Rapport Lokaal behoefteonderzoek Limburg
|
|
|
- Dries Vermeiren
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Rapport Lokaal behoefteonderzoek Resultaten van het ouderenbehoefteonderzoek ter ondersteuning van het lokaal ouderenbeleid Dominique Verté Nico De Witte Liesbeth De Donder Tine Buffel Sarah Dury An-Sofie Smetcoren
2
3
4 Colofon Auteurs: Dominique Verté Nico De Witte Liesbeth De Donder Tine Buffel Sarah Dury An-Sofie Smetcoren Eerste druk, pag. ISBN: D/2011/5857/54
5
6 Voorwoord
7
8 Inhoudstafel Situering...1 Methodologie Dataverzameling Steekproeftrekking Meetmodel Schaalconstructies Significantieniveau... 7 Beschrijving van de steekproef...8 Thema 1: Woonsituatie en buurt Basiscomfort en onaangepastheid van de woning Buurtbetrokkenheid Verhuizen en verhuisgeneigdheid Tekorten in de wijk...30 Thema 2: Gezondheid, zorg en hulpverlening Gezondheid Potentieel hulpnetwerk Zorgafhankelijkheid Vallen...49 Thema 3: Welbevinden Uitgebreidheid van het netwerk Eenzaamheid Negatieve psychologische beleving Negatieve stemmingsstoornissen Problemen Onveiligheidsgevoel Ouderdomsbeeld...81 Thema 4: Maatschappelijke participatie Activiteitsgraad Participatie in verenigingen Ouderenverenigingen Vrijwilligerswerk en potentieel netwerk vrijwilligers Bijwonen culturele activiteiten Internetgebruik Thema 5: Tevredenheid over gemeentelijke dienstverlening Tevredenheid dienstverlening gemeentebestuur Tevredenheid over de dienstverlening OCMW Tevredenheid over de politie Tevredenheid over cultuurbeleid en bibliotheek
9 5. Tevredenheid over recreatie en sport Tevredenheid over mobiliteit Tevredenheid over huisvuil en containerpark Tevredenheid over andere dienstverleningen Conclusie
10 Belgian Ageing Studies, Rapport Situering Het Vlaamse Parlement keurde op 21 april 2004 het decreet houdende 'de stimulering van een inclusief Vlaams ouderenbeleid en de beleidsparticipatie van ouderen' goed. Via dit decreet wil men de participatie van ouderen aan het lokale beleid stimuleren, vandaar de naam 'het participatiedecreet'. Gemeenten op hun beurt worden gestimuleerd om een ouderenbeleidsplan op te stellen. Hiervoor zijn reeds heel wat gemeenten aan de slag gegaan. Daarvoor hebben zij echter cijfermateriaal nodig dat niet voor handen was. Het Vlaams Overleg Adviesraden van Senioren (WOAS) en het provinciebestuur Vlaanderen constateerden dat de gemeenten en de ouderenadviesraden vragende partij waren voor ondersteuning bij de opmaak van een ouderenbeleidsplan. Als antwoord hierop werd een ouderenbehoeftenonderzoek ontwikkeld door de Vrije Universiteit Brussel en de hogeschool Gent, samen met de provincie Vlaanderen. De vragenlijst omvat vele thema's zoals huisvesting, buurtkenmerken, mobiliteit, eenzaamheid, onveiligheid, hulpverlening, gezondheid, maatschappelijke participatie,... waarop een lokaal bestuur haar beleid dan zou kunnen baseren. Alvorens noden te kunnen oplossen, moet men ze immers eerst kennen. De data werd verzameld door een uniek systeem van peer-research. Dat betekent dat de enquêtes verzameld werden door 'peers' of leeftijdsgenoten van de respondenten. Voor dit ouderenbehoeftenonderzoek betekent dit dat de data verkregen werd via gestandaardiseerde vragenlijsten, die afgenomen werden bij ouderen en waar de enquêteurs bovendien zelf senior waren. Dit systeem van peer-research zorgt voor een zeer hoge firstresponsgraad. Tussen de 65% en 85% ouderen die gevraagd werden om de vragenlijst in te vullen, hebben dit ook gedaan. Dit is temeer een zeer hoog cijfer wanneer we weten dat de vragenlijst meer dan 20 bladzijden bedroeg. Binnen elke gemeente realiseerde men een proportioneel gestratificeerde steekproef, zowel naar leeftijd als naar geslacht. Wanneer de enquêteurs bij één van hun respondenten geen gehoor kregen, kregen zij een gelijkaardig vervangadres toegewezen opdat de representativiteit gewaarborgd zou blijven. Met andere woorden, de cijfers zijn steeds representatief op gemeentelijk niveau. Het resultaat van dit ouderenbehoeftenonderzoek is een zeer ruime Vlaamse dataset, die op verschillende niveaus bruikbaar is, namelijk op gemeentelijk, provinciaal en Vlaams niveau. 1
11 Belgian Ageing Studies, Rapport Het rapport dat voorligt, bundelt de beschikbare se gegevens van de eerste meting die plaatsvond tussen 2006 en Dit rapport beschrijft de leefomstandigheden en noden van 60plussers in de provincie. Hierin gaat de aandacht niet enkel uit naar ouderen als behoeftigen, maar ook en vooral naar ouderen als actieve actoren in de maatschappij die bijdragen aan de constructie van de samenleving. De provincie wordt vergeleken met Vlaanderen en nadien wordt er een vergelijking gemaakt binnen de vijf se regio s. 1
12 Belgian Ageing Studies, Rapport Een overzicht van deelnemende gemeenten gegroepeerd per streek vindt u in volgende tabel. Streek Gemeente Aantal respondenten per gemeente Totaal aantal respondenten Dilsen-Stokkem Kinrooi 432 Lanaken 489 Maaseik 428 Maasmechelen 609 Diepenbeek Genk 717 Hasselt 800 Houthalen- 557 Helchteren Opglabbeek 400 Zutendaal 401 Hamont-Achel Hechtel-Eksel 444 Lommel 608 Meeuwen- 419 Gruitrode Overpelt 412 Peer 424 Beringen Halen 397 Ham 401 Herk-de-Stad 391 Heusden-Zolder 489 Leopoldsburg 385 Tessenderlo 432 Heers Kortessem 423 Nieuwerkerken 334 Riemst 421 Tongeren 583 Voeren 402 Wellen Vlaanderen
13 Belgian Ageing Studies, Rapport Methodologie 1. Dataverzameling Wanneer een gemeente besluit te participeren aan het onderzoek, wordt binnen de gemeente een stuurgroep opgericht die verantwoordelijk is voor de uitwerking en opvolging van het project. De stuurgroep bestaat uit de onderzoeksbegeleider van de provincie, leden van de plaatselijke ouderenadviesraad, een ambtenaar (van de gemeente of het OCMW) en de beleidsverantwoordelijke van de gemeente. Via een rekruteringscampagne worden dan enquêteurs gezocht die met de vragenlijsten kunnen rondgaan. Een belangrijke stap in deze campagne is het betrekken van sleutelfiguren. De rol van de sleutelfiguren is de rekrutering van enquêteurs. Sleutelfiguren zijn bij voorkeur dan ook mensen met een grote kennissenkring binnen de ouderen en zijn actief in ouderenaangelegenheden of de ouderenzorg. De sleutelfiguren gaan dus op zoek naar ouderen die willen enquêteren. Eenmaal er voldoende vrijwilligers gevonden zijn, krijgt de enquêteur een opleiding. Daarin worden richtlijnen gegeven over de inhoud van de vragenlijst en de manier waarop men de vragenlijsten moet verdelen. Daarna draagt de enquêteur de verantwoordelijkheid voor het verspreiden en ophalen van een aantal vragenlijsten. Nadat uiteindelijk alle vragenlijsten terug binnengebracht zijn, wordt de data ingetikt door een personeelslid van de gemeente of het OCMW of een vrijwilliger in speciaal daartoe gecreëerde software. 2. Steekproeftrekking Binnen elke gemeente wordt een proportioneel gestratificeerde steekproef gerealiseerd, zowel naar leeftijd als geslacht. Wanneer de enquêteurs bij één van hun respondenten geen gehoor kregen, werd hen een gelijkaardig vervangadres toegewezen uit een extra steekproef, opdat de representativiteit niet in het gedrang zou komen. De cijfers zijn dus steeds representatief op gemeentelijk niveau. De grootorde van de cijfers echter, maakt het mogelijk om ook provincies met elkaar te vergelijken. Zowel voor de regio s als voor de se en Vlaamse cijfers werd een steekproef getrokken van 1000 respondenten. 3
14 Belgian Ageing Studies, Rapport 3. Meetmodel De behoeften van ouderen zijn echter niet eenduidig vast te stellen door middel van een eenvoudige meting. Daarom wordt in het onderzoek gebruik gemaakt van meerdere dimensies, die samen een beeld geven van de behoeften van ouderen. Elke dimensie wordt op haar beurt gemeten aan de hand van subdimensies. Een subdimensie kan nog verder opgesplitst worden in items die gemeten worden aan de hand van vragen. De opsplitsing van subdimensies naar items is niet bij alle dimensies het geval. Bijgevolg komt elke subdimensie of elk item (indien verdere opsplitsing) overeen met één vraag(onderdeel) uit de vragenlijst. Onderstaande figuur geeft het meetmodel weer. 4
15 Belgian Ageing Studies, Rapport 4. Schaalconstructies De vragenlijst bestaat uit zeer veel verschillende items. Voor de leesbaarheid/hanteerbaarheid van de data werden op basis van de verschillende vragen schalen geconstrueerd. Schaalconstructie onaangepastheid van de woning Om deze schaal te construeren werden alle scores op de items van vraag 15 opgeteld. De bekomen individuele scores werden vervolgens in klassen ingedeeld. Een score van 16 werd ingedeeld in de klasse geen onaangepastheid, een score tussen de 17 en de 28 als matige onaangepastheid en een score vanaf 29 als ernstig onaangepast. Deze indeling is vrij stringent maar is een indicator voor potentiële problemen in de woning bij het ouder worden. Schaalconstructie buurtbetrokkenheid Om deze schaal te construeren hebben we gebruik gemaakt van de volgende 7 vragen. Hoe vaak hebt u contact met mensen die in uw wijk wonen? (vraag 20) Hoe ervaart u dit contact? (vraag 21) Hoe prettig vindt u het over het algemeen om in uw wijk te wonen? (vraag 23) Hoe betrokken voelt u zich bij hetgeen in uw wijk gebeurt? (vraag 24) Hoe vaak gaat u op bezoek bij/ ontvangt u bezoek van / hebt u telefonisch contact met buren of mensen uit de wijk? (vraag 32 nr.7) Hoe tevreden bent u over de contacten met de buren of mensen uit de wijk? (vraag 33 nr.9) en Vindt u dat er in uw wijk voldoende wordt georganiseerd voor mensen, ouder dan 60 jaar? (vraag 27). Alle scores op deze vragen werden gesommeerd en de individuele totaalscores werden ingedeeld in klassen. Een score tussen de 7 en 17.5 duidt op geen tot weinig buurtbetrokkenheid. Een score van 17.6 tot 20.5 duidt op matige en scores vanaf 20.6 duiden op hoge buurtbetrokkenheid. Schaalconstructie eenzaamheid Om eenzaamheid te meten ligt de nadruk op het verschil tussen wat iemand wenst op vlak van intimiteit en interpersoonlijke affectie, en wat iemand heeft op dat vlak. Hoe groter dat verschil, hoe groter de eenzaamheid. 10 items van vraag 31 werden weerhouden om een schaal te construeren. De schaal werd onderverdeeld in twee klassen: geen tot matige eenzaamheidsgevoelens (scores 1 t.e.m. 28) en ernstige eenzaamheidsgevoelens (scores 29 t.e.m. 50). Schaalconstructie onveiligheidsgevoelens De schaal om de onveiligheidsgevoelens te meten werd geconstrueerd op basis van de eerste 8 items van vraag 29. De schaal wordt onderverdeeld in drie klassen: laag (scores 1 t.e.m. 2.5), matig (scores 2.51 t.e.m. 3.5) en hoog (3.50 t.e.m. 5). 5
16 Belgian Ageing Studies, Rapport Schaalconstructie verhuisgeneigdheid Om de verhuisgeneigdheid te meten maken we gebruik van de items 3,4,5,6,7 en 9 van vraag 17. Vervolgens werden de individuele scores in klassen ingedeeld: een score van 1 duidt op geen verhuisgeneigdheid een score hoger dan 1 duidt op verhuisgeneigdheid bij de respondent. Schaalconstructie tekorten in de wijk Op basis van de vraag Welke van de onderstaande voorzieningen zijn onvoldoende aanwezig in uw wijk? (vraag 26) wordt een schaal geconstrueerd die alle items uitgezonderd item 17 bevat, om zo de onaangepastheid van de wijk weer te geven. Deze schaal wordt onderverdeeld in drie subdimensies: tekorten in de wijk i.f.v. basisvoorzieningen, tekorten in de wijk i.f.v. cultuur en ontspanning en tekorten in de wijk i.f.v. mobiliteit. De schaal varieert tussen 1 en 2. Hoe dichter bij twee, hoe meer tekorten er in de wijk zijn. Schaalconstructie uitgebreidheid van het netwerk Om de uitgebreidheid van het netwerk van ouderen te meten, werd hen de volgende vraag gesteld: Hoe vaak gaat u op bezoek bij / ontvangt u bezoek van / hebt u telefonisch contact met?. Daarna worden 7 groepen van mensen voorgesteld. De respondenten konden telkens kiezen uit 6 antwoordmogelijkheden: nooit, minder dan 1 maal per maand, maandelijks, 1 à 2 maal per week, (bijna) dagelijks en niet van toepassing. Dit is vraag 32 uit de vragenlijst. Met de respondenten die 'niet van toepassing' geantwoord hebben wordt geen rekening gehouden. Vanaf het moment dat een oudere voor een persoon maandelijks geantwoord heeft, wordt deze meegenomen in de berekening van de totale netwerkgrootte. Hoe groter het getal, hoe uitgebreider het netwerk. Schaalconstructie ouderdomsbeeld Om het ouderdomsbeeld bij ouderen na te gaan werd hun mening gevraagd over 11 uitspraken. Deze uitspraken peilen naar het idee dat ouderen hebben over de maatschappelijke visie op oud worden of ouderen en naar het gevoel van ouderen of ze al dan niet gediscrimineerd worden omwille van hun leeftijd. Deze uitspraken gaan over medezeggenschap van ouderen, het al dan niet meer meetellen en de benadeling van ouderen in de samenleving. Dit is vraag 44 uit de vragenlijst. De respondenten konden telkens kiezen uit vijf antwoordmogelijkheden, namelijk helemaal oneens, mee oneens, noch mee oneens / noch mee eens, mee eens en helemaal mee eens. De totaalscore varieert van 1 tot 5. Hoe hoger de score, hoe meer men het gevoel heeft gediscrimineerd te worden omwille van de leeftijd. 6
17 Belgian Ageing Studies, Rapport Schaalconstructie activiteitsgraad Deze dimensie wordt gemeten aan de hand van volgende vraag: Hoe vaak beoefent u volgende activiteiten? (vraag 46). Vervolgens worden allerlei activiteiten opgesomd. De items 1 en 6 tem 15 vormen samen deze dimensie. De vijf antwoordmogelijkheden zijn: nooit, zelden, ongeveer maandelijks, ongeveer wekelijks en meer dan 1 maal per week. Aldus wordt een score bekomen tussen de 1 en de 5. Hoe dichter de score bij de vijf ligt, hoe actiever men is. Schaalconstructie gezondheid Om de gezondheidstoestand te meten maken we gebruik van een module van de MOS (Medical Outcome Scale). De respondent moet hierin aangeven in welke mate hij/zij beperkingen ondervindt in een aantal gezondheidsfacetten. De antwoordmogelijkheden voor deze vraag waren helemaal niet beperkt, minder dan 3 maand beperkt en langer dan 3 maand beperkt. Deze antwoordmogelijkheden werden vervolgens in overeenstemming met de richtlijnen gehercodeerd tot niet beperkt en beperkt. Het betreft hier vraag 34 uit de vragenlijst. Schaalconstructie ervaren problemen Om deze schaal te construeren hebben we gebruik gemaakt van de 14 items van vraag 45. Er werd een totaalscore berekend. Hoe hoger, hoe meer problemen men ervaart (max score = 5). Bovendien werden voor de drie subdimensies ook scores op 5 berekend. De subdimensies zijn kwetsbaarheid (items 1, 2, 3, 4, 6, 7 en 8) maatschappelijke participatie (items 9, 10, 11) en onveiligheid (items 5, 13 en 14). Schaalconstructie cultuurparticipatie De mate waarin ouderen culturele evenementen bijwonen, wordt gemeten aan de hand van vraag 73 (items 1 tem 4, 8 tem 12, 14, 15 en 18 tem 20). De vraag klinkt als volgt: Hoe vaak woont u onderstaande culturele evenementen bij?. De ouderen kunnen kiezen tussen: nooit, één keer per jaar, meerdere keren per jaar, één keer per maand en meerdere keren per maand. Alle individuele items werden gehercodeerd 0= nooit en 1= min 1x per jaar. Vervolgens werden de individuele scores gesommeerd. Deze scores werden in drie klassen ingedeeld: 0= nooit, 1&2= passant en 3 of hoger dan 3= frequente participant. 5. Significantieniveau Voor de statistische analyses werd er telkens gebruik gemaakt van een significantieniveau van 0.05 of 5%. Populatieverschillen die gerapporteerd worden zijn dan ook significante verschillen. Voor gegevens op nominaal niveau werd gebruik gemaakt van de Chi-kwadraat test en voor gegevens op ratio-niveau de Kruskall-Wallis of T-test. 7
18 Belgian Ageing Studies, Rapport Beschrijving van de steekproef In een eerste deel van de analyse wordt de steekproef besproken. De steekproef werd zo getrokken dat het aandeel mannen en vrouwen in de steekproef overeenkomt met het werkelijke aandeel in de bevolking van de bevraagde gemeenten. Ook naar leeftijd werden de verhoudingen in de populatie gerespecteerd. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de sociodemografische kenmerken van de respondenten. Achtereenvolgens komen geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, burgerlijke staat en rondkomen met het inkomen aan bod. Deze kenmerken worden vergeleken met de resultaten van Vlaanderen en met de regio s. Geslachtsverdeling Bijna 47% van de respondenten in zijn mannen, 53% van de respondenten zijn vrouwen. In de steekproef zitten dus meer vrouwen dan mannen. Wanneer we de man-vrouw-verdeling van de respondenten in de regio s bekijken, dan stellen we vast dat in de manvrouwverhouding 50/50 is. In zijn de mannen het minst sterk vertegenwoordigd van alle regio s. Daar zijn er bijna 57% vrouwen. Geslachtsverdeling van de respondenten in het onderzoek geslacht Vlaanderen man 47.14% 43.35% 50.10% 47.75% 45.69% 46.93% 44.93% vrouw 52.86% 56.65% 49.90% 52.25% 54.31% 53.07% 55.07% 8
19 Belgian Ageing Studies, Rapport Geslachtsverdeling ,9 47,1 43,3 56,6 50,149,9 52,3 54,3 53,1 55,1 47,8 45,7 46,9 44, Vlaanderen Man Vrouw Omdat niet alle gemeenten van de regio s bevraagd zijn, vergelijken we de gegevens van het onderzoek met de gegevens van de totale se ouderenbevolking. Bij de vergelijking van de geslachtsverdeling van de steekproef met de geslachtsverdeling van de totale ouderenbevolking in stellen we gelijkaardige verschillen vast. We zien dat vrouwen oververtegenwoordigd zijn in de ouderenpopulatie, maar dat die proportie vrouwen in iets kleiner is dan in Vlaanderen. Daarnaast toont onderstaande tabel dat in het onderzoek voor minder mannen werden bevraagd dan in de totale se ouderenbevolking. Voor geldt de omgekeerde conclusie: daar werden proportioneel meer mannen bevraagd dan er anno 2010 in wonen. Geslachtsverdeling van de totale ouderenpopulatie in anno 2010 geslacht Vlaanderen man 46.99% 45.14% 47.93% 46.97% 45.77% 46.35% 45.05% vrouw 53.01% 54.86% 52.07% 53.03% 54.23% 53.65% 54.95% Leeftijd en leeftijdsklassen Eén van de eerste vragen peilde naar de leeftijd van de respondent. We 9
20 Belgian Ageing Studies, Rapport hebben dit antwoord gebruikt om de gemiddelde leeftijd te berekenen. Daarnaast hebben we 3 klassen gecreëerd: 60 tot 69 jaar, 70 tot 79jaar en 80+. Vlaanderen leeftijd De gemiddelde leeftijd van de bevraagde ouderen in bedraagt 70.5 jaar. De laagste gemiddelde leeftijd is terug te vinden in de regio en de hoogste in. Merk op dat alle gemiddelden, zelfs het hoogste, lager liggen dan het Vlaamse gemiddelde. De gemiddelde leeftijd van de bevraagde ouderen in is 0.9 jaar lager dan de gemiddelde leeftijd van de bevraagde ouderen in Vlaanderen. Leeftijdsklassen Leeftijdsverdeling van de respondenten in het onderzoek Vlaanderen leeftijdsklasse % 48.60% 47.48% 46.93% 48.05% 48.99% 46.24% % 36.77% 39.44% 37.36% 35.54% 37.83% 34.40% % 14.63% 13.08% 15.71% 16.42% 13.18% 19.36% 49% ouderen die bevraagd werden in het onderzoek is tussen de 60 en 69 jaar oud, 37.8% is tussen de 70 en 79 jaar en 13.2% ouderen is ouder dan 80 jaar. Bekijken we bovenstaande tabel dan zien we dat in 80plussers aanzienlijk minder sterk vertegenwoordigd zijn dan in Vlaanderen. De generatie jarigen daarentegen is 3.4 procentpunten hoger dan in Vlaanderen en ook de groep jarigen is 2.7 procentpunten hoger. Het kleinste aandeel respondenten van 80 jaar en ouder vinden we terug in, de grootste groep 80plussers in. De jarigen zijn het sterkst vertegenwoordigd in, de jarigen zijn het sterkst vertegenwoordigd in. 10
21 Belgian Ageing Studies, Rapport Leeftijdsklassen ,8 48,6 47,5 46, ,4 36,8 39,4 37,4 35,5 37,8 12,8 14,6 13,1 15,7 16,4 13,2 46,2 34,4 19,4 0 Vlaanderen Omdat niet alle gemeenten van de regio s bevraagd zijn, vergelijken we de leeftijd van de participanten in het onderzoek met de leeftijd van de totale se ouderenbevolking. Als we de gegevens van de leeftijdsverdeling van de steekproef vergelijken met de leeftijdsverdeling van de totale ouderenbevolking in stellen we gelijkaardige tendensen vast: heeft een jongere ouderenbevolking dan Vlaanderen. De kleinste groep 80plussers vinden we inderdaad terug in en de grootste groep 80plussers in. Algemeen kunnen we stellen dat het aandeel 80plussers in de se regio s anno 2010 hoger ligt dan bij de deelnemers in het onderzoek. Dit is te wijten aan het feit dat het onderzoek in de gemeenten is afgenomen tussen 2005 en Naast de vergrijzing spreken we immers ook van een verzilvering. Er is niet enkel een stijging van 60plussers (vergrijzing), maar vooral ook een proportionele stijging van het aandeel 80plussers (= verzilvering). Leeftijdsverdeling van de totale ouderenpopulatie in anno 2010 leeftijdsklasse Vlaanderen % 46.03% 47.31% 45.89% 46.30% 46.61% 43.89% % 35.86% 36.55% 36.06% 34.85% 35.75% 35.46% % 18.11% 16.15% 18.05% 18.85% 17.64% 20.65% 11
22 Belgian Ageing Studies, Rapport Opleidingsniveau Om de opleidingsgraad in kaart te kunnen brengen, werd op basis van de vraag Wat is de hoogste opleiding die u hebt afgerond? vier opleidingsniveaus gecreëerd. 9.5% ouderen in heeft enkel het lager onderwijs gevolgd, 54.5% heeft maximum een diploma lager secundair gevolgd, 19% heeft een diploma hoger secundair. Ongeveer 17% ouderen heeft een diploma hoger of universitair onderwijs. Vlaanderen opleiding max lager onderwijs max lagere humaniora max hogere humaniora hoger/ universitair 9.55% 9.73% 5.96% 8.28% 9.63% 9.52% 8.26% 47.58% 55.70% 51.83% 57.68% 55.06% 54.52% 60.54% 22.73% 20.81% 20.03% 19.88% 21.35% 19.05% 18.72% 20.15% 13.76% 22.17% 14.16% 13.96% 16.91% 12.48% De hoogste percentages hoog opgeleiden vinden we terug in de regio s en. De regio s met de meeste laag opgeleiden zijn, en. Vergelijken we de se en Vlaamse cijfers, dan kunnen we stellen dat de gemiddelde opleidingsgraad van de bevraagde ouderen in hoger ligt dan in Vlaanderen. Het verschil voor een diploma maximaal hogere humaniora is minimaal, maar het verschil in het aantal ouderen met een hoger of universitair diploma is maar liefst 4.5 procentpunten in het voordeel van. Niettegenstaande zien we ook dat er in vergelijking met Vlaanderen 1.3 procentpunten meer ouderen zijn die een diploma maximum lager onderwijs bezitten. 12
23 Belgian Ageing Studies, Rapport Hoofdberoep Naast opleidingsniveau bepaalt ook het beroep de socio-economische status van ouderen. Om het hoofdberoep te weten te komen, legden we volgende vraag voor aan de respondenten: Wat is of was uw hoofdberoep?. Men kreeg vervolgens 12 antwoordmogelijkheden om aan te kruisen. Vlaanderen hoofdberoep ongeschoolde arbeider geschoolde arbeider hulp van zelfstandige 16.53% 14.33% 15.72% 17.99% 12.62% 15.19% 12.40% 14.30% 13.29% 13.65% 13.91% 13.64% 13.11% 13.33% 2.54% 2.60% 1.96% 2.72% 3.90% 3.02% 3.82% lager bediende 6.57% 7.27% 5.89% 6.07% 5.64% 6.14% 8.16% hoger bediende 10.17% 13.81% 10.86% 9.62% 10.56% 13.84% 14.98% andere loontrekkende 6.89% 9.66% 7.76% 8.89% 8.72% 7.91% 6.71% landbouwer 3.07% 0.93% 3.41% 1.57% 4.31% 2.91% 4.03% vrij beroep 2.86% 3.53% 3.31% 2.41% 3.18% 2.60% 3.72% ondernemingsle ider 1.48% 1.14% 4.00% 0.94% 1.44% 1.56% 1.45% groothandelaar 0.53% 0.42% 1.62% 0.63% 0.92% 0.62% 0.62% andere zelfstandige 4.77% 4.98% 7.00% 5.13% 6.77% 5.83% 6.40% huisvrouw/man 30.30% 28.04% 23.82% 30.13% 28.31% 27.26% 24.38% In was ruime een vierde ouderen (geschoold of ongeschoold) arbeider. Bijna 20% ouderen was (hoger of lager) bediende. Een kleine 10% ouderen behoort tot de groep 'zelfstandigen, vrije beroepen en ondernemingen'. Ongeveer 3% ouderen was landbouwer. Meer dan één op vier ouderen is huisman of huisvrouw geweest. Wanneer we de cijfers van de provincie vergelijken met deze van Vlaanderen, dan stellen we vast dat er meer arbeiders terug te vinden zijn in dan in Vlaanderen. Ook het aantal respondenten dat huisvrouw/huisman aangeduid heeft, is bijna 3 procentpunten hoger dan in Vlaanderen. Daarentegen zijn er minder bedienden, minder landbouwers en minder ouderen uit de groep 'zelfstandigen, vrije beroepen en ondernemingen'. 13
24 Belgian Ageing Studies, Rapport De groep 'zelfstandigen, vrije beroepen en ondernemingen' is het best vertegenwoordigd in de regio, de arbeiders het best in de regio. Burgerlijke staat Aan de respondenten werd gevraagd wat hun huidige burgerlijke staat is. Hierbij kon men kiezen uit volgende antwoordmogelijkheden: gehuwd, nooit gehuwd, gescheiden, samenwonend, weduwe(naar) of kloosterling(e). Vlaanderen burgerlijke staat gehuwd 70.15% 69.20% 74.17% 71.53% 70.93% 71.90% 68.88% nooit gehuwd 2.91% 2.74% 3.42% 3.42% 3.52% 3.12% 3.32% gescheiden 2.91% 3.65% 2.51% 2.92% 3.02% 3.02% 3.12% samenwonend 1.81% 1.93% 1.81% 0.80% 1.31% 2.01% 0.91% Weduwe(naar) 21.51% 21.99% 17.69% 21.03% 21.23% 19.64% 23.26% kloosterling(e) 0.70% 0.51% 0.40% 0.30% % 0.50% Ongeveer 72% van de bevraagde ouderen in is gehuwd en 19.6% is weduwe(naar). 3% is nooit gehuwd, 3% is gescheiden en 2% is samenwonend. Het hoogste percentage gehuwden vinden we terug in, het laagste in. Het aantal gescheiden ouderen is het hoogst in. Het aantal ouderen in de weduwstaat is telkens hoger dan 21%, behalve in de regio waar het maar 17.7% bedraagt. Het aantal gehuwden in is hoger dan in Vlaanderen en het aantal ouderen in de weduwstaat is een stuk lager dan in Vlaanderen. Opvallend is ook dat het aantal samenwonenden dubbel zo groot is in dan in Vlaanderen. 14
25 Belgian Ageing Studies, Rapport Partnerschap Op basis van de aangeduide burgerlijke staat werden de respondenten onderverdeeld in 2 klassen, namelijk met of zonder partner. Kloosterlingen werden niet meegenomen in deze verwerking. Vlaanderen partnerschap partner 71.96% 71.13% 75.98% 72.33% 72.24% 73.91% 69.79% geen partner 27.33% 28.38% 23.62% 27.37% 27.77% 25.78% 29.70% Bijna 74% ouderen in woont samen met een partner, ongeveer 26% niet. In vergelijking met de andere regio s hebben ouderen in vaker een partner, in het minst. In vergelijking met Vlaanderen beschikken se ouderen in meerdere mate over een partner. Kinderen In volgende analyses bekijken we of de respondenten kinderen hebben. Kinderen vormen immers de belangrijkste mantelzorgers. Om te weten hoeveel kinderen ouderen hebben, werd volgende vraag gesteld: Hoeveel eigen en/of geadopteerde kinderen, in leven, hebt u? Vlaanderen kinderen geen kinderen 5.27% 5.49% 7.30% 6.83% 8.16% 5.08% 9.18% kinderen 94.73% 94.51% 92.70% 93.17% 91.84% 94.92% 90.82% We kunnen vaststellen dat bijna 95% ouderen in kinderen heeft. Het aandeel ouderen dat over kinderen beschikt, is het hoogst in de regio s en. 15
26 Belgian Ageing Studies, Rapport In vergelijking met Vlaanderen stellen we vast dat het aandeel ouderen dat kinderen heeft, meer dan 4 procentpunten hoger is in dan in Vlaanderen. Rondkomen met het inkomen We gaan na in welke mate de respondenten het gevoel hebben rond te komen met hun inkomen (subjectieve beoordeling). In het behoefteonderzoek stelden we daarom volgende vraag: Hoe komt uw huishouden rond met het totale huishoudinkomen?. Vlaanderen rondkomen met inkomen moeilijk 42.30% 39.58% 38.83% 43.94% 46.38% 41.89% 38.07% makkelijk 57.70% 60.42% 61.17% 56.06% 53.62% 58.11% 61.93% 41.9% ouderen in geeft aan moeilijk rond te komen met het beschikbaar inkomen. 58,1% komt makkelijk rond. In vergelijking met de cijfers in Vlaanderen geven meer ouderen in aan het moeilijk te hebben rond te komen met hun inkomen. Ook in de regio s zien we verschillen. In en heeft men het moeilijkst om rond te komen met het inkomen, in en komen ouderen het gemakkelijkst rond met het gezinsinkomen. Rondkomen met het , 58, 38, 61, 57, 60, 61, 42, 39, 38, Limbur Vlaander Maaslan Midde Limbur Noor Limbur 56, 53, 43, 46, West Limbur Zuidmoeilij makkeli 16
27 Belgian Ageing Studies, Rapport Thema 1: Woonsituatie en buurt Binnen dit thema behandelen we 4 dimensies, namelijk onaangepastheid van de woning, buurtbetrokkenheid, verhuisgeneigdheid en onaangepastheid van de wijk. 1. Basiscomfort en onaangepastheid van de woning Basiscomfort van de woning In onderstaande tabel gaan we na of de woningen van ouderen uitgerust zijn met het noodzakelijke basiscomfort. Om te weten over welke basisfaciliteiten de respondenten beschikken, stelden we volgende vraag: Wat is er aanwezig in uw woning?. Men diende aan te kruisen welke voorzieningen aan-/of afwezig waren in de woning: bad of douche, centrale verwarming, toilet in de woning, telefoon en rookdetector. Vlaande ren Aanwezigheid van bad/douche in de woning centrale verwarming in de woning toilet in de woning 99.19% 97.27% 98.79% 99.09% 98.89% 98.98% 97.78% 90.39% 81.17% 92.86% 92.53% 94.76% 91.98% 86.69% 97.98% 96.46% 98.99% 98.79% 98.29% 98.98% 96.67% Telefoon in de woning 96.26% 96.16% 95.57% 95.76% 96.37% 94.11% 95.87% Rookdetector in de woning 20.73% 22.84% 17.40% 21.92% 27.29% 22.44% 20.77% In heeft 98% ouderen een toilet in de woning, 99% heeft een bad/douche in de woning. Centrale verwarming is aanwezig bij 90.4% ouderen en 96% ouderen beschikt over een telefoon. Als laatste comfortelement werd gepeild naar de aanwezigheid van een rookdetector: Meer dan één op vijf ouderen in heeft een rookdetector in huis. We stellen vast dat significant hoger scoort dan Vlaanderen voor wat betreft de items bad of douche en centrale verwarming. 17
28 Belgian Ageing Studies, Rapport Wanneer we de cijfers van de regio s met elkaar vergelijken, merken we een significant verschil op voor wat betreft de aanwezigheid van centrale verwarming, deze is namelijk in beduidend minder aanwezig dan in de andere regio s. Tevens is een rookdetector significant meer aanwezig in de regio en minder in de regio. Onaangepastheid van de woning Deze dimensie wordt gemeten aan de hand van een reeks van 16 onaangepastheden aan de woning. Aan de respondenten werd gevraagd: Welke uitspraken zijn van toepassing op uw woning?. Hieronder geven we de verschillende items van onaangepastheid van de woning weer: Woning is te groot Woning is te klein Woning verkeert in slechte staat/slecht onderhouden Ik moet trappen doen om de woning te betreden De drempels zijn te hoog (binnen of buiten de woning) Er zijn trappen in de woning Ik moet trappen doen om naar het toilet te gaan Woning is te duur Woning is inbraakgevoelig Woning is weinig geriefelijk Woning is te gehorig (slechte geluidsisolatie) Woning is moeilijk warm te stoken Er is onvoldoende comfort in de woning De wijk bevalt niet Afstand tot voorzieningen (vb. winkel, bank,...) is te groot Afstand tot de kinderen is te groot Men kon kiezen uit 5 mogelijke antwoorden gaande van helemaal niet van toepassing tot helemaal van toepassing. Om meer inzicht te geven in de cijfers werden de totaalscores van deze 16 items ingedeeld in drie klassen: geen, matige en ernstige onaangepastheid. Wanneer we op de schaal een totaalscore van 16 hebben, dan is er geen sprake van een onaangepaste woning. Scores tussen de 17 en 28 wijzen op een matige onaangepastheid en bij scores boven de 29 hebben we te maken met een 18
29 Belgian Ageing Studies, Rapport ernstige onaangepastheid van de woning. Deze indeling is vrij stringent maar is een indicator voor potentiële problemen in de woning bij het ouder worden. Vlaanderen onaangepastheid woning geen 14.51% 16.12% 17.35% 15.75% 14.21% 14.63% 15.96% matige 41.17% 46.19% 48.95% 47.49% 40.00% 43.57% 46.09% ernstige 44.32% 37.69% 33.70% 36.76% 45.79% 41.80% 37.95% Wanneer we de cijfers van en Vlaanderen vergelijken, dan stellen we verschillen vast die echter niet significant zijn. We kunnen dus stellen dat de onaangepastheid van de woning tussen se en Vlaamse woningen niet verschilt. De huisvestingssituatie van ouderen in is sterk verschillend over de regio s heen. Zo zijn de woningen significant meer onaangepast in de regio s en dan in de andere regio s. Onaangepastheid van de woning ,641,8 46, ,3 41,2 46,2 37,7 48,9 47,5 33,7 36,8 45, , ,5 16,1 17,3 15,8 14, Vlaanderen geen matige ernstige Onaangepastheid van de woning op itemniveau Vlaanderen woning is te groot
30 Belgian Ageing Studies, Rapport woning is te klein woning is in slechte staat/ slecht onderhouden de drempels zijn te hoog (binnen of buiten) woning is te duur woning is inbraakgevoelig woning is weinig geriefelijk woning is te gehorig (slechte geluidsisolatie) woning is moeilijk warm te stoken er is onvoldoende comfort in de woning de wijk bevalt me niet afstand tot voorzieningen is te groot afstand tot kinderen is te groot Voor alle regio s scoort het item woning is te groot het slechtst en afstand tot voorzieningen is te groot. In de regio s, en haalt de inbraakgevoeligheid van de woning een hoge score. Ouderen in ervaren vaker dan in de andere regio s problemen met het warm stoken van hun woning. Onaangepastheid van de woning i.f.v. de leeftijdsklasse onaangepastheid woning leeftijdsklasse geen 12.44% 16.86% 16.24% matige 45.93% 44.08% 34.19% ernstige 41.63% 39.05% 49.57% 20
31 Belgian Ageing Studies, Rapport Van de groep 60-69jarigen woont bijna 46% in een matig onaangepaste woning. Dat aandeel is voor de leeftijdsgroep jaar gedaald tot 44%, waarna het percentage bij 80plussers verder afneemt tot 34%. Bijna 42% 60-69jarigen woont in een ernstig onaangepaste woning. Dit aandeel daalt tot 39% voor de 70-79jarigen maar stijgt tot 49.6% bij 80plussers. Bijna de helft oudste ouderen woont dus in een ernstig onaangepaste woning. Daarentegen tonen de resultaten ook dat naarmate de leeftijd stijgt, het aandeel ouderen dat in een aangepaste woning woont, toeneemt. Bij de 60-69jarigen woont 12% ouderen in een aangepaste woning. Dit aandeel stijgt tot 16 à 17% voor de leeftijdsgroep 70plus. Onaangepastheid van de woning i.f.v. het geslacht geslacht man vrouw Onaangepastheid woning geen 12.9% 15.8% matige 46.4% 41.1% ernstige 40.7% 43.0% Ongeveer 16% oudere vrouwen woont in een woning die geen onaangepastheid vertoont, tegenover 13% van de mannen. Het omgekeerde stellen we vast bij matige onaangepastheid: 46% van de mannen woont in een matige onaangepaste woning t.o.v. 41% van de vrouwen. Tenslotte zien we dat voor de ernstige onaangepastheid, 40.7% van de mannen in een dergelijke woning woont en 43% vrouwen. Onaangepastheid van de woning i.f.v. partnerschap partnerschap partner geen partner onaangepastheid woning geen 13.83% 15.72% matige 46.32% 36.24% ernstige 39.85% 48.03% 21
32 Belgian Ageing Studies, Rapport Er is een significant verschil tussen ouderen met een partner en ouderen zonder partner voor wat betreft de onaangepastheid van de woning. Ouderen zonder partner wonen vaker in een onaangepaste woning dan ouderen met partner (48% versus 39.9%). Onaangepastheid van de woning i.f.v. rondkomen inkomen rondkomen met inkomen moeilijk makkelijk onaangepastheid woning geen 16.18% 10.64% matige 34.97% 50.85% ernstige 48.84% 38.51% Ouderen die stellen moeilijk rond te komen met hun inkomen hebben vaker een woning die geen onaangepastheid vertoont (16.2% t.o.v. 10.6%). Het verschil tussen beide groepen is nog meer uitgesproken wanneer we de cijfers voor ernstige onaangepastheid bekijken: 48.8% ouderen die moeilijk rondkomen woont in een woning die ernstig onaangepast is t.o.v. 38.5% ouderen die makkelijk rondkomen. Onaangepastheid van de woning i.f.v. 'de afgelopen 10 jaar verhuisd verhuisd afgelopen tien jaar ja neen onaangepastheid woning geen 20.37% 13.47% matige 49.07% 42.95% ernstige 30.56% 43.58% Uit de bovenstaande tabel kunnen we afleiden dat ouderen die de voorbije 10 jaar verhuisd zijn meer in een aangepaste woning wonen. 22
33 Belgian Ageing Studies, Rapport Onaangepastheid van de woning i.f.v. eenzaamheid eenzaamheid onaangepastheid woning geen matige ernstige geen tot matige 10.78% 46.77% 42.45% ernstige 4.92% 27.05% 68.03% Ouderen die ernstig eenzaam zijn, wonen meer in een woning die ernstig onaangepast is dan ouderen die niet of beperkt eenzaam zijn. 68% ouderen die zich ernstig eenzaam voelen wonen in een ernstig onaangepast woning. Bij ouderen die geen tot matige eenzaamheidsgevoelens hebben ligt dat percentage 25 procentpunten lager. Onaangepastheid van de woning i.f.v. onveiligheidsgevoelens onveiligheid klassen Onaangepastheid van de woning geen matige ernstige laag matig ernstig 10.7% 47.3% 42.0% 11.0% 44.0% 45.0% 10.8% 42.6% 46.6% Onveiligheidsgevoelens en onaangepastheid van de woning zijn aan elkaar gelinkt. Ouderen die zich ernstig onveilig voelen, wonen iets meer in een woning die ernstig onaangepast is. Dit verband is minder uitgesproken dan de relatie tussen eenzaamheid en onaangepastheid van de woning. 2. Buurtbetrokkenheid De dimensie buurtbetrokkenheid wordt gemeten aan de hand van de volgende 7 vragen: Hoe vaak hebt u contact met mensen die in uw wijk wonen? Hoe ervaart u dit contact? Hoe prettig vindt u het over het algemeen om in uw wijk te wonen? Hoe betrokken voelt u zich bij hetgeen in uw wijk gebeurt? Hoe vaak gaat u op bezoek bij/ ontvangt u bezoek van / hebt u telefonisch contact met buren of mensen uit de wijk? 23
34 Belgian Ageing Studies, Rapport Hoe tevreden bent u over de contacten met de buren of mensen uit de wijk? Vindt u dat er in uw wijk voldoende wordt georganiseerd voor mensen, ouder dan 60 jaar? Alle scores op deze vragen werden opgeteld en de individuele totaalscores werden ingedeeld in klassen. Een score tussen de 7 en 17.5 duidt op geen tot weinig buurtbetrokkenheid. Een score van 17.6 tot 20.5 duidt op matige en scores vanaf 20.6 duiden op hoge buurtbetrokkenheid. Vlaanderen buurtbetrokkenheid geen 3.17% 2.89% 3.92% 4.15% 4.27% 3.96% 2.57% matig 5.28% 7.90% 6.00% 6.87% 6.74% 7.54% 6.36% veel 91.56% 89.21% 90.09% 88.99% 88.99% 88.51% 91.07% Vergelijken we de se en Vlaamse cijfers, dan zien we dat de buurtbetrokkenheid min of meer gelijkaardig is. 88.5% se respondenten voelen zich sterk betrokken in de buurt. In Vlaanderen zijn dat 91.1% oudere respondenten. Wanneer we kijken naar de regio s kunnen we vaststellen dat de buurtbetrokkenheid het grootst is in de regio. Buurtbetrokkenheid i.f.v. leeftijdsklasse buurtbetrokkenheid leeftijdsklasse geen 5.41% 2.61% 1.94% matig 8.60% 7.09% 4.85% veel 86.00% 90.30% 93.20% De buurtbetrokkenheid varieert naargelang de leeftijd van ouderen. We stellen een significant verschil vast tussen jongsenioren, 70-79jarigen en 80plussers m.b.t. het kenmerk buurtbetrokkenheid. Naarmate de leeftijd stijgt, neemt de buurtbetrokkenheid toe. Bij de 60-69jarigen voelt 86% zich veel betrokken bij de buurt, dit aandeel stijgt bij de 80plussers tot 93.2%. 24
35 Belgian Ageing Studies, Rapport Buurtbetrokkenheid i.f.v. verhuisd de afgelopen 10 jaar verhuisd afgelopen tien jaar ja neen buurtbetrokkenheid geen 7.61% 3.52% matig 11.96% 7.05% veel 80.43% 89.43% Er is een significant verschil tussen ouderen die de voorbije 10 jaar wel of niet verhuisd zijn. Ouderen die de afgelopen 10 jaar verhuisd zijn, zijn minder betrokken in de buurt. Buurtbetrokkenheid i.f.v. zorgafhankelijkheid buurtbetrokkenheid geen matig veel hulp nodig voor persoonlijke verzorging 1.52% 4.55% 93.94% hulp nodig voor huishouden 1.19% 10.71% 88.10% hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen 3.60% 6.47% 89.93% Er is een relatie tussen buurtbetrokkenheid en zorgafhankelijkheid: ouderen die hulp nodig hebben voor persoonlijke verzorging zijn meer betrokken op de buurt, dan ouderen die geen hulp nodig hebben op dat domein. Ouderen die hulp nodig hebben in het huishouden zijn meer matig betrokken op de buurt, dan ouderen die geen hulp nodig hebben in het huishouden. Een derde aspect van zorgafhankelijkheid is de hulp nodig voor persoonlijke verplaatsing. Ook hier merken we hetzelfde verband: ouderen die hulp nodig hebben voor persoonlijke verplaatsing zijn meer betrokken op de buurt. 25
36 Belgian Ageing Studies, Rapport Buurtbetrokkenheid i.f.v. eenzaamheid eenzaamheid buurtbetrokkenheid geen matig veel geen tot matige 3.41% 4.66% 91.94% ernstige 8.21% 17.16% 74.63% Er is een sterke relatie tussen eenzaamheid en buurtbetrokkenheid. Ouderen die ernstige eenzaamheidsgevoelens hebben, zijn veel minder betrokken op de buurt dan ouderen die weinig tot geen eenzaamheidsgevoelens hebben, respectievelijk 74.6% t.o.v. 92%. Buurtbetrokkenheid i.f.v. onveiligheidsgevoelens onveiligheidsgevoelens buurtbetrokkenheid geen matig veel laag 2.33% 5.43% 92.25% matig 1.72% 4.29% 93.99% ernstig 3.53% 7.07% 89.40% Er is een relatie tussen buurtbetrokkenheid en onveiligheidsgevoelens. Ouderen met ernstige onveiligheidsgevoelens zijn minder betrokken op de buurt. Ook hier is de relatie minder uitgesproken dan bij eenzaamheid. 26
37 Belgian Ageing Studies, Rapport 3. Verhuizen en verhuisgeneigdheid Eerst gaan we na hoeveel ouderen de afgelopen 10 jaar verhuisd zijn. Vervolgens komt verhuisgeneigdheid aan bod. We stelden de respondenten volgende vraag: Bent u in de afgelopen 10 jaar verhuisd?. Verhuisd afgelopen 10 jaar Vlaanderen Verhuisd afgelopen tien jaar 11.8% 12.3% 13.8% 13.0% 12.2% 12.3% 14.0% Het aandeel ouderen dat de afgelopen 10 jaar verhuisd is in is 12.3%. In Vlaanderen is dit 14%. Het hoogste percentage verhuizers vinden we terug in en, het laagste in. Verhuisgeneigdheid In een vorig hoofdstuk stelden we vast dat heel wat woningen niet aangepast zijn aan een mogelijke zorgafhankelijkheid van ouderen. In dit deel willen we nagaan in welke mate ouderen de intentie hebben te verhuizen. Om de verhuisgeneigdheid te meten vroegen we aan de respondenten: Hoe staat u ten opzichte van de volgende mogelijkheden, waarna 6 woonvormen gegeven worden: Verhuizen naar een aangepaste woonvorm Verhuizen naar een rusthuis/ rust- en verzorgingstehuis Verhuizen naar een aangepaste bejaardenwoning in de buurt Inwonen bij de kinderen Samenwonen met een aantal zestigplussers Verhuizen naar een serviceflat De respondenten konden steeds kiezen uit vijf antwoordmogelijkheden: uiterst negatief, eerder negatief, noch negatief noch positief, eerder positief en uiterst positief. Wanneer zij positief antwoordden op één van de vragen werden zij ingedeeld in de klasse verhuisgeneigdheid, wat aanduidt dat zij positief staan tegenover verhuizen. Wanneer 27
38 Belgian Ageing Studies, Rapport respondenten niet willen verhuizen naar één van de voorgestelde mogelijkheden, werden zij ondergebracht in de klasse geen verhuisgeneigdheid. Vlaanderen Verhuisgeneigdheid geen 46.04% 41.77% 38.91% 43.30% 41.23% 42.14% 43.34% wel 53.96% 58.23% 61.09% 56.70% 58.77% 57.86% 56.66% De verhuisgeneigdheid van ouderen in is niet significant verschillend dan die in Vlaanderen. De verhuisgeneigdheid is significant hoger in en significant lager in, en dit in vergelijking met de andere regio s in. Verhuisgeneigdheid i.f.v. leeftijdsklasse leeftijdsklasse verhuisgeneigdheid 59.09% 54.68% 61.11% We stellen vast dat de verhuisgeneigdheid het hoogst is in de hoogste leeftijdsklasse. Ook in de leeftijdsklasse jaar is de verhuisgeneigdheid nog groot. In de leeftijdsklasse jaar is de verhuisgeneigdheid het laagst. Verhuisgeneigdheid i.f.v. partner partnerschap Partner geen partner verhuisgeneigdheid 56.05% 64.38% Blijkbaar heeft het hebben van een partner een remmend effect op de verhuisgeneigdheid. Ouderen zonder partner zijn significant meer geneigd om te verhuizen dan ouderen met een partner. 28
39 Belgian Ageing Studies, Rapport Verhuisgeneigdheid i.f.v. verhuisd de afgelopen 10 jaar verhuisd afgelopen tien jaar ja neen verhuisgeneigdheid 60.00% 57.79% Bij de groep ouderen die de afgelopen 10 jaar verhuisd zijn, heeft 60% nog altijd verhuisgeneigdheid. Zij staan positief ten opzichte van verhuizen naar andere woonvorm. Verhuisgeneigdheid i.f.v. eenzaamheid verhuisgeneigdheid eenzaamheid geen tot matige 61.60% ernstige 69.43% Ouderen met ernstige eenzaamheidsgevoelens zijn beduidend meer geneigd om te verhuizen dan zij die geen tot matige eenzaamheidsgevoelens hebben. Verhuisgeneigdheid i.f.v. onveiligheidsgevoelens onveiligheidsgevoelens verhuisgeneigdheid laag 60.61% matig 65.72% ernstig 63.35% Het laatste kenmerk waar we wel verschillen vaststellen m.b.t. verhuisgeneigdheid is het onveiligheidsgevoel. 60.6% ouderen met lage onveiligheidsgevoelens staat positief t.o.v. verhuizen, bij ouderen met matige onveiligheidsgevoelens is dat 65.7%. 29
40 Belgian Ageing Studies, Rapport 4. Tekorten in de wijk Een laatste dimensie binnen het thema woonsituatie en buurt betreft het uitrustingsniveau van de wijk. Op basis van de vraag Welke van de onderstaande voorzieningen zijn onvoldoende aanwezig in uw wijk? wordt een schaal geconstrueerd, die alle items bevat, om zo de tekorten in de wijk weer te geven. Deze schaal wordt onderverdeeld in drie subdimensies: tekorten in de wijk i.f.v. basisvoorzieningen, tekorten in de wijk i.f.v. culturele voorzieningen en tekorten in de wijk i.f.v. mobiliteit. De waarde van de scores variëren tussen 1 en 2. Hoe dichter de waarde bij 2, hoe meer tekorten ervaren worden. De verschillende items van de vraag waren: Kruidenierszaak Openbaar vervoer Bank Bushalte Kapper Dienstencentrum Apotheek Sporthal Huisarts Zwembad Slager Bibliotheek Bakker Buurt- of Rustbanken wijkcentrum Openbare toiletten Mobiele winkel Cinema Theater Postkantoor Kerk Café Groen/park Oversteekplaatsen Tekorten in de wijk i.f.v. de subdimensies Vlaanderen Tekorten in de wijk Tekorten in de wijk i.f.v. vrije tijd en ontspanning Tekorten in de wijk i.f.v. basisvoorzieni ngen Tekorten in de wijk i.f.v. mobiliteit Wanneer we de scores tussen en Vlaanderen vergelijken dan zien we dat telkens iets hoger scoort, dus dat er iets meer tekorten ervaren worden in dan in Vlaanderen. De meeste tekorten worden ervaren op vlak van mobiliteit en op de tweede plaats staan tekorten in functie van vrije tijd en ontspanning. 30
41 Belgian Ageing Studies, Rapport In ervaart men significant het meest tekorten in de wijk op het vlak van vrije tijd en ontspanning en basisvoorzieningen, waar deze regio hoger scoort dan de andere regio s in. In ervaren ouderen dan weer het meeste tekorten op vlak van mobiliteit. Tekorten in de wijk i.f.v. basisvoorzieningen in wijk onvoldoende: kruidenierszaak in wijk onvoldoende: bank in wijk onvoldoende: kapper in wijk onvoldoende: apotheek in wijk onvoldoende: huisarts in wijk onvoldoende: slager in wijk onvoldoende: bakker in wijk onvoldoende: mobiele winkel in wijk onvoldoende: postkantoor in wijk onvoldoende: kerk in wijk onvoldoende: café 34.95% 34.14% 34.58% 35.03% 41.25% 30.80% 32.16% 27.12% 34.69% 36.57% 24.57% 20.20% 18.87% 24.04% 29.99% 25.61% 19.54% 19.55% 25.40% 29.54% 23.07% 19.76% 20.34% 20.41% 27.31% 29.53% 27.77% 24.29% 31.29% 35.23% 25.03% 23.27% 22.82% 26.76% 30.99% 32.30% 33.15% 30.28% 28.80% 35.90% 36.91% 36.11% 27.68% 31.97% 36.79% 23.30% 18.77% 18.19% 17.91% 21.18% 22.15% 21.08% 20.79% 21.32% 24.64% Bovenstaande tabel geeft voor de subdimensie basisvoorzieningen per item aan welk aandeel van ouderen tekorten ervaart. De hoogste percentages worden behaald voor de items kruidenierszaak, bank en postkantoor. 31
42 Belgian Ageing Studies, Rapport Tekorten in de wijk i.f.v. mobiliteit in wijk onvoldoende: rustbanken in wijk onvoldoende: openbare toiletten in wijk onvoldoende: openbaar vervoer in wijk onvoldoende: bushalte in wijk onvoldoende: groen/park in wijk onvoldoende: oversteekplaatsen 45.10% 42.15% 40.34% 43.65% 40.60% 44.52% 46.32% 43.62% 46.26% 45.05% 33.56% 28.32% 26.78% 26.30% 31.48% 32.87% 27.66% 26.21% 26.98% 28.70% 25.03% 23.93% 19.44% 23.47% 23.80% 29.53% 26.45% 27.12% 28.00% 30.37% Wat mobiliteit betreft, merken we hogere aandelen m.b.t. ervaren tekorten. Wat minst ontbreekt in de wijk is groen/park. De items waar ouderen de meeste tekorten ervaren zijn rustbanken en openbare toiletten. Vooral in is er een tekort aan rustbanken. Het probleem van de openbare toiletten is dan weer het grootst in en. Tekorten in de wijk i.f.v. ontspanning en cultuur in wijk onvoldoende: theater in wijk onvoldoende: cinema in wijk onvoldoende: sporthal in wijk onvoldoende: zwembad in wijk onvoldoende: bibliotheek 31.60% 28.76% 26.89% 29.48% 33.48% 32.87% 31.39% 30.28% 32.20% 35.26% 25.84% 24.48% 22.37% 24.83% 32.26% 36.56% 32.71% 28.59% 34.69% 37.71% 26.99% 23.49% 19.32% 24.94% 28.81% 32
43 Belgian Ageing Studies, Rapport in wijk onvoldoende: dienstencentrum in wijk onvoldoende: buurt- of wijkcentrum 31.72% 28.76% 26.55% 28.34% 34.04% 27.34% 22.61% 21.58% 25.62% 25.36% Wat ontspanning en cultuur betreft, worden de grootste tekorten ervaren bij cinema, theater en zwembad. Tekorten in de wijk i.f.v. rondkomen met inkomen rondkomen met inkomen moeilijk makkelijk tekorten in de wijk tekorten in wijk i.f.v. vrije tijd en ontspanning tekorten in wijk i.f.v. basisvoorzieningen tekorten in wijk i.f.v. mobiliteit Wanneer we het rondkomen met het inkomen bekijken, merken we voor de totale dimensie tekorten in de wijk geen verschil tussen ouderen die makkelijk en ouderen die moeilijk rondkomen. Bij de subdimensie tekorten in de wijk in functie van basisvoorzieningen en mobiliteit is er wel een significant verschil: ouderen die moeilijk rondkomen ervaren meer tekorten dan ouderen die makkelijk rondkomen. Tekorten in de wijk i.f.v. eenzaamheid eenzaamheid klassen geen tot matige ernstige tekorten in de wijk tekorten in wijk i.f.v. vrije tijd en ontspanning tekorten in wijk i.f.v. basisvoorzieningen tekorten in wijk i.f.v. mobiliteit
44 Belgian Ageing Studies, Rapport Ouderen met ernstige eenzaamheidgevoelens ervaren meer tekorten in de wijk dan ouderen met geen tot matige onveiligheidsgevoelens. We stellen dit vast voor zowel de globale tekorten als voor alle subdimensies. Tekorten in de wijk i.f.v. onveiligheidsgevoelens onveiligheidsgevoelens laag matig ernstig tekorten in de wijk tekorten in wijk i.f.v. vrije tijd en ontspanning tekorten in wijk i.f.v. basisvoorzieningen tekorten in wijk i.f.v. mobiliteit Ouderen met een ernstig onveiligheidsgevoel ervaren meer tekorten in de wijk dan ouderen met een matig onveiligheidsgevoel en dit niet alleen voor de score globale tekorten, maar ook voor alle subdimensies. 34
45 Belgian Ageing Studies, Rapport Thema 2: Gezondheid, zorg en hulpverlening Binnen dit thema behandelen we verschillende indicatoren die te maken hebben met gezondheid, zorg en hulpverlening. Volgende onderwerpen komen aan bod; de gezondheid, potentieel hulpnetwerk, zorgafhankelijkheid en valprevalentie. 1. Gezondheid Om de gezondheidstoestand te meten maken we gebruik van een module van de MOS (Medical Outcome Scale). De respondent moet hierin aangeven in welke mate hij/zij beperkingen ondervindt in een aantal gezondheidsfacetten. De antwoordmogelijkheden voor deze vraag waren helemaal niet beperkt, minder dan 3 maand beperkt en langer dan 3 maand beperkt. Deze antwoordmogelijkheden werden vervolgens volgens de richtlijnen gerecodeerd tot niet beperkt en beperkt. Het betreft hier de vraag: Heeft uw gezondheidstoestand u beperkt in de volgende activiteiten en zo ja, hoe lang dan al?. Vlaanderen Beperkt in zware inspanning en Beperkt in lichte inspanning en Beperkt in trappen lopen Beperkt in buigen, tillen Beperkt in stappen Beperkt in ADL Beperkt in huishouden 54.31% 58.48% 54.80% 56.32% 59.40% 54.63% 56.26% 31.34% 32.48% 25.64% 30.55% 34.71% 27.37% 30.69% 39.06% 39.24% 34.14% 38.59% 44.19% 39.00% 39.93% 41.94% 43.68% 38.22% 41.09% 45.61% 42.10% 42.76% 28.16% 28.62% 24.79% 28.59% 31.47% 28.35% 29.10% 14.23% 14.94% 13.15% 16.24% 18.03% 15.38% 15.69% 21.73% 20.28% 17.89% 21.44% 25.41% 21.31% 21.01% 54.6% se ouderen voelen zich fysiek beperkt om zware inspanningen uit te voeren. 27.4% voelt zich beperkt om lichte inspanningen uit te voeren. 39% geeft aan beperkt te zijn in trappen lopen en 42.1% in buigen, tillen en bukken. 28.4% ervaart beperkingen 35
46 Belgian Ageing Studies, Rapport met stappen en ruim 1/5 ervaart beperkingen met het huishouden. 15.4% ervaart beperkingen m.b.t. Activiteiten Dagelijks Leven (ADL: eten, wassen, koken, aankleden ). Er zijn geen significante verschillen tussen Vlaanderen en de provincie. Voor de regio s kunnen we wel een aantal verschillen weerhouden. Ouderen woonachtig in geven minder aan beperkt te zijn voor lichte inspanningen dan in de andere regio s. In ondervindt men in minder mate beperkingen bij trappen lopen en in is men meer beperkt. Inzake buigen en tillen merken we opnieuw een significant verschil. Ouderen in ondervinden minder beperkingen dan in zijn totaliteit en in ondervindt men het meest beperkingen met betrekking tot gezondheid. Voor de meting van stappen en ADL komen we tot dezelfde vaststelling. Minder se ouderen ondervinden beperkingen. In ondervinden dan weer meer ouderen beperkingen dan gemiddeld in. Gezondheidstoestand i.f.v. geslacht geslacht man vrouw Beperkt in zware inspanningen 48.78% 59.83% Beperkt in lichte inspanningen 18.43% 35.43% Beperkt in trappen lopen 26.83% 40.27% Beperkt in buigen, tillen 29.83% 44.35% Beperkt in stappen 18.61% 30.80% Beperkt in ADL 9.51% 16.22% Beperkt in huishouden 12.65% 25.73% Uit bovenstaande tabel kunnen we vaststellen dat er voor elk van de 7 items een significant verschil is tussen mannen en vrouwen. Zo geven ouderen vrouwen in 60% van de gevallen aan dat ze beperkingen ondervinden voor zware inspanningen, bij de mannen is dat slechts in 49% van de gevallen. Meer vrouwen ondervinden (35.4%) beperkingen voor lichte inspanningen, dan mannen (18.4%). Ook voor trappen lopen, buigen en tillen, stappen, ADL en het huishouden ondervinden significant meer vrouwen beperkingen. 36
47 Belgian Ageing Studies, Rapport Gezondheidstoestand i.f.v. Leeftijdsklassen leeftijdsklasse Beperkt in zware inspanningen 41.67% 61.66% 85.84% Beperkt in lichte inspanningen 15.44% 32.79% 59.82% Beperkt in trappen lopen 21.31% 40.45% 63.72% Beperkt in buigen, tillen 25.58% 42.77% 67.86% Beperkt in stappen 14.52% 28.09% 57.80% Beperkt in ADL 6.73% 11.94% 41.82% Beperkt in huishouden 10.96% 21.34% 48.62% Naarmate de leeftijd stijgt, nemen de beperkingen voor zware inspanningen toe. Zo zien we dat in de leeftijdsklasse 80+ ongeveer 86% van de se ouderen aangeven beperkingen te ondervinden. In de leeftijdsklasse jaar is dit 41.7%. Voor de lichte inspanningen zien we eenzelfde trend. Bij het ouder worden stijgen de beperkingen. 60% 80plussers ondervinden beperkingen bij lichte inspanningen, bij jarigen is dit 15.4%. Ook bij de overige vijf items kunnen we vaststellen dat het percentage ouderen dat beperkingen ondervindt, stijgt met toenemende leeftijdsklassen. Opvallend is het grote verschil in percentages bij problemen met het stappen: dit verdubbelt van 28.1% in de leeftijdsklasse jarigen naar 57.8% bij 80plussers. Gezondheidstoestand i.f.v. rondkomen met het inkomen In deze paragraaf bekijken we het subjectieve inkomen; in welke mate hebben ouderen het gevoel dat ze rondkomen met het inkomen. We willen hierbij nagaan of er een verband is met de gezondheidstoestand van ouderen. rondkomen met inkomen moeilijk makkelijk Beperkt in zware inspanningen 60.91% 51.59% Beperkt in lichte inspanningen 35.96% 21.23% Beperkt in trappen lopen 42.77% 28.60% Beperkt in buigen, tillen 48.28% 30.51% 37
48 Belgian Ageing Studies, Rapport Beperkt in stappen 31.83% 20.60% Beperkt in ADL 19.24% 8.72% Beperkt in huishouden 26.90% 14.23% Ouderen die het gevoel hebben makkelijk rond te komen met hun inkomen ondervinden minder beperkingen dan ouderen die moeilijk rondkomen. We stellen dit vast voor alle items die samen de gezondheidstoestand uitmaken. Gezondheidstoestand i.f.v. verhuisd afgelopen 10 jaar Vervolgens gaan we na of ouderen die afgelopen 10 jaar verhuisd zijn een betere of slechtere gezondheid hebben dan ouderen die niet verhuisd zijn. verhuisd afgelopen tien jaar ja neen Beperkt in zware inspanningen 52.83% 54.80% Beperkt in lichte inspanningen 31.43% 26.45% Beperkt in trappen lopen 36.89% 33.47% Beperkt in buigen, tillen 39.25% 37.13% Beperkt in stappen 26.21% 24.83% Beperkt in ADL 16.50% 12.62% Beperkt in huishouden 19.61% 19.33% Voor de items lichte inspanning, trappen lopen, stappen en ADL merken we een significant verband. Ouderen die verhuisd zijn in een periode van 10 jaar voor de bevraging zijn meer beperkt in het uitvoeren van deze activiteiten dan ouderen die niet verhuisd zijn. Gezondheidstoestand en eenzaamheid eenzaamheid geen tot matige ernstige zware inspanning 49.92% 61.18% lichte inspanning 22.48% 36.42% 38
49 Belgian Ageing Studies, Rapport trappen lopen 28.74% 42.28% buigen, tillen 32.55% 46.00% stappen 21.89% 32.41% ADL 12.25% 23.61% huishouden 14.96% 25.68% Ouderen die ernstig eenzaam zijn hebben meer een slechte gezondheid dan ouderen die niet of matig eenzaam zijn. We stellen dit vast voor alle items die samen de gezondheidstoestand uitmaken. Gezondheidstoestand en onveiligheidsgevoelens onveiligheidsgevoelens laag matig ernstig zware inspanning 39.53% 51.77% 56.34% lichte inspanning 17.97% 19.78% 29.79% trappen lopen 25.78% 28.67% 35.91% buigen, tillen 25.00% 31.29% 41.54% stappen 19.53% 21.53% 27.98% ADL 9.38% 9.32% 14.50% huishouden 14.84% 11.19% 20.54% Als laatste element van de gezondheidstoestand wordt bekeken in welke mate er een relatie is tussen gezondheidstoestand en onveiligheidsgevoelens. Naarmate ouderen zich meer onveilig voelen hebben ze in grotere mate problemen met hun gezondheid. Alleen op het item beperkt zijn voor ADL is er geen significant verband met onveiligheidsgevoelens. 39
50 Belgian Ageing Studies, Rapport 2. Potentieel hulpnetwerk Om het potentieel hulpnetwerk van ouderen te kunnen meten, vroegen we aan hen: Stel dat u voor een bepaalde tijd de activiteiten die u gewoonlijk doet in het huishouden niet zou kunnen uitvoeren, op wie kan u dan een beroep doen?. De oudere kon aangeven of hij/zij denkt hulp te ontvangen van: Echtgenoot Zus/broer Dochter/zoon Andere familielid Schoondochter/-zoon Buur Kleinkind Vriend/kennis Potentieel hulpnetwerk: kunnen op niemand een beroep doen Bovendien kon de oudere ook aangeven of hij verwachtte van niemand hulp te krijgen. Met deze vraag willen we peilen hoe groot het percentage ouderen is dat denkt dat wanneer er een hulpvraag komt van hen uit, zij op niemand een beroep kunnen doen. Vlaanderen kunnen beroep doen op niemand 1.55% 1.77% 1.56% 1.32% 1.90% 1.60% 2.44% We zien dat in 1.6% ouderen aangeeft dat ze op niemand een beroep kunnen doen. In Vlaanderen is er een gemiddelde van 2.4%. Voor wat betreft de regio s stellen we vast dat in 1.9% ouderen aangeeft dat ze van niemand hulp zullen krijgen en in 1.3%. Potentieel hulpnetwerk: grootte van het netwerk Met deze analyse peilen we naar de grootte van het potentieel hulpnetwerk. We hebben de respondenten gevraagd op wie ze in geval van zorgvraag een beroep zouden kunnen doen. De antwoordmogelijkheden werden gerecodeerd (neen werd 0) en dan gesommeerd. Aldus krijgen we een beeld over op hoeveel mensen de respondenten denken te kunnen beschikken in geval van een zorgvraag. 40
51 Belgian Ageing Studies, Rapport Vlaanderen potentieel hulpnetwerk We stellen vast dat het potentieel hulpnetwerk in significant groter is dan in Vlaanderen. se ouderen kunnen gemiddeld op 4.2 categorieën rekenen die hen zullen helpen wanneer nodig. In Vlaanderen zij dat gemiddeld 3.9 categorieën. De grootte van het potentiële hulpnetwerk is vrij constant over de regio s heen. Respondenten in kunnen gemiddeld op meer mensen rekenen dat ouderen in en. Potentieel hulpnetwerk: kan beroep doen op... Vlaanderen beroep doen op: echtgeno(o)t(e) partner 66.16% 61.73% 66.53% 61.26% 59.34% 65.28% 60.82% dochter 59.71% 55.87% 59.24% 54.98% 55.60% 58.61% 54.31% zoon 52.60% 51.17% 49.54% 45.39% 47.82% 51.54% 47.82% schoondochter 42.25% 38.65% 38.30% 35.07% 33.82% 37.50% 36.47% schoonzoon 39.86% 34.73% 38.61% 32.94% 32.02% 37.95% 32.19% Kleinkind of achterkleinkind Zus of broer (schoonzus of schoonbroer) 31.48% 27.62% 28.73% 28.98% 30.48% 31.45% 29.62% 37.29% 35.33% 34.23% 32.00% 30.38% 35.55% 30.47% ander familielid 28.59% 20.87% 23.13% 20.72% 19.62% 22.45% 21.83% buur 45.37% 40.85% 39.44% 35.84% 34.56% 39.98% 42.25% Vriend/kennis 45.48% 39.17% 40.04% 36.07% 34.49% 38.9% 40.02% 65.3% ouderen in kan een beroep doen op zijn partner. In Vlaanderen is dit percentage ongeveer 61%. Ook van hun kinderen en schoonkinderen denken se ouderen dat ze er in meerdere mate hulp van zullen ontvangen dan in Vlaanderen. 58.6% ouderen denkt te kunnen rekenen op de dochter en 51.5% op de zoon. In denkt men in 35.5% van de gevallen een beroep te kunnen doen op zus of broer (schoonzus of schoonbroer) en ook dit percentage is significant hoger dan in Vlaanderen. 42
52 Belgian Ageing Studies, Rapport se ouderen kunnen daarentegen minder rekenen op buren, vrienden en kennissen dan in Vlaanderen het geval is. Binnen de regio s kunnen we vaststellen dat ouderen op de eerste plaats aangeven beroep te kunnen doen op hun partner gevolgd door hun kinderen. Opmerkelijk is dat men hierna aangeeft het meest beroep te kunnen doen op buren of vrienden/kennissen. Die zijn dus belangrijker dan schoonkinderen, kleinkinderen en andere familieleden. In vergelijking met de andere regio s zijn de scores voor de provincie op alle items, met uitzondering van de echtgenoot/partner, het hoogst. Potentieel hulpnetwerk: grootte van het netwerk i.f.v. leeftijdsklasse leeftijdsklasse potentieel hulpnetwerk Er is een significant verband tussen grootte van het hulpnetwerk en leeftijd. De grootte van het potentieel hulpnetwerk van 80plussers is significant kleiner dan dat van de ouderen die jonger zijn dan 80 jaar. Ouderen boven de 80 jaar kunnen op minder mensen een beroep doen indien ze een zorgvraag hebben. Potentieel hulpnetwerk: kunnen op niemand een beroep doen i.f.v. partnerschap partnerschap partner geen partner beroep doen op: niemand 0.96% 3.52% se ouderen zonder partner denken significant meer dat ze op niemand een beroep kunnen doen dan ouderen met partner. Grootte potentieel hulpnetwerk i.f.v. partnerschap partnerschap partner geen partner potentieel hulpnetwerk
53 Belgian Ageing Studies, Rapport Het potentieel hulpnetwerk bij ouderen met partner is significant groter en diverser dan bij ouderen zonder partner. Potentieel hulpnetwerk: kunnen op niemand een beroep doen i.f.v. rondkomen met het inkomen rondkomen met inkomen moeilijk makkelijk beroep doen op: niemand 2.23% 1.22% Ouderen die aangeven het moeilijk te hebben om rond te komen met hun inkomen, vrezen meer dat zij op niemand een beroep kunnen doen dan zij die aangeven het makkelijk te hebben. Potentieel hulpnetwerk: kunnen op niemand een beroep doen i.f.v. verhuisd afgelopen 10 jaar verhuisd afgelopen tien jaar ja neen beroep doen op: niemand 2.46% 1.53% Ouderen die de afgelopen 10 jaar verhuisd zijn, vrezen in meerdere mate dat ze op niemand een beroep zullen kunnen doen dan zijn die niet verhuisd zijn. Dit verschil is significant. Grootte potentieel hulpnetwerk i.f.v. verhuisd de afgelopen 10 jaar verhuisd afgelopen tien jaar ja neen potentieel hulpnetwerk De grootte van het potentieel hulpnetwerk is significant kleiner bij ouderen die wel verhuisd zijn dan bij ouderen die niet verhuisd zijn. 44
54 Belgian Ageing Studies, Rapport 3. Zorgafhankelijkheid De derde dimensie binnen het thema objectieve gezondheid en zorg is de zorgafhankelijkheid: in welke mate hebben ouderen hulp nodig voor persoonlijke verzorging, hulp nodig voor het huishouden en hulp nodig voor persoonlijke verplaatsing. Zorgafhankelijkheid Vlaanderen hulp nodig voor persoonlijke verzorging hulp nodig voor huishouden hulp nodig voor persoonlijke verplaatsing en 11.05% 11.43% 10.56% 13.38% 13.07% 11.90% 11.36% 24.06% 27.41% 22.65% 26.88% 27.00% 25.67% 24.69% 20.89% 21.10% 18.11% 21.23% 22.81% 20.87% 21.67% De se percentages voor zorgafhankelijkheid zijn vergelijkbaar met de gemiddelden in Vlaanderen. 11.9% ouderen heeft hulp nodig voor persoonlijke verzorging. Eén vierde ouderen in heeft hulp nodig in het huishouden en bijna 21% voor persoonlijke verplaatsingen. Voor de regio s kunnen we vaststellen dat men in en significant meer hulp nodig heeft voor persoonlijke verzorging dan in de andere regio s. Ouderen in, en hebben vaker hulp nodig voor het huishouden dan ouderen afkomstig uit en. Op vlak van persoonlijke verplaatsing is de nood het grootst in en. Zorgafhankelijkheid i.f.v. leeftijdsklassen leeftijdsklasse hulp nodig voor persoonlijke verzorging 3.54% 8.63% 39.50% hulp nodig voor huishouden 11.89% 29.77% 62.27% 45
55 Belgian Ageing Studies, Rapport hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen 7.85% 22.81% 61.36% Er is een significant verband tussen zorgafhankelijkheid en leeftijdsklasse. Naarmate de leeftijd stijgt, neemt het aandeel ouderen dat zorg nodig heeft toe. Vooral de leeftijd van 80 jaar blijkt een breekpunt te zijn. 39% van de 80plussers heeft hulp nodig voor persoonlijke verzorging, 62% heeft hulp nodig voor het huishouden en 61% heeft hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen. Zorgafhankelijkheid i.f.v. geslacht geslacht man vrouw hulp nodig voor persoonlijke verzorging 8.90% 14.72% hulp nodig voor huishouden 19.79% 30.93% hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen 11.95% 28.92% Bij hulp nodig voor persoonlijke verzorging, hulp nodig voor huishouden en hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen is er een relatie met het geslacht: mannen hebben minder hulp nodig dan vrouwen. Zorgafhankelijkheid i.f.v. partnerschap partnerschap partner geen partner hulp nodig voor persoonlijke verzorging 8.35% 21.59% hulp nodig voor huishouden 19.65% 41.60% hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen 14.95% 37.02% Er is een significant verband tussen partnerschap en zorgafhankelijkheid. Ouderen met een partner hebben minder hulp nodig voor persoonlijke verzorging, voor het huishouden en voor persoonlijke verplaatsingen dan ouderen zonder partner. 46
56 Belgian Ageing Studies, Rapport Zorgafhankelijkheid i.f.v. rondkomen met inkomen rondkomen met inkomen moeilijk makkelijk hulp nodig voor persoonlijke verzorging 14.45% 9.31% hulp nodig voor huishouden 28.09% 23.16% hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen 24.85% 17.63% Wat betreft de hulp nodig voor persoonlijke verzorging is er een verband tussen zorgafhankelijkheid en rondkomen met het inkomen. De groep ouderen die hulp nodig heeft voor persoonlijke verzorging bedraagt 9% voor zij die het makkelijk hebben om rond te komen met het inkomen en 14.5% voor zij die moeilijk rondkomen met hun inkomen. Voor hulp in het huishouden en hulp voor persoonlijke verplaatsingen is er ook een significant verband. Ouderen die moeilijk rondkomen, hebben meer hulp nodig voor het huishouden en voor persoonlijke verplaatsingen dan ouderen die makkelijk rondkomen. Zorgafhankelijkheid i.f.v. verhuisd afgelopen tien jaar verhuisd afgelopen tien jaar ja neen hulp nodig voor persoonlijke verzorging 14.39% 11.49% hulp nodig voor huishouden 27.73% 25.32% hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen 20.89% 20.75% Er is geen verband tussen zorgafhankelijkheid en verhuisd de voorbije 10 jaar voor wat betreft de hulp nodig voor het huishouden en de persoonlijke verplaatsingen. Ouderen die verhuisd zijn in de 10 jaar voor de bevraging hebben in dezelfde mate hulp nodig als ouderen die niet verhuisd zijn. Dit geldt niet voor de persoonlijke verzorging. Hier hebben ouderen die de afgelopen 10 jaar verhuisd zijn significant meer hulp nodig dan zij die niet verhuisd zijn. 47
57 Belgian Ageing Studies, Rapport Zorgafhankelijkheid i.f.v. eenzaamheid eenzaamheid geen tot matige ernstige hulp nodig voor persoonlijke verzorging 9.79% 17.72% hulp nodig voor huishouden 22.68% 34.38% hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen 18.01% 28.69% Er is een significant verband tussen zorgafhankelijkheid en eenzaamheid. Ouderen die zich ernstig eenzaam voelen zijn in meerdere mate afhankelijk van zorg dan ouderen die geen tot matige eenzaamheidsgevoelens ervaren. Deze zorgafhankelijk geldt zowel voor hulp nodig voor persoonlijke verzorging, hulp nodig in het huishouden als voor hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen. Zorgafhankelijkheid i.f.v. onveiligheidsgevoelens onveiligheidsgevoelens laag matig ernstig hulp nodig voor persoonlijke verzorging 8.50% 8.75% 13.90% hulp nodig voor huishouden 18.01% 21.01% 30.01% hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen 12.97% 15.65% 26.19% Tot slot bekijken we nog of er een relatie is tussen zorgafhankelijkheid en onveiligheidsgevoelens. Ook hier stellen we een significant verband vast. Ouderen die zich ernstig onveilig voelen hebben in meerdere mate hulp nodig voor persoonlijke verzorging, in het huishouden en voor persoonlijke verplaatsingen. 48
58 Belgian Ageing Studies, Rapport 4. Vallen Gezondheids- en mobiliteitsproblemen, samen met onaangepaste huisvesting, verhogen de kans op vallen bij ouderen. Vallen en valfrequentie krijgen dan ook meer en meer aandacht. Om de valfrequentie van ouderen in te meten, vroegen we de respondent om aan te geven in welke mate hij de afgelopen twaalf maanden gevallen is. Men kon aangeven of dit nooit, één keer, twee keer, drie keer, vier keer of meer dan vier keer het geval was. Vlaanderen Afgelopen twaalf maanden gevallen neen 74.01% 74.16% 77.95% 75.00% 71.96% 74.61% 72.73% één keer 15.34% 13.60% 10.77% 14.36% 13.23% 13.58% 13.58% twee keer 4.80% 5.75% 4.45% 4.68% 6.98% 5.67% 6.67% drie keer 2.92% 3.45% 3.83% 2.77% 4.23% 3.44% 3.88% vier keer 1.04% 1.46% 0.93% 1.28% 1.27% 1.35% 0.97% meer dan vier keer 1.88% 1.57% 2.07% 1.91% 2.33% 1.25% 2.18% Wanneer we het valgedrag van ouderen in bekijken, dan zien we dat meer dan een kwart ouderen minstens 1 keer gevallen is in de periode van een jaar voor de bevraging. 13.6% ouderen is 1 keer gevallen, 11.7% ouderen is 2 of meer keer gevallen. Globaal genomen vallen ouderen in niet minder dan gemiddeld in Vlaanderen. Wat betreft het valgedrag over de verschillende se regio s heen, zien we dat 22% van de respondenten in minstens één keer gevallen is het voorbije jaar. In was dat 25% en in 28%. 49
59 Belgian Ageing Studies, Rapport Vallen i.f.v. leeftijdsklassen Afgelopen twaalf maanden gevallen leeftijdsklasse neen 79.99% 73.27% 59.53% één keer 11.97% 14.62% 15.51% twee keer 3.85% 5.35% 10.49% drie keer 2.64% 3.19% 6.94% vier keer 0.52% 1.31% 3.25% meer dan vier keer 1.04% 2.28% 4.28% Bekijken we bovenstaande tabel, dan stellen we vast dat naarmate de leeftijd stijgt, de kans op vallen toeneemt. Waar bij 60 tot 69 jarigen één op vijf ouderen het afgelopen is gevallen is dat bij 80plussers het dubbele en ruim 40%. Vallen is dus niet louter een gevaar voor de oudste ouderen, ook bij 60 tot 69jarigen komt dit voor. Maar naarmate de leeftijd toeneemt, stijgt ook de valfrequentie. Vallen i.f.v. geslacht geslacht man vrouw Afgelopen twaalf maanden gevallen neen 79.60% 70.18% één keer 11.29% 15.43% twee keer 3.44% 7.02% drie keer 3.13% 3.67% vier keer 1.12% 1.28% meer dan vier keer 1.43% 2.43% 50
60 Belgian Ageing Studies, Rapport Vrouwen vallen meer dan mannen. 20.4% van de mannen is het jaar voor de bevraging gevallen, tegenover 29.8% bij de vrouwen. Vallen i.f.v. partnerschap partnerschap partner geen partner Afgelopen twaalf maanden gevallen neen 77.28% 66.88% één keer 12.72% 15.77% twee keer 4.35% 8.16% drie keer 2.93% 4.91% vier keer 1.01% 1.66% meer dan vier keer 1.71% 2.61% Ouderen met een partner vallen significant minder dan ouderen zonder partner. Vallen i.f.v. rondkomen met het inkomen rondkomen met inkomen moeilijk makkelijk Afgelopen twaalf maanden gevallen neen 70.91% 77.16% één keer 14.46% 12.85% twee keer 5.42% 5.20% drie keer 4.41% 2.70% vier keer 1.62% 0.89% meer dan vier keer 3.18% 1.21% 51
61 Belgian Ageing Studies, Rapport Met betrekking tot het subjectieve inkomen stellen we een significant verband vast: ouderen die moeilijk rondkomen, vallen meer dan ouderen die makkelijk rondkomen. Vallen i.f.v. verhuisd de afgelopen 10 jaar verhuisd afgelopen tien jaar ja neen Afgelopen twaalf maanden gevallen neen 69.63% 75.35% één keer 13.76% 13.42% twee keer 8.05% 4.94% drie keer 4.19% 3.33% vier keer 1.85% 1.08% meer dan vier keer 2.52% 1.88% Ouderen die verhuisd zijn, vallen frequenter dan ouderen die niet verhuisd zijn. Frequent vallen is misschien een aanleiding om te verhuizen, maar verhuizen werkt niet preventief t.o.v. vallen. Vallen i.f.v. zorgafhankelijkheid: hulp nodig voor persoonlijke verzorging hulp nodig voor persoonlijke verzorging ja neen Afgelopen twaalf maanden gevallen neen 50.00% 78.43% één keer 16.35% 12.70% twee keer 11.98% 4.36% drie keer 7.79% 2.76% vier keer 4.56% 0.76% meer dan vier keer 9.32% 0.99% 52
62 Belgian Ageing Studies, Rapport Ouderen die hulp nodig hebben voor persoonlijke verzorging vallen meer dan ouderen die geen hulp nodig hebben voor persoonlijke verzorging: Eén op twee ouderen die hulp nodig hebben voor persoonlijke verzorging is het afgelopen jaar gevallen. Vallen i.f.v. zorgafhankelijkheid: hulp nodig voor huishouden hulp nodig voor huishouden ja neen Afgelopen twaalf maanden gevallen neen 58.20% 80.39% één keer 17.11% 12.20% twee keer 10.41% 3.60% drie keer 6.00% 2.38% vier keer 2.82% 0.63% meer dan vier keer 5.47% 0.80% Ouderen die hulp nodig hebben voor het huishouden vallen vaker dan ouderen die geen hulp nodig hebben voor het huishouden. Vallen i.f.v. zorgafhankelijkheid: hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen ja neen Afgelopen twaalf maanden gevallen neen 56.41% 79.68% één keer 15.44% 12.70% twee keer 11.94% 3.62% drie keer 6.68% 2.48% vier keer 3.07% 0.71% meer dan vier keer 6.46% 0.83% 53
63 Belgian Ageing Studies, Rapport Ouderen die hulp nodig hebben voor persoonlijke verplaatsing vallen meer dan ouderen die geen hulp nodig hebben voor persoonlijke verplaatsing. Vallen i.f.v. eenzaamheid eenzaamheid geen tot matige ernstige Afgelopen twaalf maanden gevallen neen 77.66% 62.60% één keer 12.52% 17.56% twee keer 4.57% 8.45% drie keer 2.80% 6.03% vier keer 0.93% 2.14% meer dan vier keer 1.51% 3.22% Er is een significant verband tussen frequentie van vallen en eenzaamheid. Ouderen die ernstig eenzaam zijn, vallen meer dan ouderen die niet tot matig eenzaam zijn. Vallen i.f.v. onveiligheidsgevoelens Afgelopen twaalf maanden gevallen onveiligheidsgevoelens laag matig ernstig neen 78.34% 77.92% 71.99% één keer 12.75% 12.58% 14.32% twee keer 3.07% 4.34% 6.25% drie keer 3.84% 2.87% 3.58% vier keer 0.61% 0.96% 1.42% meer dan vier keer 1.38% 1.32% 2.44% 54
64 Belgian Ageing Studies, Rapport Er is een verband tussen onveiligheidsgevoelens en valfrequentie. Hoe onveiliger men zich voelt, hoe meer men valt. 28% ouderen met ernstige eenzaamheidsgevoelens is het afgelopen jaar minstens één keer gevallen. Bij ouderen met lage onveiligheidsgevoelens is dat 21.6%. 55
65 Belgian Ageing Studies, Rapport Thema 3: Welbevinden Binnen dit thema werden de scores berekend voor 7 dimensies, namelijk uitgebreidheid van het netwerk, eenzaamheid, negatieve psychologische beleving, negatieve stemmingsstoornissen, ervaren problemen, onveiligheidsgevoel en ouderdomsbeeld. 1. Uitgebreidheid van het netwerk Om de uitgebreidheid van het netwerk van ouderen te meten, werd hen de volgende vraag gesteld: Hoe vaak gaat u op bezoek bij / ontvangt u bezoek van / hebt u telefonisch contact met?. Daarna worden 7 groepen van mensen voorgesteld. De personen die tot het netwerk kunnen behoren waren: Partner Kinderen Kleinkinderen Broers/zussen Ouders Andere familieleden Vrienden en kennissen Buren en mensen uit de wijk De ouderen konden telkens kiezen uit 6 antwoordmogelijkheden: nooit, minder dan 1 maal per maand, maandelijks, 1 à 2 maal per week, (bijna) dagelijks en niet van toepassing. Met de respondenten die 'niet van toepassing' geantwoord hebben, wordt geen rekening gehouden. Vanaf het moment dat de oudere voor een persoon maandelijks geantwoord heeft, wordt deze meegenomen in de berekening van de totale netwerkgrootte. Hoe groter het getal, hoe uitgebreider het netwerk. Uitgebreidheid van het netwerk Vlaanderen uitgebreidheid netwerk Er is een verschil tussen de uitgebreidheid van het netwerk in ten opzichte van Vlaanderen. Het netwerk in is significant groter. 56
66 Belgian Ageing Studies, Rapport Wanneer we het netwerk in bekijken, dan zien we dat het netwerk het grootst is in de regio en het kleinst in de regio. Uitgebreidheid van het netwerk i.f.v. de leeftijdsklasse leeftijdsklasse uitgebreidheid netwerk Naarmate de leeftijd stijgt, neemt de gemiddelde uitgebreidheid van het netwerk af. Uitgebreidheid van het netwerk i.f.v. partnerschap partnerschap partner geen partner uitgebreidheid netwerk Ouderen met een partner hebben een uitgebreider netwerk dan ouderen zonder partner. Uitgebreidheid van het netwerk i.f.v. rondkomen met het inkomen rondkomen met inkomen moeilijk makkelijk uitgebreidheid netwerk Ouderen die makkelijk rondkomen hebben een uitgebreider netwerk dan ouderen die moeilijk rondkomen. Uitgebreidheid van het netwerk i.f.v. verhuisd afgelopen 10 jaar verhuisd afgelopen tien jaar ja neen uitgebreidheid netwerk
67 Belgian Ageing Studies, Rapport De uitgebreidheid van het netwerk van ouderen die verhuisd zijn de voorbije tien jaar, verschilt significant van de uitgebreidheid van het netwerk van ouderen die niet verhuisd zijn. Bij ouderen die verhuisd zijn is het netwerk kleiner. Uitgebreidheid van het netwerk i.f.v. zorgafhankelijkheid: persoonlijke verzorging hulp nodig voor persoonlijke verzorging ja neen uitgebreidheid netwerk hulp nodig voor huishouden ja neen uitgebreidheid netwerk hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen ja neen uitgebreidheid netwerk Er is een verband tussen hulp nodig voor persoonlijke verzorging en hulp in het huishouden enerzijds en hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen en uitgebreidheid van het netwerk anderzijds. Ouderen die hulp nodig hebben, beschikken telkens over een minder uitgebreid netwerk. Uitgebreidheid van het netwerk i.f.v. eenzaamheid eenzaamheid geen tot matige ernstige uitgebreidheid netwerk Ouderen die ernstig eenzaam zijn, hebben een beperkter netwerk dan ouderen die niet of slechts beperkt eenzaam zijn. 58
68 Belgian Ageing Studies, Rapport 2. Eenzaamheid In het onderdeel eenzaamheid bekijken we het aandeel 60plussers dat ernstige eenzaamheidsgevoelens ervaart. Om de dimensie eenzaamheid te construeren werd beroep gedaan op tien items. Hierbij ligt de nadruk op het verschil tussen wat iemand wenst op vlak van intimiteit en interpersoonlijke affectie, en wat iemand heeft op dat vlak. Hoe groter dat verschil, hoe groter de eenzaamheid. De respondenten konden kiezen tussen vijf antwoordmogelijkheden; helemaal mee oneens, mee oneens, noch mee oneens/noch mee eens, mee eens en helemaal mee eens. Deze bovenstaande tien items werden weerhouden om een schaal te construeren. De schaal werd onderverdeeld in twee klassen; geen tot matige eenzaamheidsgevoelens (scores 1 t.e.m. 28) en ernstige eenzaamheidsgevoelens (scores 29 t.e.m. 50). Hieronder geven we de items van deze vraag terug: Er is altijd wel iemand in mijn omgeving bij wie ik met mijn dagelijkse probleempjes terecht kan. Ik mis een echt goede vriend of vriendin. Ik ervaar een leegte om mij heen. Er zijn genoeg mensen op wie ik in geval van narigheid kan terugvallen. Ik mis gezelligheid om mij heen. Ik vind mijn kennissenkring te beperkt. Ik ken veel mensen op wie ik volledig kan vertrouwen. Er zijn voldoende mensen met wie ik mij verbonden voel. Ik mis mensen om mij heen. Ik voel mij vaak in de steek gelaten. Vlaanderen Ernstige eenzaamheid 16.93% 21.39% 16.89% 20.37% 21.16% 19.35% 20.64% Ongeveer 20% se (en Vlaamse) ouderen kampt met ernstige eenzaamheidsgevoelens. Het aandeel ernstig eenzamen in is het grootst in de regio s, en. 59
69 Belgian Ageing Studies, Rapport Eenzaamheid i.f.v. geslacht geslacht man vrouw Ernstige eenzaamheid 18.07% 20.62% Uit bovenstaande tabel kunnen we afleiden dat mannen minder eenzaam zijn dan vrouwen. Eenzaamheid i.f.v. partnerschap partnerschap partner geen partner Ernstige eenzaamheid 16.42% 28.30% Ouderen met een partner zijn minder eenzaam dan ouderen zonder partner. Dat wil echter niet zeggen dat mensen met een partner niet eenzaam kunnen zijn. 16.4% ouderen met een partner is ernstig eenzaam. Dit betekent dat het hebben van een partner in veel gevallen een bescherming biedt tegen eenzaamheid, maar dat dit voor 16% ouderen niet zo is. Eenzaamheid i.f.v. rondkomen met het inkomen rondkomen met inkomen moeilijk makkelijk Ernstige eenzaamheid 23.79% 16.35% Ouderen die moeilijk rondkomen, zijn meer ernstig eenzaam dan ouderen die makkelijk rondkomen (23.8% versus 16.4%). Eenzaamheid i.f.v. verhuisd afgelopen 10 jaar verhuisd afgelopen tien jaar ja neen Ernstige eenzaamheid 22.55% 19.03% 60
70 Belgian Ageing Studies, Rapport Er is een licht verband tussen eenzaamheid en verhuisd zijn de afgelopen 10 jaar: respondenten die verhuisd zijn, rapporteerden vaker ernstig eenzaam te zijn dan ouderen die niet verhuisd zijn. Eenzaamheid i.f.v. zorgafhankelijkheid hulp nodig voor persoonlijke verzorging ja neen Ernstige eenzaamheid 30.00% 17.76% hulp nodig voor huishouden ja neen Ernstige eenzaamheid 26.55% 16.83% hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen ja neen Ernstige eenzaamheid 27.40% 17.09% Er is een significant verband tussen eenzaamheid en zorgafhankelijkheid. Ouderen die afhankelijk zijn van zorg, zijn in meerdere mate ernstig eenzaam dan ouderen die niet afhankelijk zijn van zorg. 30% ouderen die afhankelijk zijn van hulp nodig voor persoonlijke verzorging, is ernstig eenzaam t.o.v. 17.7% ouderen die niet afhankelijk zijn van hulp nodig voor persoonlijke verzorging. 26.5% ouderen die afhankelijk zijn van hulp nodig voor het huishouden, is ernstig eenzaam t.o.v. 16.8% ouderen die niet afhankelijk zijn van hulp nodig voor het huishouden. 27.4% ouderen die afhankelijk zijn van hulp nodig voor persoonlijke verplaatsing, is ernstig eenzaam t.o.v. 17.1% ouderen die niet afhankelijk zijn van hulp nodig voor persoonlijke verplaatsing. Eenzaamheid i.f.v. onveiligheidsgevoelens onveiligheidsgevoelens laag matig ernstig Ernstige eenzaamheid 14.17% 18.18% 21.62% Eenzaamheid en onveiligheidsgevoelens zijn gelinkt aan elkaar. Bijna een 61
71 Belgian Ageing Studies, Rapport vijfde ouderen die zich ernstig onveilig voelen, zijn ook ernstig eenzaam. Bij ouderen met lage onveiligheidsgevoelens is dat 14.2%. 3. Negatieve psychologische beleving In dit thema komt de negatieve psychologische beleving van ouderen aan bod. We gebruiken hiervoor volgende vraag: Wanneer u de afgelopen weken in beschouwing neemt, in welke mate bent u het dan eens met volgende uitspraken?. Er worden vervolgens 6 uitspraken gegeven, bijvoorbeeld Ik slaap slecht en lig vaak wakker door kopzorgen en Ik heb het gevoel dat ik mijn zelfvertrouwen verlies. De respondenten konden kiezen uit volgende mogelijkheden om te antwoorden: helemaal niet, niet meer dan gewoonlijk, meer dan gewoonlijk en opvallend meer dan gewoonlijk. Wat de bespreking in dit hoofdstuk betreft, beperken we ons tot het geven van prevalentiecijfers: in welke mate ervaren ouderen in negatieve gevoelens. Vlaanderen Ik slaap slecht en lig vaak wakker door kopzorgen helemaal niet 48.59% 48.80% 51.97% 46.81% 46.78% 47.55% 47.09% niet meer dan gewoonlijk meer dan gewoonlijk opvallend meer dan gewoonlijk 35.74% 34.61% 35.23% 38.41% 37.30% 36.53% 36.33% 11.50% 12.34% 9.19% 9.63% 11.12% 10.91% 11.39% 4.17% 4.26% 3.61% 5.15% 4.80% 5.02% 5.19% 47.6% se ouderen ligt niet wakker door kopzorgen. 16% ouderen in zegt meer en opvallend meer dan gewoonlijk wakker te liggen door kopzorgen. Vooral in is dit aandeel kleiner. Vlaanderen Ik voel me ongelukkig of depressief helemaal niet 71.03% 69.43% 73.96% 69.99% 69.14% 70.56% 71.27% 62
72 Belgian Ageing Studies, Rapport niet meer dan gewoonlijk meer dan gewoonlijk opvallend meer dan gewoonlijk 21.98% 22.82% 20.13% 21.95% 22.03% 22.68% 21.14% 5.30% 5.35% 4.70% 6.16% 6.65% 5.13% 5.32% 1.69% 2.40% 1.20% 1.90% 2.18% 1.64% 2.28% De grote meerderheid van de ouderen voelt zich niet ongelukkig of depressief. Bijna 7% ouderen in voelt zich meer of opvallend meer ongelukkig of depressief. Vlaanderen Ik heb het gevoel dat ik m'n zelfvertrouwen verlies helemaal niet 73.06% 70.85% 74.40% 72.90% 71.32% 72.52% 70.63% niet meer dan gewoonlijk meer dan gewoonlijk opvallend meer dan gewoonlijk 19.39% 20.63% 19.91% 18.59% 18.87% 19.74% 20.38% 6.43% 6.11% 4.60% 6.38% 7.96% 6.22% 6.58% 1.13% 2.40% 1.09% 2.13% 1.85% 1.53% 2.41% 72,5% ouderen heeft niet het gevoel z n zelfvertrouwen te verliezen. 8% geeft aan meer dan gewoonlijk het gevoel te hebben z n zelfvertrouwen te verliezen. Vlaanderen Ik heb het gevoel dat ik de problemen niet aankan helemaal niet 71.36% 70.63% 73.96% 70.32% 68.48% 68.92% 68.99% niet meer dan gewoonlijk meer dan gewoonlijk opvallend meer dan gewoonlijk 23.00% 21.51% 19.80% 20.94% 21.70% 23.88% 22.91% 4.40% 5.90% 5.14% 6.05% 7.85% 5.56% 6.33% 1.24% 1.97% 1.09% 2.69% 1.96% 1.64% 1.77% Op de vraag ik heb het gevoel dat ik de problemen niet aankan, antwoordt meer dan twee derde se ouderen negatief. Meer dan 7% ouderen vindt dat hij/zij de problemen niet aankan. 63
73 Belgian Ageing Studies, Rapport Vlaanderen Ik heb het gevoel dat ik constant onder spanning sta helemaal niet 67.53% 63.21% 69.15% 65.06% 63.25% 64.12% 63.54% niet meer dan gewoonlijk meer dan gewoonlijk opvallend meer dan gewoonlijk 23.90% 26.64% 23.96% 25.08% 25.30% 26.39% 25.82% 6.54% 7.53% 5.47% 6.72% 9.05% 6.87% 7.85% 2.03% 2.62% 1.42% 3.14% 2.40% 2.62% 2.78% Wat het aspect spanning betreft, antwoordt 64.1% negatief, en 26.4% antwoordt niet meer dan gewoonlijk. Ruim 9% ouderen geeft aan meer dan gewoonlijk/opvallend meer dan gewoonlijk onder spanning te staan. Vlaanderen Ik heb het gevoel niks meer waard te zijn helemaal niet 77.34% 74.78% 76.04% 68.87% 66.96% 71.76% 72.91% niet meer dan gewoonlijk meer dan gewoonlijk opvallend meer dan gewoonlijk 14.99% 17.25% 16.74% 19.71% 18.87% 18.21% 19.24% 5.19% 5.57% 4.70% 8.40% 9.16% 6.87% 6.20% 2.48% 2.40% 2.52% 3.02% 5.02% 3.16% 1.65% Eén op tien se ouderen hebben het gevoel niets meer waard te zijn. Algemeen kunnen we besluiten dat cijfers voor de negatieve psychologische beleving in niet zo veel verschillen van de Vlaamse cijfers. De prevalentie van negatieve psychologische beleving ligt iets lager in de regio dan in de andere regio s. 64
74 Belgian Ageing Studies, Rapport 4. Negatieve stemmingsstoornissen Met deze analyses willen we nagaan hoe het gesteld is met de negatieve stemmingsstoornissen van de respondenten, zoals verveling, lusteloosheid, somberheid en nervositeit. We vroegen de respondent om aan te duiden in welke mate men het eens was met deze uitspraken, men kon kiezen uit: helemaal mee oneens, mee oneens, noch mee oneens/noch mee eens, mee eens en helemaal mee eens. Vlaanderen Mijn gezondheid beperkt mij vaak in mijn sociale contacten (vb. op bezoek gaan) helemaal oneens 50.19% 47.23% 47.98% 46.96% 42.42% 50.19% 48.98% mee oneens 17.16% 18.33% 20.56% 19.66% 16.28% 17.31% 19.01% noch eens/noch oneens 11.91% 12.67% 13.10% 11.90% 14.06% 13.82% 11.11% mee eens 11.01% 12.55% 9.91% 11.25% 15.04% 10.96% 12.13% helemaal eens 9.73% 9.23% 8.45% 10.22% 12.21% 7.72% 8.77% In is meer dan 18% ouderen het eens met de uitspraak mijn gezondheid beperkt mij vaak in mijn sociale contacten. In Vlaanderen betreft het bijna 21% ouderen. Vlaanderen Ik voelde mij de laatste tijd vaak nerveus helemaal oneens 51.09% 45.26% 49.57% 45.28% 42.05% 49.69% 46.05% mee oneens 21.25% 22.26% 23.99% 23.80% 20.35% 21.17% 22.66% noch eens/noch oneens 14.21% 16.24% 16.28% 16.82% 19.48% 17.68% 17.11% mee eens 10.37% 10.82% 6.85% 9.70% 11.84% 7.60% 10.96% helemaal eens 3.07% 5.41% 3.30% 4.40% 6.29% 3.86% 3.22% Ruim 10% ouderen is het eens met de uitspraak ik voelde me de laatste tijd vaak nerveus. 65
75 Belgian Ageing Studies, Rapport Vlaanderen Ik voelde mij de laatste tijd kalm en rustig helemaal oneens 14.34% 13.28% 9.55% 13.45% 14.06% 11.71% 13.30% mee oneens 9.22% 9.84% 9.42% 11.25% 10.48% 8.84% 11.84% noch eens/noch oneens 20.49% 24.23% 23.38% 22.51% 27.13% 25.16% 24.71% mee eens 36.62% 36.78% 39.05% 36.61% 31.69% 36.86% 33.77% helemaal eens 19.33% 15.87% 18.60% 16.17% 16.65% 17.43% 16.37% Wanneer de vraag positief gesteld wordt, met name ik voel me kalm en rustig dan antwoordt ruim de helft van de ouderen hier positief op. Vooral in voelen ouderen zich de laatste tijd kalm en rustig. Eén op vijf ouderen in vindt dat deze uitspraak niet van toepassing is op hen. In Vlaanderen is dat bijna één op vier. Vlaanderen Ik voelde mij de laatste tijd neerslachtig en somber helemaal oneens 55.83% 45.26% 52.14% 49.55% 44.88% 49.69% 51.32% mee oneens 19.72% 24.72% 23.75% 23.29% 22.44% 22.67% 23.83% noch eens/noch oneens 14.34% 19.31% 16.03% 18.24% 20.22% 19.18% 15.79% mee eens 7.55% 7.87% 5.51% 5.56% 8.63% 6.10% 5.99% helemaal eens 2.56% 2.83% 2.57% 3.36% 3.82% 2.37% 3.07% Op de vraag of ouderen zich neerslachtig en somber voelen, antwoordt een kleine 10% bevestigend. De helft ouderen in is het helemaal oneens hiermee. Vlaanderen Ik voelde mij de laatste tijd zo somber dat niks mij kon opvrolijken 66
76 Belgian Ageing Studies, Rapport helemaal oneens 64.79% 56.95% 61.08% 56.27% 53.64% 57.29% 60.09% mee oneens 17.16% 22.63% 22.52% 22.25% 23.06% 21.54% 22.08% noch eens/noch oneens 13.06% 14.15% 12.24% 15.39% 14.92% 14.45% 12.57% mee eens 3.07% 3.32% 1.47% 3.23% 4.56% 3.36% 3.22% helemaal eens 1.92% 2.95% 2.69% 2.85% 3.82% 3.36% 2.05% Op de vraag ik voelde me de laatste tijd zo neerslachtig dat niets me kon opvrolijken, antwoordt 7% ouderen in bevestigend. Vooral in waren ouderen met deze stelling akkoord. Vlaanderen Ik voelde mij onlangs helemaal van slag omdat ik kritiek kreeg helemaal oneens 61.08% 57.93% 56.67% 52.91% 54.75% 55.92% 58.33% mee oneens 21.90% 24.11% 24.72% 26.39% 23.06% 24.16% 23.25% noch eens/noch oneens 10.50% 11.32% 12.12% 15.01% 14.92% 14.20% 12.43% mee eens 3.97% 4.67% 4.28% 2.59% 3.70% 2.74% 3.51% helemaal eens 2.56% 1.97% 2.20% 3.10% 3.58% 2.99% 2.49% 5.7% ouderen in vindt dat de omschrijving ik voelde mij onlangs helemaal van slag omdat ik kritiek kreeg op hen van toepassing is. In Vlaanderen is dat 6%. Vlaanderen De laatste tijd verveel ik me vaak helemaal oneens 64.40% 57.69% 57.77% 55.24% 50.43% 56.16% 57.16% mee oneens 17.93% 20.05% 23.50% 22.12% 22.07% 23.29% 22.66% noch eens/noch oneens 10.50% 13.16% 12.48% 13.32% 15.91% 13.20% 13.45% mee eens 4.87% 5.66% 4.16% 6.34% 7.40% 4.86% 4.24% helemaal eens 2.30% 3.44% 2.08% 2.98% 4.19% 2.49% 2.49% 67
77 Belgian Ageing Studies, Rapport Er is slechts een beperkte groep ouderen die zich verveelt: 7.4% ouderen vindt dat de uitspraak ik verveel me vaak op hen van toepassing is. Bijna 80% ouderen in vindt dat deze uitspraak niet van toepassing is op hen. Globaal gezien kunnen we stellen dat ouderen in zich minder vaak nerveus voelen, neerslachtig en minder van slag omdat ze kritiek kregen. Anderzijds voelen se ouderen zich iets vaker zo somber dat niets hen kan opvrolijken. In voelt men zich minder nerveus, minder somber en verveelt men zich minder dan in de andere regio s. 68
78 Belgian Ageing Studies, Rapport 5. Problemen Binnen de schaal Problemen zijn er een aantal subdimensies: kwetsbaarheid, maatschappelijke participatie in de directe omgeving en subjectieve onveiligheidsgevoelens. De schaal varieert tussen 1 en 4. Hoe hoger de score, hoe meer problemen ouderen ervaren. De subdimensie kwetsbaarheid omvat de volgende items: afhankelijkheid van derden, gebrek aan zorg, vervoersproblemen, gezondheidsproblemen, financiële problemen en huisvestingsproblemen. De subdimensie maatschappelijke participatie gericht op de onmiddellijke omgeving omvat de volgende items: gebrek aan informatie en voorlichting, onvoldoende ontspanningsmogelijkheden in de wijk en onvoldoende inspraakmogelijkheden. De subdimensie onveiligheid omvat de items: onveiligheid in het verkeer, angst voor roof, diefstal, inbraak in de woning en angst om lastig gevallen te worden op straat. Vlaanderen Problemen gemiddeld kwetsbaarheid maatschappelijke participatie onveiligheid Ouderen in halen een score van 1.76 op de schaal van ervaren problemen. De hoogste score halen ze op de subdimensie onveiligheid, de laagste score op de dimensie kwetsbaarheid. De se scores wijken niet dermate af van de Vlaamse cijfers. Globaal gezien, ervaren ouderen in minder problemen dan in de andere regio s. Ouderen in ervaren het meest problemen met betrekking tot kwetsbaarheid en maatschappelijke participatie. De cijfers voor onveiligheid zijn dan weer het hoogst in. 69
79 Belgian Ageing Studies, Rapport Ervaren problemen i.f.v. de leeftijdsklasse leeftijdsklasse Problemen gemiddeld Kwetsbaarheid Maatschappelijke participatie Onveiligheid Globaal genomen, stijgen de ervaren problemen bij toename van de leeftijd. Deze trend zet zich door voor de subdimensies kwetsbaarheid en onveiligheid, doch niet voor maatschappelijke participatie. Dat blijft constant over de 3 leeftijdsklassen. Ervaren problemen i.f.v. geslacht geslacht man vrouw Problemen gemiddeld Kwetsbaarheid Maatschappelijke participatie Onveiligheid Mannen ervaren significant minder problemen dan vrouwen. Op subdimensie-niveau stellen we een significant verschil tussen mannen en vrouwen vast voor kwetsbaarheid en onveiligheid. Ervaren problemen i.f.v. partnerschap partnerschap partner geen partner Problemen gemiddeld Kwetsbaarheid Maatschappelijke participatie
80 Belgian Ageing Studies, Rapport Onveiligheid Ouderen met een partner ervaren minder problemen dan ouderen zonder partner. Het verschil is merkbaar voor de globale score en drie subdimensies. Ervaren problemen i.f.v. rondkomen met het inkomen rondkomen met inkomen moeilijk makkelijk Problemen gemiddeld Kwetsbaarheid Maatschappelijke participatie Onveiligheid De resultaten tonen aan dat er een relatie is tussen de subjectieve beleving van het inkomen en de problemen die men ervaart. Deze relatie is sterker dan de relatie tussen ervaren problemen en het objectieve, feitelijke gezinsinkomen. Zowel voor de dimensie ervaren problemen als voor de 3 subdimensies, stellen we vast dat mensen die moeilijk rondkomen meer problemen ervaren dan mensen die makkelijk rondkomen. Ervaren problemen i.f.v. verhuisd afgelopen 10 jaar verhuisd afgelopen tien jaar ja neen Problemen gemiddeld Kwetsbaarheid Maatschappelijke participatie Onveiligheid Voor de subdimensie kwetsbaarheid is er een relatie tussen kwetsbaarheid en verhuisd de voorbije 10 jaar. Ouderen die de afgelopen 10 jaar verhuisd zijn, ervaren meer problemen met kwetsbaarheid dan ouderen die niet verhuisd zijn. Ervaren problemen i.f.v. zorgafhankelijkheid: hulp nodig voor persoonlijke verzorging 71
81 Belgian Ageing Studies, Rapport hulp nodig voor persoonlijke verzorging ja neen Problemen gemiddeld Kwetsbaarheid Maatschappelijke participatie Onveiligheid Er is een significant verband tussen ervaren problemen en zorgafhankelijkheid. Ouderen die hulp nodig hebben voor persoonlijke verzorging, ervaren meer problemen dan ouderen die geen hulp nodig hebben voor persoonlijke verzorging. Ervaren problemen i.f.v. zorgafhankelijkheid: hulp nodig voor huishouden hulp nodig voor huishouden ja neen Problemen gemiddeld Kwetsbaarheid Maatschappelijke participatie Onveiligheid Ouderen die hulp nodig hebben voor het huishouden, ervaren meer problemen dan ouderen die geen hulp nodig hebben voor het huishouden. Het verband tussen beiden geldt voor de drie subdimensies. Ervaren problemen i.f.v. zorgafhankelijkheid: hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen ja neen Problemen gemiddeld Kwetsbaarheid Maatschappelijke participatie Onveiligheid Ouderen die hulp nodig hebben voor persoonlijke verplaatsingen, ervaren meer problemen dan ouderen die geen hulp nodig hebben voor 72
82 Belgian Ageing Studies, Rapport persoonlijke verplaatsingen. Het verband tussen beiden geldt voor de drie subdimensies van ervaren problemen. Ervaren problemen i.f.v. eenzaamheid eenzaamheid geen tot matige ernstige Problemen gemiddeld Kwetsbaarheid Maatschappelijke participatie Onveiligheid Ouderen die ernstig eenzaam zijn, ervaren meer problemen dan ouderen die niet of in beperkte mate eenzaam zijn. Er werd een significant verband vastgesteld voor de drie subdimensies van ervaren problemen. Ervaren problemen i.f.v. onveiligheidsgevoelens onveiligheidsgevoelens laag matig ernstig Problemen gemiddeld Kwetsbaarheid Maatschappelijke participatie Er is een zeer sterk verband tussen ervaren problemen en onveiligheidsgevoelens. Ouderen die zich veiliger voelen, ervaren ook minder problemen dan ouderen die zich matig of ernstig onveilig voelen. Of anders gesteld, ouderen met hoge onveiligheidsgevoelens, ervaren meer problemen dan ouderen met lage onveiligheidsgevoelens. Dit geldt zowel voor kwetsbaarheid als voor maatschappelijke participatie. 5.1 Kwetsbaarheid Binnen de schaal problemen is er een subschaal kwetsbaarheid. In de volgende analyses exploreren we de resultaten voor deze subschaal op itemniveau. Het gaat over de items: afhankelijkheid van derden, gebrek aan zorg, vervoersproblemen, gezondheidsproblemen, financiële problemen en huisvestingsproblemen. 73
83 Belgian Ageing Studies, Rapport kwetsbaarheid: huisvestingsproblemen Vlaanderen Huisvestingproblemen Vaak 1.1% 1.3% 1.1% 1.0% 1.3% 1.1% 1.4% In Vlaanderen ervaren ouderen iets vaker problemen met huisvesting dan ouderen in. Men ervaart het meest vaak problemen met huisvesting in en en het minst in. kwetsbaarheid: gezondheidsproblemen Vlaanderen Gezondheidsproblemen Vaak 17.0% 18.0% 16.0% 19.3% 19.7% 18.01% 17.1% Het percentage ouderen dat aangeeft vaak gezondheidsproblemen te hebben, ligt in iets hoger dan in Vlaanderen (18% versus 17%). De prevalentie van gezondheidsproblemen is het hoogst in de regio en het laagst in de regio. kwetsbaarheid: hulpbehoevendheid/ afhankelijkheid van derden Vlaanderen Hulpbehoevendheid/ afhankelijkheid van derden Vaak 7.9% 8.1% 7.2% 8.5% 10.0% 8.33% 7.50% 8.3% ouderen in is vaak afhankelijk van hulp van derden tegenover 7.5% ouderen in Vlaanderen. De hulpbehoevendheid is het 74
84 Belgian Ageing Studies, Rapport grootst in de regio s, en en is lager in de regio. kwetsbaarheid: financiële problemen Vlaanderen Financiële problemen Vaak 2.5% 3.3% 2.8% 2.8% 3.8% 3.03% 3.2% Er is geen significant verschil tussen Vlaanderen en. De hoogste prevalentie van heel frequente financiële problemen vinden we terug in de regio (3.8%) en de laagste in de regio (2.5%). kwetsbaarheid: gebrek aan zorg Vlaanderen Gebrek aan zorg Vaak 1.1% 2.0% 0.6% 1.4% 1.3% 1.28% 0.95% 1.3% ouderen in ervaart vaak een gebrek aan zorg, in Vlaanderen is dit 0.95%. Ernstige zorgtekorten komen het meest voor in de regio (2.0%) en het minst in de regio (0.6%). kwetsbaarheid: vervoersproblemen Vlaanderen Vervoersproblemen Vaak 3.6% 3.1% 2.1% 3.2% 3.8% 3.15% 4.20% Een laatste item onder de noemer kwetsbaarheid zijn de ernstige vervoersproblemen. Het percentage ouderen dat vaak vervoersproblemen ondervindt, ligt in (3.15%) lager dan in Vlaanderen (4.20%). De regio waar de meeste ernstige vervoersproblemen voorkomen is (3.8%), de regio waar deze problemen het minst voorkomen is (2.1%). 75
85 Belgian Ageing Studies, Rapport 5.2 Maatschappelijke participatie Binnen de schaal problemen is er een subschaal maatschappelijke participatie. In de volgende analyses exploreren we de resultaten voor deze subschaal op itemniveau: gebrek aan informatie en voorlichting, onvoldoende ontspanningsmogelijkheden in de wijk en onvoldoende inspraakmogelijkheden. maatschappelijke participatie: onvoldoende gezelligheids- en ontspanningsmogelijkheden in de wijk Vlaanderen onvoldoende gezelligheids- en ontspanningsmogelijkheden in de wijk Vaak 9.5% 8.5% 7.5% 9.3% 10.5% 9.06% 6.60% 9% ervaart vaak een gebrek aan ontspanningsmogelijkheden in de wijk, dit cijfer ligt significant hoger dan het Vlaamse cijfer (6.6%). De regio waar dit probleem zich het meest voordoet, is de regio (10.5%), de regio waar deze problematiek het minst voorkomt, is (7.5%). maatschappelijke participatie: onvoldoende inspraakmogelijkheden Vlaanderen Onvoldoende inspraakmogelijkheden Vaak 6.8% 8.1% 6.6% 8.6% 8.9% 7.80% 6.30% 7.8% ouderen antwoordt vaak op de vraag of er een gebrek is aan inspraakmogelijkheden. We kunnen vaststellen dat het se cijfer hoger ligt dan het Vlaamse cijfer. De regio waar de inspraakproblematiek het hoogst is, is in de regio 76
86 Belgian Ageing Studies, Rapport. De regio waar deze problematiek het minst voorkomt, is in de regio. maatschappelijke participatie: gebrek aan informatie en voorlichting Vlaanderen Gebrek aan informatie en voorlichting Vaak 6.6% 9.1% 7.8% 8.5% 9.1% 8.21% 5.80% Een laatste item betreft het gebrek aan informatie en voorlichting. Ook hier kunnen we vaststellen dat het se cijfer (8.2%) hoger ligt dan het Vlaamse cijfer (5.8%). De regio waar deze problematiek het meest voorkomt, is in de regio (9.1%) en (9.1%) en het laagst in de regio (6.6%). 5.3 Onveiligheid De derde subschaal binnen de schaal problemen is de subschaal onveiligheid. In de volgende analyses exploreren we de resultaten voor deze subschaal op itemniveau: onveiligheid in het verkeer, angst voor roof, diefstal, inbraak in de woning en angst om lastig gevallen te worden op straat. onveiligheid: onveiligheid in het verkeer Vlaanderen Onveiligheid in het verkeer Vaak 8.6% 7.4% 6.0% 7.9% 6.6% 7.30% 6.80% 7.3% van de se ouderen ervaart vaak onveiligheid in het verkeer, dit cijfer ligt hoger dan het Vlaamse cijfer (6.8%). De regio waar onveiligheid in het verkeer het meest voorkomt, is in de regio (8.6%) en het minst in de regio (6.0%). onveiligheid: angst voor roof, diefstal of inbraak in de woning 77
87 Belgian Ageing Studies, Rapport Vlaanderen Angst voor roof, diefstal of inbraak in de woning Vaak 13.1% 14.4% 8.3% 12.4% 11.4% 11.91% 11.20% Ook angst voor roof, diefstal of inbraak in de woning blijkt voor ouderen een reëel probleem. Er is geen significant verschil tussen en Vlaanderen. De regio waar deze problematiek het meest voorkomt is de regio (14.4%), de regio waar dit het minst voorkomt is de regio (8.3%). onveiligheid: angst te worden lastig gevallen op straat Vlaanderen Angst te worden lastig gevallen op straat Vaak 9.8% 10.8% 5.8% 8.1% 8.2% 8.53% 7.30% Een laatste probleem betreft de angst om lastig gevallen te worden op straat. Het se cijfer is vergelijkbaar met het Vlaamse cijfer. De regio waar deze problematiek het meest voorkomt is de regio (10.8%). Deze problematiek komt het minst voor in de regio (5.8%). 6. Onveiligheidsgevoel Om het onveiligheidsgevoel van ouderen te meten, kregen de respondenten acht uitspraken voorgeschoteld. In hoeverre bent u het eens met de volgende uitspraken? : Het is vandaag de dag te onveilig om op straat te komen Het is vandaag de dag te onveilig om kinderen alleen op straat te laten Ik kom nog weinig alleen buiten omdat ik schrik heb overvallen/bestolen te worden 's Avonds moet je op straat extra voorzichtig zijn De laatste 10 jaar zijn de straten onveiliger geworden 78
88 Belgian Ageing Studies, Rapport 's Avonds en 's nachts doe ik de deur niet open als er gebeld wordt In deze tijd is een alarmsysteem geen overbodige luxe Als ik met vakantie ga, durf ik mijn huis niet onbewaakt achter te laten De respondenten konden steeds kiezen uit vijf antwoordmogelijkheden: helemaal oneens, mee oneens, noch mee oneens / noch mee eens, mee eens en helemaal mee eens. Op basis van de antwoorden werd een schaal geconstrueerd. De schaal wordt onderverdeeld in drie klassen: laag (scores 1 t.e.m. 2.5), matig (scores 2.51 t.e.m. 3.5) en hoog (3.50 t.e.m. 5). Vlaanderen onveiligheids gevoelens laag 17.42% 16.06% 21.99% 14.75% 16.84% 17.22% 19.28% matig 36.70% 35.40% 40.23% 33.38% 34.06% 36.84% 34.40% ernstig 45.88% 48.55% 37.77% 51.88% 49.11% 45.95% 46.32% Wanneer we de se cijfers vergelijken met de Vlaamse, dan zien we nauwelijks verschillen. 46% ouderen in ervaart ernstige onveiligheidsgevoelens en dit percentage is 0.3% lager dan gemiddeld in Vlaanderen. Ouderen uit de regio s,, en ervaren het meest onveiligheidsgevoelens. Onveiligheidsgevoelens i.f.v. leeftijdsklassen leeftijdsklasse Ernstig onveiligheidsgevoel 41.64% 49.96% 56.89% Er is een significant verschil tussen leeftijdsklassen en onveiligheidgevoelens. Naarmate de leeftijd stijgt, neemt het onveiligheidsgevoel toe. Onveiligheidsgevoelens i.f.v. geslacht geslacht 79
89 Belgian Ageing Studies, Rapport man vrouw Ernstig onveiligheidsgevoel 35.58% 57.15% Er is ook een significant verband tussen geslacht en onveiligheidsgevoelens. 57.2% van de vrouwen heeft een ernstig onveiligheidsgevoel, tegenover 35.6% bij de mannen. Onveiligheidsgevoelens i.f.v. partnerschap partnerschap partner geen partner Ernstig onveiligheidsgevoel 44.36% 52.80% Ouderen zonder partner voelen zich vaker ernstig onveilig (52.8%), dan ouderen met een partner (44.4%). Onveiligheidsgevoelens i.f.v. rondkomen met het inkomen rondkomen met inkomen moeilijk makkelijk Ernstig onveiligheidsgevoel 51.69% 42.43% Het subjectieve inkomen levert ook een verschil op: ouderen die moeilijk rondkomen, voelen zich vaker onveilig dan ouderen die makkelijk rondkomen. Onveiligheidsgevoelens i.f.v. zorgafhankelijkheid: hulp nodig voor persoonlijke verzorging hulp nodig voor persoonlijke verzorging ja neen Ernstig onveiligheidsgevoel 58.25% 45.07% Ouderen die hulp nodig hebben voor persoonlijke verzorging, voelen zich meer onveilig dan ouderen die geen hulp nodig hebben voor persoonlijke verzorging. Onveiligheidsgevoelens i.f.v. zorgafhankelijkheid: hulp nodig voor huishouden 80
90 Belgian Ageing Studies, Rapport hulp nodig voor huishouden ja neen Ernstig onveiligheidsgevoel 56.72% 43.39% Ouderen die hulp nodig hebben voor het huishouden, voelen zich meer onveilig dan ouderen die geen hulp nodig hebben voor het huishouden. Onveiligheidsgevoelens i.f.v. zorgafhankelijkheid: hulp nodig voor verplaatsingen hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen ja neen Ernstig onveiligheidsgevoel 60.62% 42.94% Ouderen die hulp nodig hebben voor persoonlijke verplaatsingen, voelen zich meer onveilig dan ouderen die geen hulp nodig hebben voor persoonlijke verplaatsingen. Onveiligheidsgevoelens i.f.v. eenzaamheid eenzaamheid geen tot matige ernstige Ernstig onveiligheidsgevoel 44.54% 52.15% Tenslotte bekijken we nog de relatie tussen eenzaamheid en onveiligheidsgevoelens. Ouderen met ernstige eenzaamheidsgevoelens voelen zich meer onveilig dan ouderen met geen tot matige eenzaamheid. 7. Ouderdomsbeeld Om het ouderdomsbeeld bij ouderen na te gaan werd hun mening gevraagd over 11 uitspraken. Deze uitspraken peilen naar het idee dat ouderen hebben over de maatschappelijke visie op oud worden of ouderen en naar het gevoel van ouderen of ze al dan niet gediscrimineerd worden omwille van hun leeftijd. Hieronder geven we de items weer die het ouderdomsbeeld meten: Als de tijden slechter worden, zijn het al gauw de ouderen die aan het kortste eind trekken. 81
91 Belgian Ageing Studies, Rapport Ouderen vormen een aparte groep in de maatschappij met eigen belangen. De samenleving is vooral gericht op jongeren, met de belangen van ouderen wordt weinig rekening gehouden. Sommige mensen doen alsof ik de maatschappij niets meer te bieden heb, nu ik ouder ben. Ik heb het gevoel dat ouderen tegenwoordig niet meer meetellen. Over wat er voor ouderen gebeurt zouden ouderen veel meer te vertellen moeten hebben. Sinds ik ouder ben, merk ik regelmatig dat men me niet meer serieus neemt. Vergeleken met andere ouderen heb ik het heel goed getroffen. Ik heb het gevoel dat ouderen worden achtergesteld of benadeeld ten opzichte van andere mensen uit de groep. Ik heb er moeite mee om tot de ouderen te behoren. De ouderen van nu hebben het moeilijker dan de ouderen vroeger. De respondenten konden telkens kiezen uit vijf antwoordmogelijkheden, namelijk helemaal oneens, mee oneens, noch mee oneens / noch mee eens, mee eens en helemaal mee eens. De totaalscore van al deze items opgeteld varieert van 1 tot 5. Hoe hoger de score, hoe meer men het gevoel heeft gediscrimineerd te worden omwille van de leeftijd. Vlaanderen ouderdomsbeeld In vergelijking met Vlaanderen scoort even hoog voor wat betreft het ouderdomsbeeld. Het ouderdomsbeeld is het hoogst in de regio en het laagst in de regio. Ouderdomsbeeld i.f.v. leeftijdsklassen leeftijdsklasse ouderdomsbeeld
92 Belgian Ageing Studies, Rapport Er is een relatie tussen leeftijd en ouderdomsbeeld. De scores voor ouderdomsbeeld stijgen bij stijgende leeftijd. Ouderdomsbeeld i.f.v. rondkomen met het inkomen rondkomen met inkomen moeilijk makkelijk ouderdomsbeeld Het subjectieve inkomen speelt een rol bij het ouderdomsbeeld. Ouderen die moeilijk rondkomen, hebben een hogere score dan ouderen die makkelijk rondkomen. Ouderen die moeilijk rondkomen hebben aldus een negatiever ouderdomsbeeld. Ouderdomsbeeld i.f.v. zorgafhankelijkheid: hulp nodig voor persoonlijke verzorging hulp nodig voor persoonlijke verzorging ja neen ouderdomsbeeld hulp nodig voor huishouden ja neen ouderdomsbeeld hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen ja neen ouderdomsbeeld Ouderen die hulpbehoeftig zijn, hebben een negatiever ouderdomsbeeld. Dit geldt zowel voor zorgafhankelijkheid op vlak van persoonlijke verzorging, huishouden en persoonlijke verplaatsingen. Ouderdomsbeeld i.f.v. eenzaamheid eenzaamheid geen tot matige ernstige ouderdomsbeeld Ouderen die eenzamer zijn, hebben een negatiever ouderdomsbeeld. 83
93 Belgian Ageing Studies, Rapport Ouderdomsbeeld i.f.v. onveiligheidsgevoelens onveiligheidsgevoelens laag matig ernstig ouderdomsbeeld Tot slot bekijken we nog de relatie tussen onveiligheidsgevoelens en ouderdomsbeeld. Naarmate de onveiligheidsgevoelens toenemen, hebben de ouderen een uitgesproken negatiever ouderdomsbeeld. 84
94 Belgian Ageing Studies, Rapport Thema 4: Maatschappelijke participatie Binnen dit thema behandelen we zeven onderdelen: activiteitsgraad, participatie in verenigingen, ouderenverenigingen, vrijwilligerswerk, bijwonen culturele evenementen en internetgebruik. 1. Activiteitsgraad Om de activiteitsgraad van de respondenten te meten hebben we gebruik gemaakt van volgende vraag: Hoe vaak beoefent u volgende activiteiten?. Vervolgens werden er 15 activiteiten voorgeschoteld. Enkele voorbeelden zijn; wandelen of fietsen, boeken lezen en tuinieren. We hebben de totale activiteitsgraad berekend door de alle items te sommeren en te delen door het aantal items, met uitzondering van de items 2 tem 5. Aldus bekomen we een score op 5. Hoe actiever de respondent, hoe dichter de score 5 zal benaderd worden. Vervolgens hebben we enkele subdimensies berekend: Ontspanning en ontmoeting: op café of uit eten gaan, reizen en uitstapjes maken, winkelen voor genoegen, luisteren naar radio of muziek, wandelen of fietsen (items 1, 6,7,9 en 14). Zelfrealisatie: opleiding of cursus volgen, computer of internet gebruiken, naar toneel, film, sport of cultuurevenementen gaan, boeken lezen (10, 11, 12, 15). Doe het zelf activiteiten: tuinieren, herstellingen in huis (items 8 en 13). Om de score ook op 5 te zetten en vergelijkbaar te maken met de totaalscore werd hier ook de totaalscore van de subdimensie telkens gedeeld door het aantal items. Activiteitsgraad Vlaanderen activiteitsgraad activiteiten ontspanning
95 Belgian Ageing Studies, Rapport en ontmoeting activiteiten zelfrealisatie doe het zelf activiteiten Wanneer we de score voor activiteitsgraad in vergelijken met deze van Vlaanderen, dan merken we een significant verschil: de ouderen in beoefenen meer activiteiten dan in Vlaanderen. We merken een significante toename van de activiteiten voor twee subdimensies, met name activiteiten in het kader van ontspanning en ontmoeting en doe-hetzelf-activiteiten. Ouderen in en zijn actiever wat betreft het deelnemen aan activiteiten dan de gemiddelde oudere in. Wanneer we de analyse per subdimensie maken, stellen we een grotere activiteitsgraad vast in deze twee regio s voor activiteiten ontspanning en ontmoeting en voor activiteiten zelfrealisatie. Voor doe-het-zelfactiviteiten is er geen verschil tussen de regio s. Activiteitsgraad i.f.v. leeftijdsklassen leeftijdsklasse activiteitsgraad activiteiten ontspanning en ontmoeting activiteiten zelfrealisatie doe het zelf activiteiten De activiteitsgraad van ouderen is zeer sterk leeftijdsgebonden: naarmate de leeftijd stijgt, daalt de activiteitsgraad jarigen zijn het actiefst en 80plussers zijn het minst actief. We stellen deze trend vast voor de drie subdimensies. Activiteitsgraad i.f.v. geslacht geslacht man vrouw activiteitsgraad
96 Belgian Ageing Studies, Rapport activiteiten ontspanning en ontmoeting activiteiten zelfrealisatie doe het zelf activiteiten De activiteitsgraad van mannen is hoger dan deze van vrouwen. Activiteitsgraad i.f.v. partnerschap partnerschap partner geen partner activiteitsgraad activiteiten ontspanning en ontmoeting activiteiten zelfrealisatie doe het zelf activiteiten Ouderen met een partner hebben een hogere activiteitsgraad dan ouderen zonder partner. We stellen dit ook vast voor de drie subdimensies. Activiteitsgraad i.f.v. rondkomen met het inkomen rondkomen met inkomen moeilijk makkelijk activiteitsgraad activiteiten ontspanning en ontmoeting activiteiten zelfrealisatie doe het zelf activiteiten Bij het subjectieve inkomen merken we een significant verband: ouderen die makkelijk rondkomen, hebben een hogere activiteitsgraad dan ouderen die moeilijk rondkomen. Activiteitsgraad i.f.v. verhuisd afgelopen 10 jaar verhuisd afgelopen tien jaar ja neen 87
97 Belgian Ageing Studies, Rapport activiteitsgraad activiteiten ontspanning en ontmoeting activiteiten zelfrealisatie doe het zelf activiteiten Er is een significant verband tussen activiteitsgraad en verhuisd de afgelopen 10 jaar, zij het dat het verband minder uitgesproken is. Het is voornamelijk bij de doe-het-zelf-activiteiten dat er een verband kan vastgesteld worden: ouderen die verhuisd zijn in de periode van 10 jaar voor de bevraging, oefenen minder doe-het-zelf-activiteiten uit. Voor de activiteiten in functie van ontspanning en ontmoeting en voor de activiteiten in functie van zelfrealisatie merken we geen verschil. Activiteitsgraad i.f.v. zorgafhankelijkheid: hulp nodig voor persoonlijke verzorging hulp nodig voor persoonlijke verzorging ja neen activiteitsgraad activiteiten ontspanning en ontmoeting activiteiten zelfrealisatie doe het zelf activiteiten Ouderen die hulp nodig hebben voor persoonlijke verzorging, zijn duidelijk minder actief dan ouderen die geen hulp nodig hebben voor persoonlijke verzorging. Activiteitsgraad i.f.v. zorgafhankelijkheid: hulp nodig voor huishouden hulp nodig voor huishouden ja neen activiteitsgraad activiteiten ontspanning en ontmoeting activiteiten zelfrealisatie doe het zelf activiteiten
98 Belgian Ageing Studies, Rapport Ouderen die hulp nodig hebben voor het huishouden, zijn minder actief dan ouderen die geen hulp nodig hebben voor het huishouden. Activiteitsgraad i.f.v. zorgafhankelijkheid: hulp nodig voor verplaatsingen hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen ja neen activiteitsgraad activiteiten ontspanning en ontmoeting activiteiten zelfrealisatie doe het zelf activiteiten Ouderen die hulp nodig hebben voor persoonlijke verplaatsingen, zijn minder actief dan ouderen die geen hulp nodig hebben voor persoonlijke verplaatsingen. Activiteitsgraad i.f.v. eenzaamheid eenzaamheid geen tot matige ernstige activiteitsgraad activiteiten ontspanning en ontmoeting activiteiten zelfrealisatie doe het zelf activiteiten Bij ouderen die ernstig eenzaam zijn, ligt de activiteitsgraad lager. Er is een significant verschil voor de subdimensies ontspanning en ontmoeting, voor de doe-het-zelf-activiteiten en voor de subdimensie activiteiten voor zelfrealisatie. Activiteitsgraad i.f.v. onveiligheidsgevoelens onveiligheidsgevoelens laag matig ernstig activiteitsgraad
99 Belgian Ageing Studies, Rapport activiteiten ontspanning en ontmoeting activiteiten zelfrealisatie doe het zelf activiteiten De activiteitsgraad ligt het hoogst bij ouderen die zich matig onveilig voelen. Het grootste verschil merken we op bij de subdimensie doe het zelf activiteiten. Ouderen met weinig onveiligheidsgevoels, doen het vaakst aan doe-het-zelf-activiteiten. Bij activiteiten voor zelfrealisatie is het verschil in activiteitsgraad kleiner en voor activiteiten ontspanning en ontmoeting is dit verschil het kleinst. 2. Participatie in verenigingen Om de participatie in verengingen te meten maken we gebruik van volgende vraag: In welke mate bent u lid van volgende verenigingen? : Milieu- of natuurvereniging Fanclub Vereniging die gehandicapten, bejaarden, kansarmen, helpt Vereniging voor (amateur-) kunstbeoefening (koor, toneel, literatuur, dans) Hobbyclub (koken, naaien, postzegels verzamelen, wijnproeven, ) Vrouwenbeweging (KAV, SVV, ) Socio-culturele vereniging (KWB, Davidsfonds, Vermeylenfonds, Masereelfonds, ) Sportvereniging of club (ook wandelen, schaken, ) Politieke vereniging of partij Religieuze of kerkelijke vereniging (parochiaal werk, ) Wijk- of buurtcomité, carnaval- of feestverenigingen Vereniging die ijvert voor internationale vrede/ontwikkeling Derde Wereldlanden Vakbond, een middenstandsorganisatie, een beroepsvereniging of een organisatie van werkgevers of zelfstandigen Gemeentelijke adviesraad/schoolraad/ Gezinsvereniging (Gezinsbond, ) Groepering in een plaatselijk café (sjoelbak, vogelpik, spaarkas, duiven, ) Het Rode Kruis, Vlaamse Kruis, vrijwillige brandweer, 90
100 Belgian Ageing Studies, Rapport Vereniging voor gepensioneerden De witte comités Zelfhulpgroep Jeugdbeweging of jeugdvereniging De items werden gehercodeerd naar 0 voor nooit lid, vroeger lid en 1 voor lid, bestuurslid en dan gesommeerd. Hoe hoger de score, hoe hoger de participatiegraad. De bekomen score is dus het gemiddeld aantal verenigingen waarvan men lid is. Vlaanderen participatie in verenigingen Wanneer we de participatie in het verenigingsleven bekijken ten opzichte van de Vlaamse cijfers, dan merken we een significant verschil op: ouderen in participeren in meer verenigingen dan gemiddeld in Vlaanderen. De participatie aan het verenigingsleven is in het grootst, gevolgd door. In is de participatiegraad dan weer het laagst. Participatie in verenigingen i.f.v. leeftijdsklassen leeftijdsklasse participatie in verenigingen Er is een significant verband tussen leeftijdsklassen en de participatie aan het verenigingsleven. Naarmate de leeftijd stijgt, daalt de participatie in verenigingen. Participatie in verenigingen i.f.v. partnerschap partnerschap partner geen partner participatie in verenigingen Ouderen met een partner participeren significant meer aan het verenigingsleven dan ouderen zonder partner. 91
101 Belgian Ageing Studies, Rapport Participatie in verenigingen i.f.v. rondkomen met het inkomen rondkomen met inkomen moeilijk makkelijk participatie in verenigingen Het subjectieve inkomen speelt een rol: ouderen die moeilijker rondkomen, zijn gemiddeld genomen van minder verenigingen lid, dan ouderen die makkelijk rondkomen met het inkomen. Participatie in verenigingen i.f.v. verhuisd afgelopen 10 jaar verhuisd afgelopen tien jaar ja neen participatie in verenigingen Het al dan niet verhuisd zijn, is gerelateerd aan de participatiegraad van verenigingen. Ouderen die in de 10 jaar voor de bevraging verhuisd zijn, zijn van minder verenigingen lid, dan ouderen die niet verhuisd zijn. Participatie in verenigingen i.f.v. zorgafhankelijkheid participatie in verenigingen hulp nodig voor persoonlijke verzorging 1.45 hulp nodig voor huishouden 1.71 hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen 1.50 Ouderen die hulp nodig hebben voor persoonlijke verzorging, persoonlijke verplaatsingen en het huishouden participeren minder aan het verenigingsleven dan ouderen die hier geen hulp voor nodig hebben. 92
102 Belgian Ageing Studies, Rapport Participatie in verenigingen i.f.v. eenzaamheid eenzaamheid geen tot matige ernstige participatie in verenigingen Er is een significant verband tussen eenzaamheid en participatie in verenigingen. Ouderen die ernstig eenzaam zijn, participeren minder aan het verenigingsleven. Participatie in verenigingen i.f.v. onveiligheidsgevoelens onveiligheidsgevoelens laag matig ernstig participatie in verenigingen Tot slot bekijken we nog de relatie tussen participatie aan het verenigingsleven en de onveiligheidsgevoelens. Ouderen die zich ernstig onveilig voelen, participeren minder aan het verenigingsleven dan ouderen die zich matig onveilig voelen en ouderen met een laag onveiligheidsgevoel. 3. Ouderenverenigingen Met de vragen 48 (kent met ouderenverenigingen), 50 (is men er lid van) en 57 (wil men lid worden) peilen we naar de kennis, het lidmaatschap en het potentieel lidmaatschap van ouderenverenigingen. Deze verschillende items worden hieronder achtereenvolgens geanalyseerd. Kennis met betrekking tot ouderenverenigingen Vlaanderen 93
103 Belgian Ageing Studies, Rapport weet af van bestaan van ouderenverenigingen 87.71% 85.46% 89.94% 89.88% 80.81% 87.19% 86.62% 87.2% ouderen in weet dat er ouderenverenigingen bestaan. Ouderenorganisaties in zijn daarmee even goed gekend als in Vlaanderen. In en zijn de ouderenverenigingen het best gekend en in het minst gekend. Eén op vijf ouderen in weet niet dat er ouderenverenigingen bestaan. Kennis van ouderenverenigingen i.f.v. partnerschap partnerschap partner geen partner weet van bestaan van ouderenverenigingen af 87.62% 84.35% Er is een relatie tussen de kennis van de ouderverenigingen en het al dan niet hebben van een partner. Ouderen met een partner hebben meer weet van het bestaan van ouderenverenigingen dan ouderen zonder partner. Kennis van ouderenverenigingen i.f.v. rondkomen met het inkomen rondkomen met inkomen moeilijk makkelijk weet van bestaan van ouderenverenigingen af 84.74% 88.26% Ouderen die het makkelijk hebben om rond te komen met hun inkomen, hebben meer weet van het bestaan van ouderenverenigingen dan ouderen die het moeilijk hebben om rond te komen. Kennis van ouderenverenigingen i.f.v. verhuisd de afgelopen 10 jaar verhuisd afgelopen tien jaar ja neen weet van bestaan van ouderenverenigingen af 76.92% 88.31% Ouderen die verhuisd zijn in de periode van 10 jaar voor de bevraging, kennen in mindere mate de ouderenverenigingen dan ouderen die niet verhuisd zijn (76.9% versus 88.3%). 94
104 Belgian Ageing Studies, Rapport Kennis van ouderenverenigingen i.f.v. eenzaamheid eenzaamheid geen tot matige ernstige weet van bestaan van ouderenverenigingen af 88.24% 83.02% Ouderen die ernstig eenzaam zijn, weten minder vaak dat er ouderenverenigingen bestaan dan ouderen die niet of matig eenzaam zijn. Lidmaatschap van ouderenverenigingen Vlaanderen lid van vereniging voor ouderen 30.99% 26.19% 38.01% 30.25% 18.01% 29.57% 29.07% Bijna 3 op 10 se ouderen zijn lid van een ouderenvereniging. Ouderen in zijn in dezelfde mate lid van een ouderenvereniging als gemiddeld in Vlaanderen. Ten opzichte van de andere regio s in, is men in opvallend meer lid van ouderenverenigingen. In de regio s en vooral, is men dat opvallend minder. Lid van ouderenverenigingen i.f.v. leeftijdsklassen leeftijdsklasse lid van vereniging voor ouderen 21.64% 34.32% 38.38% Er is een verband tussen leeftijd en lidmaatschap van een ouderenvereniging. De ouderen in de leeftijdscategorie jaar zijn beduidend minder lid van een ouderenvereniging dan oudere ouderen. 21.6% 60-69jarigen is lid van een ouderenvereniging. Bij 70-79jarigen is dat al 34.3% en 38.4% ouderen is lid van een vereniging voor ouderen. Lid van ouderenverenigingen i.f.v. geslacht geslacht man vrouw 95
105 Belgian Ageing Studies, Rapport lid van vereniging voor ouderen 25.22% 31.90% Vrouwen zijn vaker lid van een ouderenvereniging dan mannen (31.9% versus 25.2%). Lid van ouderenverenigingen i.f.v. partnerschap partnerschap partner geen partner lid van vereniging voor ouderen 27.34% 32.30% Ouderen zonder partner zijn vaker lid van een ouderenvereniging dan ouderen met een partner. Lid van ouderenverenigingen i.f.v. zorgafhankelijkheid: 'hulp nodig voor persoonlijke verzorging' hulp nodig voor persoonlijke verzorging ja neen lid van vereniging voor ouderen 31.20% 28.13% hulp nodig voor huishouden ja neen lid van vereniging voor ouderen 34.39% 26.82% hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen ja neen lid van vereniging voor ouderen 33.04% 27.44% Ouderen die hulpbehoevend zijn, zijn vaker lid van ouderenverenigingen dan ouderen die dat niet zijn. Dit geldt zowel voor hulp nodig voor persoonlijke verzorging, huishouden als voor persoonlijke verplaatsingen. Lidmaatschap van ouderenverenigingen i.f.v. eenzaamheid eenzaamheid geen tot matige ernstige 96
106 Belgian Ageing Studies, Rapport lid van vereniging voor ouderen 29.67% 25.51% Eén vierde ouderen die ernstig eenzaam zijn, zijn toch lid van een ouderenvereniging. Er is wel een negatief verband tussen eenzaamheid en lidmaatschap van een vereniging: ouderen die ernstig eenzaam zijn, zijn in mindere mate lid van een ouderenvereniging. Lidmaatschap van ouderenverenigingen i.f.v. onveiligheidsgevoelens onveiligheidsgevoelens laag matig ernstig lid van vereniging voor ouderen 24.58% 27.12% 31.57% Bekijken we bovenstaande tabel, dan stellen we vast dat naarmate de onveiligheidsgevoelens toenemen, men vaker lid is van een ouderenvereniging. Potentieel lidmaatschap van ouderenverenigingen Vlaanderen verwacht in de komende jaren lid te worden van ouderenvereniging ja misschien 25.23% 25.71% 26.96% 23.96% 25.36% 25.80% 22.58% ja 14.43% 11.60% 17.23% 12.09% 7.86% 12.96% 13.11% Bijna 39% ouderen in die op dit moment nog géén lid zijn van een ouderenvereniging, denken er (misschien) aan om in de komende jaren wel lid te worden. Dat cijfer ligt hoger dan het Vlaamse gemiddelde. Het aandeel ouderen dat lid wil worden van een ouderenvereniging, is het grootst in en en het kleinst in. Potentieel lidmaatschap van ouderenverenigingen i.f.v. leeftijdsklassen leeftijdsklasse 97
107 Belgian Ageing Studies, Rapport verwacht in de komende jaren lid te worden van ouderenvereniging ja misschien 34.37% 19.19% 9.69% ja 11.85% 14.43% 10.67% Er is een relatie tussen potentieel lidmaatschap en leeftijd. Jongere ouderen (60-69 jaar) zeggen vaker ja misschien op de vraag of ze lid willen. Meer dan 46% ouderen in die leeftijdsgroep jaar overweegt eventueel lid te worden van een ouderenvereniging in de toekomst. Het zijn vooral de 70-79jarigen die overtuigd ja zeggen op de vraag of ze lid willen worden. Potentieel lidmaatschap van ouderenverenigingen i.f.v. partnerschap partnerschap partner geen partner verwacht in de komende jaren lid te worden van ouderenvereniging ja misschien 27.08% 21.08% ja 12.13% 14.16% Er is een verband tussen partnerschap en de verwachting om in de komende jaren lid te worden van een ouderenvereniging. Ouderen met partner zeggen meer ja misschien dan ouderen zonder partner. Potentieel lidmaatschap van ouderenverenigingen i.f.v. zorgafhankelijkheid: 'hulp nodig voor persoonlijke verzorging' hulp nodig voor persoonlijke verzorging ja neen verwacht in de komende jaren lid te worden van ouderenvereniging ja misschien 13.32% 27.04% ja 9.63% 13.13% Er is een verband tussen potentieel lidmaatschap en zorgafhankelijkheid. Voor ouderen die afhankelijk zijn voor hulp voor persoonlijke verzorging, 98
108 Belgian Ageing Studies, Rapport is lid worden van een ouderenvereniging minder een optie dan voor ouderen die niet afhankelijk zijn voor hulp voor persoonlijke verzorging. Potentieel lidmaatschap van ouderenverenigingen i.f.v. zorgafhankelijkheid: 'hulp nodig voor huishouden' hulp nodig voor huishouden ja neen verwacht in de komende jaren lid te worden van ouderenvereniging ja misschien 16.67% 28.50% ja 12.78% 12.79% Er is een verband tussen potentieel lidmaatschap en zorgafhankelijkheid. Voor ouderen die afhankelijk zijn voor hulp voor het huishouden, is lid worden van een ouderenvereniging minder een optie dan voor ouderen die niet afhankelijk zijn voor hulp voor het huishouden. Potentieel lidmaatschap van ouderenverenigingen i.f.v. zorgafhankelijkheid: 'hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen' hulp nodig voor persoonlijke verplaatsingen ja neen verwacht in de komende jaren lid te worden van ouderenvereniging ja misschien 11.89% 29.05% ja 11.77% 12.99% Er is een verband tussen potentieel lidmaatschap en zorgafhankelijkheid. Voor ouderen die afhankelijk zijn voor hulp voor persoonlijke verplaatsingen, is lid worden van een ouderenvereniging minder een optie dan voor ouderen die niet afhankelijk zijn voor hulp voor persoonlijke verplaatsingen. Potentieel lidmaatschap van ouderenverenigingen i.f.v. eenzaamheid eenzaamheid geen tot matige ernstige verwacht in de komende jaren lid te worden van ouderenvereniging 99
109 Belgian Ageing Studies, Rapport ja misschien 26.59% 31.01% ja 10.63% 12.03% Ouderen die ernstig eenzaam zijn, verwachten in grotere mate om in de toekomst lid te worden van een ouderenvereniging dan ouderen met geen tot matige eenzaamheidsgevoelens. 43% ouderen met ernstige eenzaamheidsgevoelens geeft aan in de komende jaren wel lid te willen worden van een ouderenvereniging. Potentieel lidmaatschap van ouderenverenigingen i.f.v. onveiligheidsgevoelens verwacht in de komende jaren lid te worden van ouderenvereniging onveiligheidsgevoelens laag matig ernstig ja misschien 27.91% 27.81% 24.71% ja 11.80% 12.63% 14.17% Ouderen die zich ernstig onveilig voelen, geven iets vaker aan absoluut lid te willen worden van een ouderenvereniging. Wanneer we ja en ja misschien samen bekijken, zijn er geen verschillen tussen ouderen met lage, matige en ernstige onveiligheidsgevoelens. 100
110 Belgian Ageing Studies, Rapport 4. Vrijwilligerswerk en potentieel netwerk vrijwilligers Om het vrijwilligerswerk te analyseren stelden we volgende vraag: Doet u vrijwilligerswerk?. Verder vroegen we of men in de toekomst vrijwilligerswerk zou willen doen. Men kon aangeven: Neen, ik denk het niet, ja misschien en ja. 4.1 Vrijwilligerswerk Vlaanderen doet u vrijwilligerswerk? ja 17.92% 18.38% 21.10% 16.65% 16.83% 19.28% 15.31% In doet men gemiddeld meer aan vrijwilligerswerk dan in Vlaanderen. 19.3% ouderen in is vrijwilliger tegenover 15.3% in Vlaanderen. In vergelijking met de andere regio s doet men in (21.1%) het meest aan vrijwilligerswerk en in (16.7%) en (16.8%) het minst. Vrijwilligerswerk i.f.v. leeftijdsklassen doet u vrijwilligerswerk? leeftijdsklasse ja 20.76% 18.13% 9.60% Het verrichten van vrijwilligerswerk is leeftijdsgebonden. Naarmate de leeftijd stijgt, daalt het aantal ouderen dat vrijwilligerswerk doet. Bij 60 tot 69jarigen doet meer dan één op vijf ouderen vrijwilligerswerk. Bij 80plussers is dat de helft, ongeveer één op tien. Vrijwilligerswerk i.f.v. partnerschap 101
111 Belgian Ageing Studies, Rapport partnerschap partner geen partner doet u vrijwilligerswerk? ja 20.15% 12.41% Ouderen met partner doen opvallend meer aan vrijwilligerswerk dan ouderen zonder partner. Vrijwilligerswerk i.f.v. rondkomen inkomen rondkomen met inkomen moeilijk makkelijk doet u vrijwilligerswerk? ja 15.58% 20.89% Voor het subjectief inkomen zien we een relatie. Ouderen die aangeven het makkelijk te hebben om rond te komen met het inkomen, doen meer aan vrijwilligerswerk dan zij die aangeven het moeilijk te hebben om rond te komen. Vrijwilligerswerk i.f.v. eenzaamheid eenzaamheid geen tot matige ernstige doet u vrijwilligerswerk? ja 19.85% 15.86% Ouderen met ernstige eenzaamheidsgevoelens doen in mindere mate aan vrijwilligerswerk dan ouderen die geen tot matige eenzaamheidsgevoelens vertonen. Toch verricht 15.9% ouderen met ernstige eenzaamheidsgevoelens vrijwilligerswerk. Vrijwilligerswerk i.f.v. onveiligheidsgevoelens doet u vrijwilligerswerk? onveiligheidsgevoelens laag matig ernstig 102
112 Belgian Ageing Studies, Rapport ja 23.05% 20.43% 16.26% Eenzelfde relatie zien we tussen onveiligheidsgevoelens en vrijwilligerswerk. Naarmate de onveiligheidsgevoelens toenemen, daalt het vrijwilligerswerk. 4.2 Rekruteringspotentieel vrijwilligers Met de volgende reeks analyses gaan we na hoe het gesteld is met het rekruteringspotentieel van vrijwilligers. Vlaanderen verwacht de komende jaren vrijwilligerswerk te verrichten 18.52% 19.71% 21.73% 17.91% 15.66% 18.71% 16.51% Aan de ouderen die op het moment van de bevraging geen vrijwilligerswerk verrichtten, werd gevraagd of ze verwachten in de toekomst vrijwilligerswerk uit te voeren (= potentieel vrijwilligerswerk). Bekijken we bovenstaande tabel, dan stellen we vast dat het rekruteringspotentieel voor vrijwilligers in groter is dan in Vlaanderen (18.7% versus 16.5%). Bekijken we het rekruteringspotentieel op regionaal niveau, dat stellen we vast dat het grootste rekruteringspotentieel zich in de regio bevindt en het kleinste in de regio. Potentieel vrijwilligerswerk i.f.v. leeftijdsklassen leeftijdsklasse verwacht de komende jaren vrijwilligerswerk te verrichten 28.55% 12.63% 2.78% Er is een relatie tussen leeftijd en rekruteerbaar zijn voor het vrijwilligerswerk. Jongere ouderen (60-69jaar) denken meer dat ze, indien ze gevraagd worden, zich zullen inzetten voor het vrijwilligerswerk. Potentieel vrijwilligerswerk i.f.v. geslacht 103
113 Belgian Ageing Studies, Rapport geslacht man vrouw verwacht de komende jaren vrijwilligerswerk te verrichten 21.78% 15.83% Er is ook een relatie met het geslacht. Mannen zijn in vergelijking met vrouwen, vaker geneigd om in de toekomst vrijwilligerswerk op te nemen. Potentieel vrijwilligerswerk i.f.v. partnerschap partnerschap partner geen partner verwacht de komende jaren vrijwilligerswerk te verrichten 20.87% 13.05% Ouderen met een partner zijn meer bereid om in de toekomst vrijwilligerswerk op te nemen dan ouderen zonder partner. Potentieel vrijwilligerswerk i.f.v. rondkomen inkomen rondkomen met inkomen moeilijk makkelijk verwacht de komende jaren vrijwilligerswerk te verrichten 16.09% 21.06% Ouderen die makkelijk rondkomen met hun inkomen verwachten in meerdere mate in de toekomst vrijwilligerswerk op te nemen dan zij die aangeven het moeilijk te hebben om rond te komen. Potentieel vrijwilligerswerk i.f.v. verhuisd afgelopen 10 jaar verhuisd afgelopen tien jaar ja neen verwacht de komende jaren vrijwilligerswerk te verrichten 21.09% 18.27% Ouderen die de afgelopen 10 jaar verhuisd zijn, hebben iets vaker de neiging om in de toekomst vrijwilligerswerk op te nemen dan zij die niet verhuisd zijn. Potentieel vrijwilligerswerk i.f.v. onveiligheidsgevoelens 104
114 Belgian Ageing Studies, Rapport onveiligheidsgevoelens laag matig ernstig verwacht de komende jaren vrijwilligerswerk te verrichten 24.19% 22.02% 16.83% Er is een relatie tussen onveiligheidsgevoelens en het potentieel vrijwilligerswerk in de toekomst: Hoe onveiliger men zich voelt, hoe minder men bereid is om in de toekomst vrijwilligerswerk op te nemen. 105
115 Belgian Ageing Studies, Rapport 5. Bijwonen culturele activiteiten De mate waarin ouderen culturele evenementen bijwonen, wordt gemeten met volgende vraag Hoe vaak woont u onderstaande culturele evenementen bij?. Kleinkunst K lassiek theater Vlaamse muziek Jazz H edendaags theater Opera Operette C omedy Kunst met educatieve functie C Klas abaret sieke kunsten (schone Klas kunsten) sieke muziek Hedendaagse kunst Folk/Wereldmuziek De ouderen konden kiezen tussen: nooit, één keer per jaar, meerdere keren per jaar, één keer per maand en meerdere keren per maand. De individuele scores werden gesommeerd en in drie klassen ingedeeld: niet participanten, passant (1 à 2 maal per jaar) en frequente participanten (3 of meerdere keren per jaar). Vlaanderen cultuurparticipatie nooit 47.80% 37.66% 47.17% 47.04% 50.30% 46.22% 46.66% passant 20.78% 22.39% 19.93% 21.47% 20.64% 19.61% 19.44% frequente participanten 31.42% 39.95% 32.90% 31.48% 29.06% 34.17% 33.90% Voor wat betreft het bijwonen van culturele activiteiten zijn er weinig verschillen terug te vinden tussen Vlaanderen en. 46.2% ouderen woont nooit een culturele activiteit bij.19,6% is een passant, wat inhoudt dat ze minstens 1 keer per jaar, maar minder dan maandelijks een culturele activiteit bijwonen. Ongeveer één op drie ouderen is een frequente participant, dit betekent dat ze 3 keer of meer per jaar aan cultuur deelnemen. Bekijken we de cijfers op regioniveau, dan zien we wel enkele significante verschillen. Zo stellen we vast dat men in opvallend meer frequent aan cultuur participeert dan in de andere regio s. In en is dit percentage het laagst. 106
116 Belgian Ageing Studies, Rapport Bijwonen culturele activiteiten i.f.v. leeftijdsklassen cultuurparticipatie leeftijdsklasse frequente participanten 39.27% 30.18% 17.86% Er is een relatie tussen cultuurparticipatie en leeftijd. Naarmate de leeftijd stijgt, neemt ook het aandeel ouderen dat nooit een culturele activiteit bijwoont toe. Ouderen in de jongste leeftijdsklassen participeren meer aan het cultuurleven. Bijwonen culturele activiteiten i.f.v. partnerschap partnerschap partner geen partner cultuurparticipatie frequente participanten 35.24% 26.64% Tussen partnerschap en cultuurparticipatie merken we wel een verschil. Ouderen zonder partner participeren minder aan cultuur dan ouderen met partner. Bijwonen culturele activiteiten i.f.v. rondkomen met het inkomen rondkomen met inkomen moeilijk makkelijk cultuurparticipatie frequente participanten 25.94% 38.45% Ouderen die makkelijk rondkomen, participeren meer aan culturele activiteiten dan ouderen die moeilijk rondkomen. 110
117 Belgian Ageing Studies, Rapport Bijwonen culturele activiteiten i.f.v. verhuisd afgelopen 10 jaar verhuisd afgelopen tien jaar ja neen cultuurparticipatie frequente participanten 38.36% 32.27% Ouderen die de afgelopen 10 jaar verhuisd zijn, zijn meer frequente participanten dan ouderen die niet verhuisd zijn. Bijwonen culturele activiteiten i.f.v. eenzaamheid eenzaamheid geen tot matige ernstige cultuurparticipatie frequente participanten 35.59% 30.30% Ouderen met ernstige eenzaamheidsgevoelens participeren minder aan culturele activiteiten dan ouderen met geen tot matige eenzaamheidsgevoelens. Bijwonen culturele activiteiten i.f.v. onveiligheidsgevoelens cultuurparticipatie onveiligheidsgevoelens laag matig ernstig frequente participanten 41.98% 36.47% 31.61% Ook voor wat betreft de onveiligheidsgevoelens zien we eenzelfde verband. Hoe meer men zich onveilig voelt, hoe minder men participeert aan culturele activiteiten. 111
118 Belgian Ageing Studies, Rapport 6. Internetgebruik Om het internetgebruik te analyseren stelden we volgende vraag: In welke mate maakt u gebruik van het internet?. De respondenten konden aangeven of ze hiervan nooit, minder dan wekelijks, wekelijks, dagelijks, twee maal per dag of meer dan tweemaal per dag gebruik van maken. Op basis van deze antwoorden hebben we twee groepen gecreëerd. Een groep zelden/nooit (nooit, minder dan wekelijks en wekelijks) en een groep vaak/zeer vaak (dagelijks, twee maal per dag, meer dan twee maal per dag). Vervolgens vroegen we aan de ouderen die het internet gebruiken ook naar de redenen voor hun internetgebruik. We stelden daarom ook volgende vraag: Waartoe gebruikt u het internet?. De respondenten konden volgende antwoordmogelijkheden aanduiden; surfen en opzoeken van informatie, , contact met de overheid, contact met kinderen en kleinkinderen. Vlaanderen Internetgebruik nooit tot wekelijks 88.91% 82.75% 83.72% 88.32% 85.26% 85.79% 84.38% dagelijks en meer 11.09% 17.25% 16.28% 11.68% 14.74% 14.21% 15.62% Wanneer we de cijfers van met die van Vlaanderen vergelijken, merken we nauwelijks verschillen in het internetgebruik. 14.2% se ouderen gebruikt dagelijks het internet. Bekijken we de regio s, dan stellen we vast dat men in het meest van het internet gebruik maakt en in en het minst. Waartoe gebruikt men het internet? Vlaanderen internet om te surfen en info op te zoeken contact met overheid 89.27% 87.27% 43.20% 69.88% 77.10% 73.32% 78.30% 72.41% 75.19% 40.79% 55.33% 60.78% 60.90% 67.54% 25.29% 15.85% 8.15% 16.12% 11.86% 15.45% 17.11% 112
119 Belgian Ageing Studies, Rapport contact met kind/kleinkind 46.24% 48.70% 22.86% 33.33% 34.77% 37.18% 39.39% Ouderen die het internet gebruiken, doen dit in 73.3% van de gevallen om te surfen en informatie op te zoeken. Dit cijfer is 5 procentpunten lager dan het Vlaamse. Daarnaast kunnen we evenzeer vaststellen dat ouderen in in mindere mate gebruik maken van het internet voor , contacten met de overheid en contact met kinderen/kleinkinderen dan gemiddeld in Vlaanderen. Wanneer we kijken naar de resultaten van de regio s dan stellen we vast dat vooral in ouderen opvallend laag scoren voor al de 4 items. Voor de regio kunnen we zeggen dat het internet opvallend meer gebruikt wordt voor het contact met de overheid. scoort het hoogst voor de redenen en contact met kinderen en kleinkinderen. Internetgebruik i.f.v. leeftijdsklassen Internetgebruik leeftijdsklasse nooit tot wekelijks 77.37% 92.58% 97.36% dagelijks en meer 22.63% 7.42% 2.64% Er is een relatie tussen internetgebruik en leeftijd: naarmate de leeftijd stijgt, neemt ook het aandeel niet gebruikers of beperkte gebruikers toe en daalt het aandeel frequente gebruikers. 22.6% ouderen tussen den 60 en 69 jaar gebruikt dagelijks het internet. Bij 70 tot 79 jarigen is dat 7.4%. Bij 80plussers nog slechts 2.6%. Internetgebruik i.f.v. geslacht geslacht man vrouw Internetgebruik nooit tot wekelijks 80.11% 90.84% dagelijks en meer 19.89% 9.16% Er is een significant verschil tussen geslacht en internetgebruik. Mannen 113
120 Belgian Ageing Studies, Rapport zijn frequentere gebruikers van het internet dan vrouwen, vrouwen gebruiken meer nooit of in beperkte mate het internet. Internetgebruik i.f.v. partnerschap partnerschap partner geen partner Internetgebruik nooit tot wekelijks 83.16% 93.11% dagelijks en meer 16.84% 6.89% Ouderen met een partner gebruiken vaker het internet dan ouderen zonder partner. Internetgebruik i.f.v. rondkomen met het inkomen rondkomen met inkomen moeilijk makkelijk Internetgebruik nooit tot wekelijks 89.89% 82.56% dagelijks en meer 10.11% 17.44% Ouderen die makkelijk rondkomen met hun inkomen, gebruiken meer dagelijks of meer het internet. Internetgebruik i.f.v. onveiligheidsgevoelens Internetgebruik onveiligheidsgevoelens laag matig ernstig nooit tot wekelijks 76.72% 81.55% 87.63% dagelijks en meer 23.28% 18.45% 12.37% Er is een verband tussen internetgebruik en onveiligheidsgevoelens. Naarmate men zich ernstig onveilig voelt, daalt het internetgebruik. 114
121 Belgian Ageing Studies, Rapport Thema 5: Tevredenheid over gemeentelijke dienstverlening In deze reeks analyses bekijken we de tevredenheid over de dienstverleningen binnen de gemeente. Eerst bekijken we de totale tevredenheid door middel van een somscore. De globale tevredenheid krijgt een score op 100. Indien deze score lager is dan 40, is er sprake van ontevredenheid. Wanneer ouderen de gemeentelijke dienstverlening tussen de 40 en de 60 scoren, hebben ze een neutraal oordeel over de dienstverlening. Vanaf een score van 60 is er sprake van tevredenheid. De dienstverleningen worden ingedeeld in: gemeente, OCMW, politie, cultuur en bibliotheek, recreatie en sport, mobiliteit, huisvuil en containerpark en andere dienstverleningen. Tenslotte willen we nog opmerken dat tevredenheid per type dienstverlening weergegeven wordt voor mensen die er effectief gebruik van gemaakt hebben. Met andere woorden, warme maaltijden worden maar door een beperkte groep ouderen gebruikt en de tevredenheid wordt alleen berekend op hen die er gebruik van gemaakt hebben. Globale tevredenheid Vlaanderen Globale tevredenheid Zoals hierboven gesteld, varieert de globale tevredenheid met de dienstverlening tussen 0 en 100. Een score boven de 60 geeft aan dat de respondenten over het algemeen tevreden zijn. Ouderen in geven de gemeentelijke dienstverlening in de provincie een score van 65.9, wat betekent dat ze tevreden zijn over de dienstverlening. 115
122 Belgian Ageing Studies, Rapport 1. Tevredenheid dienstverlening gemeentebestuur Tevredenheid over de dienstverlening gemeentebestuur Vlaanderen openingsuren gemeentelijke diensten ontevreden 7.49% 7.79% tevreden 92.51% 92.21% 92.5% ouderen is tevreden over de openingsuren van de gemeentelijke diensten. In vergelijking met Vlaanderen is de tevredenheid over de openingsuren van de gemeentelijke diensten in 0,3 procentpunten hoger. Tevredenheid over de dienstverlening gemeentebestuur Vlaanderen toegankelijkheid gemeentelijke diensten ontevreden 5.49% 6.39% tevreden 94.51% 93.61% 94.5% ouderen is tevreden over de toegankelijkheid van de gemeentelijke diensten. In vergelijking met Vlaanderen is deze tevredenheid ongeveer 1 procentpunt hoger. Tevredenheid over de dienstverlening gemeentebestuur Vlaanderen houding am.b.t.enaar van de gemeente ontevreden 6.38% 5.10% tevreden 93.62% 94.90% Ook wat betreft de tevredenheid over de houding van de ambtenaren zijn ouderen in tevreden. 116
123 Belgian Ageing Studies, Rapport Tevredenheid over de dienstverlening gemeentebestuur Vlaanderen dienstverlening gemeentelijke diensten ontevreden 5.77% 6.10% tevreden 94.23% 93.90% 94.2% ouderen is tevreden over de dienstverlening van de gemeentelijke diensten. In vergelijking met Vlaanderen is dit 0.3 procentpunten hoger. 2. Tevredenheid over de dienstverlening OCMW Tevredenheid over de dienstverlening OCMW Vlaanderen openingsuren OCMW diensten ontevreden 4.66% 3.84% tevreden 95.34% 96.16% 95.3% ouderen is tevreden over de openingsuren van de OCMW-diensten. Voor Vlaanderen is dit percentage 96.2%, met andere woorden in is men iets minder tevreden over deze openingsuren dan in Vlaanderen gemiddeld is. Tevredenheid over de dienstverlening OCMW Vlaanderen toegankelijkheid OCMW diensten ontevreden 4.58% 4.16% tevreden 95.42% 95.84% Ook met betrekking tot de toegankelijkheid van de OCMW-diensten is er 117
124 Belgian Ageing Studies, Rapport een zeer grote tevredenheid. We merken opnieuw een klein verschil in tevredenheid tussen en Vlaanderen. Tevredenheid over de dienstverlening OCMW Vlaanderen dienstverlening OCMW diensten ontevreden 4.26% 3.15% tevreden 95.74% 96.85% 95.7% ouderen is tevreden over de dienstverlening van het OCMW. Hoewel deze cijfers blijk geven van grote tevredenheid, liggen de se cijfers toch meer dan 1 procentpunt lager dan de Vlaamse cijfers. Tevredenheid over de dienstverlening OCMW Vlaanderen houding ambtenaar OCMW ontevreden 4.71% 4.17% tevreden 95.29% 95.83% Ook met betrekking tot de houding van de ambtenaren van het OCMW kunnen we dezelfde conclusie trekken: de overgrote meerderheid ouderen is tevreden, en er is een klein verschil merkbaar tussen de Vlaamse en se cijfers. 3. Tevredenheid over de politie Tevredenheid over de dienstverlening van de politie Vlaanderen dienstverlening politie ontevreden 9.09% 8.78% tevreden 90.91% 91.22% 118
125 Belgian Ageing Studies, Rapport 90.9% ouderen is tevreden over de dienstverlening van de politie. Dit is 0.3% lager dan de Vlaamse cijfers. Tevredenheid over de zichtbaarheid van de politie op straat Vlaanderen zichtbaarheid van de politie op straat ontevreden 20.28% 21.29% tevreden 79.72% 78.71% Bijna acht op tien ouderen is tevreden over de zichtbaarheid van de politie (blauw op straat). Hoewel dit nog steeds een meerderheid ouderen betreft, is dit aandeel tevredenen toch lager dan de cijfers die we vaststelden bij de gemeentelijke en de OCMW-dienstverlening. Opmerkelijk is wel dat de tevredenheid in hoger is dan in Vlaanderen. 4. Tevredenheid over cultuurbeleid en bibliotheek Tevredenheid over het cultuurbeleid en de bibliotheek Vlaanderen cultuurbeleid ontevreden 5.53% 4.97% tevreden 94.47% 95.03% Bijna 94.5% ouderen is tevreden over het cultuurbeleid. Dit cijfer is een half procentpunt lager dan de tevredenheid in Vlaanderen. Tevredenheid over het cultuurbeleid en de bibliotheek Vlaanderen toegankelijkheid bibliotheek 119
126 Belgian Ageing Studies, Rapport ontevreden 3.30% 3.56% tevreden 96.70% 96.44% 96.7% ouderen is tevreden over de toegankelijkheid van de bibliotheek. Ten opzichte van Vlaanderen liggen deze tevredenheidscijfers iets hoger. Tevredenheid over het cultuurbeleid en de bibliotheek Vlaanderen aanbod bibliotheek ontevreden 3.83% 2.07% tevreden 96.17% 97.93% Over het aanbod van de bibliotheek is de overgrote meerderheid ouderen tevreden. Deze tevredenheid is iets lager in dan in Vlaanderen. Tevredenheid over het cultuurbeleid en de bibliotheek Vlaanderen dienstverlening in bibliotheek ontevreden 2.55% 2.53% tevreden 97.45% 97.47% Een laatste aspect van het bibliotheekbeleid betreft de dienstverlening in de bibliotheek. Ook hier weer is de overgrote groep van ouderen tevreden over de dienstverlening. Tussen de se en Vlaamse cijfers is er deze keer geen verschil. 5. Tevredenheid over recreatie en sport Tevredenheid over de recreatie en sport Vlaanderen groeninfrastructuur in de gemeente ontevreden 10.26% 11.99% 120
127 Belgian Ageing Studies, Rapport tevreden 89.74% 88.01% 89.7% ouderen is tevreden over de groeninfrastructuur in de gemeente. Deze tevredenheid in is ongeveer 1.7 procentpunten hoger dan in Vlaanderen. Tevredenheid over de recreatie en sport Vlaanderen sport en recreatiemogelijkheden voor ouderen ontevreden 9.52% 8.74% tevreden 90.48% 91.26% Wat de sport- en recreatiemogelijkheden voor ouderen betreft, merken we dat ruim 90% tevreden is. Ten opzichte van Vlaanderen is dit cijfer iets lager. 6. Tevredenheid over mobiliteit Tevredenheid over mobiliteit Vlaanderen staat van de voetpaden ontevreden 29.43% 35.54% tevreden 70.57% 64.46% 70.6% ouderen in is tevreden over de staat van de voetpaden. Ten opzichte van Vlaanderen is de tevredenheid maar liefst 6 procentpunten hoger dan in Vlaanderen. Tevredenheid over mobiliteit 121
128 Belgian Ageing Studies, Rapport Vlaanderen verkeersveiligheidsbeleid in de gemeente ontevreden 18.49% 18.53% tevreden 81.51% 81.47% 81.5% ouderen is tevreden over het verkeersveiligheidsbeleid. Dit cijfer is vergelijkbaar met de Vlaamse tevredenheid. Tevredenheid over mobiliteit Vlaanderen aanbod openbaar vervoer ontevreden 18.04% 16.50% tevreden 81.96% 83.50% Ongeveer 82.0% ouderen is tevreden over het openbaar vervoer. Ten opzichte van Vlaanderen liggen deze tevredenheidscijfers anderhalve procentpunt lager. 7. Tevredenheid over huisvuil en containerpark Tevredenheid over huisvuil en containerpark Vlaanderen huisvuilophaling ontevreden 5.21% 3.72% tevreden 94.79% 96.28% Bijna 95% ouderen is tevreden over de huisvuilophaling. Dit cijfer is iets lager dan de Vlaamse. Tevredenheid over huisvuil en containerpark Vlaanderen frequentie huisvuilophaling 122
129 Belgian Ageing Studies, Rapport ontevreden 6.66% 4.64% tevreden 93.34% 95.36% 93.3% ouderen is tevreden over de frequentie van de huisvuilophaling. Ook hier merken we dat deze tevredenheidscijfers iets lager zijn dan de Vlaamse cijfers. Tevredenheid over huisvuil en containerpark Vlaanderen kwaliteit huisvuilzakken ontevreden 8.55% 13.81% tevreden 91.45% 86.19% In is men beduidend meer tevreden over de kwaliteit van de huisvuilzakken dan in Vlaanderen. De tevredenheid in is 91.4% en in Vlaanderen 86.2%. Tevredenheid over huisvuil en containerpark Vlaanderen openingsuren containerpark ontevreden 6.68% 4.88% tevreden 93.32% 95.12% 93.3% ouderen is tevreden over de openingsuren van het containerpark. Ten opzichte van Vlaanderen is de tevredenheid anderhalve procentpunt lager. Tevredenheid over huisvuil en containerpark Vlaanderen dienstverlening in het containerpark ontevreden 6.92% 5.49% 123
130 Belgian Ageing Studies, Rapport tevreden 93.08% 94.51% 93% ouderen is tevreden over de dienstverlening in het containerpark. Ten opzichte van Vlaanderen is dit cijfer terug ongeveer anderhalve procentpunt lager. Tevredenheid over huisvuil en containerpark Vlaanderen toegankelijkheid containerpark ontevreden 5.67% 4.20% tevreden 94.33% 95.80% 94.3% ouderen is tevreden over de toegankelijkheid van het containerpark. In Vlaanderen is ongeveer 96% tevreden over de toegankelijkheid van het containerpark. 8. Tevredenheid over andere dienstverleningen Tevredenheid over andere dienstverleningen Vlaanderen warme maaltijden ontevreden 7.86% 6.35% tevreden 92.14% 93.65% Zij die warme maaltijden gebruiken zijn in ruime mate tevreden over deze dienstverlening. Tevredenheid over andere dienstverleningen 124
131 Belgian Ageing Studies, Rapport Vlaanderen klusjesdienst ontevreden 8.76% 9.73% tevreden 91.24% 90.27% 91.2% ouderen is tevreden over de klusjesdienst, in Vlaanderen is hier 90.3% tevreden over. Tevredenheid over andere dienstverleningen Vlaanderen thuisverpleging ontevreden 5.03% 4.92% tevreden 94.97% 95.08% Tot slot is 95% ouderen tevreden over de thuisverpleging en dit cijfer is te vergelijken met de Vlaamse tevredenheid over de thuisverpleging. 125
132 Belgian Ageing Studies, Rapport Conclusie Dit boek biedt een overzicht van de leefsituatie van ouderen in. Op basis van de cijfers van de ouderenbehoefteonderzoeken wordt een gedetailleerd beeld geschetst van de noden en behoeften van thuiswonende zestigplussers. Niet alleen worden de cijfers van gegeven, maar zij worden steeds in verhouding geplaatst ten aanzien van het Vlaamse gemiddelde. Ook wordt er aandacht gegeven aan de verschillen die zich in afspelen. Daarbij worden de 5 se regio s naast elkaar geplaatst. Algemeen gesteld kunnen we besluiten dat de bevraagde se ouderen gemiddeld iets jonger zijn, iets meer mannen bevatten (vooral in ), vaker gehuwd zijn en meer kinderen hebben dan gemiddeld in Vlaanderen. Na een uitgebreide beschrijving van de steekproef, behandelt dit rapport 5 grote thema s. Het eerste thema dat belicht werd, was woonsituatie en de buurt. Op vlak van basiscomfort en onaangepastheid van de woning blijkt dat voornamelijk in en de huisvesting vaker onaangepast is aan de ouderdom. Daarbij gaat het vooral om trappen in de woning, maar ook inbraakgevoeligheid en gebrek aan rookdetectoren. Knelpunten in de buurt zijn de te grote afstand tot kinderen en tot basisvoorzieningen zoals kruidenierszaak, bank en postkantoor. Ook basismobiliteitsaspecten zoals rustbanken en openbare toiletten zijn een pijnpunt. Een tweede thema dat werd bestudeerd betrof gezondheid, zorg en hulpverlening. Hoewel ouderen in gemiddeld iets jonger zijn dan in Vlaanderen is er geen verschil op vlak van hun gezondheidstoestand. Binnen zijn er wel enkele regionale verschillen te bemerken. De regio s en 126
133 Belgian Ageing Studies, Rapport hebben een groter aantal ouderen met een fysieke beperking. In is echter het potentiële hulpnetwerk het kleinste. Binnen het derde thema welbevinden werd o.a. aandacht gegeven aan negatieve stemmingsstoornissen, ervaren problemen, ouderdomsbeeld en onveiligheidsgevoelens. Algemeen kunnen we stellen dat niet beter of slechter scoort dan het Vlaamse gemiddelde op vlak van welbevinden. Ouderen met een partner, een hoger inkomen of mannen rapporteren dan weer minder vaak problemen. Het vierde thema uit het boek is maatschappelijke participatie. Ouderen in zijn gemiddeld genomen actiever dan de Vlaamse ouderenbevolking. Zij zijn vaker lid van een vereniging en vaker vrijwilliger. Tenslotte bekeken we in hoofdstuk 5, de tevredenheid over gemeentelijke dienstverlening. In zijn ouderen in het algemeen tevreden over deze dienstverlening. Als ze iets vaker ontevreden zijn dan in Vlaanderen is het over de houding van ambtenaren, openingsuren en dienstverlening OCMW, aanbod bibliotheek, aanbod openbaar vervoer, huisvuil en het containerpark. 127
Seniorenbehoeftenonderzoek Gemeentelijk rapport Knokke-Heist 2012 WOAS
Seniorenbehoeftenonderzoek Gemeentelijk rapport 2012 WOAS 1 Inhoudsopgave Situering... 4 Methodologie... 5 1. Dataverzameling... 5 2. Steekproef... 5 3. Meetmodel... 5 4. Schaalconstructies... 6 5. Significantieniveau...
Inleiding: Achtergrond... 6 Thema 1: Woonsituatie en buurt... 24
Seniorenbehoeftenonderzoek Regionale analyse West-Vlaanderen 2015 Inhoudstafel Inleiding: Achtergrond... 6 1 Situering... 6 2 Methodologie... 8 2.1 Dataverzameling... 8 2.2 Steekproef... 8 2.3 Meetmodel...
Lokaal behoefteonderzoek bij de Genkse 60-plussers
Lokaal behoefteonderzoek bij de Genkse 60-plussers 1 1 SAMENVATTING RESULTATEN 2011-2012 Lokaal behoefteonderzoek Genk 2 3 Beste 6 jaar geleden organiseerden we een eerste grootschalig onderzoek bij de
Gemeentelijk rapport Brugge. Seniorenbehoeftenonderzoek WOAS
Gemeentelijk rapport Brugge Seniorenbehoeftenonderzoek WOAS Inhoud Situering... 2 Methodologie... 3 Beschrijving van de steekproef... 4 Bespreking van de resultaten...... 7 Thema 1: Woonsituatie en buurt...
Behoefteonderzoek senioren Jabbeke. Prof. Dr. D. Verté, N. De Witte, L. De Donder, T. Buffel, S. Dury
Behoefteonderzoek senioren 2011 Jabbeke 2011 Prof. Dr. D. Verté, N. De Witte, L. De Donder, T. Buffel, S. Dury Onderzoeksgroep Agogische wetenschappen, Vrije Universiteit Brussel. Situering van het project
Ouderen behoefteonderzoek. Brussel. 2/jun/09
Ouderen behoefteonderzoek Brussel 2/jun/09 Prof. Dr. D. Verté, N. De Witte, L. De Donder, T. Buffel, S. Dury Onderzoeksgroep Agogische Wetenschappen Vrije Universiteit Brussel Situering van het project
Doe mee! 3 maart 2011
Over ouderen en maatschappelijke participatie 3 maart 2011 Dominique Verté, Sarah Dury, Liesbeth De Donder, Tine Buffel, Nico De Witte In samenwerking met 2 Inleiding 3 1. Inleiding Doel De mate en de
Belgian Ageing Studies 10 jaar onderzoek door en voor ouderen
Belgian Ageing Studies 10 jaar onderzoek door en voor ouderen Dominique Verté, Nico De Witte, Liesbeth De Donder, Sarah Dury, An-Sofie Smetcoren, Dorien Brosens, Emily Verté, Sofie Van Regenmortel, Deborah
Seniorenbehoefteonderzoek Turnhout 2012
Seniorenbehoefteonderzoek Turnhout 2012 in opdracht van Stad en OCMW in samenwerking met VUB Doelstelling van het onderzoek Wat zijn de noden en behoeften van de Turnhoutse senioren (omgevingsanalyse)
Woonomgeving en openbare ruimte
Woonomgeving en openbare ruimte An-Sofie Smetcoren 26 September 2013 Tinie Kardol, Liesbeth De Donder, Nico De Witte, Sarah Dury, Emily Verté, Tine Buffel, Dominique Verté Inhoud 1 Belang van de woonomgeving
4. Resultaten. 4.1 Levensverwachting naar geslacht en opleidingsniveau
4. Het doel van deze studie is de verschillen in gezondheidsverwachting naar een socio-economisch gradiënt, met name naar het hoogst bereikte diploma, te beschrijven. Specifieke gegevens in enkel mortaliteit
Campagne Eenzaamheid Bond zonder Naam
Campagne Eenzaamheid Bond zonder Naam Leen Heylen, CELLO, Universiteit Antwerpen Thomas More Kempen Het begrip eenzaamheid Eenzaamheid is een pijnlijke, negatieve ervaring die zijn oorsprong vindt in een
Seniorenbehoefteonderzoek Turnhout 2012
Seniorenbehoefteonderzoek Turnhout 2012 in opdracht van Stad en OCMW in samenwerking met VUB Doelstelling van het onderzoek Wat zijn de noden en behoeften van de Turnhoutse senioren (omgevingsanalyse)
SENIORENBELEID te VORSELAAR
SENIORENBELEID te VORSELAAR Inleiding In het voorjaar 2015 werd het ouderenbehoefteonderzoek in Vorselaar afgerond. Bedoeling is dat de resultaten worden ontleed en als eindresultaat een seniorenbeleidsplan
Vrijwilligerswerk, mantelzorg en sociale contacten
Vrijwilligerswerk, mantelzorg en sociale contacten Gemeente s-hertogenbosch, afdeling Onderzoek & Statistiek, februari 2019 Inhoudsopgave 1. Inleiding... 3 2. Vrijwilligerswerk... 4 3. Mantelzorg... 8
VERDELING VAN PERSONEN VOLGENS RIJBEWIJSBEZIT (VANAF 6 JAAR)
3 RIJBEWIJSBEZIT TABEL 1 VERDELING VAN PERSONEN VOLGENS RIJBEWIJSBEZIT (VANAF 6 JAAR) Cumulative Cumulative RYBEWYS Frequency Percent Frequency Percent ƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒ
Jongeren en Gezondheid 2014 : Socio-demografische gegevens
Resultaten HBSC 14 Socio-demografische gegevens Jongeren en Gezondheid 14 : Socio-demografische gegevens Steekproef De steekproef van de studie Jongeren en Gezondheid 14 bestaat uit 9.566 leerlingen van
Gezondheid en (psycho)somatische klachten bij adolescenten in Vlaanderen 2014
Gezondheid en (psycho)somatische klachten bij adolescenten in Vlaanderen 214 Inleiding Gezondheid in de internationale HBSC (Health Behaviour in School-aged Children) studie en in de Wereldgezondheidsorganisatie
G O K - I N D I C A T O R E N B I J L E E R L I N G E N I N B a O EN S O
S T A R T P A G I N A Welkom op de startpagina van de cijfers over de GOK-en bij leerlingen in het basis- en secundair onderwijs! De cijfers over de GOK-en (lees: leerlingkenmerken voor financiering) zijn
Voor meer cijfers, zie beleidsdomein Slagkrachtige stad, rubriek data. Stad Genk Publicatie Inkomens 2013 1
De Algemene Directie Statistiek van de FOD Economie publiceerde de cijfers over het netto belastbaar inkomen van 2013 (aanslagjaar 2014). De cijfers zijn gebaseerd op de aangiften in de personenbelastingen.
FACTS & FIGURES Trends in museum- en tentoonstellingsbezoek ( ) Mathijs De Baere
Inleiding In deze fiche zal het museum- en tentoonstellingsbezoek van de Vlamingen in kaart gebracht worden op basis van de participatiesurveygegevens van 2004 (n=2849), 2009 (n=3144) en 2014 (n=3965).
FACTS & FIGURES Participatie aan erfgoedactiviteiten Mathijs De Baere
Inleiding Erfgoed is een brede en overkoepelende term waarbinnen roerend, onroerend en immaterieel erfgoed wordt onderscheiden. Deze drie categorieën zijn in de praktijk sterk verweven met elkaar, maar
Patiëntenprofiel. Algemeen
90+ 80-89 70-79 60-69 50-59 40-49 30-39 20-29 10-19 0-9 Algemeen In 2004 kregen 134.224 verschillende verpleegkundige zorg van Wit-Gele-Kruisverpleegkundigen. Sommige worden kortdurend verpleegd, anderen
Generation What? 1 : Vertrouwen in de instellingen
Generation What? 1 : Vertrouwen in de instellingen Inleiding De mate van vertrouwen van burgers in de overheid en maatschappelijke instellingen werd al vaker de toetssteen van de democratie genoemd: daalt
Voor meer cijfers, zie beleidsdomein Slagkrachtige stad, rubriek data. Stad Genk Publicatie Inkomens
De Algemene Directie Statistiek van de FOD Economie publiceerde de cijfers over het netto belastbaar inkomen van 2014 (aanslagjaar 2015). De cijfers zijn gebaseerd op de aangiften in de personenbelastingen.
5. Discussie. 5.1 Informatieve waarde van de basisgegevens
5. 5.1 Informatieve waarde van de basisgegevens Relevante conclusies voor het beleid zijn pas mogelijk als de basisgegevens waaruit de samengestelde indicator berekend werd voldoende recent zijn. In deze
Wonen: enkele cijfers
Wonen: enkele cijfers Uit het behoefteonderzoek van Verté (2006) kunnen we afleiden welke de problemen zijn die ouderen ervaren met betrekking tot hun woonst. Tabel I: Problemen met de woning PROBLEEM
een zeer lage prijs (bron FOD Economie). 1 De grote stijging zou te wijten zijn aan de verkoop van een zeer groot perceel/groot aantal percelen aan
De statistieken over de vastgoedprijzen zijn gebaseerd op gegevens afkomstig van het Kadaster van de FOD Financiën en betreffen de verkopen die onderworpen zijn aan het stelsel van registratierechten.
Resultaten voor België Psychische Gezondheid Gezondheidsenquête, België, 1997
6.2.1. Inleiding Binnen de verschillen factoren van risico gedrag heeft alcoholverbruik altijd al de aandacht getrokken van de verantwoordelijken voor Volksgezondheid. De WGO gebruikt de term "Ongeschiktheid
FACTS & FIGURES Bioscoopbezoek Mathijs De Baere
Inleiding Al begin 20ste eeuw opende de eerste bioscopen hun deuren in België en midden de jaren twintig van de 20 e eeuw telde België al meer dan 1000 bioscopen (Convents, 2007; Biltereyst & Meers, 2007)
NOTA Ouderen in Vlaams-Brabant bevraagd
STEUNPUNT SOCIALE PLANNING NOTA Ouderen in Vlaams-Brabant bevraagd www.vlaamsbrabant.be/socialeplanning 2 Voorwoord We worden met z'n allen steeds ouder en dat is goed nieuws. De seniorenpopulatie laat
Inleiding. Belgian Ageing Studies
1 Inhoud Inleiding... 3 1. Analyse van de respons... 4 2. Kenmerken van de respondenten... 5 2.1 Geslacht... 5 2.2 Leeftijd... 5 2.3 Huishoudtype... 6 2.4 Type woning... 6 3. Kwetsbaarheidsscore... 7 2.1
Lancering Vlaamse Migratie- en Integratiemonitor 2018 en survey Samenleven in Diversiteit 2017
PERSBERICHT - 8 mei 2018 Lancering Vlaamse Migratie- en Integratiemonitor 2018 en survey Samenleven in Diversiteit 2017 Het Agentschap Binnenlands Bestuur en Statistiek Vlaanderen publiceren vandaag de
De Genkse werkloosheidscijfers Toestand op
De Genkse werkloosheidscijfers Toestand op 31.03.2016 Genk telde eind maart 3.547niet-werkende werkzoekenden (NWWZ). Dat zijn er 526 of 12,9% minder dan in maart 2015. In Limburg was er een daling van
LOKAAL OUDERENBELEID WAT IS BELANGRIJK ALS LOKAAL BESTUUR?
LOKAAL OUDERENBELEID WAT IS BELANGRIJK ALS LOKAAL BESTUUR? WAT? Cijfers Aandachtspunten Wat kan je doen als lokaal bestuur? Regelgeving en initiatieven Project lokaal ouderenbeleid Cijfers Aantal 60-plussers
FinQ Monitor van financieel bewustzijn en financiële vaardigheden van Nederlanders. Auteurs Jorn Lingsma Lisa Jager
FinQ 2018 Monitor van financieel bewustzijn en financiële vaardigheden van Nederlanders Auteurs Jorn Lingsma Lisa Jager 14-1-2019 Projectnummer B3433 Achtergrond van de FinQ monitor Nederlanders in staat
Psychische kwetsbaarheid bij thuiswonende ouderen. dra. Lieve Hoeyberghs promotor: Prof. dr. Nico De Witte
Psychische kwetsbaarheid bij thuiswonende ouderen dra. Lieve Hoeyberghs promotor: Prof. dr. Nico De Witte Inhoud 1. Achtergrond 2. Psychische kwetsbaarheid: sociodemografisch profiel 3. Kwetsbaarheid i.d.
Evaluatie van het project Mantelluisteren academiejaar 2012-2013
Evaluatie van het project Mantelluisteren academiejaar 212-21 In academiejaar 212-21 namen 5 mantelzorgers en 5 studenten 1 ste bachelor verpleegkunde (Howest, Brugge) deel aan het project Mantelluisten.
Verhuisplannen en woonvoorkeuren
Verhuisplannen en woonvoorkeuren Burgerpeiling Woon- en Leefbaarheidsmonitor Eemsdelta 2015 Bevolkingsdaling ontstaat niet alleen door demografische ontwikkelingen, zoals ontgroening en vergrijzing of
Leefstijl en preventie
Leefstijl en preventie Wetenschap ten dienste van Volksgezondheid, Voedselveiligheid en Leefmilieu. . Inhoudstafel Inhoudstafel... 59 Bestudeerde indicatoren... 61 1. Voedingsgewoonten.... 61 3. Gebruik
Wie doet aan sport? Een korte analyse van sportparticipatie uit het Vlaams Tijdsbestedingsonderzoek 2013
Wie doet aan sport? Een korte analyse van sportparticipatie uit het Vlaams Tijdsbestedingsonderzoek 2013 Situering Onze maatschappij houdt ons graag een ideaalbeeld voor van een gezonde levensstijl, waarbij
VASTGOEDPRIJZEN 2010
UPDATE CIJFERS VASTGOEDPRIJZEN 2010 Bron: FOD Economie, Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie Verwerking: Stad Genk, Dienst Beleidsplanning De statistieken over de vastgoedprijzen zijn
