Strafrechtelijk bewijsrecht vijfde, herziene druk J.F. Nijboer 2008 Ars Aequi Libri Nijmegen
Voorwoord Lijst van gebruikte afkortingen Inhoudsopgave V IX XIII Hoofdstuk 1: Oriëntatie 1 1.1. De plaats van het strafrechtelijke bewijsrecht 2 1.2. Onderzoek en bewijs (algemeen) 8 1.3. Typering van het strafrechtelijk onderzoek en bewijs 12 1.4. Terminologie 20 1.5. Legaliteit en wettelijke bewijsregeling 25 1.6. Het stelsel van de artt. 338-3443 115, 350 en 359-360 WvSv ten opzichte van andere stelsels 35 1.7. Internationale ontwikkelingen 53 1.8. Leeswijzer 57 Hoofdstuk 2: Acht kernpunten van de wettelijke regeling 61 2.1. De beperkte strekking van de bewijsregeling in het WvSv 62 2.2. De limitatieve opsomming van de wettige bewijsmiddelen 65 2.3. De compleetheid van het onderzoek op de terechtzitting en de gebondenheid van de rechter aan dat onderzoek 68 2.4. De vrije waardering door de rechter 73 2.5. De rechterlijke overtuiging 77 2.6. Dubbele bevestiging; de bewijsminima 82 2.7. In het uitgewerkt schriftelijk vonnis dient in bepaalde gevallen de bewezenverklaring tot in de detail gemotiveerd te worden 87 2.8. Gegevens van algemene bekendheid behoeven geen bewijs 92 Xlll
xiv Inhoudsopgave Hoofdstuk 3: De hoofdlijnen van de rechtsontwikkeling sinds 1926 97 3.1. De rechter in feitelijke aanleg en de cassatierechter 98 3.2. De cassatierechter en het Wetboek van Strafvordering: de toelating van het testimonium de auditu 104 3.3. Het gevolg: het praktisch belang van het voorbereidend onderzoek: de eerste drie uitzonderingen op de toelating van het testimonium de auditu 109 3.4. Correcties door het aanscherpen van de motiveringseisen - algemeen 112 3.5. Verdere correctie op de toelating van het testimonium de auditu; de vierde uitzondering 115 3.6. De Europese dimensie: het onmiddellijkheidsbeginsel en het ondervragen van getuigen; aanscherping van de vierde uitzondering, alsmede verdere uitzonderingen 117 3.7. Controle op de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek: uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs 138 3.8. 'Meeren Vaart' en aanverwante jurisprudentie 156 3.9. De (on)betrouwbaarheid van bewijsmiddelen 163 3.10. De verantwoordelijkheid van de strafrechter en de opstelling van de verdediging 174 3.11. De wet incorporeert rechtersrecht 176 Hoofdstuk 4: Rechter en 'procespartijen' in het strafgeding 183 4.1. De niet-lijdelijke positie van de rechter op de terechtzitting 184 4.2. Selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal 187 4.3. Beslissing en motivering als elementen in de rechterlijke oordeelsvorming 188 4.4. De stelplicht van het Openbaar Ministerie 191 4.5. Geen bewijslast voor de verdachte 196 4.6. Voorbeelden van bewijsverweren die door de verdediging kunnen worden opgeworpen 200
Hoofdstuk 5: Bewijsmiddelen en gegevens van algemene bekendheid 209 5.1. Het heterogene karaktervan de opsomming in art. 339 WvSv 210 5.2. Eigen waarneming van de rechter 214 5.3. Verklaring van de verdachte 219 5.4. Verklaring van de getuige 226 5.5. Verklaring van de deskundige 237 5.6. Schriftelijke bescheiden 250 5.7. Gegevens van algemene bekendheid 256 Hoofdstuk 6: De enkelvoudige en de samengestelde tenlastelegging 261 6.1. Inleiding; aard van de tenlastelegging 261 6.2. De enkelvoudige tenlastelegging 269 6.3. De cumulatieve tenlastelegging 272 6.4. De primair/subsidiaire tenlastelegging 273 6.5. De alternatieve tenlastelegging 275 Hoofdstuk 7: De bewijsconstructie in het uitgewerkt schriftelijk vonnis 279 7.1. De wettelijke eisen voor de inrichting van het schriftelijk vonnis 280 7.2. Weergave van de gebruikte bewijsmiddelen in het vonnis 292 7.3. Nadere overwegingen in het vonnis 293 7.4. Het nieuwe art. 359, lid 2, WvSv: uitdrukkelijk ingenomen en onderbouwde standpunten 297 7.5. Integratie van nieuwe vereisten in de wetgeving 302 Hoofdstuk 8: Enkele opmerkingen over de vrijspraak 305 8.1. De vrijspraak als zelfstandige einduitspraak 305 8.2. Vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging 308 8.3. Enkele processuele consequenties van de vrijspraak 310 8.4. Partiële vrijspraak 312 8.5. De motivering van de vrijspraak 315 xv
Hoofdstuk 9: Bewijsregels in bij- en nevenprocedures 319 9.1. Algemeen 319 9.2. Het rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen 322 9.3. Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften 324 9.4. Ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel 325 9.5. De vordering van de benadeelde partij 327 9.6. Het buitengewone rechtsmiddel van herziening 329 Hoofdstuk 10: Slotbeschouwingen 335 10.1. Balans van meer dan 80 jaar jurisprudentie: het evenwicht verstoord? 335 10.2. Enkele opmerkingen over de inquisitoire stijl van procederen, mede in het licht van de Europese rechtsontwikkeling 343 10.3. 'New Evidence Scholarship'en andere ontwikkelingen in theorie en praktijk 350 Registers Rechtspraakregister 359 Personenregister 373 Zakenregister 375 Bibliografie 383 xvi