Tweede Kamer der Staten-Generaal

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Tweede Kamer der Staten-Generaal"

Transcriptie

1 Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar Bezoek van een delegatie uit de vaste Commissie voor Economische Zaken aan Japan en Hong Kong Nr. 1 1 Samenstelling: Leden: Van der Spek, Van Dis (SGP), Salomons (PvdA), Van der Hek (PvdA), voorzitter, Kombrink (PvdA), Braams (VVD), Jacobse (VVD), ondervoorzitter. Van der Linden (CDA), Spieker (PvdA), Lansink (CDA), De Korte (VVD), Van Erp (VVD), Gerritse (CDA), Zijlstra (PvdA), Mateman (CDA), Van lersel (CDA), Van Vlijmen (CDA), Lankhorst (PPR), Schartman (CDA), Tommei (D'66), Eshuis (CPN), Van der Kooij (VVD), Alders (PvdA), Vos (PvdA). Plv, leden: Groenman (D'66), Wagenaar, Vermeend (PvdA), Castricum (PvdA), Toussaint (PvdA), Linschoten (VVD), De Grave (VVD), Oomen-Ruijten (CDA), Ter Veld (PvdA). Van Muiden (CDA), Rempt Halmmans de Jongh (VVD), Nijhuis (VVD), Bosman (CDA), Wöltgens (PvdA), De Boer (CDA), Van den Toorn (CDA), Couprie (CDA), Willems (PSP), Engwirda (D'66), Joekes (VVD), Tazelaar (PvdA), Rienks (PvdA). 2 De heer van der Doef heeft voor de vaststelling van dit verslag als kamerlid bedankt, maar hij kan zich wel met de inhoud verenigen VERSLAG VAN EEN WERKBEZOEK Vastgesteld 28 mei 1986 Een delegatie uit de vaste Commissie voor Economische Zaken' heeft van 10 tot en met 25 januari 1986 een werkbezoek gebracht aan Japan en Hong Kong. De delegatie bestond uit de leden Van der Hek (voorzitter), Van der Doef 2, Van lersel, Eshuis en Van der Kooij. De griffier van de commissie trad tevens als griffier van de delegatie op. De delegatie brengt van dit werkbezoek als volgt verslag uit. In de inleiding (hoofdstuk I) wordt het doel van de reis toegelicht. De hoofdstukken II en III geven een analytisch verslag van de door de delegatie verkregen inlichtingen, alsmede van de conclusies die de delegatie daaruit heeft getrokken. Het programma van de reis en de namen van de personen die de delegatie hebben ontvangen, zijn in een bijlage opgenomen. Aan hen allen is de delegatie veel dank verschuldigd. Een bijzonder woord van dank geldt de Japanse ambassadeur en zijn medewerkers hier ter stede, die bij de voorbereiding van het bezoek zeer behulpzaam zijn geweest. In het algemeen heeft de delegatie veel profijt gehad van de voorbereidende gesprekken die zij in Nederland heeft gevoerd. Op deze plaats wil zij nog eens haar dank uitspreken aan degenen die in de voorbereidende fase met haar van gedachten hebben willen wisselen. In de inleiding bij dit verslag staan hun namen vermeld. Ook de Nederlandse ambassadeur en zijn staf in Tokio, de consul-generaal in Kobe en de consul-generaal en zijn medewerkers in Hong Kong is de delegatie zeer erkentelijk. Zij hebben binnen het door de delegatie opgestelde referentiekader ter plaatse de afspraken gemaakt en voorts tijdens het bezoek de delegatie begeleid en van nuttige achtergrondinformatie voorzien. Ofschoon het beschrijvende gedeelte van het onderhavige verslag tevoren ter beoordeling is voorgelegd aan de Nederlandse vertegenwoordigers in Japan en Hong Kong en aan de Japanse ambassade in Den Haag, komt de inhoud ervan geheel voor de verantwoording van de delegatie. De voorzitter van de delegatie, Van der Hek De griffier van de delegatie, Koppen S-IZ Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 1 1

2 Inhoudsopgave I. INLEIDING 3 II. JAPAN Blz. A. Economisch beleid 4 1. Economische groei 4 2. Consumptieve bestedingen en particuliere besparingen 6 3. Overheidsfinanciën 7 4. Landbouw Industriebeleid Technologiebeleid Buitenlandse handel Geld- en kapitaalmarkt en monetair beleid Buitenlandse investeringen Arbeidsmarkt en arbeidsverhoudingen 31 B. Bedrijfsleven Industriële ondernemingen Bankwezen Handelshuizen (sogo shosha's) 39 C. Constateringen, conclusies, aanbevelingen 42 III. HONGKONG 48 A. Als politieke entiteit Historische achtergrond Staatkundige positie 50 B. Als economische entiteit De welvaart van Hong Kong Buitenlandse handel Bankwezen Volkshuisvesting Het belang van Hong Kong voor de economische ontwikkeling van China 58 VERKLARING VAN DE NOTEN 62 BIJLAGE 64 4 Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 1 2

3 I. INLEIDING Het idee dat het wenselijk zou zijn een werkbezoek aan enkele landen in het Verre Oosten te brengen is ontstaan in de kring van de vaste Commissie voor Economische Zaken en werd daar voor het eerst besproken op 16 april De discussie mondde uit in een voorstel aan het Presidium van de Tweede Kamer, waarin de commissie verzocht te bewilligen in de uitzending van een delegatie, bestaande uit vijf leden en bijgestaan door een griffier, voor een bezoek van circa twee weken aan Japan en Hong Kong. In september 1985 kreeg de commissie bericht dat de noodzakelijke financiële middelen uit de begroting van de Kamer voor dit doel ter beschikking konden worden gesteld. Daarmee kon de concrete voorbereiding van de reis een aanvang nemen. Door de commissie was een kader vastgesteld, dat de instemming van het Presidium had verworven. De delegatie heeft daaraan een eigen uitwerking gegeven in nauw overleg met enkele departementale diensten, wier medewerking door de betrokken bewindslieden bereidwillig was toegezegd. Wat betreft de organisatorische voorbereiding was vooral de medewerking van het directoraat-generaal voor de Buitenlandse Economische Betrekkingen van het ministerie van Economische Zaken van belang, dat de verbindingen onderhield met de betrokken Nederlandse diplomatieke posten in het buitenland. De inhoudelijke voorbereiding bestond voorts uit een serie gesprekken met personen die in verschillende hoedanigheden deskundigheid bezitten op het gebied van Japan en soms ook Hong Kong. In chronologische volgorde werd gesproken met drs. R. Hamersma (Philips International), de heer A. G. Karl (Dutch & Japanese Trade Federation), ir. R. T. Steinbuch, mevrouw Kimiko Kawabata, de heer Th. Bouwman, de heren drs. W. B. Moret en Masami Daito (Moret & Limperg), de heren mr. W. Minzinga-Zijlstra (voorheen Shell Japan) en 0. P. D. Croiset van Uchelen (Shell Nederland), de heren J. J. N. Rost Onnes en dr. C. J. Oort (ABN), de heren drs. F. A. Engering (directeur-generaal voor de BEB) en drs. H. Leliveld (directeur-generaal voor Industrie), dr. W. Maarse en mevrouw mr. J. M. van Vliet (EVD) en de heer M. J. Drabbe (AMRO). Het doel van de reis was van de aanvang af in zeer algemene termen geformuleerd als het «verkrijgen van inzicht in de ontwikkeling die leidt tot een verplaatsing van het economisch zwaartepunt in de wereld van de «Atlantische» naar de «Pacific» regio». In de uitnodigingen aan de bovengenoemde personen waren de contouren van het bezoek als volgt geconcretiseerd: «Het bezoek moet leiden tot een beter begrip van wat ons in de nabije toekomst te wachten staat, opdat klaarheid ontstaat over de eisen die aan onze eigen economische ontwikkeling moeten worden gesteld. Japan lijkt een greep te doen naar het economisch leiderschap in de wereld. Wil Nederland binnen Europa daarop een succesvol antwoord kunnen geven - vooral in de vorm van een eigen technologiebeleid - dan is het, zo meent de commissie, van belang diepgaand kennis te nemen van de Japanse aanpak. Het marktmechanisme heeft in Japan wellicht een andere functie als bij ons. Het is de vraag door welke organisatie- en produktiestructuren en door welke handels- en industriepolitieke strategie het Japanse model gekenmerkt wordt. Bij welke sectoren liggen de zwaartepunten? In het algemeen luidt de vraag welke rol Japan voor zichzelf in de wereld-economie ziet weggelegd. In dit verband zou het interessant zijn te onderzoeken welke rol MITI, de banken en de grote concerns precies spelen. Ook het Japanse vestigingsbeleid in West-Europa kan aan de orde komen. Het onderzoek van de delegatie zal zich in Japan in het bijzonder richten op de sectoren van de industrie, buitenlandse handel en daarmee samenhangende dienstverlening. Ook de sociale en arbeidsverhoudingen waren in het onderzoek te betrekken. Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 1 3

4 Het bezoek aan Hong Kong heeft een geheel andere betekenis. Deze stad wordt immers beschouwd als een uitkijkpost in het Verre Oosten en een trait d'union met het Westen. De delegatie kan zich daar op de hoogte stellen van de verwachtingen die leven ten aanzien van de economische ontwikkeling van vooral het zuidelijk gedeelte van China. Daarnaast acht de commissie een bezoek aan Hong Kong nuttig wegens de belangrijke rol die de kroonkolonie zelf vervult in de sectoren van het bankwezen en de commerciële dienstverlening en bij het vinden van afzetmarkten. De delegatie zou onder meer aandacht moeten besteden aan de intermediaire positie van Hong Kong bij de financiering van de handel, in het licht van de bijzondere staatkundige verhoudingen ter plaatse.» De delegatie wil bevorderen dat over het onderhavige verslag een schriftelijke en mondelinge gedachtenwisseling met de regering zal ontstaan. De vorm waarin dit zal geschieden ware te bepalen door de vaste Commissie voor Economische Zaken. II. JAPAN A. Economisch beleid 1. Economische groei Het succes van de Japanse economie wordt meestal geïllustreerd aan de hand van de trendmatige ontwikkeling van de omvang van het Bruto Nationaal Produkt, het BNP per hoofd van de bevolking, aard en omvang van de industriële investeringen, het aandeel in de internationale handel, de stand van de technologische ontwikkeling en de werkgelegenheid als percentage van de beroepsbevolking. Thans is het aandeel van Japan in het totale Bruto Nationaal Produkt van alle landen der wereld tezamen reeds groter dan 10 procent. De gesprekspartners van de delegatie onderscheidden in de naoorlogse economische groei een aantal fasen. Steeds werd daarbij een indeling gemaakt in vier perioden. De eerste periode, van 1945 tot grofweg 1955, was die van economisch herstel. De volgende fase, van 1955 tot 1973, was die van snelle economische groei. In de daarop volgende periode, van 1973 tot 1983, kreeg Japan onder meer te maken met twee oliecrises. Het was de tijd van vertraagde groei en van aanpassing. Inmiddels is Japan aangeland in de vierde periode, die van stabiele economische groei. De nadruk moet daarin volgens de verschillende woordvoerders liggen op het dragen door Japan van internationale verantwoordelijkheid. Volgens de Japanse regering mag voor het begrotingsjaar dat op 1 april 1986 aanvangt een economische groei worden verwacht van 4 procent van het BNP (5,1 procent in nominale termen). De meeste particuliere organisaties zijn echter pessimistischer. De woordvoerders van Keidanren (de overkoepelende werkgeversorganisatie) achtten een groeicijfer van 2,7 procent (4,1 procent nominaal) realistischer. Dit verschil in taxatie berust op een uiteenlopende verwachting van de groei van de consumptie. Keidanren verwachtte een stagnatie van de export en een daling van de kapitaalsinvesteringen, als gevolg van de afwezigheid van een «locomotief» of trekpaard. Voor de consumentenprijzen werd door Keidanren een prijsstijging van 1,5 procent verwacht (volgens de Japanse regering 1,9 procent) en voor de groothandelsprijzen een daling van 3 procent (volgens de regering 1,8 procent). Bij de Europese Commissie werd aanvankelijk voor Japan nog een groei verwacht van 4 procent, tegenover 2, 5 procent voor de Europese Gemeenschappen en de Verenigde Staten. Inmiddels is voor Japan de groeiverwachting naar beneden bijgesteld. Deze recessie zou het gevolg zijn van het uitblijven van een stimulering van de binnenlandse vraag. Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 1 4

5 De Japanse groeicijfers steken desondanks, zeker over een langere periode genomen, gunstig af bij de Westeuropese. Uiteraard heeft de delegatie zich verdiept in mogelijke verklaringen voor dit fenomeen. Deze belangstelling vloeit voort uit de in de inleiding uiteengezette vraagsteling. Overigens is de delegatie niet blind voor mogelijke schaduwzijden van het Japanse succes. Deze liggen in de sfeer van de consumptieve bestedingen, de sociale zekerheid, de arbeidsvoorwaarden, het milieu en het welzijn. Aan enkele van deze aspecten wordt hieronder aandacht besteed in de paragrafen 2 en 10 van dit hoofdstuk onder A. Ook aan Japanse zijde heeft men zich in de oorzaken van het eigen economische succes verdiept. Opvallend is de plaats die de Japanners zelf toekennen aan min of meer cultureel bepaalde factoren. Een factor die telkens wordt genoemd, is de prestatiegerichtheid waarmee het Japanse leven doordrenkt is, te beginnen vanaf de scholen. Ook in het proces van éénwording van het Japanse volk heeft het onderwijs een belangrijke rol gespeeld. Het is de delegatie opgevallen dat haar Japanse gesprekspartners op alle terreinen goed gedocumenteerde, statistische beschouwingen geven over de relatieve positie van Japan in het verloop van de tijd ten opzichte van andere landen. Deze beschouwingen over de «score» van Japan passen in een beleid van overheid en bedrijfsleven dat sterk taakstellend is. Zowel van de zijde van de overheid (MITI) als van het bedrijfsleven (Keidanren) wordt gewezen op de harmonie waarin overheid en bedrijfsleven steeds hebben samengewerkt, zonder dat dit ten koste ging van de vitaliteit van de ondernemingen. Op de binnenlandse markt is op het eerste gezicht eerder sprake van scherpe concurrentie dan van samenwerking. Dit heeft volgens de delegatie niet alleen te maken met de eerder genoemde prestatiegerichtheid, maar ook met de algemene benadering van MITI (het ministerie van internationale handel en industrie) en van Keidanren: de grote ondernemingen worden min of meer op hetzelfde spoor gezet, dus komen ze elkaar tegen in het betwisten van een marktaandeel. Een oplossing kan dan gevonden worden in omzetvergroting, vooral via een vergroting van de buitenlandse afzet. De daaruit resulterende economische groei maakt ordelijk economisch verkeer mogelijk. De felle concurrentie op de binnenlandse markt roept wel enkele vragen op. Zo rijst de vraag of deze concurrentie geleid heeft tot beduidende verschuivingen in de marktaandelen van de onderscheiden grote ondernemingen. Voorts kan men zich afvragen waarom, indien deze concurrentie zo scherp is (kopersmarkt), buitenlandse importeurs dan toch klagen over de ontoegankelijkheid van de Japanse markt. Een mogelijke verklaring is te vinden in de organisatie van industrie, diensten, groothandel en detailhandel, die ongetwijfeld een grote rol speelt in de concurrentieverhoudingen. Hoe MITI samen met het bedrijfsleven de Japanse economie bestuurt, wordt nader bezien in paragraaf 5 van dit hoofdstuk onder A. Op deze plaats zij echter al vermeld dat de delegatie het onwaarschijnlijk acht dat de sterke gerichtheid van Japan op de export van industriële goederen en diensten snel zal veranderen. Deze is immers mede het gevolg van zijn geografische positie (lange aanvoerlijnen en grote afstand tot de afzetmarkten) en van de afwezigheid van voldoende eigen grondstoffen. Tenslotte zij nog opgemerkt dat economische groei niet alleen verband houdt met de aanbodzijde van de economie, maar ook te maken heeft met het gedrag aan de vraagzijde van de markt. De Japanse consument denkt en handelt over het algemeen modieus, is altijd uit op het nieuwste en het meest moderne en gedraagt zich zeer kwaliteitsbewust. Japan heeft de reputatie in consumentensectoren de moeilijkste markt ter wereld te zijn: wie het daar maakt, maakt het overal. Aan de gestelde normen kunnen veel buitenlandse aanbieders niet tippen. Dit kwaliteitsbewustzijn loopt parallel aan een gerichtheid op technologische geavan- Tweede Kamer, vergaderjaar , 19550, nr. 1 5

6 ceerdheid, die de aanvaarding van nieuwe technologieën door het personeel in ondernemingen vergemakkelijkt. Het zal duidelijk zijn, dat in een zeer prestatiegerichte markt als de Japanse het consumentengedrag een afzonderlijke aanjager vormt voor de ontwikkeling van kwaliteitsprodukten en voor het proces van economische groei. 2. Consumptieve bestedingen en particuliere besparingen Zoals uit de onderstaande tabel en grafiek kan blijken, realiseren de Japanse huishoudens een hoog niveau aan besparingen. Voor het gezin van een geschoolde werknemer met twee kinderen lag dit niveau in 1984 op 21,3 procent. Tabel 1 Grafiek 1 Japanese Household Accounts (1984)" Amount per Month (Yen) (US$) b > Income 424,025 1,785 Regular ,153 Temporary & bonuses^1 77, Disposable Income 359,353 1,513 Living expenditure 282,7'6 1,190 Food 73, Housmg, fuel & light Clothing & footwear 19, Medical care Education 11, Reading & recreation 24, Propensity to save 21.3% a) For salanea worker households Average number ol persons per household=3 79 b) US$1 00=Ï23752 c) Household head only Source Pnme Ministers Office. Japan Trends in Household Saving Rates ( )" V Franc e Germany. FR ''* *: ^!.'>..«*< UK ' ~\ USA \ T^ ' a) Household saving rate=household saving - household disposable income Source Bank of Japan Comparative International Statistics Uit de betalingsbalans mag afgeleid worden dat Japan een aanzienlijk spaaroverschot kent, dat vooral zijn weg vindt naar het buitenland door middel van kapitaalexporten (zie paragraaf 8 van dit hoofdstuk onder A). De delegatie had dan ook de vraag te beantwoorden, waarom de particuliere besparingen zo hoog zijn. Op grond van uitvoerig gedocumenteerde inlichtingen die de delegatie onder meer op het ministerie van Financiën ontving, kan daarover het volgende gezegd worden. Het niveau van de collectieve voorzieningen en vooral dat van de inkomensoverdrachten is in Japan laag te noemen. Dit brengt de Japanner ertoe veel op zijn inkomen te besparen: voor het onderwijs van zijn kinderen, voor zijn oudedag, voor zijn huis. In het algemeen legt hij geld opzij om een appeltje voor de dorst te hebben. De regering bevordert dit krachtig. Spaartegoeden bij de banken zijn tot 6 miljoen yen per jaar en per persoon vrijgesteld van belasting. Hoewel per natuurlijk persoon slechts bij één gewone bank en bij één postbank een rekening a 3 miljoen yen van belastingheffing kan worden uitgezonderd, bestaat er geen beletsel tegen het openen van meer rekeningen op naam van verschillende leden van een familie. Dat dit systeem niet geheel waterdicht is, kan blijken uit een gegeven dat werd verstrekt door de Bank of Tokyo, dat er namelijk op een bevolking van Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 1 6

7 ongeveer 120 miljoen mensen circa 250 miljoen belastingvrije deposito's van elk 3 miljoen yen worden aangehouden. Het deel van het BNP dat op die manier aan de belastingheffing wordt onttrokken, zou 5 procent bedragen. Ook de particuliere besparingen ten behoeve van de huisvesting worden fiscaal begunstigd. Bij discussies over het Japanse overschot op de handelsbalans wordt begrijpelijkerwijs nogal eens geopperd dat deze hoge spaarquote mogelijkheden zou bieden ter stimulering van de binnenlandse vraag. Daarbij kan worden gedacht aan verbetering van huisvesting en van infrastructuur (rioleringen, wegennet, openbare groenvoorziening en dergelijke) en aan vergroting van de vraag naar consumptiegoederen. De Japanners beschikken, vooral in de grote steden, over beduidend minder vierkante meters aan woonruimte dan de gemiddelde Westeuropeaan of Noordamerikaan. Naar verbetering van huisvesting en infrastructuur gingen de gedachten uit bij onder meer de Bank of Tokyo. Van die zijde werd gesteld dat de overvloed («abundance») op alle andere terreinen van consumptie zó groot is, dat daar geen reële groeimogelijkheden meer zijn. Van andere zijde werd echter gesteld dat de mogelijkheden tot verruiming van de huisvesting beperkt zouden zijn door de geringe beschikbaarheid van geschikt bouwareaal, als gevolg van het bergachtige karakter van een groot deel van het Japanse grondgebied. Desalniettemin ligt hier volgens de delegatie nog een mogelijkheid tot een aanwending van het nationale spaaroverschot op een wijze die, via een mogelijke verhoging van het binnenlandse rentepeil, zou kunnen bijdragen aan de oplossing van de internationale handelsproblemen. Op de mogelijkheden tot vergroting van de vraag naar geïmporteerde goederen wordt hieronder in paragraaf 7 van dit hoofdstuk onder A nader ingegaan. Op deze plaats zij echter al gewezen op enkele tegenwerpingen die van Japanse zijde werden gemaakt. In de eerste plaats werd (bij Sumitomo) gewezen op de bestaande overcapaciteit in de Japanse industrie. Stimulering van de binnenlandse vraag zou dus allereerst leiden tot een vermindering van die overcapaciteit en niet tot een vergroting van de import. In de tweede plaats werd de delegatie verzekerd dat de Japanse spaarquote slechts marginaal kan dalen, aangezien de kosten van onderwijs en pensioenen veel zwaarder op de gezinnen drukken dan bij ons het geval is. In de derde plaats ziet de Japanse regering ongaarne dat een eventuele vergroting van de effectieve vraag ten koste gaat van de mogelijkheden tot dekking van het overheidstekort op de algemene rekening van de begroting, via onder meer het zogenaamde «Fiscal Investment and Loan Program». Alvorens hierop nader wordt ingegaan, volgt eerst een enkel woord over de structuur van de Japanse rijksbegroting en over het belastingregime. 3. Overheidsfinanciën Aan de inkomstenkant bestaat de Japanse rijksbegroting, volgens informatie verkregen op het ministerie van Financiën, uit drie categorieën. In de eerste plaats zijn dat de belastinginkomsten. De tweede categorie is die van de «niet-belasting en overige» inkomsten, waartoe ook de bijzondere inkomsten behoren waarover sommige ministeries kunnen beschikken (loterijen en dergelijke). In de derde plaats zijn er de staatsobligaties, die weer kunnen worden onderscheiden in «construction bonds» en «deficit-financing bonds». Daartegenover staan aan de uitgavenkant de gewone uitgaven, de nationale schuld en de afdrachten aan het lokale bestuur. Van de middelen verworven via de inkomsten- en vennootschapsbelasting en via de accijns op dranken gaat 32 procent naar het lokaal bestuur. Het ministerie van Financiën toonde zich duidelijk bezorgd over de omvang van het begrotingstekort en over de daaruit resulterende rentelast. Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 1 7

8 Op de begroting voor het fiscale jaar 1986, dat op 1 april aanvangt, is de nationale schuld met 20,9 procent de grootste post. Tot 1975 kon het tekort nog worden gedekt door het uitgeven van obligaties voor overheidsinvesteringen in bepaalde projecten («construction bonds»). Toen hiermee niet langer in het groeiende tekort kon worden voorzien, werd begonnen met de uitgifte van «deficit financing bonds». Inmiddels hebben de uitstaande leningen van de Japanse regering een omvang bereikt van 42,3 procent van het BNP (cijfers van het ministerie van Financiën en van de Bank of Tokyo). Iets minder dan de helft daarvan bestaat uit «deficit financing bonds». Per hoofd van de bevolking groeit de nationale schuld sneller dan in, bij voorbeeld, de Verenigde Staten, aldus de woordvoerders van het ministerie van Financiën. De Japanse regering probeert de omvang van het begrotingstekort terug te dringen door de afhankelijkheid van «deficit financing bonds» te verminderen en de uitgifte daarvan uiterlijk in 1990 geheel te eindigen. Het middel daartoe is bezuiniging op de gewone uitgaven. Sinds vier jaar is het gelukt die op hetzelfde niveau te stabiliseren. Voorbeelden van doorgevoerde bezuinigingen zijn een verlaging van de subsidie op rijstprijzen, een eigen bijdrage van 10 procent in de ziektekosten en een beperking van de «carry back» in de vennootschapsbelasting (minder bedrijven kunnen hun belasting compenseren met geleden verliezen). Uiteraard is het niet gemakkelijk tegelijkertijd het overheidstekort te bestrijden en te voldoen aan de wens van het buitenland dat een politiek van economische expansie gevoerd wordt. Op het ministerie van Financiën achtte men de ruimte voor vergroting van de overheidsuitgaven zeer beperkt. Wel had men zijn best gedaan de uitgaven van de lokale overheden en van de overheidsbedrijven te verruimen. In dit verband werd tevens gewezen op de gunstige gevolgen van de revaluatie van de yen (zie hiervoor paragraaf 8 van dit hoofdstuk onder A en op de stimulerende uitwerking van dereguleringsmaatregelen op de particuliere bestedingen, bij voorbeeld op het gebied van volkshuisvesting en stadsontwikkeling. Het ministerie van Financiën poogt hier een compromis te vinden tussen enerzijds de wens het financieringstekort terug te dringen en anderzijds het verlangen de overheidsuitgaven toch te laten groeien. Dat kan alleen door de inkomsten te vergroten, maar dan zo dat het beoogde doel niet wordt gemist. Daarbij werd de delegatie erop gewezen dat onder Amerikaanse druk de uitgaven voor defensie en ontwikkelingssamenwerking zouden moeten stijgen, terwijl ook de algemene rekening van de begroting de gevolgen van de vergrijzende Japanse bevolking zou gaan ondervinden. Het tekort neemt inderdaad af, terwijl de begroting voor 1986 met 1,6 procent groeit ten opzichte van de herziene begroting voor het begrotingsjaar dat op 31 maart 1986 eindigt. Het beoogde compromis is vooral gevonden in een aanpassing van de belastingpolitiek (een overzicht van de genomen belastingmaatregelen en een tabel van de lastenverzwaringen en verlichtingen zijn als noot aan dit verslag toegevoegd 1 ). Zo wordt voor bepaalde investeringen vermindering van belasting gegeven. Dit geldt voor het kopen van een huis, obligaties ten behoeve van de verkeersverbinding die dwars over de baai van Tokio zal worden aangelegd, voor de aanschaf van energiebesparende machines en overige uitrusting en in het algemeen voor investeringen door het midden- en kleinbedrijf, in het bijzonder als het daarbij gaat om de aanschaf van ingevoerde goederen. Tegenover deze lastenverlichtende maatregelen staan echter lastenverzwaringen ten nadele van vooral het bedrijfsleven die per saldo tot meer inkomsten voor de schatkist leiden. Het verhogen van de tabaksaccijns doet heel vertrouwd aan. Het effect lijkt te zijn dat de binnenlandse bestedingen en de importen er enigszins door bevorderd zullen worden. Ook wordt gedacht aan een herstructurering van het belastingsysteem, dat sinds 1950 in wezen onveranderd is gebleven. Het tarief voor de vennootschapsbelasting bedraagt 43,3 procent voor de grote concerns, Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 1 8

9 waarbij de grootte wordt gedefinieerd naar de omvang van het eigen vermogen. Voor de kleinere ondernemingen geldt een lager tarief. Het huidige belastingsysteem stimuleert de besparingen. Particulieren kunnen belastingvrij spaardeposito's aanhouden. Het onderzoek naar mogelijkheden tot herziening van het belastingstelsel dat nu gaande is, heeft volgens het ministerie van Financiën niet als doel een wijziging in de bestaande gemiddelde belastingdruk aan te brengen. Wel is onder meer de verhouding tussen directe belastingen (circa 70 procent) en indirecte belastingen in het geding. Afgezien van de algemene rekening van de begroting beschikt de overheid over een speciaal instrument waarmee besparingen kunnen worden omgezet in investeringen van de overheid en het bedrijfsleven, alsmede in medefinanciering van het overheidstekort. Dit is het zogenaamde «Fiscal Investment and Loan Program» (FILP). Via het FILP wordt langs een aantal lijnen geld onttrokken aan de particuliere sector ter dekking van de financieringsbehoefte die tot uitdrukking komt via de uitgifte van staatsobligaties (Fiscal Loan Program) en voor een aantal specifieke bestemmingen (Fiscal Investment Program). Dit geschiedt geheel buiten de gewone begroting om, ofschoon het programma evenals bij de rijksbegroting het geval is, jaarlijks in de maand januari ter goedkeuring aan het parlement wordt voorgelegd. In het begrotingsjaar 1985 had het FILP een omvang gelijk aan 39,7 procent van de begroting waarop de «gewone» uitgaven staan vermeld. Dit komt overeen met circa 6,5 procent van het BNP. Zoals uit een vergelijking van de tabellen 2 en 3 blijkt, nemen de uitgaven onder het FILP in het begrotingsjaar 1986 met ruim 6 procent toe, zonder dat het programma als geheel een tekort laat zien. Tabel 2. Herkomst van de middelen van het FILP FY 1985" FY 1986* Percentage increase (%) (billion yen) Industrial Investment Special Account Trust Fund Bureau Fund 20, Postal Savings 6, , Welfare Pensions 3, , Repayments, etc. 9, , Postal Life Insurance Fund 2, , Government-Guaranteed Bonds and Borrowings 3, , Total 25, , " These figures include the subscription of government bonds of 5,000 billion yen for FY 1985 and 5,000 billion yen for FY 1986 by the Trust Fund Bureau. De middelen voor het FILP zijn afkomstig uit vier bronnen. In de begroting voor het fiscale jaar 1986 wordt 60 miljard yen rechtstreeks onttrokken aan de «Industrial Investment Special Account» en uitsluitend aangewend voor het Fiscal Investment Program. Een bedrag van 3200 miljard yen wordt van particuliere beleggers geleend via de uitgifte van door de regering gegarandeerde obligaties. Een iets kleiner deel, namelijk 3100 miljard yen, wordt geleend van het «Postal Life Insurance Fund», dat op deze wijze 72 procent van de door de postbanken ontvangen Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 1 9

10 levensverzekeringspremies belegt. Meer dan driekwart, namelijk 20,7 triljoen (= miljard) yen, zal echter worden uitgeleend door het «Trust Fund Bureau». Deze instelling kan beschikken over de spaartegoeden van particulieren bij de postbanken, over reserves van verschillende programma's in de sfeer van sociale verzekeringen en pensioenen en over de reserves van enige speciale door de regering beheerste rekeningen. Tabel 3. Allocatie van de middelen uit het FILP FY 1985 FY 1986 Percentage increase (%) (biliion yen) Housing 5, , Water Supply, Sewers and other Living Environment 3, , Welfare Education Small and Medium Size Enterprises 3, , Agriculture, Forestry and Fishery Land Conservation and Disaster Reconstruction Roads 1, , Transportation and Communication 1, , Development of Under-Developed Regions Basic Industries Trade and Economie Cooperation 1, , Total 20, , Wat zijn nu de «specifieke bestemmingen» waarop hierboven werd gedoeld? Met andere woorden: waartoe worden de omvangrijke middelen die het FILP ter beschikking staan aangewend, afgezien van het deel (18,4 procent) dat wordt omgezet in staatsobligaties? Op het ministerie van Financiën worden vijf categorieën van bestemmingen onderscheiden. Een belangrijk deel (19,2 procent) gaat naar de lokale besturen. De rest (62,4 procent) wordt verdeeld over de speciale rekeningen van de rijksoverheid, de met de regering geaffilieerde instellingen, de staatsbedrijven («Japanse National Railways» en «Nippon Telegraph and Telephone») en de «speciale maatschappijen» (onder andere «Japan Airlines» en de elektriciteitssector). Via de acht speciale rekeningen worden uitgaven gefinancierd op het gebied van onder meer bosbeheer, ontginningen, ziekenhuizen en scholen. Tot de 12 met de regering geaffilieerde instellingen behoren onder meer de «Japan Development Bank» en de «Export-Import Bank of Japan». De grootste bedragen gaan naar instellingen die zich bezighouden met het verstrekken van leningen ten behoeve van de volkshuisvesting en het midden- en kleinbedrijf («Small Business Finance Corporation», «National Finance Corporation» en «Housing Loan Corporation»). Onder de met de regering geaffilieerde instellingen zijn er tevens die zich toeleggen op de ontwikkeling van achtergebleven regio's in het eigen land, financiering van buitenlandse handel en investeringen, landbouw en visserij, milieu en medische zorg. Het FILP-mechanisme komt erop neer dat een aantal activiteiten die stimulerend zijn voor de binnenlandse bestedingen en de economie als Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 1 10

11 geheel, gebaseerd is op relatief goedkoop geld dat afkomstig is uit spaartegoeden en premies van burgers, onder overheidsgarantie op de kapitaalmarkt verkregen geld, alsmede bijdragen uit de algemene rekening van de begroting om in bepaalde gevallen een nog lagere rente te berekenen. Dit gaat als volgt in zijn werk. Aan de particuliere spaarders bij de postbanken wordt 5,5 procent rente uitgekeerd. De aantrekkelijkheid voor de particuliere spaarder vloeit voort uit de eerdergenoemde belastingvrijstelling, uit de makkelijke bereikbaarheid van de postkantoren en uit de overheidsgarantie op het tegoed. Bovendien wordt in de OESO-studie over Japan van juli 1984 gewezen op de factor dat de rentepolitiek van de postbanken anti-cyclisch is. De OESO wijst er tevens op dat de middelen die de postbanken aantrekken sinds het begin van de jaren 1980 in volume een dalende tendens vertonen, mede als gevolg van de hogere rente die elders kan worden genoten 2. Het «Trust Fund Bureau» geeft vervolgens langlopende leningen uit tegen 6,8 procent rente, hetzelfde percentage dat wordt betaald aan de financiers van het bureau, waaronder de postbanken een voorname plaats innemen. De «Japan Development Bank» zet daar een kleine marge op: de «long term prime rate» bedraagt 6,8 a 7,2 procent. Soms worden met behulp van subsidies uit de algemene begrotingsmiddelen lagere percentages berekend. Zo kan de «Housing Loan Corporation» leningen verstrekken tegen 5,5 procent rente. Het midden- en kleinbedrijf kan op die manier leningen verkrijgen tegen 7,1 procent rente. Tegenwoordig worden door de «Japan Development Bank» en door de «Export-Import Bank of Japan» tegen lage rentes ook leningen ter beschikking gesteld ter bevordering van de import van industriële goederen, ter stimulering van de buitenlandse investeringen van Japanse firma's en ter aanmoediging van buitenlandse investeerders in Japan. De invloed van het FILP op de economische ontwikkeling van Japan is, zo zegt ook het ministerie van Financiën, moeilijk in cijfers uit te drukken. Tekenend is wel dat in de loop der jaren de bijdrage uit het FILP aan de basis-industrieën als mijnbouw, elektriciteitsproduktie en scheepsbouw sterk is afgenomen, terwijl het aandeel van bij voorbeeld de volkshuisvesting zowel relatief als absoluut sterk is gegroeid. Grafiek 2 geeft hiervan een beeld. Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 1 11

12 o 0) 5' ro Trend of Component Ratios of Funds Allocated by FILP 100 CD CD Q- CD 7\ 3 CD I a. CD O) CU co co ui i CD 00 Oi CO CJI CJ1 o Trade Promotion and Economie Cooperation " I I 1 I I I I r Ni '53 '54 '55 '56 '57 '58 '59 '60 '61 '62 '63 '64 '65 '66 '67 '68 '69 '70 '71 '72 '73 '74 '75 '76 '77 '78 '79 '80 '81 '82 '83 '84 '85

13 De funding van het FILP kan een probleem gaan vormen wanneer de pensioenfondsen en de levensverzekeringsmaatschappijen van de posterijen tot omvangrijke uitkeringen moeten overgaan als gevolg van de vergrijzing van de Japanse bevolking. Het ministerie van Financiën baart dit nu al zorgen. Evenals het streven naar deregulering van de kapitaalmarkt kan dat leiden tot een verlegging van spaargelden en lange-termijntegoeden naar andere doeleinden. Een verdere liberalisering van de geld- en kapitaalmarkt, die nu nog beperkt is tot bedragen boven de 100 miljoen yen, zal onherroepelijk van invloed zijn op de beleggingen bij de postbanken en daarmee op het FILP. Het ministerie van Financiën is bezig met een studie naar deze effecten. Van die zijde werd echter het vertrouwen uitgesproken dat het FILP zich aan gewijzigde omstandigheden zal weten aan te passen. Ten kantore van de permanente vertegenwoordiging van de Europese Commissie werd het Japanse belastingsysteem inadequaat geacht, onder meer wegens het geringe aandeel van de indirecte belastingen in de totale opbrengst. Van die zijde is steeds aangedrongen op expansie van de publieke sector, die slechts zo'n 25 procent beslaat. Japan is echter, aldus de zegslieden van de Europese Commissie, gefixeeerd op het overheidstekort. De twee oliecrises waren voor Japan een traumatische ervaring: sindsdien concentreert het zich op het aankweken van eigen reserves. Van de kant van de Europese delegatie toonde men zich ongevoelig voor het argument dat het schuldregime voor Japan een groot probleem is. Behalve op het inadequate belastingsysteem werd in dit verband verwezen naar een onlogisch element in de Japanse opstelling. Gedoeld werd op het feit dat de Japanse overheid wel bezwaar maakt tegen een groter beroep op de kapitaalmarkt via uitgifte van staatsobligaties, maar ondertussen niet ophoudt met het afsluiten van leningen op de geldmarkt via de postbanken. 4. Landbouw De Japanse landbouw viel, strict genomen, buiten het onderzoeksveld van de delegatie. Zonder een korte blik op de agrarische sector zou het beeld echter niet compleet zijn. In het bijzonder voor de bilaterale handelsbalans tussen Japan en Nederland is de landbouw van grote betekenis. Zo is van de Nederlandse bedrijven die naar Japan exporteren het aardappelverwerkende bedrijf Avebe qua exportvolume een van de grootste. Dit voorbeeld toont aan dat bij de landbouw niet alleen aan voedings- en genotmiddelen, maar ook aan derivaten gedacht moet worden. Ook de farmaceutica en de sierteeltprodukten zijn in dit kader van belang. De onderstaande opmerkingen zijn voornamelijk ontleend aan inlichtingen verkregen van de Nederlandse landbouwattaché in Tokio en aan de OESO-studie over Japan van augustus De oppervlakte cultuurgrond beslaat slechts 14,7 procent van de totale oppervlakte van het land. Dit is niet voldoende om de circa 120 miljoen inwoners van voldoende voedsel te voorzien. De zelfvoorzieningsgraad van Japan is laag. De Japanse land- en tuinbouw kan, generaliserend, ouderwets worden genoemd: soms ouderwets in de zin van kleinschaligheid - dit betreft vooral de rijstteelt - en soms ouderwets wat betreft de produktiemethoden. Het landbouwbeleid kan, eveneens generaliserend, als protectionistisch gekarakteriseerd worden. Dit beleid heeft een economisch facet (handhaving van een zekere graad van zelfvoorziening ondanks ongunstige natuurlijke omstandigheden) en een sociaal facet (bescherming van het inkomenspeil van de boeren). In dit verband mag niet onvermeld blijven dat de regerende Liberaal-Democratische Partij belangrijke politieke steun geniet op het platteland. Beschermende maatregelen kunnen de vorm aannemen van importrestricties en subsidies aan de binnenlandse producenten, al dan niet in Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 1 13

14 combinatie met een regulering van afzet en distributie. Tot de sfeer van de importrestricties behoren de hoge importtarieven en de lage quota's voor sommige produkten, de ingewikkelde voorschriften voor sommige waren (bij voorbeeld voedingsmiddelenadditieven) en de strenge phytosanitaire en veterinaire voorwaarden (bloembollen, zaden, vleeswaren en tot voor kort snijbloemen). De prijs van rijst wordt door de regering gesubsidieerd. Voor andere produkten neemt de bescherming de vorm aan van een combinatie van quotering en afzetregulering. Bij voorbeeld bij tarwe, vlees, suiker en zuivelprodukten worden de geïmporteerde hoeveelheden opgekocht door een «staatsmonopsonist» die zorgt voor de afzet op de binnenlandse markt. De daaruit resulterende winsten komen ten goede aan de binnenlandse producenten van tarwe, vlees, enz. Desondanks is Japan de grootste importeur van landbouwprodukten ter wereld. Dit wordt voor een groot deel veroorzaakt door de import van zowel voor menselijke consumptie als voor veevoer bestemde granen. Als gevolg van een verandering in de voedingsgewoonten valt een diversificatie in de import te bespeuren. De Japanners hebben een niveau van welvaart bereikt waarbij voldoende geld beschikbaar is voor nieuwe en relatief luxueuze consumptiegoederen. Daartoe behoort ook Westers voedsel. Vanouds bestaat het Japanse menu voor een groot deel uit rijst, vis en groenten, maar vooral de jongere generatie eet ook veel brood, vlees en andere Westerse voedingsmiddelen. 5. Industriebeleid Op het «Ministry of International Trade and Industry» (MITÏ) heeft de delegatie zich uitvoerig laten voorlichten over het Japanse industriebeleid. Dit werd door de gesprekspartners geplaatst in het kader van de overgang van de «pax americana» naar de «pax consortis». Hiermee werd gedoeld op het feit dat een einde is gekomen aan de eenzijdige dominantie van het Amerikaanse monetaire en handelssysteem. In plaats daarvan is de Amerikaanse economie nu «lotgenoot». Het bewustzijn van een mondiaal multipolair economisch stelsel maakt kennelijk volgens MITI een breder georiënteerde industriepolitiek van Japan, die meer dan in het verleden rekening houdt met ontwikkelingen elders in de wereld, noodzakelijk. Dit staat los van de ook in Japan ervaren noodzaak van internationale samenwerking bij industriële en technologische projecten, wegens de enorme groei van de kosten van onderzoek en ontwikkeling. Aan dit laatste aspect wordt aandacht besteed in de volgende paragraaf, die is gewijd aan het technologiebeleid. Volgens MITI onderscheidt het Japanse industriebeleid zich door drie hoofdkenmerken. In de eerste plaats is dat het respect voor het marktmechanisme. Hoewel dit mechanisme aanvulling en correctie behoeft, mag dit niet leiden tot onderschatting ervan. Het beleid is gericht op bevordering van een geest van ondernemerschap. Ook in het verleden heeft Japan er steeds naar gestreefd de «onzichtbare hand» van Adam Smith in harmonie te brengen met de «zichtbare hand» van het menselijk intellect en de ervaring, aangepast aan de omstandigheden van elk tijdperk. De gangbare economische theorieën zoals Keynesianisme en monetarisme worden ondergeschikt gemaakt aan het vinden van een flexibel en pragmatisch antwoord op de actuele vraagstukken. Het tweede hoofdkenmerk is de verspreiding van informatie door middel van de «Visies» van MITI. Het derde en met het vorige nauw samenhangende element is de nadruk die bij de uitvoering van het Japanse industriebeleid wordt gelegd op indirecte wijzen van beïnvloeding, gekarakteriseerd met de term «guidance». De voor Nederlanders meer vertrouwde instrumenten van belasting en subsidiëring komen hierna aan de orde bij de bespreking van het technologiebeleid. De begeleiding van MITI heeft niet het karakter van planning zoals die in de centraal geleide economieën voorkomt. Wel hebben de Visies van MITI een Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 1 14

15 duidelijk taakstellend karakter. Zij geven voor een periode van verscheidene jaren een vrij gedetailleerd inzicht in de economische structuur en de daarin wenselijk geachte veranderingen. 4 De Visies worden opgesteld door de «Industrial Structure Council» onder leiding van het «Industrial Policy Bureau» van het ministerie. In de «Industrial Structure Council», die is onderverdeeld in twintig commissies, treffen vertegenwoordigers van de overheid, het bedrijfsleven, de wetenschap en in beperkte mate vakbeweging en consumenten elkaar met een zekere regelmaat. Het doel van de werkzaamheden van deze raad is het doen van onderzoek en het plegen van overleg over de richting van het fundamentele beleid op lange termijn met betrekking tot de industriële structuur van Japan. Daarnaast dient de raad als overlegorgaan voor belangrijke actuele beleidsbeslissingen die binnen de competentie van MITI vallen. De raad produceert jaarlijks visies op de gewenste industriële structuur van het land, die een actualisering vormen van de geldende Visie voor de lange termijn. Thans is dat de «Vision of Industrial and Trade Policies for the 1980's» uit maart Er zijn ook andere soorten «visies». Sommige hebben betrekking op bepaalde vraagstukken van afzonderlijke industrieën. Na uitvoerig overleg met vertegenwoordigers van alle betrokken groeperingen wordt in de visies informatie openbaar gemaakt over de actuele situatie en de zich aftekenende trends in afzonderlijke industrieën en in de economie als geheel. De aldus geformuleerde visies bieden een betrouwbare bron van informatie die in beschouwing kan worden genomen bij het nemen van bedrijfsbeslissingen voor toekomstige activiteiten. Zij zijn echter geenszins bindend, noch voor de bedrijven, noch voor de regering. In dit opzicht verschilt het systeem fundamenteel van dat van centrale planning. Vermelding verdient echter, aldus de gesprekpartners bij MITI, dat de visies wegens hun hoge kwaliteit alom respect genieten en door betrokkenen ernstig in overweging worden genomen. Het proces van formulering van visies draagt zelf bij aan de totstandkoming van de consensus onder betrokkenen, hoewel het ook voorkomt dat die niet bereikt wordt. In het laatste geval geeft de visie verschillende gezichtspunten weer. Het vertrouwen dat in visies en consensus gesteld wordt, bevordert volgens MITI een efficiënte allocatie van produktiefactoren. In dit verband werd nog opgemerkt dat de effectiviteit van het Japanse industriebeleid niet het gevolg is van de omvang van de daarvoor op de nationale begroting gereserveerde middelen. MITI zelf krijgt slechts 1,5 procent van die nationale begrotingsmiddelen toegewezen. Volgens medewerkers van de Nederlandse ambassade berust de invloed van MITI vooral op de reputatie van dat ministerie dat het een bedrijf voordeel brengt te doen wat MITI zegt. Eenvoudig door bepaalde industriële sectoren te bestempelen als van strategisch belang voor de economische toekomst van Japan schept het een gunstig klimaat en een levendige belangstelling onder publiek en bedrijfsleven voor die bedrijfstakken. De MITI-invloed zou groter zijn bij zwakke en geheel nieuwe industrietakken dan in volwassen sectoren met een behoorlijke groei. De invloed van MITI is getaand doordat een aantal zaken aan zijn invloed is onttrokken (valutatoewijzing, milieuwetgeving), maar onder omstandigheden zou die ook weer kunnen groeien. De coördinatie en de samenwerking waaraan door MITI gestalte wordt gegeven, bestrijken zowel het stadium van onderzoek en ontwikkeling als de produktiefase. Het uitvoerige overleg dat gevoerd wordt binnen allerlei meer of minder officiële adviesraden en studiegroepen leidt, al naar gelang dit in het concrete geval efficiënt voorkomt, tot een gezamenlijke aanpak van research-activiteiten binnen een bepaalde industriële sector of juist tot opdeling van die activiteiten en tot toewijzing van onderdelen aan verschillende deelnemers aan het overleg. Ook worden afspraken gemaakt over de produktie van bepaalde componenenten door firma's die Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 1 15

16 aan het overleg deelnemen, waardoor de kans op duplicering wordt verminderd en het investeringsrisico wordt verkleind. In vergelijking met de Verenigde Staten en in mindere mate met West-Europa biedt het Japanse model volgens de delegatie het voor deze tijd aanzienlijke voordeel, dat het wordt gekenmerkt door lange-termijnplanning. In tegenstelling tot de VS, waar de aandeelhouder koning is, spelen diens belangen in Japan nauwelijks een rol. De Japanse ondernemer denkt vóór alles in marktaandelen: de winst komt later wel. Deze mentaliteit vergemakkelijkt zonder twijfel de afstemming tussen de overheid (MITI) en de ondernemingen. De coördinatie wordt tevens begunstigd door de voorzichtige stijl die samenhangt met de wijze van overleg en het streven naar consensus, de Japanse uitdrukking van het democratische proces. Een belangrijk kenmerk daarvan is dat, hoezeer ook in het overleg ieder het probleem vanuit een eigen invalshoek benadert, allen zijn gecommitteerd zodra beslissingen zijn genomen. De horizontale uitwisseling van marktrelevante gegevens en de daarop geënte «guidance» zijn mede van belang voor een analyse van de onderlinge concurrentieverhoudingen tussen de Japanse bedrijven. De verticale integratie per bedrijfskolom (het gehele traject vanaf toeleverancier tot eindafnemer) is tamelijk groot als gevolg van het bestaan van bedrijfsconglomeraten die de economie beheersen. Een diepgaander bestudering van beide verschijnselen zal volgens de delegatie meer inzicht kunnen geven in de openheid of geslotenheid van de Japanse markt en in de oorzaken van het Japanse exportsucces. Het industriebeleid is door MITI in het verleden steeds vertaald in concrete doelstellingen. In de periode tussen 1955 en 1973 stond daarbij de verhoging van de produktiviteit voorop. Daarna volgde een periode van herstructurering en modernisering. Volgens de Visie van MITI uit maart 1980 is het leidende motto voor dit decennium «intensificatie van kennis». Het gaat daarbij zowel om gebruik van kennis, ervaring en creativiteit bij mensen, als om toepassing van informatica. De industriële structuur die wenselijk wordt geacht, moet voldoen aan een viertal criteria. Het eerste heeft betrekking op de aanbodzijde en wordt aangeduid als het «dynamische comparatieve voordeel». Daarmee wordt bedoeld dat Japan niet langer uitsluitend is geïnteresseerd in industrieën met een hoge groei van de produktiviteit, maar de nadruk wil leggen op sectoren waar het een comparatief voordeel heeft. Het tweede criterium is dat van de «bevrediging van de behoeften van de mensen». Daarbij gaat het dus om de vraagzijde van de economie. Bedoeld wordt dat, terwijl voorheen vooral belang werd gehecht aan het voldoen aan het deel van de vraag dat evenredig stijgt met het inkomen, thans de nadruk moet vallen op de sectoren die aan een gediversificeerde vraag kunnen voldoen. Het derde criterium heeft te maken met besparing op energie en grondstoffen en het vierde mot het zeker stellen van de Japanse positie op lange termijn in sectoren als energie (onder meer door benutting van alternatieve energiedragers en door off-shore mijnbouw), lucht- en ruimtevaart (bij voorbeeld satellieten), informatica (in het bijzonder kunstmatige intelligentie en telematica), biotechnologie en nieuwe materialen. De gesprekspartners van de delegatie bij MITI gaven van deze doelstellingen een enigszins aangepaste versie. Ook bij hen stond voorop de oriëntatie op kennisintensieve produktie en dienstverlening met hoge toegevoegde waarde en gebruik van de modernste technologie. Aan de ontwikkeling van nieuwe technologieën moet Japan zelf een actieve bijdrage leveren. Japan mag wat dit betreft niet van het buitenland afhankelijk zijn. Overigens is het voor één land wel steeds moeilijker in het fundamentele onderzoek een doorbraak te bereiken. De internationale technologische samenwerking komt in de volgende paragraaf aan de orde. In de tweede plaats moet Japan volgens de MITI-woordvoerders bijdragen aan het wegnemen van onevenwichtigheden en aan het Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 1 16

17 vitaliseren van de wereldeconomie. De omvang van het overschot op de handelsbalans is steeds moeilijker te combineren met de handhaving van harmonieuze relaties met de rest van de wereld. De opvattingen van MITI over de oorzaken en mogelijke oplossingen van dit probleem komen hierna in paragraaf 7 van dit hoofdstuk onder A aan de orde. Nadrukkelijk werd gesteld dat, waar tot nu toe het industriebeleid uitsluitend op Japan gericht was, in de toekomst ook de coördinatie met de rest van de wereld in het spel wordt gebracht. In de derde plaats moet Japan volgens MITI denken aan de vitaliteit van de eigen industrie. In dit kader werd gewezen op de noodzaak van handhaving van vrije concurrentie door herziening van gevestigde institutionele praktijken en licentiesystemen, uitvoering van de door de OESO aanbevolen aanpassingspolitiek, overheveling naar nieuwe industrieën van kapitaal en arbeid uit sectoren die hun concurrentiekracht verloren hebben, alsmede op het belang van permanente educatie. 6. Technologiebeleid Japan doet na de Verenigde Staten en de Sovjetunie de hoogste uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling (R & D). In het fiscale jaar 1983 kwamen deze volgens informatie verkregen op de Nederlandse ambassade in Tokio uit op een totaal van 7,2 triljoen yen, dat is ongeveer 95 miljard gulden. Ter vergelijking: in Nederland, met een BNP dat ongeveer een negende deel is van dat van Japan, bedroegen de R & D- uitgaven in circa 7,8 miljard gulden voor overheid en bedrijfsleven te zamen. De volgende grafiek toont de stijging ten opzichte van het BNP in de belangrijkste landen gedurende het voorafgaande decennium. Grafiek I I I l l l I I I I I l (F.scal Yearl % = geschatte waarde Bron: Trends of principal indices on research ( 3) = begrote waarde an d development activities in Japan, revised edition, February 1985, Agency of Industrial Science and Technology, bladzijde 4. Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 1 17

18 Ter vergelijking: de verhouding tussen R & D en BNP bedroeg in Nederland in ,10 procent en zal in 1986 naar verwachting 2,13 procent bedragen. Uit de grafiek blijkt dat het stijgingspercentage in Japan groter is dan elders, zodat de quote die de verhouding aangeeft tussen R & D en BNP in 1983 bijna even groot was als in de Verenigde Staten. Deze stijging wordt geheel veroorzaakt door de toeneming van de onderzoeksuitgaven van de bedrijven. De volgende grafiek laat de verhouding zien tussen deze post en de omzet van de Japanse bedrijven. Grafiek 4 (%i 2 0( (Fiscal Year) Note: The research expenditure to sales ratio is obtained by dividing research expenditure by sales. It does not cover special corporations. Bron: zie grafiek 3, bladzijde 1 7. Uit grafiek 4 blijkt dat de R & D in ondernemingen sinds 1980 sterk in opmars is. Vóór 1980 werd technologie voornamelijk geïmporteerd, sinds 1980 zijn de eigen inspanningen aanzienlijk opgevoerd. Deze vormen een duidelijk signaal, dat de stelling dat Japan hoofdzakelijk werkt op basis van technologische inbreng van derden, niet houdbaar is. Veeleer is het zo, dat deze praktijk overheerste zolang het effectief was - geen dubbel werk -, maar nu Japan zelf aan de top staat en nieuwe wegen wil inslaan, komt de zelfstandige R & D krachtig op gang. Het deel van de R & D uitgaven dat rechtstreeks door de overheid bekosiigd werd, bedroeg in 1983 slechts 24 procent. In andere landen ligt dit percentage over het algemeen veel hoger: in de Verenigde Staten in 1983 naar schatting 46, in West-Duitsland naar schatting 42,3 en in Frankrijk maar liefst 57,8 (begroot). Ook als rekening wordt gehouden met het relatief lage defensiebudget van Japan, is het overheidsaandeel in Japan lager dan elders. Als het defensie-onderzoek buiten beschouwing wordt gelaten, is het geschatte percentage voor Japan 23,6, voor de Verenigde Staten 28,6, voor West-Duitsland 39,9 en voor Frankrijk 46,3. Het verschil wordt nog significanter als het deel van de research in de industriële sector dat indirect door de overheid wordt bekostigd, mede in de beschouwing wordt betrokken. Volgens het «Agency of Industrial Science and Technology» bedroeg dat percentage in Japan in het fiscale jaar 1983 slechts 2,9, terwijl de schattingen voor West-Europa en Noord-Amerika uiteenliepen van 20 tot meer dan 30 procent. Het aandeel van universiteiten (overheid en particulier) en onderzoeksinstellingen Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 1 18

19 * > 80 (overheid en particulier) in de totale R & D inspanning vertoont in Japan een trendmatige daling. Meer dan twee-derde deel wordt thans in de bedrijven verricht. Dit blijkt uit grafiek 5. Grafiek ' ' ~-*-* CompaniM Univerjitiel _i _ ^ ~ 15.8 Research Institutions 14.1! i i i (Fijcal Year) Bron: zie grafiek 3, bladzijde 1 7. Binnen de overheidssector gaat iets minder dan de helft van het R & D budget naar het ministerie van Onderwijs. Op de tweede plaats komt het «Science and Technology Agency» (STA), dat rechtstreeks onder de minister-president ressorteert. Niet te verwarren met de instelling die qua beslag op de R & D middelen van de overheid op de derde plaats komt, namelijk het «Agency for Industrial Science and Technology» (AIST), dat een onderdeel vormt van MITI. Het STA coördineert het wetenschapsbeleid dat niet onder Onderwijs of MITI valt, terwijl het AIST zich vooral richt op het industriële technologiebeleid. De belangrijkste eigen onderzoekprogramma's van het STA liggen op het gebied van kernenergie en ruimtevaart. In de latere (produktie-)fase komen deze activiteiten echter onder MITI te vallen. Dit geldt bij voorbeeld voor reactorveiligheid en lanceringen van satellieten. Het AIST beheert de zestien grote laboratoria en onderzoeksinstituten van MITI. In principe kunnen alle soorten onderzoek worden aangevat, zolang deze dienstig zijn aan het uiteindelijke doel van industriële ontwikkeling. Bij de selectie van onderzoeksterreinen wordt erop gelet dat de resultaten van het programma van belang zullen zijn voor de Japanse maatschappij als geheel en dat het niveau van de vereiste investeringen te hoog, de duur van het programma te lang of het risico van het project anderszins te groot is om dat aan afzonderlijke bedrijven over te laten. In vele gevallen gaat het dus om fundamenteel onderzoek, dat wil zeggen onderzoek waarvan de concrete commerciële doelstelling (nog) niet is vastgesteld, of om onderzoek dat in een specifieke nationale behoefte voorziet (milieu, energie). Het AIST verricht niet alleen zelf onderzoek, maar probeert ook een omgeving te creëren waarin bedrijven zich technologisch kunnen ontplooien. Allerlei onderzoek wordt verricht op contractbasis met de industrie. De samenwerking tussen overheid en bedrijven bij de uitvoering van het technologiebeleid komt hieronder nog aan de orde. In de derde plaats ziet het AIST voor zichzelf een taak op het gebied van de internationale samenwerking, zodat Japan een grotere bijdrage Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 1 1!)

20 kan leveren aan de technologische ontwikkeling in de wereld. Ook aan dit aspect wordt hieronder nader aandacht besteed. Tenslotte heeft het AlST een functie bij de bevordering van internationale standaardisatie, bij voorbeeld op het gebied van informatica en nieuwe materialen. Zoals hiervóór reeds herhaaldelijk is verklaard, hecht het AIST (MITI) veel belang aan de R & D inspanningen die in de particuliere sector worden verricht. Bij het formuleren van doelstellingen wordt gebruik gemaakt van de «visies» van gemengde studiegroepen, waarin ook academici van universiteiten en onderzoeksinstellingen deelnemen. In het verleden liet de uitwisseling van kennis tussen universiteiten en bedrijfsleven te wensen over. De gesprekspartners van het AIST noemden dat een van de grote problemen waarmee zij te maken hebben, doch zij stelden tevens dat een geleidelijke verbetering te bespeuren valt. Relevant is in dit verband dat de delegatie van de Nederlandse technisch-wetenschappelijk attaché in Tokio heeft vernomen dat de salarissen voor onderzoekers bij de universiteiten beduidend lager liggen dan bij het bedrijfsleven, terwijl het middenkader op de universiteiten sterk ondervertegenwoordigd is. Het aantal opgeleide ingenieurs is hoog, maarzij verdwijnen na voltooiing van hun studie zo snel mogelijk naar het bedrijfsleven, waar de arbeidsvoorwaarden en werkomstandigheden zoveel beter zijn. De informele contacten tussen hoogleraren en oud-studenten blijven echter bestaan, zodat het bedrijfsleven zich verzekerd blijft weten van een toevloed van nieuw talent en de universiteiten in voorkomende gevallen voor bepaalde projecten aanvullende fondsen ter beschikking krijgen. Om het onderzoek door particuliere bedrijven en instellingen te bevorderen is in een wet uitgevaardigd met de titel «Act for the Facilitation of Research in Fundamental Technologies». Het begrip «fundamental technologies» moet breed worden opgevat. Daaronder valt onder meer alle technologie die onder de competentie valt van MITI of van het ministerie van Posterijen en Telecommunicatie. Bedrijven die zich daarop willen toeleggen kunnen onder bepaalde voorwaarden profiteren van kortingen op het gebruik van nationale onderzoeksfaciliteiten of van (vrijwel) gratis licenties op octrooien waarover de regering beschikt als uitvloeisel van in het kader van internationale samenwerking tot stand gekomen researchprojecten. De overheid en het bedrijfsleven hebben samen, ieder voor de helft, het «Center for Research Facilitation in Fundamental Technologies» opgericht. De voornaamste taken van het Centrum zijn: 1. het verschaffen van kapitaal, in de vorm van investeringen of renteloze leningen; 2. het bemiddelen ten behoeve van bedrijven die onderzoek willen verrichten in samenwerking met nationale onderzoeksinstellingen; 3. het verrichten van onderzoek op bestelling; 4. het uitnodigen van buitenlandse onderzoekers naar Japan; 5. het verzamelen en verschaffen van informatie. Er wordt slechts op geringe schaal rechtstreeks vanuit de overheid subsidie gegeven aan individuele bedrijven. Bij de grotere projecten worden de deelnemende bedrijven betaald voor het uitvoeren van hun in dat kader verstrekte opdrachten. Op die manier worden toch financiële middelen van bedrijven en overheid tezamen gebracht. De ministeries voeren ieder hun eigen bestedingsplan uit, terwijl aan onderzoekszijde een grote vrijheid bestaat bij het kiezen van de gewenste partner(s). Van meer belang dan subsidies zijn de belastingfaciliteiten. Al sinds 1967 bestaat de aftrekbaarheid van 20 procent van de R & D kosten die zijn gemaakt boven het hoogste kostenniveau van dezelfde post in het verleden. Voor het midden- en kleinbedrijf bestaat de alternatieve mogelijkheid van aftrek van 6 procent van de R & D kosten zonder meer. Tweede Kamer, vergaderjaar , , nr. 1 20

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1984-1985 Rijksbegroting voor het jaar 1985 18600 Hoofdstuk XIII Ministerie van Economische Zaken Nr. 19 LIJST VAN VRAGEN Vastgesteld 22 oktober 1984 De

Nadere informatie

Examen HAVO. Economie 1

Examen HAVO. Economie 1 Economie 1 Examen HAVO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Tijdvak 2 Woensdag 21 juni 13.30 16.00 uur 20 00 Dit examen bestaat uit 31 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven hoeveel punten met een goed

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2000 2001 27 400 Nota over de toestand van s Rijks Financiën Nr. 42 BRIEF VAN DE MINISTER VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Nadere informatie

VOORSTEL STRUCTURELE WIJZIGINGEN VAN DE BEGROTINGEN

VOORSTEL STRUCTURELE WIJZIGINGEN VAN DE BEGROTINGEN VOORSTEL STRUCTURELE WIJZIGINGEN VAN DE BEGROTINGEN Paramaribo, 26 maart 2015 Inleiding Reeds vele jaren hebben we te maken met een onnauwkeurige en ondoorzichtige wijze van de opstelling en presentatie

Nadere informatie

Hoeveel dragen onze bedrijven bij aan de schatkist en de sociale zekerheid?

Hoeveel dragen onze bedrijven bij aan de schatkist en de sociale zekerheid? vbo-analyse Hoeveel dragen onze bedrijven bij aan de schatkist en de sociale zekerheid? September 2014 I Raf Van Bulck 39,2% II Aandeel van de netto toegevoegde waarde gegenereerd door bedrijven dat naar

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

Eindexamen economie 1 havo 2000-I Opgave 1 Meer mensen aan de slag Het terugdringen van de werkloosheid is in veel landen een belangrijke doelstelling van de overheid. Om dat doel te bereiken, streeft de overheid meestal naar groei van

Nadere informatie

Beleggingen institutionele beleggers in 2004 met 8,1 procent omhoog

Beleggingen institutionele beleggers in 2004 met 8,1 procent omhoog Publicatiedatum CBS-website Centraal Bureau voor de Statistiek 9 december 25 Beleggingen institutionele beleggers in 24 met 8,1 procent omhoog drs. J.L. Gebraad Centraal Bureau voor de Statistiek, Voorburg/Heerlen,

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1983-1984 17370 Taak en functie van de PTT met betrekking tot informatieen telecommunicatietechnologie Nr. 4 LIJST VAN VRAGEN Vastgesteld 19 april 1984 De

Nadere informatie

Eindexamen economie havo 2011 - I

Eindexamen economie havo 2011 - I Opgave 1 AWBZ-zorgen Havo-leerling Dick besluit voor economie een profielwerkstuk te maken over de stijgende uitgaven van de AWBZ (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten). Hieronder staan drie delen van

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1988-1989 20 808 Inkomensbeleid 1989 Nr. 3 LIJST VAN VRAGEN Vastgesteld 28 oktober 1988 De vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid 1 heeft

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 vrijdag 27 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 vrijdag 27 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2011 tijdvak 1 vrijdag 27 mei 13.30-16.00 uur economie Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 57 punten te behalen. Voor elk vraagnummer

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I

Eindexamen economie 1 vwo 2001-I Opgave 1 Hoge druk op de arbeidsmarkt Gedurende een aantal jaren groeide de economie in Nederland snel waardoor de druk op de arbeidsmarkt steeds groter werd. Het toenemende personeelstekort deed de vrees

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1985-1986 19160 Ontwikkelingsrelevante Exporttransacties Nr. 3 LIJST VAN VRAGEN Vastgesteld 5 maart 1986 De vaste commissie voor Ontwikkelingssamenwerking

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2010 tijdvak 2 woensdag 23 juni 13.30-16.00 uur economie tevens oud programma economie 1,2 Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 27 vragen. Voor dit examen zijn maximaal

Nadere informatie

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD

pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD pdf18 MACRO-VRAAG EN MACRO-AANBOD De macro-vraaglijn of geaggregeerde vraaglijn geeft het verband weer tussen het algemeen prijspeil en de gevraagde hoeveelheid binnenlands product. De macro-vraaglijn

Nadere informatie

1.4 Factoren die bepalend zijn voor reële convergentie

1.4 Factoren die bepalend zijn voor reële convergentie Productiviteit, concurrentiekracht en economische ontwikkeling Concurrentiekracht wordt vaak beschouwd als een indicatie voor succes of mislukking van economisch beleid. Letterlijk verwijst het begrip

Nadere informatie

Koopkrachtpariteit en Gini-coëfficiënt in China: hoe je tegelijkertijd arm én rijk kunt zijn.

Koopkrachtpariteit en Gini-coëfficiënt in China: hoe je tegelijkertijd arm én rijk kunt zijn. Koopkrachtpariteit en Gini-coëfficiënt in China: hoe je tegelijkertijd arm én rijk kunt zijn. 1. De Wereldbank berichtte onlangs dat de Chinese economie binnen afzienbare tijd de grootste economie van

Nadere informatie

Centraal Bureau voor de Statistiek. Persbericht. Inkomen huishoudens gecorrigeerd voor inflatie licht gedaald. Meer inkomen uit vermogen en pensioen

Centraal Bureau voor de Statistiek. Persbericht. Inkomen huishoudens gecorrigeerd voor inflatie licht gedaald. Meer inkomen uit vermogen en pensioen Centraal Bureau voor de Statistiek Persbericht PB06-074 13 juli 2006 9.30 uur Uitgaven huishoudens hoger dan inkomsten De Nederlandse economie is in 2005 met 1,5 procent gegroeid. Het voor inflatie gecorrigeerde

Nadere informatie

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl)

Examen VWO. Economie 1 (nieuwe stijl) Economie 1 (nieuwe stijl) Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Donderdag 17 mei 13.30 16.30 uur 20 01 Voor dit examen zijn maximaal 65 punten te behalen; het examen bestaat uit

Nadere informatie

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen

Goede tijden, slechte tijden. Soms zit het mee, soms zit het tegen Slides en video s op www.jooplengkeek.nl Goede tijden, slechte tijden Soms zit het mee, soms zit het tegen 1 De toegevoegde waarde De toegevoegde waarde is de verkoopprijs van een product min de ingekochte

Nadere informatie

BIJLAGE A bij het. voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

BIJLAGE A bij het. voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD NL NL NL EUROPESE COMMISSIE Brussel, 20.12.2010 COM(2010) 774 definitief Bijlage A/Hoofdstuk 14 BIJLAGE A bij het voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende het Europees

Nadere informatie

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als %

Rendement = investeringsopbrengst/ investering *100% Reëel rendement = Nominaal rendement / CPI * 100-100 Als % Inflatie Stijging algemene prijspeil Consumenten Prijs Indexcijfer Gewogen gemiddelde Voordeel: Mensen met schulden Nadeel: Mensen met loon, spaargeld Reële winst bedrijven daalt Rentekosten bedrijven

Nadere informatie

Van baan naar eigen baas

Van baan naar eigen baas M200912 Van baan naar eigen baas drs. A. Bruins Zoetermeer, juli 2009 Van baan naar eigen baas Ruim driekwart van de ondernemers die in de eerste helft van 2008 een bedrijf zijn gestart, werkte voordat

Nadere informatie

NEDERLANDERS & OVERHEIDSBUDGET ONTWIKKELINGS- SAMENWERKING ONDERZOEKSREEKS

NEDERLANDERS & OVERHEIDSBUDGET ONTWIKKELINGS- SAMENWERKING ONDERZOEKSREEKS NEDERLANDERS & OVERHEIDSBUDGET ONTWIKKELINGS- SAMENWERKING 3 ONDERZOEKSREEKS NCDO is het Nederlandse kennis- en adviescentrum voor burgerschap en internationale samenwerking. NCDO bevordert het publiek

Nadere informatie

Nederlanders & Overheidsbudget Ontwikkelingssamenwerking. onderzoeksreeks

Nederlanders & Overheidsbudget Ontwikkelingssamenwerking. onderzoeksreeks Nederlanders & Overheidsbudget Ontwikkelingssamenwerking 3 onderzoeksreeks NCDO is het Nederlandse kennis- en adviescentrum voor burgerschap en internationale samenwerking. NCDO bevordert het publiek bewustzijn

Nadere informatie

Beleggingen institutionele beleggers met 7 procent toegenomen

Beleggingen institutionele beleggers met 7 procent toegenomen Publicatiedatum CBS-website: 1 oktober 27 Beleggingen institutionele beleggers met 7 procent toegenomen drs. J.L. Gebraad Centraal Bureau voor de Statistiek Voorburg/Heerlen 27 Verklaring der tekens. =

Nadere informatie

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 213,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 213, Ontwerp voor een VERORDENING (EG) VAN DE RAAD betreffende de toerekening van de indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (IGDFI) in het kader van het Europees systeem van nationale en regionale

Nadere informatie

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2 NIVEAU: EXAMEN: HAVO 2001-II De uitgever heeft ernaar gestreefd de auteursrechten te regelen volgens de wettelijke bepalingen. Degenen

Nadere informatie

Kiezen Theorieles 1 1 Schriftelijke toets

Kiezen Theorieles 1 1 Schriftelijke toets A. LEER EN TOETSPLAN Onderwerp: Kiezen Kerndoel(en): 40 De leerling leert betekenisvolle vragen te stellen over maatschappelijke kwesties 46 De leerling leert in de eigen omgeving effecten te herkennen

Nadere informatie

Sterke toename van beleggingen in Duits en Frans schuldpapier. Grafiek 1 - Nederlandse aankopen buitenlandse effecten

Sterke toename van beleggingen in Duits en Frans schuldpapier. Grafiek 1 - Nederlandse aankopen buitenlandse effecten Sterke toename van beleggingen in Duits en Frans schuldpapier Nederlandse beleggers hebben in 21 per saldo voor bijna EUR 12 miljard buitenlandse effecten verkocht. Voor EUR 1 miljard betrof dit buitenlands

Nadere informatie

Eindexamen economie 1-2 vwo 2009 - I

Eindexamen economie 1-2 vwo 2009 - I Beoordelingsmodel Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 2 Een voorbeeld van een juiste verklaring

Nadere informatie

Commissie publiceert Groenboek over aanvullende pensioenen in de interne markt

Commissie publiceert Groenboek over aanvullende pensioenen in de interne markt IP/97/507 Brussel, 10 juni 1997 Commissie publiceert Groenboek over aanvullende pensioenen in de interne markt De Europese Commissie heeft haar goedkeuring gehecht aan een Groenboek over aanvullende pensioenen

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal Vergaderjaar 1985-1986 16431 Zeescheepsnieuwbouw Nr. 16 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 's-gravenhage,

Nadere informatie

Hoofdstuk 5: Internationale betrekkingen

Hoofdstuk 5: Internationale betrekkingen Hoofdstuk 5: Internationale betrekkingen Economie VWO 2011/2012 www.lyceo.nl H5: Internationale betrekkingen Economie 1. Inkomen 2. Consument 3. Producenten 4. Markt en Overheid 5. Internationale betrekkingen

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur

Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur Economische wetenschappen 1 en recht Examen VWO Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs Tijdvak 1 Woensdag 26 mei 13.30 16.30 uur 19 99 Dit examen bestaat uit 34 vragen. Voor elk vraagnummer is aangegeven

Nadere informatie

4 Toon met twee verschillende berekeningen aan dat het ontbrekende gemiddelde inkomen (a) in de tabel gelijk moet zijn aan 70 000 euro.

4 Toon met twee verschillende berekeningen aan dat het ontbrekende gemiddelde inkomen (a) in de tabel gelijk moet zijn aan 70 000 euro. Grote opgave personele inkomensverdeling Blz. 1 van 4 personele inkomensverdeling Inkomensverschillen tussen personen kunnen te maken hebben met de verschillende soorten inkomen. 1 Noem drie soorten primair

Nadere informatie

Oktober 2015. Macro & Markten. 1. Rente en conjunctuur :

Oktober 2015. Macro & Markten. 1. Rente en conjunctuur : Oktober 2015 Macro & Markten 1. Rente en conjunctuur : VS Zoals al aangegeven in ons vorig bulletin heeft de Amerikaanse centrale bank FED de beleidsrente niet verhoogd. Maar goed ook, want naderhand werden

Nadere informatie

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I

Eindexamen havo economie oud programma 2012 - I Opgave 1 Beleggingen leiden tot inkomensverschillen Aangetrokken door voorspoedige ontwikkelingen op de effectenbeurs, zijn in een land de mensen steeds meer gaan beleggen in aandelen en obligaties. Mede

Nadere informatie

Allochtonen op de arbeidsmarkt 2009-2010

Allochtonen op de arbeidsmarkt 2009-2010 FORUM Maart Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt 9-8e monitor: effecten van de economische crisis In steeg de totale werkloosheid in Nederland met % naar 26 duizend personen. Het werkloosheidspercentage

Nadere informatie

BUREAU VOOR DE STAATSSCHULD. Suriname Debt Management Office. Kosten en Risico analyse van de Surinaamse schuldportefeuille per ultimo 2012

BUREAU VOOR DE STAATSSCHULD. Suriname Debt Management Office. Kosten en Risico analyse van de Surinaamse schuldportefeuille per ultimo 2012 BUREAU VOOR DE STAATSSCHULD Suriname Debt Management Office Kosten en Risico analyse van de Surinaamse schuldportefeuille per ultimo 2012 Een vooruitblik op de schuld, de schuldenlastbetalingen in 2013-2045

Nadere informatie

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering.

Als de lonen dalen, dalen de loonkosten voor de producent. Hetgeen kan betekenen dat de producent niet overgaat tot mechanisatie/automatisering. Top 100 vragen. De antwoorden! 1 Als de lonen stijgen, stijgen de productiekosten. De producent rekent de hogere productiekosten door in de eindprijs. Daardoor daalt de vraag naar producten. De productie

Nadere informatie

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later

DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD. Module 4 Nu en later DOMEIN E: RUILEN OVER DE TIJD Module 4 Nu en later Inflatie Definitie: stijging van het algemeen prijspeil Gevolgen van inflatie koopkracht neemt af Verslechtering internationale concurrentiepositie Bij

Nadere informatie

Eindexamen economie havo II

Eindexamen economie havo II Opgave 1 Buitenland en overheid in de kringloop In de economische wetenschap wordt gebruikgemaakt van modellen. Een kringloopschema is een model waarmee een vereenvoudigd beeld van de economie van een

Nadere informatie

2013 in het kort SAMENVATTING VAN HET JAARVERSLAG

2013 in het kort SAMENVATTING VAN HET JAARVERSLAG 2013 in het kort SAMENVATTING VAN HET JAARVERSLAG 1 Toelichting op het jaarverslag In het Jaarverslag 2013 legt het pensioenfonds uitgebreid verantwoording af over de ontwikkelingen, besluiten en gebeurtenissen

Nadere informatie

Samenvatting. Zorgt het openstellen van de detailhandelssector voor buitenlandse concurrentie in een verbetering van de productiviteit?

Samenvatting. Zorgt het openstellen van de detailhandelssector voor buitenlandse concurrentie in een verbetering van de productiviteit? Samenvatting Dit proefschrift bestudeert de relatie tussen beleidshervormingen en productiviteitsgroei. Het beargumenteert dat het onderkennen van de diversiteit van bedrijven aan de basis ligt voor het

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1984-1985 Rijksbegroting voor het jaar 1985 18600 Hoofdstuk XIII Ministerie van Economische Zaken Nr. 105 VERSLAG VAN EEN MONDELING OVERLEG Vastgesteld 19

Nadere informatie

BUREAU VOOR DE STAATSSCHULD. Suriname Debt Management Office. Kosten en Risico analyse van de Surinaamse schuldportefeuille per ultimo 2014

BUREAU VOOR DE STAATSSCHULD. Suriname Debt Management Office. Kosten en Risico analyse van de Surinaamse schuldportefeuille per ultimo 2014 BUREAU VOOR DE STAATSSCHULD Suriname Debt Management Office Kosten en Risico analyse van de Surinaamse schuldportefeuille per ultimo 2014 Sarajane Marilfa Omouth Paramaribo, juni 2015 1. Inleiding De totale

Nadere informatie

VVMA Congres 18 mei 2010

VVMA Congres 18 mei 2010 VVMA Congres 18 mei 2010 Jan Klaver, VNO-NCW Verwachtingen over Nederlandse economie, 2010-2015 1 Lijn van mijn verhaal 1. Impact economische crisis op Nederlandse economie en bedrijfsleven 2. Het herstel

Nadere informatie

Kans op Amerikaanse dubbele dip is klein

Kans op Amerikaanse dubbele dip is klein Kans op Amerikaanse dubbele dip is klein De Verenigde Staten gaan meestal voorop bij het herstel van de wereldeconomie. Maar terwijl een gerenommeerd onderzoeksburo recent verklaarde dat de Amerikaanse

Nadere informatie

Eindexamen havo economie 2012 - I

Eindexamen havo economie 2012 - I Opmerking Algemene regel 3.6 is ook van toepassing als gevraagd wordt een gegeven antwoord toe te lichten, te beschrijven en dergelijke. Opgave 1 1 maximumscore 3 bij (1) substitueerbaar voor bij (2) stijging

Nadere informatie

Vierde kwartaal 2012. Conjunctuurenquête Nederland. Provincie Zeeland

Vierde kwartaal 2012. Conjunctuurenquête Nederland. Provincie Zeeland Vierde kwartaal 2012 Conjunctuurenquête Nederland Inhoud rapport COEN in het kort Economisch klimaat Omzet Export Personeelssterkte Investeringen Winstgevendheid Toelichting De Conjunctuurenquête Nederland

Nadere informatie

Jaarbericht 1996 ABN AMRO Asset Management TOTAAL BEHEERD VERMOGEN TOEGENOMEN MET 39 PROCENT

Jaarbericht 1996 ABN AMRO Asset Management TOTAAL BEHEERD VERMOGEN TOEGENOMEN MET 39 PROCENT Amsterdam, 21 januari 1997 Jaarbericht 1996 ABN AMRO Asset Management TOTAAL BEHEERD VERMOGEN TOEGENOMEN MET 39 PROCENT Totaal vermogen beheerd door ABN AMRO Asset Management wereldwijd in 1996 gegroeid

Nadere informatie

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl

Examen HAVO en VHBO. Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Economie 1,2 oude en nieuwe stijl Examen HAVO en VHBO Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs Vooropleiding Hoger Beroeps Onderwijs HAVO Tijdvak 2 VHBO Tijdvak 3 Woensdag 21 juni 13.30 16.30 uur 20 00 Dit

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1987-1988 Rijksbegroting voor het jaar 1988 20200 Vaststelling begroting van uitgaven Hoofdstuk IX A Nationale Schuld Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING 1. De

Nadere informatie

CHINA NU Tekst: Maaike Okano-Heijmans en Frans-Paul van der Putten. Economie

CHINA NU Tekst: Maaike Okano-Heijmans en Frans-Paul van der Putten. Economie Economie CHINA NU Tekst: Maaike Okano-Heijmans en Frans-Paul van der Putten China als investeerder in Europa Chinese investeringen in Europa nemen snel in omvang toe. Volvo Cars is tegenwoordig eigendom

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1986-1987 Herziening van het stelsel van sociale zekerheid BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede

Nadere informatie

Verkiezingen Tweede Kamer 2012

Verkiezingen Tweede Kamer 2012 Verkiezingen Tweede Kamer 2012 Nederlandse politieke partijen langs de Europese meetlat Financiën dr. Edwin van Rooyen Update: 6-9-2012 Tussen de politieke partijen in Nederland bestaat aanzienlijke verdeeldheid

Nadere informatie

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk

Lesbrief Verdienen en uitgeven 2 e druk Hoofdstuk 1. Inkomen verdienen 1.22 1.23 1.24 1.25 1.26 1.27 1.28 1.29 1.30 1.31 1.32 1.33 1.34 D A C C A D B A D D B C D 1.35 a. 1.000.000 425.000 350.000 40.000 10.000 30.000 = 145.000. b. 1.000.000

Nadere informatie

Internationale handel H7 1. Internationale handel. Waarom importeren: 25-2-2013. Waar komt het vandaan?

Internationale handel H7 1. Internationale handel. Waarom importeren: 25-2-2013. Waar komt het vandaan? Internationale handel H7 1 Waar komt het vandaan? Economie voor het vmbo (tot 8,35 m.) Internationale handel Importeren = invoeren (betalen) Exporteren = uitvoeren (verdienen) Waarom importeren: Meer keuze

Nadere informatie

Aandeel MKB in buitenlandse handel en investeringen

Aandeel MKB in buitenlandse handel en investeringen Rapport Aandeel MKB in buitenlandse handel en investeringen Drie afbakeningen van het MKB Oscar Lemmers Dit onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Er waren geen

Nadere informatie

Valutamarkt. De euro op koers. Havo Economie 2010-2011 VERS

Valutamarkt. De euro op koers. Havo Economie 2010-2011 VERS Valutamarkt De euro op koers Havo Economie 2010-2011 VERS 2 Hoofdstuk 1 : Inleiding Opdracht 1 a. Dirham b. Internet c. Duitsland - Ierland - Nederland - Griekenland - Finland - Luxemburg - Oostenrijk

Nadere informatie

Toekomst voor verzekeraars

Toekomst voor verzekeraars Position paper Toekomst voor verzekeraars Position paper ten behoeve van het rondetafelgesprek op 11 juni 2015 van de vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer naar aanleiding van het rapport

Nadere informatie

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II

Eindexamen economie 1 vwo 2001-II Opgave 1 CAO-overleg: loon of werk? Bij de CAO-onderhandelingen voor een komend jaar in de industrie wordt uitgegaan van de volgende prognose: inflatie 2,3% stijging arbeidsproductiviteit in de industrie

Nadere informatie

3.2 De omvang van de werkgelegenheid

3.2 De omvang van de werkgelegenheid 3.2 De omvang van de werkgelegenheid Particuliere bedrijven en overheidsbedrijven nemen mensen in dienst. Collectieve sector = Semicollectieve sector = De overheden op landelijk, provinciaal en lokaal

Nadere informatie

Evolutie van het arbeidsongevallenrisico in de privésector in België tussen 1985 en 2013

Evolutie van het arbeidsongevallenrisico in de privésector in België tussen 1985 en 2013 Evolutie van het arbeidsongevallenrisico in de privésector in België tussen 1985 en 2013 Verschillende factoren bepalen het aantal arbeidsongevallen. Sommige van die factoren zijn meetbaar. Denken we daarbij

Nadere informatie

Winstgroei en buffers ondersteunen investerings herstel

Winstgroei en buffers ondersteunen investerings herstel Na de snelle daling van de bedrijfswinsten door de kredietcrisis, is er recentelijk weer sprake van winstherstel. De crisis heeft echter geen gat geslagen in de grote financiële buffers van bedrijven.

Nadere informatie

ABN AMRO Investment Management B.V. Jaarrekening 2013

ABN AMRO Investment Management B.V. Jaarrekening 2013 Jaarrekening 2013 Pagina 1 van 12 INHOUD Pagina Directieverslag 3 Balans per 31 december 2013 4 Winst- en verliesrekening 2013 5 Toelichting algemeen 6 Toelichting op de balans per 31 december 2013 8 Toelichting

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2013 2014 33 755 Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van de Invorderingswet 1990 in verband met de wijziging van de percentages belasting-

Nadere informatie

Op zoek naar rendement? Zoek niet langer

Op zoek naar rendement? Zoek niet langer Op zoek naar rendement? Zoek niet langer High-yield en opkomende markten Juni 2014 Uitsluitend voor professionele beleggers De rente op staatsobligaties blijft nog lang laag. In het nauw gedreven door

Nadere informatie

Patriottisch beleggen: investeren in de B.V. Nederland?

Patriottisch beleggen: investeren in de B.V. Nederland? Patriottisch beleggen: investeren in de B.V. Nederland? 1. In het politieke debat in Nederland (en overigens ook in andere Europese landen) is beleggen in eigen land een hot topic. Dat is ongetwijfeld

Nadere informatie

Kiezers en potentiële kiezers van 50PLUS

Kiezers en potentiële kiezers van 50PLUS Kiezers en potentiële kiezers van 50PLUS Versie 2013-2014 Tekstrapport Peil.nl/Maurice de Hond 1 Doelstelling en opzet van het onderzoek Het Wetenschappelijk Instituut van 50PLUS heeft ons in december

Nadere informatie

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)!

Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Slechts 1 antwoord is juist, alle andere zijn fout (en bevatten heel vaak onzin)! Vragen aangeduid met een * toetsen in het bijzonder het inzicht en toepassingsvermogen. Deze vragenreeksen zijn vrij beschikbaar.

Nadere informatie

H1: Economie gaat over..

H1: Economie gaat over.. H1: Economie gaat over.. 1: Belangen Geld is voor de economie een smeermiddel, door het gebruik van geld kunnen we handelen, sparen en goederen prijzen. Belangengroep Belang = Ze komen op voor belangen

Nadere informatie

Wat is de essentie van het 6 miljard pakket? Waarom is er besloten om te bezuinigen? Wordt de economie kapot bezuinigd?

Wat is de essentie van het 6 miljard pakket? Waarom is er besloten om te bezuinigen? Wordt de economie kapot bezuinigd? Wat is de essentie van het 6 miljard pakket? Er is een pakket van 6 miljard euro aan aanvullende bezuinigingen overeenkomen. De bezuinigingen worden hoofdzakelijk gevonden via uitgavenbeperkingen binnen

Nadere informatie

SCHATTING BBO OPBRENGSTEN

SCHATTING BBO OPBRENGSTEN SCHATTING BBO OPBRENGSTEN 1. Opbrengsten BBO aan overheidsinkomsten Voordat wordt ingegaan op de opbrengsten die de BBO aan Lands kas zal bijdragen, wordt stilgestaan bij het gegeven dat het BBO-stelsel

Nadere informatie

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen

Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Rente de prijs van tijd. Als rente hoger is dan de opofferingskosten individuele prijs van tijd niet lenen maar sparen Ruilen over de tijd Intertemporele substitutie Bedrijven lenen geld om te investeren

Nadere informatie

Emerging markets: toch weer terug naar af?

Emerging markets: toch weer terug naar af? Emerging markets: toch weer terug naar af? Wat is er toch gaande met de opkomende markten? In de afgelopen jaren werd er liefkozend naar deze markten gekeken en gesteld dat zij structureel aan het verbeteren

Nadere informatie

BIJZONDER VERSLAG VAN DE RAAD VAN BESTUUR AAN DE AANDEELHOUDERS

BIJZONDER VERSLAG VAN DE RAAD VAN BESTUUR AAN DE AANDEELHOUDERS UCB NV - Researchdreef 60, 1070 Brussel - Ondernemingsnr. 0403.053.608 (RPR Brussel) BIJZONDER VERSLAG VAN DE RAAD VAN BESTUUR AAN DE AANDEELHOUDERS over het gebruik en de nagestreefde doeleinden van het

Nadere informatie

Jaarrekening 2015. Stichting Chabad Central Amsterdam Dr. Eijkmanstraat 1 1181 WG Amstelveen

Jaarrekening 2015. Stichting Chabad Central Amsterdam Dr. Eijkmanstraat 1 1181 WG Amstelveen Jaarrekening 2015 Stichting Chabad Central Amsterdam Dr. Eijkmanstraat 1 1181 WG Amstelveen INHOUD JAARREKENING 1 Samenstellingsverklaring 4 2 Balans 5 3 Winst en verliesrekening 6 4 Toelichting op de

Nadere informatie

Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500EA 'S-GRAVENHAGE

Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500EA 'S-GRAVENHAGE > Retouradres Postbus 20201 2500 EE Den Haag Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500EA 'S-GRAVENHAGE Korte Voorhout 7 2511 CW Den Haag Postbus 20201 2500 EE Den Haag www.rijksoverheid.nl

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2011 2012 33 090 IXA Wijziging van de sstaat van Nationale Schuld (IXA) voor het jaar 2011 (wijziging samenhangende met de Najaarsnota) Nr. 2 MEMORIE VAN

Nadere informatie

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG a 1 > Retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Datum: 22 april 2013 Betreft: Beleidsreactie op het advies "De

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2013 2014 33 755 Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van de Invorderingswet 1990 in verband met de wijziging van de percentages belasting-

Nadere informatie

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 woensdag 16 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage.

Examen HAVO. economie. tijdvak 1 woensdag 16 mei 13.30-16.00 uur. Bij dit examen hoort een bijlage. Examen HAVO 2012 tijdvak 1 woensdag 16 mei 13.30-16.00 uur oud programma economie Bij dit examen hoort een bijlage. Dit examen bestaat uit 28 vragen. Voor dit examen zijn maximaal 60 punten te behalen.

Nadere informatie

32635 Strategie van Nederlands buitenlandbeleid. Brief van de minister van Buitenlandse Zaken

32635 Strategie van Nederlands buitenlandbeleid. Brief van de minister van Buitenlandse Zaken 32635 Strategie van Nederlands buitenlandbeleid Nr. 5 Brief van de minister van Buitenlandse Zaken Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 26 april 2012 Mede namens de Staatssecretaris

Nadere informatie

Datum 25 februari 2015 Betreft Beantwoording Kamervragen van het lid Merkies (SP) over renteopslagen rentederivaten

Datum 25 februari 2015 Betreft Beantwoording Kamervragen van het lid Merkies (SP) over renteopslagen rentederivaten > Retouradres Postbus 20201 2500 EE Den Haag Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag Korte Voorhout 7 2511 CW Den Haag Postbus 20201 2500 EE Den Haag www.rijksoverheid.nl

Nadere informatie

TOELICHTEND INFORMATIEMEMORANDUM. met betrekking tot de vergadering van participanten van Insinger de Beaufort Income Plus Fund

TOELICHTEND INFORMATIEMEMORANDUM. met betrekking tot de vergadering van participanten van Insinger de Beaufort Income Plus Fund TOELICHTEND INFORMATIEMEMORANDUM met betrekking tot de vergadering van participanten van Insinger de Beaufort Income Plus Fund te houden op 25 april 2014, om 14:00 uur Herengracht 537, 1017 BV Amsterdam

Nadere informatie

EUROPEES PARLEMENT. Commissie economische en monetaire zaken. MEDEDELING AAN DE LEDEN nr. 22/2005

EUROPEES PARLEMENT. Commissie economische en monetaire zaken. MEDEDELING AAN DE LEDEN nr. 22/2005 EUROPEES PARLEMENT 2004 ««««««««««««2009 Commissie economische en monetaire zaken MEDEDELING AAN DE LEDEN nr. 22/2005 Betreft: Bijdrage van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Bijgevoegd vindt u de bijdrage

Nadere informatie

De conclusies van het IMF betreffende de betalingsbalans en het monetair beleid zijn onderverdeeld in drie aspecten:

De conclusies van het IMF betreffende de betalingsbalans en het monetair beleid zijn onderverdeeld in drie aspecten: SAMENVATTING BELANGRIJKSTE CONCLUSIES IN HET RAPPORT D.D. 19 SEPTEMBER 2011 NAAR AANLEIDING VAN DE BESPREKINGEN IN HET KADER VAN DE 2011 ARTIKEL IV CONSULTATIES VAN HET IMF 1. HOOFDTHEMA Het belangrijkste

Nadere informatie

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN. Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN Brussel, 29.4.2003 COM(2003) 219 definitief 2003/0084 (COD) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot wijziging van Richtlijn 2002/96/EG

Nadere informatie

Rijksbelastingen 0n verdubbeld en vergroend

Rijksbelastingen 0n verdubbeld en vergroend 08 Rijksbelastingen 0n verdubbeld en vergroend Laurens Cazander Publicatiedatum CBS-website: 3 februari 2009 Den Haag/Heerlen, 2009 Verklaring van tekens. = gegevens ontbreken * = voorlopig cijfer x =

Nadere informatie

ir. H. Hoeve door 1980-133 Abw april

ir. H. Hoeve door 1980-133 Abw april DE ONTWIKKELINGEN IN DE OPPERVLAKTE LANDBOUW- GROND VAN NEDERLAND MET EN ZONDER MARKERWAARD Notitie ten behoeve van K.B.A.-nota Markerwaard van 3 D.G.'s door ir. H. Hoeve 1980-133 Abw april 1. INLEIDING,

Nadere informatie

Lage rentevoeten sluipend gif voor de economie? Alumni & Friends Actuariaat Leuven 28.09.2015 Tom Meeus

Lage rentevoeten sluipend gif voor de economie? Alumni & Friends Actuariaat Leuven 28.09.2015 Tom Meeus Lage rentevoeten sluipend gif voor de economie? Alumni & Friends Actuariaat Leuven 28.09.2015 Tom Meeus Trends, 06.06.2013 Is een lage rente (

Nadere informatie

TOELICHTEND INFORMATIEMEMORANDUM. met betrekking tot de vergadering van participanten van Sustainable Values Fund

TOELICHTEND INFORMATIEMEMORANDUM. met betrekking tot de vergadering van participanten van Sustainable Values Fund TOELICHTEND INFORMATIEMEMORANDUM met betrekking tot de vergadering van participanten van Sustainable Values Fund te houden op 18 juli 2014, om 11:00 uur Herengracht 537, 1017 BV Amsterdam 2 juli 2014 I

Nadere informatie