Samenvatting sociale psychologie

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Samenvatting sociale psychologie"

Transcriptie

1 Samenvatting sociale psychologie Disclaimer: Volgende samenvatting is gemaakt aan de hand van de cursustekst van Vera Hoorens (Sociale psychologie POMO5), de afbeeldingen die gebruikt zijn, zijn ook het bezit van Vera Hoorens. Deze samenvatting heeft geen commerciële doeleinden en heeft dusdanig geen intentie om het auteursrecht van Vera Hoorens te schenden. HOOFDSTUK 1: Wat is sociale psychologie Coverte gedragingen: Gedragingen die alleen de handelende persoon kan waarnemen Overte gedragingen: Gedragingen die anderen kunnen waarnemen (alsook de handelende persoon) HOOFDSTUK 2: Methodes van sociaalpsychologisch onderzoek 2.1 Observaties: Definitie: Observeren of gedrag in bepaalde omstandigheden zicht voordoet. Registreren van overt gedrag of archiefmateriaal (vertekende invloed van verwachtingen minimaliseren) Voordelen: - Ecologische validiteit - Ethisch en praktisch: Geen ingreep realiteit Nadelen: - Interessante gedragingen zeldzaam - Geen causale conclusies mogelijk (situaties verschillen op veel dimensies) => enkel correlationele verbanden - (Archiefgegevens vaak ontoereikend) 2.2 Zelfbeschrijvingen Definitie: vragen aan persoon om hun gedragingen zelf te verklaren 3 voorwaarden: - Persoon moet gedrag of reden kunnen beschrijven. - Persoon moet de gelegenheid hebben - Persoon moet willen beschrijven => sociale wenselijkheid zorgt voor afwijking Experiment Geclaimd vs feitelijk moreel gedrag FeldmanHall, Mobbs, Evans, Hiscox, Navrady en Dalgeish (2012) Mensen krijgen geld (20 pond) maar kunnen dit gebruiken om stroomstoten te verlichten in intensiteit. Overblijvend geld krijg je vermenigvuldigt met factor 1-10 O.V. : Echtheid experiment 1. Hypothetisch (vragen wat je zou doen) 2. Werkelijk Elias Biesmans 1

2 A.V. : 1. Gehouden bedrag (max 20 pond) 2. Proportie deelnemers die minsten deel houdt Conclusie: Mensen doen anders dan wat ze zeggen => Sociale wenselijkheid/normen Vraageffecten: Proefleider effect: Onderzoeker geeft (on)bewust aan wat voor antwoorden hij verwacht. Vraageffect: Mensen antwoorden wat ze denken dat de onderzoeker wil hebben van antwoorden. Nut van zelfbeschrijvingen: - Zelfbeschrijving is op zichzelf het te bestuderen gedrag - Hypothesen generen - Sociale wenselijkheid/normen kunnen ontweken worden in vraagstelling (Event sampling en day reconstruction method => omzeilen van geheugenvertekingen) 2.3 Vragenlijsten Definitie: mensen vragenlijst laten beantwoorden Voorwaarde: Vragen opstellen vereist expertise: Formulering, volgorde, omstandigheden Voordelen: - Weinig arbeidsintensief (enkel opstellen) - Eenvoudige afname - Standaardisering Nadelen: - Ecologische validiteit niet gegarandeerd - Vraageffecten - Sociale normen/wenselijkheid => spurieuze effecten/verschillen Conclusie = Vragenlijsten/zelfbeschrijvingen zelfde nadelen => Vooral hypothesen generen. 2.4 Correlationeel onderzoek Definitie: 2 of meer variabelen meten en berekenen of ze samen valideren 3 Resultaten: Negatief: Omgekeerd verband Ongeveer 0: Geen verband Positief: Lineair verband OPMERKING: niet per se causaal verband! Elias Biesmans 2

3 Experiment Bereidheid tot donatie Kogut (2011) Kort: Hoeveel doneren mensen aan aidsremmers na verschillende niveaus van verantwoordelijkheid => mensen gaven minder geld bij hogere verantwoordelijkheid. Conclusie: te snel causaal verband aangenomen. 2.5 Het experiment Redenering: Predictie A veroorzaakt B A = Onafhankelijke variabele B = Afhankelijke variabele A manipuleren (condities veranderen) en effect op B bekijken. Voordelen experiment: - Kan causaal verband aantonen (op A na condities hetzelfde) - Kleine steekproeven volstaan - Gegevens steunen niet op zelfbeschrijvingen Nadelen experiment: - Ecologische validiteit => experimenteel realisme belangrijk - Praktische/ethische problemen => soms enkel quasiexperiment met oprechte gevoelens/reacties - Veranderingen in macrosituatie Checken van manipulatie Manipulatiechecks: - Is de beoogde variabele wel degelijk gemanipuleerd? - Zijn er geen andere variabelen gemanipuleerd? Pretests: Nagaan bij steekproef van dn. of manipulatie werkt Deelnemers => 2 wegen: Tussenproefpersoons-manipulatie: mensen op toeval verdelen => verschillende mensen i/d 2 condities. Binnenproefpersoons-manipulatie: zelfde deelnemers aan elk van diverse condities blootstellen. Experiment met meerdere O.V. Hoofdeffect: O.V. effect over condities van andere O.V. heen. = O.V. heeft effect op de A.V. (in elke conditie). Interactie: Sterkte en/of richting effect O.V. dat afhangt van een andere O.V. = meerdere O.V. hebben allen effect op de A.V. Voorbeeld: - Verhoogde agressie bij geprovoceerde mensen (luide muziek). - Geen verhoogde agressie bij niet geprovoceerde mensen. Elias Biesmans 3

4 Experiment Donatie bij verantwoordelijkheid en zelfhulp Zagefka, Noor, Brown, de Moura en Hopthrow (2001) Mensen lezen verhaal over verwoest dorp, ze werden gevraagd hoeveel ze zouden doneren, na deze vragen ook daadwerkelijke vraag tot donatie (een pot) O.V. 1: Verantwoordelijkheid dorpelingen 1.1: Steunden andere milities 1.2: Stonden buiten conflict O.V. 2: Zelfhulp dorpelingen 2.1: Bouwden tijdelijke huisvestiging 2.2: Deden niets A.V. 1: Bereidheid tot donatie (7 puntenschaal) A.V. 2: Feitelijke donatie (stukken 50p) Hoofdeffect 1: Meer bereidheid bij lage verantwoordelijkheid (en andersom) Hoofdeffect 2: Meer bereidheid bij actieve houding (en andersom) Hoofdeffect 1: Meer donatie bij lage verantwoordelijkheid (en andersom) Hoofdeffect 2: Geen hoofdeffect bij donatie en zelfhulp OPMERKING: Interactie was hier statistisch niet significant. 2.6 Empirische cirkel Definitie: Beschrijft de stappen die nodig zijn om op een empiristische manier kennis op te nemen. : Formulering van een inzicht op basis van bevinding(en) = inductiefase Elias Biesmans 4

5 HOOFDSTUK 3: De psychologische betekenis van macht en onmacht Sociale macht: Macht over of machteloosheid tegenover anderen. Autosociale macht: Macht over eigen gedrag of situatie. 3.1 Beheersen en beheerst worden: instrumenteel leren Instrumenteel gedrag (operant gedrag): Gedrag dat mensen en dieren vertonen waarmee ze invloed uitoefenen op gebeurtenissen in hun externe of interne omgeving, en dat gedrag niet als een automatische reactie op een voorafgaande prikkel vertonen. Instrumentele/operante conditionering (leren): Verband tussen gedrag en de veroorzaakte verandering vaststellen en toekomstig gedrag daar op afstemmen. Kerngedachte instrumenteel leren: Gedragsuitkomsten zijn: - Appetitief (aangenaam) => gedrag neemt toe - Aversief (onaangenaam) => gedrag neemt af Appetitief gevolg = versterker Aversief gevolg = straf Positieve versterking: Appetitieve prikkel treedt op of neemt toe Negatieve versterking: Aversieve prikkel verdwijnt of neemt af Primaire versterker/straf: Bevrediging/ontbering natuurlijke behoefte (bv: voedsel, seks) Secundaire versterker/straf: Geen biologische meer/minderwaarde eerder betekenis door eerder leerproces (bv: compliment, nare toon) OPMERKING: secundaire zijn beter instrument voor gedragsverandering: zijn niet deprivatie specifiek (natuurlijke behoeften kunnen snel bevredigd zijn). Experiment interview gevolgen feestweek Insko (1965) O.V. Antwoord na elke vraag ½ goed als student iets positief vermeld ½ goed als student iets negatief vermeld => Studenten vermelden steeds meer positieve/negatieve dingen afhankelijk van welk gedrag door de secundaire versterker goed bekrachtigt werd. Contingentie: Logische samenhang tussen gedrag en versterker/straf Perfecte contingentie => - Gedrag wordt altijd gevolgd door V/S. - V/S treedt nooit op zonder gedrag. => Instrumenteel leren gaat zeer snel maar niet duurzaam Niet perfect contingentie => - Gedrag niet altijd gevolgd door V/S. - V/S treedt ook soms op zonder gedrag => Instrumenteel leren gaat traag maar is duurzaam Geen contingentie => Geen logische samenhang tussen gedrag en V/S => Geen instrumenteel leren mogelijk, geen verandering van gedrag Elias Biesmans 5

6 UITZONDERINGEN: - Persoon neemt onbestaande contingentie waar - Gedrag verandert in functie van waargenomen V/S - Ontbreken contingentie valt op => persoon leert dat hij machteloos is. Conclusie: Instrumenteel leren brengt meer gedragsverandering teweeg dan proportioneel leren (iets meegedeeld krijgen) => MAAR voorgespiegelde en foutief waargenomen contingenties kunnen ook van invloed zijn op gedrag. Contiguïteit: Tijd tussen gedrag en V/S => Hoe sneller V/S hoe groter invloed op gedrag (bv: roken heeft snelle kleine V en op LT grote straf) Link contingentie en contiguïteit: Als er minder tijd tussen gedrag en V/S is dan zijn deze V/S ook beter waar te nemen (logischer) => contingentie Versterkers hebben groter effect dan straffen want: 1. Versterkers bevatten meer informatie dan straffen - versterkt gedrag => persoon weet wat hij WEL moet doen - bestraft gedrag => persoon weet nog niet goed wat hij WEL moet doen UITZONDERING: als er maar 2 alternatieven zijn => V/S zijn equivalent 2. Straffen hebben intensere emoties tot gevolg dan versterkers - Emoties => expressief gedrag v/d emoties => negatieve emoties wordt als problematisch beschouwd => leidt tot nieuwe straffen - Persoon vat straf niet op als effect van zijn gedrag op de omgeving maar op hem als individu => Dit alles verstoort het hele leerproces 3. Straffen vertonen minder contingentie met gedrag dan versterkers => mensen zijn terughouden en grijpen pas in als het té erg wordt 4. Wat de straffer als straf toedient wordt zo niet altijd ervaren (sociale straffen) Bv: Aandacht krijgen is voor sommige een versterker, de versterkende invloed is soms zelfs groter dan de bestraffende invloed van een uitbrander. UITZONDERING: niet bij wetten en normen Sociale straf impliceert injunctie/prescriptieve norm (hoe mensen zich moeten gedragen) => dwingende context Bij sociale beloning wordt gedrag waardeert maar is niet verplicht. => als gedrag verplicht was is er geen reden tot belonen Elias Biesmans 6

7 Experiment straf versus beloning Mulder (2008) 4 personen krijgen elks 10 euro, steken dit wel of niet in een pot => achteraf pot X1.5 en wordt verdeeld. O.V. : Vermelding gevolgen bij vorige groep 1: 1/3 weinig bedragen = straf 2: 1/3 veel bijdragen = beloning 3: 1/3 controleconditie => geen vermelding A.V. 1: hoeveel deelnemers bijdragen (0-10) A.V. 2: morele waarde (12 stellingen met 7 puntenschaal) A.V. 3: sociaal motief: individueel vs collectief (4 stellingen op 7 puntenschaal) => Bij O.V. 1 => Positief effect op alle A.V. => Bij O.V. 2 => Geen effect op gedrag Conclusie: gedachte aan straf deed hun zeggen dat hun gedrag een groter moreel belang heeft en dat ze hogere morele normen wensten te hanteren. OPMERKING: later onderzoek wees uit dat effectieve straffen niet veel meer effect hebben dan beloningen Uitdoving: contingentie tussen gedrag en V/S valt weg => persoon vertoont gedrag minder/meer Oplossing: gedrag net zo lang versterken/bestraffen dat het wel/niet vertonen ervan een gewoonte wordt of eigen versterkers met zich meebrengt Discriminatieve prikkel (DS): Prikkel die signaleert dat in een bepaalde situatie bepaalde versterking-of bestraffingscontingentie geldt. S-delta: Prikkel die aangeeft dat contingentie tussen gedrag en verandering niet geldt. => Valkuil bij leerproces: beoogde gedrag wordt algemeen niet bevorderd of zelfs beïnvloedt in de omgekeerde richting. Vb: controleren van werknemers: Controleur aanwezig => DS Controleur niet aanwezig => S-delta V/S hebben effect op overt gedrag => worden geacht als epifenomenen van covert gedrag. Overte prestatie kan ook met ander covert gedrag berecht worden (beoogd covert gedrag is niet aanwezig of is aanwezig in negatieve zin bv: rattenvangerprobleem). Elias Biesmans 7

8 3.2 Macht als middel en doel-op-zich Experiment macht als doel op zich Okimoto en Brescoli (2010) 2 websites politici tonen en achteraf stemgedrag evalueren O.V. : Geslacht van kandidaat A.V. : - Stemgedrag - Mate van machtsverlangen kandidaat (1-7 schaal) - Verband tussen machtshonger en stemmen => Meer machtshonger vrouw = minder stemmen Meer machtshonger man = geen verschil Experiment 2 macht als doel op zicht Okimoto en Brescoli (2010) Dn. zien 1 website O.V. geslacht + mate streven naar ambitie, macht en invloed A.V. : stemgedrag + gemiddelde morele verontwaardiging => Verontwaardiging zelfde bij man (met/zonder machtstreven) Verontwaardiging groter bij vrouw met machtsstreven => Man = meer stemmen bij machtstreven Vrouw = minder stemmen bij machtstreven 3.3 Het fijne van macht Is (on)macht primaire versterker? => onderzoek bij (zéér) jonge kinderen Experiment een aangeboren voorkeur van macht Singh (1970) Kinderen kiezen tussen twee kanten. Kant 1: krijgen knikkers door aan hendel te trekken (macht) Kant 2: krijgen knikkers door niets te doen (onmacht) => aantal gegeven knikkers was steeds hetzelfde => dag 1 = 63% machtskant Dag 2 = 70% machtskant Vervolgexperiment Singh (1970) hetzelfde maar met ratten (2 kooien met voedsel: gratis of werken) O.V. : % meer voedsel in gratis kooi : 12.5, 25 of 50 procent meer A.V. : Gemiddelde % voeding uit de voedsel-voor-werk-kooi => Pas bij +50% haalden ze in ¾ dagen eten uit gratis kooi => Voorkeur voor werken voor voedsel en dus macht over het eten Elias Biesmans 8

9 Experiment kiezen voor weg naar voedsel Voss en Homzie (1970) 15 hongerige ratten in doolhof zetten waar bij 2 wegen naar suikeroplossing leiden, 1 weg met en 1 weg zonder splitsing => 14/15 ratten of 59% v/d proefbeurten kozen ze voor weg met splitsing (keuzevrijheid) Experiment machtsgenoegen Leotti en Delgado (2011) Computerscherm met 2 knoppen, elke knop gaf 33% kans op 0,33 of 100 punten. Voor elke proefbeurt kregen ze een symbool te zien O.V. : Al dan niet keuzevrijheid (knop lichtte op) A.V. : Beoordeling symbolen (1-5) => Symbool keuzevrijheid werd als mooier aanschouwd + is ook fysiologisch gemeten (fmri-scanner) Experiment machtsgenoegen bij baby s Watson en Ramey (1972) baby zit in wieg te kijken naar bewegend mobiel. O.V. : Hoe het mobieltje bewoog: - Hing samen met bewegen van het hoofdje (macht) - Bewoog autonoom (ongeveer evenveel als bij machtsconditie) - Bewoog niet A.V. : aantal hoofdbewegingen => Gedrag dat macht toeliet nam toe (#hoofdbewegingen) => baby s nemen contingentie waar en macht functioneerde als een versterker Geen toename in niet macht condities CONCLUSIE: Macht is een primaire versterker Leotti, Iyengar en Ochsner (2010) Evolutionaire verklaring => genieten van macht = meer overleving Experiment macht als bescherming tegen aversieve prikkel Glass, Singer en Friedman (1969) Vrouwen maken taken tijdens lawaaistoten zogezegd om effect van lawaai op prestaties en fysiologische processen te onderzoeken. O.V. : Al dan niet subjectieve macht (knop indrukken om lawaai te stoppen) A.V. : Gevolgen op volharding en concentratie na lawaaibron Elias Biesmans 9

10 - onmogelijke geometrische figuren overtrekken => #pogingen - Typfouten in een tekst vinden => % resterende fouten => Deelnemers met subjectieve macht hielden het langer vol en hadden meer concentratie (minder fouten) Experiment cumulatief effect van subjectieve macht Sherrod, Hage, Halpern en Moore (1977) => vervolg op Glass Hetzelfde maar kregen nu ook macht over het al dan niet opzetten van de geluidsband. Daarna ook weer testen hetzij anders geoperationaliseerd. O.V. 1: Al dan niet macht hebben over het opzetten van de band (begin macht) O.V. 2: Al dan niet macht hebben over stopzetten lawaaistoten (einde macht) A.V. : Gevolgen op volharding en concentratie => Concentratietaak: hoofdeffecten van beide soort macht - macht over begin/einde leidt tot minder fouten - Wie beide vormen van macht had, deed beter dan wie er maar één had => Volhardingstaak: enkel hoofdeffect over subjectieve macht einde - Geen hoofdeffect bij (on)macht begin => Interactie tussen beide soorten macht: mensen met zowel macht over eind als begin deden beter dan iemand met enkel macht over einde. CONCLUSIE: HOE MEER MACHT HOE BETER Experiment remedie tegen aversieve prikkel Rose, Geers, Rasinski en Fowler (2011) Werkwijze : Cold pressure task, hand in koud water steken en opmeten van pijnbeleving onder verschillende condities. O.V. : Al dan niet keuzevrijheid tussen 2 potten (Handschoen vs zalf) C.C. : kregen reinigende olie A.V. : Gerapporteerde pijn + hoezeer ze zich vrij gevoeld hadden (manipulatiecheck) => Pijn was minder bij zelfgekozen olie => Niet zelfgekozen bood geen voordeel tegenover reinigende olie = niet duidelijk te interpreteren: was keuzevrijheid nodig voor de pijnstillende placebo werking of was de ervaring van onmacht nodig om de werking van het placebo teniet te doen. 3.4 De gevolgen van onmacht Reactantie: acuut waargenomen verlies of bedreiging van macht, kan een verschijn uitlokken dat reactantie wordt genoemd. => De motivatie om de bedreigde/aangetaste macht te beschermen/herstellen (enkel in context van sociale interacties). Elias Biesmans 10

11 Reactantie is een soort psychologische behoeftetoestand: => Machtservaring is primaire versterker die operant gedrag beïnvloedt (bv groter effect van voedsel op een hongerige dan een voldane persoon). => Reactantie zorgt er ook voor dat een individu probeert aan te tonen dat hij juist niet beïnvloedt is door een inperking van (sociale) macht. Bv verboden vruchten worden aantrekkelijker. => Boemerangeffect: het tegenovergestelde doen van dan wat gevraagd wordt. 3.5 Macht en onmacht in het ware leven Probleem bij kinderen: - Mensen willen beste voor hun kinderen (emotioneel/materieel) => aangeleerde machteloosheid - Nadelige effecten verwenning manifesteren zich pas als ze moeilijk terug te draaien zijn Vb: hoogbegaafden die nooit hebben moeten studeren Conclusie: Kinderen blijven uitdagen - Reactantie is niet altijd aanwezig: bv als sancties/straf zwaarder doorwegen dan het verlies/genot van macht. - Reactantie zorgt soms ook voor agressie tegenover hulpverleners => non-compliance - Reactantie kan ook ingezet worden om mensen tot een gedrag aan te zetten (bv homorechten in slotjsi) HOOFDSTUK 4: Sociale invloed Impliciete sociale invloed: De impact die anderen hebben wanneer ze iets doen of laten zonder expliciet vragen om mee te doen. Conformisme: Als die anderen een meerderheid vormen Innovatie: Als die anderen een minderheid vormen Expliciete sociale invloed: Als een individu te maken krijgt met een verzoek vanwege anderen om iets te doen of te laten, al dan niet verbonden met een dreiging van straf en/of beloning. Autonoom handelen: Doen wat je zelf goed vind Niet autonoom handelen: je laten leiden door wat anderen willen of denken Anti-conformistisch: Met opzet iets anders doen wat anderen lijken te willen of goed vinden (bv reactantie) 4.1 De invloed van de aanwezigheid van anderen Experiment sociale inhibitie (belemmering) Ader en Tatum (1963) Deelnemer zit aan tafel en krijgt om de 10sec een schok. Voor hem bevindt zich een rode knop. Er op duwen vermijdt gedurende 10 sec een schok Elias Biesmans 11

12 O.V. Aantal deelnemers => Alleen of met een andere passieve deelnemer A.V. Duurtijd leerproces (criterium = 5min met max 1 schok/minuut) => Er trad sociale inhibitie op => aanwezigheid andere passieve deelnemer belemmerde het adaptieve gedrag. Experiment sociale inhibitie Pessin (1933) Lijst woorden vanbuiten leren (tweemaal een lijst met 7 zinledige worden van 3 letters) O.V. Sociale aanwezigheid => Alleen of met een toekijkende Pessin A.V. Tijd (herhalingen) en fouten => Sociale inhibitie in situatie met een toekijkende Pessin Experiment sociale facilitatie Allport (1920) Vrije associatietaak => deelnemers krijgen woord en moeten zoveel mogelijk woorden die hun te binnen schieten noteren. O.V. Sociale aanwezigheid: - 2 keer alleen taak doen - 2 keer in aanwezigheid van 4 andere deelnemers => er trad sociale facilitatie op: deelnemers maakten meer associaties in sociale conditie. - vervolg experiment van Allport waarbij snelheid van het opschrijven werd geëlimineerd => opnieuw sociale facilitatie. Experiment lachende kinderen Chapman (1973) kinderen bandje laten horen van grappige dingen en hun reacties bekijken in verschillende condities. O.V. : Sociale situatie: - Alleen - Passief publiek (leeftijdsgenootje zonder hoofdtelefoon) - Co-actief (leeftijdsgenootje met hoofdtelefoon) A.V. : seconden lachen en glimlachen => sociale facilitatie Wanneer treed nu welk effect op? Op naar een formulering Experiment sociale inhibitie bij parkieten Allee en Masure (1936) Parkieten moeten door een donker doolhof naar een uitgang Elias Biesmans 12

13 => Parkieten vonden hun weg beter alleen => sociale inhibitie Experiment sociale facilitatie bij mieren Chen (1937) Mieren in een fles verplaatsen zand (nestbouw) O.V. Sociale situatie => Alleen, met twee en met drie A.V. Hoeveelheid gram zand verplaatst => In sociale situatie werd per mier meer zand vervoerd => sociale facilitatie CONCLUSIE: - Geen gesofisticeerde processen nodig voor SI/SF - Tijdsgeest en culturele context zeker geen grote rol 1 e denkspoor => co-actieve ander vs passief publiek = gefalsifieerd. (Chapman) 2 e denkspoor => intellectuele vs motorische prestatie = gefalsifieerd (Allport) 3 e denkspoor => Aanwezigheid anderen zorgt voor facilitatie bij performantie en inhibitie bij leergedrag. Performantie: gemakkelijke gedragingen voor een deelnemer (instinctief of niet instinctief goed geleerd gedrag) Leergedrag: Moeilijke gedragingen voor een deelnemer: instinctief niet goed geleerd gedrag. 3 e denkspoor = onder invloed van Zajonc maar heeft nog toetsing nodig: Experiment kakkerlaken Zajonc, Heingartner en Herman (1969) kakkerlakken moeten door een doolhof naar een donkere fles vluchten O.V. 1: Moeilijkheidsgraad doolhof => makkelijk of moeilijk O.V. 2: Sociale aanwezigheid => Alleen, co-actief (2 kakkerlakken) of met passief publiek A.V. Tijd die kakkerlakken er over deden => Sociale faciliatie in makkelijk doolhof (met meer = sneller) => Sociale inhibitie in moeilijk doolhof (met meer = trager) Experiment Facilitatie/inhibitie bij mensen Schmitt, Gilovich, Goore en Josoph (1986) deelnemers deden zogezegd onderzoek over sensorische deprivatie, maar eigenlijk was het invoeren van hun gegevens (naam) het feitelijke onderzoek. O.V. 1: Moeilijkheidsgraad taak => naam typen (makkelijk) of achterstevoren met een nr in een stijgende volgorde (moeilijk) O.V. 2: Sociale aanwezigheid: - Alleen - Passief publiek (met rug naar deelnemer + hoofdtelefoon en blinddoek) - Toekijkend publiek (proefleider die meekijkt over schouder) A.V. Aantal seconden nodig voor elke taak => Geen significant verschil passief/actief toekijkend publiek => Wel significant verschil tussen alleen en wel toekijkend Elias Biesmans 13

14 Sociale activeringstheorie: 1. Arousal verhoogt als het individu in het gezelschap is van een soortgenoot. Arousal: Verhoogde fysiologische activiteit => Paraatheid Bloeddruk Hartslag 2. Verhoogde arousal zorgt ervoor dat individu de dominante respons uitbrengt. Responscompetitie: Competitie tussen niet-compatibele reacties (responsen). Winnaar = dominante respons Compatibele reacties: Reacties die tegelijk kunnen uitgebracht worden 3.Dominante respons is niet of wel correct Bij performantie is dominante respons juist => facilitatie Bij leergedrag is de dominante respons niet juist => inhibitie Toetsing sociale activeringstheorie vereist valide meting van dominante respons, 3 mogelijkheden: 1. Voorafgaand onderzoek naar responshiërarchie. 2. Voorafgaande leerfase dat bepaalde respons dominant/ondergeschikt maakt. 3. Stimulus gebruiken waar vooraf van ondersteld wordt hoe deelnemers reageren. Experiment turkse woorden (gebruikt 2 de benadering) Zajonc en Sales (1966) Deelnemers moesten turkse woorden nazeggen. Daarna subliminale perceptie van woorden en trachten te zeggen wat ze zagen. O.V. 1: Frequentie uitgesproken woord (1,2,4,8 en 16) O.V. 2: Sociale aanwezigheid => alleen of met 2 toeschouwers A.V. Frequentie genoemde woorden tijdens herkenningstaak => Creëren van een responshiërarchie gelukt (dominante woorden) Meer dominante responsen in sociale dan in alleen situatie (interactie) OPMERKING: geen juiste/foute antwoorden en dus geen facilitatie/inhibitie Experiment vriendelijkheid proefleidster (gebruikt 3 de benadering) Thomas, Skitka, Christen en Jurgena (2002) Dekmantelonderzoek => nadien proefleidster beoordelen (gesloten omslag) Elias Biesmans 14

15 O.V. 1: Vriendelijkheid proefleidster : (on)vriendelijk O.V. 2: Sociale aanwezigheid: Alleen of met co-actieve A.V. : Beoordeling vriendelijkheid (1-5) => manipulatie geslaagd ( niet/wel vriendelijk) => Groter verschil in sociale situatie : - méér vriendelijk beoordeeld - méér onvriendelijk beoordeeld Experiment arousal Martens (1969) Aanleren van motorische taak (ongespecificeerd), Palmar Sweat Index (PSI) gebruiken als indicatie van arousal. O.V. Sociale aanwezigheid: Alleen of niet toekijkend publiek (10 medestudenten) => Sociale inhibitie: deelnemers leerden trager met toekijkend publiek => Toename arousal in sociale situatie Experiment bloeddruk Bell, Loomis en Cervone (1982) bloeddruk van deelnemers wordt gemeten tijdens het uitvoeren van een reactiesnelheidstaak (oplichtend lampje induwen) O.V. : Sociale aanwezigheid: Alleen of met andere deelnemer A.V. : Bloeddruk en reactiesnelheid => Sociale facilitatie + verhoging bloeddruk Het effect van de sociale situatie op prestatie werd gemedieerd door arousal Is louter aanwezigheid wel voldoende? Experiment Turkse woorden VOL 2 Cottrell, Wack, Sekerak en Rittle (1968) opnieuw aanleren van Turkse woorden hetzij met andere frequenties O.V. 1: Frequentie woorden : (1,2,5,10 en 25) O.V. 2: Sociale aanwezigheid - Alleen - twee toekijkende anderen - twee niet toekijkende anderen (geblindoekt) => anders dan bij Zajonc A.V. : Frequente genoemde woorden tijdens herkenningstaak => Zelfde resultaten als bij Zajonc en Sales. MAAR zonder verschil alleen en niet toekijkend CONCLUSIE: Evaluatievrees => arousal Kritiek van Zajonc op Cotrell: - Alleen conditie was niet echt alleen (intercom + glazen wand) Elias Biesmans 15

16 => mere presence moet worden gerealiseerd zonder evaluatievrees 1. Dieren gebruiken: - evaluatievrees is vrij onwaarschijnlijk. - Alleen conditie goed realiseerbeer 2. - Alleensituatie is onmiskenbaar een echte alleensituatie. - Mere prescence conditie waarbij deelnemer zich niet geobserveerd kan voelen => Zie experiment Schmitt (1968) : invullen naam op computer Sociale activeringstheorie bewezen? => Niet echt maar wel meeste falsificatiepogingen overleefd 3 groepen in de literatuur: - Drive theorie: sociale activering door mere presence krijgt centrale rol (meest spaarzame) - Hypothesen die evaluatievrees meer een centrale rol geven - Distractietheorieën: informatiewerking wordt verstoord door aanwezigheid anderen 4.2 Impliciete sociale invloed: meerderheidsinvloed Experiment basisparadigma van Asch Asch (jaren 50) Visuele perceptietaak zeggen van de drie lijntukken even groot was als het getoonde lijnstuk en dit over verschillende condities. 1 deelnemers en 6-8 pseudodeelnemers. Echte deelnemer antwoordt altijd als voorlaatste. 18 proefbeurten: 6 werden juist beantwoord 12 fout (cruciale beurten) => 36.7% fout! (in C.C. 99% juist) Verassend veel niet-autonoom => grote individuele verschilllen (25% altijd juist, ½ meer dan 25% fout) => deelnemers minimaliseerde invloed meerderheid: Eerder informatieve dan normatieve invloed Mensen volgden groep omdat die bepaald antwoord zeiden => ontkende dus het blindelings volgen. Determinanten van sociale invloed 1. Gelijk hebben en gelijk krijgen => variant waar Asch zei dat hij op het einde van de sessie de lijnstukken ging meten = evenveel fouten (36.7%) 2. Steun van een geestverwant PARADOX: als het van iemand anders afhangt of je autonoom oordeelt is je oordeel niet meer autonoom. => variant met 1 bondgenoot (zei het juiste) => deed het aantal fouten dalen tot 4% => overlopende bondgenoot in de helft => 1 ste helt 5% fouten 2 de helft 28.5% Mensen ontkenden invloed bondgenoot Elias Biesmans 16

17 => Variant met 1 dissident (zegt een ander fout antwoord) => 9% fouten en niet significant hoger dan 5% (bondgenoot) CONCLUSIE: sociale steun is niet noodzakelijk, doorbreken van de unanimiteit van de meerderheid wel. 3. Rol van trivialiteit van beoordelingstaak - Moest niet getest worden vanwege duidelijke indicatie van stress en eenzaamheid Moest je toch echt twijfelen: Experiment proffen bepalen inhoud bol Hoefler-nissani (1992) dekmantel voor nieuwe leermethode. Natuurwetenschappers maken opdrachten uit nieuw leerboek en maken erna een examen. - 6/19 gaven aan formule uit het hoofd te kennen. Moesten dan inhoud berekenen(1) en toetsen(2) (in een maatbeker gieten) Foute formule in het boek dus behoorlijke discrepantie tussen 1 en 2. => Van de 19 gebruikte maar één niet de formule uit het boek. 4.3 Impliciete sociale invloed: minderheidsinvloed Omgekeerd paradigma Asch Opnieuw lijnstuk bepalen. 15 deelnemers met 1 pseudodeelnemer op plaats 7. => 0% fouten + superioriteitsgevoel en uitsluitingsgedrag (uitlachen). Ontkenden ook enige beïnvloeding PARADOX: Enkeling heeft invloed en dus macht op het gedrag van een groep. Hoe kan een minderheid invloed uitoefenen? Serge Muscovici: Macht meerderheid op minderheid = factor van stabiliteit. Sociale verandering: Meerderheid volgt minderheid Meerderheid informatieve invloed op overt oordeel minderheid door het veranderen van covert oordeel. => In een ambigue situatie de meerderheid volgen Meerderheid normatieve invloed op overt oordeel minderheid zonder veranderen covert oordeel. => Meerderheid volgen zonder aanpassing van private overtuiging Minderheid informatieve invloed op overt oordeel meerderheid door veranderen covert oordeel door informatie die meerderheid niet langer kan negeren = aanpassing private overtuiging. => De bewijzen dat de aarde wel degelijk rond was Elias Biesmans 17

18 Conformisme: Sociale beïnvloeding Innovatie: Sociale verandering Innovatie bekomen door minderheidsparadigma Minderheidsparadigma: Innovatie bekomen door consequente gedragsstijl van minderheid. Experiment paradigma van Muscovici Muscovici (1969) Deelnemers beoordelen in groepjes van 6 dia s naar kleur en kleurintensiteit. In werkelijkheid waren alle dia s blauw. 2/6 waren pseudodeelnemers C.C. : 1/22 deelnemers noemde 2/36 groen. O.V. : Antwoorden van pseudodeelnemers: unaniem groen of 24 groen en 12 blauw A.V. : Beoordelingen deelnemers => Unaniem groen = 8.4% fouten => 24 groen en 12 blauw = 1.25% fouten CONCLUSIE: Consequente gedragsstijl van minderheden is belangrijke determinant => verandering privaat oordeel Meta-analyse: Wood, Lundgren, Ouellette, Busceme en Blackstone (1994) Ook in private omstandigheden heeft een meerderheid meer invloed dan een minderheid. Het verschil tussen beiden is dus niet louter een verschil in beïnvloeding van de coverte overtuiging. Experiment argumenteren Weaver, Garcia, Schwarz en Miller (2007) Deelnemers lezen uittreksel van een debat over het reserveren van een vrije ruimte in New Jersey O.V. : Argumentatie over reserveren van vrije ruimte (altijd voor) 1. 1 lid geeft 1 argument 2. 1 lid geeft 3 verschillende argumenten 3. 1 lid geeft 3 dezelfde argumenten (in vervolgonderzoek) 4. 3 leden geven elk verschillend argument A.V. : schatting standpunt van de hele groep => 4 > 1 (logisch voor groep!) => 2 > 1 EN 3 > 1 Herhalen argumenten wekt de indruk dat meer groepsleden dat standpunt delen. => (Waarheidseffect) CONCLUSIE: Meederheidsbeïnvloeding = meer instemming zonder bekering Minderheidsbeïnvloeding = meer bekering zonder instemming (valideringsproces) Elias Biesmans 18

19 4.4 Expliciete sociale invloed: het inwilligen van verzoeken Milgram herneemt asch zijn studies en verlegt wegens indrukwekkende reultaten zijn focus van impliciete invloed naar expliciete invloed (bleek al vanaf het begin het plan te zijn). Publicaties over het algemeen vaag maar tot op de dag van vandaag nog de moeite waard om bestudeerd te worden. Experiment (finale voorproef) Milgram Kort: Resultaten volgens publicaties: - Vrijwel allen tot maximumschok - Grote verbazing - Sterke teleurstelling (onderzoek impliciete invloed) Resultaten volgens notities en brieven: - Allen tot maximum - Al te verwachten op basis van voorproeven - Enige teleurstelling in verband met studie impliciete invloed - Vooral blijdschap ophefmakend fenomeen De officiële milgramstudies: Valide steekproven maar behalve 1 uitzondering altijd getest op mannen. Eerst proefsessie (10 beurten waarvan 7 fout) => schok 7 werd gehaald Niet meer vermeld spijtig: voet in deur effect genegeerd. 4 aansporingen, laatste beval erna einde Of na 3 keer max stroomstoot => einde Elias Biesmans 19

20 Vele variaties: 1. Psychologische nabijheid leerling Condities: Minimaal contact: S20: gebons + geen antwoord, S21: gebons daarna stil => (65%) Auditief contact: S10: ik wil stoppen, S20: ik doe niet meer mee => (62.5%) Auditief + visueel contact: leerling niet meer in afzonderlijke ruimte => (40%) Auditief + visueel + tactiel contact: vanaf S20 hand op plaat duwen => (30%) => Macht verschoof van ploegleider naar deelnemer. 2. Kwetsbaarheid leerling Leerling had last van zijn hart S10: Wilt stoppen S22: laatste levensteken Identiek aan auditief contact => (65%) 3. Geslacht deelnemers Resultaten vrijwel identiek (65%) verklaring: - mannen agressiever en minder empatischer dan vrouwen - vrouwen meer geneigd verzoeken in te willigen dan mannen => Twee tegengestelde krachten aan het werk? OPMERKING: proefleider en leerling waren nooit vrouwen 4. Nabijheid proefleider Via telefoon: deelnemers rebelleerden => (22.5%) Via bandopname: cijfers ontbreken Proefleider kwam terug als leerling niet verder wou: cijfers ontbreken 5. Uitstraling leerling en proefleider Zachte proefleider en autoritaire leerling => 20/40 ging door tot einde = behoorlijk minder dan basislijnconditie => beschouwd als onbeduidend 6. Veiligheidsgarantie Yale In sober gebouw en door onbekend bureau => 47.5% tot einde = (volgens Milgram) niet significant verschillend 7. Impliciet sociaal contract Leerling tekent contract zodat hij ten allen tijde mag stoppen S10: Vraagt om te stoppen => 40% tot max, slechts ¼ gaf aan te stoppen vanwege contract Elias Biesmans 20

21 8. Inhoud instructies Geen instructies over oplopende intensiteit (geef maar wat je wil) => 2 gingen verder dan S10, 1/40 tot max 9. Welk verzoek/wiens verzoek Stilzwijgend reductie van deelnemers: van 40 naar 20 (en in één geval 16) Spelen met rollen Proefleider en leerling - 2 e pseudodeelnemer (burger) nam rol over van proefleider => 20% tot max (4/20) - Proefleider vroeg te stoppen, terwijl leerling aangaf dat niet te willen => iedereen stopte na S10 (persoon die effectief de schokken krijgt heeft amper invloed) - Leerling durft pas als proefleider voordoet (PL krijgt schokken) => Alle deelnemers stopten na S10-2 Proefleiders maar één wordt wegens afwezigheid gedegradeerd tot leerling => 65% max - 2 proefleiders: na S10 vraagt ene te stoppen, andere vraagt verder te doen => slechts 1/20 gaat verder na S Ik ben maar een radartje - Pseudodeelnemer: gewone medeburger stelt voor de rollen om te draaien als deelnemer niet meer wilt. (onderzoek met 16 deelnemers) => 68.75% tot max (paar agressieve helden) - Deelnemers moesten enkel noteren => 92.5% tot max - 3 leraren : 1 stopt na S10 tweede na S14 => 10% tot max, S16 gemiddeld Kritische bedenkingen bij onderzoek Milgram: Minimaliseert sommige effecten: - prestige onderzoeksinstelling => volgens Milgram geen significant verschil MAAR VH eenzijdig getoetst => P = Uitstraling (vriendelijke) opdrachtgever en (assertief) slachtoffer => volgens Milgram onbeduidend MAAR effect bijna even groot als bij onderzoeksinstelling Niet verklaarde verschillen in steekproefgroottes Eerste studies: 40, later 20 en nog later 16 Alleen uit tabellen af te lezen Gebrek aan onderzoeksethiek - Negatieve impact op deelnemers geminimaliseerd => zelfbeschrijvingen rooskleurig geïnterpreteerd Elias Biesmans 21

22 - Onvolledige debriefing van veel deelnemers Problematische verslaggeving - Suggestieve interpretaties - overzichtsboek bevat zeer selectieve en herschikte reeks studies - documentaire selectief en minstens een deel in scène gezet Conceptuele replicaties van het Milgramonderzoek Experiment ontmoedigende opmerkingen Meeus en Raaijmakers (1986) deelnemer neemt sollicitatiegesprek af voor een ambtenarenpositie. Deelnemer ontmoedigt sollicitant (via 15 in intensiteit toenemende opmerkingen) => zogezegd om te zien of psychologische stress prestaties bevordert of schaadt. Proefleider loog ook tegen pseudodeelnemer over experiment => Pseudodeelnemer raakt steeds meer ontmoedigd en wil stoppen => Deelnemer krijgt 4 aanmoedigingen A.V. : Opmerking waar deelnemer stopt - Na opmerking 15 of na 4 aansporingen Experiment 1: C.C. : Deelnemers moesten niet alle opmerkingen geven => niemand ging door tot opmerking 15 Experimentele conditie => 91.7 % ging tot max, gemiddelde: Experiment 2: - Proefleider in andere ruimte, aansporingen telefonisch => 36.4% tot max, gemiddelde: testers, 2 pseudotesters vallen af na opmerking 8 en 10 => slechts 3/19 (15.18%, gemiddelde: 10.22) gingen door tot einde Zeer vergelijkbaar aantal leraren bij Milgram Experiment discriminatie huidskleur Brief, Dietz, Reizenstein Cohen, Pugh en Vaslow (2000) Blanke deelnemers beoordelen geschiktheid kandidaat na het lezen van een profiel. - 7 blanke kandidaten (2 voldeden aan eisen) - 3 zwarte kandidaten (voldeden alle 3 aan eisen) Brief van CEO: neem geen minderheden aan C.C. : zonder brief => 1.8 zwarte kandidaten Experimentele conditie met brief => 0.8 zwarte kandidaten Elias Biesmans 22

23 Variant: - 5 blanke kandidaten (3 voldeden aan eisen) - 3 zwarte kandidaten (voldeden alle 3 aan eisen) Beoordelen op schaal 1-5 op kwaliteit C.C. : zonder brief => beoordeling zwarte kandidaten = 4.3 E.C. 1: met brief => beoordeling zwarte kandidaten = 3.8 (significant) E.C. 2: met brief + boodschap negeren brief => beoordeling zwarte kandidaten = 4.1 (niet significant) President was niet fysiek aanwezig maar had toch macht => Proefleiders bij Milgram en van Meeus en Raaijmakers verloren hun macht in die situatie Verklaring van Milgram (grotendeels niet toetsbaar) Agentic Shift: Overgang van normaal autonoom naar uitvoerder van bevelen (agentic state) wordt agentic shift genoemd Omstandigheden: - Iemand presenteert zich als leider - Deze is in positie en legitiem om de leiding op zich te nemen - Mensen beschouwen zichzelf als doelpubliek leider => doelstellingen leider kunnen zinvol omkaderd worden - instructies passen in leidinggevende rol Gevolgen agentic shift: Evalueren eigen gedrag => Enkel taakuitvoering en indruk op leider telt => Geen zelfverantwoordelijkheid Eigen gedrag lijkt irrelevant op zelfbeeld => mensen voelden zich wel degelijk slecht! Kenmerken agentic shift: - Soms onweerstaanbaar - Moeilijk omkeerbaar (angst voor sancties leider) - Gebeurt meestal slechts gedeeltelijk Hypothesen nooit door Milgram getoetst maar getrokken predicties overwegend gefalsifieerd Experiment ontluikende sociale identiteit Reicher, Haslam (2011) Deelnemers zien zichzelf als iemand die bij proefleider hoort: - Hechte groep (unaminiteit) - Proefleider schat deelnemer naar waarde Elias Biesmans 23

24 - Proefleider erkent deelnemer als groepslid => deelnemer handelt in belang van de groep waartoe ze zich bevinden VERKLARING: verzoeken worden ingewilligd, bevelen niet! 4.5 Impliciete en expliciete invloed: fundamenteel verschillend? Milgram heeft altijd het verschil tussen conformisme en gehoorzaamheid benadrukt. Verschillen: Impliciete invloed: tussen gelijken, expliciete invloed: in een hiërarchie Impliciete invloed: imitatie, expliciete invloed: geen imitatie Impliciete invloed: druk wordt onderschat, expliciete invloed: bewust van externe druk Experiment interview studentenervaring Vorauer en Miller (1977) deelnemer 1 werd geïnterviewd door een tweede deelnemer over zijn/haar ervaring aan de universiteit. O.V. deelnemer 1 krijgt een inkijk in een reeds ingevulde vragenlijst - Vragenlijst is overwegend positief ingevuld - Vragenlijst is overwegend negatief ingevuld A.V. : Beoordeling Dn 2 beoordeelt hoe Dn 1 universiteit ervaart => werkelijke indruk - Dn 1 beoordeelt hoe zijn ervaring bij Dn 2 is aangekomen => verwachte indruk => vooraf positieve vragenlijst lezen laat een positieve indruk achter ( Dn 2 wist niets af van deze eerder vertoonde vragenlijst) => Impliciete sociale beïnvloeding Er was geen significant verschil bij de verwachte indruk Elias Biesmans 24

25 Experiment eigenaars ipod Pronin, Berger en Molouki (2007) vragen aan studenten in hoeverre hun aankoop van een ipod beïnvloedt werd door het feit dat medestudenten er ook één bezitten 1-9 schaal => 3.3 => mensen ontkennen dus conformisme en dus impliciete invloed Milgram had dus gelijk? Ontkennen impliciete, benadrukken expliciete invloed. => Nee ook expliciete invloed werd ontkent CONCLUSIE: cruciale determinant van benadrukken of ontkennen van sociale invloed is dus niet omdat die invloed expliciet of impliciet zou zijn MAAR wel wat het effect is op ons zelfbeeld en onze indruk op anderen HOOFDSTUK 5: Attitudes Attitudes: vakterm voor gezindheid, instelling en mentaliteit Een evaluatieve houding bestaande uit een cognitief en een affectief aspect. Cognitief aspect: de descriptieve (beschrijvende) kennis over het attitude-object Affectief aspect: de evaluatieve component van een attitude, positieve/negatieve gevoelens die het attitude-object bij een individu oproepen. Determinant van evaluatieve aspect van gedrag - Richtinggevend en dynamiserend => op gedrag - Relatief duurzaam - Pre-situationeel (attitude is er eerst voor je dus in een situatie terechtkomt) - Zeer algemeen tegenover diverse objecten De grote intra-individuele stabiliteit en interindividuele verschillen van evaluatief gedrag suggereren dat interne eigenschappen van het individu het gedrag mee beïnvloeden en misschien wel meer dan in situationele factoren. Elias Biesmans 25

26 5.1 De (voorspellende waarde van) metingen van attitudes De metingen van attitudes door zelfbeschrijvingen Probleem attitudes zijn covert. => Oplossing zelfbeschrijving? 3 Deelveronderstellingen 1. Mensen weten wat hun attitude is. 2. Ze zijn bereid hun attitude mee te delen 3. Naast de attitude zijn er geen andere determinanten van zelfbeschrijvingen => VRIJWEL ONMOGELIJK 1. Gaan proberen te antwoorden want dit is de norm => sociale wenselijkheid Deelnemer heeft soms vermoeden wat de onderzoeker wil onderzoeken => vraageffect 2. Deelnemer geeft vaak andere antwoorden dan hun echte attitude omwille van sociale normen => zelfbeeld oplossing anoniem? => nee, naïef! 3. Door verschillende factoren beïnvloed. Waaronder bv de situatie waarin iemand met een attitude-object te maken krijgt. CONCLUSIE: attitude-objecten met gevoelige sociale normen zijn meer kwetsbaar voor sociale wenselijkheid => Zelfbeschrijvingen zijn niet waardeloos, maar mogen niet als valide meting van attitudes opgevat worden! Analyse zelfbeschrijving en niet verbaal gedrag Allan Wicker (1969) analyse zelfbeschrijvingen van attitudes met observeerbare gedragingen tegenover uiteenlopen attitude-objecten. => weinig correlatie tussen de twee Niet vreemd, het zijn twee verschillende gedragingen met elk verschillende versterkingcontingenties. => Sociale wenselijkheid van attitudes en gedrag Bv spieken wordt als sociaal niet wenselijk beschouwd (sociale straf) Goede punten daarentegen worden wel sociaal aangemoedigd Elias Biesmans 26

27 Mogelijke onderzoeken zwakke correlatie - Attitude tegenover CONCRETE gedragingen voorspellen gedragingen tegenover attitudeobject => afbreuk potentiële waarde attitudeconcept - Attitudemetingen moeten gebeuren in dezelfde situatie als niet-verbale gedrag en met beperkte tussentijd => Afbreuk kracht attitudebegrip, verlies van duurzaamheid en situatie-onafhankelijk Andere onderzoeken? Attitudes + gedragsdeterminanten voorspellen gedrag Subjectieve norm: welk gedrag anderen wenselijk vinden. (hangt ervan af welk gewicht individu aan hun mening geeft) Subjectieve macht: mate waarin individu meent gedrag naar eigen wens uit te brengen => hoe meer determinanten, hoe meer afbreuk veronderstelde eenvoud van een attitudebenadering van het gedrag Attitudes hebben vaak weinig bijdrage aan voorspelling overt gedrag. 1. metingen attitudes valide => geen belangrijke determinant van niet-verbaal gedrag 2. attitudes wel determinant niet-verbaal gedrag => zelfbeschrijving geen goede meting. Oplossen probleem zelfbeschrijving Bogus pipeline: Onderzoeker neemt deelnemer in de waan dat ze bv leugens kunnen detecteren via niet verbaal gedrag. Probleem: waarom verbale zelfbeschrijving van attitudes als je toch iemand attitude kan afleiden uit niet-verbaal gedrag. Oplossing: indirecte metingen Indirecte metingen: metingen gebaseerd op zelfbeschrijving maar proefpersoon weet niet dat het een attitudemeting is of kan zijn gedrag niet bewust controleren. => uitkomst geen impliciete attitudes te noemen, eerder direct vs indirect gemeten attitudes Experiment indirecte meting APT: Affective priming test Fazio, Jackson, Dunton en Wiliams (1995) dekmantel onderzoek over herkennen betekenis woorden 1. Woorherkenning: possitief/negatief => responstijd wordt gemeten 2. Maken van 2 dekmantel taken 3. Verschijnen van gezicht (blank/zwart) gevolgd door een woord (pos/neg) onthouden van gezichten en categoriseren van woorden. Het verschil in reactietijden tussen deze taak en taak 1 geven de attitudes weer tegenover groepen mensen. => Bij blanke deelnemers langere responstijd bij positieve woorden na zwarten Elias Biesmans 27

28 En na negatieve woorden na blanken + grote individuele verschillen Enkele conclusies van Fazio - Gedrag tegenover attitude-objecten waar (in)directe metingen verschillende scores geven => indirecte meting voorspeld beter - Gedragingen die au fond neerkomen op zelfbeschrijving (of grote zelfbeschrijvingscomponent hebben) zijn beter te voorspellen door zelfbeschrijving => goede gedragsvoorspelling = combinatie direct en indirecte metingen 5.2 Vorming van attitudes Signaalleren: aantal keren optreden van neutrale prikkel gevolgd door een belangrijke betekenisvolle gebeurtenis zorgt ervoor dat het individu leert dat die neutrale prikkel de gebeurtenis voorspeld. Evaluatief leren: neutrale prikkel krijgt betekenis door samengaan met betekenisvolle gebeurtenis. Zie onderstaand schema neutrale prikkel + onvoorwaardelijke prikkel onvoorwaardelijke respons neutrale prikkel wordt voorwaardelijke prikkel voorwaardelijke respons Onderscheid in verband met gedrag: Signaalleren: leert gebeurtenis voorspellen => hoe omgaan met onvoorwaardelijke prikkel. Evaluatief leren: secundaire versterker/straf kan ontstaan => gebeurtenis zonder belang maar die wel samen optreedt met belangrijke gebeurtenis => deze gaan opzoeken of vermijden Kenmerken: Signaalleren: - Nood aan contingentie* en contiguïteit * moet uiteraard waargenomen worden - neutrale prikkel als voorspeller => moeilijk om ook andere prikkels als voorspeller aan te leren. => biologische betekenis: eenmaal goede voorspeller, geen nood aan meer voorspellers => anders cognitief belastend Evaluatief leren: - Enkel nood aan contiguïteit - Een zelfde gebeurtenis kan betekenis geven aan meerdere neutrale prikkels (en andersom? => 1 prikkel betekenis gegeven door meerdere gebeurtenissen - Evaluatief leren speelt rol bij vorming attitudes en eerder gevormde attitudes => via evaluatief leren gevormde attitude is robuust en moeilijk te veranderen Elias Biesmans 28

29 Experiment E.L. bij ontwikkeling van attitudes Baeyens, Eelen en Van den Bergh (1990) 1. Beoordelen aantrekkelijkheid gezicht => 3 aantrekkelijke, 3 onaantrekkelijke en 12 neutrale => neutrale prikkel => de A en OA waren de onvoorwaardelijke prikkel 2. Feitelijke leerfase Deelnemers zien elk paar gezichten 10 keer Combinatie van paren: (telkens 3 paren) O.A met neutraal A. met neutraal Neutraal met neutraal => feitelijke koppeling van neutrale prikkel met onvoorwaardelijke respons A.V. aantrekkelijkheid beoordelen + welke gezichten samenhoorden => Neutraal gezicht werd (on)aantrekkelijker bevonden. Ongeacht of deelnemers de samenhang konden rapporteren Experiment Evaluatief leren veranderd bestaande attitudes Olsen en Fazio (2006) 1. conditioneringsfase: 8 foto s van zwarten + positieve prikkel 8 foto s van blanken + negatieve prikkel Prikkel was telkens beeld van beroep => deelnemers herinnerden niet meer welke foto s met welk beeld gelinkt waren 2. APT => responsverschil C.C.: sporen racisme bij positieve woorden (grotere responstijd zwarte + positief beeld) E.C. : Geen racisme meer + (niet significante) gunstige attitude tegenover zwarten => attitudes tegenover sociale groepen kunnen worden veranderen door evaluatief leren! (omwille van prikkelveralgemening) Prikkelveralgemening: andere neutrale prikkels krijgen een evaluatieve betekenis omdat ze lijken op prikkels die in het leerproces aanwezig waren => vooral als de neutrale prikkel in de loop van het leerproces helemaal niet optreedt. Prikkeldiscriminatie: neutrale prikkel die lijkt op in een leerproces betekenis gegeven prikkel blijft neutraal of krijgt tegenovergestelde betekenis => die prikkel moet dan af en toe zonder gepaard te gaan met de onvoorwaardelijke prikkel voorkomen. Evaluatief leren kan onbewust plaatsvinden alsook attitudevorming Contactconditionering: Elias Biesmans 29

30 Mere exposure: nieuw attitude-object herhaaldelijk blootstellen kan gunstige attitude tegenover dat object doen ontstaan. Experimenten mere exposure Zajonc (1968) 1. Turkse woorden (adjectieven beoordelen) => O.V. : frequentie van aangeboden woorden 2. Chinese karakters => O.V. : frequentie aangeboden karakters 3. Foto s van mannen => O.V. : frequentie aangeboden mannen A.V. beoordelingen van objecten (1-6 schaal- => hoe meer aangeboden hoe aangenamere beoordeling Vraageffecten als verklaring voor mere exposure? => artefacten verklaring Zou impliceren dat mere exposure enkel optreedt bij: 1. Mensen 2. Als aanbiedingsfrequentie binnen proefpersoon wordt gemanipuleerd en deelnemers zijn zich hiervan bewust. 3. Als attitudes gemeten worden via zelfbeschrijving die deelnemers naar willekeur kunnen aanpassen Weerlegging: 1. Mere exposure treedt ook op bij dieren (met muziekstukken) 2. Mere exposure treedt ook op bij niet opgemerkte verschil in aanbiedingsfrequentie: Aangetoond met experiment vrouwen in college Moreland en Beach (1992) vrouwen (pseudodeelnemers) woonden in verschillende frequenties de colleges bij. Binnenproefpersoonsmanipulatie => proefpersonen doen alle proeven (iedereen ziet alle vrouwen) O.V. : de frequentie (1,5,10 en 15) A.V. : beoordeling wenselijkheid tot vriendschap (0-100%) Beoordeling persoon (bipolaire dimensies) + aantal keren gezien => minder dan 15% had ze ooit gezien (bewust) Maar werden wel sympathieker geacht => meta-analyse: mere exposure zelfs sterker bij onbewuste aanbieding dan bij bewuste. Bijkomend experiment sublimale perceptie bij chinese karakters Monahan, Murphy en Zajonc (2000) Kort: combinatie binnenproefpersoonsmanipulatie en sublimale aanbieding Boden attitude-objecten aan (achthoeken of chinese karakters) Ofwel 5 objecten elk 5 keer of 25 objecten elk 1 keer => mere exposure effect was significant en veralgemeend naar alle figuren die er op leken => prikkelveralgemening Elias Biesmans 30

31 3. Mere exposure is ook vastgesteld bij andere metingen dan via bewust controleerbare gedragingen Aangetoond met experiment gezichtssensoren Harman-Jones en Allen (2001) 37 vrouwen beoordelen 10 foto s van vrouwen Daarna beoordelen foto s uit eerste fase en nieuwe foto s A.V. : gunstigheid van attitude gemeten via elektromyografie - lach en fronsspieren => foto s uit eerste fase als gunstiger beoordeel = mere exposure OPMERKING: deelnemers fronsten niet per se meer => mere exposure verhoogt positieve affecties maar verlaagt niet per se negatieve affecties Mere exposure niet gewoon een labfenomeen? Veldexperiment schilderijen Cutting (2003) Kerngedachte: vaak afgebeelde schilderijen als mooier beoordeeld - gebruikte voor experiment schilderijen van zelfde schilder en liet ze ter controle beoordelen door kinderen tijdens hoorcollege werd een zelden afgebeeld schilderij 4x vertoont. Een ander veel getoond schilderij werd eenmaal vertoont => op het einde in paar afgebeeld en studenten beoordeling welk het mooiste is => voorkeur populair schilderij was volledig verdwenen Experiment posters Schaffner, Wandersman en Stang (1981) deelnemers beoordelen geschiktheid van kandidaat (6 kandidaten) O.V. : aantal posters dat kandidaat toonde : (0, 20 of 200 posters) A.V. : rangschikking kandidaten + gezien of niet => mere exposure kandidaten met veel posters werden als geschikter beoordeeld - Mere exposure ook aanwezig bij smaken, geuren, tactiele en auditieve informatie -Bewuste herkenning of subjectieve vertrouwdheid is niet nodig - Ook verbazingwekkend veralgemeenbaar => Monohan (veelhoeken en karakters) => figuren die lijken op veel aangeboden figuren wordt ook als gunstiger beoordeeld = prikkelveralgemening Maar ook zeker prikkeldiscriminatie aanwezig! Elias Biesmans 31

32 Experiement selfie s beoordelen Mita, Dermer en Knight (1977) Deelnemers beoordelen foto s van persoon A. Deze worden beoordeeld door persoon A en een vriend(in) van persoon A A.V. : beoordeling hoe mooi foto is => Persoon A vindt zichzelf mooier in spiegelbeeld => Vriend(in) vindt foto mooier als hij normaal is Verklaring: Zichzelf in een spiegel zien = prikkeldiscriminatie Nog meer onderzoeken over prikkeldiscriminatie bij mere exposure (1 ste ) experiment aanbieden gezicht + een naam Zilva, Mitchel en Newell (2013) 1. Bieden deelnemers gezichten aan met onderstaande naam (24 foto s met naam elk 8x aangeboden). 2. Daarna beoordeelden de deelnemers de aantrekkelijkheid van de gezichten. Bij deze beoordeling waren er 3 condities aanwezig. O.V. : type foto 1. Gezicht uit fase 1 + zelfde naam 2. Gezicht uit fase 1 + andere nieuwe naam 3. Nieuw gezicht + nieuwe naam A.V. : Beoordeling aantrekkelijkheid gezicht (1-100) => mere exposure enkel als juiste naam bij gezicht stond = prikkeldiscriminatie => subtiele verandering contextprikkel (naam) elimineert mere exposure (O.V. 2) (2 de ) experiment Zelfde werkwijze als bij vorig experiment O.V. : type foto 1. foto s uit fase 1 + zelfde naam 2. foto s uit fase 1 + zonder naam 3. nieuwe foto s (niets gezegd over naam) => zowel 1 als 2 aantrekkelijker bevonden als 3 => weglaten contextprikkel (naam) verstoord mere exposure niet Verklaring: evaluatief leren? Mere exposure gaat niet terug op evaluatief leren want het vind ook plaats in onaangename omstandigheden. => predictie: mere exposure treedt alleen op als aanbiedingen in positieve omstandigheden plaatsvinden => als ze in onaangename omstandigheden plaatsvinden treedt er een omgekeerd effect op. Elias Biesmans 32

33 Experiment smaakperceptie Saegert, Swap en Zajonc (1973) deelnemers wandelen in een soort doolhof en moeten dingen proeven (ook niet lekkere dingen en dus aversieve prikkels). Komen tijdens wandelen andere deelnemers in verschillende frequenties tegen. O.V. : Frequentie andere kandidaat tegenkomen A.V. : Deelnemers beoordelen elkaar (1-7) => smaak speelde geen rol, wel de frequentie => mere exposure => spreekt mere exposure in termen van evaluatief leren tegen! Implicaties experiment Saegert: - Opwekken gunstige attitude met evaluatief leren wordt geholpen door mere exposure. - Opwekken ongunstige attitude met evaluatief leren wordt bemoeilijkt door mere exposure (door mere exposure ga je dingen juist aangenamer beoordelen) CONCLUSIE: Bij succesvol evaluatief leren van ongunstige attitudes is het evaluatief leren dus sterker dan contactconditionering (mere exposure) Maar welke factoren bepalen nu welk leerproces de bovenhand krijgt? Responscompetitie van Harrison (1968) Kerngedachte: Attitude-objecten zijn nooit echt nieuw => bevatten componenten die mensen al zijn tegengekomen => componenten hebben prikkelcontrole verworven op responsen die soms incompatibel zijn met elkaar => responscompetitie Responscompetitie => onaangenaam gevoel en dus ongunstig gevoel tegenover object. => na herhaaldelijk contact: responscompetitie => spanning verdwijnt => object aantrekkelijk Dit kan alleen maar als: - Responscompetitie leidt tot negatieve evaluatie prikkels - Responscompetitie daalt met herhaald contact - Afname responscompetitie leidt tot minder negatieve evaluatie prikkels - nieuwe prikkels lokken doorgaans negatieve evaluaties uit (eigenaardig => mere exposure vooral bij aanvankelijk neutrale objecten) - Toenemende positieve evaluatie is gevolg van daling negatieve evaluatie => weerlegd door Harman-Jones en Allen => Positief effect = lachspier => Negatief effect fronsspier Andere verklaring mere exposure: Processing fluency: Herhaaldelijk contact met prikkels vergemakkelijkt informatieverwerking => vlotter dan verwachte verwerking lokt positief affect uit Elias Biesmans 33

34 1. Verklaart tegenstrijdigheid specificiteit en veralgemeenbaarheid van mere exposure 2. Verklaart waarom effecten groter zijn bij subliminale aanbieding => iets meerdere keren supraliminaal zien doet je niet verassen over je informatieverwerking => niet zoveel positief affect 3. Verklaart niet enkel mere exposure maar ook andere determinanten van esthetische appreciatie, bv symmetrie en verschil contrast tussen figuur en achtergrond Positieve attitude tegenover iets abstract (theorie of argument) kan de vorm aannemen van het esthetisch mooi vinden ervan, maar ook van het waar achten ervan. Waarheidseffect: mensen gaan bewering waar ze vaker zijn aan blootgesteld als waarheidsgetrouwer percipiëren => bewezen ongeacht soort bewering, tijdsverloop en/of beoordeling bij eerste aanbieding. Experiment waarheidseffect Begg en Armour (1991) 1. Deelnemers krijgen stellingen te lezen met commentaar => commentaar suggereerde (on)waarheid stelling => moeten ze dan beoordelen op waarheid 2. Stellingen uit fase 1 + nieuwe stelling zonder commentaar beoordelen + al gezien? A.V. : waar of niet waar (1-7) => stellingen uit fase 1 meer waar bevonden dan nieuwe stellingen. Zelfs als oorspronkelijke commentaar onwaar suggereerde = mere exposure => goede reputatie verkrijgt door dingen te vermelden die je niet hebt gedaan Verklaringen: 1. Herhaling zorgt voor makkelijkere verwerking => positief affect 2. Mensen herinneren zich beter wat er gezegd is dan wie of wanneer het gezegd heeft 5.3 Attitudeverandering via gedragsverandering Cognitieve dissonantietheorie (Festinger) Uitgangspunt: iemands kennis is systeem van cognities Cognities: kleinste eenheid van kennis die op zinvolle wijze te identificeren is. Relaties tussen 2 cognitieve elementen: Irrelevant: Uit de ene cognitie volgt niets specifiek tegenaanzien van het andere Consonant: Uit de ene cognitie volgt logischerwijs het andere Dissonant: Uit de ene cognitie volgt logischerwijs het tegengestelde van de andere Relatie tussen 2 cognities bekijken = cluster van cognities rond die 2 cognities - Elke cognitie onderhoudt C/D relaties met cognities in zijn cluster - Ook deze cognities hebben C/D relaties onderling Elias Biesmans 34

35 Cognitie met zijn eigen cluster = centrale cognitie Relatie tussen 2 centrale cognities = centrale dissonantie/consonantie Totale dissonantie/consonantie : C/D binnen het systeem dat rond 2 centrale cognities draait Hangt af van: 1. Belang 2 centrale cognities 2. Gewogen proportie C/D relatie binnen en tussen clusters Cognitieve dissonantie is aversief (onaangenaam) - Mensen proberen het ontstaan ervan te voorkomen - Als ze toch ontstaan => toename vermijden + bestaande dissonantie reduceren/elimineren Dissonantiereductie: 1. Bijkomende consonante relaties zoeken 2. Belang consonante/dissonante relaties verhogen/verlagen 3. Inhoud cognities veranderen Veranderen inhoud cognities: 1. Cognities bieden weerstand tegen verandering: Ze verwijzen naar een realiteit, als je de cognitie verandert wijkt deze af van de realiteit => nieuwe dissonantie Implicatie: cognities over de buitenwereld zijn moeilijker te vervangen dan cognities over eigen gedrag 2. Cognities over overt gedrag ook meer bestand tegen verandering => verandering covert gedrag heeft minder risico s (niemand ziet het) Coverte gedragen vaak ook meer voor interpretatie vatbaar dan overte gedragingen Gevolg relatieve veranderbaarheid cognities: Als totale dissonantie tussen: Cognitie over overt gedrag en cognitie over eigen attitude tegenover een attitude-object voldoende groot is: Dan verandert eerder cognitie over eigen attitude Attitudecognitie minder dissonant met cognitie over overt gedrag => attitude wordt gedrag Hypothesen uit cognitieve dissonantietheorie 1. Voldoende sterke dissonantie tussen 2 clusters van cognities zorgt voor ongemak => verdwijnt na attitudeverandering 2. Als mensen tegenover attitude-object gedrag moet vertonen dat tegen hun attitude is => aanpassen attitude zodat deze meer conform is met gedrag 3. Vorige treedt sterker op naarmate gedrag minder beloond wordt want: Als beloning groot is => enkel gedrag tonen vanwege beloning => geen attitudeverandering Kleine beloning => niet goot genoeg om zomaar gedrag te tonen => attitude veranderen 4. Wanneer keuze tussen 2 objecten : - Gekozen object opwaarderen - Niet gekozen object devalueren Elias Biesmans 35

36 => verschijnsel is sterker naarmate keuze moeilijker is Moeilijker: belangrijke beslissing en/of alternatieve zijn ongeveer even aantrekkelijk. Aantrekkelijkheid alternatieven: weinig belangrijke cognities consonant met gemaakte keuze Veel belangrijke cognities die er dissonant mee zijn => grotere totale dissonantie => sterkere drang dissonantiereductie => grotere attitudeverandering 5. Als strafdreiging kleiner is zijn mensen na het wegvallen ervan meer geneigd het gedrag te blijven nalaten Bv: zware straf als je X doet reduceert dissonantie tussen Ik doe X niet en ik wil X doen => X zelf blijft aantrekkelijk Als straf voor X doen klein is => dissonantie weinig gereduceerd => totale dissonantie nog verminderen door: Ik wil X niet zo graag doen Onderzoek geïnspireerd door de cognitieve-dissonantietheorie Na ontwikkeling van indirecte methode: heropleving toetstingen Experiment tegenattitudinaal gedrag leidt tot attitudeverandering Festinger en Carlsmith (1959) 1. attitude kweken door 30 min saaie taak uit te voeren 2. Tegenattitudinaal gedrag uitlokken => andere pseudodeelnemer vertellen hoe leuk taak was (kreeg daar 1 of20 dollar voor en niets in C.C.) 3. Attitudeverandering meten deelnemer beoordeelt taak A.V. : beoordeling taak (-5 5) => C.C. = beleefd maar nogal saai Conditie met 20 dollar = (niet significant) Conditie met 1 dollar = 1.35 Grote beloning = geen attitudeverandering => gedrag puur vertoond door de beloning Kleine beloning = attitudeverandering => beloning niet genoeg om zomaar gedrag te vertonen en dus ook attitude veranderen Experiment re-evaluatie na keuze Brehm (1956) 1. Deelnemers kiezen hoe aantrekkelijk 8 voorwerpen zijn 2. Kiezen uit 2 door de proefleider aangeboden objecten O.V. : aantrekkelijkheid van deze objecten - Keuze uit een aantrekkelijk of onaantrekkelijk object (makkelijke keuze) - Keuze uit een aantrekkelijk en een ander aantrekkelijk object (moeilijke keuze) A.V. : Beoordeling aantrekkelijkheid voorwerp => gekozen object werd opgewaardeerd => niet gekozen object werd gedevalueerd => Evaluatieve verschil was groter naarmate keuze moeilijker was Elias Biesmans 36

37 Experiment foto s beoordelen a.d.v. APT Gawronski, Bodenhausen en Becker (2007) 1. Deelnemers kiezen mooiste foto eerst via APT => beide ongeveer even mooi beschouwd 2. Mogen dan kiezen welke foto ze mee naar huis nemen op posterformaat 3. Opnieuw beoordeling via APT => Gekozen foto = gunstigere attitude => Niet gekozen foto = ongunstigere attitude CONCLUSIE VAN ONDERZOEKERS: associatieve verankering van het zelf, mensen stralen eigenliefde af op object dat geassocieerd is of raakt met het zelf Verklaart niet waarom andere object gedevalueerd werd! Vereist geen gesofisticeerde cognitieve processen, en is niet afhankelijk van bewuste herinnering aan die keuze: Experiment postdecisierevaluatie na verschillende keuzealternatieven Shultz, Léveillé en Lepper (1999) 1. Kinderen beoordelen posters 2. Kiezen tussen twee posters 3. Opnieuw beoordelen posters O.V. moeilijkheid keuze 1. Mooie poster + lelijke poster (makkelijke keuze) 2. Mooie poster + mooie poster (moeilijke keuze) 3. Lelijke poster + lelijke poster (moeilijke keuze) A.V. : beoordeling gekozen poster => Na keuze 2. = devaluatie niet gekozen poster => Na keuze 3 = opwaardering wel gekozen poster Experiment deodorant beoordelen Coppin, Delplanque, Cayeux, Porcherot en Sander (2010) 1. Deelnemers beoordelen 12 deodoranten (1-10) 2. Onderzoekers maken op basis daarvan paren (even lekker ruikend, verschillende ruikend en resterend) 3. Deelnemers beoordelen opnieuw + aangeven geroken en of ze die toen verkozen hadden A.V. : beoordeling (1-10) => Deelnemers herkenden geuren maar herinnerden hun keuze niet meer => Ook sprake van postdecisie-revaluatie (gekozen werden beter beoordeelt dan niet gekozen) Elias Biesmans 37

38 Postdecisierevaluatie bij vierjarigen en capucijneraapjes Experiment stickers en snoepjes beoordelen Egan, Santos en Bloom (2007) 1. Kind/aap kiest tussen 2 stickers/snoep of krijgt er 1 v/d twee (geen keuze) 2. Kind/aap kiest tussen niet gekozen/gekregen en een derde alternatief => Bij keuzevrijheid vaker kiezen van 3 de alternatief = postdecisierevaluatie => Geen keuze: kinderen = 50/50 Aapjes = 60/40 (reactantie) Kritiek op dit alles: verschil attitudemetingen komt door wennen aan weegschaal of uitgebreid nadenken over alternatieven. Tegengesproken door experiment posters (Shultz, Léveillé en Lepper) waarbij in de controleconditie de kinderen de posters 2 keer beoordeelden en dan pas kozen. Verdere weerlegging Replicatie experiment stickers en snoepjes beoordelen Egan, Santos en Bloom (2010) - Keuze maken zonder weerspiegeling van voorkeur (door te grijpen in een zak) 1. Kind/aap kiest tussen 2 stickers/snoep of krijgt er 1 v/d twee (door te grijpen in zak) 2. Kind/aap kiest tussen niet gekozen/gekregen en een derde alternatief O.V. keuzevrijheid - Zelf de keuze van te grijpen - Geen keuze, werd gegeven en ander snoepje werd verstopt => Bij keuzevrijheid vaker kiezen van 3 de alternatief = postdecisierevaluatie => Geen keuze: Aapjes = 50/50 Kinderen = 65/35 (reactantie) IN KORT: Bij keuze devalueer je niet gekozen object daarom lijkt het derde neutraal aantrekkelijk object beter Elias Biesmans 38

39 Concurrenten van cognitieve dissonantie: zelfperceptie, zelfaffirmatie en evaluatieve gedragsaansteking Zelfperceptietheorie Kerngedachte: mensen leiden hun attitudes af uit hun gedrag - Situationele factoren beïnvloeden soort gedag => situatie dwingt zelfs (onbewust) tot gedrag. - Als persoon niet de indruk heeft dat het door situationele factoren is uitgelokt => afleiden dat ze een bepaalde attitude hebben Onaangename tegenspraak tussen wat je meende te weten of eigen attitude en wat je weet over eigen gedrag is irrelevant voor de mate waarin gedrag attitudeverandering veroorzaakt. => Dit was wel cruciaal in de cognitieve-dissonantietheorie Mensen leiden attitude af uit gedrag, ook al is gedrag in tegenspraak met attitude die ze huldigen. Moeilijk om CDT en zelfperceptietheorie tegenover elkaar te toetsen = vaak zelfde predicties Zelfperceptie enkel invloed van gedrag op attitudes zolang als het gedrag binnen lapitude of acceptance valt. Bv in de lijn van vooraf bestaande attitude maar iets extremer Zelfaffirmatietheorie Kerngedachte: legt uit waarom mensen ongemakkelijk worden van inconsistenties tussen wat ze weten dat ze gedaan hebben en wat ze weten dat ze aan overtuiging koesteren/verkondigen. => voorspelt in welke omstandigheden inconsistenties tussen gedrag en attitude leidt tot meer of minder veranderen van attitude. Hoge zelfwaardering: dissonantie cognities => persoonlijke integriteit beschermen => cognities activeren Lage zelfwaardering: minder zelfvleiende cognities => meer inspannen om inconsistentie op te heffen Evaluatieve gedragsaansteking Experiment the illusion of attitude change Nuttin en Beckers (1975) (Accidenteel gevonden) - Tegenattitudinaal gedrag treedt op bij zeer grote beloning, onverdiende straf of onverwachte omstandigheden => als individu van streek is Elias Biesmans 39

40 Hypothese: Tegenattitudinaal gedrag leidt niet tot attitudeverandering maar enkel tot verandering verbale zelfbeschrijving Personen zetten bij hun echte mening hun net vertoonde verbale gedrag voort => sterker naarmate ze minder hebben kunnen nadenken (bv door verwarring) => Verklaart attitudeverandering na tegenattitudinaal gedrag maar niet bv postdecisierevaluatie + CDT verklaart via indirecte metingen andere effecten van attitudeverandering CONCLUSIE: valt nog veel over te onderzoeken HOOFDSTUK 6: Stereotypes 6.1 Wat zijn stereotypes Stereotype: Een in het geheugen opgeslagen, georganiseerd en vereenvoudigd kennisgeheel over een groep personen Kenmerken: - Gedeeld binnen (sub) cultuur overlapping beeld met beeld van anderen - Verschillend idiosyncratisch of dus eigen aan individu: Verschil in termen van concrete groepen (astronauten of romanschrijvers) Eigen lidmaatschap groep verandert mening Persoonlijke kenmerken (bv iemand met veel/weinig belangstelling voor politiek) Over wie? Alle groepen maar in de praktijk vooral opvallende: - Groep is een minderheid - Groep heeft opvallende kenmerken Zelfstereotypering: je eigen groep stereotype eigenschappen toeschrijven Welke informatie? - Declaratieve kennis: wat meen ik te weten of groep - Affectieve reactie en normatieve verwachten => neiging om positief/negatief te staan tegenover groep Technische term overlapt dagelijks gebruikte term: 1. Vereenvoudigd maar niet per se oververeenvoudigd 2. Affectieve reacties moeten niet per se negatief zijn 3. Stereotypen kunnen juist/fout of daartussen zijn - Stereotypen zijn nuttig => anders kom je elke dag talloze onbekenden tegen waarover je niets weet Elias Biesmans 40

41 Vooroordeel: oordeel over groepsleden dat louter of mede op stand komt door stereotypen en niet of weinig door individuele kenmerken/gedragingen Discriminatie: Mensen op basis van hun groepslidmaatschap anders bejegenen dan mensen van andere groepen. (niet enkel bij wet verboden discriminatie) 6.2 Hoe stereotypen meten Zelfde probleem als bij attitude (affectieve aspect stereotype = attitude tegenover groep) => covert gedrag en dus zelfbeschrijvingen? => (eerder al gezien) PROBLEMATISCH Oplossing => indirecte meting bv APT: groep = attitude-object Affectieve aspect van stereotype = gemeten attitude Andere oplossing: impliciete associatietest - Meet affectieve aspect van stereotype - Meet declaratieve aspect van stereotype => bestaan verschillende versies: afhankelijk van: - stereotype dat onderzocht wordt - aspect van stereotype dat onderzocht wordt Experiment impliciete associatietest => gunstigheid tegenover mensen met/zonder mentale handicap Hein, Grumm en Fingerle (2011) Steeds beoordelen door een toets in te duwen 1. Deelnemers beoordelen of persoon op foto wel/niet gehandicapt is 2. Beoordelen of een getoond woord positief of negatief is 3. Deelnemers krijgen woorden en fotos nu door elkaar => opnieuw beoordelen: - Positief woord of persoon zonder handicap = links - Negatief woord of persoon met handicap = rechts 4. Zelfde als vorige stap maar: - Positief woord of persoon met handicap = links - Negatief woord of persoon zonder handicap = rechts A.V. : verschil in responstijd tussen taak 3 en 4 => mensen met een handicap negatiever beschouwd dan mensen zonder handicap Correleerde niet met scores op vragenlijsten over affectieve, cognitieve en gedragsmatige aspecten van hoe ze tegenover gehandicapten stonden. Elias Biesmans 41

42 6.3 Stereotypen beïnvloeden welk gedrag we waarnemen maar ook hoe we gedrag verklaren Experiment stereotypes beïnvloeden identificatie gedrag Plant, Kling en Smith (2004) => Emoties anders beoordelen vanwege genderstereotypen 1. Onderzoekers laten gezicht van man en vrouw samensmelten => combinatie van boos en verdrietig gezicht => Maakten het mannelijk/vrouwen aan de hand van het kapsel en de kleren O.V. : gender van gezicht: mannelijk/vrouwelijk 2. Deelnemers beoordelen hoe boos of verdrietig persoon is A.V. : beoordeling (1-7) => Mannelijk gemaakt gezicht = als boos beoordeeld => Vrouwen gemaakt gezicht = als verdrietig beoordeeld Waren nochtans dezelfde gezichten! Experiment stereotypen verklaren mee gedrag Feldman, Borett en Bliss-Moreau (2009) - Verklaren van emoties bij mannen en vrouwen (woede, verdriet, walging of angst) 1. Deelnemers krijgen 16 foto s te zien: 8 mannen en 8 vrouwen voor elk v/d 4 emoties Onder die foto s stond steeds omschrijving over de emotie (bv zijn kat is dood bij verdriet) 2. Elke deelnemer krijgt opnieuw foto s moet aangeven welke emotie persoon vertoonde A.V. : Verklaring van emoties (dispostioneel vs situationeel) 2 soorten verklaringen: Dispositioneel: bv het is een gevoelig persoon Situationeel: bv persoon had een mindere dag => hadden bij elke foto een reden gelezen dus normaal geen dispositionele verklaringen! Fundamentele attributiefout: Bij causale attributie van gedragingen persoonseigenschappen overschatten en situationele factoren onderschatten => Veel meer dispostionele verklaringen bij vrouwen dan bij mannen => Waarschijnlijk nóg sterker verschil in dagelijks leven Elias Biesmans 42

43 6.4 Wanneer beïnvloeden stereotypen informatieverwerking? 1. Als tijdsdruk of cognitieve belasting de verwerking van individuerende informatie bemoeilijkt. 2. Als er teveel individuerende informatie is om dit allemaal in een totaalbeeld te integreren. 3. Als er een gebrek is aan motivatie om individuerende informatie te verwerken => de persoon in kwestie kan je niets schelen Verhinderen stereotypen niet dat andere de facto meer valide of toepasselijkere stereotypen toegepast worden => concurrentie Experiment stereotypen bij wetsovertreding Goff, Jackson, Di Leone, culatta en Ditomasso (2014) Waarom afro-amerikanen 18x meer kans op wetsovertreding hebben dan Europees- Amerikanen 1. Blanke deelnemers beoordelen : Mensen, Zwarte mensen en blanke mensen. Op aantal schalen die aspecten van het stereotype van onschuldige kinderen weerspiegelden => Zwarten minder onschuldig in interessante categorieën (10-13 en 14-17) Elias Biesmans 43

44 De ironische rol van moreel krediet Kerngedachte: mensen denken moreel krediet te hebben opgebouwd => gaan onderdrukking van stereotype opheffen => hebben juist meer stereotype gedachten Experiment opbouwen moreel krediet Monen en Miller (2001) Werkwijze Fase 1: Deelnemers selecteren uit 5 personen => eenvoudig want 1 superkandidaat O.V. profiel superkandidaat 1. Super = zwart + overige = blank 2. Super = vrouw + overige = man 3. Super = blank + overige = blank => controleconditie Fase 2: Deelnemers kiezen kandidaat voor een functie Bij 1: Kiezen van een agent in blanke wijk Bij 2: Kiezen van een commercieel agent in cementfabriek A.V. 1. In hoeverre maakt de etniciteit v/d kandidaat een verschil? (zwart, indifferent, of blank) 2. In hoeverre maakt het geslacht v/d kandidaat een verschil? (vrouw, indifferent of man) => Discriminatie sterker bij: Seksisme (man of vrouw) dan bij racisme (zwart of blank) => Moreel krediet opbouwen zorgde voor meer discriminatie Elias Biesmans 44

45 HOOFDSTUK 7: Agressief gedrag Agressief gedrag: gedrag dat wordt uitgebracht met de intentie om de socius te pijnigen. Gevolgen gebruik van intentie : - Gedragingen die ongewild of toevallig pijn veroorzaken => geen agressie - Gedragingen die bedoeld werden om te pijnigen maar hun doel missen => wel agressie Probleem: intenties zijn niet observeerbaar (covert gedrag) Oplossing 1: Zelfbeschrijving - Sterke sociale norm bij agressie - Individuele of groepsverschillen te wijten aan: 1. Verworven kennis sociale norm (kind vs volwassene) 2. Belang gehecht aan sociale wenselijkheid 3. Verschil in hoe sterk de norm geldt voor hun groep (bv agressie door vrouwen) En tegenover andere groepen (bv agressie tegen een kind) Oplossing 2: Beschrijving door anderen - Anderen kunnen niet veel beter waarnemen dan onderzoeker zelf - Verschillen te wijten aan irrelevante factoren: 1. Uiterlijk, lidmaatschap groep 2. Attitude tegenover (groep van) handelende persoon => kwaadaardige intenties toeschrijven aan onaardige persoon Voorgaande definitie dus niet helemaal correct: 1. Gedrag omschrijfbaar als agressief maar dat niet is => gebrek aan intentie bv: kind slaan als disciplinaire maatregel 2. Gedrag agressiever noemen als iemand minder geleerd/moeite doet om schade van zijn gedrag als onbedoeld te bestempelen 3. Gedrag agressiever beoordelen omdat persoon tot een bepaalde groep hoort of sympathiek wordt beoordeeld alsook naar welke groep zijn gedrag gericht was Alternatieve definitie: Agressief gedrag: gedrag waarvan het voornaamste kenmerk is dat het de situatie van één of meer anderen aversiever maakt. Aversiviteit: af te leiden uit vermijdings of ontvluchtingsgedrag (of het gebrek daaraan) Beperking: arbitraire elementen - Wat is het voornaamste kenmerk - Hoe breed is de situatie - Wiens perspectief aversiviteit situatie Elias Biesmans 45

46 Specificatie alternatieve definitie => gedrag niet louter reactief => Dus niet dwingend uitgelokt door (niet) sociale-context => Niet laten slagen van student die criteria niet haalt = geen agressie => Student lager cijfer geven dan wat hij verdient => wel agressie Fysieke en verbale agressie hebben effect op zelfde hersenstructuren Verbale agressie kan evenveel of soms meer gevolgen hebben dan fysieke Vanwaar verschil? 1. Fysieke agressie is strafbaar, veel vormen van niet fysieke agressie zijn dat niet => verschil te verklaren aan de hand van bewijsbaarheid van de twee 2. Verbaal gedrag is uiting van mening en de vrijheid die daaraan vasthangt 7.1 Hoe valt agressief gedrag te bestuderen? Probleem: sterke sociale norm tegen (fysieke) agressie Oplossing: agressiemeting vermommen als iets anders: 1. Competitiespel met aversieve prikkel van winnaar naar verliezen 2. Hot sauce bepalen portie => aversieve prikkel voor volgende (pseudo) deelnemer 3. Beoordeling over prestatie van iemand anders => ongunstigheid = meting van agressie Beoordeling heeft 3 componenten: - prestatie: de feitelijke prestatie zelf - foutenvariabiliteit: marge fouten gemaakt door systeem - systematische fouten: vertekeningen onder invloed van de eigenschappen v/d beoordelaar of die zijn houding tegenover de prestatie en/of de te beoordelen persoon. => component om agressie te meten 4. Agressie is ook meetbaar door geringer aantal appetitieve prikkels uit te delen De manipulatie van ervaren agressie: Nood aan geloofwaardige manier van bejegening: - Vooraf een (on)gunstige beoordeling geven => zowel cijfer als commentaar - Per ongeluk praten over deelnemer => beledigende commentaar Agressie uitlokken: Bij sommige onderzoeken nood aan redelijke mate van agressie => effectieve manier agressie uitlokken = provocatie (agressie tegenover zelf) Oppassen veralgemening onderzoeksresultaten: Provocatie kan vertekend beeld geven => niet altijd zelfde mate agressie bij niet geprovoceerde deelnemers Een voorbeeld van onderzoek: Experiment effect van stress op creativiteit Berkowitz en Frodi (1977) Elias Biesmans 46

47 1. Toedienen van lawaaistoten aan andere pseudodeelnemer (maakte essay). Elke 5s minstens één stoot en elk van de 24 intensiteiten minsten eenmaal gebruiken/ O.V. : reactie van onderzoeker na elke 5 lawaaistoten - Goed bezig (versterking) - U geeft wel vrij harde lawaaistoten (straf) - Geen commentaar (controleconditie of basislijn) 2. Beoordelen essay aan de hand van lawaaistoten O.V. : plaats van apparaat - Stond in dezelfde ruimte als bij 1 - Werd naar een andere ruimte gerold A.V. : aantal lawaaistoten dat werd gegeven => Deelnemers in versterkte/bestrafte conditie gedroegen zich meer/minder agressief MAAR enkel als de machine in dezelfde ruimte stond Apparaat = discriminatieve prikkel => aanwezigheid = verband tussen agressie en versterking/straf => afwezigheid = S-delta Agressie dus (zoals eender welk) gedrag vatbaar voor instrumentele conditionering Negatieve emoties zijn niet per sé nodig bij agressie 7.2 De Freudiaanse visie op agressie Kerngedachte: mensen worden geboren met twee even krachtige driften Levensdrift (eros) => zelfverwezenlijking Doodsdrift (thanatos) => zelfvernietiging Beide driften moeten worden uitgeleefd zoniet nemen ze toe in kracht => onderdrukken = tijdelijke oplossing Afname doodsdrift: 1. Verschuiven van jezelf (zelfvernietiging) naar anderen. Anderen => leven(loze) objecten waarvan het welzijn je worst zal wezen = secundaire objecten 2. Passief uitleven: - Genieten van agressie van anderen - Genieten van rampspoed anderen 3. Sublimatie => uitleven via maken van: (agressieve) muziek, literatuur, films of beeldende kunst Tijdelijke afname = catharsis (zuivering) => woede best op tijd uiten Problemen visie: 1. Grotendeels niet falsifieerbaar => catharsis op teveel manieren bereikbaar Elias Biesmans 47

48 2.Voor zover toetsbaar: overwegend weerlegd - Mensen grijpen niet elke kans tot agressie aan - Sterke situationele invloeden op agressief gedrag - Onderdrukte agressie neemt niet toe - Geen observeerbare vermindering agressief gedrag na catharsis => Na agressie meestal meer in plaats van minder agressie Experiment pleidooi tegen abortus Bushman (2002) 1. Deelnemers schrijven pleidooi voor of tegen abortus 2. Krijgen slechte beoordeling gegeven door een pseudodeelnemer 3. Moeten pleidooi van pseudodeelnemer evalueren O.V. actie tussen krijgen van beoordeling en het beoordelen - 1/3 boksen op boksbal met gedachten gericht op negatieve beïnvloeding (wraak) - 1/3 boksen op boksbal met gedachten gericht op fitheid (afleiding) - 1/3 gewoon wachten (controleconditie) A.V. - Meting boze en blije gedachten - Meting agressie aan de hand van reactie-competitiewedstrijd (lawaaistoten) => Boksende deelnemers waren agressiever => Afreageren helpt dus niet => catharsis ook niet 7.3 De frustratie-agressie hypothese Kerngedachte: mensen reageren agressief als ze er niet in slagen een begerenswaardig doel te bereiken (frustratie) Experiment frustratie leidt tot agressie Dill en Anderson (1995) 1. Deelnemer krijgt (té snelle) instructies van proefleider over het vouwen van origami. Pseudodeelnemer vraagt kan het wat trager O.V. antwoord proefleider - die van ons heeft vis gebakken => onrechtvaardige frustratie - de ruimte is door anderen gereserveerd => rechtvaardige frustratie - ok ik zal wat trager gaan => controleconditie A.V. - Vragenlijst over gevoelens van frustratie en agressie - Evaluatieformulier over proefleider (vriendelijkheidsscore/competentiescore) => Slechte beoordeling zowel bij onrechtvaardige als rechtvaardige frustratie => Gedwarsboomd worden bij het bereiken van doel lokt agressie uit Elias Biesmans 48

49 Experiment bereiken doel leidt tot agressie Muller, Bushman, Subra en Ceaux (2012) 1. Deelnemers doen een waarnemingscompetitie tegen een andere pseudodeelnemer Beeld van 70ms => dollarteken of niet 2. Deelnemers kregen score van 65% O.V. : Winst of verlies van competitie - Andere had 80% (verloren = frustratie) - Andere had 50% (gewonnen = bereiken doel) A.V. : meting van agressie via reactiesnelheid-competitie (lawaaistoten) => winnaar agressiever dan verliezers => meer na bereiken doel dan na frustratie Vervolgonderzoek: winst verhoogt agressie en verlies verlaagt agressie 7.4 Provocatie en agressie Kerngedachte: mensen zien hun eigen agressie als reactie op een provocatie en als een straf tegenover de provocateur Provocatie: agressie door anderen waargenomen als: - Intentioneel schadelijk gedrag - Niet zelf uitgelokt Implicaties: 1. Mensen kunnen provocatie accuraat beoordelen 2. Agressie is niet afhankelijk van andere factoren 3. Agressie is altijd tegen provocateur 4. Agressie is proportioneel aan ernst provocatie Deze implicaties zijn (volgens mij) grotendeels weerlegd a.d.v. volgende experimenten 1. Experiment verontschuldiging leidt tot meer agressie Zechmeister, Garcia, Romero en Vas (2004) 1. Deelnemers maken intelligentietest 2. Krijgen te horen dat ze slechter dan gemiddeld scoorden + oei verkeerde test 3. Begeleidster interpreteert resultaten + vermeld nog eens ondermaatse score O.V. : reactie proefleider na terugkomst - Informeert begeleidster => die neemt haar negatieve feedback terug (leed ongedaan) + verontschuldiging - Informeert begeleidster => die neemt haar negatieve feedback terug (leed ongedaan - Doet verder alsof er niets aan de hand is => ongedaan maken leed had geen invloed => na verontschuldiging negatievere beïnvloeding => gaven meer de schuld Elias Biesmans 49

50 2. Perceptie provocatie is manipuleerbaar, maar ook manipulatie van de intentie kan waargenomen ernst van de schade manipuleren. Experiment CEO verpest bonus werknemers Ames en Fiske (2013) 1. Deelnemers zien een beschrijving van situatie waar werknemers die ook aandeelhouders waren een geringere winstuitkering krijgen wegens slechte investering van de CEO O.V. : schuld van de CEO - CEO deed het expres om werknemers harder te laten werken (opzet-conditie) - CEO dacht dat het een goede investering was (ongeluk conditie) => beschrijving financieel nadeel was identiek A.V. : beoordelen ernst van schade => Schade bij opzet-conditie significant groter geacht dan in ongeluk conditie Vervolgexperiment rivier droogt op en verpest oogst Ames en FIske (2013) 1. Deelnemers krijgen beschrijving hoe het opdrogen van een rivier allerlei schade had berokkent aan een groep mensen O.V. : oorzaak opdrogen rivier - Naburig dorp had rivier omgeleid (opzet-conditie) - Natuurlijke oorzaken (ongeluk conditie) A.V. : schatten van geleden schade na zien van kostenposten => In ongeluk conditie vrij goede schatting (niet significant verschillend van echte kost) => In opzet-conditie significante overschatting van kosten 3.Agressie verplaatst van ene (bv provocateur) naar andere Triggered displaced agression: optreden verplaatsing agressie als het slachtoffer de agressor ook ietswat geprovoceerd heeft maar licht genoeg zodat dit geen meetbare agressie zou uitlokken. Experiment TDA Pedersen, Gonzales en Miller (2000) 1. Deelnemers maken anagramtaak O.V. : omstandigheden maken taak + beoordeling - Vervelende muziek + slechte evaluatie - Aangename muziek + bovengemiddelde evaluatie 2. (trainee) onderzoekster lees deelnemers meerkeuze vragen voor O.V. : gedrag onderzoekster + beoordeling - Versprekingen, snel en toont verkeerde kaart + slechte evaluatie - Comfortabel tempo zonder fouten + gemiddelde evaluatie A.V. Beoordeling van de onderzoekster Elias Biesmans 50

51 => Geen provocatie in fase 1 = geen invloed op evaluatie => Wel provocatie in fase 1 en (lichte) in fase 2 => negatieve beoordeling 4. Agressie proportioneel met provocatie? => neen mate hangt af van veel verschillende factoren Experiment toeteren voor groen licht Doob en Gross (1968) Onderzoekers blijven voor een groen licht stilstaan O.V. : type wagen - Grote nieuwe wagen (hoge sociale status) - Kleine oudere wagen (lage sociale status) => Veel en sneller getoet bij: lage sociale status + mannen toeten sneller Vervolgonderzoek : - Vrouwen toeten minder dan mannen Deaux (1971) - Beide toeteren vaker naar vrouw Voelen we ons beter na een agressieve reactie op provocatie? Experiment agressie na provocatie Carlsmith (2008) 1. 4 deelnemers krijgen elks 1 dollar (per ronde) kunnen deze in pot steken => 1.4X en verdeeld onder deelnemers => zie mulder (2008) De test gebeurde op computers, deelnemers speelden tegen virtuele anderen Tijdens eerste 2 ronden waren er 2 coöperatief daarna tit fort at Vierde gaf eerste rond 50 cent, daarna freeriden O.V. mogelijkheden na spel 1: Zelf 5 cent afstaan => Kiezen van iemand die dan 15 cent moet afstaan (bestrafferconditie) 2. een andere deelnemer straft profiteur voor 1.65 (getuige conditie) 3. Geen extra mogelijkheid (controleconditie) 4. Inbeelden van bestrafferconditie 5. Inbeelden van getuige conditie A.V. 1: - Positieve/negatieve emoties (1-7) - Gedachten bij andere deelnemers (1-7) 6. Deelnemers moeten zich in andere conditie voorstellen: Conditie 1/4: Inbeelden hoe ze zich voelen als iemand anders straft Conditie 2,3 en 5: Inbeelden hoe ze zich voelen als zij hadden gestraft A.V. 2: Beter/slechter (1-7) => Straf uitdelen doet slechter voelen dan getuige zijn Deelnemers realiseerden dit niet want scoren bij inbeelden waren hetzelfde => Getuigen of inbeelden van getuigen zouden zich beter voelen als straffer =CONTRADICTIE Elias Biesmans 51

52 7.5 Agressie en macht en onmacht Agressie als gevolg van machtsverlies Experiment oncontroleerbare aversieve prikkels doen agressie toenemen Donnertstein en Wilson (2008) 1. Deelnemers schrijven opiniestuk over watergateschandaal 2. Tijdens dat hun opiniestuk wordt beoordeelt maken ze wiskunde oefeningen O.V. : Omstandigheden van maken van de oefeningen - Lawaai + subjectieve macht over lawaai - Lawaai + geen macht over lawaai - Geen lawaai (controleconditie) 3. Feitelijke beoordeling van hun opiniestuk via schokken en commentaar O.V. : #schokken en soort commentaar - 9 schokken en negatieve commentaar (provocatie) - 1 schok en positieve commentaar (geen provocatie) 4. Deelnemer leid taak woordassociaties (zie milgram) en bestraft met schokken (zelf kiezen intensiteit tussen 1-8) => Geprovoceerde gaven sterkere schokken dan niet geprovoceerde = lawaai had geen effect op niet geprovoceerde => Versterkt effect bij onmacht over lawaai Subjectieve macht ook minder agressie dan bij controleconditie? Experiment subjectieve macht bij agressie omwille van uitsluiting = Smaaktest Warburton, Williams en Cairns (2005) 1. 3 Deelnemers (1 echte) spelen in wachtkamer met een bal O.V. : Aantal keren dat deelnemer bal krijgt - Deelnemer krijgt de bal 3 keer daarna noch een blik noch een bal (uitsluitingsconditie) - Deelnemer krijgt bal ongeveer even veel als de 2 anderen (niet uitsluitingsconditie) 2. Deelnemer hoort harde en aversieve lawaaistoten O.V. : macht over lawaaistoten - Onvoorspelbare/oncontroleerbare stoten: 1-11sec en tussen elke stoot 3-33 sec (onmacht) - Drukken op knop voor 5 sec durende stoot, en niet langer wachten dan 15sec (macht) 3. Hot sauce procdedure A.V. portie pikante saus = teken van agressie => Uitgesloten + onmacht = meer agressie => (niet) uitgesloten + subjectieve macht = minder agressie Ervaring macht elimineert agressie door uitsluiting? Niet per sé 2 andere denkpatronen mogelijk: 1. Uitsluiting op zich lokt geen agressie uit, alleen maar in combinatie met onmacht 2. Onmacht lokt alleen agressie uit bij uitgesloten personen Elias Biesmans 52

53 Onmacht maakt vijandige humor leuk Vijandige grap: negatieve boodschappen over medemensen overbrengen als grap omdat ze die in de serieuze vorm niet durven uiten Experiment onmacht maakt vijandige grappen leuker Weinstein, Hodgings en Ostvik-White (2011) 1. Deelnemer makken zinnen met 5 woorden O.V. : context woorden - Woorden die te maken hadden met autonomie (Kans, vrij autonoom) - Woorden die te maken hadden met externe controle (moet, beperkt) 2. Deelnemers kijken naar 4 vijandige en 4 niet vijandige grappige filmpjes A.V. : Aantal keer hardop gelachen => Autonomie = vaker lachen met niet vijandige filmpjes (lijkt me niet significant) => Externe controle = vaker lachen met vijandige filmpjes Vervolgstudie Weinstein (2011) Zelfde principe maar deze keer ook zonder priming => controleconditie => Autonomie = vijandige minder dan C.C. => Externe controle = vijandige grappiger dan C.C. Doorgaans: Niet vijandige grappen grappiger dan vijandige tenzij bij externe controle 7.6 Het General Aggression Model Kerngedachte: Model dat zowel persoonsgebonden als situationele determinanten bevat. 3 Routes die agressie uitlokken of intensifiëren: Agressieve oplossingen 2. Opwekken/intensifiëren 3. Intensifiëren agressie uitgelokt door andere factoren Elias Biesmans 53

54 4. Als persoon zich KAN en WIL bezinnen over primary appraisal => Secondary appraisal: - Nadenken juistheid interpretatie en spontane reactie - Afweging van voor- en nadelen diverse reacties - Afwegen gevolgen van een (niet) agressieve reactie => Woede kan iemands gemoedsrust ontnemen die nodig is voor secondary appraisal Factoren kunnen langs meerdere routes invloed hebben Routes kunnen op hun beurt elkaar beïnvloeden G.A.M. Klasseert dut enkel de determinanten? Neen want: 1. Incorporeert schijnbaar tegenstrijdige invloeden (winst tegenover verlies) 2. Verklaart lastig verklaarbare situationele factoren => wapeneffect: = wapen => associatie met agressie => waarneming wapen => agressieve gedachten 3. Verklaart waarom agressie toeneemt eenmaal het in gang is gezet Openlijk agressief gedrag => doet arousal en gedachten toenemen => nog meer agressie 4. Elke route heeft specifieke predicties over de richting van de te verwachten invloed en over de omstandigheden waarin die invloed zich manifesteert Bv: Arousal => agressie als agressieve responsen dominant zijn Agressieve gedachten => agressie in ambigue situaties => Toetsen welke route nieuwe determinanten nemen Gewelddadige computerspellen: inleidende opmerkingen - Onderzoek gericht op fysieke agressie => slingerbeweging tegenover vroeger 1. Vele andere dingen lokken meer agressie uit dan games - Logisch ongeldig bij een studie over het effect van een determinant = Geen onderzoek sterkste effect maar wel: is er een effect? 2. Veel mensen spelen games en worden geen massamoordernaar - Onderzoek gaat ook over gematigde vormen van agressie => beetje fout van de onderzoekers die oorzaken van schoolshootings willen bewijzen. 3. Volwassen kennen verschil tussen echte en virtuele wereld - Verwart vaststelling van een effect met de verklaring van zo n effect => enige manier waarop games tot agressie kunnen leiden is als iemand denkt dat, dat het in game gedrag ook in real life toelaatbaar is 4. Psychologen moeten niet zeggen wat mensen mogen doen in hun vrije tijd - Misvatting resultaten met (beleids) maatregelen => Factor die agressie doet toenemen kan andere sociaal wenselijke gevolgen hebben => Alternatieven lokken nóg meer agressie uit Elias Biesmans 54

55 Toetsing van het G.A.M. gewelddadige spellen lokken agressie uit Experiment invloed van games op overt en covert gedrag Anderson en Dill (2000) - Deelnemers spelen 2 games die evenveel arousal uitlokken => agressie dus niet via route van fysiologische arousal Wel via route van (agressieve) gedachten en gevoelens minuten spelen => affectiemeting 2. Opnieuw 15 minuten spelen => agressiemeting (lezen van woorden => snelheid) 3. Spelen opnieuw 15 minuten => meting via reactiesnelheid-competitie (lawaaistoten) => Geen effect op gerapporteerde gevoelens => na agressief spel = niet meer intense maar wel langdurigere lawaaistoten Mediatie-analyse: => Agressie gemedieerd door het effect op de toegankelijkheid van agressieve gedachten: Agressieve gedachten => verwachten agressie van anderen => agressief gedragen Experiment agressieve gedachten bouwen zich op Hassan, Bègue, Scharkow en Bushman (2013) 1. Deelnemers spelen 3 opeenvolgende dagen 20 minuten een (niet) gewelddadig spel 2. Na spelen: ambigue situatie verhaal afmaken door 20 dingen op te lijsten => blind beoordeelt op agressiviteit 3. Reactietijd competitie => Meer agressieve gedachten/gedrag naarmate meer dagen spelen => Agressieve gedachten mediëren effect van game op agressief gedrag Vervolgonderzoek: games kunnen ook arousal en agressie gerelateerde gevoelens uitlokken Agressieve gedragingen worden door contrastwerking als minder agressief beschouwd Experiment game zorgt voor contrastwerking Greitemeyer (2014) 1. Deelnemers spelen een (niet) gewelddadig spel => beoordelen verbale/fysieke agressie (1-9) O.V. Wie vertoont dit gedrag - Inbeelden dat ze het zelf vertonen - Inbeelden dat een ander het vertoont => Enkel eigen gedrag minder agressief beoordeelt na spelen gewelddadige game Vervolgexperiment Greitemeyer Enkel inbeelden zelf gedrag te vertonen + A.V. via hot sauce methode => Eigen gedrag minder agressief beoordelen en dus agressiever gedragen = veel meer saus Elias Biesmans 55

56 HOOFDSTUK 8: Altruïstisch gedrag Kerngedachte: Gedrag met ENKEL de intentie te hebben iemands situatie appetitiever te maken Methodologie van een onderzoek over altruïsme: aanwezigheid sociale norm maakt het moeilijk te onderzoeken => metingen vaak anders ingekleed (zoals bij agressie) 8.3: De altruïstische intentie en de beoordeling van gedrag Sociaal wenselijk => sociale versterker => schijnbaar altruïsme sterk afgestraft => persoonlijk voordeel neutraliseert niet alleen goede daad maar maakt ze tot iets slecht! Experiment hart veroveren via vrijwilligerswerk Newman en Cain (2014) 1. Deelnemers beoordelen man die hart wil veroveren door mee met haar vrijwilligerswerk te doen O.V. : plaats van vrijwilligerswerk - Koffiebar - In een daklozencentrum A.V. : - Moraliteitsschaal - Bijdrage tot een betere wereld => Man in daklozentehuis = minder moreel hoogstaand => Beiden dragen evenveel bij tot betere wereld Vervolgexperiment: 1. Deelnemers worden gevraagd een fundraiser te verkiezen O.V. : type fundraiser - weinig geld + beperkt bedrag houden - veel geld + groter bedrag houden => Mensen kiezen voor kleine niet omdat ze iemand zijn winst misgunnen Wel omdat niemand winst mag maken op kan van het goede doel GAP experiment: Kort: GAP campagne beoordelen GAP geeft helft winst weg voor de strijd tegen HIV/AIDS => Besmet altruïsme wordt negatief beoordeelt (GAP maakt winst + geeft goede doel) Wordt slechter beschouwd dan helemaal niets doen => Als deelnemers eraan herinnert worden dat GAP eigenlijk niets moet geven erodeerd dit effect Elias Biesmans 56

57 8.4: Waarom helpen mensen? Evolutionaire theorie: mensen helpen anderen voor overleving van hun genen. Bij gebrek aan familiale banden = helpen lokt wederkerig gedrag uit Versterkers en straffen voor helpend gedrag Kerngedachte: verwachting dat (niet) helpen (on) wenselijke uitkomsten brengt => verwachte balans bepaalt gedrag => Deze verwachtingen verworven via instrumenteel/proportioneel leren Versterkers voor helpen straffen voor niet helpen - Kans later geholpen te worden - Sociale versterkers/straffen bv: bewondering / lafaard - Emotionele reacties versterkers/straffen bv: blijdschap / verlies zelfvertrouwen Straffen / kosten voor helpen en versterkers voor niet helpen: - Tijd, geld en moeite kwijt (straf) of uitgespaard (versterker) Experiment altruïstisch gedrag brengt eigen versterkers met zich mee Dunn, Aknin en Norton (2008) 1. Deelnemers krijgen de vraag hoe gelukkig ben je? + krijgen 5 of 20 dollar O.V. : Functie van het geld - Geef het maar uit aan jezelf - Geef het uit voor anderen 2. Deelnemer wordt s avonds gebeld met de opnieuw de vraag hoe gelukkig ben je => Deelnemers uit 2 de conditie waren significant gelukkiger Experiment genieten van geven omwille van associatie met sociale versterkers Aknin, Hamlin en Dunn (2012) 1. Deelnemer(tjes) maken kennis met (3) poppetjes die graag snoep eten Kind krijgt 4 snoepjes en wordt aangemoedigd elke pop er 1 te geven (laatste voor zichzelf) 2. Kinderen maken kennis met nieuwe pop (aapje) en krijgen 8 snoepjes O.V. : geven van snoepje - onderzoeker vond snoepje en gaf het aan aapje - onderzoeker vond snoepje en gaf het aan kind met de vraag het aan het aapje te geven - onderzoeker vraagt of kind van hem aan aapje geeft A.V. : gelaatsuitdrukkingen van het kind (1-7) => even gelukkig bij krijgen 8 snoepjes dan bij het zien van het geven aan aapje => Blijer bij het geven extra snoepje dan bij het krijgen van 8 => Nóg blijer bij het zelf geven van een snoepje dan bij het geven van een extra snoepje Elias Biesmans 57

58 Mythe van Kitty Genovese: vrouw wordt vermoord terwijl er een heleboel mensen iets hadden gemerkt. => relatief groot mythe gehalte maar bracht wel interessante uitkomsten aan het licht. Bystander effect: Experiment epilepsie op de intercom Darley en Latané (1968) 1. Deelnemers praten via intercom met elkaar over persoonlijke problemen - Voor gesprek vermeld 1psdn dat hij weinig stress kan verdragen => epilepsie 2. Deelnemer praat (met pseudodeelnemers) => 1 ervan krijgt een epilepsieaanval O.V. : Aantal deelnemers die meedoen aan gesprek (steeds maar 1 echte) - 2, 3 of 6 (+ voorstellen) A.V. : Latentie hulpverlening + % hulpverlening => achteraf nog interviews en zelfbeschrijvingen => Denken dat iemand anders helpt = diffusie van verantwoordelijkheid => Kennismaking elimineert dit effect Eerste model van Darley en Latané Elias Biesmans 58

59 Experiment rookexperiment Latané en Darley (1968) Werkwijze : 1. Deelnemer(s) zit in een wachtkamer en deze vult zich met rook O.V. : Andere aanwezigen - 1 Deelnemer, 3 deelnemers - 1 Deelnemer en 2 pseudodeelnemers (die niets doen) A.V. : - Latentie opmerken rook - Latentie melden rook - Proportie meldingen binnen 6 min Resultaten: 1Dn: - mediaan opmerken = 5sec - 18/24 verlaten kamer 3Dns: - mediaan opmerken = 20sec - 3/8 groepen gaat minsten 1 Dn de kamer uit (hypothetische kans was 98%) 1Dn + 2 Psdn: - mediaan opmerken = 20sec - 1/10 verlaat kamer => Verklaring: dachten dat rook iets onschuldig was = noodsituatie ambigue => impliciete sociale invloed bij interpretatie Aanpassen model: Vervolgexperiment gevallen vrouw Mix van: - persoon in nood => epilepsie-experiment - reactie van andere getuigen waarnemen => rookexperiment Latané en Rodin (1969) 1. Mannelijke deelnemers vullen vragenlijst in, in een wachtkamer 2. Geluidsband vallende vrouw => valt + 1 minuut hulpgeroep O.V. : Aanwezigen in kamer - 1Dn, Dn+Psdn, 2Dns (onbekenden), 2Dns (vrienden) A.V. : Latentie van hulpverlening Elias Biesmans 59

60 => Hypothetisch met 2 = 91% 2 vrienden = 70% en 2 onbekenden = 40% Zelfbeschrijvingen, interviews - Niet beseffen noodgeval (46%) - Dachten dat iemand anders zou helpen, beetje vreemd (25%) - Wisten niet hoe te helpen / wouden vrouw niet in verlegenheid brengen => Je moet weten hoe hulp te verlenen Opnieuw uitbreiding van het model: Bystander effect nog bewezen in vele anderen omstandigheden: Experiment hulpvraag bij niet fysiek aanwezige getuigen Blair, Thompson en Wuensch (2005) 1. Deelnemers worden gevraagd een URL door te sturen (mail) O.V. : aantal adressen dat de mail aan gericht was - Deelnemer was alleen (specifieke ontvanger) - Deelnemer + 1 fictief adres - Deelnemer + 14 fictieve adressen - Deelnemer + 49 fictieve adressen A.V. : Wel of niet antwoorden van deelnemer => Bystander effect als je meerdere mensen aanspreekt Experiment graffiti-experiment Chekroun en Brauer (2002) 2 Situaties: - Iemand tekent graffiti in winkelcentrum (niet persoonlijke benadeling) - Iemand gooit flessen in het park (persoonlijke benadeling) O.V. : aantal getuigen - 1,2 of 3 A.V. : niet verbale reacties en verbale tussenkomsten (observatie) => Meer getuigen = meer reacties MAAR rekening houden met hypothetische groepen => Bystander effect bij graffiti en niet bij parkje => Je persoonlijk benadeeld voelen elimineert bystander effect Elias Biesmans 60

61 Kritische bedenkingen bij het model van Latané en Darley - Louter gebaseerd op zelfbeschrijvingen => a priori twijfelachtig Aantoonbaar onwaar: horen iemand die van een trap valt => niet als noodgeval opgevat Ontkennen diefstal gezien te hebben (na dat wel te hebben gezien) => sociale wenselijkheid Experiment Bystander effect bij kinderen Ross (1971) 1. Deelnemers in wachtkamer die zich vult met rook O.V. : aanwezigen - Alleen - Met 2 pseudodeelnemers (volwassenen) - Met 2 pseudodeelnemers (kinderen 4/6) A.V. : Latentietijd helpen => Nog steeds bystander effect bij 2 kinderen (minder dan bij 2 volwassenen) => Difussie van verantwoordelijkheid bij anderen die totaal geen verantwoordelijkheid kunnen opnemen = onmogelijk te verklaren via model van Darley en Lagrané Priming: activeren van opgeslagen kennis door aanbieden van een prikkel die met die kennis geassocieerd is => beïnvloedt interpretatie gedragssituatie Experiment Etentje winnen Garcia (2002) 1. Deelnemers beelden zich in dat ze een etentje hebben gewonnen + allerlei vragen zoals, tijdstip, plaats, => geloofwaardig maken O.V. : Aantal mensen op etentje - 10 vrienden of 1 vriend - 0 => geen etentje gewonnen (controleconditie) 2. Deelnemers worden gevraagd of ze even willen meewerken aan een ander onderzoek - Keuze tussen: niet 2,5 of veelvouden van 5 (max 30) A.V. : aantal minuten dat iemand wou meewerken => C.C. : 3.8 met 1 vriend = 4.9 en met 10 vrienden = 2.3 => significant minder => Zich inbeelden met veel mensen samen te zijn => daling altruïstisch gedrag Onderzoekers interpreteerden resultaten als steun voor diffusie van verantwoordelijkheid = Vreemd want er waren geen anderen (enkel denkbeeldige) => Vraagtekens bij nut diffusie van verantwoordelijkheid om bystander effect te verklaren Kritische bedenkingen bij experimenten over hulpverlening in noodsituaties => niet of iemand helpt maar wie hij/zij helpt bv: noodsituatie of misdrijf 3 partijen: 1. Slachtoffer 2. Dader 3. Persoon die hij/zij al aan het helpen was tijdens het aan de gang zijnde gedrag Elias Biesmans 61

62 Vraag kan ook omgedraaid worden: Waarom helpen we minder met meer getuigen => waarom helpen we meer als we de enigste getuigen zijn Van G.A.M. naar General Learning Model Invloed van allerlei factoren of iemand zijn gedrag agressief of altruïstisch is => G.L.M. Bv: Altruïstisch gedrag bij games => gebruikt route de erdoor uitgelokte altruïstische gedachten Altruïsme als het uitoefenen van macht Niet of wel uitvoeren altruïsme = sociale macht => te extreme of te dwingende verzoeken => reactantie - Mensen geven liever dingen vanwaar ze het effect kunnen waargeven => geeft gevoel van macht Niet het geven maar het vrijwillig GEKOZEN van geven geeft plezier. HOOFDSTUK 9: sociale vergelijking 9.1 De sociale vergelijkingstheorie, geformuleerd door festinger Kerngedachte: mensen hebben behoefte om hun meningen en vaardigheden te vergelijken. - Vaak toetsing met objectieve realiteit (bv thermometer als je het warm hebt) = niet altijd mogelijk: - Moeilijk criteria vinden (hoe veel is veel) - Potentieel psychologisch kostbaar (bv: is dit bord breekbaar? => het op de grond gooien?) => Sociale vergelijking = altijd tweede keuze Enkel bij vergelijkbare andere (meningen en vaardigheden) Hoe kwaliteit van vaardigheden en meningen vergelijken? Opinie: subjectieve juistheid - meer mensen hebben die zelfde opinie => streven naar uniformiteit Vaardigheden: grootte - minder mensen kunnen het => streven naar lichte superioriteit MAAR bij vastelling verschil => poging tot reductie Hoe reduceren? 1. Positie veranderen Bij vaardigheden meer niet-sociale beperkingen => soms onmogelijk eigen/anderen vaardigheid te veranderen - Zelf extreem: eigen positie veranderen ( ik was wel fout - Zelf modaal: anderen positieve veranderen => hun mening gaan beïnvloeden Elias Biesmans 62

63 2. Anderen die té extreem afwijken uitsluiten uit vergelijking Personen die voor dreigende onaangename uitkomsten zorgen worden geweerd - Vooral bij extreme positie of onaangename uitkomsten uit vergelijking => Uitsluiting vaak gepaard met vijandigheid en devaluatie (niet bij minder vaardig) Druk tot uniformiteit groter als: - Neiging om te evalueren groter is (hangt af van belang of relevantie voor gedrag) - Belang van de vergelijkingsgroep groter is (hangt af van aantrekking tot groep en relevantie van mening/vaardigheid voor die groep) Soms evaluatie totaal onmogelijk: - Noch fysieke noch sociale referentie om mee te vergelijken => onzekere en instabiele evaluatie 9.2 Kritische evaluatie van de theorie van de sociale vergelijking Conceptuele bedenkingen: - Geen ruimte voor sociale vernieuwing => nieuwe mening gewoon bijstellen aan groep - Zogezegd enkel verklaren van evaluatie => waarom verschillen dan reduceren? - Vastelling wie voldoende gelijkaardig is om vergelijkbaar te zijn is op zich al een vergelijking => CIRKELREDENERING Bij een verschil in vergelijkingsgroep => poging tot reductie = vreemd: Consistent met interne logica als: - Eigen mening afwijkt - Eigen vaardigheid geringer lijkt dan die van anderen Inconsistent met interne logica als: - Eigen mening in het midden zit - Eigen vaardigheid = middenmoot of beter Empirische basis: => onderscheid inductie en deductiefase soms (meer dan wenselijk) onhelder Studies van Festinger: 1 ste niet gepubliceerd: Experiment standpunt over thema Hypothese: Geen sociale vergelijking als er aan objectieve standaard getoetst kan worden => Enkel bij meningen geen onderzoek over vaardigheden 1. Deelnemers worden verteld dat ze goed/slecht op de hoogte zijn van een thema 2. Deelnemers schrijven hun mening op over dat thema 3. Lezen mening van anderen => waren het steeds oneens met dn 4. Deelnemers moesten een definitief standpunt innemen A.V. : aanpassing van hun mening of niet => Goed op de hoogte => minder aanpassen mening Elias Biesmans 63

64 => zegt niets over prioriteit van objectieve maatstaven boven sociale vergelijking - Mededeling kan gebaseerd zijn geweest op een vergelijking van deelnemers - misschien wel sociale vergelijking: vergelijken sociaal => besluiten dat hun mening beter is Doctoraatsonderzoek Dreyer: Kort: Hypothese: subjectief precieze evaluatie van een vaardigheid of mening niet mogelijk als de enige mogelijke vergelijking zeer divergent is - Enkel onderbouwd voor vaardigheden 1. Geven van indruk dat deelnemers (jongens) véél beter, gemiddeld of véél slechter waren - via prestaties bij een taak 2. Deelnemers zeggen hoe goed ze hun taak vonden ( van zéér goed tot zéér slecht) => bij véél betere/slechtere indruk => Beoordeelden zichzelf als redelijk Verklaring: gemiddelde voor hun leeftijd niet meer te gebruiken als vergelijkingsbasis => neutrale antwoorden bij gebrek aan vergelijkingsbasis Wonderlijk patroon => nooit gerepliceerd Vroeg niet naar tevredenheid taak maar naar welke prestatie ze volgende keer hoopten te bereiken => aspiratieniveau Sociale vergelijking dus invloed op aspiratieniveau niet op evaluatie vaardigheid Sociale vergelijking dus op invloed op wat mensen MEEDEELEN over hun aspiratieniveau Verwijzing studies over aspiratieniveaus: Hypothese: Iemands evaluatie van een vaardigheid wordt instabiel als zowel objectieve als sociale vergelijking onmogelijk is Kort: - Opnieuw feedback na proefbeurt + vragen hoe goed ze hoopten te presteren => gerapporteerde aspiratieniveau fluctueerde in functie van voorafgaande taak Instabiel dus descriptief waar => niet per sé teveel => adaptief/rationeel denkbaar dat: - Na goede prestatie => opnieuw streven naar goede prestatie - Na slechte prestatie => lag hoger leggen => leerproces norm CONCLUSIE: veel andere verklaringen mogelijk Hypothetisch deductieve toetsing: 1. Behoefte om meningen en vaardigheden te evalueren? Twee bedenkingen: - Naïef realisme: geen verschil zien tussen werkelijkheid en werkelijkheid zoals zij die zien => niet afvragen of gevormde mening wel klopt - Meningen zijn niet gemakkelijk te vergelijken => geen hiërarchische ordening van posities mogelijk Elias Biesmans 64

65 2. Beoordelen we vaardigheden op vergelijkende wijze? Grote vis in kleine vijver effect: beste leerlingen uit middelbaar krijgen negatiever zelfbeeld in prestigieuze universiteit Verklaring: leerlingen vergelijken hun kwaliteiten door zich te vergelijken met anderen. Experiment grote vis in kleine vijver Alicke, Zell en Boom (2010) Deelnemers worden opgesplitst in 2 groepjes van 5 2. Moeten leugen detecteren (video) => iedereen krijgt 9/15 O.V. : Plaats in groep van 10 (en plaats in groep van 5) - 5/10 (+ laatste van subgroep) - 6/10 (+ eerste van subgroep) A.V. : Zelfbeoordeling van prestatie en vaardigheid (1-7) => grote vis in kleine vijver effect 3. Alleen vergelijking met vergelijkbare anderen Verschil tussen Festinger en Gilbert et al (1995) Elias Biesmans 65

66 Implicatie evaluatie en affectieve reacties Experiment schizofrenie aangeven Gilbert et al. (1995) 1. Psychologiestudentes moeten aangeven welke van 2 close ups aan schizofrenie leed of daar een verhoogd risico op had O.V. : Aanwezigheid cognitieve belasting - Niet aanwezig - Wel aanwezig => onthouden van een 8 cijfers 2. Kregen instructievideo te zien (iemand anders voerde de taak uit) O.V. : prestaties persoon in video - Deze had bijna alles juist => kon op voorhand oefenen - Deze had bijna alles fout => kreeg verkeerde feedback tijdens oefenen => NIET VERGELIJKBARE situatie dus niet bruikbaar voor sociale vergelijking 3. Deelnemer maakt taak en krijgt een score = steeds 10/18 A.V. : zelfbeoordeling (1-7) => Bij geen extra cognitieve belasting had video geen effect => Bij cognitieve belasting: - Video = weinig fouten => zelfbeoordeling = slecht - Video = veel fouten => zelfbeoordeling = goed => Niet verklaar door theorie van sociale vergelijking want cognitieve belasting verandert niets aan onvergelijkbaarheid van video. Volgens theorie: video = niet vergelijkbaar en dus geen gebruik maken om eigen vaardigheid in te schatten => evalueren 2 de experiment: detectie oprechte vs onoprechte emoties Gilbert, Giesler en Morris (1995) Elias Biesmans 66

67 Conceptueel bijna hetzelfde: 1. Beoordelen maar deze keer (on)oprechtheid emoties - Geen cognitieve belasting 2. Kijken toe hoe andere deelneemster vergelijkbare taak maakt O.V. : Vergelijkbaarheid taak andere deelneemster - Identiek - Makkelijker (meest expressieve kant zichtbaar) - Moeilijker (minst expressieve kant zichtbaar) 3. Krijgen van score => altijd 10/18 O.V. : score andere deelneemster - 16/18 : identieke of makkelijkere taak - 4/18 : Identieke of moeilijkere taak A.V. : - Zelfgerapporteerde vaardigheid - Zelfgerapporteerde emoties (1-9) - Camoufleren tussen emotiemetingen en op andere momenten Zelfgerapporteerde vaardigheid: => Enkel effect van prestatie andere deelnemer bij een identieke taak = geen effect als de ander een andere taak had gemaakt = Te verwachten aan de hand van theorie sociale vergelijking Zelfgerapporteerde emoties (1-9) Prestatie van de ander had altijd een effect: - Slechte prestatie ander => verbetering emoties - Goede prestatie ander => verslechtering emoties Volgens theorie: geen affectieve reactie bij een verschillende taak In werkelijkheid wel 9.3 Een rekbare theorie? Kerngedachte: mensen vergelijken op meer dimensies dan enkel vaardigheden + niet enkel mensen vergelijken zich aan elkaar Waarom niet theorie vervangen? - Toepassingsgebied wordt smaller (meningen) - Toepassingsgebied wordt breder (vaardigheden + andere dimensies) - optreden proces in omstandigheden waarin dit volgens de theorie onmogelijk is (vergelijking met onvergelijkbare anderen) - Door de theorie voorspelde gedrag treedt ook op bij populaties waar de veronderstelde processen onwaarschijnlijk zijn Tijd voor een aanpassing dus! => helaas pindakaas veel onderzoekers verwijzen kritiekloos => Stellen bevindingen voor als uitbreiding van de theorie niet als een falsificatie ervan Sociale vergelijking van emoties Kerngedachte: emoties ontstaan bij verhoogde fysiologische activiteit => arousal Correcte interpretatie van die signalen = noodzakelijk Elias Biesmans 67

68 => mensen hebben neiging die signalen te evalueren 1. Met objectieve aanwijzingen (thermometer, op weg naar examen) 2. Anders met sociale vergelijking => met mensen in een zelfde situatie en met vergelijkbare fysiologische opwinding Experiment inspuiting verhoging fysiologische activiteit Schachter en Singer (1962) 1. Deelnemers krijgen een inspuiting O.V. : inhoud spuit - Epinefrine => verhoogt fysiologische activiteit - Placebo 2. Krijgen uitleg over effecten van inspuiting O.V. uitleg inspuiting - Correct (kunnen opwinding toeschrijven aan inspuiting) - Niet correct (inspuiting werkt zogezegd kalmeren) 3. Worden blootgesteld aan een andere deelnemer O.V. : gedrag van deze andere pseudodeelnemer - Euforisch - Woedend A.V. : - gedragingen van deelnemer - Zelfbeschrijving van deelnemer => geen correcte uitleg => gedragen zoals pseudodeelnemer zich gedraag => Placebo of correcte uitleg => geen beïnvloeding door pseudodeelnemer => Resultaten eigenlijk niet zo éénduidig = manipulatie opwinding en objectieve verklaring niet goed gelukt Vervolgexperiment inspuiting verhoging fysiologische activiteit Marshall en Zimbardo (1979) 1. Deelnemers krijgen een inspuiting O.V. : inhoud spuit + uitleg - Epinefrine + niet correcte uitleg - Placebo O.V. : extra fysiologische opwinding - Extra inspuiting + gewaarwordingstaken van opwinding - Extra inspuiting 3. Blootstelling aan euforische pseudodeelnemer => deelnemers in epinefrinecondities rapporteerde niet meer positieve emoties dan in placebocondities = Geen enkele steun voor predicties van sociale vergelijkingstheorie => Schachter en Singer not amused : verwezen naar verschillen in onderzoeksprocedures maar repliceerden nooit zelf hun onderzoek Elias Biesmans 68

69 Vervolgonderzoek: opwinding niet nodig opdat mensen emoties ervaren => reductie van opwinding vermindert ook niet emoties Sociale vergelijking van rijkdom, schoonheid en opleiding 2 tegenstrijdigheden: Easterlinparadox - Verandering welvaart samenleving zorgt niet voor duurzame verandering levensgeluk - Binnen in een samenleving rapporteren rijkere mensen meer levensgeluk dan armeren => Niet absolute koopkracht is belangrijk, wel relatieve (vergelijking met anderen) Analyse tevredenheid Hypothese: Rangorde inkomen belangrijk niet absolute waarde Boyce, Brown en Moore (2010) Analyse steekproef van deelnemer - Deelnemers beoordelen tevredenheid (1-7) - Maken van referentiegroepen (op basis van: gender, leeftijd, geografische regio, ) => Statistisch model toetsen => rangorde hangt wél samen met tevredenheid => absoluut inkomen hangt niet samen met tevredenheid = zowel in volledige steekproef als in referentiegroepen Effect rangorde is assymetrisch: - Hoe minder mensen meer verdienen => gelukkiger - Hoe meer mensen minder verdienen => gelukkiger maar in mindere mate Sociale vergelijking van gedragsuitkomsten Experiment sociale vergelijking bij dieren Range, Horn, Viranyi en Huber (2008) Kort: 1. Vragen aan hondje om pootje te geven Verschillende condities: => Even veel pootjes in subtiele onbillijke conditie als in billijke => Onbillijke conditie zorgt voor staking OPMERKING: aapjes merken wel verschil subtiliteit! Sociale vergelijking altijd omwille van zelfevaluatie? Mensen doen aan vergelijking ook al is dit helemaal niet nodig: - Duidelijke evaluatie al beschikbaar - Positie ten opzichte van anderen is irrelevant Bv eigen financiële situatie => wat maakt het uit hoe rijk anderen zijn - uitkomst staat soms vooraf vast - Gewenste uitkomst beïnvloedt gebruik vergelijking Elias Biesmans 69

70 Alternatieve motieven van vergelijking: Zelfverheffing: vergelijken in de hop zichzelf te kunnen vleien met de vaststelling beter (af) te zijn dan anderen Zelfbevestiging: Vergelijken in de hoop het beeld dat ze al van zichzelf hadden te bevestigen Zelfverbetering: Vergelijke in de hoop aanwijzingen te vinden over wat ze moeten doen om beter (af) te worden in de toekomst => motief bepaalt mee hoe vergelijking verloopt Draait alles om het zelf? - Niet alleen zelf/ander vergelijking => bv iemand groot/klein noemen in vergelijking met anderen => zelfbeoordeling is misschien kwalitatief anders dan beoordeling van anderen 9.4: Naar een theorie van sociale competitie en sociale integratie - Juiste meningen en goede ervaringen nodig om succesvol en gelukkig te funtioneren: 1.Kunnen omgaan met de eisen van het leven (de natuur, werk, ) 2. Bevredigende toegang verwerven tot gewenste schaarse goederen => Aangaan van sociale competitie of integreren in groepen die goederen hebben Verwerven van schaarse goederen zorgt voor vergelijken: - Vaardigheid die nuttig is voor eisen van het leven => vergelijken van vaardigheid met functie-eisen - Vaardigheid die nuttig is voor sociale competitie/integratie => vergelijken van vaardigheid door sociale vergelijken (+preferentiële manier) Kort sociale vergelijking treedt op: - Om eigen concurrentiepositie te beoordelen/verbeteren - Als competitieve of integratieve act (laten zien van je competenties) - Om de uitkomst van je competitie vast te stellen (bv volgens op twitter) Ze kan allerlei dimensies bettreffen: - concurrentie-instrumenten: karaktersterktes/zwaktes, getoonde/nog te tonen inzet, en gedane/nog te realiseren investeringen - Externe omstandigheden - Mate waarin schaarse goederen verworven zijn Verschil met Festinger: competitie = motor van sociale vergelijking indicatie van sociale vergelijking Met wie vergelijken mensen (bij sociale competitie/integratie): - iteratief: eender wie ze voor de geest kunnen halen Factoren cognitieve beschikbaarheid van anderen: - vergelijkingsdimensie zelf - groepslidmaatschap - Ervaringen Elias Biesmans 70

71 Hoe vergelijken mensen 1. Bevredigende precisie = einde 2. Niet bevredigd: - Vergelijken met subgroepen van vergelijkingsgroep - Vergelijken met totaal andere groepen => gaat door tot bereiken van een acceptabel precisieniveau Steeds streven naar precieze vergelijken en niet naar uniformiteit? => Verbeteren vaardigheden / temperen uiting vaardigheid Uniformiteit en diversiteit bij sociale competitie/integratie: Sociale competitie: streven naar diversiteit Sociale integratie: streven naar uniformiteit Verklaringen die theorie biedt: 1. Waarom/wanneer mensen posities van anderen veranderen: - Slecht presteren => anderen saboteren of overhalen minder te doen - Goed presteren => niet willen veranderen aan anderen - Collectieve prestatie => zwakken naar boven tillen, sterken niet beneden halen - Samenhouden groep => zwakkere/sterkere groepsleden naar zich toe halen 2. Waarom na een bepaald absoluut niveau alleen relatieve inkomsten tellen - Minimumbedrag => overleven / levensbehoeften invullen => daarna verwerven van schaarse goederen: Sociale competitie Sterktes van de theorie: 1. Motieven van sociale vergelijking zijn erin te integreren: - Zelfverheffing: de moed erin te houden - Zelfbevestiging: checken vermeende plek in competitie - Zelfververbetering: sociale competitie 2. Verklaart beslissingen met het oog op de toekomst 3. Verklaart wanneer sociale vergelijking vermijden => Bij te sterke vermoedens ongunstige uitkomst Elias Biesmans 71

72 OPNIEUW: competitie is geen indicator van sociale vergelijking => Het is de drijvende kracht achter vergelijkingsprocessen Elias Biesmans 72

Question 6 Multiple Choice

Question 6 Multiple Choice Question 1 Multiple Choice Het onderzoek van Strack e.a. (1988) waarin mensen op verschillende manieren een pen vasthielden terwijl ze cartoons beoordeelden toont aan dat: Question 2 Multiple Choice mensen

Nadere informatie

Theorie-opbouw of theorietoetsing?

Theorie-opbouw of theorietoetsing? Sociale Psychologie: Studietips HS 1 Waarom drukten in het experiment van Ader en Tatum (1963) de geslaagden uit de sociale conditie vaker op de knop dan de geslaagden uit de alleenconditie? -> Het duurde

Nadere informatie

Hoofdstuk 3 sociale invloed

Hoofdstuk 3 sociale invloed Hoofdstuk 3 sociale invloed Impliciete sociale invloed Een individu neemt waar dat anderen iets doen of laten, zonder dat deze anderen expliciet vragen om mee te doen. Meerderheid invloed > minderheid

Nadere informatie

NAAM: TUSSENTIJDSE TOETS SOCIALE PSYCHOLOGIE PM05 22 NOVEMBER 2004

NAAM: TUSSENTIJDSE TOETS SOCIALE PSYCHOLOGIE PM05 22 NOVEMBER 2004 NAAM: TUSSENTIJDSE TOETS SOCIALE PSYCHOLOGIE PM05 22 NOVEMBER 2004 1 Een turnster vraagt je hoe ze een ingewikkelde wedstrijdoefening het best kan oefenen A. Zolang ze de oefening nog niet goed onder de

Nadere informatie

Zajoncs sociale activeringshypothese (P.12)

Zajoncs sociale activeringshypothese (P.12) Sociale psychologie: Overzichten verschillende hypotheses en theorieën Zajoncs sociale activeringshypothese (P.12) Inductieve opbouw van de hypothese Een gemeenschappelijke noemer in facilitatie en inhibitie

Nadere informatie

- Mensen gaan meer variëteit kiezen bij hun consumptiekeuzes wanneer ze weten dat hun gedrag nauwkeurig publiekelijk zal onderzocht worden.

- Mensen gaan meer variëteit kiezen bij hun consumptiekeuzes wanneer ze weten dat hun gedrag nauwkeurig publiekelijk zal onderzocht worden. Abstract: - 3 experimenten - Mensen gaan meer variëteit kiezen bij hun consumptiekeuzes wanneer ze weten dat hun gedrag nauwkeurig publiekelijk zal onderzocht worden. - Studie 1&2: consumenten verwachten

Nadere informatie

Samenvatting. Audiovisuele aandacht in de ruimte

Samenvatting. Audiovisuele aandacht in de ruimte Samenvatting Audiovisuele aandacht in de ruimte Theoretisch kader Tijdens het uitvoeren van een visuele taak, zoals het lezen van een boek, kan onze aandacht getrokken worden naar de locatie van een onverwacht

Nadere informatie

Sociale psychologie : onderzoeken

Sociale psychologie : onderzoeken Sociale psychologie 2016-2017: onderzoeken Hoofdstuk 1: Methodes van sociaalpsychologisch onderzoek FeldmanHall, Mobbs, Evans, Hiscox, Navrady, Dalgleish (2012) Geclaimd vs werkelijk gedrag Keuzes wnr

Nadere informatie

Moral Misfits. The Role of Moral Judgments and Emotions in Derogating Other Groups C. Wirtz

Moral Misfits. The Role of Moral Judgments and Emotions in Derogating Other Groups C. Wirtz Moral Misfits. The Role of Moral Judgments and Emotions in Derogating Other Groups C. Wirtz Mensen die als afwijkend worden gezien zijn vaak het slachtoffer van vooroordelen, sociale uitsluiting, en discriminatie.

Nadere informatie

HOOFDSTUK 1 : SOCIALE ACTIVERING HOOFDSTUK 2 : MACHT EN ONMACHT

HOOFDSTUK 1 : SOCIALE ACTIVERING HOOFDSTUK 2 : MACHT EN ONMACHT HOOFDSTUK 1 : SOCIALE ACTIVERING Sociale activeringshypothese van Zajonc Bloot-sociale aanwezigheid leidt tot een verhoging van niet-gerichte activering. Dit leidt tot verhoging van de uitbrengingsprobabiliteit

Nadere informatie

Samenvatting Impliciet leren van kunstmatige grammatica s: Effecten van de complexiteit en het nut van de structuur

Samenvatting Impliciet leren van kunstmatige grammatica s: Effecten van de complexiteit en het nut van de structuur Samenvatting Impliciet leren van kunstmatige grammatica s: Effecten van de complexiteit en het nut van de structuur Hoewel kinderen die leren praten geen moeite lijken te doen om de regels van hun moedertaal

Nadere informatie

hoofdstuk 2 een vergelijkbaar sekseverschil laat zien voor buitenrelationeel seksueel gedrag: het hebben van seksuele contacten buiten de vaste

hoofdstuk 2 een vergelijkbaar sekseverschil laat zien voor buitenrelationeel seksueel gedrag: het hebben van seksuele contacten buiten de vaste Samenvatting Mensen zijn in het algemeen geneigd om consensus voor hun eigen gedrag waar te nemen. Met andere woorden, mensen denken dat hun eigen gedrag relatief vaak voorkomt. Dit verschijnsel staat

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting (Summary in Dutch) Het managen van weerstand van consumenten tegen innovaties

Nederlandse samenvatting (Summary in Dutch) Het managen van weerstand van consumenten tegen innovaties Nederlandse samenvatting (Summary in Dutch) Het managen van weerstand van consumenten tegen innovaties De afgelopen decennia zijn er veel nieuwe technologische producten en diensten geïntroduceerd op de

Nadere informatie

Theorie! Cognitive Bias Modification! Resultaten onderzoek!

Theorie! Cognitive Bias Modification! Resultaten onderzoek! Cognitive Bias Modification Resultaten onderzoek December 2013 Jules Reijnen Ron Jacobs Theorie Cognitive Bias Modification (CBM) is een recent onderzoeksgebied dat zich richt op de vertekening (bias)

Nadere informatie

Attitudevorming & verandering. dinsdag 6 maart 2012

Attitudevorming & verandering. dinsdag 6 maart 2012 Attitudevorming & verandering H9 Wat vertellen attitudes over consumenten? Wat vertellen attitudes over consumenten? Mensen die van sushi houden zullen het waarschijnlijk eten Wat vertellen attitudes over

Nadere informatie

Hoofdstuk 4 attitudes

Hoofdstuk 4 attitudes Hoofdstuk 4 attitudes Attitude De (coverte) evaluatieve houding tegenover een attitudeobject. Beïnvloed door interne eigenschappen (en minder) door situationele. Veronderstelling Attitude als reden voor

Nadere informatie

Red cheeks, sweaty palms, and coy-smiles: The role of emotional and sociocognitive disturbances in child social anxiety M. Nikolić

Red cheeks, sweaty palms, and coy-smiles: The role of emotional and sociocognitive disturbances in child social anxiety M. Nikolić Red cheeks, sweaty palms, and coy-smiles: The role of emotional and sociocognitive disturbances in child social anxiety M. Nikolić Rode wangen, zweethanden en coy-smiles: De rol van emotionele en socio-cognitieve

Nadere informatie

Geven en ontvangen van steun in de context van een chronische ziekte.

Geven en ontvangen van steun in de context van een chronische ziekte. Een chronische en progressieve aandoening zoals multiple sclerose (MS) heeft vaak grote consequenties voor het leven van patiënten en hun intieme partners. Naast het omgaan met de fysieke beperkingen van

Nadere informatie

Samenvatting. Mensen creëren hun eigen, soms illusionaire, visie over henzelf en de wereld

Samenvatting. Mensen creëren hun eigen, soms illusionaire, visie over henzelf en de wereld Samenvatting Mensen creëren hun eigen, soms illusionaire, visie over henzelf en de wereld om hen heen. Zo hebben vele mensen een natuurlijke neiging om zichzelf als bijzonder positief te beschouwen (bijv,

Nadere informatie

Neurocognitive Processes and the Prediction of Addictive Behaviors in Late Adolescence O. Korucuoğlu

Neurocognitive Processes and the Prediction of Addictive Behaviors in Late Adolescence O. Korucuoğlu Neurocognitive Processes and the Prediction of Addictive Behaviors in Late Adolescence O. Korucuoğlu Nederlandse Samenvatting De adolescentie is levensfase waarin de neiging om nieuwe ervaringen op te

Nadere informatie

FEEDBACK GEVEN. Feedback = een concrete uitspraak over het gedrag van een ander, met een specifiek doel voor ogen

FEEDBACK GEVEN. Feedback = een concrete uitspraak over het gedrag van een ander, met een specifiek doel voor ogen FEEDBACK GEVEN Feedback geven is een van de meest directe manieren om gedrag te sturen. Zeker op de korte termijn, maar zeker ook op de langere termijn is feedback heel krachtig. Maar effectief feedback

Nadere informatie

8.2. Onderdelen van het klassieke experimentele ontwerp

8.2. Onderdelen van het klassieke experimentele ontwerp Deel 3: Kwantitatieve methoden Hoofdstuk 8: Experimentele ontwerpen 8.1. Inleiding Basisidee: twee situaties nl. situatie 1 met manipulatie en situatie 2 zonder manipulatie en je kijkt naar het effect

Nadere informatie

Perseverative cognition: The impact of worry on health. Nederlandse samenvatting

Perseverative cognition: The impact of worry on health. Nederlandse samenvatting Perseverative cognition: The impact of worry on health Nederlandse samenvatting Nederlandse samenvatting Perseveratieve cognitie: de invloed van piekeren op gezondheid Iedereen maakt zich wel eens zorgen.

Nadere informatie

Samenvatting. Exploratieve bewegingen in haptische waarneming. Deel I: de precisie van haptische waarneming

Samenvatting. Exploratieve bewegingen in haptische waarneming. Deel I: de precisie van haptische waarneming Exploratieve bewegingen in haptische waarneming Haptische waarneming is de vorm van actieve tastwaarneming waarbij de waarnemer de eigenschappen van een object waarneemt door het object met zijn of haar

Nadere informatie

HOOFDSTUK 6: INTRODUCTIE IN STATISTISCHE GEVOLGTREKKINGEN

HOOFDSTUK 6: INTRODUCTIE IN STATISTISCHE GEVOLGTREKKINGEN HOOFDSTUK 6: INTRODUCTIE IN STATISTISCHE GEVOLGTREKKINGEN Inleiding Statistische gevolgtrekkingen (statistical inference) gaan over het trekken van conclusies over een populatie op basis van steekproefdata.

Nadere informatie

Sociale macht (invloed op gedrag anderen) <-> autosociale macht (invloed op eigen situatie)

Sociale macht (invloed op gedrag anderen) <-> autosociale macht (invloed op eigen situatie) Sociale macht (invloed op gedrag anderen) autosociale macht (invloed op eigen situatie) 1. Beheersen en beheerst worden: instrumenteel leren Operant gedrag: gedrag waarmee we invloed uitoefenen op

Nadere informatie

THEMA SOCIAAL-EMOTIONELE ONTWIKKELING Kern Subkern 0-4 groep 1-2 groep 3-6 groep 7-8 Onderbouw vo Bovenbouw vmbo Bovenbouw havo-vwo

THEMA SOCIAAL-EMOTIONELE ONTWIKKELING Kern Subkern 0-4 groep 1-2 groep 3-6 groep 7-8 Onderbouw vo Bovenbouw vmbo Bovenbouw havo-vwo Kern Subkern 0-4 groep 1-2 groep 3-6 groep 7-8 Onderbouw vo Zelf Gevoelens Verbaal en non-verbaal primaire gevoelens beschrijven en uiten. Kwaliteiten Verbaal en non-verbaal beschrijven dat fijne en nare

Nadere informatie

Samenvatting. Dutch Summary.

Samenvatting. Dutch Summary. Samenvatting Dutch Summary. 125 126 Dutch Summary Nederlandse Samenvatting (Summary in Dutch) Door de aanwezigheid van omstanders helpen mensen elkaar minder snel en minder vaak. Dit geldt voor zowel noodsituaties,

Nadere informatie

hoofdstuk 2-4 hoofdstuk 2

hoofdstuk 2-4 hoofdstuk 2 Samenvatting Het doel van het onderzoek, zoals beschreven in dit proefschrift, is het identificeren van fysiologische parameters voor het meten van stress bij vleesvarkens. Stress, veroorzaakt door de

Nadere informatie

Alcoholgebruik, misbruik & afhankelijkheid

Alcoholgebruik, misbruik & afhankelijkheid ALCOHOLGEBRUIK: BEWUST OVERWOGEN OF ONBEWUST OVERKOMEN? Impliciete en expliciete processen bij alcoholgebruik en implicaties voor interventies Katrijn Houben [email protected] Alcoholgebruik,

Nadere informatie

Rapport voor deelnemers M²P burgerpanel

Rapport voor deelnemers M²P burgerpanel Rapport voor deelnemers M²P burgerpanel Weergaven van publieke opinie in het nieuws en hun invloed op het publiek Dit rapport beschrijft de resultaten van een onderzoek over weergaven van publieke opinie

Nadere informatie

Recente ontwikkelingen in de psychologie van de communicatie

Recente ontwikkelingen in de psychologie van de communicatie Recente ontwikkelingen in de psychologie van de communicatie Vera Hoorens Katholieke Universiteit te Leuven Presentatie ter gelegenheid van de Najaarsconferentie van de VGT en VVGt (11-12 november 1999)

Nadere informatie

MANTELZORG, GOED GEVOEL

MANTELZORG, GOED GEVOEL UITKOMSTEN ONDERZOEK: MANTELZORG, GOED GEVOEL Inhoud: Theorie & Vragen Methode Theoretische achtergrond: Mantelzorgers zijn iets minder gelukkig dan de rest van de bevolking (CBS, 2016). Mantelzorg brengt

Nadere informatie

Agenda. Inleiding Drieluik in veiligheid Veiligheidscultuur. Groepsgedrag Gedrag beïnvloeden Af en aanspreken. Aan de slag. www.denf.

Agenda. Inleiding Drieluik in veiligheid Veiligheidscultuur. Groepsgedrag Gedrag beïnvloeden Af en aanspreken. Aan de slag. www.denf. www.denf.nl 1 Agenda Inleiding Drieluik in veiligheid Veiligheidscultuur Groepsgedrag Gedrag beïnvloeden Af en aanspreken Aan de slag www.denf.nl 2 1 Drieluik in veiligheid www.denf.nl 3 Drieluik in veiligheid

Nadere informatie

De sociale psychologie van waargenomen rechtvaardigheid en de rol van onzekerheid

De sociale psychologie van waargenomen rechtvaardigheid en de rol van onzekerheid Kees van den Bos De sociale psychologie van waargenomen rechtvaardigheid en de rol van onzekerheid In deze bijdrage wordt sociaal-psychologisch onderzoek naar sociale rechtvaardigheid besproken. Sociaal-psychologen

Nadere informatie

SAMENVATTING (Summary in Dutch)

SAMENVATTING (Summary in Dutch) SAMENVATTING (Summary in Dutch) Taal speelt een belangrijke rol in ons dagelijks leven. Het is een van de meest centrale aspecten bij de interactie tussen mensen. Ons taalgebruik wordt beïnvloed door onze

Nadere informatie

Lineair- en non lineair

Lineair- en non lineair Lineair- en non lineair Zomermodule opleidingsdag 25 mei 2019 Mark Hakkeling In deze module gaan we in op het verschil tussen lineaire- en non-lineaire opvattingen van motorisch leren. Niet toevallig is

Nadere informatie

Samenvatting. Samenvatting

Samenvatting. Samenvatting Samenvatting 10 Samenvatting Samenvatting Hoe snel word je boos als iemand je provoceert? Het traditionele antwoord op deze vraag is dat het afhangt van je individuele neiging om boos te worden. Als je

Nadere informatie

Mathilde Descheemaeker Adriaan Spruyt Dirk Hermans

Mathilde Descheemaeker Adriaan Spruyt Dirk Hermans Mathilde Descheemaeker Adriaan Spruyt Dirk Hermans Experimentele psychopathologie Op zoek naar de psychologische processen die een rol spelen bij het ontstaan, in stand houden en terugval van psychopathologie

Nadere informatie

Hoofdstuk 3 Statistiek: het toetsen

Hoofdstuk 3 Statistiek: het toetsen Hoofdstuk 3 Statistiek: het toetsen 3.1 Schatten: Er moet een verbinding worden gelegd tussen de steekproefgrootheden en populatieparameters, willen we op basis van de een iets kunnen zeggen over de ander.

Nadere informatie

Hoe goed of slecht beleeft men de EOT-regeling? Hoe evolueert deze beleving in de eerste 30 maanden?

Hoe goed of slecht beleeft men de EOT-regeling? Hoe evolueert deze beleving in de eerste 30 maanden? Hoe goed of slecht beleeft men de EOT-regeling? Hoe evolueert deze beleving in de eerste 30 maanden? Auteur: Ruben Brondeel i.s.m. Prof. A. Buysse Onderzoeksvraag Tijdens het proces van een echtscheiding

Nadere informatie

nederlandse samenvatting Dutch summary

nederlandse samenvatting Dutch summary Dutch summary 211 dutch summary De onderzoeken beschreven in dit proefschrift zijn onderdeel van een grootschalig onderzoek naar individuele verschillen in algemene cognitieve vaardigheden. Algemene cognitieve

Nadere informatie

Artikel 15: Cooperation, competition, and team performance, toward a contingency approach

Artikel 15: Cooperation, competition, and team performance, toward a contingency approach Artikel 15: Cooperation, competition, and team performance, toward a contingency approach 1) Abstract * Onderzoek: er wordt onderzocht of de relatie tussen de beloningsstructuur en de team prestatie contingent

Nadere informatie

Sociolinguïstiek en sociale psychologie:

Sociolinguïstiek en sociale psychologie: Sociolinguïstiek en sociale psychologie: Nieuwe methodes voor attitudemeting Laura Rosseel, Dirk Geeraerts, Dirk Speelman OG Kwantitatieve Lexicologie en Variatielinguïstiek Inleiding sinds de jaren 1960

Nadere informatie

TAXONOMIE HISTORISCH DENKEN

TAXONOMIE HISTORISCH DENKEN Verwijs naar dit document als Smets, W. (2018), Taxonomie historisch denken, opgehaald van: Karel de Grote Hogeschool, https://www.kdg.be/onderzoek-en-expertise/onderzoeksprojecten/praktijkonderzoek-historisch-denken

Nadere informatie

New Tools nieuwe- kanseninterventie. -Erken de gevoelens van de jongere -Constructieve communicatie onderhouden/ vaak bevestigen

New Tools nieuwe- kanseninterventie. -Erken de gevoelens van de jongere -Constructieve communicatie onderhouden/ vaak bevestigen Bijlage 2: Werkwijze LSCI- interventies per nieuwe- kanseninterventie Red Flag nieuwe- kanseninterventie -Ontladen van emoties/ beheers je eigen agressie -Erken de gevoelens van de jongere -Communicatie

Nadere informatie

Samenvatting (Summary in Dutch)

Samenvatting (Summary in Dutch) Samenvatting (Summary in Dutch) Interactionistische perspectieven benadrukken dat de persoon en zijn of haar omgeving voortdurend in interactie zijn en samen een systeem vormen. Dit idee van integratie

Nadere informatie

Samenvatting Summary in Dutch

Samenvatting Summary in Dutch 112 Samenvatting Summary in Dutch Wanneer mensen anderen zien die in een gelijke situatie of wel beter af zijn of wel slechter af zijn, kan dat sterke reacties oproepen. Mensen kunnen als reactie sterke

Nadere informatie

Dutch Summary Samenvatting. Pesten Gecontextualiseerd: Het Veranderen van het Groepsproces door het Veranderen van de Betrokkenheid

Dutch Summary Samenvatting. Pesten Gecontextualiseerd: Het Veranderen van het Groepsproces door het Veranderen van de Betrokkenheid Dutch Summary Samenvatting Pesten Gecontextualiseerd: Het Veranderen van het Groepsproces door het Veranderen van de Betrokkenheid van de Buitenstaanders In Hoofdstuk Een werd de theoretische achtergrond

Nadere informatie

Samenvatting. (Summary in dutch)

Samenvatting. (Summary in dutch) Samenvatting (Summary in dutch) 74 Samenvatting Soms kom je van die stelletjes tegen die alleen nog maar oog hebben voor elkaar. Ze bestellen hetzelfde ijsje, maken elkaars zinnen af en spiegelen elkaar

Nadere informatie

Hiermee rekenen we de testwaarde van t uit: n. 10 ( x ) ,16

Hiermee rekenen we de testwaarde van t uit: n. 10 ( x ) ,16 modulus strepen: uitkomst > 0 Hiermee rekenen we de testwaarde van t uit: n 10 ttest ( x ) 105 101 3,16 n-1 4 t test > t kritisch want 3,16 >,6, dus 105 valt buiten het BI. De cola bevat niet significant

Nadere informatie

STOP 4-7 programma. Samen sterker Terug. Pad

STOP 4-7 programma. Samen sterker Terug. Pad STOP 4-7 programma Samen sterker Terug Op Pad STOP 4-7 PROGRAMMA Samen sterker Terug Op Pad Ecologisch (samen) en positief (sterker terug op pad) Een vroeg interventie- of preventieprogramma: kindtraining

Nadere informatie

Informatie over de deelnemers

Informatie over de deelnemers Tot eind mei 2015 hebben in totaal 45558 mensen deelgenomen aan de twee Impliciete Associatie Testen (IATs) op Onderhuids.nl. Een enorm aantal dat nog steeds groeit. Ook via deze weg willen we jullie nogmaals

Nadere informatie

Voor de definitie van een superpromoter van overheidsbeleid sluiten we zoveel mogelijk aan bij de definitie van Vogelaar:

Voor de definitie van een superpromoter van overheidsbeleid sluiten we zoveel mogelijk aan bij de definitie van Vogelaar: Samenvatting literatuuronderzoek superpromoters Aanleiding en definitie De overheid zoekt naar nieuwe manieren om haar boodschap zo overtuigend mogelijk over het voetlicht te krijgen. Dit geldt in het

Nadere informatie

Het toepassen van theorieën: een stappenplan

Het toepassen van theorieën: een stappenplan Het toepassen van theorieën: een stappenplan Samenvatting Om maximaal effectief te zijn, moet de aanpak van sociale en maatschappelijke problemen idealiter gebaseerd zijn op gedegen theorie en onderzoek

Nadere informatie

Nederlandse Samenvatting

Nederlandse Samenvatting 11 Nederlandse Samenvatting Bij beslissingen over het al dan niet vergoeden van behandelingen wordt vaak gebruikt gemaakt van kosteneffectiviteitsanalyses, waarin de kosten worden afgezet tegen de baten.

Nadere informatie

1. Reductie van error variantie en dus verhogen van power op F-test

1. Reductie van error variantie en dus verhogen van power op F-test Werkboek 2013-2014 ANCOVA Covariantie analyse bestaat uit regressieanalyse en variantieanalyse. Er wordt een afhankelijke variabele (intervalniveau) voorspeld uit meerdere onafhankelijke variabelen. De

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting. Verschillende vormen van het visuele korte termijn geheugen en de interactie met aandacht

Nederlandse samenvatting. Verschillende vormen van het visuele korte termijn geheugen en de interactie met aandacht Nederlandse samenvatting Verschillende vormen van het visuele korte termijn geheugen en de interactie met aandacht 222 Elke keer dat je naar iets of iemand op zoek bent, bijvoorbeeld wanneer je op een

Nadere informatie

Communicating about Concerns in Oncology K. Brandes

Communicating about Concerns in Oncology K. Brandes Communicating about Concerns in Oncology K. Brandes Nederlandse samenvatting Uit een recente rapportage van KWF Kankerbestrijding blijkt dat 64% van de (ex-) patiënten met kanker zorgen ervaart over psychosociale

Nadere informatie

Fear Memory Uncovered: Prediction Error as the Key to Memory Plasticity D. Sevenster

Fear Memory Uncovered: Prediction Error as the Key to Memory Plasticity D. Sevenster Fear Memory Uncovered: Prediction Error as the Key to Memory Plasticity D. Sevenster Samenvatting Angststoornissen zijn een van de meest voorkomende psychiatrische stoornissen. Hoewel de meest gangbare

Nadere informatie

Ziet mijn leerkracht het dan niet? hoe leerkrachten pesten (niet) waarnemen

Ziet mijn leerkracht het dan niet? hoe leerkrachten pesten (niet) waarnemen Ziet mijn leerkracht het dan niet? hoe leerkrachten pesten (niet) waarnemen Ron Scholte (i.s.m. Wendy Nelen, Peer van der Helm) Radboud Universiteit Nijmegen & Tilburg Universiteit Praktikon (dit project

Nadere informatie

Vergelijking tussen: Functie: General Manager Dijkhuis BV Afnamedatum: :26:42 Kandidaat: Verbaan, Jan Afnamedatum: :05:43

Vergelijking tussen: Functie: General Manager Dijkhuis BV Afnamedatum: :26:42 Kandidaat: Verbaan, Jan Afnamedatum: :05:43 Competentie match Score per domein Competentiescan Pagina 1 van 14 Score per schaal Competentiescan Pagina 2 van 14 Schaalscores per domein Werk Sociaal Toelichting bij de grafiek. In deze grafiek staan

Nadere informatie

Samenvatting. Over het gebruik van visuele informatie in het reiken bij baby s

Samenvatting. Over het gebruik van visuele informatie in het reiken bij baby s Samenvatting Over het gebruik van visuele informatie in het reiken bij baby s 166 Het doel van dit proefschrift was inzicht te krijgen in de vroege ontwikkeling van het gebruik van visuele informatie voor

Nadere informatie

DUTCH SUMMARY NEDERLANDSE SAMENVATTING

DUTCH SUMMARY NEDERLANDSE SAMENVATTING NEDERLANDSE SAMENVATTING 205 Het is niet zonder reden dat autoriteiten wereldwijd aandacht besteden aan programma s en interventies om mensen meer te laten bewegen. Sportactiviteiten van gemiddelde tot

Nadere informatie

1. Effecten van aanwezigheid van anderen op individueel gedrag: facilitatie of belemmering?:

1. Effecten van aanwezigheid van anderen op individueel gedrag: facilitatie of belemmering?: SAMENVATTING PSYCHOLOGIE: SOCIALE BEINVLOEDING. Hoofdstuk 1: Sociale activering. = wat maakt het uit voor ons individuele gedrag dat er anderen aanwezig zijn? 2 thema s in dit hoofdstuk: - inhoudelijk

Nadere informatie

Programma. - Construct-> dimensies -> indicatoren -> items vragenlijst. - Pilot met de vragenlijst. - Plannen van het onderzoek.

Programma. - Construct-> dimensies -> indicatoren -> items vragenlijst. - Pilot met de vragenlijst. - Plannen van het onderzoek. Bijeenkomst 3 1 Programma Mini-presentaties Vragenlijst maken Kwaliteit van de vragenlijst: betrouwbaarheid en validiteit Vooruitblik: analyse van je resultaten Aan de slag: - Construct-> dimensies ->

Nadere informatie

Bijlage 1: het wetenschappelijk denk- en handelingsproces in het basisonderwijs 1

Bijlage 1: het wetenschappelijk denk- en handelingsproces in het basisonderwijs 1 Bijlage 1: het wetenschappelijk denk- en handelingsproces in het basisonderwijs 1 Bijlage 1: Het wetenschappelijk denk- en handelingsproces in het basisonderwijs: Stadium van het instructie model Oriëntatiefase

Nadere informatie

Gegevensverwerving en verwerking

Gegevensverwerving en verwerking Gegevensverwerving en verwerking Staalname - aantal stalen/replicaten - grootte staal - apparatuur Experimentele setup Bibliotheek Statistiek - beschrijvend - variantie-analyse - correlatie - regressie

Nadere informatie

Motieven en persoonlijkheid. Waarom doen mensen de dingen die ze doen?

Motieven en persoonlijkheid. Waarom doen mensen de dingen die ze doen? Motieven en persoonlijkheid Waarom doen mensen de dingen die ze doen? Motivatie psychologen vragen: Waarom doen mensen de dingen die ze doen? Motivatiepsychologen zoeken naar de motieven, de drijfveren

Nadere informatie

Chapter. Samenvatting

Chapter. Samenvatting Chapter 9 9 Samenvatting Samenvatting Patiënten met chronische pijn die veel catastroferende gedachten (d.w.z. rampdenken) hebben over pijn ervaren een verminderd fysiek en psychologisch welbevinden. Het

Nadere informatie

HOE WERKT FAALANGST? WAT IS FAALANGST?

HOE WERKT FAALANGST? WAT IS FAALANGST? HOE WERKT FAALANGST? WAT IS FAALANGST? Faalangst kan omschreven worden als de angst om te mislukken in situaties waarin men beoordeeld wordt (of denkt beoordeeld te worden) en de behoefte om mislukkingen

Nadere informatie

Samenvatting afstudeeronderzoek

Samenvatting afstudeeronderzoek Samenvatting afstudeeronderzoek Succesfactoren volgens bedrijfsleven in publiek private samenwerkingen mbo IRENE VAN RIJSEWIJK- MSC STUDENT BEDRIJFSWETENSCHAPPEN (WAGENINGEN UNIVERSITY) IN SAMENWERKING

Nadere informatie

Dynamics, Models, and Mechanisms of the Cognitive Flexibility of Preschoolers B.M.C.W. van Bers

Dynamics, Models, and Mechanisms of the Cognitive Flexibility of Preschoolers B.M.C.W. van Bers Dynamics, Models, and Mechanisms of the Cognitive Flexibility of Preschoolers B.M.C.W. van Bers Introductie Flexibiliteit is een belangrijke eigenschap in de huidige snel veranderende maatschappij. In

Nadere informatie

LES 3: ZELFRAPPORTAGE VRAGENLIJSTEN

LES 3: ZELFRAPPORTAGE VRAGENLIJSTEN LES 3: ZELFRAPPORTAGE VRAGENLIJSTEN Leerdoelen Zelfrapportage technieken kunnen plaatsen op de dimensie van kwantitatief naar kwalitatief De unieke functie van zelfrapportage data kennen (wat kan zelfrapportage

Nadere informatie

Samenvatting (Summary in Dutch)

Samenvatting (Summary in Dutch) Samenvatting (Summary in Dutch) * 132 Baby s die te vroeg geboren worden (bij een zwangerschapsduur korter dan 37 weken) hebben een verhoogd risico op zowel ernstige ontwikkelingproblemen (zoals mentale

Nadere informatie

1 Soms vermijd ik situaties die me in contact brengen met mensen waar ik problemen mee heb.

1 Soms vermijd ik situaties die me in contact brengen met mensen waar ik problemen mee heb. De SOS test Uw Stijl Onder Stress test Hoe goed kent u uzelf? Een goede manier om uw zelfinzicht te vergroten is om uw Stijl Onder Stress te verkennen. Hoe reageert u wanneer een gesprek echt moeilijk

Nadere informatie

SAMENVATTING bijlage Hoofdstuk 1 104

SAMENVATTING bijlage Hoofdstuk 1 104 Samenvatting 103 De bipolaire stoornis, ook wel manisch depressieve stoornis genoemd, is gekenmerkt door extreme stemmingswisselingen, waarbij recidiverende episoden van depressie, manie en hypomanie,

Nadere informatie

Hoofdstuk 5 Een populatie: parametrische toetsen

Hoofdstuk 5 Een populatie: parametrische toetsen Hoofdstuk 5 Een populatie: parametrische toetsen 5.1 Gemiddelde, variantie, standaardafwijking: De variantie is als het ware de gemiddelde gekwadrateerde afwijking van het gemiddelde. Hoe groter de variantie

Nadere informatie

Basissjabloon presentatie CASI

Basissjabloon presentatie CASI A d v i e s Basissjabloon presentatie CASI datum Parkeervak (Noteer hier alle ideeën en inzichten die gedurende het traject uit de groep komen zodat ze niet vergeten worden) 2 Doel van CASI (Omschrijf

Nadere informatie

het laagste niveau van psychologisch functioneren direct voordat de eerste bestraling begint. Zowel angstgevoelens als depressieve symptomen en

het laagste niveau van psychologisch functioneren direct voordat de eerste bestraling begint. Zowel angstgevoelens als depressieve symptomen en Samenvatting In de laatste 20 jaar is er veel onderzoek gedaan naar de psychosociale gevolgen van kanker. Een goede zaak want aandacht voor kanker, een ziekte waar iedereen in zijn of haar leven wel eens

Nadere informatie

Nerderlandse Samenvatting (Summary in Dutch) Zo Wint men Verkiezingen: Een Evolutionair Psychologisch Model van Context,

Nerderlandse Samenvatting (Summary in Dutch) Zo Wint men Verkiezingen: Een Evolutionair Psychologisch Model van Context, Nerderlandse Samenvatting (Summary in Dutch) Zo Wint men Verkiezingen: Een Evolutionair Psychologisch Model van Context, Gezichtskenmerken, en Boodschap Voorspelt Verkrijging van Leiderschap Het is belangrijk

Nadere informatie

Competentieprofiel: Voorbeeld

Competentieprofiel: Voorbeeld Competentieprofiel: Voorbeeld deelnemer opdrachtgever HFMtalentindex 07-07-2015 Dit rapport is gegenereerd met het HFMtalentindex Online Assessmentsysteem. De gegevens in dit rapport zijn gebaseerd op

Nadere informatie

Training Omgaan met Agressie en Geweld

Training Omgaan met Agressie en Geweld Training Omgaan met Agressie en Geweld 2011 Inleiding In veel beroepen worden werknemers geconfronteerd met grensoverschrijdend gedrag, waaronder agressie. Agressie wordt door medewerkers over het algemeen

Nadere informatie

Hoofdstuk 1: Sociale activering.

Hoofdstuk 1: Sociale activering. Hoofdstuk 1: Sociale activering. Effect van de aanwezigheid op zich. Heeft de blote omstandigheid van niet-alleen zijn een effect op individueel gedrag? = mere presence of blote, niet gerichte beïnvloede

Nadere informatie

Kun je met statistiek werkelijk alles bewijzen?

Kun je met statistiek werkelijk alles bewijzen? Kun je met statistiek werkelijk alles bewijzen? Geert Verbeke Biostatistisch Centrum, K.U.Leuven International Institute for Biostatistics and statistical Bioinformatics [email protected] http://perswww.kuleuven.be/geert

Nadere informatie

CASI MODEL (Pag 122) Stappen. Antwoorden

CASI MODEL (Pag 122) Stappen. Antwoorden CASI MODEL (Pag 122) HOE KANSRIJK IS UW CAMPAGNE? Het Campagne Strategie Instrument (CASI) is een hulpmiddel om tot onderbouwde keuzes te komen voor het opzetten van een campagne. Het gaat hierbij om campagnes

Nadere informatie

Evaluatie van het project Mantelluisteren academiejaar 2012-2013

Evaluatie van het project Mantelluisteren academiejaar 2012-2013 Evaluatie van het project Mantelluisteren academiejaar 212-21 In academiejaar 212-21 namen 5 mantelzorgers en 5 studenten 1 ste bachelor verpleegkunde (Howest, Brugge) deel aan het project Mantelluisten.

Nadere informatie

Scheikunde inhouden (PO-havo/vwo): Schaal, verhouding en hoeveelheid

Scheikunde inhouden (PO-havo/vwo): Schaal, verhouding en hoeveelheid Scheikunde inhouden (PO-havo/vwo): Schaal, verhouding en hoeveelheid kerndoelen primair onderwijs kerndoelen onderbouw havo bovenbouw exameneenheden vwo bovenbouw exameneenheden 44: De leerlingen leren

Nadere informatie

Spelen in het groen. Agnes van den Berg Roderik Koenis Magdalena van den Berg

Spelen in het groen. Agnes van den Berg Roderik Koenis Magdalena van den Berg Spelen in het groen Effecten van een bezoek aan een natuurspeeltuin op het speelgedrag, de lichamelijke activiteit, de concentratie en de stemming van kinderen Agnes van den Berg Roderik Koenis Magdalena

Nadere informatie