Civiele Procespraktijk



Vergelijkbare documenten
Civiele Procespraktijk

Civiele Procespraktijk

Financiële voordelen voor de aansprakelijke verzekeraar bij letsel en overlijdensschade? Door: mr. Nicole M. Bilo

Honderbezitter aansprakelijk voor schade aangericht door hond aan hondenuitlaatster

Rb. 's-gravenhage 6 juli 2012, LJN BX2021, JA 2012/183. Trefwoorden: Sommenverzekering, Voordeelstoerekening, Eigen schuld

De Rechtbank Den Haag lijkt uitsluitsel te geven Verrekening van voordeel bij de arbeidsongeschiktheidsverzekering

De vaststellingsovereenkomst. Prof. mr dr Edwin van Wechem

Eiseres zal hierna [A] genoemd worden. Gedaagden zullen hierna ieder afzonderlijk [B] en [C], alsmede gezamenlijk [B] c.s. genoemd worden.

JA 2017/99 met annotatie van mr. L. Boersma

Toelichting Bedrijfsregeling 7: Schaderegeling schuldloze derde

ECLI:NL:PHR:2008:BD1383 Parket bij de Hoge Raad Datum uitspraak Datum publicatie

RISICO-AANSPRAKELIJKHEDEN BIJ PAARDEN. I. Risico-aansprakelijkheid voor schade veroorzaakt door dieren

Hoge Raad 23 november 2012, LJN: BX5880: als twee vechten om een been, mag de WAM-verzekeraar van de medeschuldenaar er mee heen?

De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

hikking RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummer: UE VERZ MAR/1217

Jubileumcongres Beursbengel

Rapport. Rapport over een klacht over het College van procureurs-generaal te Den Haag. Datum: 25 februari Rapportnummer: 2014/010

Kluwer Online Research Bedrijfsjuridische berichten Verruiming van de zorgplicht en werkgeversaansprakelijkheid

In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2013:417, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1483

Artikel 3:40 Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

ECLI:NL:RBROT:2009:BH4446

KLACHTPLICHT BIJ NON-CONFORMITEIT

De onderzoeks- en klachtplicht van de artikelen 6:89 en 7:23 BW.

Zaaknummer : CBHO 2015/083 Rechter(s) : mr. Olivier Datum uitspraak : 26 januari 2016 Partijen : appellant en Hogeschool van Amsterdam Trefwoorden :

Artikel 7:942 BW Verzekering en verjaring. Marine Insurance Amsterdam 21 juni 2010 Wilbert ten Braak

Partijen zullen hierna [BETROKKENE] en [VERZEKERAAR] genoemd worden.

Klaag op tijd én op de juiste wijze (!): het toetsingskader voor verval van recht

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN

Webinar Arbeidsrecht Jurisprudentie (procesrecht) Academie voor de Rechtspraktijk mr. P.J. Jansen 6 maart 2015

De aansprakelijkheid van de bindend adviseur: de betekenis van de Greenworld-maatstaf bij zuiver en onzuiver bindend advies.

: London General Insurance Cy. Ltd, gevestigd te Amsterdam, verder te noemen Verzekeraar

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, is het navolgende gebleken.

een bad hair day? De Billijke vergoeding:

Aegon Schadeverzekering N.V., gevestigd te Den Haag, hierna te noemen Aangeslotene.

I n z a k e: T e g e n:

Ontvankelijkheid. Klacht over (nog) niet verrichte handeling. Tuchtrechtelijke laakbaarheid van handelwijze in gerechtelijke procedure.

Hof Leeuwarden, 12 november 2003; Val van paard, kind jonger dan 14 jaar, volledige schadeloosstelling.

Amsterdam Centre for Insurance Studies (ACIS) De opzetclausule in aansprakelijkheidsverzekeringen

Mauritslaan 42/ HW Geleen

Claimsafhandeling in polisclausules. Pieter Leerink ACIS-symposium 29 november 2013

Beheerovereenkomst. Extra betaalde werkzaamheden vanouds verricht. De Centrale Raad van Toezicht geeft de volgende uitspraak in de zaak van:

IN NAAM DER KONINGIN

ECLI:NL:GHAMS:2013:3247 Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer

Bewijslastverdeling bij gestelde uitputting

Omgaan met aansprakelijkheidsrisico's, vrijwaringsbedingen en verzekerbaarheid

15 jaar erfrecht bezien vanuit notariaat, advocatuur en rechterlijke macht. EPN VEAN Congres 20 september 2018 Prof.mr.dr.

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.

Corporate Alert: de 403-verklaring

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Uit de stukken is, voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, het navolgende gebleken.

Bij memorie van grieven, met producties, heeft Burger een grief tegen het bestreden vonnis gericht.

Achmea Schadeverzekeringen N.V., gevestigd te Apeldoorn, hierna te noemen Aangeslotene.

NADERE INVULLING WERKGEVERSAANSPRAKELIJKHEID VOOR VERKEERSONGEVALLEN VAN WERKNEMERS

ECLI:NL:CRVB:2014:3463

ECLI:NL:HR:2015:1871. Uitspraak. Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer 14/ Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:589, Gevolgd

Symposium Omkering van bewijslast. 27 oktober 2017 Rotterdam Studiekring Normatieve Uitleg

Devolutieve werking hoger beroep

De heer S., aangesloten makelaar, verbonden aan [naam makelaarskantoor], [adres] beklaagde.

1.3 De Beroepscommissie heeft het principaal en het incidenteel beroep mondeling behandeld op 25 maart Beide partijen waren aanwezig.

2.2 Het feitelijk beginnen met het uitvoeren van de overeenkomst geldt zijdens opdrachtgever als aanvaarding van deze algemene voorwaarden.

LJN: BV6124,Voorzieningenrechter Rechtbank Arnhem, Datum uitspraak: Datum publicatie:

ECLI:NL:PHR:2007:AZ6118 Parket bij de Hoge Raad Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer 00636/06

ECLI:NL:GHAMS:2016:5140 Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer /01

ECLI:NL:CRVB:2017:1820

ECLI:NL:GHAMS:2013:3271 Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer

1 Het geding in feitelijke instanties

Samenloop van verzekeringen

Huwelijksvermogensrecht journaal. September 2015

CR 12/2415 DE CENTRALE RAAD VAN TOEZICHT VAN DE NEDERLANDSE VERENIGING VAN MAKELAARS O.G. EN VASTGOEDDESKUNDIGEN NVM.

Instantie. Onderwerp. Datum

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.

Transcriptie:

Civiele Procespraktijk Nr. 14 januari 2011 De volgende onderwerpen worden behandeld: Uitleg opstalrecht op grond van notariële akte Verrekening van voordeel Aanvaarding rechtsstrijd Klachtplicht Risicoaansprakelijkheid medebezitter opstal Uitleg opstalrecht op grond van notariële akte (HR 22 oktober 2010, LJN BM8933) Lisser heeft Kamsteeg een recht van opstal verleend voor een benzinestation. In de notariële vestigingsakte is vastgelegd dat het opstalrecht eindigt als Shell of een andere oliemaatschappij een lager rendement aanbiedt dan 30% van de grondwaarde. Op enig moment is een nieuwe overeenkomst met Shell tot stand gekomen. Lisser heeft zich daarna op het standpunt gesteld dat het rendement lager is dan 30% van de grondwaarde. Deskundigen zijn tot de slotsom gekomen dat een rendement van 30% van de grondwaarde nooit is gehaald en ook nooit kon worden gehaald. Lisser heeft een verklaring voor recht gevorderd dat het opstalrecht is geëindigd. Kamsteeg heeft gesteld dat de vastlegging van het opstalrecht in de notariële akte niet overeenkomt met de bedoeling van partijen. Het hof heeft geoordeeld dat alleen betekenis toekomt aan de objectieve uitleg van de in de notariële akte vastgelegde partijbedoeling. De Hoge Raad stelt voorop dat de inhoud van het opstalrecht moet worden vastgesteld aan de hand van de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling. Deze partijbedoeling moet worden afgeleid uit de naar objectieve maatstaven in het licht van de akte als geheel uit te leggen omschrijving van het opstalrecht. Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat het in de verhouding tussen de oorspronkelijke contractspartijen aankomt op de zin die partijen aan de (obligatoire) afspraken mochten geven en op hetgeen zij te dien aanzien mochten verwachten. Deze uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf brengt geen verandering in de inhoud van het recht van opstal. De uitleg van de afspraken kan echter in de weg staan aan toewijzing van een vordering die is gegrond op de inhoud van het recht van opstal. De reden is dat een beroep op de inhoud van het recht van opstal, voor zover die strijdig is met de bedoelingen van de partijen, tussen de contractspartijen misbruik van bevoegdheid zal (kunnen) opleveren. In het geval de obligatoire overeenkomst is opgenomen in de notariële akte, dan levert

die akte tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van hetgeen in de akte door hen omtrent de inhoud van die overeenkomst is verklaard (artikel 157 lid 2 Rv). Daartegen staat echter tegenbewijs open (artikel 151 lid 2 Rv). In dat licht is, zo vervolgt de Hoge Raad, onjuist het oordeel van het hof dat tussen partijen alleen betekenis toekomt aan de objectieve uitleg van de in de akte vastgelegde partijbedoeling. Kamsteeg moet op die grond worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Volgens vaste rechtspraak is voor toelating tot tegenbewijs alleen plaats wanneer de gestelde feiten voldoende gemotiveerd zijn betwist (onder meer HR 16 januari 2009, NJ 2009/54). Om tot tegenbewijs tegen de vastlegging van de partijbedoeling in een (notariële) akte te worden toegelaten, zal dus moeten worden toegelicht waaruit volgt dat partijen een andere afspraak hebben gemaakt dan in de akte is vastgelegd. Verrekening van voordeel (HR 1 oktober 2010, LJN BM8933) In deze zaak gaat het om het volgende. De arm van een werknemer van een tuinbouwbedrijf is bekneld geraakt in een versnipperaar. De werknemer heeft hierdoor ernstig letsel opgelopen. Het tuinbouwbedrijf was verzekerd tegen aansprakelijkheid. Het bedrijf had verder onverplicht een ongevallenverzekering voor zijn werknemers gesloten. Vast staat dat het tuinbouwbedrijf als werkgever aansprakelijk is voor de letselschade. Het gaat hier om de vraag of de uitkeringen van de ongevallenverzekering op de voet van artikel 6:100 BW in mindering moeten worden gebracht op de te vergoeden schade. De Hoge Raad stelt voorop dat aan de rechter een ruime beoordelingsvrijheid is gelaten om te beslissen of verrekening van voordeel in een concreet geval redelijk is. Als sprake is van letselschade en het voordeel bestaat uit een verzekeringsuitkering, dan dient een aantal uitgangspunten in acht te worden genomen. Het gaat daarbij om de volgende punten (a) verrekening zal in het algemeen alleen mogen plaatsvinden indien de uitkering ertoe strekt dezelfde schade te vergoeden als de schade waarvoor de laedens aansprakelijk is, (b) geschiedt de uitkering ingevolge een schadeverzekering en is aan voorwaarde a voldaan, dan is verrekening in beginsel op haar plaats, (c) geschiedt de uitkering op grond van een sommenverzekering waarvoor de benadeelde de premie heeft voldaan, dan is voor verrekening in het algemeen geen plaats, (d) is de premie voor de sommenverzekering door de aansprakelijke partij voldaan, dan kan plaats zijn voor verrekening, met name als de aansprakelijke partij daartoe niet verplicht was, (e) is de aansprakelijkheid gedekt door een verzekering dan zal verrekening met de uitkering uit de sommenverzekering in beginsel niet redelijk zijn en (f) de rechter mag betekenis toekennen aan de aard van de aansprakelijkheid en de mate van verwijtbaarheid. Samengevat houdt het oordeel van de Hoge Raad in (i) dat de aansprakelijke partij jegens de benadeelde in beginsel een beroep op voordeelsverrekening toekomt indien en voor zover een schadeverzekering dezelfde schade vergoedt, (ii) dat het afhangt van de omstandigheden of de aansprakelijke partij zich jegens de benadeelde op voordeelsverrekening kan beroepen indien en voor zover een sommenverzekering een uitkering doet die tot vergoeding van dezelfde schade strekt en (iii) dat de aansprakelijke partij zich in ieder geval niet op verrekening met de uitkering uit hoofde van een sommenverzekering kan beroepen als hij voor de schade een aansprakelijkheidsverzekering heeft.

Een sommenverzekering vermeldt in het algemeen niet tot vergoeding van welke schade de uitkering strekt. Op grond van het arrest van de Hoge Raad is in het kader van de voordeelsverrekening echter van groot belang of de sommenverzekering strekt tot vergoeding van dezelfde schade als de schade die de aansprakelijke partij moet vergoeden. Het is dus van belang dat partijen daarover het nodige stellen. Aanvaarding rechtsstrijd (HR 10 september 2010, LJN BM6086) In deze zaak is de eigenaresse van een paard op de voet van art. 6:179 BW aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van een val van de persoon die het paard bereed. De advocaat van de eigenaresse van het paard voert voor het eerst bij akte in appel aan dat de berijdster het paard uit vrije wil van haar had aangenomen en dat de gevolgen van het ongeval daarom voor haar risico komen. De advocaat van de berijdster van het paard is in haar pleitnotitie kort ingegaan op dat betoog. Het hof heeft overwogen dat het betoog van de eigenaresse van het paard als tardieve grief buiten beschouwing dient te worden gelaten. Het cassatieberoep strekt ten betoge dat de berijdster van het paard de rechtsstrijd op dit punt ondubbelzinnig heeft aanvaard door bij pleidooi op het betoog in te gaan, en dat de grief daarom had moeten worden beoordeeld. De Hoge Raad verwerpt het beroep. Het betoog van de eigenaresse van het paard is naar het oordeel van de Hoge Raad niet opgezet in de vorm van een betoog dat klaagt over de verwerping van het verweer dat sprake is van eigen schuld. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de berijdster van het paard dit betoog niet als een nieuwe grief heeft onderkend. Het hof heeft onder die omstandigheden kunnen oordelen dat de berijdster van het paard de rechtsstrijd op dit punt niet alsnog heeft aanvaard. Niettegenstaande de uitkomst onderstreept dit arrest dat het van belang is om bij pleidooi alert te zijn op nieuwe grieven en in dat geval, ter vermijding van risico s, als primair standpunt te laten noteren dat de rechtsstrijd in zoverre niet wordt aanvaard. Klachtplicht (HR 8 oktober 2010, LJN BM9615) Chipshol heeft aandelen geleverd aan Lafranca. Lafranca beschikte toen over de draft prospectus. Deze prospectus vermeldde onder meer dat Chipshol een kooprecht had op grond van Landinvest in de omgeving van Schiphol. Naar het oordeel van de rechtbank had Chipshol echter geen afdwingbare afspraken gemaakt met Landinvest over de verwerving van de betreffende grond. Lafranca heeft schadevergoeding gevorderd wegens (onder meer) onrechtmatig handelen door bij de aandelenemissie onjuiste en onvolledige informatie te verstrekken. Het hof is tot het oordeel gekomen dat Lafranca niet tijdig heeft geklaagd over het ontbreken van de overeenkomst met Landinvest. Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft het hof bij de beantwoording van de vraag of tijdig is geprotesteerd terecht acht geslagen op de omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij in het bijzonder om (a) het nadeel dat de debiteur door het tijdsverloop heeft ondervonden, (b) de waarneembaarheid van de afwijking voor de crediteur, (c) de deskundigheid van partijen, (d) de onderlinge verhouding tussen partijen, (e) de

aanwezige juridische kennis en (f) de behoefte aan voorafgaand deskundig advies. De tijd van hard and fast rules lijkt voor wat betreft de klachtplicht tot het verleden te behoren. Dit leidt ertoe dat de partij die er een beroep doet dat niet tijdig is geklaagd en de partij die zich daartegen verweert, veel meer moeten stellen dan voorheen. Beide partijen doen er verstandig aan om in hun processtuk aandacht te besteden aan de zes gezichtspunten en toe te lichten waarom die gezichtspunten er in dit geval toe leiden dat al dan niet tijdig is geklaagd. Overigens geldt één harde klachttermijn onverkort: bij een consumentenkoop is een klacht binnen twee maanden altijd tijdig (art. 7:23 lid 2 BW). Risicoaansprakelijkheid medebezitter opstal (HR 8 oktober 2001, LJN BM6095) Een vrouwheeft haar hangmat bevestigd aan een gemetselde pilaar in de tuin bij haar woning. Toen zij in de hangmat lag, is de pilaar afgebroken en over haar heen gevallen. De vrouw heeft hierbij ernstig letsel opgelopen. De vrouw heeft vervolgens haar partner als medebezitter van de woning aangesproken voor haar schade. Zij hadden samen een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren ( AVP ). De vraag is of een bezitter op grond van art. 6:174 BW ook risicoaansprakelijk is jegens een medebezitter. Naar het van de Hoge Raad is het in het licht van de wetsgeschiedenis en doel en strekking van de risicoaansprakelijkheid voor opstal redelijk de schade van de benadeelde over alle bezitters te verdelen. Een redelijke toepassing van art. 6:174 BW in verbinding met artikel 6:10 BW (onderlinge draagplicht) brengt mee dat een benadeelde medebezitter in beginsel het gedeelte van de door hem geleden schade draagt dat overeenkomt met zijn aandeel in de opstal. Voor het overige kan hij zijn medebezitter(s) op grond van art. 6:174 BW aanspreken naar rato van hun aandeel in de opstal. Het leerstuk van eigen schuld speelt bij risicoaansprakelijkheid van een medebezitter een rol als er omstandigheden aan het intreden van de schade hebben bijgedragen, die aan de benadeelde medebezitter kunnen worden toegerekend. Eigen nalatigheid of onachtzaamheid van de benadeelde medebezitter (in grotere mate dan de andere medebezitters) kan dus aanleiding vormen de schade op de voet van art. 6:101 BW voor een groter gedeelte voor eigen rekening te laten dan zijn aandeel in de opstal meebrengt. De nieuwsbrief Civiele Procespraktijk is bestemd voor correspondenten van de Sectie Cassatie van Ekelmans & Meijer Advocaten en voor andere geïnteresseerden, en verschijnt vier keer per jaar. Een ieder die zich wil abonneren op deze gratis nieuwsbrief, kan zich aanmelden op het adres cassatie@ekelmansenmeijer.nl. Ook afmeldingen kunnen aan dit adres worden gericht. Voetnoten

(1) HR 22 oktober 2010, LJN BM8933 (2) HR 1 oktober 2010, LJN BM7808 (3) HR 10 september 2010, LJN BM6086 (4) HR 8 oktober 2010, LJN BM9615 (5) HR 8 oktober 2010, LJN BM6095 This email was sent to administrator@ekelmansenmeijer.nl. If you are no longer interested you can unsubscribe instantly.