoekster klaagt erover dat een ambtenaar van het regionale politiekorps Limburg-Noord op 14 juli 2008 heeft geweigerd de aangifte van diefstal van haar kat op te nemen. Beoordeling
ECLI:NL:RBOVE:2017:2237
ECLI:NL:RBOVE:2017:2237 Instantie Rechtbank Overijssel Datum uitspraak 26-04-2017 Datum publicatie 31-05-2017 Zaaknummer 08/910083-15 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht Raadkamer
Hof van Cassatie van België
16 JUNI 2015 P.15.0599.N/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.15.0599.N 1. M M P V D V, beklaagde, 2. D H N H, beklaagde, aangehouden om andere redenen, eisers, beiden met als raadsman mr. Thierry
Handleiding voor de deken ter waarborging van de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van advocaten bij extern onderzoek.
Handleiding voor de deken ter waarborging van de geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van advocaten bij extern onderzoek Maart 2013 Vastgesteld door de algemene raad op 4 maart 2013 1 Voorwoord
PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen
PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen The following full text is an author's version which may differ from the publisher's version. For additional information about this
Tilburg University. Elk nadeel heb z n voordeel? Artikel 359a Sv en de ontdekking van het strafbare feit Kooijmans, Tijs
Tilburg University Elk nadeel heb z n voordeel? Artikel 359a Sv en de ontdekking van het strafbare feit Kooijmans, Tijs Published in: Delikt en Delinkwent Document version: Publisher final version (usually
BESLUIT. 4. Artikel 56 Mededingingswet (hierna: Mw) luidde tot 1 juli 2009, voor zover van belang, als volgt:
Nederlandse Mededingingsautoriteit BESLUIT Nummer 6494_1/309; 6836_1/220 Betreft zaak: Limburgse bouwzaken 1 en 2 / de heer [A] Besluit van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit
RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN
RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN U I T S P R A A K Nr. i n d e k l a c h t nr. 070.00 ingediend door: hierna te noemen klager`, tegen: hierna te noemen 'verzekeraar. De Raad van Toezicht Verzekeringen heeft
Rapport. Datum: 13 oktober 1998 Rapportnummer: 1998/446
Rapport Datum: 13 oktober 1998 Rapportnummer: 1998/446 2 Klacht Op 11 februari 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer X te Y, ingediend door de heer mr. G. Meijers, advocaat
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
MigratieWeb ve12000040 201102012/1/V2. Datum uitspraak: 13 december 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger
Uitspraak. parketnummer: datum uitspraak: 3 november 2016 TEGENSPRAAK
ECLI:NL:GHAMS:2016:5390 Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 03-11-2016 Datum publicatie 21-12-2016 Zaaknummer 23-003117-15 Rechtsgebieden Strafrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie
Hoofdstukken strafprocesrecht. mr. LE.M. Hendriks mr. J.H. Klifman prof. mr. G.P.M.F. Mols prof.mr. Th.A. de Roos mr. J.
Hoofdstukken strafprocesrecht mr. LE.M. Hendriks mr. J.H. Klifman prof. mr. G.P.M.F. Mols prof.mr. Th.A. de Roos mr. J. Woretshofer Samsom H.D. Tjeenk Willink Alphen aan den Rijn 1992 Inhoud Voorwoord
Naar aanleiding van uw brief van 8 februari 2012 heb ik de eer het volgende op te merken.
I f^l öobuicq3~o\ Den Haag, 2 O MRT 2012 Kenmerk: DGB 2012-753 TL Motivering van liet beroepsciirir: in cassatie (rolnummer 12/00641) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-gravenhage van 21 december
Rapport. Datum: 31 januari 2011 Rapportnummer: 2011/032
Rapport Datum: 31 januari 2011 Rapportnummer: 2011/032 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de griffie van het gerechtshof Den Haag hem het arrest van 17 juli 2008 niet heeft toegestuurd met als gevolg
Kluwer Online Research Bedrijfsjuridische berichten Verruiming van de zorgplicht en werkgeversaansprakelijkheid
Bedrijfsjuridische berichten Verruiming van de zorgplicht en werkgeversaansprakelijkheid Auteur: Mr. T.L.C.W. Noordoven[1] Hoge Raad 23 maart 2012, JAR 2012/110 1.Inleiding Maakt het vanuit het oogpunt
Rapport. Rapport over een klacht over de politiechef van de regionale eenheid Limburg. Datum: 16 oktober 2013. Rapportnummer: 2013/147
Rapport Rapport over een klacht over de politiechef van de regionale eenheid Limburg. Datum: 16 oktober 2013 Rapportnummer: 2013/147 2 Aanleiding Op 7 april 2013 om 16.52 uur komt er bij de regionale eenheid
ECLI:NL:PHR:2007:AZ6118 Parket bij de Hoge Raad Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer 00636/06
ECLI:NL:PHR:2007:AZ6118 Instantie Parket bij de Hoge Raad Datum uitspraak 06-03-2007 Datum publicatie 06-03-2007 Zaaknummer 00636/06 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken - Inhoudsindicatie
Voorwoord. Materieel strafrecht. Inleiding. 2 Bronnen van strafrecht 3 Voorwaarden voor strafbaarheid. De menselijke gedraging
Inhoud Voorwoord 9 Deel I Materieel strafrecht 11 1 Strafrecht 2 Bronnen van strafrecht 3 Voorwaarden voor strafbaarheid 13 13 14 18 I 4 5 II 6 7 8 9 10 11 De menselijke gedraging De gedraging Causaal
vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 24 november 2009 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:
Rechtbank Assen Budget Webhosting DomJur 2011-761 Rechtbank Assen Parketnummer: 19.606217-07 Datum: 24 november 2009 vonnis van de Meervoudige kamer d.d. 24 november 2009 in de zaak van het openbaar ministerie
Balanceren tussen waarheidsvinding en rechtsbescherming
Balanceren tussen waarheidsvinding en rechtsbescherming Consequenties van onrechtmatig verkregen bewijs in het strafrecht en het bestuursrecht Master Thesis T.C. Heijmerink (i487600) Universiteit Maastricht,
Rapport. Rapport naar aanleiding van een klacht over de politiechef van de regionale eenheid Noord- Nederland.
Een extra stap Rapport Rapport naar aanleiding van een klacht over de politiechef van de regionale eenheid Noord- Nederland. Datum: 16 april 2015 Rapportnummer: 2015/076 2 Klacht Verzoeker klaagt erover
Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom
COUR DE JUSTICE BENELUX GERECHTSHOF ~ Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom Nadere conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda (stuk A 2005/1/13)
TOEZICHT OPSPORING. Jan Willem van Veenendaal MEC.
TOEZICHT EN/OF OPSPORING Jan Willem van Veenendaal MEC. Rechtshandhavingsystemen Onderwerpen: Iets over Bestuursrechtelijke bevoegdheden De sfeerovergang Iets over Strafrechtelijke bevoegdheden Toezicht
Inleiding. 1 Strafrecht
Inleiding 1 Strafrecht Plaats van het strafrecht Het strafrecht is, net als bijvoorbeeld het staatsrecht en het bestuursrecht, onderdeel van het publiekrecht. Het publiekrecht regelt de betrekkingen tussen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:959. Wetboek van Strafvordering 51f
ECLI:NL:HR:2017:221 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 14-02-2017 Datum publicatie 14-02-2017 Zaaknummer 14/03452 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:629
De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.
Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 21 d.d. 2 april 2009 (mr. M.M. Mendel, voorzitter, mr. E.M. Dil - Stork en mr. B. Sluijters) 1. Procedure De Commissie beslist met inachtneming
