Hieronder staan de vragen van het Stuurbrevet-examen van 19 Maart 2011. Het gedeelte Beperkt (20 vragen) staat op 60 punten, dit wil zeggen 3 punten per vraag. Het gedeelte Algemeen (10 vragen) geeft u maximaal 30 punten. In beide examens bent u geslaagd indien u 60 % gehaald hebt (resp. 36/60 en 18/30). Let op: met dit systeem van meerkeuzevragen geeft een correct antwoord op een vraag 3 punten, geen antwoord geeft 0 punten en een foutief antwoord levert -1 punt op. Gokken wordt dus gesanctioneerd! Omcirkel de letter met het juiste antwoord. De oplossing vindt u na de laatste vraag. Beperkt stuurbrevet Opmerking: De vermelding "CEVNI" heeft betrekking op de Europese reglementering. De vermelding "SIGNI" heeft betrekking op de Europese voorschriften voor signalisatie op de binnenwateren. 1. U ziet s nachts: (APSB). Dit is a. vooraanzicht groot zeilschip b. achteraanzicht groot zeilschip c. achteraanzicht schip dat aan het vissen is 2. Welke betekenis heeft het volgende verkeersbord? (APSB) a. varen met grote snelheid is toegelaten b. waterskien is toegelaten c. varen met grote snelheid met jetboten is toegelaten 3. Wat betekent het volgende verkeersteken? (APSB) a. einde van een verbod geldend voor een vaarrichting b. de gevolgde vaarweg gaat naar links c. verbod om verder te varen 4. U nadert een plaats op de scheepvaartweg die aangeduid wordt met volgend bord: (APSB) Mag u hier ligplaats nemen? a. nee b. ja c. ja, maar enkel om te meren en niet om te ankeren 5. Wat betekent de volgende combinatie van borden? (APSB) a. verboden stil te houden vanaf dit bord tot 1000 m verder b. verplicht geluidsseinen te geven vanaf dit bord tot 1000 m verder c. stilhouden na 1000 m 1
6. Welke bewering is juist? (APSB) Een jetboot: a. moet voorzien zijn van een goedgekeurde poederblusser van voldoende capaciteit b. mag in de voorziene zones voor jetboten aan snelheidswedstrijden doen c. is een klein schip 7. Mag men zich tussen de lengten van een sleep begeven? (APSB) a. nooit b. enkel indien er geen gevaar is c. enkel indien er geen gevaar is en de afstand tussen de vaartuigen van de sleep voldoende groot is 8. Een klein zeilschip en een klein motorschip naderen elkaar op tegengestelde koersen in een engte. Er is geen stroom. Wat is juist? (APSB) a. het bezeild zeilschip heeft voorrang b. het zeilschip heeft steeds voorrang c. het schip dat aan stuurboord geen hindernis tegenkomt heeft voorrang 9. Een klein schip dat s nachts wordt gesleept moet voeren: (APSB) a. een wit rondom zichtbaar licht b. een geel rondom zichtbaar licht c. een groen rondom zichtbaar licht 10. Welke minimum afstand is in het algemeen te respecteren tussen twee stilliggende schepen waarvan een schip een blauwe kegel voert met de punt naar beneden? (APSB) a. 10m b. 50m c. 100m 11. Een groot gesleept schip voert als dagteken (APSB): a. een zwarte bol b. een gele bol c. een groene bol 12. Uw schip heeft een linkse schroef. Er staat geen wind en/of stroom. Met welke kant van uw schip komt u bij voorkeur bij de kade aan? a. bakboordzijde b. geen voorkeur c. stuurboordzijde 13. U sleept een ander schip met behulp van een enkele lange tros. U spreekt met de schipper van het andere schip af dat hij, bij de bochten: a. recht achter u blijft sturen b. de binnenbochten instuurt c. de buitenbochten instuurt 14. Een brand kan slechts ontstaan indien drie elementen aanwezig zijn: een brandbare stof, een voldoend hoge temperatuur (ontbrandingstemperatuur) en bovendien: a. stikstof b. koolzuurgas c. zuurstof 2
15. Bij een ongeval waardoor gevaarlijke stof vrijkomt wordt een geluidssein gegeven, dat gedurende tenminste 15 min, wordt herhaald. Dit wordt kenbaar gemaakt door het blijf-weg sein: (APSB) a. een lange stoot, enzovoorts b. een korte stoot, gevolgd door een lange stoot, enzovoorts c. een reeks lange stoten, enzovoorts 16. Wat betekent het volgende verkeersbord volgens APSB? a. verboden met twee naast elkaar te varen b. er staat een sterke stroming die golven kan geven c. verboden hinderlijke golfslag te veroorzaken 17. De kleur van de betonning die wordt toegepast ter markering van bijvoorbeeld verboden gebieden, bagger- en ankerplaatsen, visserijgebieden, enzovoorts, is (APSB): a. geel b. lichtblauw c. rood/wit horizontaal gestreept 18. Waar moet de radarreflector opgehangen worden? a. zo hoog mogelijk b. zo ver als mogelijk naar voren c. zo ver als mogelijk naar achter 19. Een klein zeilschip en een groot zeilschip naderen elkaar op tegengestelde koersen. Geen van beide schepen volgt stuurboordwal. Dan geldt (APSB): a. het kleine zeilschip moet uitwijken b. het schip dat over bakboord ligt moet uitwijken c. het schip dat over stuurboord ligt moet uitwijken 20. Een schip dat geen radar aan boord heeft en dat bij slecht zicht de vaart voortzet, mag een mist sein geven. Dit mistsein moet met tussenpozen van ten hoogste een minuut worden herhaald en bestaat uit (APSB): a. een korte stoot b. een lange stoot c. vijf korte stoten Algemeen stuurbrevet 21. Een onmanoeuvreerbaar schip is een schip dat: a. door de aard van zijn werkzaamheden beperkt is in zijn manoeuvreerbaarheid en dat daar door niet in staat is voor een ander schip uit te wijken b. wegens buitengewone omstandigheden niet in staat is te manoeuvreren, zoals vereist volgens de voorschriften en dat daardoor niet in staat is voor een ander schip uit te wijken c. door zijn diepgang ernstig beperkt is in zijn mogelijkheid af te wijken van de koers die het volgt 3
22. Om te bepalen of er gevaar voor aanvaring bestaat, moet men alle beschikbare middelen in de heersende omstandigheden gebruiken. In geval van twijfel: a. neemt men aan dat er geen gevaar voor aanvaring bestaat b. neemt men aan dat er wel gevaar voor aanvaring bestaat c. moet men al het mogelijke doen om deze twijfel op te heffen 23. Een zeilschip en een schip bezig met de uitoefening van de visserij naderen elkaar op kruisen de koersen. Er is gevaar voor aanvaring. Het zeilschip heeft het vissende schip aan zijn bak boordzijde. Wat is van toepassing? a. beide schepen moeten uitwijken naar stuurboord b. het schip bezig met de uitoefening van de visserij moet uitwijken c. het zeilschip moet uitwijken 24. Een schip korter dan 12 m is tijdens beperkt zicht: a. steeds verplicht de voorgeschreven geluidsseinen te geven met tussenpozen van niet meer dan 2 minuten b. niet verplicht de voorgeschreven geluidsseinen te geven c. niet verplicht de voorgeschreven geluidsseinen te geven, maar indien het deze niet geeft, moet het wel een ander doelmatig geluidssein geven met tussenpozen van niet meer dan twee minuten 25. Een luchtkussenvaartuig dat vaart zonder waterverplaatsing dient de volgende lichten te voeren: a. een rondom zichtbaar geel schitterlicht, zijlichten en heklicht b. toplicht, zijlichten, heklicht en een rondom zichtbaar geel schitterlicht c. een rondom zichtbaar wit schitterlicht, zijlichten en een heklicht 26. Een cumulonimbuswolk kondigt aan: a. mooi weer b. onweer en regenbuien c. koude en vorst aan de grond 27. Op plaatsen waar lucht daalt, ontstaat er: a. een gebied van lage luchtdruk b. een gebied van hoge luchtdruk c. een gebied met hoge windsnelheden 28. Mag u bij het verlaten van een vaargeul de koerslijn van een schip dat buiten die vaargeul vaart kruisen en het verplichten koers of vaart te wijzigen? a. nee b. ja c. ja, indien uw schip groter is 29. Bij een noordwestenwind van 6 beaufort stuurt de stuurman een voorliggende kompaskoers van 230. Hij schat de drift op 10. De variatie is 3 west en er staat geen stroom. Bij de gegeven kompaskoers leest men in de deviatietabel de waarde +4 af voor de deviatie. Wat is de ware koers (koers over de grond)? a. 213 b. 221 c. 227 4
30. Het is buiten de vaargeul aan gemeerde schepen toegelaten om een anker aan de zijde van het vaarwater uit te hebben? a. nee, het verboden b. ja het is toegelaten c. het is afhankelijk van de omstandigheden 5
Antwoorden 19 maart 2011 1 B 11 B 21 B 2 A 12 C 22 B 3 A 13 C 23 C 4 A 14 C 24 C 5 C 15 B 25 B 6 C 16 C 26 B 7 A 17 A 27 A 8 A 18 A 28 A 9 A 19 A 29 B 10 A 20 B 30 A 6