Jaarboek Actieve Cultuurparticipatie 2010

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Jaarboek Actieve Cultuurparticipatie 2010"

Transcriptie

1 Jaarboek Actieve Cultuurparticipatie 2010 Bijdragen over kennis en beleid Fonds voor Cultuurparticipatie

2 Jaarboek Actieve Cultuurparticipatie 2010 Bijdragen over kennis en beleid Redactie: Teunis IJdens, Marjo van Hoorn, Andries van den Broek, Tynke Hiemstra Fonds voor Cultuurparticipatie Utrecht, juni 2010

3 5 Voorwoord Jan Jaap Knol Voorwoord Voor u ligt de eerste editie van het jaarboek cultuurparticipatie. Hopelijk markeert dit boek de start van een nieuwe traditie om het debat over beleid, onderzoek en evaluatie op dit gebied duurzaam te te verbreden en te verdiepen. Welk doel staat ons met dit boek voor ogen? Het nieuwe Fonds voor Cultuurparticipatie, van start gegaan in 2009, is in de eerste plaats een stimuleringsfonds. We zijn er met onze instrumenten op gericht om mensen in Nederland, in al hun diversiteit, te stimuleren actief aan kunst en cultuur te doen. Maar we willen als fonds meer doen dan enkel subsidies beschikbaar stellen. In Nederland zijn vele organisaties en initiatieven actief op het terrein van cultuurparticipatie. Deze initiatieven worden in de eerste plaats gedragen door het enthousiasme, de energie en de bevlogenheid van miljoenen amateurs en vrijwilligers. Maar in de tweede plaats proberen ook koepelorganisaties, landelijke instellingen en de overheden met hun beleid de cultuurparticipatie aan te moedigen. Ze doen dat om een veelheid van redenen, variërend van het belang van individuele ontplooiing tot en met de belangrijke functie die aan kunst en cultuur wordt toegekend voor het onderlinge samenleven. Als fonds willen we graag een actieve rol vervullen bij de kennisvermeerdering op het gebied van cultuurparticipatie en zo komen tot meer inzicht en een effectiever beleid. Bij al het spreken en schrijven over monitoren en evalueren dreigt gemakkelijk uit zicht te raken waar het ten diepste bij kunst en cultuur om gaat: het plezier, het geluk, de ontspanning, de troost en de diepe zin die mensen ervaren bij het spelen van muziek, het maken van theater, het schilderen of tekenen, het schrijven of welke discipline iemand ook maar aantrekt. Die waarde van kunst is al ontelbare malen en door alle eeuwen heen in woorden uitgedrukt. Vaak is geschreven over het onzegbare en het sublieme in de kunst dat zich maar moeizaam verhoudt tot de prozaïsche wereld van meetbare doelen, indicatoren en resultaten.

4 6 Voorwoord Jan Jaap Knol 7 Voorwoord Jan Jaap Knol Hoezeer we als fonds ook die fundamentele betekenis van kunst en cultuur centraal stellen, toch willen we het debat over resultaten van beleid niet uit de weg gaan. De Nederlandse Nobelprijswinnaar Kamerlingh Onnes wordt vaak foutief geciteerd met de woorden meten is weten. Zijn lijfspreuk als natuurkundige luidde in werkelijkheid anders. Door meten tot weten staat er op het gedenkteken voor zijn voormalige laboratorium in Leiden. Dat is net iets anders. En natuurkundig onderzoek is een compleet ander domein dan dat van de cultuurpolitiek en overheidsbeleid. Toch is meten is weten een populair motto in de beleidswetenschap geworden, gecombineerd met theorievorming over evidence-based policy, een begrip uit de Angelsaksische traditie dat gemakshalve meestal maar onvertaald wordt gelaten. Als dit boek één ding laat zien, dan is het wel dat meten is weten niet automatisch opgaat bij het bepalen van de effecten op het terrein van cultuurparticipatie. Sceptici zijn nogal eens geneigd erop te wijzen dat al die inspanningen nauwelijks of zelfs helemaal niet zijn terug te zien in effecten op deelname. Het beleid op zijn beurt verwacht te grote wonderen. Wie geen enkel procent van de totale subsidie die omgaat in de cultuursector oormerkt voor programma s cultuurparticipatie, kan niet verwachten dat die inspanning zich één-op-één vertaalt in stijgende bezoekersstatistieken. Nog los van alle methodologische complicaties welk effect nu aan welke inspanning kan worden toegeschreven als er zoveel determinanten in het spel zijn als opleiding, achtergrond ouders en de beschikbaarheid van aanbod en tijd. Bij cultuurparticipatie gaat het altijd om veel meer dan enkel deelname. Niet alleen de tijd die iemand aan een kunstzinnige liefhebberij besteedt is relevant. Het gaat vanzelfsprekend ook om mogelijkheden voor scholing, om diversiteit van aanbod en voorzieningen, en om de kwaliteit van de kunstbeoefening, hoe ruim het cultuurbegrip tegenwoordig ook wordt opgevat. Moeten wetenschap en beleid dan maar afscheid van elkaar nemen? Natuurlijk niet. Er zijn juist in de laatste jaren mooie voorbeelden te vinden van een vruchtbare samenwerking. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een grote subsidie gegeven voor een grootschalig onderzoek onder leiding van Barend van Heusden (Rijksuniversiteit Groningen) naar de ontwikkeling van een theoretisch, inhoudelijk fundament voor een doorgaande leerlijn in cultuureducatie. Datzelfde ministerie plaatst dit onderzoek in het kader van een grotere kennisagenda waar ook andere universiteiten en kennisinstellingen bij betrokken zijn. Duidelijk is bovendien dat de bijdrage van de wetenschap niet verengd moet worden tot het aanleveren van statistische bewijzen, maar zich veel verder uitstrekt over de theorievorming en het debat over de rol van de overheid en het belang van participatie. In diezelfde lijn past in al zijn bescheidenheid deze uitgave van het Fonds voor Cultuurparticipatie. De bescheidenheid komt van twee kanten. Van de wetenschap die nog veel methodologische vragen heeft te overwinnen bij het meetbaar maken van effecten. Maar ook van de zijde van het beleid dat de vraag naar effecten niet moet willen omzeilen door uitsluitend te wijzen op het onzegbare. Van overheden en culturele instellingen mag ook als hogere, open doelen worden nagestreefd gevraagd worden om die doelen om te zetten in goede plannen met operationele doelstellingen. Niet alleen als middel ter verantwoording, maar ook omdat het simpelweg leidt tot resultaatgericht werken. Dit boek nodigt de lezer uit om deel te nemen aan deze wederzijdse zoektocht van wetenschap en beleid. Ik wens u veel leesplezier en hoop dat het boek beantwoordt aan zijn doel: meer inzicht en effectiever beleid. Jan Jaap Knol, Directeur Fonds voor Cultuurparticipatie

5 9 Inhoudsopgave Inhoudsopgave Voorwoord Jan Jaap Knol Redactionele verantwoording Teunis IJdens, Marjo van Hoorn, Andries van den Broek en Tynke Hiemstra Cultuurparticipatiebeleid: leren en verbeteren Teunis IJdens en Chrit van Rensen Afrekenen op dialoog Lieke Heijmans Volkscultuur publiek maken Over volkscultuur als voorwerp van cultuurbeleid Kees Vuyk Op zoek naar het goud Allies Swinnen De provinciale en gemeentelijke programma s cultuurparticipatie Sanne van den Hoek Zelf doen / Eigenheid Merlijn Twaalfhoven De kunst van het verbinden Karin Schaafsma

6 10 Inhoudsopgave 11 Inhoudsopgave Klassieke muziek? Yes! Katja Habraken-Brooijmans Kanttekeningen bij de monitoronderzoeken cultuureducatie Ton Bevers Altijd wat te bieden Ariëtte Kasbergen Kringen in de vijver Hoe meetbaar zijn maatschappelijke effecten van cultuurparticipatiebeleid? Quirijn van den Hoogen, Sophie Elkhuizen en Hans van Maanen Colofon 127 Amateurkunst tussen overheid en particulier initiatief: een marktanalyse Jan Ensink 150 Definitiediscussie Johan Idema 152 Een blik over de grens Vladimír Bína 164 Interculturele talentontwikkeling Saundra Williams 166 Gemeentelijk en provinciaal cultuurparticipatieonderzoek sinds 2005 Koen van Eijck 193 Tweerichtingsverkeer Hildegard Draaijer 195 Cultuurbereik: trends en beleid Andries van den Broek 208 Het water van Nederland gedronken Özkan Gölpinar

7 12 Landelijk- en decentraal beleid Amateurkunst, Cultuureducatie en Volkscultuur Paul Vogelzang 13 Redactionele verantwoording Teunis IJdens, Marjo van Hoorn, Andries van den Broek en Tynke Hiemstra Redactionele verantwoording Het Fonds voor Cultuurparticipatie hecht veel belang aan de monitoring en evaluatie van zijn beleid en van de programma s cultuurparticipatie van de provincies en gemeenten met wie het samenwerkt. Het fonds streeft ernaar om de evidence base van het cultuurparticipatiebeleid te versterken en het ziet monitoren en evalueren als een middel om te leren en verbeteren. Hierin heeft iedere partij die het nieuwe beleid voor actieve cultuurparticipatie ontwikkelt, vormgeeft en uitvoert zijn eigen verantwoordelijkheid. Op verschillende manieren en momenten, in opdracht van verschillende partijen, zal onderzoek worden gedaan naar diverse aspecten en onderdelen van cultuurparticipatiebeleid. Het fonds wil stimuleren dat informatie en kennis over en voor het beleid en de praktijk van actieve cultuurparticipatie worden gebundeld en gedeeld. Dit Jaarboek actieve cultuurparticipatie is daartoe een belangrijk middel. Rode draad is de relatie tussen kennis en beleid, in het bijzonder kennis die voortkomt uit en bijdraagt tot de monitoring en evaluatie van cultuurparticipatiebeleid. Het jaarboek wil informatie verschaffen, maar ook aanzetten tot reflectie en discussie over de relatie tussen kennis en beleid. Het fonds gaat die discussie niet uit de weg. Kritische analyse, reflectie en onderzoek dragen bij tot beter begrip van de reikwijdte en invloed van beleid en daardoor tot scherpere keuzes van doelen en middelen. Dat komt de kwaliteit van het cultuurparticipatiebeleid ten goede. Deze eerste editie van het Jaarboek actieve cultuurparticipatie bestaat uit tien langere bijdragen over beleid en onderzoek en negen columns of statements van auteurs uit de wereld van de kunst, erfgoed en media. De statements en columns staan in een los verband met de andere bijdragen. De eigen aard van beide

8 14 Redactionele verantwoording Teunis IJdens, Marjo van Hoorn, Andries van den Broek en Tynke Hiemstra 15 Redactionele verantwoording Teunis IJdens, Marjo van Hoorn, Andries van den Broek en Tynke Hiemstra soorten bijdragen komt in de vormgeving van het boek duidelijk tot uiting. Aan de auteurs van de columns en statements is nadrukkelijk gevraagd om hun eigen mening te geven over een bepaald onderwerp. De bijdragen over beleid en onderzoek variëren van informatieve bijdragen tot kritische beschouwingen. Ook in deze bijdragen kan een persoonlijke visie van de auteur naar voren komen: in de ene meer, in de andere minder. Waarmee meteen gezegd is dat het Fonds voor Cultuurparticipatie als uitgever wel verantwoordelijk is voor de totstandkoming van het jaarboek, maar dat het de operationele verantwoordelijkheid voor de inhoud van het jaarboek en de kwaliteit van de bijdragen in handen heeft gelegd van de redactie en de auteurs. In het volgende introduceren we de tien bijdragen over beleid en onderzoek één voor één. Chrit van Rensen en Teunis IJdens plaatsen de oprichting van het Fonds voor Cultuurparticipatie en de totstandkoming van de Regeling cultuurparticipatie provincies en gemeenten in de context van het cultuurparticipatiebeleid van de laatste decennia. Ze analyseren de verantwoordings- en afstemmingsrelaties tussen het fonds, het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de afzonderlijke provincies en gemeenten. Ze gaan na wat dat betekent voor de rolverdeling tussen deze partijen bij de monitoring en evaluatie van het nieuwe cultuurparticipatiebeleid. Tot slot zetten ze uiteen hoe het fonds kennisdeling en gezamenlijk onderzoek wil stimuleren. Met deze bijdrage bieden de auteurs een inhoudelijke inleiding en een referentiekader voor de volgende artikelen. Het nieuwe beleid voor actieve cultuurparticipatiebeleid, zoals dat via het fonds en de Regeling cultuurparticipatie provincies en gemeenten gestalte krijgt, omvat amateurkunst, cultuureducatie en de volkscultuur. Het laatste is een nieuw beleidsthema dat bij de lancering stof heeft doen opwaaien. Kees Vuyk neemt de dis- cussie in 2007 en 2008 als aanleiding voor een kritische beschouwing over de legitimatie van volkscultuurbeleid. Die ligt volgens hem niet in het bewaren en overdragen van nationale tradities en identiteiten, maar in het ondersteunen van sociale en culturele verandering via kunst en media. Na deze twee bijdragen over landelijke beleidsontwikkelingen gaan de volgende twee artikelen over de plannen en activiteiten van de twaalf provincies en 35 grote gemeenten die aan de Regeling cultuurparticipatie deelnemen. Sanne van den Hoek schetst hoofdlijnen van de plannen voor de decentrale programma s cultuurparticipatie die eind 2008 bij het Fonds voor Cultuurparticipatie werden ingediend. Karin Schaafsma zoomt vervolgens in op de manier waarop gemeenten en provincies succesvolle activiteiten in het kader van hun programma cultuurparticipatie proberen te verankeren. Hoe willen ze succesvolle activiteiten verankeren in het reguliere beleid en verbindingen leggen tussen cultuurparticipatiebeleid en andere beleidsterreinen? Cultuureducatie is één van de drie programmalijnen van het Fonds voor Cultuurparticipatie, naast amateurkunst en volkscultuur. Sinds 1997 zet de overheid via het programma Cultuur en School in op versterking en verankering van cultuureducatie in het onderwijs. Ton Bevers wijdt een kritische bespreking aan monitoronderzoeken naar cultuureducatie in het onderwijs. De onderzoeksopzet met steeds wisselende steekproeven bemoeilijkt de onderlinge vergelijkbaarheid en beperkt de bruikbaarheid van resultaten. De aandacht ging meer uit naar de implementatie dan naar de effecten van het ingezette beleid. Bevers pleit ervoor om vervolgonderzoek strakker te regisseren en om naast de beleidsmatige randvoorwaarden ook voldoende aandacht te besteden aan de inhoudelijke kern, namelijk de docent, het vak, de klas en de school. Het Fonds voor Cultuurparticipatie en de provincies en gemeenten die deelnemen aan de Regeling cultuurparticipatie willen

9 16 Redactionele verantwoording Teunis IJdens, Marjo van Hoorn, Andries van den Broek en Tynke Hiemstra 17 Redactionele verantwoording Teunis IJdens, Marjo van Hoorn, Andries van den Broek en Tynke Hiemstra bevorderen dat meer mensen actief aan cultuur doen en dat daar betere faciliteiten voor komen. Daarvoor is inzicht nodig in de huidige situatie. Wat doen mensen aan kunstbeoefening in de vrije tijd en waar doen ze dat? Hoeveel mensen doen individueel, op eigen houtje aan kunst in de vrije tijd, hoeveel in informeel verband, hoeveel in verenigingsverband en hoeveel via centra voor de kunsten? Jan Ensink zet in zijn bijdrage de beschikbare feiten en schattingen op een rij en becijfert het aandeel van de overheid in de financiering van voorzieningen voor amateurkunst. Hij pleit voor vernieuwingsprojecten waar bestaande organisaties bij betrokken worden om succesvolle vernieuwing te borgen. Het laatste blok van deze eerste editie van het jaarboek bestaat uit vier bijdragen over onderzoek naar cultuurparticipatie in relatie tot het overheidsbeleid. Vladimír Bína opent dit kwartet met een bespreking van beleidsgericht bevolkingsonderzoek naar het bereik van cultuur in verschillende landen van de Europese Unie. In hoeverre verschillen die landen qua niveau en aard van het bereik van cultuur van hun bevolking? Zijn er aanwijzingen dat die verschillen samenhangen met het specifieke cultuur- en participatiebeleid van deze landen? Er zitten veel haken en ogen aan de vergelijking van beschikbare gegevens. Bína verwacht dat door afstemming van cultuurstatistieken en cultuurparticipatieonderzoek op Europees niveau beter vergelijkbare gegevens beschikbaar komen. Om het effect van het beleid van die landen beter te kunnen evalueren zijn echter ook scherper geformuleerde en meetbare doelen nodig. Na de vergelijking tussen landen van Europa richt Koen van Eijck de blik op cultuurparticipatieonderzoek van Nederlandse gemeenten en provincies. Een aantal gemeenten en provincies heeft daarbij gebruik gemaakt van de Richtlijn Cultuurparticipatieonderzoek. Deze werd in 2001 ontwikkeld om resultaten van gemeentelijk onderzoek beter vergelijkbaar te maken, onder meer met het oog op de evaluatie van het Actieplan Cultuurbereik. Een systematische beschrijving van verschillen en overeenkomsten in het gebruik en de toepassing van de richtlijn leidt tot kritische conclusies over het streven om van onderop via afstemming van decentraal onderzoek tot landelijk vergelijkbare gegevens over cultuurparticipatie in provincies en gemeenten te komen. Van Eijck denkt dat men daarvoor beter aansluiting kan zoeken bij één landelijk onderzoeksinstrument: het vierjaarlijkse Aanvullend Voorzieningengebruik onderzoek (AVO) waar het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) de meeste van zijn rapporten over het bereik van cultuur op baseert. Gegevens over de AVO-peiljaren zijn in 2005 gebruikt voor een voorlopige analyse van het effect van het eerste Actieplan Cultuurbereik op cultuurparticipatie in Nederland. Het Actieplan had ten doel om het bereik van cultuur te vergroten en te verbreden. Die analyse leverde geen aanwijzingen op voor een effect op macroniveau. Dat was ook niet te verwachten, omdat het Actieplan pas een paar jaar op gang was. Inmiddels zijn ook gegevens over het peiljaar 2007 beschikbaar en kan er dus een analyse uitgevoerd worden over bijna de gehele Actieplanperiode Andries van den Broek schetst in zijn bijdrage eerst de trends in het bereik van musea, podiumkunsten en kunstbeoefening in de vrije tijd tussen 1995 en Daarna volgt een nieuwe analyse van het verband tussen deze trends en het Actieplan Cultuurbereik. Van cultuurbeleid worden niet alleen effecten op het bereik en de spreiding van cultuur verwacht, maar ook verder reikende sociale effecten. Actieve cultuurparticipatie draagt volgens beleidsmakers en bestuurders bij aan de communicatieve en sociale vaardigheden van deelnemers, aan burgerschap, sociale cohesie en aan de leefbaarheid van wijken. Welke redenering zit er achter die verwachtingen? Zijn zulke effecten meetbaar? Dat zijn de vragen die Quirijn van den Hoogen, Sophie Elkhuizen en Hans van Maanen zich stellen in de laatste bijdrage aan dit jaarboek. Ze bespreken de stand van zaken in het onderzoek naar

10 18 Redactionele verantwoording Teunis IJdens, Marjo van Hoorn, Andries van den Broek en Tynke Hiemstra 19 Landelijk- en decentraal beleid Amateurkunst, Cultuureducatie en Volkscultuur Paul Vogelzang sociale effecten van cultuur, cultuurparticipatie en cultuurbeleid. Ze presenteren tot slot een integraal model voor onderzoek naar effecten van cultuurparticipatiebeleid. In deze eerste editie van het jaarboek ligt de nadruk op beleid en onderzoek. Katja Habraken-Brooijmans, Hildegard Draaijer, Lieke Heijmans, Johan Idema, Özkan Gölpinar, Ariëtte Kasbergen, Alies Swinnen, Merlijn Twaalfhoven en Saundra Williams zorgen in hun columns en statements voor enig tegenwicht vanuit de praktijk van kunst, cultureel erfgoed en actieve cultuurparticipatie. Zij geven aan wat hen bezielt of dwars zit en wat er moet gebeuren op het gebied van talentontwikkeling, samenwerking tussen amateurs en professionals, wereldkunst en kunstwereld, kunst in de wijken en het bevorderen van de actieve belangstelling van jongeren voor klassieke muziek. Ze gaan ook in op de vraag welke taak daarbij is weggelegd voor het Fonds voor Cultuurparticipatie en voor provincies en gemeenten en aan welke criteria het succes van het beleid over een paar jaar is af te meten. De tellende lezer zal inmiddels opgemerkt hebben dat de auteurs van de bijdragen over beleid en onderzoek op drie na mannen zijn. Deze scheve verhouding is enigszins gecompenseerd door de statements en columns op drie na door vrouwen te laten schrijven. De redactie neemt zich voor om de verhouding in de volgende editie van het jaarboek om te draaien. Dat geldt ook voor het aandeel van beleid en praktijk. De volgende editie zal hoofdzakelijk gewijd zijn aan de praktijk van actieve cultuurparticipatie: wat deelnemers en culturele instellingen eraan en ermee doen en hoe ze daarin worden ondersteund door het Fonds voor Cultuurparticipatie en door provincies en gemeenten. De redactie Teunis IJdens, Marjo van Hoorn, Andries van den Broek en Tynke Hiemstra

11 21 Cultuurparticipatiebeleid: leren en verbeteren Teunis IJdens en Chrit van Rensen Cultuurparticipatiebeleid: leren en verbeteren Teunis IJdens en Chrit van Rensen Inleiding Het bevorderen van cultuurspreiding, cultuurbereik, cultuurparticipatie by any name is een van de hoofddoelen van het cultuurbeleid van de overheid. Het is een vast bestanddeel van de kunst- en cultuurbeleidsnota s die sinds de jaren zeventig met enige regelmaat door ministers, staatssecretarissen, gedeputeerden en wethouders aan de volksvertegenwoordiging zijn aangeboden. Het cultuurparticipatiebeleid kreeg echter ook telkens nieuwe cultuurpolitieke en beleidsaccenten. De instelling van het Fonds voor Cultuurparticipatie in 2008 bevestigt de continuïteit van het overheidsbeleid voor wat betreft het belang dat daarin aan cultuurparticipatie wordt toegekend. Maar het markeert ook een verandering. Zo wordt de nationale beleidsaandacht met de instelling van het fonds meer toegespitst op het stimuleren van actieve cultuurparticipatie in plaats van het bevorderen van cultuurbereik in het algemeen tijdens het Actieplan Cultuurbereik ( ). Tegelijkertijd kreeg de financiële relatie tussen rijksoverheid en provincies en gemeenten een andere vorm: de brede doeluitkering cultuurbereik aan provincies en grote gemeenten tijdens het Actieplan werd vervangen door de decentralisatieuitkering cultuurparticipatie. In deze bijdrage plaatsen we de oprichting en het beleid van het Fonds voor Cultuurparticipatie in de context van het cultuurparticipatiebeleid van de overheid. We gaan nader in op de verantwoordings- en afstemmingsrelaties tussen het fonds en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de afzonderlijke provincies en gemeenten die de decentralisatie-uitkering ontvangen. En we laten zien wat die relaties betekenen voor de monitoring en evaluatie van het nieuwe cultuurparticipatiebeleid. Deze bijdrage biedt hiermee een referentiekader voor de bijdragen die volgen. Vier vraagstukken van cultuurparticipatiebeleid De overheid en dat geldt ook voor het Fonds voor Cultuurparticipatie stuit bij het ontwikkelen, uitvoeren en evalueren van cultuurparticipatiebeleid op vier belangrijke vraagstukken. Het eerste vraagstuk betreft de legitimatie van cultuurparticipatiebeleid: waarom bemoeit de overheid zich ermee? Het tweede vraagstuk is de afbakening van het beleidsterrein: wat valt onder cultuur en welke participatie wordt bedoeld? De reikwijdte van het cultuurparticipatiebeleid van de overheid is de derde kwestie: hoe oefent de overheid invloed uit en tot waar reikt die invloed? Het vierde en laatste vraagstuk betreft de verantwoording, monitoring en evaluatie van het beleid: wie wil wat weten en meten om te kunnen beoordelen of het beleid juist wordt uitgevoerd en of het effectief en doelmatig is?

12 22 Cultuurparticipatiebeleid: leren en verbeteren Teunis IJdens en Chrit van Rensen 23 Cultuurparticipatiebeleid: leren en verbeteren Teunis IJdens en Chrit van Rensen 1. Bevers, T. (1987). Particulier initiatief en cultuur. Sociologisch Tijdschrift, 14(2), Bevers, T. (1990). Cultuurparticipatie: balans van beleid en onderzoek. Kunsten & Educatie, 3(1), Waarom cultuurparticipatiebeleid? Culturele activiteiten, van kunst tot volkscultuur en van muziekles tot dweilorkest, komen grotendeels tot stand zonder dat de overheid er iets aan hoeft te doen. Mensen doen vanuit zichzelf aan cultuur, in hun eentje of samen met anderen, en zolang mensen weten waar ze het moeten zoeken en er voldoende voor willen en kunnen betalen, voorziet de markt in culturele behoeften. Toch stelt de overheid zich ten doel om de cultuurparticipatie van burgers te stimuleren door drempels weg te nemen en door positieve prikkels. Waarom? We onderscheiden drie hoofdmotieven met dezelfde onderliggende cultuurpolitieke premisse: cultuurparticipatie is belangrijk en moet door de overheid worden bevorderd. Het eerste motief betreft de toegankelijkheid van culturele voorzieningen. Deze, veelal ontsproten aan particulier initiatief zonder winstoogmerk, worden gesubsidieerd om ze als waardevol aanbod in stand te houden. 1 Zonder subsidie zou dit hoogwaardige aanbod wegvallen. De reden voor de verstatelijking van culturele voorzieningen lag aanvankelijk dus in de bijzondere culturele waarde die eraan werd toegekend en die rechtvaardigde om ze in stand te houden met overheidssteun. Aan die steun wordt wel een voorwaarde verbonden: het mag niet zo zijn dat hoogwaardige culturele voorzieningen gereserveerd blijven voor een beperkt publiek van verklaarde liefhebbers, kenners, en ingewijden. Als een culturele voorziening van overheidswege wordt gesubsidieerd, dan dient deze instelling zich tot het uiterste in te spannen om toegankelijk te zijn voor alle burgers. Toegankelijkheid bevorderen is te beschouwen als motief ex negativo: het mag niet zo zijn dat burgers om welke reden dan ook worden uitgesloten van het gebruik en genot van cultuuruitingen. Er is ook een positief motief om cultuurparticipatie te bevorderen: verheffing. Mensen moeten in aanraking gebracht worden met kunst en cultuur omdat ze daar beter van worden. Kunst en cultuur verheffen de mens, brengen beschaving en verhogen de kwaliteit van het leven. Dit motief had tot de jaren vijftig van de vorige eeuw nog een sterk moralistische en paternalistische inslag. Beschaving door kunst en cultuur werd afgezet tegen het minderwaardige vermaak dat werd geboden door de populaire massacultuur. Sinds de jaren zestig democratiseerde het cultuurbegrip en ging men steeds meer uit van het idee dat iedereen recht heeft op zijn eigen cultuur en dat cultuuruitingen gelijkwaardig zijn. 2 Kwaliteit werd het doorslaggevende criterium om de ontwikkeling en instandhouding van culturele voorzieningen te subsidiëren. Het motief blijft echter in wezen hetzelfde: kunst en cultuur in brede zin dragen bij aan de kwaliteit van het leven en de overheid moet zich daarom inspannen zoveel mogelijk mensen in aanraking te brengen met cultuur. Het derde motief om cultuurparticipatie te bevorderen is, dat kunst en cultuur niet alleen intrinsieke waarde bezitten, maar dat deelname aan culturele activiteiten ook van maatschappelijke betekenis is en verder strekkende sociale of economische doelen dient. Dit motief heeft het afgelopen decennium opnieuw sterk aan kracht gewonnen. Het klinkt ook door in het coalitieakkoord van het kabinet 3. Zie bijvoorbeeld de bijdrage van Kees Vuyk in dit jaarboek over de legitimatie van volkscultuurbeleid. 4. Zie het tijdschrift Boekman 65 (winter 2005), een nummer dat geheel gewijd is aan het debat over vervagende en blijvende grenzen tussen hoge en lage cultuur. 5. Zie de columns van Lieke Heijmans en Johan Idema in dit jaarboek voor een reflectie op het begrip cultuurparticipatie. Balkenende IV: Cultuurbeleid draagt bij aan sociale samenhang en een vitale economie. Een rijk cultureel leven is bron van creativiteit en versterkt het internationaal vestigingsklimaat en het is essentieel voor trots en gemeenschapsgevoel in de samenleving. Ook nu, onder minder gunstige economische omstandigheden, wordt cultuurparticipatiebeleid naar voren gehaald als middel om identiteit en sociale samenhang in een multiculturele en individualiserende samenleving te bevorderen. 3 Welke cultuur? Het tweede vraagstuk, de afbakening van het beleidsterrein, is tweeledig: het gaat over de cultuuruitingen waar het beleid zich op richt en de vormen van participatie die worden bedoeld. Het probleem is hier dat het exclusieve cultuur- en kwaliteitsbegrip dat een normatieve basis verschafte aan het kunst- en cultuurbeleid toen OCW nog Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen heette, in de tweede helft van de vorige eeuw gaandeweg heeft plaatsgemaakt voor een breed cultuurbegrip, waarin geen normatief onderscheid meer wordt gemaakt tussen hogere en lagere (waardevolle en minder waardevolle) cultuur. 4 Het gaat er hier niet om of men het daar mee eens of oneens is, maar om de feitelijke gevolgen van het wegvallen van de normatieve drempel voor de legitimatie van beleidskeuzes en subsidiebeslissingen. Als alle cultuuruitingen in principe aanspraak maken op waardering en erkenning, wat zijn dan de criteria voor de selectie van subsidiabele uitingen en voor de verdeling van subsidies? De verscheidenheid van cultuuruitingen neemt alleen maar toe. Lopen overwegingen van verscheidenheid en kwaliteit leidende beginselen van cultuurbeleid dan op zeker moment niet stuk op de schaarste van beschikbare financiële middelen? Maatschappelijke participatie is de laatste jaren een politiek sleutelbegrip geworden. Door mee te doen en mee te werken in alle levenssferen arbeid, onderwijs, sociaal én cultureel ontwikkelen mensen zich tot volwaardig burger van de Nederlandse samenleving. We hoeven hier niet verder in te gaan op de politieke betekenis van het thema participatie. Cultuurparticipatie en het begrip cultureel burgerschap passen volledig in het participatiediscours. Het onderscheid tussen vormen van cultuurparticipatie is een specifieke kwestie die hier wel aandacht verdient. Het is gebruikelijk om te spreken van twee vormen van cultuurparticipatie: receptief (ook wel passief) en actief. Onder het eerste wordt het bezoek aan voorstellingen, concerten, tentoonstellingen, films en het bezichtigen van monumenten en dergelijke verstaan. Actieve cultuurparticipatie betekent dat mensen in de vrije tijd zelf kunstzinnige of culturele activiteiten ontplooien. 5 Reikwijdte en invloed van beleid Het derde vraagstuk is dat overheden in hun ambitie om cultuurparticipatie te bevorderen wel eens over het hoofd zien dat hun feitelijke invloed beperkt is. Visie en ambities reiken dikwijls veel verder dan het sturend vermogen. Dat betekent dat overheden hun beleid wel een zekere richting kunnen geven (de doelen waarop hun beleid gericht is), maar niet in staat zijn alle factoren te controleren die bepalen of gestelde doelen bereikt worden.

13 24 Cultuurparticipatiebeleid: leren en verbeteren Teunis IJdens en Chrit van Rensen 25 Cultuurparticipatiebeleid: leren en verbeteren Teunis IJdens en Chrit van Rensen 6. Zie de poging van Andries van den Broek in dit jaarboek om een effect van het Actieplan Cultuurbereik te achterhalen. Zo kan de rijksoverheid slechts in beperkte mate invloed uitoefenen op het gedrag van culturele instellingen omdat zij maar een heel klein deel daarvan subsidieert. Daarnaast is die invloed op zichzelf aan regels gebonden en dus ook al beperkt. Het rijk subsidieert de kunstinstellingen bijna uitsluitend aan de aanbodkant: gezelschappen, orkesten, ensembles en dergelijke. De afname hier bedoelen we de plekken waar het publiek in aanraking komt met het aanbod, denk aan de concertzalen en theaters wordt bijna helemaal gesubsidieerd door de gemeenten. Beide soorten instellingen zijn in hoge mate autonoom in wat ze maken en programmeren. Minstens zo belangrijk is, dat zij ook weinig invloed heeft op de culturele voorkeuren en het culturele gedrag van burgers. Zelfs al zou de overheid burgers willen stimuleren om vooral aan hoogwaardige cultuuruitingen te participeren een toon die blijft hangen in weerwil van het brede cultuurbegrip dan nog heeft zij te maken met mondige burgers die zelf wel uitmaken wat ze goed vinden en wat goed voor ze is. Kennis over de werking en effecten van beleid Het vierde vraagstuk, hoe werkt cultuurparticipatiebeleid en hoe weten we of het werkt, betreft de evidence base van cultuurparticipatiebeleid. Dat is een meervoudig probleem. Ten eerste omdat doelstellingen voor het bereik van cultuur weliswaar richtinggevend zijn voor het beleid, maar zelden vertaald worden in meetbare effecten die binnen een bepaalde termijn gerealiseerd moeten worden. Dit is een probleem van de politiek en het beleid: politieke en beleidsdoelstellingen brengen vooral tot uitdrukking waar men waarde aan hecht en wat men belangrijk vindt en bevatten zelden criteria waaraan feitelijke uitkomsten van het beleid zijn af te meten. Het is ook een probleem omdat het niet eenvoudig is het effect van stimuleringsbeleid zelfs al zou dit specifiek en meetbaar geformuleerd zijn te isoleren van de invloed van andere factoren. Bij gebrek aan stelselmatig onderzoek en gezien de uitkomsten van het schaarse onderzoek dat wel is gedaan, zijn er tot op heden geen harde bewijzen voor positieve, substantiële en duurzame effecten van dat beleid op de cultuurparticipatie van kinderen, jongeren en volwassenen. 6 Louter en alleen uit het oogpunt van onderzoek naar de effectiviteit van cultuurparticipatiebeleid zou het interessant zijn als een paar gemeenten zouden besluiten om helemaal geen concertgebouwen, theaters, filmhuizen, musea en centra voor de kunsten meer te bekostigen. Hoeveel bezoekers en deelnemers zouden niet meer komen als de toegangsprijzen drastisch stijgen omdat die voorzieningen dan volledig kostendekkend moeten zijn? Zouden inwoners hun culturele heil voor een dagje of avondje uit of voor een cursus in een andere gemeente zoeken die wel blijft betalen voor culturele voorzieningen? Dit is uiteraard alleen een gedachte-experiment, geen realistische casus. Het Actieplan Cultuurbereik Naast het generieke beleid om culturele voorzieningen betaalbaar te houden voor burgers, treft de overheid steeds weer specifieke maatregelen om cultuurparticipatie te bevorderen. Het Actieplan Cultuurbereik dat in 2001 van start ging bundelde een aantal landelijke beleidsmaatregelen ter bevordering van het bereik van cultuur in één overkoepelend programma. Bovendien ging de rijksoverheid in het Actieplan 7. Ploeg, R. van der (1999). Cultuur als confrontatie. Uitgangspunten voor het cultuurbeleid Den Haag: SDU. 8. Ministerie van OCW, VNG & IPO (2000). Bestuurlijke afspraken tussen IPO, VNG, en OCW over stedelijke en provinciale programma s cultuurbereik Utrecht. 9. In twee beleidsdocumenten: de Uitgangspuntenbrief cultuur van 1 juli 2003 (ACB/03/33403) en Meer dan de som. Beleidsbrief cultuur , van 3 november 2003 (TK , nr. 1). met provincies en met de dertig grootste gemeenten samenwerken om het bereik van cultuur te vergroten en te verbreden. Het Fonds voor Cultuurparticipatie en de decentralisatie-uitkering cultuurparticipatie zijn te beschouwen als een voortzetting van het Actieplan Cultuurbereik. Daarom geven we in het volgende de hoofdlijnen van het Actieplan weer. Het eerste Actieplan Cultuurbereik Het Actieplan Cultuurbereik vormde een belangrijk onderdeel van Cultuur als confrontatie, de uitgangspuntennota van staatssecretaris Van der Ploeg (regering-kok II) voor het cultuurbeleid De nota stelde een kritische diagnose van de staat van de gevestigde cultuur in de hedendaagse samenleving. 7 Het kan niet worden verhuld dat tegenover [de] grote verscheidenheid aan gesubsidieerd cultuuraanbod een opvallend homogeen samengestelde vraag staat. Het publiek dat gebruik maakt van het gesubsidieerde cultuuraanbod bestaat voor het overgrote deel uit goed opgeleiden en gesitueerden in de middelbare leeftijdsklasse. Gesubsidieerde culturele instellingen doen te weinig om nieuw publiek onder jongeren en allochtonen te vormen en ze zijn te weinig ondernemend in de brede betekenis van dat woord. Het draagvlak voor cultuursubsidies wordt hierdoor te smal. Doelstelling van het Actieplan Cultuurbereik was het vergroten van het cultuurbereik door meer en ander aanbod te creëren voor nieuw en ander publiek. Het Actieplan bestond uit een centraal deel en een decentraal deel. Het centrale deel omvatte een aantal die direct door OCW werden ingezet. Het decentrale deel van het Actieplan werd aangepakt in samenwerking met de provincies en dertig gemeenten met meer dan inwoners. Afspraken over gezamenlijke doelen en procedures werden door OCW, IPO en VNG vastgelegd in een beleidskader. 8 De provincies en gemeenten ontvingen jaarlijks een specifieke doeluitkering van het rijk van ongeveer 30 miljoen euro als financiële impuls voor hun cultuurparticipatiebeleid. Het betrof drie geoormerkte geldstromen voor cultuurbereik, cultuur en school en beeldende kunst en vormgeving. De decentrale overheden droegen uit eigen middelen ongeveer 15 miljoen euro bij aan de eerste twee onderdelen van het Actieplan. De doeluitkering kende OCW toe op basis van een vierjarig programma cultuurbereik gericht op publieksverbreding door middel van kwalitatieve, innovatieve en cultureel gedifferentieerde programmering. Staatssecretaris Van der Laan van OCW, die in mei 2003 aantrad met de regering-balkenende II, nam afstand van het beleid van haar voorganger. 9 Het is tijd voor een nieuwe benadering van cultuur. Het klassieke ideaal van cultuurspreiding werd de laatste jaren volgens de nieuwe staatsecretaris steeds meer opgevat als pleidooi voor de vermaatschappelijking van de cultuur. Zo is het beeld ontstaan dat de cultuursector moet worden ingezet om maatschappelijke vraagstukken op het gebied van integratie en emancipatie op te lossen. In plaats daarvan kiest het nieuwe kabinet voor een omgekeerde redenering. Niet het maatschappelijk bewustzijn in de cultuur, maar het culturele bewustzijn in de maatschappij moet worden vergroot. De overheid moet

14 26 Cultuurparticipatiebeleid: leren en verbeteren Teunis IJdens en Chrit van Rensen 27 Cultuurparticipatiebeleid: leren en verbeteren Teunis IJdens en Chrit van Rensen 10. Ministerie van OCW (2005). Actieplan Cultuurbereik Informatie voor gemeenten en provincies. Den Haag: Ministerie van OCW. 11. Commissie Cultuurbereik (2007). Van stolling naar stroming. Rapport Commissie Cultuurbereik. Den Haag: Ministerie van OCW/IPO/VNG. het culturele leven niet willen aansturen, maar de culturele factor in het maatschappelijk leven versterken. Want een bloeiende cultuur draagt bij aan het creatief en innovatief vermogen van de samenleving, de ondernemingszin, het aanzien van ons land, en heeft ook een samenbindend vermogen. Het is dan ook van belang dat zoveel mogelijk mensen kennis kunnen maken met en deel kunnen nemen aan cultuur. Het tweede Actieplan Cultuurbereik Ondanks het veranderde politieke klimaat werd het Actieplan in 2005 voortgezet voor nog eens vier jaar, nu met het doel om het cultureel bewustzijn van burgers te versterken door het vergroten van zowel het publieksbereik als de actieve participatie in kunst en cultuur. Gemeenten en provincies kregen binnen het beleidskader dat opnieuw centraal werd vastgesteld door OCW in overleg met IPO en VNG meer ruimte om eigen keuzes te maken. 10 De afzonderlijke uitkeringen cultuurbereik en cultuur en school uit de periode werden gebundeld tot één brede doeluitkering cultuurbereik. Aan gemeenten en provincies werd in het beleidskader wel gevraagd om in hun plannen speciaal aandacht te geven aan cultuureducatie, omdat dit een probaat middel blijft om cultuurbereik te vergroten. De geldstroom beeldende kunst en vormgeving werd buiten het Actieplan gecontinueerd als afzonderlijke doeluitkering aan gemeenten. Voor de brede doeluitkering cultuurbereik bleef hetzelfde budget beschikbaar als voor de onderdelen cultuurbereik en cultuur en school van het eerste Actieplan. Naar een fonds voor actieve cultuurparticipatie Op het Ministerie van OCW en bij het IPO en de VNG begon men al vroeg na te denken over de wijze waarop de bestuurlijke en financiële samenwerking tussen de drie overheidslagen na het tweede Actieplan voortgezet zou kunnen worden. Dát die samenwerking tussen de overheden voortzetting verdiende, daar waren de partijen het wel over eens. Zo adviseerde de Commissie Cultuurbereik in maart 2007 in haar visitatierapport om een voortzetting van het Actieplan Cultuurbereik na te streven en daar een substantieel bedrag voor te reserveren. 11 De visitatie werd uitgevoerd in opdracht van de Regiegroep van het Actieplan, bestaande uit vertegenwoordigers van OCW, IPO en VNG. In september 2008 kwamen het Fonds voor Cultuurparticipatie en de decentralisatie-uitkering cultuurparticipatie als antwoord op de vraag hoe het Actieplan Cultuurbereik inclusief de samenwerking tussen rijk en andere overheden voortgezet kon worden. Dit dubbelbesluit berust op een mix van cultuurpolitieke (inhoudelijke), bestuurlijke en financiële overwegingen. Nieuwe cultuurpolitieke accenten In 2006, nog middenin het tweede Actieplan, legden de Tweede Kamer en de Raad voor Cultuur nieuwe cultuurpolitieke accenten. Bij de begrotingsbehandeling in oktober 2006 nam de Tweede Kamer een motie aan van het Kamerlid Van Vroonhoven (CDA). De minister van OCW werd daarin opgeroepen om een nationaal actieprogramma te ontwikkelen voor de versterking van de amateurkunst, met flankerend 12. Vroonhoven-Kok, N. (2006). Motie van het lid van Vroonhoven-Kok. (Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar ). Den Haag: SDU. 13. Raad voor Cultuur (2007). Innoveren, participeren! Advies agenda cultuurbeleid & culturele basisinfrastructuur. Den Haag: Raad voor Cultuur. 14. CDA, PvdA & ChristenUnie (2007). Coalitieakkoord tussen de Tweede Kamerfracties van CDA, PvdA en ChristenUnie. Den Haag: SDU. 15. Plasterk, R. H. A. (2007). Kunst van leven. Hoofdlijnen cultuurbeleid. Den Haag: Ministerie van OCW. beleid voor de stimulering van jeugd en de rol van vrijwilligers. 12 De Raad voor Cultuur droeg in zijn advies Innoveren, participeren! 13 bij aan de cultuurpolitieke discussie en stelde het begrip cultureel burgerschap centraal. Cultuur is volgens de raad onmisbaar als bron van onderlinge binding en zingeving. Burgers hebben een zekere culturele bagage nodig om volwaardig aan de samenleving te kunnen deelnemen. Vooral amateurkunst en cultuureducatie dragen bij aan de persoonlijke ontwikkeling van burgers, aan een actief burgerschap, aan sociale cohesie en aan het gevoel van nationale identiteit. De raad adviseert de minister om de samenhang tussen amateurkunst en cultuureducatie te versterken, vernieuwing te stimuleren en extra te investeren in buitenschoolse kunsteducatie en stelt voor om daar een apart fonds voor in te stellen. Bestaande subsidieregelingen voor amateurkunst en cultuureducatie bij andere fondsen moeten daarin worden opgenomen. In maart 2007 trad het kabinet Balkenende IV aan, in dezelfde maand dat de Raad voor Cultuur zijn advies uitbracht en de Commissie Cultuurbereik haar visitatierapport. De nieuwe regering formuleerde stevige ambities voor cultuurparticipatie. Cultuur is essentieel voor trots en gemeenschapsgevoel in de samenleving en daarom is het van belang om in ons Koninkrijk een divers kunstaanbod te hebben en een divers publiek te bereiken. De regering zal cultuurparticipatie daarom actief stimuleren en speciaal aandacht besteden aan de vraag hoe een breder en meer divers publiek, waaronder jongeren en allochtonen, in aanraking kan komen met het cultuuraanbod, in het bijzonder musea. Cultuureducatie houdt een prominente plaats in het onderwijs- en kunstbeleid en amateurkunst en volkscultuur zullen worden gestimuleerd. 14 Minister Plasterk van OCW werkte de ambities van de nieuwe regering uit in de hoofdlijnennotitie voor het cultuurbeleid Kunst van Leven (juli 2007). Prioriteiten en beleidsvoornemens voor cultuurparticipatie worden in een tienpuntenplan uiteengezet. 15 Plasterk volgde de wens van de Kamer om de amateurkunst een duidelijk herkenbare positie te geven en liet zich daarbij leiden door de overtuiging dat het wenselijk is een verbinding aan te brengen tussen de taken op het gebied van amateurkunst en die rond cultuureducatie. Een zelfstandig fonds voor amateurkunst, cultuureducatie en volkscultuur De minister nam ook het advies van de Raad voor Cultuur over om een zelfstandig fonds voor cultuureducatie en amateurkunst in het leven te roepen. Het fonds wordt één van de belangrijkste instrumenten om de cultuurparticipatie te vergroten en zal zich moeten richten op stimuleren van cultureel burgerschap, van actieve deelname van cultureel diverse groepen en van sociale cohesie. In Kunst van leven kreeg het nieuwe fonds vier taken toebedeeld. Ten eerste moet het een vervolg geven aan het Actieplan Cultuurbereik. In de tweede plaats zal het de meerjarige subsidies voor instellingen voor cultuurparticipatie overnemen en zo nodig herzien. Ten derde moet het fonds ook de regeling amateurkunst en de regeling cultuureducatie, die respectievelijk door het voormalige Fonds voor Amateurkunst en Podiumkunsten en door dit fonds samen met de Mondriaan Stichting werden

15 28 Cultuurparticipatiebeleid: leren en verbeteren Teunis IJdens en Chrit van Rensen 29 Cultuurparticipatiebeleid: leren en verbeteren Teunis IJdens en Chrit van Rensen 16. Brief d.d. 13 november 2007 van minister Plasterk aan de Tweede Kamer over het Programmafonds cultuurparticipatie: DK/CS/2007/ Dijkstra, J. (2008). Programmafonds Cultuurparticipatie: een basismodel: 29 januari Plasterk, R. H. A. (2008). Bestuurlijke afspraken OCW, IPO en VNG over het Programmafonds Cultuurparticipatie. Den Haag: SDU. (Cultuurnota ). Brief aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal, 15 april uitgevoerd, overnemen en zo nodig herzien. Behalve een vervolg op bestaande regelingen en bestaand beleid moet het nieuwe fonds tenslotte ook nadrukkelijk een start van nieuw stimuleringsbeleid zijn. Daarbij gaat het niet alleen om meer, maar ook om beter. De minister constateert dat de andere overheden grote waarde hechten aan een gezamenlijke aanpak en wil de gemeenten en provincies nadrukkelijk betrekken bij de ontwikkeling van het nieuwe fonds. Het fonds wordt daarmee samen met de rijksoverheid en met de gemeenten en provincies verantwoordelijk voor een samenhangend en integraal beleid voor actieve cultuurparticipatie. In november 2007 doet de minister in een brief aan de Tweede Kamer nadere mededelingen over het op te richten fonds. Het Fonds voor Cultuurparticipatie is de opvolger van het Actieplan Cultuurbereik, maar zal zich speciaal richten op cultuureducatie, amateurkunst en volkscultuur. Binnen het fonds worden regelingen op het gebied van amateurkunst en cultuureducatie en de samenwerking tussen gemeenten, provincies en rijk onder één regie geplaatst waardoor de samenhang en effectiviteit worden vergroot. 16 Hoofdlijnen van het nieuwe fonds Jaap Dijkstra, ex-gedeputeerde van Overijssel, kreeg de opdracht om het nieuwe fonds op te zetten. In diens advies van eind januari werden de inhoudelijke uitgangspunten en organisatorische hoofdlijnen van het fonds vastgelegd. Het beleidsplan van het Fonds voor Cultuurparticipatie dat in maart 2009 verscheen, is hier grotendeels op gebaseerd. De missie van het nieuwe fonds is, aldus het advies, om iedere Nederlander, te beginnen bij jongeren, actief in aanraking te brengen met cultuur. Daarbij wordt ingezet op drie programmalijnen, te weten amateurkunst, cultuureducatie en volkscultuur. Vernieuwing, diversiteit en verankering zijn thema s die deze lijnen doorsnijden. Fonds, rijksoverheid en decentrale overheden hebben volgens het advies van de kwartiermaker een gezamenlijke verantwoordelijkheid en hun samenwerking dient gebaseerd te zijn op een gemeenschappelijke visie: voor wie doen we het, wat willen we bereiken, waar staan we over bijvoorbeeld vier jaar? De secretarissen van het fonds krijgen een belangrijke rol in de samenwerking met provincies en gemeenten. Het is de bedoeling dat zij vooral investeren in het voortraject van de aanvragen die provincies en gemeenten bij het fonds zullen indienen voor de matchingsregeling die in de plaats komt van het Actieplan Cultuurbereik. Die aanvragen zullen daardoor eenvoudiger kunnen worden afgehandeld. De secretarissen zullen ook daarna contact met gemeenten en provincies onderhouden en de voortgang van de decentrale programma s monitoren. Ze zijn tevens medeverantwoordelijk voor het bewaken van de samenhang tussen het beleid van het fonds en de decentrale programma s en vervullen daarin een proactieve rol. Bestuurlijke afspraken In april 2008 voerden OCW, IPO en VNG bestuurlijk overleg over de oprichting van het fonds. Ze namen het advies van de kwartiermaker aangaande de missie, doelstellingen, programmalijnen, doorsnijdende thema s en de organisatie van het fonds over en legden een aantal afspraken vast. 18 De Bestuurlijke afspraken bevatten ook nader uitgewerkte definities van amateurkunst, cultuureducatie en volkscultuur, gebaseerd op adviezen van Kunstfactor (amateurkunst), Cultuurnetwerk Nederland (cultuureducatie) en het Meertens Instituut (volkscultuur). Amateurkunst is het actief beoefenen van kunst, uit passie, liefhebberij of engagement, zonder daarmee primair in het levensonderhoud te willen voorzien. Cultuureducatie is de verzamelnaam voor kunsteducatie, erfgoededucatie en media-educatie. Cultuureducatie is leren over, door en met cultuur. Ook het leren beoordelen, genieten en zelf beoefenen van kunst binnen- en buitenschools hoort daarbij. Volkscultuur is het geheel van cultuuruitingen die als wezenlijk worden ervaren voor specifieke groepen, steeds onder verwijzing naar traditie, verleden en nationale, regionale of lokale identiteiten. Omdat elke generatie haar eigen keuzes maakt, is volkscultuur een dynamisch fenomeen. De doorsnijdende thema s diversiteit, vernieuwing en verankering werden eveneens nader omschreven. Diversiteit heeft betrekking op de doelgroepen van het fonds: alle inwoners van Nederland, nieuwe en oude, met nadruk op jongeren. Vernieuwing houdt in dat ontwikkeling en vernieuwing van de drie programmalijnen worden gestimuleerd op alle niveaus van scholing/opleiding, tot productie, presentatie en afname met voorbeeldprojecten en informatie-uitwisseling. Verankering betekent streven naar duurzaamheid van goede ontwikkelingen en succesvolle vernieuwingen. Het is niet de bedoeling om subsidieafhankelijkheid te stimuleren. Financiële middelen In zijn brief van 13 november 2007 aan de Kamer over het nieuwe fonds kondigde de minister aan dat er vanaf 2009 in een oplopende reeks extra financiële middelen beschikbaar zouden komen voor cultuureducatie, amateurkunst en volkscultuur. Het totale activiteitenbudget van het fonds zal in 2012 ruim 29 miljoen euro bedragen: een kleine 8 miljoen euro voor meerjarig gesubsidieerde instellingen en projectsubsidies, circa 8 miljoen euro extra middelen voor nieuw stimuleringsbeleid en de bijna 14 miljoen euro van de voormalige rijksbijdrage Actieplan Cultuurbereik. De rijksbijdrage voor de matching van decentrale programma s cultuurparticipatie werd uiteindelijk echter niet in de begroting van het fonds opgenomen, maar via het Gemeentefonds en het Provinciefonds als decentralisatie-uitkering cultuurparticipatie aan de provincies en de 35 gemeenten met meer dan inwoners toegekend. Dat verdient enige toelichting. De decentralisatie-uitkering cultuurparticipatie Op de startbijeenkomst van het tweede Actieplan voor beleidsmedewerkers van provincies en gemeenten, in het voorjaar van 2005, kondigde de toenmalige directeur Kunsten van OCW aan dat dit de laatste periode zou zijn. In ieder geval zou het Actieplan in deze vorm, als specifieke doeluitkering, niet voortgezet worden na Deze uitspraak moet gezien worden in het licht van bezwaren tegen het toegenomen aantal specifieke doeluitkeringen van het rijk aan de decentrale overheden. Afgezien van twijfels over de effectiviteit van deze uitkeringen golden de bezwaren vooral de duur en de administratieve lasten ervan. Doeluitkeringen dienen van tijdelijke aard te zijn omdat ze gericht zijn op specifieke, tijdelijke be-

16 30 Cultuurparticipatiebeleid: leren en verbeteren Teunis IJdens en Chrit van Rensen 31 Cultuurparticipatiebeleid: leren en verbeteren Teunis IJdens en Chrit van Rensen 19. Algemene Rekenkamer (2006). Beleidsvrijheid en specifieke uitkeringen. Den Haag: Algemene Rekenkamer. leidstaken van decentrale overheden. Als uitkeringen langer nodig zijn, gaat het kennelijk niet meer om tijdelijke, maar om structurele taken van de decentrale overheden, en die moeten via het Provinciefonds en het Gemeentefonds worden gefinancierd. 19 Tweede Kamer Provinciale Staten, Gemeenteraad 20. Financiële Verhoudingswet, artikel 5. Zie voor de wetswijziging van 1 juli: Staatsblad 2008, Algemene Rekenkamer (2009). Financiële verhoudingen tussen de bestuurslagen. Geldstromen en verantwoordelijkheden bij decentraal uitgevoerd beleid. Den Haag: Algemene Rekenkamer, p. 20. Hoe de financiële relatie tussen fonds en de provincies en betrokken gemeenten precies geregeld moest worden was in april 2008 nog niet duidelijk. Het overleg hierover tussen OCW, IPO en VNG leidde in de zomer tot het besluit om de rijksbijdrage voor de matchingsregeling in de vorm te gieten van een decentralisatie-uitkering via het Provincie- en Gemeentefonds. In de Regeling cultuurparticipatie wordt opgenomen dat de provincies en betrokken gemeenten een verklaring van deelname en een vierjarenplan moeten indienen bij het fonds. Dit om te waarborgen dat het rijksgeld in ook echt aan cultuurparticipatie zal worden besteed. De regeling is het gezamenlijk beleidskader van OCW, IPO en VNG voor de decentralisatie-uitkering cultuurparticipatie. Het fonds krijgt daarin de rol toebedeeld om de plannen van provincies en gemeenten inhoudelijk te toetsen aan de gezamenlijke doelstellingen van de regeling. Die komen geheel overeen met de doelstellingen van het fonds zoals die in het advies van de kwartiermaker en de Bestuurlijke afspraken zijn vastgelegd. De uitkering wordt verstrekt voor het stimuleren van cultuurparticipatie van alle burgers opdat iedere Nederlander, te beginnen bij jongeren, actief in aanraking komt met een cultuurdiscipline. De wijziging in de voorziene financiële relatie tussen het fonds en de provincies en gemeenten werd mogelijk door de introductie van de decentralisatie-uitkering in de Financiële verhoudingswet per 1 juli Naast de decentralisatie-uitkering werd ook de integratie-uitkering als nieuwe figuur in de wet opgenomen. Het verschil tussen beide is aldus de wet, dat integratie-uitkeringen binnen een bij de maatregel te bepalen termijn in de algemene uitkering opgaan en dat bij de decentralisatie-uitkering geen termijn van de overgang van de uitkering naar de algemene uitkering is vastgesteld. De minister van BZK, verantwoordelijk voor de uitvoering van de wet, bepaalt na overleg met de vakminister die het betreft of een decentralisatie-uitkering kan worden gewijzigd in een integratie-uitkering of een algemene uitkering. 20 De introductie van de decentralisatie-uitkering is volgens de Algemene Rekenkamer in principe in lijn met de visie dat het Rijk er meer op moet vertrouwen dat decentrale overheden de middelen zinvol en verantwoord besteden. Het omzetten van specifieke uitkeringen in algemene uitkeringen betekent dat het rijk decentrale overheden meer beleidsvrijheid geeft en meer vertrouwen stelt in decentrale beleidskeuzes. 21 Zo kwam de Regeling cultuurparticipatie provincies en gemeenten in de plaats van de beleidskaders voor het Actieplan Cultuurbereik. De regeling vormt de basis voor afstemming tussen OCW, het fonds en de betrokken gemeenten en provincies. Maar terwijl de minister van OCW tijdens het Actieplan alléén verantwoordelijk bleef voor de rijksbijdrage die als doeluitkering werd verstrekt, is bij de decentralisatie-uitkering cultuurparticipatie minder duidelijk hoe de verantwoor- Minister van BZK, Provinciefonds en Gemeentefonds Sectorinstituten en dergelijke Minister van OCW Figuur A: Schema van verantwoordings- en afstemmingsrlaties Fonds voor Cultuurparticipatie Culturele instellingen en maatschappelijke organisaties die meerjarige of projectsubsidie ontvangen Gedeputeerde Staten, College van B&W IPO en VNG Afstemmingsoverleg delijkheid is verdeeld tussen de minister, het fonds en de betrokken provincies en gemeenten. Critici zullen zeggen dat de verantwoording tussen de wal en het schip dreigt terecht te komen. Hieronder analyseren we de relaties tussen de drie partijen om daarna in te gaan op hun rolverdeling bij de monitoring en evaluatie van het nieuwe cultuurparticipatiebeleid. Verantwoording en afstemming Het nieuwe cultuurparticipatiebeleid wordt gedragen, ontwikkeld en uitgevoerd door diverse actoren: het fonds, OCW, IPO en VNG en de afzonderlijke provincies en gemeenten. Zij delen de verantwoordelijkheid voor het succes van dat beleid. Maar waar zijn de afzonderlijke partijen nu op aan te spreken? Waar liggen de grenzen tussen afstemming en verantwoording? In figuur A zijn de relaties tussen partijen schematisch weergegeven. We bespreken hieronder alleen de verantwoordingsrelaties tussen centrale partijen: het fonds, de minister van OCW, de bestuurders van gemeenten en provincies en de culturele instellingen en maatschappelijke organisaties in het veld. Deze relaties zijn met dikke tweerichtingspijlen aangegeven. Die pijlen betekenen simpelweg dat de bovenste actor geld geeft aan de onderste en dat de laatste de besteding van dat geld bij de eerste moet verantwoorden volgens bepaalde regels. We kijken eerst vanuit het perspectief van het fonds naar deze verantwoordingsrelaties. Daarna bespreken we de belangrijke relatie tussen gemeenten en provincies en het fonds. Dat is geen verantwoordingsrelatie, maar een afstemmings- of een samenwerkingsrelatie: daarom geen pijl, maar alleen een dikke verbindingsstreep.

17 32 Cultuurparticipatiebeleid: leren en verbeteren Teunis IJdens en Chrit van Rensen 33 Cultuurparticipatiebeleid: leren en verbeteren Teunis IJdens en Chrit van Rensen 22. Waar de Wet op het specifiek cultuurbeleid van de fondsen spreekt, wordt tot heden niet verwezen naar de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen. De Kaderwet zal in de periode echter worden ingepast in de Wet op het specifiek cultuurbeleid: Ministerie van OCW (2008). Handboek verantwoording cultuursubsidies fondsen Den Haag: Ministerie van OCW, p Algemene Rekenkamer (2006). Verantwoording en toezicht bij rechtspersonen met een wettelijke taak, deel 5. Den Haag: SDU, p subsidieverstrekkers/ministerie-ocw/ aanvragen-subsidieperiode , geraadpleegd 16 april Schillemans, T. (2006). Horizontale verantwoording bij zelfstandige uitvoeringsorganisaties: redundant en complementair, B&M, 34(4), ; zie ook: Hakvoort, J. & Klaassen, H. (2009). Verantwoord verantwoorden. Over de verschuiving van verticaal toezicht naar horizontaal toezicht, B&G, 36(2), Het Centraal Planbureau ziet visitatie door onafhankelijke, welingelichte experts als een goed alternatief om de prestatie van semi-publieke organisaties te bevorderen: Koning, P. e.a. (2004). Centrale doelen, decentrale uitvoering. Over de do s en don ts van prestatieprikkels voor semi-publieke instellingen. Den Haag: CPB. Fonds < > OCW Het fonds heeft een eenzijdige formele verantwoordingsrelatie met de minister van OCW. Het fonds ontvangt van de minister jaarlijks ongeveer 15 miljoen euro voor de uitvoering van verschillende subsidieregelingen. De verantwoordingsrelatie tussen het fonds en de minister van OCW loopt via twee sporen: het ene via de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, het andere via de Wet op het specifiek cultuurbeleid. 22 De verantwoording van zelfstandige bestuursorganen (Zbo s) is geregeld in de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen van 2 november Voor het Fonds voor Cultuurparticipatie geldt formeel hetzelfde verantwoordingsregime als voor de andere kunst- en cultuurfondsen die van rijkswege zijn ingesteld en voor Zbo s op andere beleidsterreinen. Een Zbo moet jaarlijks een jaarverslag opstellen waarin de taakuitoefening en het gevoerde beleid worden beschreven en voorts het gevoerde beleid met betrekking tot de kwaliteitszorg. Verder dient een Zbo de minister desgevraagd ook buiten het jaarverslag alle voor de uitoefening van diens taak benodigde inlichtingen te verstrekken. De minister hoeft in zijn reguliere, jaarlijkse beleidsverantwoording tegenover de Tweede Kamer geen informatie te verstrekken over het beleid van onder hem ressorterende Zbo s. Dat hoeft alleen in uitzonderingssituaties, als er naar het oordeel van de minister iets bijzonders aan de hand is met een Zbo wat de Kamer moet weten. 23 De Kaderwet zelfstandige bestuursorganen verschaft formeel geen argument om van het fonds meer of iets anders te vragen dan aan andere zelfstandige bestuursorganen. Toch bepaalt het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen dat bij de Wet op het specifiek cultuurbeleid hoort, dat de jaarrekening van de fondsen net als de andere culturele instellingen die meerjarig door het rijk gesubsidieerd worden, vergezeld moet gaan van een prestatieverantwoording die in kort bestek een inzichtelijk kwantitatief overzicht bevat van de activiteiten die zijn verricht in het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft. Daarnaast worden de fondsen geregeld door een visitatiecommissie beoordeeld. De verwachting is dat hiermee een bijdrage geleverd wordt aan de kwaliteitszorg en aan de publieke verantwoording van fondsen. De minister is opdrachtgever en hij benoemt de leden van de visitatiecommissie. 24 De visitatie van de fondsen is als geïnstitutionaliseerde mengvorm tussen verticale en horizontale verantwoording te typeren. Horizontale verantwoording betekent dat een publieke instelling naast of in aanvulling op de vereiste verticale verantwoording jegens de minister ook actief communiceert met andere partijen, zoals samenwerkingspartners, deskundigen of de media. Deze beschikken over beperkte sanctiemogelijkheden, maar dragen door hun publieke of semi-publieke oordelen wel bij aan de beeldvorming positief of negatief over de instelling Algemene Rekenkamer (2009). Financiële verhoudingen tussen de bestuurslagen. Geldstromen en verantwoordelijkheden bij decentraal uitgevoerd beleid. Den Haag: Algemene Rekenkamer, p. 18. Instellingen < > fonds Gesubsidieerde instellingen hebben een verantwoordingsrelatie met het fonds, omdat ze er, meerjarig of incidenteel, geld van krijgen. De verplichtingen van de gesubsidieerde instellingen zijn in de desbetreffende regelingen opgenomen. Deze worden vastgesteld door het bestuur van het fonds, maar hebben wel de goedkeuring van de minister nodig. Die kan zijn goedkeuring volgens de Wet op het specifiek cultuurbeleid echter alleen onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Voor subsidierelaties tussen gemeenten en provincies en culturele instellingen geldt hetzelfde. Instellingen die subsidie krijgen van het fonds en van een gemeente en/of provincie, moeten over de besteding van de subsidie verantwoording afleggen aan iedere subsidiegever. Decentrale overheden < > fonds Door de vormgeving van de matchingsregeling via een decentralisatie-uitkering hoeven gemeenten en provincies geen verantwoording aan het fonds of aan het Ministerie van OCW af te leggen over de besteding van de hun toegekende middelen. De Algemene Rekenkamer is kritisch over het hybride karakter van de decentralisatie-uitkering. De mate waarin en de manier waarop de vakminister in de Tweede Kamer verantwoording moet afleggen over de rijksbijdrage is er niet duidelijker op geworden. De aanvraagprocedures voor de decentralisatie-uitkeringen zijn echter vrij gedetailleerd en schrijven veel voor. Daarnaast geven de ministers via convenanten en andere bestuurlijke afspraken sturing aan het decentrale beleid. 26 De Regeling cultuurparticipatie provincies en gemeenten is een voorbeeld van zulke afspraken. De regeling klinkt de decentralisatie-uitkering cultuurparticipatie vast aan het fonds en beschrijft de afstemmingsrelatie tussen het fonds en de betrokken provincies en gemeenten. Bestuurlijk uitgangspunt is dat het fonds en de deelnemende provincies en gemeenten gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de realisatie van de daarin genoemde doelen. Het fonds fungeert hierbij als bindend element. De matchingsregeling is gebaseerd op het vertrouwen dat gemeenten en provincies tenminste bereid zijn om hun activiteiten af te stemmen op het beleid van het fonds. Bij de toetsing van de vierjarige programma s cultuurparticipatie door het fonds was dat het uitgangspunt. Monitoring en evaluatie Wat betekenen de in het voorgaande weergegeven verantwoordings- en afstemmingsrelaties nu voor de monitoring en evaluatie van het nieuwe cultuurparticipatiebeleid? Monitoren en evalueren worden dikwijls in één adem genoemd met verantwoorden. Monitoren en evalueren worden ook wel gezien als onderdeel van verantwoordingsprocedures. Maar hoe zit dat als er geen verantwoordingsrelatie is tussen partijen? En is het feitelijk juist en verstandig om monitoring en evalueren ondergeschikt te maken aan verantwoording? Het fonds heeft ervoor gekozen om dat niet te doen. Verantwoorden is één ding, monitoren en evalueren iets anders. Het ontbreken van een verantwoordingsrelatie tussen het fonds en de provincies en gemeenten biedt ruimte voor een andere aanpak van monitoring en evaluatie, onder het motto leren en verbeteren, in plaats van verantwoorden en afrekenen.

18 34 Cultuurparticipatiebeleid: leren en verbeteren Teunis IJdens en Chrit van Rensen 27. Knaap, P. van der (2004). Beleidsevaluatie en het leervermogen van de overheid: lessen uit cybernetica en psychologie. In P. van der Knaap & A. Schilder (red.), Resultaatgericht sturen en evalueren. Nieuwe perspectieven op beleidsinstrumenten en beleidsevaluatie (pp ). Den Haag: SDU. 28. Zie bijvoorbeeld de bijdragen van Vladimír Bína, Koen van Eijck, Andries van den Broek en Ton Bevers in dit jaarboek. Het fonds wil de afstemmingsrelatie met provincies en gemeenten verrijken tot een kennisrelatie en monitoring en evaluatie in dat licht bezien. Dit betekent dat het fonds en de provincies en gemeenten zonder procedurele lasten en plichten van gedachten wisselen over belangrijke kennisvragen over cultuurparticipatie en cultuurparticipatiebeleid, in de overtuiging dat kennis een wezenlijke productiefactor voor effectief en doelmatig beleid is. De beleidspraktijk van het fonds en van overheden worden dus opgevat als leerproces. Beleidskeuzes en werkwijzen worden telkens bijgesteld en aangepast op basis van eerdere ervaring, nieuwe inzichten en het gesprek daarover tussen betrokkenen. Iemand die [ ] op een rationele wijze beleid vormt, moet open staan voor twijfel, voor dialoog en voor leren. 27 Het fonds benadert de monitoring en evaluatie van zijn beleid en activiteiten in dat perspectief en zoekt daarbij steeds de samenwerking met provincies, gemeenten en andere beleids- en kennispartners. Handelingsgericht monitoren en evalueren Monitoren en evalueren maken tenminste impliciet deel uit van iedere vorm van doelgericht en omgevingsbewust handelen. Monitoren betekent simpel gezegd in de gaten houden. Monitoring kan ten eerste gericht zijn op een maatschappelijk verschijnsel dat niet direct het product is van beleid, bijvoorbeeld armoede, leefbaarheid, veiligheid, gezondheid, het publieksbereik van culturele voorzieningen, et cetera. Monitoring kan ten tweede betrekking hebben op de uitvoering en onmiddellijke resultaten van beleid: gebeurt het volgens plan, werkt het zoals het bedacht is, welke knelpunten doen zich voor, levert het de feitelijke resultaten (output) op die het moest opleveren? Beide vormen van monitoring moeten goed van elkaar worden onderscheiden, omdat het object verschilt. Beide kunnen echter aanleiding geven om actie te ondernemen. Dat is vanzelfsprekend bij het monitoren van het eigen handelen of van situaties of gedrag waar men directe verantwoordelijkheid of zorg voor heeft. Maar het geldt ook voor de monitoring van niet direct beleidsafhankelijke verschijnselen of situaties. Monitoring kan aanleiding zijn om iets (anders) aan die situatie of dat verschijnsel te gaan doen of het juist op zijn beloop te laten. Voor het fonds, gemeenten en provincies of het Ministerie van OCW betekent dit bijvoorbeeld dat bepaalde trends op het gebied van actieve cultuurparticipatie aanleiding kunnen zijn om extra beleidsinspanningen te ondernemen, om beleid te verbeteren of om inspanningen te staken. Ze kunnen zich daarbij laten informeren door monitoronderzoek naar het bereik van culturele voorzieningen of naar de stand van zaken rond cultuureducatie in het onderwijs. 28 Evalueren gaat verder dan monitoren. Het betekent dat een waarde wordt toegekend aan feiten die bijvoorbeeld via monitoring zichtbaar worden gemaakt en in de gaten gehouden. Hebben we het goed gedaan? Hebben we bereikt wat we wilden bereiken? Wat heeft goed gewerkt en wat niet zo goed? Wat kan beter en hoe gaan we daar voor zorgen? Evalueren heeft het primaat boven monitoren. Daarom moet bij de opzet van monitoronderzoek rekening worden gehouden met het gebruik van en de behoefte aan monitorgegevens in later evaluatieonderzoek.

19

20 39 Cultuurparticipatiebeleid: leren en verbeteren Teunis IJdens en Chrit van Rensen 29. Met het stimuleringsprogramma Er zit muziek in ieder kind wil het fonds muziekeducatie voor meer kinderen van 4 tot 12 jaar toegankelijk te maken. Het programma Het beste van twee werelden is erop gericht samenwerking tussen amateurs en professionals te bevorderen. Dit programma wordt in 2010 verder uitgewerkt. Maar wie evalueert nu wat, voor wie en waarom? In het volgende kijken we naar de rolverdeling tussen de partijen die verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling en uitvoering van het nieuwe cultuurparticipatiebeleid. Wie evalueert wat? Evaluatie van beleid dient gericht te zijn op het eigen handelen (keuze van doelen en middelen, uitvoering) en op het effect dat daar redelijkerwijs van verwacht mag worden op de situatie of het verschijnsel waar het beleid op doelt. Iedere betrokken partij is daarbij verantwoordelijk voor zijn eigen keuzes en zijn eigen handelen. Dit betekent dat: OCW het fonds evalueert voor zover de minister zelf keuzes heeft gemaakt over de doelen, regelingen en de or ganisatie van het fonds; het fonds zijn eigen beleid evalueert voor zover het dat zelf ontwikkelt en uitvoert; gemeenten en provincies verantwoordelijk zijn voor de evaluatie van de uitvoering en resultaten van hun eigen programma cultuurparticipatie; gesubsidieerde culturele instellingen verantwoordelijk zijn voor de evaluatie van hun eigen projecten en activiteiten. De evaluatie van het nieuwe cultuurparticipatiebeleid, zoals dat op landelijk niveau wordt gevoerd via het fonds en de decentralisatieregeling cultuurparticipatie, heeft ten eerste betrekking op het fonds, de decentralisatie-uitkering en de Regeling cultuurparticipatie provincies en gemeenten. Dit zijn evaluaties op beleidsniveau. Andere evaluaties hebben betrekking op specifieke regelingen van het fonds: de meerjarige instellingssubsidies, de Plusregeling cultuurparticipatie en de stimuleringsprogramma s. 29 Ten slotte worden de decentrale programma s cultuurparticipatie geëvalueerd. In figuur B is aangegeven welke partij primair verantwoordelijk is voor deze evaluaties. fig. B Bij alle genoemde maatregelen is één partij primair verantwoordelijk voor de evaluatie, behalve bij de Regeling cultuurparticipatie. Als een partij niet primair verantwoordelijk is voor de evaluatie van beleid, regelingen en programma s, betekent dat niet dat die er geen belang bij heeft of er geen oordeel over zou (mogen) hebben. Het is echter de primair verantwoordelijke partij die beslist of en hoe bij de opzet van een evaluatie rekening gehouden wordt met de belangen, visie en inbreng van de andere partijen. We lichten de positie van het Ministerie van OCW, IPO en VNG, het fonds en de afzonderlijke provincies en gemeenten kort toe en geven daarbij ook aan welk belang zij hebben bij evaluaties waar ze niet primair verantwoordelijk voor zijn. In de Kaderwet Zbo staat dat de minister (ten minste) om de vijf jaar een verslag aan beide kamers der Staten-Generaal stuurt ten behoeve van de beoordeling van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren van een zelfstandig bestuursorgaan. In het geval van het Fonds voor Cultuurparticipatie zou de eerste evaluatie in dat kader in 2013 zijn. Waar de evaluatie binnen algemene termen van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2009 2010 31 482 Cultuursubsidies 2009 2012 Nr. 48 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETEN- SCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der

Nadere informatie

Visie muziekonderwijs en beeldende vorming Terneuzen

Visie muziekonderwijs en beeldende vorming Terneuzen Visie muziekonderwijs en beeldende vorming Terneuzen INHOUDSOPGAVE 1.0 INLEIDING... 3 2.0 UITGANGSPUNTEN ONDERZOEK EN DEFINITIE MUZIKALE EN BEELDENDE VORMING... 3 2.1 UITGANGSPUNTEN... 3 2.2 DEFINITIE

Nadere informatie

Regeling cultuurparticipatie provincies en gemeenten 2009-2012

Regeling cultuurparticipatie provincies en gemeenten 2009-2012 Regeling cultuurparticipatie provincies en gemeenten 2009-2012 Enquête 2011: uitkomsten Annelies van der Horst Annelies Maarschalkerweerd Regeling cultuurparticipatie provincies en gemeenten 2009-2012

Nadere informatie

OCW, provincie Zuid-Holland, provincie Noord-Holland, gemeente Leiden, gemeente Haarlem

OCW, provincie Zuid-Holland, provincie Noord-Holland, gemeente Leiden, gemeente Haarlem Cultuurconvenant 2005 2008 OCW, provincie Zuid-Holland, provincie Noord-Holland, gemeente Leiden, gemeente Haarlem De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mevrouw mr. M.C. van der Laan

Nadere informatie

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mr. M.C. van der Laan

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mr. M.C. van der Laan Cultuurconvenant 2005 2008 OCW, gemeente Amsterdam De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mr. M.C. van der Laan en de Wethouder voor Cultuur van de gemeente Amsterdam, drs. J.H. Belliot

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2006 2007 30 800 VIII Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2007 Nr. 89 BRIEF

Nadere informatie

Bestuurlijk kader Cultuur en Onderwijs

Bestuurlijk kader Cultuur en Onderwijs Bestuurlijk kader Cultuur en Onderwijs Cultuuruitingen spelen een belangrijke rol in de samenleving en in het leven van mensen. Cultuur vertegenwoordigt daarbij zowel een maatschappelijke, een artistieke

Nadere informatie

Hoofdlijnen van de landelijke monitoring en evaluatie van de matchingsregeling

Hoofdlijnen van de landelijke monitoring en evaluatie van de matchingsregeling Matchingsregeling Cultuureducatie met kwaliteit in het primair onderwijs Hoofdlijnen van de landelijke monitoring en evaluatie van de matchingsregeling Waarom monitoren en evalueren? Het Fonds voor Cultuurparticipatie

Nadere informatie

Concept Kader cultuur Gemeente Hoogeveen

Concept Kader cultuur Gemeente Hoogeveen Concept Kader cultuur Gemeente Hoogeveen Augustus 2013 1 Inhoudsopgave Inleiding 1 Ontwikkelingen en visie 1.1 Ontwikkelingen rijk, provincie en lokaal 1.2 Cultuur in samenhang met andere beleidsterreinen

Nadere informatie

Trendbreuk in rijksuitgaven

Trendbreuk in rijksuitgaven 94 Boekman 95 Sociaal-liberaal cultuurbeleid Dossier cijfers Trendbreuk in rijksuitgaven kunst en cultuur Bastiaan Vinkenburg Dit artikel gaat over geld dat het rijk besteedt aan kunst en cultuur. Is dat

Nadere informatie

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 6671 3 mei 2010 Regeling Het beste van twee werelden 9 april 2010 Het Bestuur van de Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie,

Nadere informatie

Budget Educatie en Participatie Projecten (BEPP)

Budget Educatie en Participatie Projecten (BEPP) Budget Educatie en Participatie Projecten (BEPP) Met het Budget Educatie en Participatie Projecten willen de provincie Groningen en het Rijk een aantal doelstellingen bereiken. We hanteren daarbij een

Nadere informatie

Cultuureducatiebeleid. in Haarlem

Cultuureducatiebeleid. in Haarlem Cultuureducatiebeleid in Haarlem Kenmerken Over de gemeente Aantal inwoners meer dan 90.000 inwoners (grote gemeente) Soort gemeente stadsgemeente Regiofunctie centrumgemeente van de regio Contactgegevens

Nadere informatie

Raad voor Cultuur Prins Willem Alexanderhof 20 2595 BE..DEN HAAG. Datum Betreft adviesaanvraag culturele basisinfrastructuur 2017-2020.

Raad voor Cultuur Prins Willem Alexanderhof 20 2595 BE..DEN HAAG. Datum Betreft adviesaanvraag culturele basisinfrastructuur 2017-2020. >Retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag Raad voor Cultuur Prins Willem Alexanderhof 20 2595 BE..DEN HAAG Erfgoed en Kunsten Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500 BJ Den Haag www.rijksoverheid.nl

Nadere informatie

cultuuronderwijs: het onderwijs gericht op het bereiken van de kerndoelen in het leergebied Kunstzinnige oriëntatie van het primair onderwijs;

cultuuronderwijs: het onderwijs gericht op het bereiken van de kerndoelen in het leergebied Kunstzinnige oriëntatie van het primair onderwijs; Tijdelijke Regeling Flankerende Projecten Cultuureducatie met Kwaliteit 2014 Fonds voor Cultuurparticipatie Maart 2014 Het bestuur van de Stichting Fonds voor Cultuurparticipatie, Gelet op artikel 3 van

Nadere informatie

RAADSVOORSTEL Agendanummer 6.2. Onderwerp: Concept Beleidsplan Kunst en cultuur 2008-2012 'Eén cultuur, elf gezichten'

RAADSVOORSTEL Agendanummer 6.2. Onderwerp: Concept Beleidsplan Kunst en cultuur 2008-2012 'Eén cultuur, elf gezichten' RAADSVOORSTEL Agendanummer 6.2 Raadsvergadering van 24 januari 2008 Onderwerp: Concept Beleidsplan Kunst en cultuur 2008-2012 'Eén cultuur, elf gezichten' Verantwoordelijke portefeuillehouder: M.G. de

Nadere informatie

ECSD/U201402324 Lbr. 14/092

ECSD/U201402324 Lbr. 14/092 Brief aan de leden T.a.v. het college en de raad informatiecentrum tel. (070) 373 8393 betreft leren over cultureel ondernemen uw kenmerk ons kenmerk ECSD/U201402324 Lbr. 14/092 bijlage(n) 2 (separaat

Nadere informatie

Cursus cultuureducatie voor ambtenaren

Cursus cultuureducatie voor ambtenaren Cursus cultuureducatie voor ambtenaren Algemeen De cursus bestaat uit drie maal twee dagdelen en een terugkomdag van één of twee dagdelen. Tussen de cursusdagen zitten gemiddeld vier weken. In deze periode

Nadere informatie

ontspanning en iets presteren

ontspanning en iets presteren ontspanning en iets presteren motieven en ambities van amateurkunstbeoefenaars Henk Vinken en Teunis IJdens Ontspanning, doelgericht leren, gezellig tijdverdrijf met anderen en de ambitie om een kunstzinnige

Nadere informatie

Kunstgebouw Beleidsplan 2013-2016

Kunstgebouw Beleidsplan 2013-2016 Kunstgebouw Beleidsplan 2013-2016 Kunstgebouw Broekmolenweg 16 2289 BE Rijswijk www.kunstgebouw.nl B e l e i d s p l a n 2 0 1 3-2 0 1 6 Z I C H T B A AR M AK E N W AT E R I S, S T I M U L E R E N W AT

Nadere informatie

Stichting voor toegepaste filosofie. culturele dienstverlening voor organisaties en instellingen. Beleidsplan 2013-2017. Inleiding

Stichting voor toegepaste filosofie. culturele dienstverlening voor organisaties en instellingen. Beleidsplan 2013-2017. Inleiding Stichting voor toegepaste filosofie culturele dienstverlening voor organisaties en instellingen Beleidsplan 2013-2017 Inleiding Onze ambitie richt zich niet alleen op het onderwijs, maar ook op de culturele

Nadere informatie

Het beleidsplan cultuureducatie

Het beleidsplan cultuureducatie Het beleidsplan cultuureducatie Beleidsplannen voor cultuureducatie kunnen variëren van 1 A4 tot een compleet beleidsplan. Belangrijk hierbij is dat het cultuureducatiebeleid onderdeel is van het schoolplan.

Nadere informatie

Beweging die nu te zien is m.b.t. cultuureducatie binnen het primair onderwijs

Beweging die nu te zien is m.b.t. cultuureducatie binnen het primair onderwijs Bijlage 2 Aanvraag Cultuureducatie met Kwaliteit in het Primair Onderwijs 2013 2016 Opgesteld door Cultura in samenwerking met de en besproken met Fonds Cultuurparticipatie. Lokale Situatie en context

Nadere informatie

Welkom bij De provinciale staat van cultuurbeleid! Tilburg, 4 maart 2015

Welkom bij De provinciale staat van cultuurbeleid! Tilburg, 4 maart 2015 Welkom bij De provinciale staat van cultuurbeleid! Tilburg, 4 maart 2015 Loek Sijbers Dagvoorzitter twitter mee via #PS15 Ocker van Munster Directeur LKCA Brigite van Haaften-Harkema Gedeputeerde provincie

Nadere informatie

Beleidregels Sociaal Cultureel Werk 2005 (en verder)

Beleidregels Sociaal Cultureel Werk 2005 (en verder) Beleidregels Sociaal Cultureel Werk 2005 (en verder) 1. Beleidsterrein Beleidstaak: Sociaal Cultureel Werk Beheerstaak: Samenlevingsopbouwwerk, functienummer 630.00 Dit beleidsterrein omvat kinderwerk,

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2007 2008 31 200 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2008 Nr. 183 BRIEF

Nadere informatie

Alleen organisaties met een culturele doelstelling en zonder winstoogmerk kunnen een aanvraag indienen.

Alleen organisaties met een culturele doelstelling en zonder winstoogmerk kunnen een aanvraag indienen. KUNSTPARTICIPATIE: OVER DEZE SUBSIDIE Met de programmalijn Kunstparticipatie wil het Fonds de vernieuwing van het aanbod van kunstbeoefening in de vrije tijd realiseren. Daarnaast wil het bijdragen aan

Nadere informatie

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Deelregeling Jij maakt het mee Fonds voor Cultuurparticipatie 2013 2016

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Deelregeling Jij maakt het mee Fonds voor Cultuurparticipatie 2013 2016 STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 29620 21 oktober 2013 Deelregeling Jij maakt het mee Fonds voor Cultuurparticipatie 2013 2016 10 oktober 2013 Het bestuur

Nadere informatie

Cultuureducatie in het basisonderwijs

Cultuureducatie in het basisonderwijs Cultuureducatie in het basisonderwijs Gemeente Westland Nulmeting Inleiding Teneinde aan het einde van het programma Cultuureducatie met Kwaliteit (CMK) vast te kunnen stellen wat de bereikte resultaten

Nadere informatie

Profielschets Voorzitter Raad van Toezicht Fonds voor Cultuurparticipatie. Cultuurliefhebber met brede kennis van politiek Den Haag

Profielschets Voorzitter Raad van Toezicht Fonds voor Cultuurparticipatie. Cultuurliefhebber met brede kennis van politiek Den Haag Profielschets Voorzitter Raad van Toezicht Fonds voor Cultuurparticipatie Cultuurliefhebber met brede kennis van politiek Den Haag 1. Algemeen Het is belangrijk dat mensen kunnen meedoen aan cultuur. Niet

Nadere informatie

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG a 1 > Retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500 BJ Den Haag www.minocw.nl

Nadere informatie

OCW provincie Utrecht, provincie Flevoland, gemeente Utrecht, gemeente Almere, gemeente Amersfoort

OCW provincie Utrecht, provincie Flevoland, gemeente Utrecht, gemeente Almere, gemeente Amersfoort Cultuurconvenant 2009 2012 OCW provincie Utrecht, provincie Flevoland, gemeente Utrecht, gemeente Almere, gemeente Amersfoort De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, handelend als bestuurorgaan,

Nadere informatie

Raad voor Cultuur. Mijnheer de Staatssecretaris, 1. Inleiding

Raad voor Cultuur. Mijnheer de Staatssecretaris, 1. Inleiding Aan De Staatssecretaris van Onderwijs, en Wetenschappen dr. F. van der Ploeg Postbus 25000 2700 LZ Zoetermeer Onderwerp Kunst en verstandelijke handicap Mijnheer de Staatssecretaris, 1. Inleiding R.J.

Nadere informatie

Samenvatting onderzoek cultuurparticipatie 2010

Samenvatting onderzoek cultuurparticipatie 2010 Samenvatting onderzoek cultuurparticipatie 2010 Belangrijkste uitkomsten van het onderzoek 2010 Deelname aan culturele activiteiten in shertogenbosch licht toegenomen Het opleidingsniveau is het meest

Nadere informatie

\ 6 :$5. s /J /E- Nota vaii B&W. H. Tuning

\ 6 :$5. s /J /E- Nota vaii B&W. H. Tuning Nota vaii B&W Onderwerp Voorgenomen verlening subsidies in het kader van de Regeling Cultuurparticipatie Portefeuillehouder Collegevergadering H. Tuning s /J /E- \ 6 :$5 Inlichtingen Jorgen Karskens (023

Nadere informatie

Toelichting criteria kleine projecten Brabant C versie 18-01-2016

Toelichting criteria kleine projecten Brabant C versie 18-01-2016 Toelichting criteria kleine projecten Brabant C versie 18-01-2016 Om in aanmerking te komen voor een subsidie tussen 25.000 en 65.000 euro moet een project aan de volgende criteria voldoen: 1. het project

Nadere informatie

BELEIDSKADER GELDSTROOM BEELDENDE KUNST EN VORMGEVING 2005-2008

BELEIDSKADER GELDSTROOM BEELDENDE KUNST EN VORMGEVING 2005-2008 BELEIDSKADER GELDSTROOM BEELDENDE KUNST EN VORMGEVING 2005-2008 1. INLEIDING De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten,

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2014 2015 31 293 Primair Onderwijs 32 820 Nieuwe visie cultuurbeleid Nr. 216 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP Aan de Voorzitter

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA..DEN HAAG. Datum 24 oktober 2014 Betreft Impuls cultuuronderwijs

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA..DEN HAAG. Datum 24 oktober 2014 Betreft Impuls cultuuronderwijs >Retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA..DEN HAAG Erfgoed en Kunsten IPC 3300 Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500

Nadere informatie

Beleidskader Kunst & Cultuur 2013-2016 Stadspanel Den Haag, ronde voorjaar 2011

Beleidskader Kunst & Cultuur 2013-2016 Stadspanel Den Haag, ronde voorjaar 2011 Rapport Signaal Uitgave Auteurs Informatie Onderzoek en Integrale Vraagstukken Nr X, Jaargang 2004 Oplage Redactieadres Internet / Intranet X exemplaren Gemeente Den Haag OCW-intranet/Organisatie Postbus

Nadere informatie

Cultuurbeleidsplan 2015-2019

Cultuurbeleidsplan 2015-2019 CBS Maranatha Hoogklei 7, 9671 GC Winschoten Cultuurbeleidsplan 2015-2019 1. Inleiding Dit is het cultuureducatieplan van de CBS Maranatha in Winschoten. Een plan dat is opgesteld om een bijdrage te leveren

Nadere informatie

Datum 24 augustus 2015 Betreft Reactie brief Eerste Kamer Uitgangspunten cultuurbeleid 2017-2020

Datum 24 augustus 2015 Betreft Reactie brief Eerste Kamer Uitgangspunten cultuurbeleid 2017-2020 >Retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag Aan de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.Postbus 20017 2500 EA Den Haag Erfgoed en Kunsten IPC Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500 BJ

Nadere informatie

De gereserveerde 15 miljoen euro voor Maastricht Culturele Hoofdstad wordt over de hele provincie ingezet voor culturele doeleinden.

De gereserveerde 15 miljoen euro voor Maastricht Culturele Hoofdstad wordt over de hele provincie ingezet voor culturele doeleinden. Limburg heeft een uniek en veelzijdig cultuuraanbod. Dit komt tot uitdrukking in een enorme verscheidenheid met talloze monumenten, cultureel erfgoed, musea, culturele organisaties, evenementen en een

Nadere informatie

Commissie Zorg, Welzijn en Cultuur

Commissie Zorg, Welzijn en Cultuur Griffie Commissie Zorg, Welzijn en Cultuur Datum commissievergadering : nvt DIS-stuknummer : 1259265 Behandelend ambtenaar : E.C.M. Mermans Directie/afdeling : SCO/ZW Nummer commissiestuk : ZWC-0526 Datum

Nadere informatie

Het kader voor de evaluatie van de regeling Cultuureducatie met Kwaliteit

Het kader voor de evaluatie van de regeling Cultuureducatie met Kwaliteit Het kader voor de evaluatie van de regeling Cultuureducatie met Kwaliteit 1. Aanleiding voor het evaluatiekader Zoals overeengekomen in de bestuurlijke afspraak die ten grondslag ligt aan de regeling Cultuureducatie

Nadere informatie

RAADSINFORMATIEBRIEF. TITEL Implementatie Cultuureducatie met Kwaliteit (schooljaar 2013-2014)

RAADSINFORMATIEBRIEF. TITEL Implementatie Cultuureducatie met Kwaliteit (schooljaar 2013-2014) RAADSINFORMATIEBRIEF Van : Burgemeester en Wethouders Reg.nr. : 4426490 Aan : Gemeenteraad Datum : 5 juli 2013 Portefeuillehouder : Wethouder P. van den Berg/ C. van Eijk Programma : 9. Cultureel klimaat

Nadere informatie

Gemeente Den Haag Dienst Onderwijs, Cultuur en Welzijn T.a.v. de Adviescommissie Meerjarenbeleid 2013-2016 Postbus 12 652 2500 DP Den Haag

Gemeente Den Haag Dienst Onderwijs, Cultuur en Welzijn T.a.v. de Adviescommissie Meerjarenbeleid 2013-2016 Postbus 12 652 2500 DP Den Haag Gemeente Den Haag Dienst Onderwijs, Cultuur en Welzijn T.a.v. de Adviescommissie Meerjarenbeleid 2013-2016 Postbus 12 652 2500 DP Den Haag Den Haag, 1 december 2011 Geachte heer/mevrouw, Op 7 december

Nadere informatie

Uitvoeringsbesluit subsidieverlening Cultuurnota 2013-2016 provincie Drenthe

Uitvoeringsbesluit subsidieverlening Cultuurnota 2013-2016 provincie Drenthe Uitvoeringsbesluit subsidieverlening Cultuurnota 2013-2016 provincie Drenthe Thema en doelen subsidieprogramma Cultuurnota 2013-2016 Oude wereld, nieuwe mindset De provincie Drenthe staat voor een herkenbare

Nadere informatie

Rekenkamerbrief betreffende vertaling coalitieakkoord 2007-2011 Vertrouwen verbinden versnellen in programmabegroting 2008

Rekenkamerbrief betreffende vertaling coalitieakkoord 2007-2011 Vertrouwen verbinden versnellen in programmabegroting 2008 Provincie Overijssel Luttenbergstraat 2 8012 EE Zwolle Aan: Provinciale Staten van Overijssel In kopie aan: Commissaris van de Koningin, dhr. G. Jansen Gedeputeerde Staten van Gelderland Betreft: Rekenkamerbrief

Nadere informatie

De onweerstaanbare verleiding om van kunst te genieten

De onweerstaanbare verleiding om van kunst te genieten OPEN ACADEMIE LINGEWAARD De onweerstaanbare verleiding om van kunst te genieten Kunst en cultuur zijn essentieel om ons staande te houden BEELDENDE KUNST THEATER FOTO/VIDEO D A N S M U Z I E K Lingewaard,

Nadere informatie

Samenvatting. Vrijwilligers in de Amateurkunst

Samenvatting. Vrijwilligers in de Amateurkunst Samenvatting Vrijwilligers in de Amateurkunst Samenvatting Vrijwilligers in de Amateurkunst De amateurkunstsector kampt met een tekort aan vrijwilligers. Vooral in de disciplines beeldende kunst en instrumentale

Nadere informatie

CONCEPT-OPDRACHT STICHTING EINDHOVEN/BRABANT 2018

CONCEPT-OPDRACHT STICHTING EINDHOVEN/BRABANT 2018 Hoort bij raadsvoorstel 27-2012 BIJLAGE 2 APPENDIX 1. CONCEPT-OPDRACHT STICHTING EINDHOVEN/BRABANT 2018 1. Doel van de opdracht Winnen van de titel Culturele Hoofdstad van Europa voor het project 2018Brabant

Nadere informatie

Er van uitgaande... CULTUURPROFIEL ZUID-NEDERLAND. Deel II Ambities en prioriteiten. Ten behoeve van Cultuurnota 2005-2008

Er van uitgaande... CULTUURPROFIEL ZUID-NEDERLAND. Deel II Ambities en prioriteiten. Ten behoeve van Cultuurnota 2005-2008 Er van uitgaande... CULTUURPROFIEL ZUID-NEDERLAND Deel II Ambities en prioriteiten Ten behoeve van Cultuurnota 2005-2008 Juni 2003 0 In onze naam, Cultuurconvenant Zuid-Nederland (CZN), staat het woord

Nadere informatie

Wat vinden wij er van? Wat verwacht(t)en wij?

Wat vinden wij er van? Wat verwacht(t)en wij? Wat vinden wij er van? Wat verwacht(t)en wij? Culturele paragrafen in de verkiezingsprogramma s CDA Soest Het is van belang het vrijwilligerswerk in het algemeen -en dus ook bij sportverenigingen- te stimuleren

Nadere informatie

Interview met minister Joke Schauvliege

Interview met minister Joke Schauvliege Interview met minister Joke Schauvliege over de rol en de toekomst van etnisch-culturele federaties in Vlaanderen. Dertien etnisch-cultureel diverse federaties zijn erkend binnen het sociaalcultureel werk.

Nadere informatie

Rapport Beleidskader Kunst & Cultuur 2013-2016

Rapport Beleidskader Kunst & Cultuur 2013-2016 Rapport Beleidskader Kunst & Cultuur 2013-2016 Stadspanel Den Haag, ronde voorjaar 2011 INHOUDSOPGAVE Inleiding - 2 - Wat vindt men belangrijk aan het aanbod van kunst en cultuur in Den Haag? - 3 - Hoe

Nadere informatie

Zonder kwaliteit kunnen aanbieders van kunsteducatie het schudden

Zonder kwaliteit kunnen aanbieders van kunsteducatie het schudden Zonder kwaliteit kunnen aanbieders van kunsteducatie het schudden De kwaliteitskwestie voor kunsteducatie in de vrije tijd Door Piet Hagenaars Nu aanbieders van kunst- en cultuureducatie steeds meer op

Nadere informatie

RAADSBERICHT (voor de leden van de raad en de algemene raadscommissie)

RAADSBERICHT (voor de leden van de raad en de algemene raadscommissie) RAADSBERICHT (voor de leden van de raad en de algemene raadscommissie) Van Aan : het college van burgemeester en wethouders : de raads- en commissieleden Datum : 23 juni 2015 Nr. : 2015-66 Portefeuillehouder:

Nadere informatie

Regeling versterking cultuureducatie in het primair onderwijs 2007-2008

Regeling versterking cultuureducatie in het primair onderwijs 2007-2008 Algemeen Verbindend Voorschrift Betreft de onderwijssector(en) Informatie CFI/ICO Primair Onderwijs po 079-3232.333 Regeling versterking cultuureducatie in het primair onderwijs 2007-2008 Bestemd voor

Nadere informatie

Kunst & cultuur, het investeren waard? Onderzoek naar economische betekenis

Kunst & cultuur, het investeren waard? Onderzoek naar economische betekenis Kunst & cultuur, het investeren waard? Onderzoek naar economische betekenis Presentatie voor het Paradiso-debat In opdracht van Kunsten 92, ACI en Paradiso Zondag 29 augustus 2010 Bastiaan Vinkenburg 1

Nadere informatie

Toespraak van Jan Jaap Knol tijdens de bijeenkomst ter afsluiting van de TOP-regeling. Gouda, 3 november 2008

Toespraak van Jan Jaap Knol tijdens de bijeenkomst ter afsluiting van de TOP-regeling. Gouda, 3 november 2008 Toespraak van Jan Jaap Knol tijdens de bijeenkomst ter afsluiting van de TOP-regeling. Gouda, 3 november 2008 1 Dames en heren, In mijn inleiding wil ik graag bij drie onderwerpen stilstaan. Ik begin bij

Nadere informatie

Commissie Zorg, Welzijn en Cultuur

Commissie Zorg, Welzijn en Cultuur Griffie Commissie Zorg, Welzijn en Cultuur Datum commissievergadering : - DIS-stuknummer : 1473254 Behandelend ambtenaar : N.H.C.P. Jansen- Kastelijns Directie/bureau : Sociale en Culturele Ontwikkeling/

Nadere informatie

raad voor cultuur R.J.Schimmelpennincklaan 3

raad voor cultuur R.J.Schimmelpennincklaan 3 R.J.Schimmelpennincklaan 3 so-to-3612+3 2506 AE Den Haag teler.cn.3172312esse fax +31(o)70 36147 27 e-mail cultuur@cultuur.nl www.cultuur.nl De minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen de heer

Nadere informatie

Begroting 2015 Meta-data Monitor streefdoelen cultuur en media

Begroting 2015 Meta-data Monitor streefdoelen cultuur en media Begroting 2015 Meta-data Monitor streefdoelen cultuur en media Overzicht per indicator: 6. Een sterke cultuursector, die ondernemend en innovatief is en goed zorgt voor ons erfgoed Percentage cultuurproducerende

Nadere informatie

Programma Kinderen Maken Muziek

Programma Kinderen Maken Muziek Programma Kinderen Maken Muziek Periode 2015-2017 Inleiding Kinderen Maken Muziek wil een bijdrage leveren aan het versterken van de sociale cohesie door kinderen samen een instrument te leren bespelen.

Nadere informatie

Uitvoeringsprogramma Kunst en Cultuur Velsen 2014-2017

Uitvoeringsprogramma Kunst en Cultuur Velsen 2014-2017 Beleidsspeerpunt Wat willen we bereiken? Wat gaan we daarvoor doen en wie Cultuureducatie Meer kinderen maken kennis met amateurkunst/ kunsteducatie en worden lid van een amateurkunstvereniging Verbetering

Nadere informatie

KUNSTENPLAN 2017-2020 RICHTLIJNEN ONDERNEMINGSPLAN VIERJARIGE SUBSIDIES

KUNSTENPLAN 2017-2020 RICHTLIJNEN ONDERNEMINGSPLAN VIERJARIGE SUBSIDIES KUNSTENPLAN 2017-2020 RICHTLIJNEN ONDERNEMINGSPLAN VIERJARIGE SUBSIDIES RICHTLIJNEN ONDERNEMINGSPLAN VIERJARIGE SUBSIDIES KUNSTENPLAN 2017-2020 Inleiding Deze richtlijnen voor het ondernemingsplan zijn

Nadere informatie

Wat is er over van de rol van de provincie?

Wat is er over van de rol van de provincie? Wat is er over van de rol van de provincie? Provincies voeren marginaal beleid voor actieve cultuurparticipatie Josefiene Poll en Marlies Tal Sinds 2012 hebben veel provincies hun taakstelling voor actieve

Nadere informatie

Gecoördineerde tekst:

Gecoördineerde tekst: Gecoördineerde tekst: Decreet van 27 oktober 1998 houdende de erkenning en subsidiëring van organisaties voor volkscultuur en de oprichting van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur (B.S.22-12-1998) Decreet

Nadere informatie

Cultuureducatiebeleid. in Purmerend

Cultuureducatiebeleid. in Purmerend Cultuureducatiebeleid in Purmerend Kenmerken Over de gemeente Aantal inwoners 30.000-90.000 inwoners (middelgrote gemeente) Soort gemeente stadsgemeente Regiofunctie centrumgemeente van de regio Contactgegevens

Nadere informatie

FONDSENWERVING EN FINANCIERING

FONDSENWERVING EN FINANCIERING FONDSENWERVING EN FINANCIERING ALTIJD GELD VOOR EEN GOED IDEE! Marianne Muller, 16 september BUREAU MORE Gespecialiseerd in vinden van geld (= o.a. alle subsidie- en fondsenvraagstukken) Voor bedrijven,

Nadere informatie

DECREET. houdende de erkenning en de subsidiëring van organisaties voor volkscultuur en de oprichting van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur

DECREET. houdende de erkenning en de subsidiëring van organisaties voor volkscultuur en de oprichting van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur VLAAMS PARLEMENT DECREET houdende de erkenning en de subsidiëring van organisaties voor volkscultuur en de oprichting van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur HOOFDSTUK I Algemene bepalingen Artikel 1

Nadere informatie

Digitale cultuur als continuüm

Digitale cultuur als continuüm Digitale cultuur als continuüm Samenvatting Activiteitenplan 2017-2020 Stichting Digitaal Erfgoed Nederland (DEN) Den Haag, 31 januari 2016 1/5 1. Vooraf Deze samenvatting is gebaseerd op de subsidieaanvraag

Nadere informatie

Samenvatting. Samenvatting 9

Samenvatting. Samenvatting 9 Samenvatting Sinds de introductie in 2001 van lectoraten in het Nederlandse hoger beroepsonderwijs wordt aan hogescholen steeds meer gezondheidsonderzoek uitgevoerd. De verwachting is dat dit niet alleen

Nadere informatie

BELEIDSPLAN 2011-2012. Stichting De Burght CT&W

BELEIDSPLAN 2011-2012. Stichting De Burght CT&W BELEIDSPLAN 2011-2012 Stichting De Burght CT&W 2 Inhoudsopgave pagina Voorwoord 3 Inleiding 3 Visie en doelstelling 4 Beleid en bestedingen 6 Fondsenwerving en financieel beheer 8 Nawoord 9 3 Voorwoord

Nadere informatie

Geachte leden van de Vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Geachte leden van de Vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Aan de leden van de Vaste Commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Tweede Kamer der Staten Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag 9 april 2015, Amsterdam Geachte leden van de Vaste commissie voor

Nadere informatie

Index. 1. Waar komen we vandaan? 1. 2. Waar gaan we naartoe? 2. 3. Beleidsthema s 2014-2016 6

Index. 1. Waar komen we vandaan? 1. 2. Waar gaan we naartoe? 2. 3. Beleidsthema s 2014-2016 6 Index 1. Waar komen we vandaan? 1 2. Waar gaan we naartoe? 2 2.1 Missie 2 2.2 Visie 2 2.3 Doelstellingen 3 2.4 Strategie 4 2.4.1 Organisatie 4 2.4.2 Aanbod 4 2.4.3 Maatschappelijk rolmodel 4 2.4.4. Marketing

Nadere informatie

Gebieds- en Stedelijke Programma s. Leiding en Staf Stedelijke Programma s. Gemeente Vlaardingen RAADSVOORSTEL

Gebieds- en Stedelijke Programma s. Leiding en Staf Stedelijke Programma s. Gemeente Vlaardingen RAADSVOORSTEL RAADSVOORSTEL Registr.nr. 1423468 R.nr. 52.1 Datum besluit B&W 6juni 2016 Portefeuillehouder J. Versluijs Raadsvoorstel over de evaluatie van participatie Vlaardingen, 6juni 2016 Aan de gemeenteraad. Aanleiding

Nadere informatie

Raadsvoorstel 15bb3613, gewijzigd raadsvoorstel 15bb7281 en bijbehorende (herziene) ontwerpbesluiten 15bb4408 en 15bb7551 komen hiermee te vervallen

Raadsvoorstel 15bb3613, gewijzigd raadsvoorstel 15bb7281 en bijbehorende (herziene) ontwerpbesluiten 15bb4408 en 15bb7551 komen hiermee te vervallen 2 9 SEP. 2015 Rotterdam, 29 september 2015. TWEEDE HERZIENE RAADSVOORSTEL 15bb7750 Raadsvoorstel 15bb3613, gewijzigd raadsvoorstel 15bb7281 en bijbehorende (herziene) ontwerpbesluiten 15bb4408 en 15bb7551

Nadere informatie

VOORSTEL AAN DE RAAD. Nieuw cultuurbeleid Gemeente Woudrichem Volgnr. 2012-013. Portefeuillehouder burgemeester F.A. Petter

VOORSTEL AAN DE RAAD. Nieuw cultuurbeleid Gemeente Woudrichem Volgnr. 2012-013. Portefeuillehouder burgemeester F.A. Petter Onderwerp Nieuw cultuurbeleid Gemeente Woudrichem Volgnr. 2012-013 Portefeuillehouder burgemeester F.A. Petter Ambtenaar A. de Stigter Afdeling Samenleving Datum voorstel 7 februari 2012 Opiniërende raad

Nadere informatie

Ontwerpbesluit pag. 3. Toelichting pag. 5. Binnen het evenementenbeleid worden drie categorieën evenementen onderscheiden.

Ontwerpbesluit pag. 3. Toelichting pag. 5. Binnen het evenementenbeleid worden drie categorieën evenementen onderscheiden. S T A T E N V O O R S T E L Datum : 4 maart 2008 Nummer PS : PS2008MME10 Afdeling : Economie, Cultuur en Vrije Tijd Commissie : MME Registratienummer : 2008int218775 Portefeuillehouder : J.H. Ekkers Titel

Nadere informatie

Onze visie op cliënten, medewerkers en organisatie vertrekt vanuit 6 waarden: Cliëntgestuurd, Integer, Inclusief, Open, Participatief, Professioneel.

Onze visie op cliënten, medewerkers en organisatie vertrekt vanuit 6 waarden: Cliëntgestuurd, Integer, Inclusief, Open, Participatief, Professioneel. missie en VISIE Het GielsBos wil een veilige en geborgen thuis bieden aan volwassenen en kinderen met een beperking. We bieden deze mensen en hun leefomgeving een brede ondersteuning vanuit ervaring en

Nadere informatie

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 AE Den Haag. Datum 6 december 2010 Betreft uitgangspunten cultuurbeleid

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 AE Den Haag. Datum 6 december 2010 Betreft uitgangspunten cultuurbeleid a 1 > Retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 AE Den Haag Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500 BJ Den Haag www.rijksoverheid.nl

Nadere informatie

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG a 1 > Retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500 BJ Den Haag www.rijksoverheid.nl

Nadere informatie

Samenvatting. Aanleiding en adviesvraag

Samenvatting. Aanleiding en adviesvraag Samenvatting Aanleiding en adviesvraag In de afgelopen jaren is een begin gemaakt met de overheveling van overheidstaken in het sociale domein van het rijk naar de gemeenten. Met ingang van 2015 zullen

Nadere informatie

Den Haag, je tikt er tegen en het zingt VERSLAG. Debat- en netwerkbijeenkomst Amateurkunst in Den Haag. Koorenhuis, 9 december 2014

Den Haag, je tikt er tegen en het zingt VERSLAG. Debat- en netwerkbijeenkomst Amateurkunst in Den Haag. Koorenhuis, 9 december 2014 Den Haag, je tikt er tegen en het zingt Debat- en netwerkbijeenkomst Amateurkunst in Den Haag Koorenhuis, 9 december 2014 VERSLAG. De zaal wordt verwelkomd met een flitsend optreden van Green Dance Studio,

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2009 2010 24 515 Preventie en bestrijding van stille armoede en sociale uitsluiting Nr. 186 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Aan

Nadere informatie

SUBSIDIEBELEID KUNST EN CULTUUR

SUBSIDIEBELEID KUNST EN CULTUUR Gelet op artikel 5 lid 2 van de algemene subsidieverordening stelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxtel het volgende beleid vast voor de subsidiebegrotingspost kunst en cultuur.

Nadere informatie

SML09-30. Voorstel van GS aan PS: kennisnemen van bijgaande stukken op basis van actieve informatieplicht

SML09-30. Voorstel van GS aan PS: kennisnemen van bijgaande stukken op basis van actieve informatieplicht P TraD HoLLAND SML09-30 5 -minuten versie voor Provinciale Staten Directie DLB Afdeling Samenleving Registration ummer PZH-2009-209435 (DOS-2009-0001943) Datum vergadering Gedeputeerde Staten Verzenddatum

Nadere informatie

De Multi waaier 12 tips voor het opbouwen van een cultureel divers netwerk

De Multi waaier 12 tips voor het opbouwen van een cultureel divers netwerk De Multi waaier 12 tips voor het opbouwen van een cultureel divers netwerk Culturele diversiteit en amateurkunst Deze waaier biedt u twaalf tips om u op weg te helpen een cultureel divers netwerk op te

Nadere informatie

Kunstendecreet. decreet ondersteuning professionele. kunsten Vlaamse Gemeenschap

Kunstendecreet. decreet ondersteuning professionele. kunsten Vlaamse Gemeenschap Kunstendecreet decreet ondersteuning professionele kunsten Vlaamse Gemeenschap Vernieuwing regelgeving Kunsten 1. Historiek 2. Structuur nieuwe Kunstendecreet 2.1. Organisatie Kunstenbeleid 2.2. Subsidie

Nadere informatie

Raad voor Cukuur. De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen mevrouw drs. M. van der Laan Postbus 25000 2700 LZ Zoetermeer

Raad voor Cukuur. De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen mevrouw drs. M. van der Laan Postbus 25000 2700 LZ Zoetermeer Raad voor Cukuur Aan De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen mevrouw drs. M. van der Laan Postbus 25000 2700 LZ Zoetermeer Onderwerp R.J. Schimmelpennincklaan 3 Subsidieverzoek amateurtheater-festival

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 2013 2014 33 750 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2014 F VERSLAG VAN

Nadere informatie