Gebruikershandleiding Overzicht van het apparaat Papierspecificaties en papier bijvullen Documenten afdrukken Originelen kopiëren Originelen scannen Een fax verzenden en ontvangen Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Het apparaat configureren met hulpprogramma's Het apparaat onderhouden Problemen oplossen Netwerkinstellingen configureren in OS X Bijlage Voor een veilig en juist gebruik, zorg ervoor dat u de "Veiligheidsinformatie" leest voordat u het apparaat gebruikt.
INHOUDSOPGAVE Informatie opzoeken over bediening en probleemoplossing... 11 Bedieningshandleiding (gedrukt)... 11 Bedieningshandleiding (digitaal formaat)... 11 Hoe werkt deze handleiding?...13 Inleiding... 13 Symbolen in deze handleiding...13 Modelspecifieke informatie...13 Disclaimer... 14 Opmerkingen... 15 Opmerking voor de beheerder... 15 Lijst met opties...16 Het IP-adres...16 1. Overzicht van het apparaat Overzicht van alle apparaatonderdelen... 17 Buitenkant: vooraanzicht...17 Buitenkant: achteraanzicht...19 Binnenkant... 22 Bedieningspaneel... 23 Opties installeren...26 De papierinvoereenheid bevestigen... 26 Het [Home]-scherm gebruiken...29 Het [Home]-scherm weergeven...29 Het [Home]-scherm gebruiken...29 Het [Home]-scherm aanpassen... 32 Het [Home]-scherm aanpassen... 32 Snelkoppelingen naar favoriete items aan het [Home]-scherm toevoegen...32 De volgorde van de pictogrammen in het [Home]-scherm wijzigen...32 Een pictogram van het [Home]-scherm verwijderen...33 Veelgebruikte functies registreren...34 Functies als favoriet item registreren...34 Een favoriet item oproepen...35 Een favoriet item verwijderen...36 Weergave van veelgebruikte modi instellen... 37 1
Meerdere taken tegelijk uitvoeren...38 Bedieningstoepassingen...43 Tekens invoeren...44 Invoerscherm voor tekens...44 Beschikbare tekens... 44 Tekst invoeren...45 Gebruiken van Ricoh Smart Device Connector...47 Verbinden van een smartphone/tablet met de machine met gebruik van NFC...48 Schrijven van de machine-informatie naar de NFC-tag met een smartphone/tablet... 48 Gebruiken van de toepassing op een smartphone/tablet door NFC te gebruiken... 48 2. Papierspecificaties en papier bijvullen Workflow voor het laden van papier en het configureren van papierformaten en -types... 51 Papier plaatsen...52 Papier plaatsen in lade 1 en 2... 52 Papier in de handinvoer plaatsen...57 Enveloppen plaatsen... 58 Het papiertype en papierformaat opgeven via het bedieningspaneel... 61 Het papiertype opgeven... 61 Het standaard papierformaat opgeven...62 Een aangepast papierformaat opgeven...62 Papiertype en -formaat opgeven met Web Image Monitor...64 Een aangepast papierformaat opgeven...64 Het papiertype en het papierformaat opgeven met behulp van het printerstuurprogramma... 66 Wanneer u Windows gebruikt... 66 Wanneer u OS X gebruikt...67 Ondersteund papier...68 Specificaties van papiertypen...70 Niet aanbevolen papiertypen... 78 Papier bewaren...79 Afdrukgebied... 79 Originelen plaatsen... 82 Originelen op de glasplaat leggen...82 Originelen in de automatische documentinvoer plaatsen...82 2
Originelen...83 3. Documenten afdrukken Wat u met de printerfunctie kunt doen... 87 Opties instellen voor de printer... 88 Voorwaarden voor bidirectionele communicatie...88 Als bidirectionele communicatie is uitgeschakeld... 88 Het dialoogvenster Afdrukvoorkeuren weergeven... 90 Het dialoogvenster met afdrukvoorkeuren weergeven vanuit het menu [Start]... 90 Het dialoogvenster met afdrukvoorkeuren weergeven in een toepassing...90 Basiswerking van afdrukken...92 Als papier niet overeenkomt... 93 Een afdruktaak annuleren... 93 Afdrukken van vertrouwelijke documenten...95 Een beveiligd afdrukbestand opslaan... 95 Een beveiligd afdrukbestand afdrukken... 96 Een beveiligd afdrukbestand verwijderen... 97 Rechtstreeks afdrukken vanaf een digitale camera (PictBridge)... 99 Wat is PictBridge?...99 Met PictBridge afdrukken...99 Wat u met dit apparaat kunt doen...100 PictBridge afsluiten... 101 Als PictBridge-afdrukken niet werkt...101 Afdrukken met Mopria... 103 De verschillende afdrukfuncties gebruiken... 104 Afdrukkwaliteitfuncties... 104 Afdrukuitvoerfuncties...105 4. Originelen kopiëren Wat u met de kopieerfunctie kunt doen...107 Het kopieerapparaatscherm...108 Algemene kopieertaken... 110 Een kopie annuleren... 111 Vergrote of verkleinde kopieën maken...113 Verkleinen/vergroten opgeven... 114 3
Enkelzijdige originelen kopiëren met dubbelzijdig en gecombineerd afdrukken...115 Gecombineerde en dubbelzijdige kopieën opgeven...119 Dubbelzijdige originelen kopiëren met dubbelzijdig en gecombineerd afdrukken... 120 Dubbelzijdig kopiëren met behulp van de ADF... 121 Handmatig dubbelzijdig kopiëren via de glasplaat... 123 Een ID-kaart kopiëren... 125 Scaninstellingen opgeven voor het kopiëren... 128 Instelling van de afbeeldingsdichtheid... 128 Het documenttype selecteren aan de hand van het origineel...129 5. Originelen scannen Wat u met de scannerfunctie kunt doen... 131 Het scannerscherm... 132 Scanbestemmingen registreren...134 Scanbestemmingen wijzigen...140 Scanbestemmingen verwijderen... 141 De overdracht testen... 141 Basiswerking voor Scannen naar map... 144 Het controlevel afdrukken... 144 De naam van de gebruiker en de computer bevestigen... 146 Een gedeelde map aanmaken op een computer...147 Toegangsprivileges opgeven voor de gedeelde map...149 Een gedeelde map registreren in het adresboek van het apparaat...150 Gescande bestanden direct naar een gedeelde map versturen... 150 Basiswerking voor Scannen naar e-mail... 153 SMTP- en DNS-instellingen configureren... 153 E-mailadressen van bestemmingen registreren in het adresboek...154 Gescande documenten verzenden via e-mail...154 Basisbediening van Scannen naar FTP...157 Instellingen van de FTP-server configureren... 157 Bestanden naar een FTP-server verzenden... 158 Opgeven van de scanbestemming met gebruik van [Opnieuw kiezen]...160 Basisprocedures voor het opslaan van scanbestanden op een USB-geheugenopslagapparaat...161 Basisbewerking voor Ricoh Scan Utility...164 4
Voorbereidingen voor het gebruik van Ricoh Scan Utility...164 Ricoh Scan Utility gebruiken om naar een computer te scannen...164 Ricoh SP C260 series Scan gebruiken om vanaf een smartphone of tablet te scannen...167 Basisbewerking voor TWAIN-scannen...169 TWAIN-scanner gebruiken... 169 TWAIN-scannen...169 Instellingen die u in het TWAIN-dialoogvenster kunt configureren:... 171 Basisbewerking voor WIA-scannen...173 Basishandelingen voor ICA-scannen...174 ICA-stuurprogramma installeren... 174 De ICA-scanner gebruiken... 174 ICA-scannen... 174 Instellingen die u in het ICA-dialoogvenster kunt configureren... 175 SANE-scannen gebruiken...177 Scaninstellingen opgeven voor het scannen... 178 Het scanformaat opgeven aan de hand van het formaat van het origineel... 178 Afbeeldingsbelichting aanpassen...179 Resolutie opgeven... 180 6. Een fax verzenden en ontvangen Wat u met de faxfunctie kunt doen... 183 Workflows voor het instellen van de fax...184 Faxapparaatscherm... 185 De datum en de tijd instellen...187 Registreren faxbestemmingen...188 Faxbestemmingen registreren met het bedieningspaneel...188 Faxbestemmingen registreren met Web Image Monitor... 190 Voorkomen dat documenten naar de verkeerde bestemming worden verstuurd...192 Een fax verzenden...194 Verzendingsmodus selecteren...194 Internetfaxverzending... 195 Basisbewerking voor het versturen van een fax...196 Een verzending annuleren...198 De faxbestemming opgeven...201 5
Handige verstuurfuncties...204 De scaninstellingen opgeven om te faxen...206 De faxfunctie gebruiken vanaf een computer (LAN-fax)... 209 Basisbewerkingen voor het versturen van faxen vanaf een computer...209 Verzendinstellingen configureren...211 Het LAN-fax adresboek configureren... 211 Een faxschutblad wijzigen...215 Een fax ontvangen...216 Ontvangstmodus selecteren... 216 Een internetfax ontvangen... 220 Faxen in het geheugen doorsturen of opslaan... 222 Faxen van speciale afzenders ontvangen of afwijzen...226 Lijsten/Rapporten met betrekking tot Fax...229 7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Basisbediening...231 Menuoverzicht... 232 Instellingen voor kopieereigenschappen...233 Instellingen scannereigenschappen... 237 Instellingen van faxeigenschappen...239 Instellingen voor het adresboek... 248 Systeeminstellingen...249 Instellingen voor printereigenschappen...257 Papierinstellingen...261 Instellingen van Beheerderstoepassingen...266 Lijsten/rapporten afdrukken... 273 De configuratiepagina afdrukken... 273 Types lijsten/rapporten... 273 Netwerkinstellingen... 275 8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Beschikbare instellingsfuncties via Web Image Monitor...281 Web Image Monitor gebruiken... 282 Bovenste pagina weergeven... 283 De taal van de interface wijzigen... 284 6
De systeeminformatie controleren... 285 Het tabblad Status...285 Tabblad Teller...286 Tabblad Apparaatinformatie... 289 De systeeminstellingen configureren... 290 Tabblad Geluidsvolume aanpassen...290 Tabblad Papierlade-instellingen... 290 Tabblad Kopieerapparaat... 293 Tabblad Fax...294 Tabblad Lade prioriteit...296 Het tabblad Toner besparen... 297 Tabblad I/O Time-out... 297 Het tabblad Z/W-afdruk prioriteit...298 Bestemmingen registreren... 299 Speciale faxafzenders registreren...300 Apparaatfuncties beperken voor gebruikers...301 Gebruikersbeperkingen instellen en activeren...301 Als apparaatfuncties zijn beperkt...305 De netwerkinstellingen configureren...307 Network Tabblad Netwerkstatus... 307 Tabblad IPv6-configuratie...308 Het tabblad Netwerkapplicatie... 308 Tabblad DNS... 309 Tabblad Automatische e-mailmeldingen...310 Tabblad SNMP... 311 Tabblad SMTP...312 Tabblad POP3...313 Het tabblad Internetfax...314 Tabblad Draadloos...315 De IPsec-instellingen configureren... 317 Tabblad Algemene IPsec-instellingen...317 Tabblad IPsec-beleidslijst... 317 Lijsten/rapporten afdrukken... 321 7
De beheerderinstellingen configureren...322 Tabblad Beheerder... 322 Tabblad Instellingen resetten...322 Tabblad Instellingen back-uppen... 323 Tabblad Instellingen herstellen...324 Tabblad Datum/tijd instellen...325 Tabblad Energiespaarstand... 325 PCL6-modus...326 9. Het apparaat onderhouden De printcartridge vervangen...327 De tonerafvalfles vervangen...332 Een onderdeel vervangen...338 Tussenliggende transfereenheid vervangen...338 De fuseereenheid en transferrol vervangen... 338 Voorzorgsmaatregelen voor het reinigen...339 De tonerdichtheidsensor schoonmaken... 340 De wrijvingsstrip en papierinvoerroller reinigen... 342 De registratierol en papierlade schoonmaken...345 De glasplaat reinigen... 349 De automatische documentinvoer schoonmaken... 350 Het apparaat verplaatsen en vervoeren...352 Het apparaat weggooien...353 Waar kan ik meer informatie krijgen?... 353 10. Problemen oplossen Fout- en statusmeldingen op het scherm... 355 Vastgelopen papier verwijderen...366 Een papierstoring verwijderen... 366 Vastgelopen papier in de scanner verwijderen...375 Wanneer u geen testpagina kunt afdrukken... 378 Problemen met papierinvoer...379 Problemen met de afdrukkwaliteit... 382 De status van het apparaat controleren... 382 De instellingen van het printerstuurprogramma controleren...383 8
Problemen met de printer...385 Als het afdrukken niet goed gaat... 385 Als u niet duidelijk kunt afdrukken...389 Wanneer papier niet op de juiste manier wordt ingevoerd of uitgeworpen...393 Overige afdrukproblemen...394 Kopieerproblemen...395 Als u geen duidelijke kopieën kunt maken... 395 Wanneer u geen kopieën kunt maken zoals gewenst... 396 Scanproblemen...397 Wanneer u niet in het netwerk kunt bladeren om een gescand bestand te verzenden... 397 Wanneer het scannen niet naar wens verloopt... 397 Faxproblemen...399 Wanneer u geen faxberichten naar wens kunt verzenden of ontvangen... 399 Wanneer er een fout via een rapport of e-mail wordt gemeld... 403 Foutcode... 404 Veelvoorkomende problemen... 410 11. Netwerkinstellingen configureren in OS X Het apparaat aansluiten op een bedraad netwerk... 413 Een USB-kabel gebruiken...413 Een Ethernet-kabel gebruiken... 414 Het apparaat aansluiten op een draadloos netwerk... 416 Het printerstuurprogramma installeren... 416 Met behulp van de Wi-Fi-installatiewizard...416 Met behulp van de knop WPS...418 Met behulp van een pincode... 419 12. Bijlage Verzending met IPsec... 423 Codering en verificatie door IPsec...423 Security Association... 424 Configuratieproces voor instellingen van uitwisseling van coderingssleutel...425 De instellingen opgeven voor de uitwisseling van de coderingssleutel...425 Opgeven van de IPsec-instellingen op de computer... 426 IPsec in- en uitschakelen met behulp van het bedieningspaneel...429 9
Opmerkingen over de toner... 430 Specificaties van het apparaat...431 Algemene functie Specificaties...431 Printerfunctiespecificaties... 433 Kopieerfunctiespecificaties... 434 Specificaties van de scanfunctie... 435 Faxfunctiespecificaties... 436 Papiertoevoereenheid TK1220... 438 Verbruiksartikelen... 440 Printcartridge...440 Tonerafvalfles...442 Apparaatinformatie... 443 Gebruikersinformatie over elektrische en elektronische apparaten (voornamelijk Europa en Azië)...443 Opmerking m.b.t. het batterij-/accusymbool (alleen voor EU-landen)... 444 Milieuadviezen voor gebruikers (voornamelijk Europa)...444 Kennisgeving voor gebruikers van een draadloze LAN-interface (voornamelijk Europa)...... 445 OPMERKINGEN VOOR GEBRUIKERS MET BETREKKING TOT DE FAXEENHEID (NIEUW ZEELAND)...445 Opmerkingen voor gebruikers in de staat Californië (opmerkingen voor gebruikers in de VS)... 446 Opmerkingen voor gebruikers in de Verenigde Staten... 446 Opmerkingen voor gebruikers van draadloze apparaten in Canada...449 Opmerkingen voor Canadese gebruikers met betrekking tot de faxeenheid... 449 Remarques à l'attention des utilisateurs canadiens...450 ENERGY STAR-programma... 450 Energie besparen... 450 Handelsmerken...452 INDEX...455 10
Informatie opzoeken over bediening en probleemoplossing U vindt ondersteuningsinformatie over de bediening van het apparaat en probleemoplossing in de Bedieningshandleiding (gedrukt), de Bedieningshandleiding (digitaal formaat) en Help (online). Bedieningshandleiding (gedrukt) De volgende handleidingen worden meegeleverd met dit apparaat. Veiligheidsinformatie In deze handleiding worden de voorzorgsmaatregelen besproken die steeds in acht moeten worden genomen tijdens het gebruik van het apparaat. Lees deze handleiding door voordat u het apparaat gaat gebruiken. Installatiehandleiding In deze handleiding wordt uitgelegd hoe u het apparaat moet configureren. Er wordt ook in uitgelegd hoe u het apparaat uit de verpakking moet halen en hoe u het moet aansluiten aan een computer. Bedieningshandleiding (digitaal formaat) U kunt de bedieningshandleiding bekijken via de website van Ricoh of via de meegeleverde cd-rom. Bekijken via een internetbrowser Ga naar het internet via een internetbrowser. Controleer of de computer of het apparaat is aangesloten op het netwerk. Download de bedieningshandleidingen via http://www.ricoh.com/. Bekijken via de meegeleverde cd-rom Bedieningshandleidingen kunnen ook worden bekeken via de meegeleverde cd-rom. Wanneer Windows wordt gebruikt 1. Plaats de cd-rom in het cd-romstation. 2. Klik op [Handleid. lezen] en volg de instructies op het scherm. De handleiding in PDF-formaat wordt geopend. Bij gebruik van OS X 1. Plaats de cd-rom in het cd-romstation. 2. Dubbelklik op het bestand Manuals. htm in de hoofdmap van de cd-rom. 11
3. Selecteer de taal. 4. Klik op [PDF handleidingen lezen]. 5. Klik op de handleiding die u wilt openen. De handleiding in PDF-formaat wordt geopend. 12
Hoe werkt deze handleiding? Inleiding Deze handleiding bevat gedetailleerde instructies en opmerkingen over de bediening en het gebruik van dit apparaat. Lees voor uw eigen veiligheid deze handleiding zorgvuldig door voordat u het apparaat gaat gebruiken. Bewaar deze handleiding op een handige plaats binnen handbereik. Symbolen in deze handleiding De handleiding gebruikt de volgende symbolen: Geeft punten aan waar u rekening mee moet houden wanneer u het apparaat gebruikt en geeft een uitleg van mogelijke oorzaken voor het vastlopen van papier, schade aan originelen of gegevensverlies. Lees deze uitleg zorgvuldig door. Geeft extra uitleg over de apparaatfuncties en instructies voor het oplossen van gebruikersfouten. [ ] Geeft de namen van de toetsen aan die op het display verschijnen of refereren naar de (plastic) knoppen op het bedieningspaneel van het apparaat. Modelspecifieke informatie In dit gedeelte wordt uitgelegd tot welke regio uw apparaat behoort. Op de achterkant van het apparaat bevindt zich een sticker op de plaats die hieronder wordt weergegeven. De sticker bevat gegevens waarmee de regio van uw apparaat wordt geïdentificeerd. Lees wat er op de sticker staat. 13
DUE201 De volgende informatie is regiospecifiek. Lees de informatie onder het symbool dat overeenkomt met de regio van uw apparaat. (voornamelijk in Europa en Azië) Als de sticker de volgende informatie bevat, is uw apparaat een Regio A-model: CODE XXXX -27 220 240 V (voornamelijk in Noord-Amerika) Als de sticker de volgende informatie bevat, is uw apparaat een Regio B-model: CODE XXXX -17 120 127 V De afmetingen in deze handleiding worden gegeven in twee meeteenheden: metrisch en inch. Als uw apparaat een model uit regio A is, raadpleegt u de metrische meeteenheid. Als uw apparaat een model uit regio B is, raadpleegt u de meeteenheid in inch. Disclaimer Tot de maximale mate die is omschreven in de betreffende wetten, is de fabrikant in geen enkel geval aansprakelijk voor enige schade die voortvloeit uit storingen van dit product, verlies van opgeslagen gegevens of het gebruik of het niet gebruiken van dit product en de gebruikershandleidingen die zijn meegeleverd. Zorg ervoor dat u altijd een kopie heeft of back-ups maakt van de gegevens die op dit apparaat zijn opgeslagen. Documenten of gegevens kunnen mogelijk gewist worden door bedieningsfouten of apparaatstoringen. De fabrikant is in geen enkel geval aansprakelijk voor documenten die door u zijn gemaakt met behulp van dit apparaat of voor de resultaten die voortvloeien uit het gebruik van gegevens door u. Voor een goede afdrukkwaliteit adviseert de fabrikant u om de originele toner van de fabrikant te gebruiken. 14
Opmerkingen De inhoud van deze handleiding kan zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. De fabrikant is niet aansprakelijk voor eventuele schade of kosten die kunnen voortvloeien uit het gebruik van onderdelen voor uw kantoorapparatuur die geen originele onderdelen van de fabrikant zijn. In deze handleiding gebruiken we twee soorten vermeldingen voor de afmetingen. Sommige afbeeldingen in deze handleiding tonen een enigszins andere versie van het apparaat. Opmerking voor de beheerder Wachtwoord Bepaalde configuraties van dit apparaat zijn mogelijk met een wachtwoord beveiligd om onbevoegde aanpassingen door anderen te voorkomen. We raden u ten zeerste aan meteen uw eigen wachtwoord te maken. De volgende bewerkingen zijn mogelijk met een wachtwoord beveiligd: De menu's [Adresboek], [Netwerkinstellingen] of [Beheerderstoepassingen] openen via het bedieningspaneel U kunt deze menu's openen zonder wachtwoord. Dit is een fabrieksinstelling. In [Beheerderinstellingen] vindt u de instelling voor het maken van een wachtwoord. Het apparaat configureren met Web Image Monitor U kunt het apparaat configureren met Web Image Monitor zonder een wachtwoord te hoeven invoeren. Dit is een fabrieksinstelling. In [Beheerderinstellingen] vindt u de instelling voor het maken van een wachtwoord. Voor meer informatie over het maken van wachtwoorden, zie Pag. 322 "De beheerderinstellingen configureren". Gebruikersbeperking U kunt het gebruik van bepaalde functies van dit apparaat beperken tot gebruikers met de juiste bevoegdheid. Met behulp van Web Image Monitor kunt u de functies selecteren die u wilt beperken en de gebruikers registreren die de functie na verificatie kunnen gebruiken. Voor meer informatie over het aanmaken van wachtwoorden en het configureren van de gebruikersbeperkingen, zie Pag. 301 "Apparaatfuncties beperken voor gebruikers". 15
Lijst met opties Optielijst Paper Feed Unit TK1220 Papierinvoereenheid Verwezen naar als Als de papierinvoereenheid is bevestigd, wordt 'Lade 2' op het bedieningspaneel van het apparaat weergegeven. Het IP-adres In deze handleiding verwijst 'IP-adres' naar zowel de IPv4- als de IPv6-omgeving. Lees de instructies door die betrekking hebben op de omgeving die u gebruikt. 16
1. Overzicht van het apparaat In dit hoofdstuk worden de voorbereidingen voor het gebruik van het apparaat en de gebruiksaanwijzing beschreven. Overzicht van alle apparaatonderdelen In dit deel staan de namen van de verschillende onderdelen van de voor- en achterkant van het apparaat samen met een beschrijving van hun functie. Buitenkant: vooraanzicht 1 2 15 3 14 13 12 11 4 5 6 7 8 10 9 DUE203 17
1. Overzicht van het apparaat Nr. Naam Beschrijving 1 Invoerlade voor de ADF (Automatische documentinvoer) 2 Automatische documentinvoer (glasplaatklep) Plaats hier stapeltjes originelen. Ze worden automatisch ingevoerd. In deze lade passen maximaal 35 vellen normaal papier voor de SP C260SFNw en maximaal 50 vellen normaal papier voor de SP C262SFNw. De ADF is in de klep van de glasplaat geïntegreerd. Open deze klep om originelen op de glasplaat te plaatsen. 3 Glasplaat Plaats hier originelen vel voor vel. 4 ADF-ladeverlengstuk Trek deze uit als u papier in de invoerlade voor de ADF plaatst dat groter dan A4 is. 5 Standaardlade/bovenpaneel Afdrukken worden in deze lade afgeleverd. U kunt hier tot 150 vellen normaal papier op elkaar plaatsen. U kunt via deze opening ook de printcartridges vervangen. 6 Voorpaneel Open dit paneel wanneer u een tonerafvalfles moet vervangen of vastgelopen papier moet verwijderen. 7 Openingshendel voorpaneel Om het voorpaneel te openen, trekt u aan deze hendel aan de rechterkant van het apparaat. 8 Eindafscheiding Stel deze afscheiding in op het papierformaat. 9 Lade 1 Deze lade kan maximaal 250 vellen normaal papier bevatten. 10 Handinvoer Voer het papier hier vel voor vel in. 11 Zijafscheiding Stel deze afscheiding in op het papierformaat. 12 Bedieningspaneel Bevat een touchscreen display en knoppen voor de bediening van het apparaat. 13 USB-poort voor geheugenkaart Steek een USB-geheugenkaart in het apparaat om de functie Scannen naar USB te gebruiken of sluit een digitale camera aan via een USB-kabel voor afdrukken met PictBridge. 18
Overzicht van alle apparaatonderdelen Nr. Naam Beschrijving 14 ADF-uitvoerlade Originelen die gescand zijn met de ADF worden hier uitgevoerd. 15 ADF-klep Open deze klep om originelen die zijn vastgelopen in de ADF te verwijderen. Buitenkant: achteraanzicht 5 9 1 2 6 3 4 7 8 DUE204 Nr. Naam Beschrijving 1 Interface-connector G3-lijn (analoog) Deze poort dient voor het aansluiten van een telefoonlijn. 2 Externe telefoonaansluiting Deze poort dient voor het aansluiten van een externe telefoon. 3 Ethernet-poort Voor het aansluiten van het apparaat op een netwerk met een netwerkinterfacekabel. 4 USB-poort Voor het aansluiten van het apparaat op een computer met een USB-kabel. 19
1. Overzicht van het apparaat Nr. Naam Beschrijving 5 Papierstopper Haal de papierstopper omhoog om te voorkomen dat papier uit de lade valt als u veel papier gaat afdrukken. De papierstopper kan worden aangepast aan de positie van het A4/Letter- of Legalformaat. 6 Paneel voor kabels Verwijder dit paneel als u kabels op het apparaat aansluit. 7 Achterpaneel Verwijder dit paneel als u papier in lade 1 plaatst dat groter is dan A4. 8 Stroomaansluiting Voor het aansluiten van de stroomkabel op het apparaat. 9 Knop voor het verschuiven van de ADF Druk hierop om de ADF naar de achterkant van het apparaat te schuiven en deze in die positie te houden als u het uitgevoerde papier moeilijk uit de uitvoerlade kunt halen. Schuif de ADF opzij terwijl u de knop voor het schuiven van de ADF ingedrukt houdt, zoals te zien is. Controleer van tevoren of de ADF gesloten is. Let op dat uw vingers tijdens het verschuiven niet bekneld raken. DUE205 Trek de papierstopper omhoog zoals hieronder is weergegeven om te voorkomen dat afdrukken van A4- of Letter-formaat uit de lade vallen. 20
Overzicht van alle apparaatonderdelen DUE206 Trek de papierstopper omhoog zoals hieronder is weergegeven om te voorkomen dat afdrukken van Legal-formaat uit de lade vallen. 2 1 3 DUE207 21
1. Overzicht van het apparaat Binnenkant 1 2 3 4 5 DUE212 Nr. Naam Beschrijving 1 Printcartridge Plaats de printcartridges via de achterkant van de printer in de volgorde cyaan (C), magenta (M), geel (Y) en zwart (K). Er worden berichten op het scherm weergegeven als printcartridges vervangen dienen te worden of als nieuwe dienen te worden voorbereid. 2 Hendel van fuseereenheid Trek de linker- en rechterhendel naar beneden als u op enveloppen wilt afdrukken. 3 Fuseereenheid Hecht (fuseert) toner op het papier. Mogelijk moet u deze eenheid controleren op vastgelopen papier en dit verwijderen. 4 Tonerafvalfles Hierin wordt tonerafval verzameld, die door het afdrukken wordt gegenereerd. 22
Overzicht van alle apparaatonderdelen Nr. Naam Beschrijving 5 Transfereenheid U moet deze eenheid verwijderen als u de tonerafvalfles vervangt. Voor meer informatie over de berichten die op het scherm worden weergegeven als verbruiksartikelen moeten worden vervangen, zie Pag. 355 "Fout- en statusmeldingen op het scherm". Bedieningspaneel 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 DUE128 Nr. Naam Beschrijving 1 NFC-tag Door deze tag met een smartphone/tablet aan te raken, kunt u verbinding maken met het apparaat. 2 [Home]-knop Druk hierop om het [Home]-scherm weer te geven. Voor meer informatie, zie Pag. 29 "Het [Home]-scherm gebruiken". 3 Display Dit is een touchscreen display dat pictogrammen, toetsen en snelkoppelingen weergeeft waarmee u door de schermen van de verschillende functies kunt navigeren. Er wordt informatie weergegeven over zowel de operationele status van het apparaat als andere berichten. 4 Cijfertoetsen Gebruik deze toetsen om het aantal kopieën, faxnummers en gegevens voor de geselecteerde functie in te voeren. 5 [Wis/Stop]-knop Terwijl het apparaat een taak aan het verwerken is, drukt u hierop om de huidige taak te annuleren. 23
1. Overzicht van het apparaat Nr. Naam Beschrijving Terwijl de apparaatinstellingen geconfigureerd worden, drukt u hierop om de huidige instelling te annuleren en terug te keren naar de stand-bymodus. Terwijl het apparaat in stand-bymodus staat, drukt u hierop om de tijdelijke instellingen zoals beeldbelichting of resolutie te annuleren. 6 [Zwart-wit starten]-knop Druk hierop om in zwart-wit te scannen of te kopiëren of om een fax te versturen. 7 [Aan/uit]-knop Druk hierop om het apparaat aan en uit te zetten. Om de machine uit te schakelen houdt u deze toets gedurende ten minste drie seconden ingedrukt. Dit indicatielampje brandt blauw als het apparaat aan staat. Wanneer het systeem van de machine bezig is, kan de stroom zelfs niet worden uitgeschakeld wanneer u deze toets gedurende drie seconden indrukt. Wanneer dit het geval is, houdt u de toetsen [Annuleren/stoppen] en [Power] gedurende ten minste drie seconden tegelijkertijd ingedrukt om de machine te dwingen uit te schakelen. 8 Indicatielampje fax Geeft de toestand van de faxfuncties aan. Brandt als er faxen zijn ontvangen die niet zijn afgedrukt en die nog in het geheugen van het apparaat zitten. Knippert als het apparaat de faxen niet kan afdrukken door apparaatfouten zoals een lege papierlade of een papierstoring. 9 Waarschuwingsindicati elampje Knippert in het geel als het apparaat binnenkort onderhoud nodig heeft (zoals vervanging van verbruiksartikelen) of knippert in het rood als er een fout is opgetreden bij het apparaat. Als het lampje brandt of knippert, controleer dan de berichten op het scherm. Voor meer informatie over de berichten die op het scherm verschijnen, zie Pag. 355 "Fout- en statusmeldingen op het scherm". 10 [Kleur starten]-knop Druk hierop om in kleur te scannen of te kopiëren. De verlichting van het scherm wordt uitgeschakeld als het apparaat in de Energiebespaarstand staat. 24
Overzicht van alle apparaatonderdelen Als het apparaat een taak verwerkt, kunt u het menu voor het configureren van het apparaat niet laten weergeven. U kunt de status van het apparaat bevestigen door de berichten op het scherm te controleren. Als u berichten ziet als "Bezig met afdrukken...", "Zwart-wit kopiëren...", "Kleur kopiëren..." of "Bezig met verwerken...", wacht dan even totdat de huidige taak is voltooid. De kleur van het bedieningspaneel verschilt per model. 25
1. Overzicht van het apparaat Opties installeren Dit hoofdstuk bevat meer informatie over het installeren van opties. De papierinvoereenheid bevestigen Het aanraken van de punten van de stekker met een metalen voorwerp kan resulteren in brand en/of elektrische schokken. Het is gevaarlijk om de stekker van het netsnoer vast te pakken met natte handen. Als u het wel aanraakt, kunt u een elektrische schok krijgen. Haal, vóórdat u opties installeert of verwijdert, altijd eerst de stekker uit het stopcontact en geef de hoofdeenheid voldoende tijd om volledig af te koelen. Doet u dit niet, dan kan dit leiden tot brandwonden. SP C260DNw/SP C262DNw De printer weegt ongeveer 23,8 kg (52,5 lb.). Als u de printer optilt, moet u deze bij de grepen aan beide zijden vastpakken. Wanneer u de papierinvoereenheid onzorgvuldig optilt of laat vallen, kan dit letsel veroorzaken. Haal de stekker van het netsnoer uit het stopcontact voordat u het apparaat verplaatst. Als het snoer plotseling wordt losgetrokken, kan het beschadigd raken. Beschadigde stekkers of snoeren kunnen elektrische schokken of brandgevaar veroorzaken. Lade 1 is nodig voor het afdrukken met behulp van de optionele papierinvoereenheid. Zonder lade 1 loopt het papier vast. U moet met twee personen het apparaat optillen. Til het apparaat niet aan de lade op. 1. Bevestig dat het volgende waar is: het netsnoer van de machine is uit de wandcontactdoos gehaald. 26
Opties installeren 2. Verwijder het plakband van de optionele papierinvoereenheid. DPP210 3. Til het apparaat op aan de handgrepen (inkepingen) aan weerszijden van het apparaat. Er zijn twee mensen nodig voor het optillen van het apparaat. DUE287 4. Er bevinden zich drie staande pennen op de optionele papierinvoereenheid. Lijn de gaten van de machine uit met de pennen en laat vervolgens de machine langzaam zakken. DUE323 5. Steek het netsnoer van de machine weer in de wandcontactdoos en schakel de stroom in. Na installatie van de optionele papierinvoereenheid, selecteert u lade 2 in het printerstuurprogramma. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. 27
1. Overzicht van het apparaat Als het nieuwe apparaat genoemd staat in de kolom met configuratieopties, dan is het op de juiste wijze geïnstalleerd. Als de optionele papierinvoereenheid niet juist geïnstalleerd is, probeer hem dan opnieuw te installeren door de procedure nogmaals uit te voeren. Blijft het probleem aanhouden, neem dan contact op met uw verkoop- of servicevertegenwoordiger. Raadpleeg Pag. 273 "Lijsten/rapporten afdrukken" voor meer informatie over het afdrukken van de configuratiepagina. 28
Het [Home]-scherm gebruiken Het [Home]-scherm gebruiken Het [Home]-scherm is ingesteld als standaardscherm zodra het apparaat wordt ingeschakeld. U kunt deze standaard instelling in Functieprioriteit wijzigen. Zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Het [Home]-scherm weergeven 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 Functiepictogrammen of snelkoppelingen worden weergegeven op het [Home]-scherm. Voor meer informatie, zie Pag. 29 "Het [Home]-scherm gebruiken". Om een andere functie te gebruiken, drukt u op het pictogram van de gewenste functie. Het [Home]-scherm gebruiken De pictogrammen voor alle functies worden weergegeven op het [Home]-scherm. U kunt snelkoppelingen naar favoriete instellingen toevoegen aan [Home]-scherm 2 en 3. De pictogrammen van de toegevoegde snelkoppelingen worden op het [Home]-scherm weergegeven. U kunt favoriete instellingen oproepen door op de pictogrammen van de snelkoppelingen te drukken. Om het [Home]-scherm weer te geven, drukt u op de [Home]-knop. 29
1. Overzicht van het apparaat [Home]-scherm 1 1 2 3 4 9 5 8 7 6 DUE303 [Home]-scherm 2 10 DUE304 1. Pictogram voorraadinformatie Geeft aan hoeveel toner er nog is. 2. [Scanner] Druk op deze toets om originelen te scannen en beelden op te slaan als bestanden. Voor meer informatie over het gebruik van de scannerfunctie, zie Pag. 131 "Originelen scannen". 3. [Fax] Druk op deze toets om faxen te verzenden of te ontvangen. Voor meer informatie over het gebruik van de faxfunctie, zie Pag. 183 "Een fax verzenden en ontvangen". 30
Het [Home]-scherm gebruiken 4. Pictogram draadloos LAN 5. / Druk hierop om het [Wi-Fi-configuratie]-scherm weer te geven. Dit pictogram verschijnt wanneer draadloos LAN aanstaat. Druk op deze toetsen om naar een andere pagina te gaan wanneer de pictogrammen niet op één pagina kunnen worden weergegeven. 6. [Instel.] Druk hierop om de standaardinstellingen van het apparaat naar wens aan te passen. 7. [Status] Druk op deze knop om de systeemstatus van het apparaat, de bedieningsstatus van elke functie en de beveiligde afdruktaken te bekijken. U kunt ook onderhoudsinformatie over het apparaat weergeven. 8. [Kaart] Druk hierop om kopieën van een ID-kaart te maken. 9. [Kop.app] Druk op deze toets om kopieën te maken. Voor meer informatie over het gebruiken van de kopieerfunctie, ze Pag. 233 "Instellingen voor kopieereigenschappen". 10. Snelkoppelingen U kunt snelkoppelingen naar favoriete items aan het [Home]-scherm toevoegen. Voor meer informatie over het registreren van snelkoppelingen, zie Pag. 32 "Snelkoppelingen naar favoriete items aan het [Home]- scherm toevoegen". Voor meer informatie over voorbeelden van snelkoppelingen die u kunt registreren, zie Pag. 35 "Voorbeeld van favoriete items". U kunt de volgorde van favoriete items wijzigen. Voor meer informatie, zie Pag. 32 "De volgorde van de pictogrammen in het [Home]-scherm wijzigen". 31
1. Overzicht van het apparaat Het [Home]-scherm aanpassen U kunt snelkoppelingen naar favoriete items aan het [Home]-scherm toevoegen. U kunt favoriete instellingen oproepen door op de pictogrammen van de snelkoppelingen te drukken. U kunt de volgorde van de functie- en snelkoppelingspictogrammen aanpassen. Het [Home]-scherm aanpassen U kunt het [Home]-scherm aanpassen, zodat navigeren door het menu gemakkelijker wordt. De pictogrammen voor alle toepassingen worden weergegeven op het [Home]-scherm. U kunt ook snelkoppelingen naar favoriete items toevoegen die in sommige toepassingen zijn geregistreerd. Voor meer informatie over de items op het [Home]-scherm, zie Pag. 29 "Het [Home]-scherm gebruiken". Wanneer u een favoriet item registreert, wordt de snelkoppeling voor het favoriete item op [Home]-scherm 2 of 3 weergegeven. Als er op [Home]-scherm 2 en 3 niet genoeg ruimte meer is voor meer pictogrammen, is het registeren van favoriete items niet meer mogelijk. U kunt in totaal 12 pictogrammen van snelkoppelingen registreren: 6 pictogrammen op elk van de pagina's. Snelkoppelingen naar favoriete items aan het [Home]-scherm toevoegen Als u vaak gebruikte instellingen voor functies, zoals de kopieerapparaat- en faxfunctie, als favoriete items registreert, verschijnen de snelkoppelingen daarvoor op [Home]-scherm 2 of 3. Voor meer informatie over het registreren van favoriete items, zie Pag. 34 "Functies als favoriet item registreren". De volgorde van de pictogrammen in het [Home]-scherm wijzigen U kunt de volgorde van de pictogrammen van favoriete items op [Home]-scherm 2 en 3 wijzigen om ze beter toegankelijk te maken. 1. Druk enige tijd op het pictogram dat u wilt verplaatsen. 32
Het [Home]-scherm aanpassen 2. Selecteer [Omhoog verplaats.] of [Omlaag verplaats.]. De positie van een pictogram wisselt van die van een ander pictogram dat zich ervoor of erachter bevindt. U kunt de volgorde van pictogrammen op het [Home]-scherm 1 niet wijzigen. Een pictogram van het [Home]-scherm verwijderen Verwijder ongebruikte pictogrammen van favoriete items. U kunt alleen pictogrammen en snelkoppelingen die u gebruikt weergeven. Wanneer een snelkoppeling voor een favoriet item op het [Home]-scherm wordt verwijderd, wordt het geregistreerde favoriete item ook verwijderd. Voor meer informatie over het verwijderen van favoriete items, zie Pag. 36 "Een favoriet item verwijderen". U kunt de pictogrammen op het [Home]-scherm 1 niet verwijderen. 33
1. Overzicht van het apparaat Veelgebruikte functies registreren U kunt regelmatig gebruikte taakinstellingen opslaan in het geheugen van het apparaat en deze eenvoudig weer oproepen. Functies als favoriet item registreren U kunt maximaal 12 favoriete items voor elke functie registreren. De volgende instellingen kunnen in favoriete items worden geregistreerd: Kopieerapparaat: Enk.z. nr Dub.z., Dub.z. nr Dub.z., papierlade, Verkleinen/Vergroten, aantal, Originele instellingen, Type Origineel, Overige instellingen, Sorteren Fax: Directe TX, Verzendinstellingen Scanner: Originele instellingen, Scaninstelling In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u functies als een favoriet item kunt registreren met behulp van elke toepassing. 1. Bewerk de instellingen zodanig dat alle functies die u onder een favoriet item wilt registreren, zijn geselecteerd op het scherm [Kop.app], [Fax], [Scanner] of [ID-kaart kopiëren]. 2. Druk op het pictogram favoriete items ( ) rechts bovenin het scherm. 3. Druk op het vak [Voer naam favo. item in:]. 4. Voer de naam van het favoriete item in en druk vervolgens op [OK]. 5. Controleer of de naam die u heeft ingevoerd, wordt weergegeven en druk vervolgens op [OK]. 6. Druk op de toets [Home]. Het favoriete item is op het [Home]-scherm geregistreerd. U kunt tot 8 tekens voor een naam van een favoriet item invoeren. Favoriete items worden niet verwijderd door het apparaat uit te schakelen of door op de [Wis/ Stop]-toets te drukken, tenzij het favoriete item is verwijderd of overschreven. Favoriete items kunnen worden geregistreerd in het [Home]-scherm en kunnen eenvoudig opnieuw worden opgeroepen. Voor meer informatie, zie Pag. 32 "Snelkoppelingen naar favoriete items aan het [Home]-scherm toevoegen". 34
Veelgebruikte functies registreren Voorbeeld van favoriete items Kopieerapparaat Naam van het favoriete item Beschrijving van het favoriete item Effect Milieuvriendelijk kopiëren Geef [Enk.z. nr Dub.z.] op. U kunt hiermee papier en toner besparen. Miniatuurkopie Geef instellingen op voor het combineren en afdrukken van meerdere pagina's op één zijde of beide zijden van het papier in [Overige instellingen...]. U kunt maximaal vier pagina's op één zijde van een vel papier kopiëren. Hierdoor bespaart u papier. Faxen Naam van het favoriete item Afdelingsfax versturen Beschrijving van het favoriete item In [Verz.instellingen] geeft u [Faxkoptekst] op. Effect Deze instelling kan gebruikt worden als de ontvanger doorstuurbestemmingen als afzenders opgeeft. De namen van favoriete items hierboven zijn slechts voorbeelden. U kunt een favoriet item een naam naar keuze geven. Afhankelijk van uw bedrijfsgegevens of het type documenten dat moet worden gescand, is het registreren van een favoriet item mogelijk niet raadzaam. Een favoriet item oproepen U kunt het favoriete item oproepen en het apparaat bedienen aan de hand van de opgeslagen instellingen. 35
1. Overzicht van het apparaat 1. Druk op de toets [Home]. 2. Druk op [ ] totdat het gewenste favoriete item wordt weergegeven. DUE302 3. Druk op het pictogram van het favoriete item. Door het favoriete item te gebruiken, worden de vorige instellingen gewist. Een favoriet item verwijderen 1. Druk op de toets [Home]. 2. Druk op [ ] totdat het gewenste favoriete item wordt weergegeven. 3. Druk enige tijd op het pictogram van het favoriete item. 4. Druk op [Verwijderen]. DUE302 36
Weergave van veelgebruikte modi instellen Weergave van veelgebruikte modi instellen Stel de modus in die moet worden weergegeven nadat de aan-/uitschakelaar of de modus Systeemreset is ingeschakeld. 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Instel.]. 3. Druk op [Beheerderstoepass.]. 4. Druk op [ ]. 5. Druk op [Functieprioriteit]. 6. Specificeer de modus die u als eerst wilt weergeven. 7. Druk op de toets [Home]. Voor meer informatie over welke modi u kunt opgeven, zie "Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". 37
1. Overzicht van het apparaat Meerdere taken tegelijk uitvoeren Dit apparaat kan meerdere taken tegelijk uitvoeren met verschillende functies, zoals tegelijkertijd kopiëren en faxen. Het tegelijkertijd uitvoeren van meerdere functies wordt "Multi-access" genoemd. De volgende tabel laat de functies zien die tegelijkertijd kunnen worden uitgevoerd. Huidige taak Kopiëren Scannen Scannen naar USB Soorten taken die tegelijkertijd uitgevoerd kunnen worden Faxgeheugen verzenden Geheugenfax ontvangen Internetfax ontvangen (zonder afdrukken) LAN-faxtaak ontvangen van een computer LAN-fax verzenden Faxgeheugen verzenden Geheugenfax ontvangen Internetfax ontvangen (zonder afdrukken) Afdrukken *1 PictBridge afdrukken *7 Fax afdrukken die in het apparaatgeheugen is ontvangen *8 Fax direct afdrukken *8 LAN-faxtaak ontvangen van een computer (behalve tijdens het TWAIN-scannen) *8 LAN-fax verzenden (behalve tijdens het TWAIN-scannen) *8 Ontvangen van een internetfax *8 Mobiel afdrukken (vanaf een apparaat) *8 Faxgeheugen verzenden Geheugenfax ontvangen Internetfax ontvangen (zonder afdrukken) Afdrukken *1, 7 Fax afdrukken die in het apparaatgeheugen is ontvangen *8 Fax direct afdrukken *8 LAN-faxtaak ontvangen van een computer (behalve tijdens het TWAIN-scannen) *8 LAN-fax verzenden (behalve tijdens het TWAIN-scannen) Ontvangen van een internetfax *8 38
Meerdere taken tegelijk uitvoeren Huidige taak Fax direct verzenden (een origineel scannen en tegelijkertijd versturen) Faxgeheugen verzenden (een fax versturen die al is opgeslagen in het apparaatgeheugen) Fax ontvangen en afdrukken Faxgeheugen ontvangen (een ontvangen fax opslaan in het apparaatgeheugen) Faxtaak afdrukken die in het apparaatgeheugen is opgeslagen Soorten taken die tegelijkertijd uitgevoerd kunnen worden Mobiel afdrukken (vanaf een apparaat) *8 Internetfax ontvangen Internetfax ontvangen (zonder afdrukken) Afdrukken *5 PictBridge-afdrukken Mobiel afdrukken (vanaf een apparaat) Kopiëren Scannen Internetfax ontvangen Internetfax ontvangen (zonder afdrukken) Afdrukken *5 PictBridge-afdrukken Mobiel afdrukken (vanaf een apparaat) Internetfax ontvangen (zonder afdrukken) Scannen *6 Kopiëren Scannen Faxtaak afdrukken die in het apparaatgeheugen is opgeslagen Internetfax verzenden Internetfax ontvangen Internetfax ontvangen (zonder afdrukken) Afdrukken *1 PictBridge-afdrukken Mobiel afdrukken (vanaf een apparaat) Geheugenfax ontvangen LAN-faxtaak ontvangen van een computer LAN-fax verzenden Internetfax ontvangen (zonder afdrukken) Scannen *6 39
1. Overzicht van het apparaat Huidige taak LAN-faxtaak ontvangen van een computer LAN-fax verzenden Internetfax verzenden Internetfax ontvangen Internetfax ontvangen (zonder afdrukken) Soorten taken die tegelijkertijd uitgevoerd kunnen worden Kopiëren Faxtaak afdrukken die in het apparaatgeheugen is opgeslagen Internetfax verzenden Internetfax ontvangen Internetfax ontvangen (zonder afdrukken) Scannen *6 Fax ontvangen (zonder afdrukken) Geheugenfax ontvangen LAN-faxtaak ontvangen van een computer LAN-fax verzenden Internetfax ontvangen Internetfax ontvangen (zonder afdrukken) Afdrukken *5 PictBridge-afdrukken Mobiel afdrukken (vanaf een apparaat) Faxgeheugen verzenden Geheugenfax ontvangen LAN-faxtaak ontvangen van een computer LAN-fax verzenden Internetfax verzenden Internetfax ontvangen (zonder afdrukken) Scannen *8 Fax direct verzenden (scanning en verzenden) *8 Kopiëren Scannen Fax direct verzenden Faxgeheugen verzenden Faxontvangst Geheugenfax ontvangen Faxtaak afdrukken die in het apparaatgeheugen is opgeslagen LAN-faxtaak ontvangen van een computer 40
Meerdere taken tegelijk uitvoeren Afdrukken Huidige taak PictBridge-afdrukken Mobiel afdrukken (vanaf een apparaat) Soorten taken die tegelijkertijd uitgevoerd kunnen worden LAN-fax verzenden Internetfax verzenden Internetfax ontvangen Afdrukken PictBridge-afdrukken Mobiel afdrukken (vanaf een apparaat) Scannen *2 Fax direct verzenden *3 Geheugenfax verzenden *3 Geheugenfax ontvangen Internetfax verzenden Internetfax ontvangen (zonder afdrukken) Scannen (behalve scannen naar USB) *4 Fax direct verzenden Geheugenfax ontvangen Faxgeheugen verzenden Internetfax verzenden Internetfax ontvangen (zonder afdrukken) Faxgeheugen verzenden Internetfax ontvangen (zonder afdrukken) Geheugenfax ontvangen Scannen *8 Fax direct verzenden *8 Internetfax verzenden *8 *1 Het afdrukken begint nadat het scannen is voltooid als [Gradatie:] is ingesteld op [Standaard] of [Fijn] (PCL/ GDI-printerstuurprogramma), of als u afdrukt vanuit het PostScript 3-printerstuurprogramma. *2 Scannen is niet mogelijk als [Gradatie:] is ingesteld op [Standaard] of [Fijn] (PCL/GDIprinterstuurprogramma), of als u afdrukt vanuit het PostScript 3-printerstuurprogramma. *3 Faxverzending is niet mogelijk als [Gradatie:] is ingesteld op [Fijn] (PCL/GDI-printerstuurprogramma) of als u afdrukt vanuit het PostScript 3-printerstuurprogramma. *4 Afdrukken met PictBridge kan mislukken als er weinig vrij geheugen over is. 41
1. Overzicht van het apparaat *5 Afdrukopdrachten worden mogelijk geannuleerd als [Gradatie:] is ingesteld op [Standaard] of [Fijn] (PCL/ GDI-printerstuurprogramma), of als u afdrukt vanuit het PostScript 3-printerstuurprogramma. *6 Het afdrukken van een fax kan langer dan normaal duren als u tegelijkertijd scant via het bedieningspaneel, vooral als er meerdere pagina's worden gescand via de glasplaat. *7 Scannen naar USB is niet beschikbaar met PictBridge. *8 Meervoudige toegang is mogelijk wanneer elke taak wordt uitgevoerd met gebruik van de glasplaat of ADF op de SP C260SFNw. Meervoudige toegang is niet mogelijk wanneer elke taak wordt uitgevoerd met gebruik van de glasplaat of ADF op de SPC262SFNw. Als u een functie probeert te gebruiken die niet tegelijkertijd kan worden uitgevoerd, hoort u een piepje van het apparaat of ziet u een foutmelding op uw computerscherm. Probeert u het in dit geval later nogmaals als de huidige taak is voltooid. 42
Bedieningstoepassingen Bedieningstoepassingen In dit hoofdstuk worden de bedieningstoepassingen van dit apparaat uitgelegd. Bedieningspaneel Het bedieningspaneel bevat een scherm en toetsen om het apparaat mee te bedienen. U kunt er de diverse instellingen van het apparaat mee configureren. Voor meer informatie over het gebruik van het bedieningspaneel, zie Pag. 231 "Het apparaat configureren met het bedieningspaneel". Web Image Monitor U kunt de status van het apparaat controleren en zijn instellingen configureren door rechtstreeks toegang tot het apparaat te krijgen via Web Image Monitor. Voor meer informatie over het gebruik van Web Image Monitor, zie Pag. 281 "Het apparaat configureren met hulpprogramma's". 43
1. Overzicht van het apparaat Tekens invoeren In dit gedeelte wordt beschreven hoe u tekst invoert op de schermen van bijvoorbeeld de kopieer- of faxfuncties of op het scherm Instelling. Invoerscherm voor tekens In deze sectie wordt het invoerscherm uitgelegd en de toetsen op het invoerscherm. 1 2 3 4 5 6 10 9 8 7 DUE305 1. Ingevoerde tekens worden weergegeven in het tekstveld. 2. Annuleert de ingevoerde tekst en sluit het tekeninvoerscherm. 3. Hiermee verwijdert u het teken aan de linkerkant van de cursor. 4. Bevestigt de ingevoerde tekst en sluit het tekeninvoerscherm. 5. Hiermee worden alle ingevoerde tekens verwijderd. 6. Hiermee voert u tekens in. 7. Hiermee schakelt u tussen hoofdletters en kleine letters. 8. Hiermee voert u een spatie in. 9. Hier wordt de huidige invoermethode weergegeven. 10. U kunt de invoermethode in het weergegeven menu wisselen als u op deze toets drukt. Druk hierop om cijfers, symbolen en een aantal speciale tekens in te voeren. Beschikbare tekens U kunt de volgende tekens invoeren: 44
Tekens invoeren Letters Symbolen Cijfers 0123456789 Tekst invoeren Voert u een teken in, dan verschijnt dat op de plaats van de cursor. Letters invoeren 1. Typ de letters die u wilt invoeren. Alfanumerieke tekens en symbolen invoeren 1. Druk op [ ]. 2. Druk op [123] of [,.-&@%]. 3. Druk op de cijfers of symbolen die u wilt invoeren. 45
1. Overzicht van het apparaat Tekens verwijderen 1. Druk op [ ] of [C] om tekens te wissen. 46
Gebruiken van Ricoh Smart Device Connector Gebruiken van Ricoh Smart Device Connector RICOH Smart Device Connector is een toepassing waarmee u foto's en documenten opgeslagen in ios en Android smartphones/tablets vanaf de machine kunt afdrukken. Om RICOH Smart Device Connector te gebruiken, gaat u naar de App Store of Google Play met uw smartphone/tablet, en zoekt en download u de "RICOH Smart Device Connector"-toepassing van de site. 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Status] op het [Home]-scherm. 3. Druk op het tabblad [Machine-info]. De QR-code wordt op het scherm weergegeven. 4. Start de toepassing op de smartphone/tablet en lees vervolgens de QR-code. Volg de instructies die in de toepassing worden weergegeven. Voor meer informatie over het verbinden van een smartphone/tablet met de machine met gebruik van Near-field communication (NFC), zie Pag. 48 "Verbinden van een smartphone/tablet met de machine met gebruik van NFC". 47
1. Overzicht van het apparaat Verbinden van een smartphone/tablet met de machine met gebruik van NFC In dit onderdeel wordt beschreven hoe u uw smartphone/tablet met de machine verbindt met gebruik van NFC. Schrijven van de machine-informatie naar de NFC-tag met een smartphone/ tablet 1. Configureer de netwerkverbinding van het apparaat. 2. Ga naar de App Store of Google Play met uw smartphone/tablet, zoek naar en download de "RICOH SP C260 series Scan" of "RICOH Smart Device Connector"- toepassing van de site. 3. Druk op de toets [Home]. DUE302 4. Druk op het pictogram [Status] op het [Home]-scherm. 5. Druk op het tabblad [Machine-info]. De QR-code wordt op het scherm weergegeven. 6. Start de toepassing op de smartphone/tablet en lees vervolgens de QR-code. 7. Schrijf de netwerkinformatie van de machine naar de NFC-tag met gebruik van de toepassing en raak vervolgens de NFC-tag met de smartphone/tablet aan. Gebruiken van de toepassing op een smartphone/tablet door NFC te gebruiken 1. Start de toepassing op de smartphone/tablet en raak vervolgens de NFC-tag met de smartphone/tablet aan. 48
Verbinden van een smartphone/tablet met de machine met gebruik van NFC 2. Druk af met gebruik van "RICOH Smart Device Connector" door de NFC-tag aan te raken of voer een scan uit met gebruik van "RICOH SP C260 series Scan". 49
50 1. Overzicht van het apparaat
2. Papierspecificaties en papier bijvullen In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe papier en originelen moeten worden geplaatst en wordt er uitleg gegeven over hun specificaties. Workflow voor het laden van papier en het configureren van papierformaten en -types. In dit gedeelte wordt uitgelegd hoe u papier moet laden en welke handelingen moeten worden gesteld nadat het papier is geladen. Nadat u de procedures hieronder heeft gevolgd, kunt u kopiëren of afdrukken op het papier dat in het apparaat is geladen. Plaats papier in de papierlade. Geef het papiertype en -formaat op. Geef het papiertype en -formaat op in het printerstuurprogramma. Raadpleeg de volgende pagina voor details over de procedures. Stappenplan Referentie Zie Pag. 52 "Papier plaatsen". Er zijn twee manieren om het papiertype en -formaat op te geven. Met behulp van het bedieningspaneel Zie Pag. 61 "Het papiertype en papierformaat opgeven via het bedieningspaneel". Bij gebruik van Web Image Monitor Zie Pag. 64 "Papiertype en -formaat opgeven met Web Image Monitor". Zie Pag. 66 "Het papiertype en het papierformaat opgeven met behulp van het printerstuurprogramma". Voor meer informatie over ondersteund papier, zie Pag. 68 "Ondersteund papier". 51
2. Papierspecificaties en papier bijvullen Papier plaatsen In dit gedeelte wordt uitgelegd hoe u papier in de papierlade of in de handinvoer plaatst. Pas tijdens het bijvullen van papier op dat uw vingers niet vast komen te zitten of dat u ze verwondt. Voor meer informatie over ondersteund papier, voorzorgsmaatregelen voor het bewaren van papier en afdrukgebieden, zie Pag. 68 "Ondersteund papier". Papier plaatsen in lade 1 en 2 In het volgende voorbeeld wordt uitgelegd hoe u papier in de standaard papierlade (lade 1) plaatst. Dezelfde procedure geldt voor het plaatsen van papier in lade 2. Voordat u op ander papier dan enveloppen afdrukt, moet u de hendels aan de achterkant van het apparaat, binnenin het achterpaneel, omhoog trekken. Als de hendels omlaag blijven, kan dit problemen veroorzaken met de adrukkwaliteit op ander papier dan enveloppen. Gekruld papier kan vast komen te zitten. Strijk gekruld papier plat voordat u het papier plaatst. Geef, nadat u het papier in de lade heeft geplaatst, de papiersoort op via het bedieningspaneel om afdrukproblemen te vermijden. Dit apparaat herkent niet automatisch het papierformaat. Selecteer het juiste papierformaat en invoerrichting met behulp van de papierformaatknop op de lade. Anders kan de printer beschadigd raken of kunnen er afdrukproblemen ontstaan. Zorg dat de stapel papier niet hoger is dan de bovenste limietmarkering in de papierlade. Het plaatsen van te veel papier kan papierstoringen veroorzaken. Als er vaak papierstoringen optreden, draai de stapel papier dan om en plaats de stapel terug in de lade. Plaats niet verschillende papiersoorten in één en dezelfde lade. Geef na het plaatsen het papierformaat op met behulp van het bedieningspaneel. Geef het papiertype op met behulp van het bedieningspaneel. Wanneer u een document afdrukt, moet u in het printerstuurprogramma de papiersoort en het papiertype opgeven die u ook via het bedieningspaneel heeft ingesteld. Verplaats de zijafzettingen en de eindafzetting niet met geweld. Dit kan de lade beschadigen. Schuif de papierlade niet met brute kracht naar binnen wanneer u de gevulde lade in de printer schuift. Anders kunnen de zij- en eindafzettingen of de papiergeleider van de handinvoerlade verschuiven. Als u etikettenpapier plaatst, doe dit dan met één vel per keer. 52
Papier plaatsen 1. Trek de papierlade er voorzichtig met beide handen uit. DUE214 Plaats de lade op een vlak oppervlak. 2. Duw de metalen plaat naar beneden totdat deze vastklikt. DUE215 3. Steek de clip op de zijafzetting en de eindafzetting en schuif ze naar de maximale omvang. DUD462 53
2. Papierspecificaties en papier bijvullen 4. Waaier het papier voor het plaatsen. DAC344 5. Plaats het papier in de lade met de bedrukte zijde omhoog. Zorg dat het papier niet hoger wordt gestapeld dan de bovenste limietmarkering binnenin de lade. Zorg dat het papier niet hoger wordt gestapeld dan de markering op de zijafzettingen. (Alleen lade 1) DUE218 6. Controleer of er geen openingen tussen het papier en de afzettingen zijn; zowel bij de zijen eindafzettingen. DUE219 7. Duw de lade voorzichtig recht in het apparaat. Zorg om papierstoringen te voorkomen, dat de lade stevig is geplaatst. 54
Papier plaatsen DUE220 De bovenste limiet verschilt afhankelijk van het soort papier (dun of dik papier). Controleer de sticker aan de binnenkant van de lade om de bovengrens te bepalen. Het indicatielampje voor overgebleven papier aan de rechter voorkant van de papierlade laat zien hoeveel papier er ongeveer over is. Lade 1 verlengen om papier te plaatsen Dit onderdeel legt uit hoe u papier in het apparaat kunt plaatsen dat langer is dan A4 (297 mm). 1. Verwijder de achterklep met een munt. DUE221 2. Trek lade 1 er voorzichtig met beide handen uit. Plaats de lade op een vlak oppervlak. 55
2. Papierspecificaties en papier bijvullen 3. Duw de metalen plaat naar beneden totdat deze vastklikt. DUE215 4. Knijp het verlengstuk in de richting 'PUSH' in en trek het verlengstuk er dan uit tot hij klikt. DUE222 Zorg er na het verlengen voor dat de pijlen op het verlengstuk en de lade met elkaar overeenkomen. DUE223 5. Volg stap 3 t/m 6 in 'Papier in lade 1 en 2 plaatsen'. Om het verlengstuk opnieuw te plaatsen, moet u het met enige kracht erin duwen. 56
Papier plaatsen Papier in de handinvoer plaatsen Voordat u op ander papier dan enveloppen afdrukt, moet u de hendels aan de achterkant van het apparaat, binnenin het achterpaneel, omhoog trekken. Als de hendels omlaag blijven, kan dit problemen veroorzaken met de adrukkwaliteit op ander papier dan enveloppen. Plaats geen papier terwijl het apparaat bezig is met afdrukken. Plaats het papier met de afdrukzijde naar beneden en in de invoerrichting naar de korte zijde. Gekruld papier kan vast komen te zitten. Strijk gekruld papier plat voordat u het papier plaatst. Dubbelzijdig afdrukken is niet mogelijk. Lade 1 en 2 zijn niet beschikbaar als er papier geplaatst wordt in de handinvoer. U kunt geen papier in de handinvoerlade plaatsen terwijl het apparaat in de energiespaarstand staat. 1. Voer de bovenrand van het papier in het apparaat. DUE224 2. Stel de zijgeleiders af op het papierformaat. DUE225 57
2. Papierspecificaties en papier bijvullen 3. Ondersteun het papier met uw handen en voer het voorzichtig in totdat het stopt. DUE226 Enveloppen plaatsen Zorg dat u voor het bedrukken van enveloppen de hendels van de fuseereenheid achter de achterklep laat zakken om te voorkomen dat de enveloppen verkreukeld naar buiten komen. Zet de hendels ook weer terug in hun oorspronkelijke positie na het afdrukken (omhoog). Als de hendels omlaag blijven, kan dit problemen veroorzaken met de adrukkwaliteit op ander papier dan enveloppen. Vermijd het gebruik van zelfklevende enveloppen. Deze kunnen storingen aan het apparaat veroorzaken. Controleer voordat u de enveloppen plaatst of er geen lucht in zit. Plaats alleen enveloppen van hetzelfde formaat en soort. Strijk de voorste randen (de randen die het apparaat ingaan) van de enveloppen met een potlood of liniaal glad voordat u de enveloppen laadt. Sommige envelopsoorten kunnen vastlopen of rimpelen, en kan de afdruk erop slecht zijn. De afdrukkwaliteit van enveloppen kan onregelmatig zijn als delen van de enveloppen verschillende diktes hebben. Druk een of twee enveloppen af om de afdrukkwaliteit te controleren. In een warme en vochtige omgeving kunnen enveloppen verkreukeld of onjuist bedrukt uit de printer komen. 58
Papier plaatsen De hendels van de fuseereenheid laten zakken 1. Trek de hendel van het voorpaneel naar voren en laat het voorpaneel dan voorzichtig zakken. 2 1 DUE227 2. Laat de hendels van de fuseereenheid zakken. 3. Duw met beide handen het voorpaneel voorzichtig omhoog totdat deze sluit. DUE228 DUE229 Voor meer informatie over het plaatsen van een envelop, zie Pag. 52 "Papier plaatsen in lade 1 en 2" en Pag. 57 "Papier in de handinvoer plaatsen". Let erop dat u geen enveloppen kunt plaatsen in lade 2. 59
2. Papierspecificaties en papier bijvullen Als enveloppen tijdens het afdrukken verkreukelen, plaatst u de enveloppen in omgekeerde richting en draait u het afdrukobject 180 graden met behulp van het printerstuurprogramma voordat u afdrukt. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. Bij gebruik van lade 1 Als de envelopflap aan de korte zijde zit, plaats de envelop dan met de flapzijde in de inkeping in de lade. Als de envelopflap aan de lange zijde zit, plaats de envelop dan met de flapzijde naar rechts. DUE230 Bij gebruik van de handinvoer Als de envelopflap aan de korte zijde zit, plaats de envelop dan met de flapzijde in het voorste deel van de lade. Als de envelopflap aan de lange zijde zit, plaats de envelop dan met de flapzijde naar rechts. DUE231 60
Het papiertype en papierformaat opgeven via het bedieningspaneel Het papiertype en papierformaat opgeven via het bedieningspaneel In dit onderdeel wordt uitgelegd hoe u het papierformaat en -type kunt opgeven met het bedieningspaneel. De instelling voor het papiertype en -formaat kan ook worden ingesteld met behulp van het printerstuurprogramma. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. Voor afdrukken vanuit de handinvoer of lade 1 kunt u bepalen om volgens de instellingen van het printerstuurprogramma of het bedieningspaneel af te drukken met [Handinv. prioriteit] onder [Papierinstell.]. Voor meer informatie over [Handinv. prioriteit], zie Pag. 261 "Papierinstellingen". Als [Automatisch doorgaan] onder [Systeeminstellingen] is ingeschakeld, zal het afdrukken tijdelijk stoppen als er een fout bij het papiertype/-formaat wordt gedetecteerd. Na ongeveer tien seconden herstart het afdrukken automatisch met de instellingen die zijn maakt op het bedieningspaneel. Voor meer informatie over [Automatisch doorgaan], zie Pag. 249 "Systeeminstellingen". Het papiertype opgeven Dit onderdeel beschrijft hoe u het papiertype opgeeft. 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Instel.] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Papierinstell.]. 4. Selecteer de lade waarvoor u het papiertype wilt opgeven. 5. Selecteer de gewenste papiersoort. 6. Druk op de toets [Home]. 61
2. Papierspecificaties en papier bijvullen Het standaard papierformaat opgeven Dit onderdeel beschrijft hoe u het standaard papierformaat opgeeft. 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Instel.] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Papierinstell.]. 4. Selecteer de lade waarvoor u het papierformaat wilt opgeven. 5. Selecteer het gewenste papierformaat. 6. Druk op de toets [Home]. Een aangepast papierformaat opgeven Dit onderdeel beschrijft hoe u een aangepast papierformaat opgeeft. Papier met een aangepast formaat kan niet in lade 2 worden geplaatst. Zorg er tijdens het afdrukken voor dat het papierformaat dat is opgegeven in het printerstuurprogramma overeenkomt met het papierformaat dat is opgegeven met het bedieningspaneel. Als het papierformaat niet overeenkomt, wordt er een foutmelding op het display weergegeven. Als u de fout wilt negeren en wilt afdrukken op papier dat niet overeenkomt, zie Pag. 93 "Als papier niet overeenkomt". 62
Het papiertype en papierformaat opgeven via het bedieningspaneel 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Instel.] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Papierinstell.]. 4. Selecteer de lade waarvoor u het papierformaat wilt opgeven. 5. Druk twee keer op [ ]. 6. Druk op [Ang.fr]. 7. Selecteer [mm] of [inch]. 8. Druk op het vak naast [Horiz:]. 9. Voer het horizontale formaat in en druk vervolgens op [OK]. 10. Druk op het vak naast [Vertic:]. 11. Voer het verticale formaat in en druk vervolgens op [OK]. 12. Controleer of het formaat dat u heeft ingevoerd wordt weergegeven en druk op [OK]. 13. Druk op de toets [Home]. 63
2. Papierspecificaties en papier bijvullen Papiertype en -formaat opgeven met Web Image Monitor In dit gedeelte wordt beschreven hoe u papierformaten en -types kunt opgeven met behulp van Web Image Monitor. 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres ervan in te vullen. De eerste pagina van Web Image Monitor wordt weergegeven. 2. Klik op [Systeeminstellingen]. 3. Klik op [Papierlade-instellingen]. 4. Selecteer het papierformaat en het papiertype voor de lade die u wilt gebruiken. 5. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 6. Klik op [OK]. 7. Sluit de internetbrowser. Een aangepast papierformaat opgeven 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres ervan in te vullen. 2. Klik op [Systeeminstellingen]. 3. Klik op [Papierlade-instellingen]. 4. Selecteer [Aangepast formaat] in de lijst [Papierformaat]. 5. Selecteer [mm] of [inch] en geef de breedte en lengte op. 6. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 7. Klik op [OK]. 64
Papiertype en -formaat opgeven met Web Image Monitor 8. Sluit de internetbrowser. 65
2. Papierspecificaties en papier bijvullen Het papiertype en het papierformaat opgeven met behulp van het printerstuurprogramma Zorg dat het papiertype en -formaat dat in het printerstuurprogramma is opgegeven, overeenkomt met het type en het formaat van het papier dat in de lade is geplaatst. Aangezien het apparaat het papierformaat niet automatisch herkent, is het mogelijk dat het type of het formaat van het papier niet overeenstemt met de instellingen en dat de afdruktaak dus niet correct wordt afgeleverd. Wanneer u Windows gebruikt De procedure in dit onderdeel is een voorbeeld en is gebaseerd op Windows 7. De werkelijke procedure kan afwijken afhankelijk van het door u gebruikte besturingssysteem. 1. Open het dialoogvenster [Afdrukvoorkeuren] vanuit het printerstuurprogramma. Voor meer informatie over het openen van de eigenschappen van het printerstuurprogramma in [Apparaten en printers], zie Pag. 90 "Het dialoogvenster Afdrukvoorkeuren weergeven". Het dialoogvenster [Afdrukvoorkeuren...] wordt weergegeven. 2. Klik op het tabblad [Papier]. 3. Selecteer het papier dat u wilt gebruiken voor het afdrukken in de lijst [Invoerlade:]. 4. Selecteer de papiersoort die zich in de papierlade bevindt in de lijst [Papiersoort:]. 5. Selecteer het vakje [Afdrukken op] en selecteer het formaat van het papier dat in de papierlade geplaatst is. Maak indien nodig het vakje [Aanpassen aan formaat] leeg. 66
Het papiertype en het papierformaat opgeven met behulp van het printerstuurprogramma 6. Klik op [OK]. Wanneer u OS X gebruikt De procedure in dit onderdeel is een voorbeeld dat is gebaseerd op OS X 10.11. De werkelijke procedure is afhankelijk van het besturingssysteem waarmee u werkt. 1. Start System Preferences op. 2. Klik op [Printers & Scanners]. 3. Selecteer de printer die u gebruikt. 4. In de lijst [Standaard papierformaat:] selecteert u het formaat van het af te drukken document. 67
2. Papierspecificaties en papier bijvullen Ondersteund papier Geef, nadat u het papier in de lade hebt geplaatst, de papiersoort op via het bedieningspaneel. Dit apparaat herkent niet automatisch het papierformaat. Wanneer u papier van een aangepast formaat in lade 1 of de handinvoer plaatst, moet u de lengte en breedte opgeven via het bedieningspaneel en het printerstuurprogramma. Wanneer u op papier van een aangepast formaat vanuit de handinvoer afdrukt, hoeft u mogelijk het papiertype of papierformaat niet op te geven met het bedieningspaneel, afhankelijk van de instellingen voor [Handinv. prioriteit]. Lade 1 Type Formaat Gewicht Capaciteit* 1 Normaal papier Medium dik papier Gerecycled papier Dik papier 1 Dik papier 2 Dun papier A4, B5 JIS, A5 LEF, A5 SEF, B6 JIS, A6, 8 1 / 2 14, 8 1 / 2 11, 5 1 / 2 8 1 / 2, 7 1 / 4 10 1 / 2, 8 13, 8 1 / 2 13, 8 1 / 4 13, 16K, 4 1 / 8 9 1 / 2, 3 7 / 8 7 1 / 2, C5 Env, C6 Env, DL Env, 8 1 / 2 13 2 / 5, 8 1 / 2 13 3 / 5 60 tot 160 g/m 2 (16 tot 43 lb.) 250 (80 g/m 2, 20 lb.) Briefpapier Voorbedrukt papier Etikettenpapier Voorgeperforeerd papier Bankpost Karton Gekleurd papier Envelop Normaal papier Aangepast formaat: 60 tot 160 g/m 2 250 Medium dik papier 90 tot 216 mm breed, (16 tot 43 lb.) (80 g/m 2, 20 lb.) Gerecycled papier 148 tot 356 mm lang Dik papier 1 (3,54 tot 8,50 inch breed, Dik papier 2 5,83 tot 14,0 inch lang) Dun papier 68
Ondersteund papier Briefpapier Type Formaat Gewicht Capaciteit* 1 Voorbedrukt papier Etikettenpapier Voorgeperforeerd papier Bankpost Karton Gekleurd papier Envelop * 1 Het maximale aantal enveloppen dat kan worden geplaatst is 10. Lade 2 (optie) Type Formaat Gewicht Capaciteit Dun papier A4 60 tot 105 g/m 2 500 Normaal papier Letter (8 1 / 2 11 inch) (16 tot 28 lb.) (80 g/m 2, 20 lb.) Medium dik papier Dik papier 1 Gerecycled papier Gekleurd papier Voorbedrukt papier Voorgeperforeerd papier Briefpapier Handinvoer Type Formaat Gewicht Capaciteit Normaal papier Medium dik papier Gerecycled papier Dik papier 1 Dik papier 2 Dun papier A4, B5 JIS, A5 LEF, A5 SEF, B6 JIS, A6, 8 1 / 2 14, 8 1 / 2 11, 5 1 / 2 8 1 / 2, 7 1 / 4 10 1 / 2, 8 13, 8 1 / 2 13, 8 1 / 4 13, 16K, 4 1 / 8 9 1 / 2, 3 7 / 8 7 1 / 2, C5 Env, C6 Env, DL Env, 8 1 / 2 13 2 / 5, 8 1 / 2 13 3 / 5 60 tot 160 g/m 2 (16 tot 43 lb.) 1 69
2. Papierspecificaties en papier bijvullen Briefpapier Envelop Etikettenpapier Voorgeperforeerd papier Bankpost Karton Gekleurd papier Type Formaat Gewicht Capaciteit Normaal papier Aangepast formaat: 60 tot 160 g/m 2 1 Medium dik papier 90 tot 216 mm breed, (16 tot 43 lb.) Gerecycled papier 148 tot 356 mm lang Dik papier 1 (3,54 tot 8,50 inch breed, Dik papier 2 5,83 tot 14,0 inch lang) Dun papier Briefpapier Envelop Etikettenpapier Voorgeperforeerd papier Bankpost Karton Gekleurd papier In de volgende gevallen kunt u niet afdrukken op papier van Legal-formaat: PCL-printerstuurprogramma/GDI-printerstuurprogramma Wanneer [Gradatie:] in [Afdrkwal.] is ingesteld op [Fijn] PostScript 3-printerstuurprogramma Wanneer [Afdrkwal.] in [Printereigenschappen] is ingesteld op [Beste kwaliteit] Specificaties van papiertypen De volgende tabellen beschrijven de typen papier die voor dit apparaat gebruikt kunnen worden. 70
Ondersteund papier Afhankelijk van het papiertype kan het even duren voordat de toner droog is. Controleer of de afdrukken goed droog zijn voordat u ze vastpakt. Anders kan de toner uitlopen. De afdrukkwaliteit kan alleen gegarandeerd worden als het aanbevolen papier gebruikt wordt. Neem contact op met uw verkoop- of servicevertegenwoordiger voor meer informatie over aanbevolen papier. Normaal papier Item Beschrijving Papierdikte Ondersteunde papierlade Formaat dubbelzijdig ondersteunt dat 66 tot 74 g/m 2 (18 tot 20 lb.) Kan gebruikt worden met alle papierladen. A4, B5 JIS, 8 1 / 2 14, 8 1 / 2 11, 7 1 / 4 10 1 / 2, 8 13, 8 1 / 2 13, 8 1 / 4 13, 16K, 8 1 / 2 13 2 / 5, 8 1 / 2 13 3 / 5 Medium dik papier Item Beschrijving Papierdikte Ondersteunde papierlade Formaat dat dubbelzijdig ondersteunt 75 tot 90 g/m 2 (20 tot 24 lb.) Kan gebruikt worden met alle papierladen. A4, B5 JIS, 8 1 / 2 14, 8 1 / 2 11, 7 1 / 4 10 1 / 2, 8 13, 8 1 / 2 13, 8 1 / 4 13, 16K, 8 1 / 2 13 2 / 5, 8 1 / 2 13 3 / 5 Dik papier 1 Papierdikte Item Ondersteunde papierlade 91 tot 105 g/m 2 (24 tot 28 lb.) Beschrijving Kan gebruikt worden met alle papierladen. 71
2. Papierspecificaties en papier bijvullen Item Beschrijving Formaat dubbelzijdig ondersteunt Opmerkingen dat Geen Het aantal vellen dat afgedrukt kan worden per minuut is ongeveer de helft van dat van medium dik papier. Dik papier 2 Papierdikte Item Ondersteunde papierlade Formaat dubbelzijdig ondersteunt Opmerkingen dat 106 tot 160 g/m 2 (28 tot 43 lb.) Lade 1 en handinvoer Geen Beschrijving Het aantal vellen dat afgedrukt kan worden per minuut is ongeveer de helft van dat van medium dik papier. Dun papier Papierdikte Item Ondersteunde papierlade Formaat dubbelzijdig ondersteunt dat 60 tot 65 g/m 2 (16 tot 17 lb.) Beschrijving Kan gebruikt worden met alle papierladen. A4, B5 JIS, 8 1 / 2 14, 8 1 / 2 11, 7 1 / 4 10 1 / 2, 8 13, 8 1 / 2 13, 8 1 / 4 13, 16K, 8 1 / 2 13 2 / 5, 8 1 / 2 13 3 / 5 72
Ondersteund papier Gerecycled papier Item Beschrijving Papierdikte Ondersteunde papierlade Formaat dubbelzijdig ondersteunt Opmerkingen dat 75 tot 90 g/m 2 (20 tot 24 lb.) Kan gebruikt worden met alle papierladen. A4, B5 JIS, 8 1 / 2 14, 8 1 / 2 11, 7 1 / 4 10 1 / 2, 8 13, 8 1 / 2 13, 8 1 / 4 13, 16K, 8 1 / 2 13 2 / 5, 8 1 / 2 13 3 / 5 Als de papierdikte buiten het aangegeven bereik valt, selecteert u [Dun papier], [Normaal papier], [Dik papier 1] of [Dik papier 2]. Gekleurd papier Papierdikte Item Ondersteunde papierlade Formaat dubbelzijdig ondersteunt Opmerkingen dat 75 tot 90 g/m 2 (20 tot 24 lb.) Beschrijving Kan gebruikt worden met alle papierladen. A4, B5 JIS, 8 1 /2 14, 8 1 / 2 11, 7 1 / 4 10 1 / 2, 8 13, 8 1 / 2 13, 8 1 / 4 13, 16K, 8 1 / 2 13 2 / 5, 8 1 / 2 13 3 / 5 Als de papierdikte buiten het aangegeven bereik valt, selecteert u [Dun papier], [Normaal papier], [Dik papier 1] of [Dik papier 2]. Voorbedrukt papier Item Beschrijving Papierdikte Ondersteunde papierlade Formaat dubbelzijdig ondersteunt dat 75 tot 90 g/m 2 (20 tot 24 lb.) Lade 1 en lade 2 A4, B5 JIS, 8 1 / 2 14, 8 1 / 2 11, 7 1 / 4 10 1 / 2, 8 13, 8 1 / 2 13, 8 1 / 4 13, 16K, 8 1 / 2 13 2 / 5, 8 1 / 2 13 3 / 5 73
2. Papierspecificaties en papier bijvullen Item Opmerkingen Beschrijving Als de papierdikte buiten het aangegeven bereik valt, selecteert u [Dun papier], [Normaal papier], [Dik papier 1] of [Dik papier 2]. Voorgeperforeerd papier Item Beschrijving Papierdikte Ondersteunde papierlade Formaat dubbelzijdig ondersteunt Opmerkingen dat 75 tot 90 g/m 2 (20 tot 24 lb.) Kan gebruikt worden met alle papierladen. A4, B5 JIS, 8 1 / 2 14, 8 1 / 2 11, 7 1 / 4 10 1 / 2, 8 13, 8 1 / 2 13, 8 1 / 4 13, 16K, 8 1 / 2 13 2 / 5, 8 1 / 2 13 3 / 5 Als de papierdikte buiten het aangegeven bereik valt, selecteert u [Dun papier], [Normaal papier], [Dik papier 1] of [Dik papier 2]. Briefpapier Papierdikte Item Ondersteunde papierlade Formaat dubbelzijdig ondersteunt Opmerkingen dat 75 tot 90 g/m 2 (20 tot 24 lb.) Beschrijving Kan gebruikt worden met alle papierladen. A4, B5 JIS, 8 1 / 2 14, 8 1 / 2 11, 7 1 / 4 10 1 / 2, 8 13, 8 1 / 2 13, 8 1 / 4 13, 16K, 8 1 / 2 13 2 / 5, 8 1 / 2 13 3 / 5 Papier met een dikte dat buiten het aangegeven bereik valt kan niet bedrukt worden. Bankpost Papierdikte Item 106 tot 160 g/m 2 (28 tot 43 lb.) Beschrijving 74
Ondersteund papier Item Beschrijving Ondersteunde papierlade Formaat dubbelzijdig ondersteunt Opmerkingen dat Lade 1 en handinvoer Geen Het aantal vellen dat afgedrukt kan worden binnen één minuut is ongeveer de helft van dat van medium dik papier. Als de papierdikte buiten het aangegeven bereik valt selecteert u [Dun papier 1]. Karton Papierdikte Item Ondersteunde papierlade Formaat dubbelzijdig ondersteunt Opmerkingen dat 106 tot 160 g/m2 (28 tot 43 lb.) Lade 1 en handinvoer Geen Beschrijving Het aantal vellen dat afgedrukt kan worden binnen één minuut is ongeveer de helft van dat van medium dik papier. Als de papierdikte buiten het aangegeven bereik valt selecteert u [Dun papier 1]. Etikettenpapier Item Ondersteunde papierlade Formaat dubbelzijdig ondersteunt dat Lade 1 en handinvoer Geen Beschrijving 75
2. Papierspecificaties en papier bijvullen Item Opmerkingen Beschrijving Het aantal vellen dat afgedrukt kan worden per minuut is ongeveer de helft van dat van medium dik papier. Vermijd het gebruik van etikettenpapier waarop de lijm zichtbaar is. Lijm kan aan onderdelen aan de binnenkant van de printer blijven plakken, waardoor papierinvoerproblemen kunnen ontstaan, de adrukkwaliteit kan verslechteren of vroegtijdige slijtage van de fotogeleidereenheid van de printercartridge kan optreden. Envelop Item Beschrijving Ondersteunde papierlade Formaat dubbelzijdig ondersteunt dat Lade 1 en handinvoer Geen Opmerkingen Vermijd het gebruik van zelfklevende enveloppen. Deze kunnen storingen aan het apparaat veroorzaken. Het aantal enveloppen dat afgedrukt kan worden per minuut is ongeveer de helft van dat van medium dik papier. Het papier kan alleen geplaatst worden tot aan de onderste limietmarkering van de twee limietmarkeringen in de lade. Als gedrukte enveloppen sterk gekreukeld uit de printer komen, plaatst u de enveloppen in omgekeerde richting. Configureer het printerstuurprogramma ook zodanig dat het afdrukobject 180 graden wordt geroteerd. Voor meer informatie over het wijzigen van de afdrukrichting, zie de helpfunctie van het printerstuurprogramma. Omgevingsfactoren kunnen de afdrukkwaliteit van zowel aanbevolen als niet-aanbevolen enveloppen verminderen. Als enveloppen ernstig krullen na het bedrukken, maak ze dan plat door ze tegen de krul in op te rollen. Na het afdrukken kunnen enveloppen soms vouwen aan de lange zijden hebben en kunnen de onbedrukte zijkanten met toner besmeurd zijn. De afgedrukte afbeelding kan ook vaag zijn. Bij het afdrukken van grote, zwarte gebieden kunnen strepen voorkomen als de enveloppen elkaar overlappen. 76
Ondersteund papier Om de lengte van een envelop waarvan de flap aan de korte zijde opent, goed te kunnen opgeven, moet u de open flap in de meting meenemen. CER112 Waaier de enveloppen uit en leg de randen gelijk voordat u ze plaatst. DAC573 Zorg er bij het loswaaieren van enveloppen voor dat ze niet aan elkaar plakken. Als ze tegen elkaar aan plakken, haal ze dan los. Zorg er bij het waaieren van enveloppen voor dat de flappen niet aan elkaar plakken. Als ze tegen elkaar aan plakken, haal ze dan los. Maak de enveloppen voor het plaatsen plat, zodat de krul niet boven datgene uitkomt wat in de illustratie hieronder is weergegeven. 5 mm (0,2 inch) 0 mm (0 inch) DAC574 Als de krul hardnekkig is, maak de enveloppen dan met uw vingers plat zoals hieronder wordt getoond. 77
2. Papierspecificaties en papier bijvullen DAC575 Dubbelzijdig afdrukken is wellicht niet mogelijk op 8 13, 8 1 / 2 13, Folio (8 1 / 4 13 inch) of 16K (195 267 mm) formaat papier in de volgende gevallen: PCL-printerstuurprogramma/GDI-printerstuurprogramma Wanneer [Gradatie:] in [Afdrkwal.] is ingesteld op [Fijn] PostScript 3-printerstuurprogramma Als [Afdrkwal.] in [Printereigenschappen] is ingesteld op [Best Quality] Niet aanbevolen papiertypen Gebruik de volgende papiertypen niet: Papier voor inkjetprinters Gegolfd, gevouwen of gekreukeld papier Opgekruld of verdraaid papier Gescheurd papier Gekreukt papier Vochtig papier Vuil of beschadigd papier Papier dat droog genoeg is om statische elektriciteit te veroorzaken Papier waarop al is afgedrukt, met uitzondering van een voorgedrukt briefhoofd. Storingen kunnen in het bijzonder worden verwacht, indien papier wordt gebruikt dat reeds door een andere dan een laserprinter is bedrukt (bijvoorbeeld door zwart/wit of kleurenkopieerapparaten, inkjetprinters, enz.) Speciaal papier, zoals thermisch papier of carbonpapier Papier dat zwaarder of lichter dan de limiet is Papier met vensters, gaatjes, perforaties, uitsparingen of reliëf 78
Ondersteund papier Zelfklevende etikettenvellen waarvan de lijm of de onderlaag zichtbaar is Papier dat met paperclips of nietjes bijeen wordt gehouden Raak tijdens het plaatsen van papier het oppervlak van het papier niet aan. Zelfs als papier geschikt is voor het apparaat, kan papier dat niet juist wordt opgeslagen, leiden tot papierstoringen, een slechte afdrukkwaliteit of defecten. Papier bewaren Bewaar papier op de juiste manier. Als het papier niet op de gepaste manier wordt bewaard, kan dat leiden tot papierstoringen, een lagere afdrukkwaliteit of defecten. Wanneer u papier bewaart: Bewaar papier niet op een vochtige plek. Bewaar papier niet in direct zonlicht. Zet het papier niet op zijn kant. Bewaar papier dat u niet nodig heeft in de verpakking of in de doos meegeleverd met het papier. Afdrukgebied De volgende illustratie laat het gedeelte van het papier zien waarop het apparaat kan adrukken. Van het printerstuurprogramma 2 3 4 4 1 3 DAC571 79
2. Papierspecificaties en papier bijvullen 1. Afdrukgebied 2. Invoerrichting 3. Ongeveer 4,2 mm (0,2 inch) 4. Ongeveer 4,2 mm (0,2 inch) Envelop 3 4 3 1 2 3 DAC577 1. Afdrukgebied 2. Invoerrichting 3. Ongeveer 10 mm (0,4 inch) 4. Ongeveer 15 mm (0,6 inch) Kopieerfunctie 3 4 4 1 3 2 DAC580 1. Afdrukgebied 2. Invoerrichting 3. Ongeveer 4 mm (0,2 inch) 4. Ongeveer 3 mm (0,1 inch) 80
Ondersteund papier Faxfunctie 4 4 3 1 3 2 DAC580 1. Afdrukgebied 2. Invoerrichting 3. Ongeveer 4,2 mm (0,2 inch) 4. Ongeveer 2 mm (0.08 inch) Afdrukken zonder marges wordt niet ondersteund. Het afdrukgebied kan variëren, afhankelijk van papierformaat, printertaal en printerinstellingen. Voor het beter adrukken van enveloppen raden wij u aan de rechter-, linker-, boven- en ondermarges minimaal op 15 mm (0,6 inch) in te stellen. 81
2. Papierspecificaties en papier bijvullen Originelen plaatsen Dit onderdeel geeft uitleg over de soorten originelen die u kunt instellen en hoe u originelen moet plaatsen. Originelen op de glasplaat leggen In dit gedeelte wordt de procedure beschreven voor het plaatsen van originelen op de glasplaat. Plaats geen originelen met correctievloeistof en toner voordat die helemaal zijn opgedroogd. Doet u dat wel, dan ontstaan er vlekken op de glasplaat die op kopieën te zien zijn. Het origineel in de ADF gaat voor het origineel op de glasplaat als u originelen zowel in de ADF als op de glasplaat plaatst. Zorg ervoor dat u de invoerlade niet aanraakt bij het optillen van de ADF, anders kan de lade beschadigd raken. 1. Open de ADF. 2. Leg het origineel met de bedrukte zijde naar beneden op de glasplaat. Het vel moet in de linkerbovenhoek worden uitgelijnd. 3. Laat de ADF zakken. DUE232 Duw de ADF met uw handen omlaag als u dik, gevouwen of ingebonden originelen gebruikt en wanneer de ADF niet geheel dicht kan. Originelen in de automatische documentinvoer plaatsen Bij gebruik van de ADF kunt u meerdere pagina's tegelijkertijd scannen. Plaats alleen originelen in de ADF die hetzelfde formaat hebben. 82
Originelen plaatsen Strijk gekruld papier helemaal glad voordat u de originelen in de ADF plaatst. Om papierstoringen te voorkomen, moet u de originelen loswaaieren voordat u deze in de ADF plaatst. Plaats het origineel recht. 1. Open de klep van de invoerlade voor de ADF en stel de geleiders af volgens het formaat van het origineel. DUE233 2. Plaats de originelen met de bedrukte zijde naar boven in de ADF. De laatste pagina moet onderaan worden geplaatst. DUE234 Wanneer u originelen langer dan A4 of 8 1 / 2 11 gebruikt, moet u de ladeverlengstukken van de ADF uittrekken. Originelen Dit onderdeel geeft uitleg over de soorten originelen die u kunt plaatsen en welke delen van een origineel niet scanbaar zijn. 83
2. Papierspecificaties en papier bijvullen Aanbevolen origineelformaten In dit onderdeel wordt het aanbevolen formaat van het origineel beschreven. Glasplaat ADF Tot maximaal 216 mm (8,5 inch) breed, tot maximaal 297 mm (11,7 inch) lang Papierformaat: 140 tot 216 mm (5 1 / 2 tot 8 1 / 2 inch) breed, 140 tot 356 mm (5 1 / 2 tot 14 inch) lang Papiergewicht: 52 tot 105 g/m 2 (13,8 tot 28,0 lb.) Er kan slechts 1 vel van een origineel tegelijkertijd op de glasplaat worden geplaatst. In de ADF van de SP C260SFNw, kunnen maximaal 35 vellen originelen tegelijk worden geplaatst (bij gebruik van papier met een gewicht van 80 g/m 2, 20 lb.). In de ADF van de SP C262SFNw kunnen maximaal 50 vellen originelen tegelijk worden geplaatst (bij gebruik van papier met een gewicht van 80 g/m 2, 20 lb.). Soorten originelen die niet worden ondersteund door de automatische documentinvoer Als er originelen in de ADF geplaatst worden, kunnen de volgende soorten originelen beschadigd raken, vastlopen of grijze en zwarte lijnen op de afdrukken krijgen: Originelen die groter of zwaarder zijn dan aanbevolen Originelen met nietjes of paperclips Geperforeerde of gescheurde originelen Gekrulde, gevouwen of gekreukte originelen Beplakte originelen Originelen met een coating, zoals thermisch faxpapier, kunstdrukpapier, aluminiumfolie, carbonpapier of geleidend papier Originelen met perforatielijnen Originelen met duimgrepen, etiketten en uitstekende delen Klevende originelen zoals halfdoorschijnend papier Dunne, zeer buigzame originelen Dikke originelen zoals briefkaarten Gebonden originelen zoals boeken Transparante originelen zoals transparanten of halfdoorschijnend papier Originelen die nat zijn van de toner of correctievloeistof 84
Originelen plaatsen Onscanbaar afbeeldingengebied Zelfs indien u de originelen correct in de ADF of op de glasplaat plaatst, is het mogelijk dat een marge van een paar millimeter aan alle vier de zijden niet wordt gescand. DAC579 Marges bij gebruik van de glasplaat In de kopieermodus In scanmodus In faxmodus Boven 4 mm (0,2 inch) 0 mm (0 inch) 1 mm (0,05 inch) Rechts 3 mm (0,1 inch) 0 mm (0 inch) 1 mm (0,05 inch) Links 3 mm (0,1 inch) 0 mm (0 inch) 1 mm (0,05 inch) Onder 4 mm (0,2 inch) 0 mm (0 inch) 2 mm (0,08 inch) Marges bij gebruik van de ADF In de kopieermodus In scanmodus In faxmodus Boven 4 mm (0,2 inch) 0 mm (0 inch) 0 mm (0 inch) Rechts 3 mm (0,1 inch) 0 mm (0 inch) 1 mm (0.05 inch) (Letter, legal) 0 mm (0 inch) (andere formaten) Links 3 mm (0,1 inch) 0 mm (0 inch) 1 mm (0.05 inch) (Letter, legal) 0 mm (0 inch) (andere formaten) Onder 4 mm (0,2 inch) 2 mm (0,08 inch) 2 mm (0,08 inch) 85
86 2. Papierspecificaties en papier bijvullen
3. Documenten afdrukken In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u instellingen kunt configureren in het printerstuurprogramma en hoe u documenten kunt afdrukken. Wat u met de printerfunctie kunt doen Er dubbelzijdig wordt afgedrukt U kunt op beide zijden van een vel papier afdrukken. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. Rapport Rapport DSG261 Gecombineerd afdrukken U kunt meerdere pagina's combineren en ze op één vel papier afdrukken. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. Rapport 1 Rapprt 2 3 DSG262 87
3. Documenten afdrukken Opties instellen voor de printer Als bi-directionele communicatie goed werkt, stuurt de printer automatisch informatie over opties, het papierformaat en de papierinvoerrichting naar uw computer. Met bi-directionele communicatie kunt u de status van het apparaat controleren. Voorwaarden voor bidirectionele communicatie Voor de ondersteuning van bidirectionele communicatie moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan. Indien verbonden met het netwerk De standaard TCP/IP-poort moet worden gebruikt. Afgezien van het bovenstaande, moet ook aan een van de volgende voorwaarden worden voldaan: Het TCP/IP-protocol of het IPP-protocol wordt gebruikt. Als gebruik wordt gemaakt van het IPP-protocol, moet de IPP-poortnaam het IP-adres bevatten. Bij een USB-verbinding Het apparaat moet met de USB-interfacekabel op de USB-poort van de computer worden aangesloten. De printer moet bidirectionele communicatie ondersteunen. Op het tabblad [Poorten] van het printerstuurprogramma moet [Ondersteuning in twee richtingen inschakelen] worden geselecteerd en [Printerpooling inschakelen] niet. Als bidirectionele communicatie is uitgeschakeld In dit onderdeel wordt beschreven hoe u opties en papierformaat-instellingen op uw computer handmatig kunt instellen voor iedere lade. U dient over rechten voor printerbeheer te beschikken om de printereigenschappen te wijzigen. Log in als beheerder. Wanneer u Windows gebruikt De procedure in dit onderdeel is een voorbeeld dat is gebaseerd op Windows 7. 1. Klik in het menu [Start] op [Apparaten en printers]. 88
Opties instellen voor de printer 2. Klik met de rechtermuisknop op het pictogram van het apparaat en klik vervolgens op [Printereigenschappen]. 3. Klik op het tabblad [Accessoires]. 4. Selecteer de geïnstalleerde opties in het gedeelte [Opties] en geef vervolgens de gewenste instellingen op. 5. Klik op het tabblad [Instel. Pap.form.]. 6. Selecteer bij [Invoerlade:] de papierladen die u wilt gebruiken en bij [Papierformaat:] het gewenste papierformaat voor elke lade. Klik op [Bijwerken] om de instelling op elke lade toe te passen. 7. Klik op [Toepassen]. 8. Klik op [OK] om het venster met printereigenschappen te sluiten. Wanneer u OS X gebruikt De volgende procedure wordt uitgelegd met OS X 10.11 als voorbeeld. 1. Start System Preferences op. 2. Klik op [Printers & Scanners]. 3. Selecteer de printer die u gebruikt en klik vervolgens op [Options & Supplies...]. 4. Klik op [Options] en configureer de instellingen naar wens. 5. Klik op [OK]. 6. Sluit System Preferences af. 89
3. Documenten afdrukken Het dialoogvenster Afdrukvoorkeuren weergeven Om de standaardinstellingen van het printerstuurprogramma te wijzigen, configureert u de instellingen in het dialoogvenster [Afdrukvoorkeuren]. Om de standaardinstellingen van alle toepassingen te wijzigen, opent u het dialoogvenster [Afdrukvoorkeuren] van het besturingssysteem. Voor meer informatie, zie Pag. 90 "Het dialoogvenster met afdrukvoorkeuren weergeven vanuit het menu [Start]". Om de standaardinstellingen van een specifieke toepassing te wijzigen, opent u het dialoogvenster [Afdrukvoorkeuren] vanuit die toepassing. Voor meer informatie, zie Pag. 90 "Het dialoogvenster met afdrukvoorkeuren weergeven in een toepassing". Het dialoogvenster met afdrukvoorkeuren weergeven vanuit het menu [Start] In dit gedeelte wordt uitleg gegeven over het openen van [Afdrukvoorkeuren] in [Apparaten en printers]. Wanneer het printerstuurprogramma via de afdrukserver is gedistribueerd, worden de waarden van de instellingen die door de server zijn gespecificeerd, onder [Standaardinstellingen voor afdrukken...] weergegeven als standaardinstellingen. Het is niet mogelijk om per gebruiker verschillende afdrukinstellingen op te geven. De instellingen die in dit dialoogvenster worden opgegeven, worden als standaard gebruikt. 1. Klik in het menu [Start] op [Apparaten en printers]. 2. Klik met de rechtermuisknop op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. 3. Klik op [Afdrukvoorkeuren]. Het dialoogvenster met afdrukvoorkeuren weergeven in een toepassing U kunt printerinstellingen opgeven vanuit een specifieke toepassing. Hiervoor opent u het dialoogvenster [Afdrukvoorkeuren] in de desbetreffende toepassing. De instellingen in [Afdrukvoorkeuren] (geopend vanuit het venster [Apparaten en printers]) worden standaard toegepast in het dialoogvenster [Afdrukvoorkeuren] dat in een toepassing wordt geopend. Als er vanuit een toepassing wordt afgedrukt, pas dan indien vereist de instellingen aan. De weergegeven schermen kunnen afwijken afhankelijk van de toepassing. In de volgende procedure wordt uitgelegd hoe u documenten kunt afdrukken vanuit een toepassing, met als voorbeeld Kladblok in Windows 7. 90
Het dialoogvenster Afdrukvoorkeuren weergeven Het dialoogvenster met afdrukvoorkeuren weergeven in een toepassing bij gebruik van Windows 1. Klik op de menuknop van Kladblok in de linkerbovenhoek van het venster en klik op [Afdrukken]. 2. Selecteer de printer die u wilt gebruiken in de lijst [Printer selecteren]. 3. Klik op [Voorkeursinstellingen]. De procedure voor het openen van het dialoogvenster [Afdrukvoorkeuren] is afhankelijk van de toepassing. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma of de handleidingen die met de toepassing zijn meegeleverd. Het dialoogvenster Afdrukvoorkeuren weergeven in een toepassing bij gebruik van OS X De volgende procedure wordt uitgelegd met OS X 10.11 als voorbeeld. 1. Open het af te drukken document. 2. Selecteer [Print...] in het menu [File]. 3. Controleer of de naam van het apparaat of het IP-adres dat u gebruikt geselecteerd is in het pop-up menu [Printer:]. Als de apparaatnaam of het IP-adres dat u gebruikt niet is geselecteerd in de lijst [Printer:], klikt u op de lijst en selecteert u vervolgens uw apparaat. 91
3. Documenten afdrukken Basiswerking van afdrukken De volgende stappen laten zien hoe u algemene afdruktaken kunt uitvoeren. De procedure in dit onderdeel is een voorbeeld en is gebaseerd op Windows 7. De werkelijke procedure kan afwijken afhankelijk van het door u gebruikte besturingssysteem. Voor meer informatie over de afdrukmogelijkheden, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. 1. Open het dialoogvenster printereigenschappen in de toepassing van uw document. Klik op [Help] voor meer informatie over elke instelling. U kunt op de informatiepictogrammen klikken voor informatie over de configuratie. 2. Stel de gewenste afdrukopties in en klik vervolgens op [OK]. Het dialoogvenster Printereigenschappen wordt gesloten. 3. Klik op [Afdrukken]. Wanneer het afdrukken van een taak (Color/B&W of alleen B&W) wordt beperkt, geeft u voor het afdrukken de gebruikerscode op in de afdrukeigenschappen van het printerstuurprogramma. Voor meer informatie over de gebruikerscode, zie Pag. 301 "Apparaatfuncties beperken voor gebruikers". U kunt opgeven welke papierlade als eerste wordt geselecteerd in [Papierladeprioriteit] onder [Papierinstellingen] wanneer de laden automatisch worden geselecteerd terwijl u aan het afdrukken bent. Voor meer informatie over [Papierladeprioriteit], zie Pag. 261 "Papierinstellingen". Als er een papierstoring optreedt, stopt het afdrukken nadat de huidige pagina is afgedrukt. Nadat de papierstoring is verholpen, zal het afdrukken automatisch hervat worden vanaf de pagina die 92
Basiswerking van afdrukken vastliep. Voor meer informatie over het verwijderen van vastgelopen papier, zie Pag. 366 "Vastgelopen papier verwijderen". Als u op enveloppen heeft afgedrukt, zorg er dan voor dat u daarna de hendels terugzet in hun oorspronkelijke posities. Als de hendels omlaag blijven, kan dit problemen veroorzaken met de adrukkwaliteit op ander papier dan enveloppen. Voor meer informatie over de hendels voor het afdrukken op enveloppen, zie Pag. 52 "Papier plaatsen". Als papier niet overeenkomt Er wordt een fout gerapporteerd als: het papiertype niet overeenkomt met de instellingen van de taak als [Invoerlade:] is ingesteld op [Automatische ladeselectie]. Er zijn twee manieren om deze foutmeldingen op te lossen: Doorgaan met afdrukken met gebruik van papier dat niet overeenkomt Negeer de fout en druk af op papier van een ander formaat. Annuleer de afdruktaak Annuleer het afdrukken. Als [Automatisch doorgaan] onder [Systeeminstellingen] is ingeschakeld, negeert het apparaat de instellingen voor papiertype en -formaat en drukt het apparaat af op elk papier dat geplaatst is. Het afdrukken wordt tijdelijk onderbroken wanneer een fout wordt gedetecteerd en begint automatisch weer tien seconden nadat de instellingen gedaan zijn op het bedieningspaneel. Voor meer informatie over [Automatisch doorgaan], zie Pag. 249 "Systeeminstellingen". Doorgaan met afdrukken met gebruik van papier dat niet overeenkomt Als het papier te klein is voor de afdruktaak, wordt de afgedrukte afbeelding verkleind zodat het past. 1. Druk op [Pg.drv.] als de foutmelding wordt weergegeven. Een afdruktaak annuleren U kunt afdruktaken annuleren door het bedieningspaneel van het apparaat of uw computer te gebruiken, afhankelijk van de status van de taak. Een afdruktaak annuleren voordat het afdrukken is gestart Windows 93
3. Documenten afdrukken 1. Dubbelklik op het printerpictogram in de taakbalk van uw computer. 2. Selecteer de afdruktaak die u wilt annuleren en klik vervolgens op [Annuleren] in het menu [Document]. 3. Klik op [Ja]. Als u een afdruktaak annuleert die al verwerkt wordt, kan het afdrukken een paar pagina's doorgaan voordat het wordt geannuleerd. Het kan wat tijd kosten om een grote afdruktaak te annuleren. Een afdruktaak annuleren tijdens het afdrukken 1. Druk op de [Wis/Stop]-knop. DUE308 2. Druk op [Afdruktaken] in het scherm [Taken annuleren]. 94
Afdrukken van vertrouwelijke documenten Afdrukken van vertrouwelijke documenten Met de functie Beveiligde afdruktaak kunt u afdruktaken beveiligen met een wachtwoord. Dit betekent dat uw taak alleen wordt afgedrukt nadat u het wachtwoord invoert via het bedieningspaneel van het apparaat. Deze functie voorkomt dat onbevoegde gebruikers gevoelige documenten kunnen inzien die op het apparaat liggen. Deze functie is alleen beschikbaar voor de SP C262SFNw. Deze functie is uitsluitend beschikbaar als het PCL-printerstuurprogramma gebruikt wordt en er afgedrukt wordt vanaf een computer met een Windows-besturingssysteem. De procedure in dit onderdeel is een voorbeeld dat is gebaseerd op Windows 7. Een beveiligd afdrukbestand opslaan In dit gedeelde wordt beschreven hoe u een beveiligd afdrukbestand kunt opslaan in het apparaat met behulp van het printerstuurprogramma. 1. Open het bestand dat u wilt afdrukken op uw computer. 2. Klik in het menu [Bestand] op [Afdrukken...]. 3. Selecteer onder [Printer selecteren] de naam van dit apparaat en klik vervolgens op [Voorkeuren]. 4. Klik op het tabblad [Setup] en vink vervolgens het selectievakje [Beveiligde afdruk] aan. De tekstvakken [Wachtwoord:] en [Gebruikers-ID:] worden beschikbaar. Het tekstvak [Gebruikers-ID:] bevat de log-in gebruikersnaam van uw computeraccount of het gebruiker-id die u heeft gebruikt bij een eerdere beveiligde afdruktaak. 5. Voer het wachtwoord in (van 4 tot 8 cijfers) en de gebruikers-id (van 1 tot 9 letters en/of cijfers) en klik vervolgens op [OK]. De gebruikers-id wordt gebruikt om uw beveiligde afdrukbestand te identificeren op het bedieningspaneel van het apparaat. 6. Voer de afdrukopdracht uit. De afdruktaak wordt op het apparaat opgeslagen als een beveiligd afdrukbestand. U kunt het bestand afdrukken door het wachtwoord in te voeren via het bedieningspaneel. Het beveiligde afdrukbestand wordt automatisch uit het geheugen van het apparaat gewist als deze is afgedrukt of wanneer de printer is uitgeschakeld. 95
3. Documenten afdrukken Het apparaat kan maximaal 5 taken of 5 MB aan data voor beveiligde afdrukbestanden opslaan. Zelfs als het apparaat niet meer beveiligde afdrukbestanden kan opslaan, bewaart het apparaat een beveiligd afdrukbestand voor de periode die is ingegeven in [Beveiligde afdruktaak] onder Systeeminstellingen voordat de taak wordt geannuleerd. In deze periode kunt u het nieuwe beveiligde afdrukbestand afdrukken of verwijderen. U kunt een bestaand beveiligd afdrukbestand ook afdrukken of verwijderen zodat het nieuwe beveiligde afdrukbestand op het apparaat kan worden opgeslagen. Een beveiligd afdrukbestand afdrukken Als er een beveiligd afdrukbestand is opgeslagen op het apparaat, wordt "Beveiligde afdruktaak" weergegeven op het display van het apparaat wanneer het apparaat zich in de modus kopieerapparaat, fax, scanner of ID-kaart kopiëren bevindt. Ook wordt "Beveiligde afdruktaak" op het [Status]-scherm weergegeven. Gebruik de volgende stappen om het beveiligde afdrukbestand te ontgrendelen en af te drukken. 96
Afdrukken van vertrouwelijke documenten 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Status] op het [Home]-scherm. 3. Druk op het tabblad [Beveil. afdr]. 4. Selecteer het bestand dat u wilt afdrukken. Identificeer het beveiligde afdrukbestand door te kijken naar zijn tijdstempel en gebruikers-id. 5. Druk op [Afdruktaken]. 6. Druk op het vak [Wachtwoord beveiligde afdruk:]. 7. Voer het wachtwoord in en klik vervolgens op [OK]. 8. Druk op [OK]. U kunt een beveiligde afdruktaak niet afdrukken als het apparaat bezig is met afdrukken. Het apparaat piept als u het toch probeert. Als u het wachtwoord invoert via het bedieningspaneel, kan het apparaat geen andere afdruktaken uitvoeren. Het beveiligde afdrukbestand wordt automatisch uit het geheugen van het apparaat gewist als deze is afgedrukt of wanneer de printer is uitgeschakeld. Een beveiligd afdrukbestand verwijderen Als er een beveiligd afdrukbestand is opgeslagen op het apparaat, wordt "Beveiligde afdruktaak" weergegeven op het display van het apparaat wanneer het apparaat zich in de modus kopieerapparaat, fax, scanner of ID-kaart kopiëren bevindt. 97
3. Documenten afdrukken Ook wordt "Beveiligde afdruktaak" op het [Status]-scherm weergegeven. Gebruik de volgende stappen om een beveiligd afdrukbestand te verwijderen. U hoeft geen wachtwoord in te voeren om een beveiligd afdrukbestand te verwijderen. 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Status] op het [Home]-scherm. 3. Druk op het tabblad [Beveil. afdr]. 4. Selecteer het bestand dat u wilt verwijderen. Identificeer het beveiligde afdrukbestand door te kijken naar zijn tijdstempel en gebruikers-id. 5. Druk op [Taken verwijderen]. Het beveiligde afdrukbestand is verwijderd. U kunt ook de lijst van beveiligde afdrukbestanden weergeven door te drukken op [Controleren] in het tabblad [Status] in stap 3. 98
Rechtstreeks afdrukken vanaf een digitale camera (PictBridge) Rechtstreeks afdrukken vanaf een digitale camera (PictBridge) Wat is PictBridge? U kunt een digitale camera die geschikt is voor PictBridge met een USB-kabel aansluiten op dit apparaat. Hiermee kunt u rechtstreeks digitale foto's afdrukken via de digitale camera. Controleer of uw digitale camera compatibel is met PictBridge. Met één afdruktransactie kunt u maximaal 999 afbeeldingen versturen vanaf de digitale camera. Als wordt geprobeerd meerdere afbeeldingen te verzenden, wordt er een foutbericht naar de camera gestuurd en mislukt het afdrukken. Omdat de afdrukomstandigheden op de digitale camera worden gespecificeerd, hangt het van de desbetreffende camera af welke parameters kunnen worden gespecificeerd. Raadpleeg de handleiding van uw digitale camera voor meer informatie. Deze functie is geschikt voor USB 2,0. Met PictBridge afdrukken Volg de onderstaande procedure om met dit apparaat met PictBridge af te drukken. Bij het afdrukken van een afbeelding met een hoge resolutie kunnen er fouten optreden door overschrijding van het geheugen. Doet een dergelijke fout zich voor, verlaag de gegevensgrootte dan en probeer de bewerking opnieuw uit te voeren. Trek de USB-kabel niet uit het apparaat terwijl de gegevens worden verzonden. Als u dat wel doet, zal het afdrukken mislukken. 1. Zorg ervoor dat zowel het apparaat als de digitale camera zijn ingeschakeld. 99
3. Documenten afdrukken 2. Open het klepje van de USB-ingang, sluit de USB-kabel aan en sluit vervolgens het andere einde van de kabel aan op uw digitale camera. 2 1 DUE235 Als het apparaat de digitale camera herkent als een PictBridge-apparaat, ziet u eerst "Verbinden met PictBridge..." en vervolgens "Gereed" op het bedieningspaneel van het apparaat. 3. Selecteer op uw digitale camera de afbeeldingen die u wilt afdrukken en geef de afdrukinstellingen op. 4. Het apparaat ontvangt de opgegeven gegevens van de digitale camera en begint met afdrukken. Bij sommige digitale camera's moeten instellingen handmatig gedaan worden voor gebruik van PictBridge. Raadpleeg de handleiding van uw digitale camera voor meer informatie. Bij sommige digitale camera's moet handmatig een schakelaar omgezet worden voor gebruik van PictBridge. Raadpleeg de handleiding van uw digitale camera voor meer informatie. Sommige digitale camera's moeten uitgeschakeld zijn wanneer ze op de printer worden aangesloten. Raadpleeg de handleiding van uw digitale camera voor meer informatie. Wat u met dit apparaat kunt doen Dit apparaat biedt met de PictBridge-functie de onderstaande mogelijkheden. De volgende instellingen zijn voor deze functies beschikbaar: Eén afbeelding afdrukken Geselecteerde afbeelding afdrukken Alle afbeeldingen afdrukken Index afdrukken Kopieën Papierformaat Meerdere pagina's op 1 vel combineren 100
Rechtstreeks afdrukken vanaf een digitale camera (PictBridge) De parameters van de instellingen en hun namen kunnen verschillen, afhankelijk van de digitale camera. Raadpleeg de handleiding van uw digitale camera voor meer informatie. PictBridge afsluiten Volg de onderstaande procedure om de PictBridge-modus af te sluiten. Trek de USB-kabel niet uit terwijl gegevens naar het apparaat worden verzonden. Als u dat wel doet, zal het afdrukken mislukken. 1. Controleer of er op het scherm "Gereed" wordt weergegeven. 2. Koppel de USB-kabel los van het apparaat. Zorg ervoor dat het klepje van de USB-geheugenkaartpoort na gebruik gesloten wordt. Als PictBridge-afdrukken niet werkt In dit gedeelte worden mogelijke oorzaken en oplossingen vermeld voor problemen die zich kunnen voordoen wanneer u afdrukt met PictBridge. Probleem Oorzaak Oplossing PictBridge is niet beschikbaar. Er is een probleem met de USBaansluiting of de instellingen van PictBridge. Gebruik de volgende procedure om de aansluiting en de instellingen te controleren: 1. Trek de USB-kabel eruit en stop deze er weer in. 2. Controleer of de PictBridge-instellingen ingeschakeld staan. 3. Haal de USB-kabel los en zet het apparaat uit. Zet het apparaat opnieuw aan. Wanneer het apparaat volledig opnieuw opgestart is, sluit u de USB-kabel opnieuw aan. 101
3. Documenten afdrukken Probleem Oorzaak Oplossing Wanneer twee of meer digitale camera's worden aangesloten, worden de tweede en volgende camera's niet herkend. Kan niet afdrukken. Kan niet afdrukken. Kan niet afdrukken. U heeft meerdere digitale camera's aangesloten. Het opgegeven aantal afdrukken overschrijdt het maximum aantal dat per keer kan worden afgedrukt. Het opgegeven papiertype is niet geplaatst. Het opgegeven papierformaat wordt niet ondersteund door dit apparaat. Verbind slechts één digitale camera. Sluit niet meerdere camera's aan. Het maximum aantal dat per keer voor afdrukken kan worden opgegeven, is 999. Wijzig het aantal naar 999 of minder en probeer vervolgens opnieuw af te drukken. Het opgegeven papiertype is niet geplaatst. Moet u papier gebruiken van een ander formaat, zet het afdrukken dan voort met nietovereenkomend papier of annuleer de afdruktaak. Voor meer informatie, zie Pag. 93 "Als papier niet overeenkomt". Selecteer het papier dat op het apparaat kan worden afgedrukt. 102
Afdrukken met Mopria Afdrukken met Mopria Deze machine ondersteunt Mopria. Kijk voor meer informatie over Mopria op: http://mopria.org/how-to-print. 103
3. Documenten afdrukken De verschillende afdrukfuncties gebruiken In dit onderdeel worden de verschillende afdrukfuncties kort beschreven die u kunt configureren met het printerstuurprogramma waarmee u de gewenste afdrukken kunt maken. Afdrukkwaliteitfuncties Afdrukkwaliteit en kleurschakeringen kunnen worden aangepast om bij de afdrukgegevens te passen. Een aantal van de afdrukkwaliteitinstellingen die u kunt configureren, staat hieronder. Kleurendocumenten in zwart-wit afdrukken Het zwart bij zwart-wit afdrukken is een zwartere kleur dan bij afdrukken in kleur. Scheiden van de afdrukgegevens in CMYK en alleen in de aangewezen kleur afdrukken Normaal gesproken worden alle vier de kleuren (CMYK) gebruikt voor het afdrukken in kleur. Als u bepaalde kleuren niet wilt gebruiken, kunt u het gebruik van die kleuren uitschakelen en afdrukken met alleen de andere kleuren. Toner besparen tijdens het afdrukken (Economy Color-modus) U kunt toner besparen door af te drukken met een lager tonerverbruik. De hoeveelheid toner die wordt gebruikt, is afhankelijk van het object, zoals tekst, lijn of afbeelding. De afdrukmethode van een afbeelding wijzigen U kunt selecteren of u wilt afdrukken met afdrukkwaliteit of afdruksnelheid als prioriteit. Bij het afdrukken van afbeeldingen geldt hoe hoger de resolutie van afbeeldingen, hoe meer tijd nodig is voor het afdrukken ervan. Het ditheringpatroon aanpassen Een ditheringpatroon is een patroon met stipjes dat wordt gebruikt om een kleur of schakering in een afbeelding te simuleren. Als het patroon wordt gewijzigd, zullen de eigenschappen van de afbeelding ook veranderen. U kunt een patroon selecteren dat bij de afbeelding past die u wilt afdrukken. Het kleurprofielpatroon wijzigen U kunt een kleurprofielpatroon selecteren om de schakering van de kleuren aan te passen aan de hand van de kleuren die op het computerscherm worden weergegeven. Kleuren op het computerscherm worden gemaakt met de drie RGB-kleuren, terwijl kleuren voor het afdrukken worden gemaakt met de vier CMYK-kleuren. Daarom moeten kleuren tijdens het afdrukproces worden geconverteerd. Om deze redenen kunnen, indien de aanpassing niet is uitgevoerd, afbeeldingen op het afgedrukte papier er anders uitzien dan die op het computerscherm. 104
De verschillende afdrukfuncties gebruiken Afbeeldingen in grijze kleuren afdrukken met zwart of CMYK U kunt zwarte of grijze delen van een afbeelding afdrukken met alleen zwarte toner in plaats van alle CMYK-toners. Vergeleken met het afdrukken van zwart met CMYK-toner, zal dit leiden tot een zwarte kleur die voller en puurder is. ICM gebruiken (Image Color Matching) U kunt de ICM-functie van Windows gebruiken om kleuren te reproduceren die er op het computerscherm vrijwel net zo uitzien als op afgedrukt papier. Om deze functie te gebruiken, dient het kleurprofiel op de computer te worden toegevoegd. U kunt het kleurprofiel in de ICM-map vinden die is opgeslagen op de meegeleverde printerstuurprogramma-cd-rom. Voor informatie over het toevoegen van een kleurprofiel kunt u in Windows Help zoeken naar kleurprofiel en vervolgens het juiste onderwerp bekijken. Het kan zijn dat een aantal functies die hierboven staan beschreven niet beschikbaar zijn afhankelijk van het printerstuurprogramma of besturingssysteem. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. Afdrukuitvoerfuncties U kunt de vorm van afdrukuitvoer opgeven naargelang uw behoeften. In dit onderdeel worden een aantal instellingen die u kunt opgeven kort beschreven. Meerdere sets van een document afdrukken U kunt meerdere sets van hetzelfde document afdrukken. De uitvoer in documentbatches sorteren U kunt sets van documenten die uit meerdere pagina's bestaan, afdrukken per set (P1, P2, P1, P2,...). Als deze functie niet gebruikt wordt tijdens het afdrukken van zulke sets, zullen afdrukken in paginabatches worden uitgevoerd (P1, P1, P2, P2,...). Deze functie is ook nuttig als u bijvoorbeeld presentatiemateriaal maakt. Afdrukrichting wijzigen of afbeelding draaien U kunt de afdrukrichting van een afbeelding wijzigen naar staand of liggend. U kunt de afbeelding ook met 180 graden draaien. Gebruik het draaien van een afbeelding om te voorkomen dat een afbeelding ondersteboven wordt afgedrukt als er papier gebruikt wordt met een vooraf bepaalde boven- en onderkant (zoals briefpapier). Meerdere pagina's per vel afdrukken U kunt meerdere pagina's op één vel papier afdrukken. Als u deze functie gebruikt, wordt er automatisch een geschikte verkleining geselecteerd gebaseerd op het papierformaat en het aantal pagina's dat u op elk vel wilt laten passen. 105
3. Documenten afdrukken Op beide zijden van papier afdrukken (dubbelzijdig afdrukken) U kunt het papier aan beide zijden afdrukken. Het document verkleinen of vergroten U kunt documenten met een bepaalde verhouding verkleinen of vergroten, van 25% tot 400% in stappen van 1%. U kunt documenten ook automatisch verkleinen of vergroten zodat ze op een bepaald papierformaat passen. Deze functie is bijvoorbeeld geschikt voor het afdrukken van webpagina's. Als de optie [Grote papierform activeren] geselecteerd is, kunnen documenten van A3/11 17/ B4/8K worden geschaald tot een formaat dat door het apparaat ondersteund wordt, zodat het daarna kan worden afgedrukt. Afdrukken van lege pagina's voorkomen Als een afdruktaak lege pagina's bevat, kunt u instellen dat ze niet worden afgedrukt. Let op: Deze instelling krijgt voorrang boven [Blanco pag. afdr.] onder de printereigenschappen op het bedieningspaneel. Afdrukken met een voorblad U kunt een voorblad aan de afdruktaak toevoegen. U kunt ervoor kiezen het voorblad leeg te houden of dat u de eerste pagina van het document op het voorblad afdrukt. Als er een voorblad in een duplextaak is ingevoegd, kunt u ook op zijn achterkant afdrukken. Voor het voorblad kan hetzelfde of ander papier gebruikt worden als de rest van de pagina's. Op papier met aangepast formaat afdrukken U kunt afdrukken op niet-standaard formaat papier door het papierformaat op te geven als aangepast formaat. Als u een eigen papierformaat wilt opgeven, selecteert u [Aangepaste papierformaten] in de lijst [Documentformaat:]. Klik vervolgens op [Aangepaste papierformaten] onderin het dialoogvenster om het papierformaat te configureren. Teksten over afdrukken leggen (watermerk) U kunt watermerktekst over afdrukken leggen. Er zijn een aantal vooraf ingestelde watermerken meegeleverd. U kunt ook uw eigen watermerken maken. Het kan zijn dat een aantal functies die hierboven staan beschreven niet beschikbaar zijn afhankelijk van het printerstuurprogramma of besturingssysteem. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. 106
4. Originelen kopiëren In dit hoofdstuk worden de basis- en geavanceerde procedures beschreven voor het maken van kopieën en het opgeven van instellingen. Wat u met de kopieerfunctie kunt doen Dubbelzijdig kopiëren U kunt twee pagina's op beide zijden van één vel kopiëren. Voor meer informatie over elke instelling, zie Pag. 115 "Enkelzijdige originelen kopiëren met dubbelzijdig en gecombineerd afdrukken" en Pag. 120 "Dubbelzijdige originelen kopiëren met dubbelzijdig en gecombineerd afdrukken". Rapprt Raport DUE293 Gecombineerd kopiëren U kunt meerdere pagina's op één vel kopiëren. Voor meer informatie over elke instelling, zie Pag. 115 "Enkelzijdige originelen kopiëren met dubbelzijdig en gecombineerd afdrukken" en Pag. 120 "Dubbelzijdige originelen kopiëren met dubbelzijdig en gecombineerd afdrukken". Rapport 1 Rapprt 2 3 DUE294 ID-kaart kopiëren Met ID-kaart kopiëren kunt u de voor- en achterzijde van een identiteitskaart of paspoort op één zijde van een vel kopiëren. Voor meer informatie, zie Pag. 125 "Een ID-kaart kopiëren". 1 2 DUE295 107
4. Originelen kopiëren Het kopieerapparaatscherm In dit onderdeel wordt informatie gegeven over het scherm als het apparaat in de kopieermodus staat. Scherm in standby-modus 1 2 3 4 9 5 6 8 7 DUE311 1. Huidige status of mededelingen Toont de huidige status of meldingen. 2. Statusmeldingen van papierladen De instellingen van de papierlade weergeven. 3. Pictogram favoriete item Druk hierop om de huidige instelling als favoriet item te registreren. 4. Aantal kopieën Hiermee wordt het aantal ingestelde en gemaakte kopieën weergegeven. U kunt het aantal kopieën wijzigen met de cijfertoetsen. 5. Verhouding voor Verkleinen/Vergroten U kunt de vergrotings- en verkleiningsverhoudingen opgeven wanneer u op [Verkleinen/Vergroten] drukt. 6. [Overige instellingen] Druk hierop om de functies die u kunt gebruiken weer te geven. 7. [Sorteren] Hiermee configureert u het apparaat om de uitgevoerde pagina's te sorteren in sets bij het maken van meerdere kopieën van een document met meerdere pagina's. 8. Instellingen voor originelen en scannen Druk hierop om het type origineel en beeldbelichtingsniveau op te geven. 108
Het kopieerapparaatscherm 9. [Dub.z. nr Dub.z.], [Enk.z. nr Dub.z.] Druk hierop om de dubbelzijdige afdrukfunctie in te stellen. De opstartmodus kan worden opgegeven via de instelling [Functieprioriteit] onder [Beheerderstoepass.]. Voor meer informatie, zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". 109
4. Originelen kopiëren Algemene kopieertaken Het origineel in de ADF gaat voor het origineel op de glasplaat als u originelen zowel in de ADF als op de glasplaat plaatst. 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Kop.app] op het [Home]-scherm. 3. Plaats het origineel op de glasplaat of in de ADF. Voor het correct plaatsen van een origineel, zie Pag. 82 "Originelen plaatsen". Configureer indien nodig de geavanceerde kopieerinstellingen. 4. Als u meerdere kopieën wilt maken, voer dan het aantal kopieën in met de cijfertoetsen. 5. Druk op de toets [Zwart-wit starten] of [Kleur starten]. DUE312 Om in zwart-wit te kopiëren, drukt u op de toets [Zwart-wit starten]. Om in kleur te kopiëren, drukt u op de toets [Kleur starten]. Het maximum aantal kopieën is 99. 110
Algemene kopieertaken U kunt de papierlade voor de huidige taak wijzigen. Als lade 2 geïnstalleerd is, kunt u selecteren om de papierlade automatisch te wijzigen aan de hand van het papierformaat (A4 of Letter). U kunt de papierlade voor het afdrukken van kopieën selecteren bij [Selecteer papier] onder kopieerinstellingen. Als u het apparaat instelt om automatisch tussen lade 1 en 2 te schakelen aan de hand van het papierformaat in deze instelling, kunt u ook de lade opgeven die het apparaat als eerst gebruikt bij [Papierladeprioriteit] onder [Papierinstellingen]. Voor meer informatie over [Selecteer papier], zie Pag. 233 "Instellingen voor kopieereigenschappen". Voor meer informatie over [Papierladeprioriteit], zie Pag. 261 "Papierinstellingen". Als u meer kopieën van een document dat uit meerdere pagina's bestaat wilt maken, kunt u selecteren of de kopieën die worden uitgevoerd in sets verzameld worden of in paginabatches. Deze selectie maakt u in de [Sorteren]-instelling onder kopieerinstellingen. U kunt [Sorteren] niet gebruiken in combinatie met de handinvoer. Voor meer informatie over [Sorteren], zie Pag. 233 "Instellingen voor kopieereigenschappen". Als er een papierstoring optreedt, stopt het afdrukken nadat de huidige pagina is afgedrukt. Nadat de papierstoring is verholpen, zal het afdrukken automatisch hervat worden vanaf de pagina die vastliep. Als er een scanprobleem in de ADF optreedt, wordt het kopiëren meteen geannuleerd. Kopieer in dit geval de originelen vanaf de pagina die vastliep. Voor instructies over het verwijderen van vastgelopen papier, zie Pag. 366 "Vastgelopen papier verwijderen". Een kopie annuleren Tijdens het scannen van het origineel Als kopiëren geannuleerd wordt terwijl het apparaat het origineel scant, wordt het kopiëren direct geannuleerd en is er geen uitdraai. Als het origineel in de ADF is geplaatst, wordt het scannen meteen beëindigd, maar pagina's die al volledig zijn gescand, worden wel gekopieerd. Tijdens het afdrukken Als het kopiëren wordt geannuleerd tijdens het afdrukken, wordt het kopieerproces geannuleerd nadat de huidige pagina is afgedrukt. Volg de onderstaande procedure om het kopiëren te annuleren. 111
4. Originelen kopiëren 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Kop.app] op het [Home]-scherm. 3. Druk op de [Wis/Stop]-knop. DUE308 Wanneer het scherm [Taken annul.] wordt weergegeven, gaat u verder met stap 4. 4. Druk op [Kopieertaken]. 112
Vergrote of verkleinde kopieën maken Vergrote of verkleinde kopieën maken Er zijn twee manieren om de schaalverhouding in te stellen: gebruik een vooraf opgegeven verhouding of geef handmatig een aangepaste verhouding op. Vooraf ingestelde verhouding CES103 (voornamelijk in Europa en Azië) 50%, 71%, 82%, 93%, 122%, 141%, 200%, 400% (voornamelijk in Noord-Amerika) 50%, 65%, 78%, 93%, 129%, 155%, 200%, 400% Aangepaste verhouding CES106 25% tot 400% in stappen van 1%. 113
4. Originelen kopiëren Verkleinen/vergroten opgeven 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Kop.app] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Verkl/vergr]. 4. Kies voor [Verkleinen] en [Vergroten] de verhouding die u wenst. Druk voor [Zoom] op [+] of [-] om de verhouding op te geven. 5. Druk op [OK]. U kunt de standaardinstelling van [Verklein./vergrot.] van het apparaat wijzigen, zodat alle kopieën in de opgegeven verhouding worden gemaakt. Voor meer informatie, zie Pag. 233 "Instellingen voor kopieereigenschappen". Tijdelijke taakinstellingen worden in de volgende gevallen gewist: Als er geen invoer wordt ontvangen gedurende de tijdsperiode die is opgegeven in [Reset systeem timer] terwijl het initiële scherm wordt weergegeven. Voor meer informatie, zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Als er op de [Wis/Stop]-knop wordt gedrukt terwijl het beginscherm wordt weergegeven. Als de modus van het apparaat wordt veranderd. Als het apparaat wordt uitgeschakeld. Als de standaardinstelling van het apparaat voor dezelfde instelling wordt gewijzigd. 114
Enkelzijdige originelen kopiëren met dubbelzijdig en gecombineerd afdrukken Enkelzijdige originelen kopiëren met dubbelzijdig en gecombineerd afdrukken In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u meerdere pagina's (twee of vier pagina's) combineert en afdrukt op een of twee zijden van het papier. Deze functie is uitsluitend beschikbaar als het origineel in de ADF is geplaatst en niet wanneer het origineel op de glasplaat is geplaatst. Om deze functie te gebruiken, dient het papierformaat dat voor kopieën gebruikt wordt, ingesteld te worden op A4, Letter of Legal. Om dubbelzijdig afdrukken te gebruiken, moet het papierformaat dat gebruikt wordt voor het maken van afdrukken ingesteld worden op A4, B5 JIS, Legal, Letter, Executive, 8 13, 8 1 / 2 13, Folio of 16K. Het papier voor dubbelzijdig afdrukken wordt aangevoerd vanaf lade 1 of 2, maar niet vanuit de handinvoer. De soorten papier die gebruikt kunnen worden voor dubbelzijdig kopiëren zijn normaal, dun, gemiddeld dik, gerecycled, gekleurd, voorbedrukt en geperforeerd papier. Hieronder volgen de kopieermodi. Selecteer een kopieermodus aan de hand van uw origineel en hoe u wilt dat de kopie eruit zal zien. Gecombineerde kopie op één zijde In deze modus wordt een origineel dat uit twee of vier pagina's bestaat, op één zijde van het papier afgedrukt. 115
4. Originelen kopiëren 1S 2Org->Cmb 2on1 1S Origineel Kopie Liggend Staand NL CMF250 1S 4Org->Cmb 4on1 1S Origineel Kopie Links naar rechts Boven naar onder Liggend Staand Links naar rechts Boven naar onder NL CMF251 Gecombineerde kopie aan beide zijden In deze modus wordt een origineel dat uit meerdere pagina's bestaat, gecombineerd en op beide zijden van het papier afgedrukt. 116
Enkelzijdige originelen kopiëren met dubbelzijdig en gecombineerd afdrukken 1S 4Org->Cmb 2on1 2S Origineel Kopie Boven naar boven Boven naar onder Liggend Staand Boven naar boven Boven naar onder DUE331 1S 8Org->Cmb 4on1 2S Origineel Kopie Links naar rechts, Boven naar boven 6 5 Links naar rechts, Boven naar onder 8 7 Staand 8 7 Boven naar onder, Boven naar boven 7 5 6 5 Boven naar onder, Boven naar onder 8 6 8 6 7 5 NL CMF256 117
4. Originelen kopiëren Origineel Kopie Links naar rechts, boven naar boven 6 5 Links naar rechts, boven naar onder 8 7 Liggend 8 7 Boven naar onder, boven naar boven 7 5 6 5 Boven naar onder, boven naar onder 8 6 8 6 7 5 DCT004 1z org->2z kopiëren In deze modus worden enkelzijdige pagina's op de voor- en achterkant van het het papier afgedrukt zonder te worden gecombineerd. Origineel Kopie Boven naar boven Boven naar onder Landscape Staand Boven naar boven Boven naar onder NL CMF261 118
Enkelzijdige originelen kopiëren met dubbelzijdig en gecombineerd afdrukken Gecombineerde en dubbelzijdige kopieën opgeven 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Kop.app] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Overige instellingen]. 4. Druk op [Simplex naar duplex]. 5. Selecteer de gewenste kopieermodus en druk vervolgens op [OK]. 6. Druk op [OK]. Als u gecombineerd en dubbelzijdig kopiëren automatisch instelt, wordt de instelling [ID-kaart kopiëren] automatisch geannuleerd. U kunt de standaardinstelling van [Duplex/combineren] van het apparaat wijzigen, zodat alle kopieën in de opgegeven verhouding worden gemaakt. Voor meer informatie, zie Pag. 233 "Instellingen voor kopieereigenschappen". Tijdelijke taakinstellingen worden in de volgende gevallen gewist: Als er geen invoer wordt ontvangen gedurende de tijdsperiode die is opgegeven in [Reset systeem timer] terwijl het initiële scherm wordt weergegeven. Voor meer informatie, zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Als er op de [Wis/Stop]-knop wordt gedrukt terwijl het beginscherm wordt weergegeven. Als de modus van het apparaat wordt veranderd. Als het apparaat wordt uitgeschakeld. Als de standaardinstelling van het apparaat voor dezelfde instelling wordt gewijzigd. 119
4. Originelen kopiëren Dubbelzijdige originelen kopiëren met dubbelzijdig en gecombineerd afdrukken In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe u dubbelzijdige kopiëen kunt maken van dubbelzijdige originelen, of twee originele pagina's kunt afdrukken op één vel, of vier originele pagina's kunt afdrukken op één vel met twee pagina's per zijde. DAC602 DAC603 DAC603 [2z 1org->Cmb 2op1 1z], [2z 2org->Cmb 4op1 1z], [2z org->2z kopiëren], [2z 2org->Cmb 2op1 2z] of [2z 4org->Cmb 4op1 2z] is beschikbaar voor kopiëren met de ADF, maar niet bij gebruik van de glasplaat. Kopieer naar de voor- en achterzijde van het vel in dezelfde kleurmodus. Als u in een andere modus probeert te kopiëren, gaat er een alarm af. Zorg ervoor dat hetzelfde aantal pagina's afgedrukt wordt op de voor- en achterkant van alle vellen. Anders wordt de taak gereset. De volgende vijf soorten handmatig dubbelzijdig kopiëren zijn beschikbaar. 2z 1org->Cmb 2op1 1z Hiermee wordt één dubbelzijdig origineel op één zijde van een vel papier gekopieerd. 2z 2org->Cmb 4op1 1z Hiermee worden twee dubbelzijdige originelen op één zijde van een vel papier gekopieerd. 120
Dubbelzijdige originelen kopiëren met dubbelzijdig en gecombineerd afdrukken 2z org->2z kopiëren Hiermee worden dubbelzijdige kopiëen van dubbelzijdige originelen gemaakt. 2z 2org->Cmb 2op1 2z Kopieert beide zijden van één dubbelzijdig origineel naar één zijde van het vel, en beide zijden van een ander tweezijdig origineel naar de andere zijde van het vel. 2z 4org->Cmb 4op1 2z Hiermee worden vier dubbelzijdige originelen gekopieerd op één vel met vier pagina's per zijde. Handm. 2-z scanmodus Selecteer deze modus om dubbelzijdige kopieën te maken via de glasplaat. Dubbelzijdig kopiëren met behulp van de ADF 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Kop.app] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Overige instellingen]. 4. Druk op [Duplex naar duplex]. 5. Selecteer de gewenste kopieermodus en druk vervolgens op [OK]. 6. Druk op [OK]. 121
4. Originelen kopiëren 7. Plaats alle dubbelzijdige originelen in de ADF met de voorkant naar boven. DUE237 DUE238 8. Druk op de toets [Zwart-wit starten] of [Kleur starten]. DUE312 Om in zwart-wit te kopiëren, drukt u op de toets [Zwart-wit starten]. Om in kleur te kopiëren, drukt u op de toets [Kleur starten]. Bij gebruik van de SP C260DNw gaat u door naar stap 9. 122
Dubbelzijdige originelen kopiëren met dubbelzijdig en gecombineerd afdrukken 9. Nadat alle originelen weer afgeleverd zijn, plaatst u ze nogmaals in de ADF, maar nu met de voorkant naar beneden. DUE239 DUE240 10. Druk nogmaals op de toets [Zwart-wit starten] of [Kleur starten]. Gebruik dezelfde modus (kleur of zwart-wit) voor beide zijden. Nadat alle pagina's gescand zijn, wordt het kopiëren gestart. Druk na het plaatsen van de originelen op de toets [Zwart-wit starten] of [Kleur starten] binnen de opgegeven tijd in [Reset systeem timer]. Anders wordt de taak geannuleerd. Voor meer informatie, zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Als het geheugen vol raakt tijdens het scannen van originelen, wordt de taak geannuleerd. Handmatig dubbelzijdig kopiëren via de glasplaat Wanneer oneven pagina's worden afgedrukt in de [Handmatige dubbelzijdige scanmodus] kan de laatste pagina niet worden afgedrukt. Voordat u de laatste pagina afdrukt, stelt u [Duplex/ Combin.] in op [Uit]. 123
4. Originelen kopiëren 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Instel.] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Kopieereigenschappen]. 4. Druk op [ ]. 5. Druk op [Duplex/Combine]. 6. Druk op [ ]. 7. Druk op [Handm. 2-z scanmodus]. 8. Druk op de toets [Home]. 9. Druk op het pictogram [Kop.app] op het [Home]-scherm. 10. Plaats het origineel met de voorkant naar beneden en zo ver mogelijk naar achteren op de glasplaat. Plaats de originelen één voor één. 11. Druk op de toets [Zwart-wit starten] of [Kleur starten]. Er wordt een bericht op het display weergegeven met de melding dat u het origineel met de achterkant op de glasplaat moet plaatsen. 12. Plaats het origineel met de achterkant naar beneden en zo ver mogelijk naar achteren op de glasplaat. 13. Druk op [Starten]. Gebruik dezelfde modus (kleur of zwart-wit) voor beide zijden. Wanneer alle originelen zijn gescand, drukt u op [Taak voltooid]. Druk nadat u het origineel heeft geplaatst op de toets [Zwart-wit starten] of [Kleur starten] binnen de opgegeven tijd in [Reset systeem timer]. Anders wordt de taak geannuleerd. Voor meer informatie, zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Sorteren is niet beschikbaar. 124
Een ID-kaart kopiëren Een ID-kaart kopiëren In dit onderdeel wordt uitgelegd hoe u de voor- en achterkant van een identificatiebewijs (ID-kaart) of een ander klein document kunt kopiëren op één zijde van een vel papier. Deze functie is uitsluitend beschikbaar als het origineel op de glasplaat is geplaatst, niet als het origineel in de ADF is geplaatst. Om deze functie te gebruiken, dient het papierformaat dat voor kopieën gebruikt wordt, ingesteld te worden op A6, A5, A4 of Letter. Formaat afgedrukt papier Formaat gescand papier A4 Letter A5 A6 A5 (148 210 mm) Half Letter (140 216 mm) A6 (105 148 mm) A7 (74 105 mm) Voorkant Voorkant Achterkant Achterkant NL DUE332 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Kaart] op het [Home]-scherm. 3. Als u meerdere kopieën wilt maken, voer dan het aantal kopieën in met de cijfertoetsen. 125
4. Originelen kopiëren 4. Plaats het origineel in de linkerbovenhoek van de glasplaat. Terug DUE241 NL 5. Druk op de toets [Zwart-wit starten] of [Kleur starten]. DUE312 Er wordt een bericht op het display weergegeven met de melding dat u het origineel met de achterkant op de glasplaat moet plaatsen. 6. Plaats het origineel ondersteboven op de glasplaat, met de bovenkant naar de achterkant van het apparaat gericht, binnen de tijd die is opgegeven in [Reset systeem timer]. Druk vervolgens opnieuw op [Start]. Gebruik dezelfde modus (kleur of zwart-wit) voor beide zijden. Voor de ID-kaartkopieerfunctie kunt u instellen dat er een lijn in het midden van het afgedrukte papier wordt afgedrukt. Geef [ID-krt regel in mid.] op onder [Kopieereigenschappen]. U kunt het scanformaat wijzigen voor de ID-kaartfunctie. Geef [ID-kaartformaat] op onder [Kopieereigenschappen]. Druk nadat u de originelen heeft geplaatst op de toets [Zwart-wit starten] of [Kleur starten] binnen de opgegeven tijd in [Reset systeem timer]. Anders wordt de taak geannuleerd. Voor meer informatie, zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Ongeacht de instelling voor verkleining of vergroting van het apparaat, zal een de kopie van de ID-kaart altijd op 100% worden gemaakt. Tijdelijke taakinstellingen worden in de volgende gevallen gewist: 126
Een ID-kaart kopiëren Als er geen invoer wordt ontvangen gedurende de tijdsperiode die is opgegeven in [Reset systeem timer] terwijl het initiële scherm wordt weergegeven. Voor meer informatie, zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Als er op de [Wis/Stop]-knop wordt gedrukt terwijl het beginscherm wordt weergegeven. Als de modus van het apparaat wordt veranderd. Als het apparaat wordt uitgeschakeld. Als de standaardinstelling van het apparaat voor dezelfde instelling wordt gewijzigd. 127
4. Originelen kopiëren Scaninstellingen opgeven voor het kopiëren In dit onderdeel wordt beschreven hoe u de afbeeldingsbelichting en scankwaliteit voor de huidige taak kunt instellen. Instelling van de afbeeldingsdichtheid Er zijn vijf afbeeldingsbelichtingsniveaus. Hoe hoger het belichtingsniveau, hoe donkerder de afdruk. 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Kop.app] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Tekst/foto]. 4. Druk op [ ] of [ ] om het gewenste belichtingsniveau te selecteren en druk vervolgens op [OK]. U kunt de standaardinstelling [Dichtheid] van het apparaat zo instellen dat alle kopieën worden gemaakt met een bepaald belichtingsniveau. Voor meer informatie, zie Pag. 233 "Instellingen voor kopieereigenschappen". Tijdelijke taakinstellingen worden in de volgende gevallen gewist: Als er geen invoer wordt ontvangen gedurende de tijdsperiode die is opgegeven in [Reset systeem timer] terwijl het initiële scherm wordt weergegeven. Voor meer informatie, zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Als er op de [Wis/Stop]-knop wordt gedrukt terwijl het beginscherm wordt weergegeven. Als de modus van het apparaat wordt veranderd. Als het apparaat wordt uitgeschakeld. Als de standaardinstelling van het apparaat voor dezelfde instelling wordt gewijzigd. 128
Scaninstellingen opgeven voor het kopiëren Het documenttype selecteren aan de hand van het origineel Er zijn drie documenttypen: Tekst/Foto Tekst Foto Selecteer deze als het origineel zowel tekst als foto's of afbeeldingen bevat. Selecteer deze als het origineel alleen tekst bevat en geen foto's of afbeeldingen. Selecteer deze als het origineel alleen foto's of afbeeldingen bevat. Gebruik deze modus voor de volgende origineeltypen: Foto's Pagina's die geheel of hoofdzakelijk uit foto's of afbeeldingen bestaan, zoals pagina's in tijdschriften. 1. Druk op de toets [Home]. 2. Druk op het pictogram [Kop.app] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Tekst/foto]. 4. Selecteer het gewenste documenttype en druk vervolgens op [OK]. DUE302 U kunt de standaardinstelling [Type Origineel] van het apparaat zo instellen dat er alleen maar kopieën met een bepaald documenttype worden gemaakt. Voor meer informatie, zie Pag. 233 "Instellingen voor kopieereigenschappen". Tijdelijke taakinstellingen worden in de volgende gevallen gewist: Als er geen invoer wordt ontvangen gedurende de tijdsperiode die is opgegeven in [Reset systeem timer] terwijl het initiële scherm wordt weergegeven. Voor meer informatie, zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Als er op de [Wis/Stop]-knop wordt gedrukt terwijl het beginscherm wordt weergegeven. 129
4. Originelen kopiëren Als de modus van het apparaat wordt veranderd. Als het apparaat wordt uitgeschakeld. Als de standaardinstelling van het apparaat voor dezelfde instelling wordt gewijzigd. 130
5. Originelen scannen In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u instellingen kunt opgeven en de scannerfunctie kunt gebruiken. Wat u met de scannerfunctie kunt doen Gescande documenten naar een map op een clientcomputer verzenden Voor meer informatie, zie "Basisbewerking voor Scannen naar map". Documenten Geef een bestemming op en start met scannen Bestanden worden rechtstreeks naar gedeelde mappen verzonden Gescande documenten via e-mail verzenden Voor meer informatie, zie "Basisbewerking voor Scannen naar e-mail". Documenten Geef een e-mailadres op en start met scannen Distribueer het document als bijlage van een e-mail Documenten via de Ricoh Scan Utility scannen Voor meer informatie, zie "Basisbewerking voor Ricoh Scan Utility". Geef de scaninstellingen op en start met scannen Gescande gegevens worden weergegeven op het scherm van Ricoh Scan Utility Documenten via een clientcomputer scannen Voor meer informatie, zie "Basisbewerking voor TWAIN-scannen". Geef de scaninstellingen op en start met scannen Gescande gegevens worden weergegeven op het computerscherm Scanbestanden op een USB-geheugenopslagapparaat opslaan Voor meer informatie, zie "Basisprocedures voor het opslaan van scanbestanden op een USB-geheugenopslagapparaat". Documenten Geef de scaninstellingen op en start met scannen Gescande bestanden worden opgeslagen op het USB-geheugenopslagapparaat 131
5. Originelen scannen Het scannerscherm In dit onderdeel wordt informatie gegeven over het scherm in de scanmodus. Scherm in standby-modus 1 2 3 8 4 5 7 6 DUE313 1. Huidige status of mededelingen Toont de huidige status of meldingen. 2. Email / Map / FTP / USB Druk op deze tabbladen om te wisselen tussen het scherm [Email], het scherm [Scannen naar map], het scherm [Scannen naar FTP] en het scherm [Scannen naar USB]. Wanneer [Email] is geselecteerd, kunt u e-mailbestemmingen opgeven. Wanneer [Map] is geselecteerd, kunt u mapbestemmingen opgeven. Wanneer [FTP] is geselecteerd, kunt u gescande documenten naar een FTP-server verzenden. Wanneer [USB] is geselecteerd, kunt u de gescande bestanden op het USBgeheugenopslagapparaat opslaan dat in het apparaat is gestoken. 3. Pictogram favoriete item Druk hierop om de huidige instelling als favoriet item te registreren. 4. Origineelinstellingen Hiermee kunt u instellingen voor het origineel opgeven. 5. Scaninstellingen Hiermee kunt u de scaninstellingen specificeren. 6. Opn. kiezen Druk hierop om de laatst gebruikte bestemming op te geven als de bestemming voor de huidige taak. 7. Adresboek Hiermee kunt u bestemmingen oproepen die op het apparaat zijn geregistreerd. 132
Het scannerscherm 8. E-mailpictogram Dit pictogram geeft aan dat het scherm [E-mail] wordt weergegeven. De standaardmodus van het apparaat als hij wordt aangezet, kan worden opgegeven bij [Functieprioriteit] onder [Beheerderstoepass.]. Voor [Functieprioriteit], zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". 133
5. Originelen scannen Scanbestemmingen registreren Dit onderdeel beschrijft hoe u bestemmingsmappen in het adresboek kunt registreren. Om gescande bestanden naar een e-mailadres (Scannen naar e-mail), FTP-server (Scannen naar FTP) of een gedeelde map op een netwerkcomputer (Scannen naar map) te sturen, dient u de bestemming eerst te registreren in het adresboek via Web Image Monitor. De gegevens in het Adresboek kunnen beschadigd zijn of onverwacht verloren gaan. De fabrikant aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade die optreedt als gevolg van dergelijk verlies van gegevens. Zorg ervoor dat u regelmatig een back-up maakt van bestanden met Adresboekgegevens. Afhankelijk van uw netwerkomgeving kunnen de functies Scannen naar FTP en Scannen naar map om een gebruikersnaam en wachtwoord vragen die zijn ingevoerd in de bestemmingsinformatie. Controleer in zulke gevallen nadat u de bestemmingen heeft geregistreerd of de gebruikersnaam en het wachtwoord juist zijn ingevoerd door testdocumenten naar die bestemmingen te sturen. Het adresboek kan maximaal 100 registraties bevatten, waaronder 20 snelkeuzebestemmingen. Bestemmingen die geregistreerd zijn als snelkeuzebestemmingen kunnen geselecteerd worden door op de daarmee overeenkomende sneltoetsknop te drukken. 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres ervan in te vullen. 2. Klik op [Snelkeuzebestemming] of [Scanbestemming]. 3. Selecteer vanuit de lijst [Bestemmingstype] [E-mailadres], [FTP] of [Map]. 4. Registreer informatie indien nodig. De informatie die u moet registreren hangt af van het bestemmingstype. Zie de onderstaande tabellen voor meer informatie. 5. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 6. Klik op [Toepassen]. 7. Sluit de internetbrowser. 134
Scanbestemmingen registreren Instellingen voor scannen naar e-mail Item Instelling Beschrijving Snelkeuzenummer Naam E-mailadresbestemming E-mailadres voor melding Optioneel Vereist Vereist Optioneel Selecteer deze als u de bestemming als snelkeuzesbestemming wilt invoeren. Naam van de bestemming. De naam die hier wordt opgegeven wordt op het scherm weergegeven als er een scanbestemming wordt geselecteerd. Kan tot 16 tekens bevatten. E-mailadres van de bestemming. Kan tot 64 tekens bevatten. E-mailadres waarnaar een melding wordt gestuurd na verzending. Kan tot 64 tekens bevatten. Onderwerp Vereist Onderwerp van de e-mail. Kan tot 64 tekens bevatten. Naam verzender Bestandsformaat (kleur/ grijswaarden) Optioneel Vereist Naam van de afzender van de e-mail. De naam die hier wordt opgegeven wordt weergegeven onder het veld "Van" of een vergelijkbaar veld in de e- mailtoepassing van de ontvanger. Kan tot 32 tekens bevatten. Bestandsformaat van het gescande bestand als er in kleur is gescand. PDF of JPEG kan worden geselecteerd. PDF ondersteunt meerdere pagina's in een document, JPEG daarentegen niet. 135
5. Originelen scannen Item Instelling Beschrijving Bestandsformaat (zwart-wit) Origineel Scanformaat Resolutie Belichting Vereist Optioneel Optioneel Optioneel Optioneel Bestandformaat van het gescande bestand als er in zwart-wit wordt gescand. PDF of TIFF kan worden geselecteerd. Beide formaten ondersteunen meerdere pagina's in een document. Selecteer de zijdes van het origineel (enkelzijdig of dubbelzijdig) om deze volgens de pagina en bindrichting te scannen. Selecteer het scanformaat voor het origineel: A5, B5, A4, 7 1 / 4 10 1 / 2, 8 1 / 2 5 1 / 2, 8 1 / 2 11, 8 1 / 2 14 of aangepast formaat. Als u een aangepast formaat selecteert, selecteer dan [mm] of [Inch] en geef vervolgens de breedte en de lengte op. Selecteer een van de volgende scanresoluties: 100 100, 150 150, 200 200, 300 300, 400 400 of 600 600 dpi. Geef de afbeeldingsbelichting op door op de rechterof linkertoets te drukken. is het lichtst en is het donkerst. Instellingen voor scannen naar FTP 136
Scanbestemmingen registreren Item Instelling Beschrijving Snelkeuzenummer Naam Hostnaam of IP-adres Bestandsformaat (kleur/ grijswaarden) Bestandsformaat (zwart-wit) FTP-gebruikersnaam FTP-wachtwoord Directory E-mailadres voor melding Origineel Scanformaat Optioneel Vereist Vereist Vereist Vereist Optioneel Optioneel Optioneel Optioneel Optioneel Optioneel Selecteer deze als u de bestemming als snelkeuzesbestemming wilt invoeren. Naam van de bestemming. De naam die hier wordt opgegeven wordt op het scherm weergegeven als er een scanbestemming wordt geselecteerd. Kan tot 16 tekens bevatten. Naam of IP-adres van de FTP-server. Kan tot 64 tekens bevatten. Bestandsformaat van het gescande bestand als er in kleur is gescand. PDF of JPEG kan worden geselecteerd. PDF ondersteunt meerdere pagina's in een document, JPEG daarentegen niet. Bestandformaat van het gescande bestand als er in zwart-wit wordt gescand. PDF of TIFF kan worden geselecteerd. Beide formaten ondersteunen meerdere pagina's in een document. Gebruikersnaam voor aanmelden op de FTP-server. Kan tot 32 tekens bevatten. Wachtwoord voor aanmelden op de FTP-server. Kan tot 32 tekens bevatten. Naam van de directory op de FTP-server waar gescande bestanden worden opgeslagen. Kan tot 64 tekens bevatten. E-mailadres waarnaar een melding wordt gestuurd na verzending. Kan tot 64 tekens bevatten. Selecteer de zijdes van het origineel (enkelzijdig of dubbelzijdig) om deze volgens de pagina en bindrichting te scannen. Selecteer het scanformaat voor het origineel: A5, B5, A4, 7 1 / 4 10 1 / 2, 8 1 / 2 5 1 / 2, 8 1 / 2 11, 8 1 / 2 14 of aangepast formaat. Als u een aangepast formaat selecteert, selecteer dan [mm] of [Inch] en geef vervolgens de breedte en de lengte op. 137
5. Originelen scannen Item Instelling Beschrijving Resolutie Belichting Optioneel Optioneel Selecteer een van de volgende scanresoluties: 100 100, 150 150, 200 200, 300 300, 400 400 of 600 600 dpi. Geef de afbeeldingsbelichting op door op de rechterof linkertoets te drukken. is het lichtst en is het donkerst. Verbindingstest - Er wordt een verbindingstest uitgevoerd om te controleren of de opgegeven FTP-server bestaat. Instellingen van scannen naar een map Item Instelling Beschrijving Snelkeuzenummer Naam Servicenaam Optioneel Vereist Vereist Selecteer deze als u de bestemming als snelkeuzesbestemming wilt invoeren. Naam van de bestemming. De naam die hier wordt opgegeven wordt op het scherm weergegeven als er een scanbestemming wordt geselecteerd. Kan tot 16 tekens bevatten. Pad naar de directory waar gescande bestanden worden opgeslagen. Bestaat uit het IP-adres of de naam van de bestemmingscomputer (kan tot 64 tekens bevatten) en de naam van de gedeelde map (kan tot 32 tekens bevatten). 138
Scanbestemmingen registreren Item Instelling Beschrijving Domein Log-in gebruikersnaam Log-in wachtwoord Directory E-mailadres voor melding Bestandsformaat (kleur/ grijswaarden) Bestandsformaat (zwart-wit) Origineel Scanformaat Resolutie Belichting Optioneel Optioneel Optioneel Optioneel Optioneel Vereist Vereist Optioneel Optioneel Optioneel Optioneel Geef de naam op van het domein waartoe de computer behoort. Kan tot 15 tekens bevatten. Gebruikersnaam voor aanmelden op de bestemmingscomputer. Kan tot 32 tekens bevatten. Wachtwoord voor aanmelden op de bestemmingscomputer. Kan tot 32 tekens bevatten. Directory in de gedeelde map waar gescande bestanden worden opgeslagen. Kan tot 64 tekens bevatten. E-mailadres waarnaar een melding wordt gestuurd na verzending. Kan tot 64 tekens bevatten. Bestandsformaat van het gescande bestand als er in kleur is gescand. PDF of JPEG kan worden geselecteerd. PDF ondersteunt meerdere pagina's in een document, JPEG daarentegen niet. Bestandformaat van het gescande bestand als er in zwart-wit wordt gescand. PDF of TIFF kan worden geselecteerd. Beide formaten ondersteunen meerdere pagina's in een document. Selecteer de zijdes van het origineel (enkelzijdig of dubbelzijdig) om deze volgens de pagina en bindrichting te scannen. Selecteer het scanformaat voor het origineel: A5, B5, A4, 7 1 / 4 10 1 / 2, 8 1 / 2 5 1 / 2, 8 1 / 2 11, 8 1 / 2 14 of aangepast formaat. Als u een aangepast formaat selecteert, selecteer dan [mm] of [Inch] en geef vervolgens de breedte en de lengte op. Selecteer een van de volgende scanresoluties: 100 100, 150 150, 200 200, 300 300, 400 400 of 600 600 dpi. Geef de afbeeldingsbelichting op door op de rechterof linkertoets te drukken. is het lichtst en is het donkerst. 139
5. Originelen scannen Item Instelling Beschrijving Verbindingstest - Er wordt een verbindingstest uitgevoerd om te controleren of de opgegeven FTP-server bestaat. Om bestanden via e-mail, SMTP en DNS te versturen, dienen de instellingen juist te worden geconfigureerd. Als u de functie Scannen naar E-mail gebruikt, selecteer dan een tijdzone volgens uw geografische locatie om de e-mail met de juiste verzendingsdatum en -tijd te versturen. Om bestanden naar een FTP-server of computer te versturen, dienen de gebruikersnaam, het wachtwoord en de directory juist te worden geconfigureerd. Geef op een netwerk dat een DNS-server gebruikt, een computernaam op in [Servicenaam] en de naam van het domein waartoe de computer behoort in [Domein]. Configureer in dit geval ook de instellingen die betrekking hebben op de DNS via Web Image Monitor. De bestemming voor Scannen naar map moet op een computer met één van de volgende besturingssystemen staan: Windows Vista/7/8.1/10, Windows Server 2008/2008 R2/2012/2012 R2/2016, of OS X 10.9 of later. Scanbestemmingen kunnen niet met het bedieningspaneel worden geregistreerd. Scanbestemmingen wijzigen In dit onderdeel wordt beschreven hoe u informatie van geregistreerde bestemmingen kunt wijzigen. 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres ervan in te vullen. 2. Klik op [Scanbestemming]. 3. Klik op het tabblad [E-mailadres], [FTP] of [Map]. 4. Selecteer de gebruiker die u wilt wijzigen en klik vervolgens op [Wijzigen]. 5. Wijzig de instellingen indien nodig. 6. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 7. Klik op [Toepassen]. 8. Sluit de internetbrowser. U kunt een snelkeuzebestemming loskoppelen van een sneltoets via de pagina [Snelkeuzebestemming]. Selecteer daarvoor de gewenste invoer, klik op [Verwijderen] en klik vervolgens nogmaals op [Toepassen] op de bevestigingspagina. 140
Scanbestemmingen registreren Het apparaat zal u een mededeling sturen als de bestemming die u wilt bewerken, is ingesteld als doorstuurbestemming van ontvangen faxen. Voor meer informatie over de instellingen voor het doorsturen van faxen, zie Pag. 294 "Tabblad Fax". Scanbestemmingen verwijderen In dit onderdeel wordt beschreven hoe u geregistreerde bestemmingen kunt verwijderen. 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres ervan in te vullen. 2. Klik op [Scanbestemming]. 3. Klik op het tabblad [E-mailadres], [FTP] of [Map]. 4. Selecteer de gebruiker die u wilt verwijderen en klik vervolgens op [Verwijderen]. 5. Bevestig dat u de geselecteerde gebruiker wilt verwijderen. 6. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 7. Klik op [Toepassen]. 8. Sluit de internetbrowser. Het apparaat zal u een mededeling sturen als de bestemming die u wilt verwijderen, is ingesteld als doorstuurbestemming van ontvangen faxen. Als u de bestemming toch verwijdert, configureer dan nogmaals de instelling voor het doorsturen van faxen. Voor meer informatie over de instellingen voor het doorsturen van faxen, zie Pag. 294 "Tabblad Fax". De overdracht testen Wanneer een USB-geheugenopslagapparaat in het apparaat wordt gestoken, worden alle gescande documenten op het USB-geheugenopslagapparaat opgeslagen. Ga na of er geen USBgeheugenopslagapparaten in het apparaat zitten. 1. Plaats het origineel op de glasplaat of in de ADF. 141
5. Originelen scannen 2. Druk op de toets [Home]. DUE302 3. Druk op het pictogram [Scanner] op het Home-scherm. 4. Druk op [Adresboek]. 5. Selecteer de gewenste bestemming en druk vervolgens op [OK]. Als u een scanbestemming opgeeft, zullen de scaninstellingen van het apparaat automatisch worden gewijzigd aan de hand van de informatie die voor die bestemming in het Adresboek wordt geregistreerd. Indien nodig kunt u de scaninstellingen via het bedieningspaneel wijzigen. Voor scaninstellingen, zie Pag. 178 "Scaninstellingen opgeven voor het scannen". 6. Druk op de toets [Zwart-wit starten] of [Kleur starten]. DUE312 Om in zwart-wit te scannen, drukt u op de toets [Zwart-wit starten]. Om in kleur te scannen, drukt u op de toets [Kleur starten]. Afhankelijk van de instellingen van het apparaat, ziet u het volgende scherm op het display wanneer u vanaf de glasplaat scant. Als u dit scherm ziet, ga dan verder met de volgende stap. 7. Als u meer originelen wilt scannen, plaats dan het volgende origineel op de glasplaat en druk op [Ja]. Herhaal deze stap totdat alle originelen zijn gescand. 8. Als alle originelen gescand zijn, drukt u op [Nee] om te beginnen met het versturen van het gescande bestand. Het scannen begint en de gescande documenten worden in een gedeelde map opgeslagen. 142
Scanbestemmingen registreren Als het apparaat het bestand niet kan verzenden, moet u de volgende punten controleren. De bestemming is correct in het adresboek geregistreerd. Schakel de beveiligingssoftware of firewall van de doelcomputer uit en probeer het opnieuw. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor meer informatie over de beveiligingssoftware van de firewallinstellingen. Als er meerdere doelcomputers zijn, moet u de opdracht testen met andere computers. Vergelijk de instellingen met die van de computer van waaruit het bestand werd verzonden. Neem voor meer informatie contact op met de netwerkbeheerder. Er is voldoende schijfruimte op de doelcomputer. 143
5. Originelen scannen Basiswerking voor Scannen naar map In dit gedeelte worden de voorbereidingen en procedures uitgelegd om gescande documenten naar een map op een clientcomputer te sturen. Nadat u de onderstaande procedures heeft gevolgd, kunt u gescande documenten van het apparaat naar een gedeelde map op een clientcomputer sturen. Druk het controlevel af. Bevestig de gebruikersnaam en de computernaam. Maak een gedeelde map op een computer. Geef de toegangsrechten op voor de gedeelde map die u hebt gemaakt. *1 Registreer de gedeelde map in het Adresboek van het apparaat. Verzend een bestand naar de gedeelde map. *1 alleen Windows U kunt de gedeelde map maken onder Windows Vista of hoger, Windows Server 2008 of hoger en OS X 10,9 of hoger. Bestanden kunnen via SMB worden verzonden met behulp van het SMB-protocol (139/TCP, 137/UDP) of het CIFS-protocol (445/TCP). Bestanden kunnen alleen via SMB (139/TCP, 137/UDP) worden verzonden in een NetBIOS via TCP/IP-omgeving. Bestanden kunnen niet worden verzonden via SMB in een NetBEUI-omgeving. Het controlevel afdrukken Druk het volgende controlevel af. Noteer de instellingen voor de computer waar u documenten naartoe gaat sturen op het controlevel. 144
Basiswerking voor Scannen naar map Voor meer informatie over het gebruik van het controlevel om een lijst met instellingswaarden te maken, zie Pag. 146 " De naam van de gebruiker en de computer bevestigen" en Pag. 147 " Een gedeelde map aanmaken op een computer". Nadat u de scanbestemmingen in het adresboek heeft geregistreerd, gooit u het ingevulde controlevel weg, om te vermijden dat persoonlijke informatie wordt gelekt. Controlevel Nr. Controle-item (invoervoorbeeld) Invulkolom Computernaam (bijv. YamadaPC) [1] Actieve instellingen van DHCPserver ([Ja] of [Nee]) IP-adres van de computer (bijv. 192.168.0.152) [2] Domeinnaam/Werkgroepnaam (bijv. ABCD-NET) USERDNSDOMAIN USERDOMAIN Gebruikersnaam van computer (bijv. TYamada) [3] Inlogwachtwoord computer (bijv. Beheerder) [4] Naam gedeelde map computer (bijv. scan) Afhankelijk van het netwerk is het mogelijk dat USERDNSDOMAIN of USERDOMAIN niet worden weergegeven. Noteer de domeinnaam of de naam van de werkgroep op het controlevel. 145
5. Originelen scannen De naam van de gebruiker en de computer bevestigen De gebruikersnaam en computernaam bevestigen als Microsoft Windows wordt gebruikt Bevestig de naam van de gebruiker en de naam van de computer waar u gescande documenten naar toe wilt sturen. 1. Wijs in het menu [Start] naar [Alle programma's], klik op [Accessoires] en klik vervolgens op [Opdrachtprompt]. 2. Voer de opdracht "ipconfig/all" in en druk vervolgens op [Enter]. 3. Controleer de naam van de computer, de actieve instellingen van de DHCP-server en het IPv4-adres en noteer ze in [1] op het controlevel. De naam van de computer wordt weergegeven onder [Hostnaam]. Het adres weergegeven onder [IPv4-adres] is het IPv4-adres van de computer. De actieve instellingen van de DHCP-server worden weergegeven bij [DHCP Enabled]. 4. Voer daarna de opdracht "set user" (gebruiker instellen) en druk dan op [Enter]. Let erop dat u spaties zet tussen "stel", "gebruiker" en "in". 5. Controleer de domeinnaam/de naam van de werkgroep en de gebruikersnaam en noteer die in [2] op het controlevel. De gebruikersnaam wordt weergegeven onder [GEBRUIKERSNAAM]. Controleer het log-in wachtwoord van de computer en noteer het in [3] op het controlevel. Maak nu een gedeelde map op een computer aan. Voor meer informatie over het aanmaken van een gedeelde map, zie Pag. 147 " Een gedeelde map aanmaken op een computer". Het is misschien mogelijk, afhankelijk van het besturingssysteem of beveiligingsinstellingen, om een gebruikersnaam op te geven waar geen wachtwoord aan toegewezen is. Wij raden u echter aan om een gebruikersnaam met wachtwoord te selecteren; dit verhoogt de beveiliging. De gebruikersnaam en computernaam bevestigen wanneer OS X wordt gebruikt Bevestig de naam van de gebruiker en de naam van de computer waar u gescande documenten naar toe wilt sturen. Controleer de waarden en noteer ze op het controlevel. 1. Klik in het Apple-menu op [About this Mac]. Het informatiescherm van de computer wordt weergegeven. 2. Klik op [System Report...]. 146
Basiswerking voor Scannen naar map 3. Selecteer [Software] in het linkerpaneel en bevestig de naam van de computer en de gebruikersnaam in "Overzicht systeemsoftware". De naam van de computer wordt weergegeven naast [Computer Name]. De naam van de gebruiker wordt weergegeven naast [User Name]. Noteer de computernaam in [1] en de gebruikersnaam in [2] op het controlevel. Maak nu een gedeelde map op een computer aan. Voor meer informatie over het aanmaken van een gedeelde map, zie Pag. 147 " Een gedeelde map aanmaken op een computer". U kunt misschien ook, afhankelijk van het besturingssysteem of beveiligingsinstellingen, een gebruikersnaam opgeven waar geen wachtwoord aan toegewezen is. Wij raden u echter aan om een gebruikersnaam met wachtwoord te selecteren. Om het IP-adres te bevestigen klikt u in het Apple-menu op [System Preferences...] en klikt u vervolgens op [Network] in het venster System Preferences. Klik vervolgens op [Ethernet]. Het weergegeven adres in het IP-adresveld is het IP-adres van de computer. Een gedeelde map aanmaken op een computer Een gedeelde map aanmaken op een computer met Microsoft Windows Maak een bestemmingsmap in Windows en maak delen mogelijk. In de volgende procedure wordt een computer als voorbeeld gebruikt met daarop Windows 7 Ultimate geïnstalleerd. Deze computer is tevens onderdeel van een domein. Meld u aan als beheerder om een gedeelde map aan te maken. Wanneer "Iedereen" is geselecteerd in stap 6, dan wordt de gedeelde map toegankelijk voor alle gebruikers. Dit is een veiligheidsrisico; wij raden dus aan om alleen aan bepaalde gebruikers toegangsrechten te geven. Volg de volgende procedure om "Iedereen" te verwijderen en om toegangsrechten voor gebruikers te specificeren. 1. Maak een map op de computer op de manier zoals u een normale map zou maken op een locatie die uw voorkeur heeft. Noteer de naam van de map in [4] op het controlevel. 2. Klik met de rechtermuisknop op de map en klik vervolgens op [Eigenschappen]. 3. Selecteer op het tabblad [Delen] de optie [Geavanceerd delen...]. 4. Vink het selectievakje [Deze map delen] aan. 5. Klik op [Machtigingen]. 6. Selecteer uit de lijst [Namen van groepen of gebruikers:] de optie "Iedereen" en klik dan op [Verwijderen]. 147
5. Originelen scannen 7. Klik op [Toevoegen...]. In het venster [Gebruikers of groepen selecteren] voegt u groepen of gebruikers toe aan wie u toegang wilt verlenen. In de volgende procedure wordt de procedure om toegangsprivileges te geven aan gebruikers die u op het controlevel heeft genoteerd als voorbeeld gebruikt. 8. Klik in het venster [Gebruikers of groepen selecteren] op de optie [Geavanceerd...]. 9. Geef één of meer objecttypes op, selecteer een locatie en klik vervolgens op [Nu zoeken]. 10. In de lijst met resultaten selecteert u de groepen en gebruikers die u toegang wilt verlenen (de naam die u in [2] op het controlevel heeft genoteerd) en vervolgens klikt u op [OK]. 11. Klik in het venster [Groepen of gebruikers selecteren] op [OK]. 12. Selecteer in de lijst [Namen van groepen of gebruikers:] een groep of gebruiker (de naam die u in [2] op het controlevel heeft genoteerd). Vink vervolgens in de kolom [Toestaan] in de toestemmingenlijst het selectievakje [Volledig beheer] of [Wijzigen] aan. Configureer de toegangsrechten voor elke groep en gebruiker. 13. Klik 2 keer op [OK]. 14. Klik op [Sluiten]. Als u toegangsrechten wilt opgeven voor de aangemaakte map zodat andere gebruikers of groepen die kunnen openen, ga dan door naar Pag. 149 " Toegangsprivileges opgeven voor de gedeelde map". Ga anders door naar Pag. 150 " Een gedeelde map registreren in het adresboek van het apparaat". Een gedeelde map aanmaken op een computer met OS X De volgende procedures leggen uit hoe u een gedeelde map kunt aanmaken op een computer met OS X en hoe u de informatie van de computer kunt bevestigen. In deze voorbeelden wordt OS X 10,11 gebruikt. Meld u aan als beheerder om een gedeelde map aan te maken. 1. Maak de map aan waarnaar u scanbestanden wilt verzenden. Noteer de naam van de map in [4] op het controleveld. 2. Klik in het Apple-menu op [System Preferences...]. 3. Klik op [Sharing]. 4. Vink het selectievakje [File Sharing] aan. 5. Klik op [Opties...]. 6. Vink het selectievakje [Share files and folders using SMB] aan. 148
Basiswerking voor Scannen naar map 7. Selecteer de account waarmee u toegang tot de gedeelde map wilt hebben. 8. Indien het scherm [Authenticate] wordt getoond, voert u het wachtwoord in voor de account, klikt u op [OK] en vervolgens op [Done]. 9. Klik in de lijst [Shared Folders:] op [[ ]. 10. Selecteer de map die u heeft aangemaakt en klik dan op [Add]. 11. Zorg dat de toestemming voor de gebruiker die deze map gaat gebruiken is ingesteld op [Lezen & schrijven]. Registreer vervolgens de scanbestemmingen. Voor meer informatie over het registreren van scanbestemmingen, zie Pag. 150 " Een gedeelde map registreren in het adresboek van het apparaat". Toegangsprivileges opgeven voor de gedeelde map Als u toegangsprivileges wilt opgeven voor de gemaakte map om andere gebruikers en groepen toegang tot deze map te geven, kunt u de map als volgt configureren: 1. Klik met de rechtermuisknop op de map die u bij stap 3 heeft aangemaakt en klik vervolgens op [Eigenschappen]. 2. Klik op het tabblad [Beveiliging] op [Bewerken...]. 3. Klik op [Toevoegen...]. 4. Klik in het venster [Gebruikers of groepen selecteren] op de optie [Geavanceerd...]. 5. Geef één of meer objecttypes op, selecteer een locatie en klik vervolgens op [Nu zoeken]. 6. Selecteer de groepen en gebruikers die u toegang wilt geven in de resultatenlijst en klik dan op [OK]. 7. Klik in het venster [Groepen of gebruikers selecteren] op [OK]. 8. Selecteer in de lijst [Namen van groepen of gebruikers:] een groep of gebruiker. Vink vervolgens in de kolom [Toestaan] in de lijst het selectievakje [Volledig beheer] of [Wijzigen] aan. 9. Klik twee keer op [OK]. Registreer vervolgens de scanbestemmingen. Voor meer informatie over het registreren van scanbestemmingen, zie Pag. 150 " Een gedeelde map registreren in het adresboek van het apparaat". Indien dit de eerst keer is dat u een gedeelde map aanmaakt op deze computer, moet u de functie bestanden delen inschakelen. Voor meer informatie, zie de Windows Help-functie. 149
5. Originelen scannen Een gedeelde map registreren in het adresboek van het apparaat Registreer scanbestemmingen met behulp van Web Image Monitor. 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres ervan in te vullen. 2. Klik op [Snelkeuzebestemming] of [Scanbestemming]. 3. Selecteer [Map] in de lijst [Bestemmingstype]. 4. Registreer informatie indien nodig. U moet de volgende gegevens registreren. Voor meer informatie, zie Pag. 134 "Scanbestemmingen registreren". Naam Servicenaam 5. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 6. Klik op [Toepassen]. 7. Sluit de internetbrowser. U heeft de voorbereidingen voor het Scannen naar map voltooid. Voor meer informatie over het verzenden van gescande bestanden naar de bestemming die u heeft geregistreerd in het Adresboek, zie Pag. 150 " Gescande bestanden direct naar een gedeelde map versturen". Als het apparaat het bestand niet kan verzenden, moet u de volgende punten controleren. De bestemming is correct in het adresboek geregistreerd. Schakel de beveiligingssoftware of firewall van de doelcomputer uit en probeer het opnieuw. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor meer informatie over de beveiligingssoftware van de firewallinstellingen. Als er meer dan één doelcomputer is, kunt u de opdrachten testen met andere computers. Vergelijk de instellingen met de computer die het bestand wel kan verzenden. Neem voor meer informatie contact op met de netwerkbeheerder. Wanneer er niet genoeg schijfruimte op de doelcomputer is, kan het apparaat het bestand misschien niet verzenden. Gescande bestanden direct naar een gedeelde map versturen Verzend gescande bestanden naar de gedeelde map die u in Stap 5 heeft geregistreerd. 150
Basiswerking voor Scannen naar map Het origineel in de ADF gaat voor het origineel op de glasplaat als u originelen zowel in de ADF als op de glasplaat plaatst. Registreer de scanbestemming in het Adresboek met behulp van Web Image Monitor. Voor meer informatie, zie Pag. 134 "Scanbestemmingen registreren". Wanneer een USB-geheugenopslagapparaat in het apparaat wordt gestoken, worden alle gescande documenten op het USB-geheugenopslagapparaat opgeslagen. Ga na of er geen USBgeheugenopslagapparaten in het apparaat zitten. 1. Plaats het origineel op de glasplaat of in de ADF. Voor het correct plaatsen van een origineel, zie Pag. 82 "Originelen plaatsen". 2. Druk op de toets [Home]. DUE302 3. Druk op het pictogram [Scanner] op het [Home]-scherm. 4. Druk op het tabblad [Map]. 5. Druk op [Adresboek]. 6. Selecteer de gewenste bestemming en druk vervolgens op [OK]. 7. Druk op de toets [Zwart-wit starten] of [Kleur starten]. DUE312 Om in zwart-wit te scannen, drukt u op de toets [Zwart-wit starten]. Om in kleur te scannen, drukt u op de toets [Kleur starten]. 151
5. Originelen scannen Afhankelijk van de instellingen van het apparaat, zult u het volgende scherm op het display zien wanneer u vanaf de glasplaat scant. Als u dit scherm ziet, ga dan verder met de volgende stap. 8. Als u meer originelen wilt scannen, plaats dan het volgende origineel op de glasplaat en druk op [Ja]. Herhaal deze stap totdat alle originelen zijn gescand. 9. Als alle originelen gescand zijn, drukt u op [Nee] om te beginnen met het versturen van het gescande bestand. Als u het scannen wilt annuleren, drukt u op de [Wis/Stop]-knop. De scanbestanden worden genegeerd. U kunt ook een bestemming opgeven via [Opn. kiezen]. Voor meer informatie, zie Pag. 160 "Opgeven van de scanbestemming met gebruik van [Opnieuw kiezen]". 152
Basiswerking voor Scannen naar e-mail Basiswerking voor Scannen naar e-mail In dit gedeelte worden de voorbereidingen en procedures uitgelegd om gescande documenten te verzenden als bijlage van een e-mail. Als u de onderstaande procedures heeft gevolgd, kunt u gescande documenten naar het opgegeven e- mailadres verzenden. Configureer de SMTP-server en de DNS-instellingen. Registreer het e-mailadres van de bestemming in het Adresboek. Verzend gescande bestanden via e-mail. SMTP- en DNS-instellingen configureren Om bestanden via e-mail, SMTP en DNS te versturen, dienen de instellingen juist te worden geconfigureerd. Neem contact op met de netwerkbeheerder van uw internetserviceprovider voor meer informatie over de gegevens van de SMTP-server. SMTP- en DNS-informatie configureren via Web Image Monitor. 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres ervan in te vullen. 2. Klik op [Netwerkinstellingen]. 3. Klik op het tabblad [DNS]. 4. Registreer informatie indien nodig. Voor meer informatie, zie Pag. 307 "De netwerkinstellingen configureren". 5. Klik op [OK]. 6. Klik op het tabblad [SMTP]. 7. Registreer informatie indien nodig. Voor meer informatie, zie Pag. 307 "De netwerkinstellingen configureren". 8. Klik op [OK]. 9. Sluit de internetbrowser. Vervolgens registreert u het e-mailadres van de bestemming in het adresboek. Voor meer informatie, zie Pag. 154 " E-mailadressen van bestemmingen registreren in het adresboek". 153
5. Originelen scannen E-mailadressen van bestemmingen registreren in het adresboek Configureer de gegevens van de bestemming via Web Image Monitor. 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres ervan in te vullen. 2. Klik op [Snelkeuzebestemming] of [Scanbestemming]. 3. In de lijst [Doeltype] selecteert u [E-mailadres]. 4. Registreer informatie indien nodig. U moet de volgende gegevens registreren. Voor meer informatie, zie Pag. 134 "Scanbestemmingen registreren". Naam E-mailadresbestemming Onderwerp 5. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 6. Klik op [Toepassen]. 7. Sluit de internetbrowser. U heeft de voorbereidingen voor het Scannen naar e-mail voltooid. Voor meer informatie over het verzenden van bestanden naar geregistreerde bestemmingen, zie Pag. 154 " Gescande documenten verzenden via e-mail". Gescande documenten verzenden via e-mail In dit gedeelte wordt uitgelegd hoe u gescande bestanden verzendt naar de bestemmingen die u in stap 2 heeft geregistreerd. Het origineel in de ADF gaat voor het origineel op de glasplaat als u originelen zowel in de ADF als op de glasplaat plaatst. Registreer de scanbestemming in het Adresboek met behulp van Web Image Monitor. Voor meer informatie, zie Pag. 134 "Scanbestemmingen registreren". Wanneer een USB-geheugenopslagapparaat in het apparaat wordt gestoken, worden alle gescande documenten op het USB-geheugenopslagapparaat opgeslagen. Ga na of er geen USBgeheugenopslagapparaten in het apparaat zitten. 1. Plaats het origineel op de glasplaat of in de ADF. Voor het correct plaatsen van een origineel, zie Pag. 82 "Originelen plaatsen". 154
Basiswerking voor Scannen naar e-mail 2. Druk op de toets [Home]. DUE302 3. Druk op het pictogram [Scanner] op het [Home]-scherm. 4. Druk op het tabblad [E-mail]. 5. Druk op [Adresboek]. 6. Selecteer de gewenste bestemming en druk vervolgens op [OK]. 7. Druk op de toets [Zwart-wit starten] of [Kleur starten]. DUE312 Om in zwart-wit te scannen, drukt u op de toets [Zwart-wit starten]. Om in kleur te scannen, drukt u op de toets [Kleur starten]. Afhankelijk van de instellingen van het apparaat, ziet u het volgende scherm op het display wanneer u vanaf de glasplaat scant. Als u dit scherm ziet, ga dan verder met de volgende stap. 155
5. Originelen scannen 8. Als u meer originelen wilt scannen, plaats dan het volgende origineel op de glasplaat en druk op [Ja]. Herhaal deze stap totdat alle originelen zijn gescand. 9. Als alle originelen gescand zijn, drukt u op [Nee] om te beginnen met het versturen van het gescande bestand. Als u het scannen wilt annuleren, drukt u op de [Wis/Stop]-knop. De scanbestanden worden genegeerd. U kunt ook een bestemming opgeven via [Opn. kiezen]. Voor meer informatie, zie Pag. 160 "Opgeven van de scanbestemming met gebruik van [Opnieuw kiezen]". 156
Basisbediening van Scannen naar FTP Basisbediening van Scannen naar FTP In dit gedeelte worden de voorbereidingen en instructies uitgelegd om gescande documenten te verzenden naar een FTP-server. Nadat u de onderstaande procedures heeft gevolgd, kunt u gescande documenten naar een FTP-server verzenden. Configureer de instellingen van de FTP-server. Verzend gescande bestanden naar de FTP-server. Instellingen van de FTP-server configureren Om bestanden naar een FTP-server te verzenden, moet u de instellingen van de FTP-server correct configureren. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor meer informatie over FTP-servers. De instellingen van een FTP-server configureren met behulp van Web Image Monitor. 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres ervan in te vullen. 2. Klik op [Snelkeuzebestemming] of [Scanbestemming]. 3. Selecteer [FTP] in de lijst [Bestemmingstype]. 4. Registreer informatie indien nodig. U moet de volgende gegevens registreren. Voor meer informatie, zie Pag. 134 "Scanbestemmingen registreren". Naam Hostnaam of IP-adres 5. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 6. Klik op [Toepassen]. 7. Sluit de internetbrowser. U heeft de voorbereidingen voor het Scannen naar FTP voltooid. Voor meer informatie over het verzenden van bestanden naar geregistreerde bestemmingen, zie Pag. 158 " Bestanden naar een FTP-server verzenden". 157
5. Originelen scannen Bestanden naar een FTP-server verzenden In dit gedeelte wordt uitgelegd hoe u gescande bestanden verzendt naar de bestemmingen die u in Stap 1 heeft geregistreerd. Het origineel in de ADF gaat voor het origineel op de glasplaat als u originelen zowel in de ADF als op de glasplaat plaatst. Registreer de scanbestemming in het Adresboek met behulp van Web Image Monitor. Voor meer informatie, zie Pag. 134 "Scanbestemmingen registreren". Wanneer een USB-geheugenopslagapparaat in het apparaat wordt gestoken, worden alle gescande documenten op het USB-geheugenopslagapparaat opgeslagen. Ga na of er geen USBgeheugenopslagapparaten in het apparaat zitten. 1. Plaats het origineel op de glasplaat of in de ADF. Voor het correct plaatsen van een origineel, zie Pag. 82 "Originelen plaatsen". 2. Druk op de toets [Home]. DUE302 3. Druk op het pictogram [Scanner] op het [Home]-scherm. 4. Druk op het tabblad [FTP]. 5. Druk op [Adresboek]. 6. Selecteer de gewenste bestemming en druk vervolgens op [OK]. 158
Basisbediening van Scannen naar FTP 7. Druk op de toets [Zwart-wit starten] of [Kleur starten]. DUE312 Om in zwart-wit te scannen, drukt u op de toets [Zwart-wit starten]. Om in kleur te scannen, drukt u op de toets [Kleur starten]. Afhankelijk van de instellingen van het apparaat, ziet u het volgende scherm op het display wanneer u vanaf de glasplaat scant. Als u dit scherm ziet, ga dan verder met de volgende stap. 8. Als u meer originelen wilt scannen, plaats dan het volgende origineel op de glasplaat en druk op [Ja]. Herhaal deze stap totdat alle originelen zijn gescand. 9. Als alle originelen gescand zijn, drukt u op [Nee] om te beginnen met het versturen van het gescande bestand. Als u het scannen wilt annuleren, drukt u op de [Wis/Stop]-knop. De scanbestanden worden genegeerd. U kunt ook een bestemming opgeven via [Opn. kiezen]. Voor meer informatie, zie Pag. 160 "Opgeven van de scanbestemming met gebruik van [Opnieuw kiezen]". 159
5. Originelen scannen Opgeven van de scanbestemming met gebruik van [Opnieuw kiezen] In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe een bestemming moet worden opgegeven met behulp van [Opnieuw kiezen]. Gebruik van [Opn. kiezen] Druk op [Opnieuw kiezen] om de laatst gebruikte bestemming te selecteren. Als u een scanbestemming opgeeft, zullen de scaninstellingen van het apparaat automatisch worden gewijzigd aan de hand van de informatie die voor die bestemming in het adresboek is geregistreerd. Indien nodig kunt u de scaninstellingen via het bedieningspaneel wijzigen. Voor meer informatie, zie Pag. 178 "Scaninstellingen opgeven voor het scannen". [Opnieuw kiezen] heeft geen effect voor de eerste scantaak na het inschakelen van het apparaat. U kunt op de [Wis/Stop]-knop drukken om de bestemming te wissen. 160
Basisprocedures voor het opslaan van scanbestanden op een USB-geheugenopslagapparaat Basisprocedures voor het opslaan van scanbestanden op een USBgeheugenopslagapparaat In dit gedeelte wordt de basiswerking van de functie Scannen naar USB uitgelegd. Bestanden worden opgeslagen op het USB-geheugenopslagapparaat dat in het apparaat is gestoken. Het origineel in de ADF gaat voor het origineel op de glasplaat als u originelen zowel in de ADF als op de glasplaat plaatst. Dit apparaat ondersteunt niet het gebruik van externe USB-hubs. Niet alle typen USB-geheugenopslagapparaten worden ondersteund. Wanneer u Scannen naar USB gebruikt, stelt u [Scan op USB opslaan] in op [Actief]. Voor meer informatie, zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". 1. Steek het USB-geheugenopslagapparaat in de USB-poort. 2 1 2. Druk op de toets [Home]. DUE242 DUE302 3. Druk op het pictogram [Scanner] op het [Home]-scherm. 4. Druk op het tabblad [USB]. 161
5. Originelen scannen 5. Plaats het origineel op de glasplaat of in de ADF. Voor het correct plaatsen van een origineel, zie Pag. 82 "Originelen plaatsen". Geef de scaninstellingen op indien nodig. Voor meer informatie over het opgeven van de scaninstellingen, zie Pag. 178 "Scaninstellingen opgeven voor het scannen". 6. Druk op de toets [Zwart-wit starten] of [Kleur starten]. DUE312 Om in zwart-wit te scannen, drukt u op de toets [Zwart-wit starten]. Om in kleur te scannen, drukt u op de toets [Kleur starten]. Afhankelijk van de instelling van het apparaat, zult u het volgende scherm op het display zien. Als het apparaat in de scanmodus zwart-wit halftoon staat: Als het apparaat in de scanmodus kleur of grijswaarden staat: 162
Basisprocedures voor het opslaan van scanbestanden op een USB-geheugenopslagapparaat 7. Druk op de selectietoets die overeenkomt met de gewenste bestandsindeling en druk vervolgens op [OK]. Afhankelijk van de instellingen van het apparaat, ziet u het volgende scherm op het display wanneer u vanaf de glasplaat scant. Als u dit scherm ziet, ga dan verder met de volgende stap. 8. Als u meer originelen wilt scannen, plaats dan het volgende origineel op de glasplaat en druk op [Ja]. Herhaal deze stap totdat alle originelen zijn gescand. 9. Als alle originelen gescand zijn, drukt u op [Nee] om te beginnen met het versturen van het gescande bestand. 10. Wacht tot "Proces voltooid" op het scherm wordt weergegeven. Gescande bestanden worden opgeslagen in de hoofdmap van het USBgeheugenopslagapparaat. 11. Verwijder het USB-geheugenopslagapparaat uit het apparaat. Als u het scannen wilt annuleren, drukt u op de [Wis/Stop]-knop. De scanbestanden worden genegeerd. U kunt het apparaat configureren zodat er gescand wordt in halftoon zwart-wit of in grijswaarden door de instelling [Z/W-scanmodus] onder [Scannereigenschappen] te wijzigen. Voor meer informatie over [Z/W-scanmodus], zie Pag. 237 "Instellingen scannereigenschappen". Als de instelling [Onbeperkt scannen] onder de [Scannereigenschappen] is ingeschakeld, kunt u herhaaldelijk originelen op de glasplaat leggen in één enkele scanprocedure. Voor meer informatie over [Onbeperkt scannen], zie Pag. 237 "Instellingen scannereigenschappen". Als de instelling [Enk./Meerd. pagina's] onder de scannerinstellingen is ingesteld op [Meerdere pagina's], kunt u meerdere pagina's scannen om één enkel PDF- of TIFF-bestand te maken met alle pagina's. Als u JPEG als bestandsindeling heeft gekozen, wordt er voor elke gescande pagina apart een bestand aangemaakt. Voor meer informatie over [Enk./Meerd. pagina's], zie Pag. 237 "Instellingen scannereigenschappen". Als papier in de ADF vastloopt, wordt de scantaak gepauzeerd. Om de huidige taak te hervatten, dient het vastgelopen papier verwijderd te worden en kunnen de originelen vanaf de vastgelopen pagina worden gescand. Voor meer informatie over het verwijderen van vastgelopen papier in de ADF, zie Pag. 375 "Vastgelopen papier in de scanner verwijderen". 163
5. Originelen scannen Basisbewerking voor Ricoh Scan Utility DUE297 1. Uw computer (waarop Ricoh Scan Utility al is geïnstalleerd) Geef het apparaat de opdracht om het origineel dat in het apparaat is geplaatst, te scannen. 2. Dit apparaat Het origineel dat in het apparaat is geplaatst, is gescand en de gegevens zijn verzonden naar de clientcomputer. Voorbereidingen voor het gebruik van Ricoh Scan Utility Dit onderdeel beschrijft de voorbereidingen die nodig zijn voor scannen met de Ricoh Scan Utility. Ga als volgt te werk om de Ricoh Scan Utility te gebruiken: Zorg ervoor dat het apparaat is verbonden met de netwerkomgeving Configureer de netwerkinstellingen onder [Netwerkinstellingen]; Installeer Ricoh Scan Utility. Om de USB-poort te gebruiken, installeert u eerst de TWAIN- en WIA-stuurprogramma's die op de meegeleverde cd-rom staan. Ricoh Scan Utility gebruiken om naar een computer te scannen 1. Plaats de originelen. 2. Klik in het menu [Start] op [Alle programma's]. 3. Klik op [SP 260 Series Software Utilities]. 4. Klik op [Ricoh Scan Utility for SP 260 Series]. Ricoh Scan Utility start op. 164
Basisbewerking voor Ricoh Scan Utility 5. Klik op [Apparaat selecteren] en selecteer vervolgens de scanner die u wilt gebruiken. Selecteer de scanner door het IP-adres op te geven of door op [Netwerkscanner zoeken] te drukken en maak uw selectie uit de weergegeven lijst. 6. Op het tabblad [Algemeen] stelt u instellingen in op basis van de origineeltypen, het scannen en de origineelrichting. 7. Op het tabblad [Opties] stelt u de bestandsindeling en de map in waarin u het bestand wilt opslaan. 8. Klik op [Scannen]. 9. Nadat alle originelen zijn gescand, klikt u op [Afsluiten]. Instellingen die u kunt configureren in het dialoogvenster van Ricoh Scan Utility Tabblad [Algemeen] 1 2 3 4 5 6 7 DUE340 1. Scanner: Selecteer de scanner die u wilt gebruiken. 2. Origineel: Selecteer [Glasplaat] om vanaf de glasplaat te scannen of [Automatische documentinvoer] om via de ADF te scannen. 165
5. Originelen scannen 3. Type origineel Selecteer afhankelijk van uw origineel een instelling uit het overzicht met opties dat hieronder staat of selecteer [Aangepast...] om uw eigen scaninstellingen te configureren. [Scanmod.:], [Resolutie:] en [Formaat:] onder [Scanconfiguratie] veranderen in overeenstemming met de instelling van het origineeltype die u hier heeft geselecteerd. Als u de glasplaat gebruikt: [Tekst bewerken (OCR)] [Faxen, archiveren of kopiëren] [Zwart-wit foto] [Kleurendocument - Sneller] [Kleurendocument - Betere kwaliteit] [Aangepast...] Als u de ADF gebruikt: 4. Scanmod.: [ADF - Sneller] [ADF - Beter] [ADF - Grijs] [Aangepast...] Kies uit kleur, grijswaarden of zwart-wit. 5. Resolutie: Selecteer een resolutie in de lijst. 100, 200, 300, 600 dpi 6. Formaat: Selecteer het scanformaat. Als u [Voorkeur...] selecteert, voer dan rechtstreeks het scanformaat in het bewerkingsvenster in. Ook kunt u het scanformaat met uw muis in het voorbeeldgebied wijzigen. U kunt kiezen uit de volgende meeteenheden: [cm], [inch] of [pixels]. 7. Dubbelzijdig Vink het selectievakje aan als u beide zijden van het origineel wilt scannen en stel vervolgens de richting in. Deze functie is beschikbaar wanneer u het origineel in de ADF plaatst voor SP C262SFNw. 166
Basisbewerking voor Ricoh Scan Utility Tabblad [Opties] 1 2 3 DUE342 1. Scannen naar: Geeft de map op waar het bestand moet worden opgeslagen. 2. Voorvoegsel bestandsnaam: Geef het voorvoegsel van de bestandsnaam op. Na het voorvoegsel worden opvolgende nummers toegewezen. Als bijvoorbeeld [Voorvoegsel bestandsnaam:] Scan is, worden de bestandsnamen Scan001, Scan002, enz. 3. Indeling: Selecteer de bestandsindeling van het gescande document: JPEG, TIFF of PDF. Ricoh SP C260 series Scan gebruiken om vanaf een smartphone of tablet te scannen Ricoh SP C260 series Scan is een toepassing waarmee u de functie Ricoh Scan Utility kunt gebruiken vanaf een smartphone of tablet. Door de toepassing Ricoh SP C260 series Scan te gebruiken, kunt u scaninstellingen opgeven en beginnen met scannen vanaf uw smartphone of tablet. Ook kunt u gegevens die op het apparaat zijn gescand naar uw smartphone of tablet versturen. De toepassing Ricoh SP C260 series Scan kan eenvoudig verbinding maken met een apparaat door een smartphone of tablet te gebruiken om een NFC-tag (uitsluitend Android) of QR-code uit te lezen. 167
5. Originelen scannen Instellingen die u kunt configureren in het dialoogvenster van Ricoh SP C260 series Scan Origineel Selecteer [Glasplaat] om vanaf de glasplaat te scannen. Selecteer [ADF] (bij gebruik van SP C260SFNw) of [DADF] (bij gebruik van SP C262SFNw) om via de ADF te scannen. Modus Kies tussen kleur of grijstinten. Resolutie Selecteer een resolutie in de lijst. 200, 300, 600 dpi Formaat Selecteer het scanformaat. A4, Letter, A5, A6 (bij gebruik van de glasplaat), Legal (bij gebruik van de ADF). Dubbelzijdig Geef de richting op wanneer u beide kanten van het origineel scant. Deze functie is beschikbaar wanneer u het origineel in de ADF plaatst voor SP C262SFNw. Bestandsindeling Selecteer de bestandsindeling van het gescande document uit JPEG, TIFF of PDF. Gescande bestanden worden op de volgende locaties opgeslagen: Android-smartphone of -tablet: interne opslag van het apparaat ios-smartphone of -tablet: JPEG/TIFF: Map [Foto] PDF: U moet de toepassing selecteren om het bestand te openen. Voor meer informatie over hoe u verbinding maakt met het apparaat via een smartphone of tablet met behulp van NFC, zie Pag. 48 "Verbinden van een smartphone/tablet met de machine met gebruik van NFC". 168
Basisbewerking voor TWAIN-scannen Basisbewerking voor TWAIN-scannen In dit onderdeel vindt u meer informatie over de basisbewerkingen voor TWAIN-scannen. TWAIN-scannen is mogelijk als uw computer over een toepassing beschikt die TWAIN ondersteunt. DUE297 1. Uw computer (waarop het TWAIN-stuurprogramma al is geïnstalleerd) Geef het apparaat de opdracht om het origineel dat in het apparaat is geplaatst, te scannen. 2. Dit apparaat Het origineel dat in het apparaat is geplaatst, is gescand en de gegevens zijn verzonden naar de clientcomputer. TWAIN-scanner gebruiken In dit gedeelte worden de voorbereidingen voor het gebruik van de TWAIN-scanner beschreven. Om de TWAIN-scanner te kunnen gebruiken, moet u het TWAIN-stuurprogramma installeren dat u op de meegeleverde cd-rom vindt. Als u een TWAIN-scanner wilt gebruiken, dient er een TWAIN-compatibele toepassing te worden geïnstalleerd. Om het apparaat als TWAIN-scanner te gebruiken, volgt u eerst deze stappen: Installeer het TWAIN-stuurprogramma. Installeer een TWAIN-compatibele toepassing. TWAIN-scannen TWAIN-scannen is mogelijk als uw computer over een toepassing beschikt die TWAIN ondersteunt. 169
5. Originelen scannen Hieronder staat een scanprocedure met het TWAIN-stuurprogramma. De feitelijke werking kan verschillen, afhankelijk van de toepassingen die u gebruikt. Voor meer informatie, zie de Help-functie van de toepassing. 1. Start een TWAIN-compatibele toepassing. 2. Plaats de originelen. 3. Open het dialoogvenster Scannercontrole. Het dialoogvenster Scanner Control wordt gebruikt om de scanner te bedienen met het TWAINstuurprogramma. Om het dialoogvenster Scanner Box te openen, selecteert u de juiste TWAINscanner met de TWAIN-compatibele toepassing. Voor meer informatie, zie de Help-functie van de toepassing. 4. Geef de instellingen op aan de hand van criteria zoals het soort origineel, soort scan en de afdrukrichting van het origineel. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het TWAIN-stuurprogramma. 5. Klik in het dialoogvenster Scanner Control op [Scannen]. Als u op [Scannen] drukt, wordt er, afhankelijk van de beveiligingsinstellingen, een dialoogvenster geopend waarin u de gebruikersnaam en het wachtwoord kunt opgeven. Als er nog meer originelen moeten worden gescand, plaatst u het volgende origineel en klikt u vervolgens op [Doorgaan]. Als er geen originelen meer hoeven te worden gescand, klikt u op [Voltooien]. 170
Basisbewerking voor TWAIN-scannen Instellingen die u in het TWAIN-dialoogvenster kunt configureren: 1 2 3 4 5 6 7 DUE341 1. Scanner: Selecteer de scanner die u wilt gebruiken. De scanner die u selecteert, wordt de standaardscanner. Klik op [Verversen] om alle beschikbare scanners te zien die via USB of op het netwerk zijn aangesloten. 2. Origineel: Selecteer [Reflecterend] om vanaf de glasplaat te scannen of [Autom. Document Toevoer] om vanuit de ADF te scannen. 3. Type origineel Selecteer afhankelijk van uw origineel een instelling uit het overzicht met opties dat hieronder staat of selecteer [Aangepast...] om uw eigen scaninstellingen te configureren. [Modus], [Resolutie] en [Formaat] onder [Scanconfiguratie] wijzigen in overeenstemming met de instelling van het origineeltype die u hier heeft geselecteerd. Als u de glasplaat gebruikt: [Tekst Redigeren (OCR)] [Faxen, archiveren of kopiëren] [Zwart-wit foto] [Kleurendocument - Snel] [Kleurendocument - Betere kwaliteit] [Aangepast...] Als u de ADF gebruikt: [ADF - Sneller] 171
5. Originelen scannen 4. Modus: [ADF - Beter] [ADF - Grijs] [Aangepast...] Kies uit kleur, grijswaarden of zwart-wit. 5. Resolutie: Selecteer een resolutie in de lijst. Als u [Voorkeur...] selecteert, voer dan rechtstreeks een resolutiewaarde in het bewerkingsvenster in. Let op dat met het verhogen van de resolutie ook de grootte van het bestand en de scantijd oploopt. Te selecteren resoluties kunnen variëren afhankelijk van waar het origineel wordt geplaatst. Als u de glasplaat gebruikt: 75, 100, 150, 200, 300, 400, 500, 600, 1200, 2400, 4800, 9600, 19200 dpi, Voorkeur... Als u de ADF gebruikt: 6. Formaat: 75, 100, 150, 200, 300, 400, 500, 600 dpi, Voorkeur... Selecteer het scanformaat. Als u [Voorkeur...] selecteert, voer dan rechtstreeks het scanformaat in het bewerkingsvenster in. Ook kunt u het scanformaat met uw muis in het voorbeeldgebied wijzigen. U kunt kiezen uit de volgende meeteenheden: [cm], [inch] of [pixels]. Te selecteren resoluties kunnen variëren afhankelijk van waar het origineel wordt geplaatst. Raadpleeg voor meer informatie de Help-functie van het TWAIN-stuurprogramma. 7. Scantaak: (bij gebruik van de glasplaat) Geeft maximaal 10 vorig gebruikte scangebieden weer. Om een scantaak te verwijderen selecteert u het nummer van de taak en klikt u vervolgens op [Verwijd.]. Als u [AutoCrop] selecteert, detecteert de scanner automatisch het formaat van uw origineel. Als de scangegevens groter zijn dan de geheugencapaciteit, zal er een foutmelding worden weergegeven en wordt het scannen geannuleerd. Als dit gebeurt, geef dan een lagere resolutie op en scan het origineel opnieuw. 172
Basisbewerking voor WIA-scannen Basisbewerking voor WIA-scannen 1. Plaats het origineel op de glasplaat of in de ADF. 2. Klik op uw computer in het menu [Start] op [Apparaten en printers]. 3. Klik met de rechtermuisknop op het pictogram van het printermodel dat u wilt gebruiken en klik vervolgens op [Scan starten] om het dialoogvenster voor de scaninstellingen te openen. 4. Configureer in het dialoogvenster de scaninstellingen indien nodig en klik vervolgens op [Scannen]. 5. Klik op [Import]. 173
5. Originelen scannen Basishandelingen voor ICA-scannen In dit onderdeel vindt u meer informatie over de basishandelingen voor ICA-scannen. U kunt de ICA-scanner zowel via USB- en netwerkverbindingen gebruiken. ICA-stuurprogramma installeren 1. Download het stuurprogramma van de website. 2. Open het package-bestand. 3. Volg de instructies op het scherm. De ICA-scanner gebruiken In deze paragraaf worden de voorbereidingen en de procedure voor het gebruik van de ICA-scanner beschreven. Om de netwerkverbinding te gebruiken, configureert u de netwerkinstellingen. Installeer een toepassing die aan ICA voldoet. ICA-scannen Als voorbeeld voor de instelprocedures wordt het besturingssysteem OS X 10,11 gebruikt. De werkelijke procedure kan anders zijn, afhankelijk van de OS X-versie die u gebruikt. 1. Plaats het origineel op de glasplaat of in de ADF. 2. Start System Preferences op. 3. Klik op [Printers & Scanners]. 4. Selecteer de scanner die u wilt gebruiken in de lijst. 5. Selecteer [Open scanner] onder de [Scan]-toets. 174
Basishandelingen voor ICA-scannen Instellingen die u in het ICA-dialoogvenster kunt configureren 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 DQT003_NL 1. Scanmodus: Selecteer waar het origineel zich bevindt. Flatbed Als het origineel op de glasplaat ligt, kiest u [Glasplaat]. Documentinvoereenheid Wanneer het document in de ADF is geplaatst, selecteert u [Documentinvoereenheid]. 2. Soort: Stel het soort origineel in op [Tekst], [Zwart & wit], of [kleur]. [Tekst] is geschikt voor het scannen van originelen die voornamelijk tekst bevatten. 3. Resolutie: Selecteer een resolutie in de lijst. Let op dat met het verhogen van de resolutie ook de grootte van het bestand en de scantijd oploopt. Te selecteren resoluties kunnen variëren afhankelijk van waar het origineel wordt geplaatst. Als u de glasplaat gebruikt: 75, 100, 150, 200, 300, 400, 500, 600, 1200, 2400, 4800 dpi Als u de ADF gebruikt: 75, 100, 150, 200, 300, 400, 500, 600 dpi 4. Formaat: Geef het papierformaat van het origineel op. Wanneer [Gebruik aangepast formaat] wordt geselecteerd, kunt u in [Formaat] de breedte en hoogte opgeven van het origineel dat moet worden gescand. U kunt deze afmetingen opgeven in pixels, inches of centimeters. Wanneer [Gebruik aangepast formaat] niet wordt geselecteerd, selecteert u het formaat en de oriëntatie van het origineel. 175
5. Originelen scannen 5. Rotatiehoek: U kunt opgeven hoeveel graden de scanafbeelding met de klok mee wordt geroteerd. 6. Automatische selectie: Detecteren van afzonderlijke items U kunt meerdere originele samen scannen en elke scanafbeelding als een afzonderlijk bestand opslaan. Detecteren van omhulling U kunt meerdere originelen scannen die op de glasplaat zijn geplaatst en hun scanafbeeldingen opslaan als een enkel bestand. 7. Scannen naar: Selecteer waar de scangegevens worden opgeslagen. 8. Naam: Geef de scangegevens een naam. 9. Indeling: Selecteer de indeling van de scangegevens. TIFF PNG PDF JPEG JPEG 2000 BMP 10. Afbeeldingscorrectie: Door het selecteren van [Handmatig], verschijnt de [Drempelwaarde] en kunt u instellingen zoals helderheid en contrast opgeven. 11. Details verbergen Klik om de instellingen te verbergen. 12. Overzicht Klik voor een voorbeeld van de scanafbeelding. 13. Scannen Klik hierop om te beginnen met scannen. Als de scangegevens groter zijn dan de geheugencapaciteit, zal er een foutmelding worden weergegeven en wordt het scannen geannuleerd. Als dit gebeurt, geef dan een lagere resolutie op en scan het origineel opnieuw. 176
SANE-scannen gebruiken SANE-scannen gebruiken Met dit stuurprogramma kunt u afbeeldingen scannen en bewerkingen met behulp van SANEcompatibele software. 177
5. Originelen scannen Scaninstellingen opgeven voor het scannen Als u een scanbestemming opgeeft, zullen de scaninstellingen van het apparaat automatisch worden gewijzigd aan de hand van de informatie die voor die bestemming in het adresboek is geregistreerd. Indien nodig kunt u de scaninstellingen voor de huidige taak via het bedieningspaneel wijzigen. Het apparaat handhaaft de vooraf ingestelde scaninstellingen voor de huidige bestemming totdat het apparaat naar de standbymodus terugkeert. Het wijzigen van de vooraf ingestelde scaninstellingen voor de huidige bestemming verandert de informatie die in het Adresboek is opgeslagen niet. Als u de laatst gebruikte bestemming opgeeft, worden de vooraf ingestelde scaninstellingen opnieuw actief, zelfs als u de instellingen heeft veranderd voor de voorgaande taak. Het scanformaat opgeven aan de hand van het formaat van het origineel In dit onderdeel wordt beschreven hoe u het scanformaat kunt opgeven aan de hand van het huidige origineel. 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Scanner] op het [Home]-scherm. 3. Selecteer het tabblad voor de gewenste bestemming. 4. Druk op [Adresboek]. 5. Selecteer de gewenste bestemming en druk vervolgens op [OK]. 6. Druk op [Scaninstelling]. 7. Druk op [Scanformaat... ]. 8. Selecteer het formaat van het origineel en druk vervolgens op [OK]. Als u iets anders heeft geselecteerd dan [Ang.fr], hoeft u de verdere stappen van de procedure niet uit te voeren. 178
Scaninstellingen opgeven voor het scannen 9. Selecteer [mm] of [inch]. 10. Druk op [Stel breedte in... ]. 11. Voer de breedte in en druk vervolgens op [OK]. 12. Druk op [Stel lengte in... ]. 13. Voer de lengte in en druk vervolgens op [OK]. 14. Controleer of het scanformaat dat u heeft ingevoerd wordt weergegeven en druk op [OK]. U kunt de standaardinstelling [Scanformaat] van het apparaat zo instellen dat alle originelen worden gescand met een bepaald scanformaat. Voor meer informatie, zie Pag. 237 "Instellingen scannereigenschappen". Tijdelijke taakinstellingen worden in de volgende gevallen gewist: Als er geen invoer wordt ontvangen gedurende de tijdsperiode die is opgegeven in [Reset systeem timer] terwijl het initiële scherm wordt weergegeven. Voor meer informatie, zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Als er op de [Wis/Stop]-knop wordt gedrukt terwijl het beginscherm wordt weergegeven. Als de modus van het apparaat wordt veranderd. Als het apparaat wordt uitgeschakeld. Als de standaardinstelling van het apparaat voor dezelfde instelling wordt gewijzigd. Afbeeldingsbelichting aanpassen In dit onderdeel wordt beschreven hoe u de afbeeldingsbelichting voor de huidige taak aanpast. Er zijn vijf afbeeldingsbelichtingsniveaus. Hoe hoger het belichtingsniveau, hoe donkerder de gescande afbeelding. 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Scanner] op het [Home]-scherm. 179
5. Originelen scannen 3. Selecteer het tabblad voor de gewenste bestemming. 4. Druk op [Adresboek]. 5. Selecteer de gewenste bestemming en druk vervolgens op [OK]. 6. Druk op [Scaninstelling]. 7. Druk op [ ] of [ ] om het gewenste belichtingsniveau te selecteren en druk vervolgens op [OK]. U kunt de standaardinstelling [Dichth.] van het apparaat zo instellen dat alle scans worden gemaakt met een bepaald belichtingsniveau. Voor meer informatie, zie Pag. 237 "Instellingen scannereigenschappen". Tijdelijke taakinstellingen worden in de volgende gevallen gewist: Als er geen invoer wordt ontvangen gedurende de tijdsperiode die is opgegeven in [Reset systeem timer] terwijl het initiële scherm wordt weergegeven. Voor meer informatie, zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Als er op de [Wis/Stop]-knop wordt gedrukt terwijl het beginscherm wordt weergegeven. Als de modus van het apparaat wordt veranderd. Als het apparaat wordt uitgeschakeld. Als de standaardinstelling van het apparaat voor dezelfde instelling wordt gewijzigd. Resolutie opgeven In dit onderdeel wordt beschreven hoe u de scanresolutie voor de huidige taak kunt opgeven. Er zijn zes instellingen voor de resolutie. Hoe hoger de resolutie, hoe hoger de kwaliteit en hoe groter het bestand. 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Scanner] op het [Home]-scherm. 3. Selecteer het tabblad voor de gewenste bestemming. 180
Scaninstellingen opgeven voor het scannen 4. Druk op [Adresboek]. 5. Selecteer de gewenste bestemming en druk vervolgens op [OK]. 6. Druk op [Scaninstelling]. 7. Druk op [Resolutie... ]. 8. Selecteer de gewenste resolutie en druk vervolgens op [OK]. 9. Controleer of de resolutie die u heeft ingevoerd wordt weergegeven en druk op [OK]. U kunt de standaardinstelling [Resolutie] van het apparaat zo instellen dat er altijd wordt gescand met een bepaald resolutieniveau. Voor meer informatie, zie Pag. 237 "Instellingen scannereigenschappen". Tijdelijke taakinstellingen worden in de volgende gevallen gewist: Als er geen invoer wordt ontvangen gedurende de tijdsperiode die is opgegeven in [Reset systeem timer] terwijl het initiële scherm wordt weergegeven. Voor meer informatie, zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Als er op de [Wis/Stop]-knop wordt gedrukt terwijl het beginscherm wordt weergegeven. Als de modus van het apparaat wordt veranderd. Als het apparaat wordt uitgeschakeld. Als de standaardinstelling van het apparaat voor dezelfde instelling wordt gewijzigd. 181
182 5. Originelen scannen
6. Een fax verzenden en ontvangen In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u de faxfunctie kunt gebruiken en hoe u de instellingen moet opgeven. Wat u met de faxfunctie kunt doen Ontvangen faxen doorsturen om ze te ontvangen op een andere plaats Door ontvangen faxen door te sturen naar een e-mailadres of een map kunt u ze altijd en overal ontvangen. Voor meer informatie, zie Pag. 222 "Faxen in het geheugen doorsturen of opslaan". DUE299 Faxen verzenden via data om papier te besparen Door een LAN-faxstuurprogramma te gebruiken, kunt u documenten verzenden vanaf uw computer zonder ze af te drukken. Voor meer informatie, zie Pag. 209 "De faxfunctie gebruiken vanaf een computer (LAN-fax)". DUE300 faxen versturen via het internet Met deze functie kunt u gescande documenten converteren naar TIFF-bestanden en deze als e- mailbijlage versturen naar e-mailadressen. Deze functie is alleen beschikbaar voor de SP C262SFNw. Voor meer informatie, zie Pag. 195 "Internetfaxverzending". 183
6. Een fax verzenden en ontvangen Workflows voor het instellen van de fax In dit gedeelte worden de voorbereidingen en procedures uitgelegd om fax documenten te verzenden naar een map op een clientcomputer. Nadat u de onderstaande procedures heeft gevolgd, kunt u faxdocumenten van het apparaat naar een gedeelde map op een clientcomputer verzenden. Sluit het apparaat aan op een telefoonlijn. Stel datum en tijd in. Geef het type van de telefoonlijn op. Selecteer een externe lijn of een toestelnummer. Geef het nummer van de externe lijn op. *1 Geef de ontvangstmodus op. *1 Opgeven bij gebruik van een doorschakellijn of een PBX. Stappenplan Referentie Zie de Installatiehandleiding. Voor meer informatie over het selecteren van de ontvangstmodi, zie Pag. 216 "Ontvangstmodus selecteren". 184
Faxapparaatscherm Faxapparaatscherm In dit onderdeel staat informatie over het scherm in de faxmodus. Scherm in standby-modus 1 2 3 4 5 6 13 7 8 9 12 11 10 DUE314 1. Huidige status of mededelingen Toont de huidige status of meldingen. 2. Fax en Internetfax Druk op het betreffende tabblad om te schakelen tussen het [Fax] ( )-scherm en [Internetfax] ( )- scherm. Wanneer het tabblad [Fax] ( Wanneer het tabblad [Internetfax] ( 3. [Dir.kz.] ) wordt geselecteerd, kunt u faxbestemmingen opgeven. ) is geselecteerd, kunt u Internetfax-bestemmingen opgeven. Hiermee kunt u een nummer bellen terwijl u naar de toon van de interne luidspreker luistert. U kunt zo tijdens het verzenden van een fax de verbinding controleren. 4. [Directe TX] Druk hierop om de modus Directe verzending te selecteren. Voor meer informatie, zie Pag. 194 "Verzendingsmodus selecteren". 5. Pictogram favoriete item Druk hierop om de huidige instelling als favoriet item te registreren. 6. [TX-bestand] Druk hierop om de lijst met verzendbestanden in het geheugen weer te geven. 7. [Rx-bestand] Druk hierop om de lijst met ontvangen bestanden in het geheugen weer te geven. 185
6. Een fax verzenden en ontvangen 8. Huidige instellingen Geeft de huidige instellingen voor dubbelzijdig, resolutie en belichting weer. 9. [Verz.instellingen] Druk hierop om scaninstellingen op te geven. 10. [Opn. kiezen] Druk hierop om bestemmingen uit recente bestemmingen te selecteren. Tijdens het invoeren van een bestemming drukt u op deze toets om een pauze in te lassen. 11. [Handm. invoer] Druk hierop om handmatig bestemmingen op te geven. 12. [Adresboek] Druk hierop om bestemmingen te selecteren die op het apparaat zijn geregistreerd. 13. Ingevoerd nummer Geeft het ingevoerde nummer van een bestemming weer. De standaardmodus van het apparaat als hij wordt aangezet, kan worden opgegeven bij [Functieprioriteit] onder [Beh. Toepas.]. Voor meer informatie over [Functieprioriteit], zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Hoe de tijd en datum worden weergegeven, kan worden opgegeven in [Datum/tijd instellen] onder [Beh. Toepas.]. Voor meer informatie over het instellen van de datum en tijd, zie Pag. 187 "De datum en de tijd instellen". Als het waarschuwingsindicatielampje knippert op het initiële faxscherm, druk dan op de [Home]- knop, druk op het pictogram [Status] en controleer het weergegeven bericht. 186
De datum en de tijd instellen De datum en de tijd instellen 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Instel.] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Beheerderstoepass.]. 4. Als u om een wachtwoord wordt gevraagd, voer het wachtwoord dan met de cijfertoetsen in en druk vervolgens op [OK]. 5. Druk op [Datum/tijd instellen]. 6. Druk op [Datum instellen]. 7. Druk op het vak. 8. Voer de huidige datum in en druk vervolgens op [OK]. 9. Controleer of de datum die u heeft ingevoerd, wordt weergegeven en druk vervolgens op [OK]. 10. Druk op [Tijd instellen]. 11. Druk op het vak. 12. Voer de huidige tijd in en druk vervolgens op [OK]. 13. Controleer of de tijd die u heeft ingevoerd wordt weergegeven en druk op [OK]. 14. Druk op de toets [Home]. U kunt een wachtwoord voor toegang naar het menu [Beheerderstoepassingen] instellen onder [Vergr. beh.toepass]. Voor meer informatie over [Vergr. beh.toepass.], zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". 187
6. Een fax verzenden en ontvangen Registreren faxbestemmingen Dit onderdeel beschrijft hoe u faxbestemmingen kunt registreren in het Adresboek via het bedieningspaneel. Voor meer informatie over het invoeren van tekens, zie Pag. 44 "Tekens invoeren". Het Adresboek kan ook met behulp van Web Image Monitor worden bewerkt. De gegevens in het Adresboek kunnen beschadigd zijn of onverwacht verloren gaan. De fabrikant aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade die optreedt als gevolg van dergelijk verlies van gegevens. Zorg ervoor dat u regelmatig een back-up maakt van bestanden met Adresboekgegevens. Voor meer informatie over het aanmaken van back-upbestanden, zie Pag. 322 "De beheerderinstellingen configureren". U kunt tot 220 bestemmingen opslaan in het adresboek (20 snelkeuzebestemmingen en 200 verkorte kiesbestemmingen). Faxbestemmingen registreren met het bedieningspaneel 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Instel.] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Adresboek]. 4. Als u om een wachtwoord wordt gevraagd, voer het wachtwoord dan met de cijfertoetsen in en druk vervolgens op [OK]. 5. Selecteer [Snelkieslijst] of [Verkorte keuzelijst]. 6. Selecteer het aantal snelkeuzes of verkorte kiesbestemmingen die u wilt registreren. 7. Druk op het vak naast [Naam:]. 8. Voer de faxnaam in en druk vervolgens op [OK]. 9. Druk op het vak naast [Nummer:]. 10. Voer het faxnummer in en druk op [OK]. 188
Registreren faxbestemmingen 11. Bevestig de instelling en druk vervolgens op [OK]. 12. Druk op de toets [Home]. Voor meer informatie over het invoeren van tekens, zie Pag. 44 "Tekens invoeren". Een faxnummer kan de volgende tekens bevatten: cijfers 0 t/m 9, pauze, " ", " " en spatie. Voer indien nodig een pauze in het faxnummer in. Het apparaat pauzeert kort voordat het de cijfers na de pauze kiest. U kunt de pauzetijd bepalen via de instelling [Pauzetijd] onder [Verzend.instelling]. Voor meer informatie over [Pauzetijd], zie Pag. 239 "Instellingen van faxeigenschappen". Om toondiensten op een kiestoonlijn te gebruiken, voert u een " " in het faxnummer in. " " verandert de modus tijdelijk van pulstoon naar kiestoon. Als het apparaat via een PBX op het telefoonnetwerk is aangesloten, dient u ervoor te zorgen dat het externe lijntoegangsnummer is opgegeven in [PBX-toegangsnummer] voor het faxnummer. Voor meer informatie over [PBX-toegangsnummer], zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Gebruik Web Image Monitor om een internetfaxbestemming (een e-mailadres) te registreren. Voor meer informatie over het registreren van een internetfaxbestemming, zie Pag. 188 "Registreren faxbestemmingen". U kunt een wachtwoord voor toegang naar het menu [Adresboek] instellen onder [Vergr. beh.toepass]. Voor meer informatie over [Vergr. beh.toepass.], zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Faxbestemmingen wijzigen of verwijderen 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Instel.] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Adresboek]. 189
6. Een fax verzenden en ontvangen 4. Als u om een wachtwoord wordt gevraagd, voer het wachtwoord dan met de cijfertoetsen in en druk vervolgens op [OK]. 5. Selecteer [Snelkieslijst] of [Verkorte keuzelijst]. 6. Selecteer het nummer uit de snelkiezenlijst of verkorte keuzelijst dat u wilt aanpassen of verwijderen. 7. Druk op het vak naast [Naam:]. 8. Voer de faxnaam in en druk vervolgens op [OK]. Als u de faxnaam wilt verwijderen, drukt u op [ 9. Druk op het vak naast [Nummer:]. 10. Voer het faxnummer in en druk op [OK]. Als u het faxnummer wilt verwijderen, drukt u op [ verwijderd. 11. Bevestig de instelling en druk vervolgens op [OK]. 12. Druk op de toets [Home]. ] of [C] totdat de huidige naam is verwijderd. ] of [C] totdat het huidige nummer is Voor meer informatie over het invoeren van tekens, zie Pag. 44 "Tekens invoeren". Faxbestemmingen registreren met Web Image Monitor 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres ervan in te vullen. 2. Klik op [Snelkeuzebestemming] of [Verkorte faxkiesnummer-bestemming]. 3. Selecteer [Fax] in de lijst [Bestemmingstype]. 4. Selecteer [Snelkeuzenummer] of [Verkort kiesnummer] en selecteer vervolgens het registratienummer in de lijst. 5. Registreer informatie indien nodig. 6. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 7. Klik op [Toepassen]. 8. Sluit de internetbrowser. 190
Registreren faxbestemmingen Instellingen voor faxbestemmingen Item Instelling Beschrijving Snelkeuzenummer / Verkort kiesnummer Naam Faxnummer E-mailadres Vereist Optioneel Vereist Optioneel Selecteer het nummer waaraan u een snelkeuzebestemming of een verkorte bestemming wilt toewijzen. Naam van de bestemming. De naam die u hier opgeeft, wordt weergegeven op het scherm als u een faxbestemming selecteert. Kan tot 20 tekens bevatten. Faxnummer van de bestemming. Kan tot 40 tekens bevatten. Als het apparaat via een PBX op het telefoonnetwerk is aangesloten, dient u ervoor te zorgen dat het externe lijntoegangsnummer is opgegeven in [PBXtoegangsnummer] voor het faxnummer. Voor meer informatie over [PBX-toegangsnummer], zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". E-mailadres van de bestemming van de internetfax. Kan tot 64 tekens bevatten. Deze instelling is alleen beschikbaar op de SP C262SFNw. Een faxnummer mag uit de volgende tekens bestaan: 0 tot en met 9, "P" (pauze), " ", " ", "-" en spatie. Voer indien nodig een pauze in het faxnummer in. Het apparaat pauzeert kort voordat het de cijfers na de pauze kiest. U kunt de pauzetijd bepalen via de instelling [Pauzetijd] onder [Verzend.instelling]. Voor meer informatie over [Pauzetijd], zie Pag. 239 "Instellingen van faxeigenschappen". Voor meer informatie over Web Image Monitor, zie Pag. 281 "Het apparaat configureren met hulpprogramma's". 191
6. Een fax verzenden en ontvangen Om toondiensten op een kiestoonlijn te gebruiken, voert u een " " in het faxnummer in. " " verandert de modus tijdelijk van pulstoon naar kiestoon. Faxbestemmingen aanpassen 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres ervan in te vullen. 2. Klik op [Snelkeuzebestemming] of [Verkorte faxkiesnummer-bestemming]. Als u de verkorte kiesbestemming wijzigt, ga dan verder met stap 4. 3. Klik op [Verkorte faxkiesnummer-bestemming]. 4. Selecteer de gebruiker die u wilt wijzigen en klik vervolgens op [Wijzigen]. Als u de invoer wilt verwijderen, klikt u op [Verwijderen]. 5. Wijzig de instellingen indien nodig. Bevestig de invoer die u heeft geselecteerd om deze te verwijderen. 6. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 7. Klik op [Toepassen]. 8. Sluit de internetbrowser. Voorkomen dat documenten naar de verkeerde bestemming worden verstuurd Als u wilt voorkomen dat documenten worden verstuurd naar de verkeerde bestemming, kunt u het apparaat zo instellen dat gebruikers de bestemming twee keer moeten invoeren, of dat de ingevoerde bestemming voorafgaand aan de verzending wordt getoond. Voer een faxnummer nogmaals in om de bestemming te bevestigen Voer het faxnummer opnieuw in om te bevestigen dat de bestemming correct is. De verzending wordt uitgeschakeld als het faxnummer dat ter bevestiging wordt ingevoerd niet overeenkomt met het eerste faxnummer. Deze functie helpt voorkomen dat gebruikers per ongeluk faxberichten naar de verkeerde bestemming versturen. Deze functie is alleen beschikbaar wanneer er een beheerderswachtwoord is opgegeven. 192
Registreren faxbestemmingen 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Instel.] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Beheerderstoepass.]. 4. Als u om een wachtwoord wordt gevraagd, voer het wachtwoord dan met de cijfertoetsen in en druk vervolgens op [OK]. 5. Als u wordt gevraagd een wachtwoord in te voeren, voert u het wachtwoord in en drukt u vervolgens tweemaal op [OK]. 6. Druk twee keer op [ ]. 7. Druk op [Bevestiging faxnr.]. 8. Selecteer [Aan] of [Uit]. 9. Druk op de toets [Home]. U kunt een wachtwoord voor toegang naar het menu [Beheerderstoepassingen] instellen onder [Vergr. beh.toepass]. Voor meer informatie over [Vergr. beh.toepass.], zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". 193
6. Een fax verzenden en ontvangen Een fax verzenden Het is raadzaam de ontvanger te bellen en af te spreken wanneer belangrijke documenten worden verzonden. Verzendingsmodus selecteren Hieronder worden de verzendmodi van de faxfunctie uitgelegd en hoe u deze moet selecteren. Types verzendmodi Er zijn twee verzendtypes: Geheugenverzending Directe verzending De verzendmodus selecteren Welke modus krijgt prioriteit? Verwijder het origineel snel uit het apparaat. Verzend documenten onmiddellijk. Transmissie via het geheugen Onmiddellijke transmissie Hoeveel faxnummers heeft de bestemming? Meervoudig Enkelvoudig Transmissie via het geheugen Onmiddellijke transmissie Beschrijving van verzendmodi Geheugenverzending In deze modus zal het apparaat verschillende originelen naar het geheugen scannen en ze daarna tegelijkertijd versturen. Dit is handig wanneer u haast heeft en het document uit het apparaat wilt halen. In deze modus kunt u een fax naar meerdere bestemmingen versturen. Als de functie [Autom. opnieuw proberen] onder [Verzendinstell.] is ingeschakeld, belt het apparaat automatisch opnieuw naar de faxbestemming wanneer de lijn bezet is of wanneer zich een verzendfout voordoet. Het aantal keer dat een nummer opnieuw wordt geprobeerd, is vooraf ingesteld op twee of drie intervallen van vijf minuten, afhankelijk van de [Land]- instelling onder [Beheerderstoepassingen]. U kunt onder [Faxeigenschappen] de functie [Autom. opnieuw proberen] uitschakelen. Voor meer informatie, zie Pag. 239 "Instellingen van faxeigenschappen". Directe verzending 194
Een fax verzenden In deze modus scant het apparaat het origineel en wordt het tegelijkertijd gefaxt. Dit is erg handig als u snel een origineel wilt verzenden, of als u de bestemming wilt controleren waarnaar u verzendt. Het origineel wordt niet opgeslagen in het geheugen. U kunt slechts één bestemming opgeven. Indien de fax niet op een normale manier wordt ontvangen, verschijnt een foutmelding op het bedieningspaneel. De verzendmodus configureren 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Instel.] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Faxeigenschappen]. 4. Druk op [ ]. 5. Selecteer [Verzendinstell.]. 6. Druk op [Onmiddellijk verzenden]. 7. Selecteer [Uit], [Aan] of [Alleen volgende fax]. Voor geheugenverzending selecteert u [Uit]. Voor directe verzending selecteert u [Aan] of [Uitsluitend volgende fax]. 8. Druk op de toets [Home]. Internetfaxverzending U kunt een fax verzenden via het internet. Als u faxen naar internetfaxbestemmingen stuurt, converteert het apparaat gescande afbeeldingen in bestanden van TIFF-F-formaat en verstuurt ze als bijlagen in een e-mail. Het beveiligingsniveau voor internetcommunicatie is laag. Het wordt aangeraden het telefoonnetwerk te gebruiken voor vertrouwelijke communicatie. Het bezorgen via internetfax kan vertraagd zijn als gevolg van drukte op het netwerk. Gebruik een telefoonlijn als de fax direct moet worden afgeleverd. 195
6. Een fax verzenden en ontvangen Deze functie is alleen beschikbaar voor de SP C262SFNw. De Internetfaxfunctie die door dit apparaat wordt ondersteund, is compatibel met ITU-T aanbeveling T.37 (eenvoudige modus). Om de internetfaxfunctie te kunnen gebruiken, dienen de netwerkinstellingen juist te worden geconfigureerd. Voor meer informatie over netwerkinstellingen, zie Pag. 307 "De netwerkinstellingen configureren". Het kan even duren voor de verzending van internetfaxen begint. Het apparaat heeft een bepaalde tijd nodig om gegevens in het geheugen te converteren voor de verzending ervan. Afhankelijk van de eigenschappen van de e-mailomgeving, kunt u wel of geen grote afbeeldingen faxen. De "Foto"-resolutie is niet beschikbaar voor internetfaxen. Faxen worden gestuurd met een "Detail"- resolutie als de "Foto"-resolutie is opgegeven. Als de faxen op een computer worden ontvangen, dient er een toepassing te worden geïnstalleerd waarmee de documenten kunnen worden bekeken. Basisbewerking voor het versturen van een fax Het origineel in de ADF gaat voor het origineel op de glasplaat als u originelen zowel in de ADF als op de glasplaat plaatst. 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Fax] op het [Home]-scherm. 3. Plaats het origineel op de glasplaat of in de ADF. Om de originelen te plaatsen, zie Pag. 82 "Originelen plaatsen". 4. Selecteer het tabblad [Fax] ( ) of het tabblad[internetfax] ( ). 5. Selecteer [Adresboek], [Handmatige invoer] of [Opnieuw kiezen]. 196
Een fax verzenden 6. Voer het faxnummer (maximaal 40 tekens) in of geef een bestemming op. Voor meer informatie over het invoeren van tekens, zie Pag. 44 "Tekens invoeren". Voor meer informatie over het opgeven van bestemmingen, zie Pag. 201 "De faxbestemming opgeven". Als het apparaat via een PBX op het telefoonnetwerk is aangesloten, dient u ervoor te zorgen dat het externe lijntoegangsnummer is opgegeven in [PBX-toegangsnummer] voor het faxnummer. Voor meer informatie over [PBX-toegangsnummer], zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". 7. Druk op [OK]. 8. Druk op de toets [Zwart-wit starten]. DUE315 Afhankelijk van de apparaatinstellingen, wordt u mogelijk gevraagd om het faxnummer opnieuw in te voeren als u het faxnummer van de bestemming handmatig heeft ingevoerd. Voer in dit geval het nummer binnen 60 seconden opnieuw in en druk vervolgens op de toets [Zwart-wit starten]. Als de faxnummers niet overeenstemmen, keert u terug naar stap 6. Voor [Bevestiging faxnr.], zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Als u de glasplaat gebruikt in de stand Geheugentransmissie, zal u worden gevraagd een ander origineel te plaatsen. Ga in dit geval verder met de volgende stap. 9. Als u meerdere originelen wilt scannen, drukt u binnen 60 seconden op [Ja], plaatst u het volgende origineel op de glasplaat en drukt u vervolgens op [OK]. Herhaal deze stap totdat alle originelen zijn gescand. Als u niet binnen 60 seconden op [Ja] drukt, kiest het apparaat de bestemming. 10. Wanneer alle originelen gescand zijn, drukt u op [Nee] of op de toets [Zwart-wit starten] om de fax te versturen. Een faxnummer kan de volgende tekens bevatten: cijfers 0 t/m 9, pauze, " ", " " en spatie. Voer indien nodig een pauze in in het faxnummer. Het apparaat pauzeert kort voordat het de cijfers na de pauze kiest. U kunt de pauzetijd bepalen via de instelling [Pauzetijd] onder 197
6. Een fax verzenden en ontvangen [Verzend.instelling]. Voor meer informatie over [Pauzetijd], zie Pag. 239 "Instellingen van faxeigenschappen". Om toondiensten op een pulslijn te gebruiken, voert u een " " in het faxnummer in. " " verandert de modus tijdelijk van pulstoon naar kiestoon. U kunt meerdere bestemmingen opgeven voor de fax die u stuurt. Voor meer informatie over het versturen van een fax met de broadcastfunctie, zie Pag. 201 "De faxbestemming opgeven". Als [Bevestiging faxnummer] is ingesteld op [Aan], vraagt het apparaat u alleen het faxnummer twee keer in te vullen als u de bestemming handmatig belt. Bestemmingen opgegeven met gebruik van de functie verkort kiezen of [Opnieuw kiezen] hoeven niet te worden bevestigd. Voor meer informatie over [Faxnummer bevestigen], zie Pag. 192 "Voorkomen dat documenten naar de verkeerde bestemming worden verstuurd". Als het apparaat in de modus Geheugenverzending staat, kunt u [Autom. opn. proberen] onder [Verzend.instelling] instellen, zodat het apparaat automatisch de bestemming opnieuw kiest als de lijn bezet is of als er een fout optreedt tijdens de verzending. Voor meer informatie over [Autom. opn. proberen], zie Pag. 239 "Instellingen van faxeigenschappen". Als het apparaat in de modus Geheugenverzending staat, kan het geheugen van het apparaat vol raken tijdens het scannen van de originelen. In dit geval vraagt het scherm u om de verzending te annuleren of om alleen de pagina's te versturen die succesvol zijn gescand. U kunt dubbelzijdige originelen scannen met de ADF in de modus Geheugenverzending. Geef op hoe dubbelzijdige originelen moeten worden gescand bij [Faxorigineel] onder [Verzend.instelling]. Voor [Faxorigineel], zie Pag. 239 "Instellingen van faxeigenschappen". Als het papier in de ADF is vastgelopen, is de vastgelopen pagina niet juist gescand. Als het apparaat in de Directe verzendingmodus staat, verstuur de fax dan opnieuw vanaf de vastgelopen pagina. Als het apparaat in Geheugenverzendingmodus staat, scan de gehele originelen dan opnieuw. Voor meer informatie over het verwijderen van papier dat in de ADF is vastgelopen, zie Pag. 366 "Vastgelopen papier verwijderen". Het apparaat kan maximaal 5 faxen opslaan die nog niet verstuurd zijn. Een verzending annuleren In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe u een faxverzending annuleert. Een verzending annuleren voordat het origineel is gescand Gebruik deze procedure om een verzending te annuleren voordat op de [Zwart-wit]-knop is gedrukt. 198
Een fax verzenden 1. Druk op de [Wis/Stop]-knop. DUE308 Een verzending annuleren terwijl het origineel wordt gescand Volg deze procedure om het scannen of verzenden van het origineel te annuleren terwijl het wordt gescand. 1. Druk op de [Wis/Stop]-knop. DUE308 2. Druk op [Faxtaak] in het scherm [Taken annuleren]. Een verzending annuleren nadat het origineel is gescand (terwijl een verzending bezig is) Gebruik deze procedure als u een bestand dat wordt verzonden, wilt verwijderen nadat het origineel is gescand. 199
6. Een fax verzenden en ontvangen 1. Druk op de [Wis/Stop]-knop als "Verzenden..." wordt weergegeven op het scherm. DUE308 2. Druk op [Faxtaak] in het scherm [Taken annuleren]. Als u de verzending van een document annuleert terwijl het document wordt verzonden, wordt de verzending gestopt zodra u de annuleringsprocedure hebt voltooid. Sommige pagina's van het document zijn mogelijk echter reeds verzonden en ontvangen. Als de verzending wordt voltooid terwijl deze procedure nog in voortgang is, wordt de verzending niet geannuleerd. Merk op dat de duur van het verzenden kort is wanneer een internetfax wordt verstuurd. Als u het versturen van een fax annuleert als de fax naar meerdere bestemmingen tegelijk wordt gestuurd (broadcast), wordt alleen de fax naar de huidige bestemming geannuleerd. De fax wordt naar de opeenvolgende bestemmingen gestuurd. Voor meer informatie over het verzenden van een fax met de broadcastfunctie, zie Pag. 201 "De faxbestemming opgeven". Een verzending annuleren nadat het origineel is gescand (voordat een verzending start) Gebruik deze procedure als u een bestand dat in het geheugen is opgeslagen, wilt verwijderen voordat de verzending ervan start. Gebruik de volgende procedure om een bestand dat is opgeslagen in het geheugen te verwijderen (zoals automatisch herhalen), voordat de verzending start. 1. Controleer of het initiële scherm voor Faxinstellingen op het display wordt weergegeven. Voor meer informatie over het initiële scherm, zie Pag. 185 "Faxapparaatscherm". 2. Druk op [Verzendbestand]. 3. Selecteer het bestand dat u wilt verwijderen. 4. Druk op [Verwijd.] of [Alles verw]. [Verwijd.] 200
Een fax verzenden Om een faxtaak te verwijderen, selecteert u de taak naar keuze en selecteert u vervolgens [Ja]. Door [Nee] te selecteren, sluit u het voorgaande niveau van de menustructuur af zonder de faxtaak te verwijderen. [All.verw.] Selecteer [Ja] om alle faxtaken te verwijderen. Door [Nee] te selecteren, sluit u het voorgaande niveau van de menustructuur af zonder de faxtaak te verwijderen. 5. Druk op [Afsluiten]. U kunt geen bestanden weergeven die verzonden worden. Als u een broadcast verzendt, worden alle niet verzonden bestemmingen geannuleerd. De faxbestemming opgeven U kunt het faxnummer van de bestemming invoeren met de cijfertoetsen of bestemmingen opgeven via de volgende functies: Snelkiezen Verkort kiezen Broadcast-functie Opnieuw kiezen-functie De bestemming opgeven met behulp van snelkiezen 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Fax] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Adresboek]. 4. Druk op het tabblad [Snelkiezen]. 201
6. Een fax verzenden en ontvangen 5. Selecteer de gewenste snelkeuzebestemming en druk vervolgens op [OK]. Voor meer informatie over het registreren van snelkeuzebestemmingen, zie Pag. 188 "Registreren faxbestemmingen". U kunt de geregistreerde namen en faxnummers nakijken door een overzicht af te drukken. Voor meer informatie over het afdrukken van het overzicht met snelkeuzebestemmingen, zie Pag. 273 "Lijsten/rapporten afdrukken". De bestemming opgeven met verkorte kiesbestemming 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Fax] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Adresboek]. 4. Druk op het tabblad [Verkort kiezen]. 5. Selecteer de gewenste verkorte kiesbestemming en druk vervolgens op [OK]. Voor meer informatie over het registreren van verkorte kiesbestemmingen, zie Pag. 188 "Registreren faxbestemmingen". U kunt de geregistreerde namen en faxnummers nakijken door een overzicht af te drukken. Voor meer informatie over het afdrukken van een lijst met verkorte kiesbestemmingen, zie Pag. 273 "Lijsten/rapporten afdrukken". De bestemming opgeven met broadcastfunctie U kunt een fax naar meerdere bestemmingen (maximaal 100 bestemmingen) tegelijkertijd verzenden. Faxen worden naar bestemmingen gestuurd in de volgorde waarin ze zijn opgegeven. 202
Een fax verzenden 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Fax] op het [Home]-scherm. 3. Voeg een bestemming toe op één van de volgende manieren: Om een snelkeuzebestemming toe te voegen, druk op [Adresboek], druk op het tabblad [Snelkeuzelijst], selecteer een bestemming en druk vervolgens op [OK]. Om een verkorte keuzebestemming toe te voegen, druk op [Adresboek], druk op het tabblad [Verkorte keuzelijst], selecteer een bestemming en druk vervolgens op [OK]. Om een handmatige bestemming toe te voegen, druk op [Handmatige invoer], druk op het vak, voer het faxnummer van de bestemming in en druk vervolgens tweemaal op [OK]. Als u meerdere bestemmingen opgeeft, kunt op de [Wis/Stop]-knop drukken om alle bestemmingen te wissen. Als u meerdere bestemmingen opgeeft in Directe verzendingsmodus, schakelt het apparaat tijdelijk over op Geheugenverzendingmodus. Wanneer u tijdens het verzenden op [Clear] drukt, wordt uitsluitend de fax naar de huidige bestemming geannuleerd. Als de bestemmingen zowel normale fax- als internetfaxbestemmingen bevat, zal de fax eerst naar de internetfaxbestemmingen worden gestuurd (alleen SP C262SFNw). De bestemming opgeven met de functie Opnieuw kiezen U kunt de laatst gebruikte bestemming opgeven als de bestemming voor de huidige taak. Met deze functie kunt u tijd besparen als u vaak berichten naar dezelfde bestemming stuurt, omdat u de bestemming niet opnieuw hoeft in te voeren. 203
6. Een fax verzenden en ontvangen 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Fax] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Opnieuw kiezen]. 4. Geef de bestemming op en druk vervolgens op [OK]. Handige verstuurfuncties U kunt de status van het apparaat van de ontvanger eenvoudig controleren via de functie Op de haak voordat u een fax stuurt. Als u een externe telefoon heeft, kunt u praten en een fax versturen in één gesprek. Deze functie is niet beschikbaar met Internetfax. Een fax versturen met direct kiezen Met de functie Op de haak kunt u de status van de ontvanger controleren terwijl u via de ingebouwde luidspreker kunt meeluisteren. Dit is een handige functie als u zeker wilt weten dat de fax wordt ontvangen. De functie Direct kiezen kan niet worden gebruikt als [Bevestiging faxnr.] onder [Beheerderstoepass.] is ingeschakeld. 1. Plaats het origineel. 204
Een fax verzenden 2. Druk op de toets [Home]. 3. Druk op het pictogram [Fax] op het [Home]-scherm. 4. Druk op [Dir.kz.]. [Op de haak] verschijnt op het scherm. 5. Geef de bestemming op met de cijfertoetsen. 6. Als u een hoge toon hoort, druk dan op de toets [Zwart-wit starten]. DUE302 DUE315 7. Als het origineel op de glasplaat is geplaatst, drukt u op [Verz.] en vervolgens drukt u op de toets [Zwart-wit starten]. Voor meer informatie over het selecteren van de verzendingsmodus, zie Pag. 194 "Verzendingsmodus selecteren". Voor meer informatie over [Faxnummer-bevestiging], zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Een fax versturen na een gesprek Met een externe telefoon kunt u een fax versturen nadat u uw gesprek heeft beëindigd zonder de verbinding te verbreken en opnieuw te moeten kiezen. Dit is een handige functie als u zeker wilt weten of de fax is ontvangen. 205
6. Een fax verzenden en ontvangen 1. Plaats het origineel. 2. Druk op de toets [Home]. DUE302 3. Druk op het pictogram [Fax] op het [Home]-scherm. 4. Pak de hoorn van de externe telefoon van de haak. 5. Geef de bestemming op met de externe telefoon. 6. Als aan de andere kant iemand opneemt, vertelt u de ander dat u een faxdocument wilt verzenden (en dat de fax moet worden ingeschakeld). 7. Als u een hoge toon hoort, druk dan op de toets [Zwart-wit starten]. DUE315 8. Als het origineel op de glasplaat is geplaatst, drukt u op [Verz.] en vervolgens drukt u op de toets [Zwart-wit starten]. 9. Leg de hoorn op de haak. De scaninstellingen opgeven om te faxen De afbeeldingsbelichting aanpassen In dit onderdeel wordt beschreven hoe u de afbeeldingsbelichting voor de huidige taak aanpast. 206
Een fax verzenden Er zijn drie afbeeldingsbelichtingsniveaus. Hoe donkerder het belichtingsniveau, hoe donkerder de afdruk. 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Fax] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Verzendinstellingen]. 4. Druk op [ ] of [ ] om het gewenste belichtingsniveau te selecteren en druk vervolgens op [OK]. 5. Druk op [OK]. U kunt de standaardinstelling [Dichth.] van het apparaat zo instellen dat alle scans worden gemaakt met een bepaald belichtingsniveau. Voor meer informatie over [Dichth.], zie Pag. 239 "Instellingen van faxeigenschappen". De resolutie opgeven In dit onderdeel wordt beschreven hoe u de scanresolutie voor de huidige taak kunt opgeven. Er zijn drie instellingen voor resolutie: Standaard Detail Foto Selecteer dit als het origineel een afgedrukt document of een document met drukletters met tekens van normale afmetingen is. Selecteer dit als het origineel een document is met kleine opdruk. Selecteer deze als het origineel afbeeldingen bevat zoals foto's of gearceerde tekeningen. 207
6. Een fax verzenden en ontvangen 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Fax] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Verzendinstellingen]. 4. Druk op [Resolutie]. 5. Selecteer de gewenste resolutie en druk vervolgens op [OK]. 6. Controleer of de resolutie die u heeft ingevoerd wordt weergegeven en druk op [OK]. U kunt de standaardinstelling [Resolutie] van het apparaat zo instellen dat er altijd wordt gescand met een bepaald resolutieniveau. Voor meer informatie over [Resolutie], zie Pag. 239 "Instellingen van faxeigenschappen". 208
De faxfunctie gebruiken vanaf een computer (LAN-fax) De faxfunctie gebruiken vanaf een computer (LAN-fax) In dit onderdeel wordt beschreven hoe u de faxfunctie van het apparaat kunt gebruiken op een computer. U kunt een document rechtstreeks vanaf een computer via dit apparaat naar een ander faxapparaat sturen, zonder het document te hoeven afdrukken. Basisbewerkingen voor het versturen van faxen vanaf een computer Dit onderdeel beschrijft de basishandelingen voor het versturen van faxen vanaf een computer. U kunt een bestemming uit het LAN-fax-adresboek selecteren of rechtstreeks handmatig een faxnummer invoeren. U kunt faxen versturen naar maximaal 100 bestemmingen tegelijk. De procedure in dit onderdeel is een voorbeeld dat is gebaseerd op Windows 7. Met LAN-fax kunt u maximaal 10 pagina's (inclusief het voor-/achterblad) tegelijk sturen. Voordat u een fax verstuurt, slaat het apparaat alle faxgegevens op in het geheugen. Als het geheugen van het apparaat vol raakt tijdens het opslaan van deze gegevens, zal de verzending van de fax worden geannuleerd. Als dit gebeurt, kunt u de resolutie verlagen of het aantal pagina's verminderen en het opnieuw proberen. 1. Open het bestand dat u wilt verzenden. 2. Klik in het menu [Bestand] op [Afdrukken...]. 3. Selecteer het LAN-faxstuurprogramma als de printer en klik op [Afdrukken]. 4. Geef een bestemming op. Om een bestemming uit het LAN-fax-adresboek op te geven: Selecteer een bestemming uit de [Lijst Gebruiker:] en klik vervolgens op [Aan Lijst toevoegen]. Herhaal deze stap om meer bestemmingen toe te voegen. Om een faxnummer rechtstreeks in te voeren: Klik op het [Geef de bestemming op]-tabblad, voer een faxnummer (van maximaal 40 cijfers) in bij [Faxnummer:] en klik vervolgens op [Aan Lijst toevoegen]. Herhaal deze stap om meer bestemmingen toe te voegen. 5. Voor het bijvoegen van een voorblad klikt u op [Voorblad bewerken] op het tabblad [Geef de bestemming op] en vinkt u het vakje [Een voorblad bijvoegen] aan. Bewerk het voorblad indien nodig en klik vervolgens op [OK]. 209
6. Een fax verzenden en ontvangen Voor meer informatie over het bewerken van een faxvoorblad, zie Pag. 215 "Een faxschutblad wijzigen". 6. Klik op [Verzenden]. Zie de Help-functie van het LAN-faxstuurprogramma voor meer informatie. Een faxnummer mag uit de volgende tekens bestaan: 0 tot en met 9, "P" (pauze), " ", " ", "-" en spatie. Voer indien nodig een pauze in in het faxnummer. Het apparaat pauzeert kort voordat het de cijfers na de pauze kiest. U kunt de pauzetijd bepalen via de instelling [Pauzetijd] onder [Verzend.instelling]. Voor meer informatie over [Pauzetijd], zie Pag. 239 "Instellingen van faxeigenschappen". Om toondiensten op een pulslijn te gebruiken, voert u een " " in het faxnummer in. " " verandert de modus tijdelijk van pulstoon naar kiestoon. Voor het verwijderen van een ingevoerde bestemming, selecteert u de bestemming in [Bestemmingslijst:] en klikt u op [Verwijder van lijst]. U kunt het faxnummer dat u heeft ingevoerd, opslaan op het tabblad [Geef de bestemming op] in het LAN-fax adresboek. Klik op [Sla op in Adresboek] om het dialoogvenster te openen voor het registreren van een bestemming. Uit de lijst [Bekijken:] kunt u de soorten bestemmingen selecteren die moeten worden weergegeven. [Alles]: Geeft alle bestemmingen weer. [Groep]: Geeft alleen groepen weer. [Gebruiker]: Geeft alleen individuele bestemmingen weer. Als het versturen van faxen via LAN-fax beperkt is, moet u een gebruikerscode in de eigenschap van het LAN-faxstuurprogramma invoeren voordat u een fax kan sturen. Voor meer informatie over het invoeren van een gebruikerscode, zie Pag. 305 "Als apparaatfuncties zijn beperkt". Een fax annuleren U kunt het versturen van een fax annuleren door het bedieningspaneel van het apparaat of uw computer te gebruiken, afhankelijk van de status van de taak. Annuleren op het moment dat het apparaat een fax ontvangt van de computer Als het apparaat door meerdere computers gedeeld wordt, moet u er op letten dat u niet per ongeluk de fax van een andere gebruiker annuleert. 1. Dubbelklik op het printerpictogram in de taakbalk van uw computer. 2. Selecteer de afdruktaak die u wilt annuleren en klik vervolgens op [Annuleren] in het menu [Document]. 210
De faxfunctie gebruiken vanaf een computer (LAN-fax) 3. Klik op [Ja]. Annuleren tijdens het versturen van een fax Annuleer de fax via het bedieningspaneel. 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Fax] op het [Home]-scherm. 3. Druk op de [Wis/Stop]-knop. Verzendinstellingen configureren In dit onderdeel wordt beschreven hoe u de verzendinstellingen kunt configureren in de eigenschappen van het LAN-faxstuurprogramma. Eigenschappen moeten voor elke toepassing apart worden ingesteld. 1. Klik in het menu [Bestand] op [Afdrukken...]. 2. Selecteer het LAN-faxstuurprogramma als de printer en klik op een knop als [Voorkeuren]. Het dialoogvenster met eigenschappen van het LAN-faxstuurprogramma wordt weergegeven. 3. Klik op het tabblad [Installatie]. 4. Configureer de instellingen indien nodig en klik op [OK]. Zie de Help-functie van het LAN-faxstuurprogramma voor meer informatie over de instellingen. Het LAN-fax adresboek configureren In dit onderdeel wordt het LAN-fax-adresboek beschreven. Configureer het LAN-fax-adresboek op de computer. In het LAN-fax-adresboek kunt u LAN-faxbestemmingen snel en eenvoudig opgeven. Het LAN-fax-adresboek kan maximaal 1000 registraties bevatten, waaronder individuele bestemmingen en groepsbestemmingen. 211
6. Een fax verzenden en ontvangen Het LAN-fax-adresboek openen 1. Klik in het menu [Start] op [Apparaten en printers]. 2. Klik met de rechtermuisknop op het pictogram van het LAN-faxstuurprogramma en klik vervolgens op [Afdrukvoorkeuren]. 3. Klik op het tabblad [Adresboek]. Bestemmingen registreren 1. Open het LAN-fax adresboek en klik op [Gebruiker toevoegen]. 2. Voer de bestemmingsinformatie in en klik vervolgens op [OK]. U dient een contactnaam en faxnummer in te voeren. 3. Controleer de instelling en klik vervolgens op [OK]. Bestemmingen aanpassen 1. Open het LAN-fax adresboek, selecteer de bestemming die u wilt bewerken uit de [Lijst Gebruiker:] en klik vervolgens op [Bewerken]. 2. Bewerk de informatie en klik dan op [OK]. Klik op [Sla op als nw. gebr.] als u een nieuwe bestemming wilt registreren met gelijksoortige informatie. Dit is handig als u een reeks bestemmingen wilt registreren die gelijksoortige informatie bevatten. Om het dialoogvenster te sluiten zonder de oorspronkelijke bestemming aan te passen, klikt u op [Annuleren]. 3. Controleer de instelling en klik vervolgens op [OK]. Groepen registreren 1. Open het LAN-fax adresboek en klik op [Aan groep toevoegen]. 2. Voer de groepsnaam in in het veld [Groepsnaam]. 3. Selecteer de bestemming die u in de groep wilt opnemen uit de [Lijst Gebruiker:] en klik vervolgens op [Toevoegen]. Als u een bestemming uit een groep wilt verwijderen, selecteer dan de bestemming die u wilt verwijderen van [Lijst groepsleden:] en klik op [Verwijder van lijst]. 4. Klik op [OK]. 5. Controleer de instelling en klik vervolgens op [OK]. Een groep moet ten minste één bestemming bevatten. 212
De faxfunctie gebruiken vanaf een computer (LAN-fax) U moet een groepsnaam opgeven voor een groep. U kunt niet meerdere groepen dezelfde naam geven. U kunt dezelfde bestemming in meerdere groepen registreren. Groepen aanpassen 1. Open het LAN-fax adresboek, selecteer de groep die u wilt bewerken uit de [Lijst Gebruiker:] en klik vervolgens op [Bewerken]. 2. Om een bestemming aan de groep toe te voegen, selecteert u de bestemming die u wilt toevoegen uit de [Lijst Gebruiker:] en klikt u op [Toev.]. 3. Als u een bestemming uit een groep wilt verwijderen, selecteer dan de bestemming die u wilt verwijderen van [Lijst groepsleden:] en klik op [Verwijder van lijst]. 4. Klik op [OK]. 5. Controleer de instelling en klik vervolgens op [OK]. Er verschijnt een bericht als de naam die u heeft opgegeven reeds bestaat in het LAN-Fax adresboek. Klik op [OK] en registreer het onder een andere naam. Individuele bestemmingen of groepen verwijderen 1. Open het LAN-fax adresboek, selecteer de bestemming die u wilt verwijderen uit de [Lijst Gebruiker:] en klik vervolgens op [Verwijd.]. Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven. 2. Klik op [Ja]. 3. Controleer de instelling en klik vervolgens op [OK]. Een bestemming wordt automatisch verwijderd uit een groep als die bestemming uit het LAN-fax adresboek is verwijderd. Als u de laatste bestemming van een groep verwijdert, wordt er een bericht weergegeven die u vraagt om het verwijderen te bevestigen. Klik op [OK] als u de groep wilt verwijderen. Als een groep wordt verwijderd, blijven de bestemmingen bestaan die in het LAN-fax adresboek staan. 213
6. Een fax verzenden en ontvangen Gegevens voor het LAN-fax-adresboek exporteren/importeren In de volgende procedure wordt Windows 7 ter illustratie gebruikt. Als u een ander besturingsprogramma gebruikt, kan de procedure enigszins anders zijn. Gegevens voor het LAN-fax adresboek exporteren Gegevens voor het LAN-fax adresboek kunnen geëxporteerd worden in een bestand in CSVformaat (Comma Separated Values). Volg deze procedure om gegevens voor het LAN-fax adresboek te exporteren. 1. Open het LAN-fax adresboek en klik vervolgens op [Exporteren]. 2. Ga naar de locatie waar u de gegevens voor het LAN-fax adresboek wilt opslaan, geef de naam voor het bestand op en klik vervolgens op [Opslaan]. Gegevens voor het LAN-fax adresboek importeren Gegevens voor het LAN-fax adresboek kunnen geïmporteerd worden in een bestand in CSVformaat (Comma Separated Values). U kunt adresboekgegevens importeren uit andere toepassingen als de gegevens als een CSV-bestand zijn opgeslagen. 1. Open het LAN-fax adresboek en klik op [Importeren]. 2. Selecteer het bestand met de adresboekgegevens en klik op [Openen]. Er wordt een dialoogvenster voor het selecteren van de te importeren items weergegeven. 3. Selecteer voor elk veld een passend item uit de lijst. Selecteer [*leeg*] voor velden waarvoor geen te importeren gegevens bestaan. Let op dat [*leeg*] niet kan worden geselecteerd voor de velden [Naam] en [Fax]. 4. Klik op [OK]. Zie de Help-functie van het LAN-faxstuurprogramma voor meer informatie over de instellingen. CSV-bestanden worden geëxporteerd met Unicode-codering. Gegevens in het LAN-fax adresboek kunnen uit CSV-bestanden worden geïmporteerd mits de codering Unicode of ASCII is. Groepsgegevens kunnen niet geëxporteerd of geïmporteerd worden. Er kunnen maximaal 1000 bestemmingen in het LAN-fax adresboek geregistreerd worden. Als deze grens tijdens het importeren wordt overschreden, zullen de overgebleven bestemmingen niet worden geïmporteerd. 214
De faxfunctie gebruiken vanaf een computer (LAN-fax) Een faxschutblad wijzigen 1. Klik in het menu [Bestand] op [Afdrukken...]. 2. Selecteer het LAN-faxstuurprogramma als de printer en klik op [Afdrukken]. 3. Klik op het tabblad [Geef de bestemming op] en klik op [Voorblad bewerken]. 4. Configureer de instellingen indien nodig en klik op [OK]. Zie de Help-functie van het LAN-faxstuurprogramma voor meer informatie over de instellingen. 215
6. Een fax verzenden en ontvangen Een fax ontvangen Als u een belangrijke fax ontvangt, is het raadzaam om de ontvangst te bevestigen aan de afzender. Wanneer er te weinig vrije geheugenruimte is, kan het apparaat geen faxdocumenten meer ontvangen. U kunt een externe telefoon gebruiken om dit apparaat als telefoon te gebruiken. Alleen papier van het formaat A4, Letter of Legal kan voor het afdrukken van faxen worden gebruikt. Ontvangstmodus selecteren Hieronder worden de ontvangstmodi van de faxfunctie uitgelegd en hoe u deze moet selecteren. In de modus FAX/TAD ontvangt het apparaat de fax automatisch nadat de externe telefoonbeantwoorder evenveel keer overgaat als opgegeven in [Aant x overgn(a.app)]. Stel het externe antwoordapparaat zo in dat het overgaat voordat een fax wordt ontvangen. Voor meer informatie over [Aant x overgn(a.app)], zie Pag. 239 "Instellingen van faxeigenschappen". Types ontvangstmodi Er zijn vier types ontvangst: Modus Alleen fax Modus FAX/TEL handmatig Modus FAX/TEL automatisch Modus FAX/TAD 216
Een fax ontvangen De ontvangstmodi selecteren Is er een externe telefoon aangesloten op het apparaat? Ja Nee Alleen fax-modus Wilt u een extern antwoordapparaat gebruiken? Ja FAX/TAD-modus Nee Wilt u faxen automatisch ontvangen? Ja FAX/TEL automatische modus Nee FAX/TEL handmatige modus Beschrijving van ontvangstmodi Modus Alleen Fax (autom. ontvangst) Wanneer geen externe telefoon aangesloten is Het apparaat beantwoordt automatisch alle binnenkomende oproepen in de faxontvangstmodus. Wanneer een externe telefoon aangesloten is Het apparaat beantwoordt automatisch alle inkomende oproepen in de modus van de faxontvangst nadat de externe telefoon het opgegeven aantal keer is overgegaan. Dat is handig voor mensen die alleen telefoons gebruiken voor uitgaande gesprekken. Modus FAX/TAD (autom. ontvangst) In deze modus beantwoordt het externe antwoordapparaat de oproep en registreert het berichten wanneer het apparaat oproepen ontvangt. Als de ontvangen oproep een faxoproep is, ontvangt het apparaat de fax automatisch. Voor meer informatie, zie Pag. 219 "Een fax ontvangen in FAX/TAD-modus". Modus FAX/TEL Automatisch (autom. ontvangst) In deze modus ontvangt het apparaat faxen automatisch indien een beltoon wordt gedetecteerd van een inkomende oproep. Voor meer informatie, zie Pag. 219 "Een fax ontvangen in FAX/TEL automatische modus". 217
6. Een fax verzenden en ontvangen Modus FAX/TEL Handmatig (handmatige ontvangst) In deze modus moet u oproepen met de hoorn of een externe telefoon beantwoorden. Als een telefoontje een fax blijkt te zijn, moet u de ontvangst van de fax handmatig starten. Voor meer informatie, zie Pag. 218 "Een fax ontvangen in FAX/TEL handmatige modus". De ontvangstmodus configureren 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Instel.] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Faxeigenschappen]. 4. Druk op [Ontvangstinstellingen]. 5. Druk op [Ontv.modus omschak.]. 6. Selecteer de gewenste ontvangstmodus. 7. Druk op de toets [Home]. In de modus FAX/TAD begint het apparaat automatisch faxen te ontvangen nadat het antwoordapparaat van de externe lijn een ingesteld aantal keer heeft gerinkeld (dit aantal kunt u instellen bij [Aant x overgn(a.app)] onder [Faxeigenschappen]). Zorg ervoor dat het antwoordapparaat van de externe lijn ingesteld is om oproepen te ontvangen voordat het apparaat start met het ontvangen van faxen. Voor meer informatie over [Aant x overgn(a.app)], zie Pag. 239 "Instellingen van faxeigenschappen". Er is een externe telefoon nodig om dit apparaat als telefoon te kunnen gebruiken. Voor meer informatie over het aansluiten van een externe telefoon op het apparaat, zie de installatiehandleiding. Een fax ontvangen in FAX/TEL handmatige modus Om faxen te ontvangen dient u eerst de originelen die in de ADF geplaatst zijn, te verwijderen. 218
Een fax ontvangen 1. Neem de hoorn van de externe lijn van de haak om de oproep te beantwoorden. Er start een normale telefoonoproep. 2. Wanneer u de faxtoon of geen geluid hoort, drukt u op de toets [Home], drukt u op het pictogram [Fax] en drukt u vervolgens op de toets [Zwart-wit starten]. 3. Druk op [RX]. 4. Druk op de toets [Zwart-wit starten]. 5. Leg de hoorn op de haak. Een fax ontvangen met de modus Alleen faxen Wanneer de ontvangstmodus ingesteld is op Alleen Fax, beantwoordt het apparaat automatisch alle oproepen in de faxontvangstmodus. U kunt het aantal keren dat het apparaat moet wachten voordat een oproep beantwoord wordt, wijzigen in de instelling [Aant. kr over lat gn] onder [Faxeigenschappen]. Voor meer informatie over [Aant. kr over lat gn], zie Pag. 239 "Instellingen van faxeigenschappen". Als u een oproep met de externe telefoon wilt beantwoorden terwijl het apparaat aan het bellen is, zal er een normaal telefoongesprek starten. Als u een faxtoon of geen geluid hoort, moet u de fax handmatig ontvangen. Voor meer informatie over het handmatig ontvangen van faxen, zie Pag. 218 "Een fax ontvangen in FAX/TEL handmatige modus". Een fax ontvangen in FAX/TEL automatische modus Wanneer de ontvangstmodus in de modus FAX/TEL Automatisch staat, ontvangt het apparaat automatisch faxen wanneer een faxbeltoon van een inkomende oproep wordt gedetecteerd. Als u een oproep met de externe telefoon wilt beantwoorden terwijl het apparaat aan het bellen is, zal er een normaal telefoongesprek starten. Als u een faxtoon hoort, moet u de fax handmatig ontvangen. Voor meer informatie over het handmatig ontvangen van faxen, zie Pag. 218 "Een fax ontvangen in FAX/TEL handmatige modus". U kunt aangeven hoe lang het apparaat moet overgaan voordat faxen worden ontvangen. Gebruik hiervoor de instelling [Ontv.mod. schak.tijd] in [Faxeigenschappen]. Voor meer informatie over [Ontv.mod. schak.tijd], zie Pag. 239 "Instellingen van faxeigenschappen". Een fax ontvangen in FAX/TAD-modus Wanneer de ontvangstmodus ingesteld is op FAX/TAD, beantwoordt en registreert het antwoordapparaat van de externe lijn berichten wanneer het apparaat telefoonoproepen ontvangt. Als de ontvangen oproep een faxoproep is, ontvangt het apparaat de fax automatisch. 219
6. Een fax verzenden en ontvangen 1. Bij een ontvangen oproep rinkelt het antwoordapparaat van de externe lijn een ingesteld aantal keer (dit aantal kunt u instellen bij [Aant x overgn(a.app)] in [Faxeigenschappen]). Voor meer informatie over [Aant x overgn(a.app)], zie Pag. 239 "Instellingen van faxeigenschappen". Als het antwoordapparaat van de externe lijn de oproep niet beantwoordt, ontvangt het apparaat de fax automatisch. 2. Als het antwoordapparaat van de externe lijn de oproep beantwoordt, registreert het apparaat gedurende 30 seconden stilte op de lijn (stiltedetectie). Als er een faxtoon of geen geluid gedetecteerd wordt, ontvangt het apparaat de fax automatisch. Als er een stem gedetecteerd wordt, start er een normale telefoonoproep. Het antwoordapparaat van de externe lijn neemt berichten op. U kunt handmatig een fax ontvangen tijdens stiltedetectie. Voor meer informatie over het handmatig ontvangen van faxen, zie Pag. 218 "Een fax ontvangen in FAX/TEL handmatige modus". Stiltedetectie houdt 30 seconden aan, zelfs als het externe antwoordapparaat direct gaat kiezen, behalve als u op de [Wis/Stop]-knop drukt en de oproep afbreekt. Een internetfax ontvangen U kunt het apparaat zo instellen dat er regelmatig e-mails (internetfaxen) worden opgehaald en ze automatisch worden ontvangen, of u kunt handmatig op e-mails controleren en ze ontvangen. Geef het e-mailadres van dit apparaat voor het ontvangen van internetfaxen op in Gebruikersaccount onder POP3-instellingen van Web Image Monitor. Dit apparaat kan mogelijk geen e-mails in HTML-formaat ontvangen. Deze functie is alleen beschikbaar voor de SP C262SFNw. Automatische ontvangst Als [Automatisch POP] onder de internetfaxinstellingen van Web Image Monitor ingeschakeld is, zal het apparaat regelmatig verbinding maken met de POP3-server, zoals is aangegeven in [POPinterval (minuten)] om op nieuwe e-mails te controleren. Het apparaat zal ze downloaden als ze er zijn. Handmatige ontvangst Als [Automatisch POP] uitgeschakeld is, gebruik dan het bedieningspaneel om een verbinding met de POP3-server te maken en op nieuwe e-mails te controleren. 220
Een fax ontvangen Een fax ontvangen via het bedieningspaneel 1. Druk op de toets [Home]. 2. Druk op het pictogram [Instel.] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Faxeigenschappen]. 4. Druk op [Ontvangstinstellingen]. 5. Druk twee keer op [ ]. 6. Druk op [Handmatige POP]. 7. Druk in het dialoogvenster voor bevestiging op [Ja]. Het apparaat controleert op nieuwe e-mails en downloadt deze indien nodig. DUE302 Een fax ontvangen met behulp van Web Image Monitor 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres in te vullen. 2. Klik op [Netwerkinstellingen]. 3. Klik op het tabblad [Internetfax]. 4. Stel "Automatische POP" in op [Actief] of [Inactief]. [Actief]: Automatische ontvangst [Inactief]: Handmatige ontvangst 5. Klik op [OK]. 6. Sluit de internetbrowser. Voor meer informatie over Web Image Monitor, zie Pag. 282 "Web Image Monitor gebruiken". Als het ophalen van e-mail niet lukt en [Foutmeldingse-mail] onder de internetfaxinstellingen van Web Image Monitor ingeschakeld is, zal er een e-mail met een foutmelding worden gestuurd naar 221
6. Een fax verzenden en ontvangen de oorspronkelijke afzender. Voor meer informatie over de instellingen van Web Image Monitor, zie Pag. 314 "Het tabblad Internetfax". Als [Foutmeldingse-mail] uitgeschakeld is of als de foutmeldingse-mail niet gelukt is, zal het apparaat een foutenrapport afdrukken. Faxen in het geheugen doorsturen of opslaan Om te voorkomen dat onbevoegde gebruikers vertrouwelijke faxen onder ogen krijgen, kunt u het apparaat zo instellen dat ontvangen faxen naar een vooraf ingestelde bestemming worden doorgestuurd, of dat ze in het geheugen worden opgeslagen en niet worden afgedrukt. Deze functie is alleen beschikbaar voor de SP C262SFNw. De tabel hieronder laat zien wat er gebeurt als het doorsturen is gelukt of mislukt, afhankelijk van de configuratie van het apparaat. Doorzenden [Doorgestuur d bestand afdr.] [Ontvangen bestand afdr.] Resultaat Gelukt Uit N.v.t. Het apparaat verwijdert de fax uit het geheugen. Gelukt Aan Aan Het apparaat drukt de fax af en verwijdert deze uit het geheugen. Gelukt Aan Uit Het apparaat slaat de fax op in het geheugen en de fax kan later handmatig worden afgedrukt. Mislukt Uit N.v.t. Het apparaat drukt een foutmelding af dat het doorsturen niet is gelukt en verwijdert de fax uit het geheugen. Mislukt Aan Aan Het apparaat drukt een foutmelding af dat het doorsturen niet is gelukt, drukt de fax af en verwijdert de fax uit het geheugen. Mislukt Aan Uit Het apparaat drukt een foutenrapport af dat het doorsturen niet is gelukt en slaat de fax op in het geheugen zodat deze later handmatig kan worden afgedrukt. 222
Een fax ontvangen Als het apparaat een fax niet kan afdrukken vanwege apparaatfouten zoals een lege papierlade of een papierstoring, zal de fax in het geheugen blijven en zal het lampje dat er een fax is ontvangen blijven knipperen. De overige pagina's worden afgedrukt zodra het probleem is verholpen. Het aantal doorstuurpogingen en de intervaltijd voor het opnieuw proberen kunnen worden opgegeven met Web Image Monitor. Voor meer informatie over de doorstuurbestemming, doorstuurpogingen en intervalinstellingen, zie Pag. 290 "De systeeminstellingen configureren". Doorstuurinstellingen Om doorstuurvoorwaarden voor ontvangen faxen op te geven, configureert u het apparaat als volgt: 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Instel.] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Faxeigenschappen]. 4. Druk op [Ontvangstinstellingen]. 5. Druk op [ ]. 6. Druk op [Ontv.bestand instel.]. 7. Selecteer [Doorsturen]. Ga door naar Stap 8 om e-mailmeldingen te versturen nadat faxen werden doorgestuurd. 8. Druk op [Doorsturen melden]. 9. Druk op [Actief]. [Actief]: Stuur een e-mailbericht na doorsturen. De bestemming van het e-mailbericht hangt af van hoe de doorstuurbestemming is geconfigureerd. [Inactief]: Er wordt geen e-mailbericht verzonden. 10. Druk op de toets [Home]. 223
6. Een fax verzenden en ontvangen De doorstuurbestemming handmatig instellen met Web Image Monitor 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres ervan in te vullen. 2. Klik op [Systeeminstellingen]. 3. Klik op het tabblad [Fax]. 4. Geef de doorstuurbestemming op in [Doorstuurbestemming]. [E-mailadres]: Voer het e-mailadres in van de bestemming. [Scanbestemming]: Selecteer een scanbestemming als doorstuurbestemming. 5. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 6. Klik op [OK]. 7. Sluit de internetbrowser. Voor meer informatie over Web Image Monitor, zie Pag. 290 "De systeeminstellingen configureren". De opslagvoorwaarden opgeven Om de opslagvoorwaarden voor ontvangen faxen op te geven, configureert u het apparaat als volgt: 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Instel.] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Faxeigenschappen]. 4. Druk op [Ontvangstinstellingen]. 5. Druk op [ ]. 6. Druk op [Ontv.bestand instel.]. 7. Selecteer [Afdrukken] of [Doorsturen]. 8. Druk op [Ontv. bestand afdr.]. 224
Een fax ontvangen 9. Selecteer [Aan] of [Uit]. [Aan]: Druk automatisch de ontvangen faxen af en verwijder ze uit het geheugen. [Uit]: Sla de ontvangen faxen op in het geheugen en druk ze later handmatig af. Selecteert u [Aan], ga dan verder met de volgende stap. Wanneer u [Uit] selecteert, drukt u op [OK] en gaat u vervolgens door naar stap 11. 10. Voer de start- en eindtijd in en druk vervolgens op [OK]. Het apparaat drukt de ontvangen faxen af en wist ze binnen de opgegeven tijd uit het geheugen. 11. Druk op de toets [Home]. Als het is gelukt de fax af te drukken, wordt deze uit het geheugen verwijderd. Als het apparaat een fax niet kan afdrukken vanwege apparaatfouten zoals een lege papierlade of een papierstoring, zal de fax in het geheugen blijven. De overige pagina's worden afgedrukt zodra het probleem is verholpen. Faxen die zijn opgeslagen in het geheugen afdrukken In dit onderdeel wordt beschreven hoe u ontvangen faxen die zijn opgeslagen in het geheugen van het apparaat kan afdrukken. Als het indicatielampje Inkomende gegevens knippert, is er een fax in het geheugen van het apparaat. Volg de onderstaande procedure om de fax af te drukken. 1. Druk op de toets [Home]. 2. Druk op het pictogram [Fax] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [RX-best.]. 4. Selecteer het bestand en druk op [Afdrukken]. 5. Druk op [Ja]. Het apparaat drukt de opgeslagen fax af en verwijdert deze uit het geheugen. 6. Druk op de toets [Home]. DUE302 225
6. Een fax verzenden en ontvangen Als [Aan] hier wordt geselecteerd, zal [Ontvangen bestand afdr.] onder instellingen voor faxeigenschappen worden ingeschakeld. Als u niet wilt dat opeenvolgende faxen automatisch worden afgedrukt, zet deze optie dan terug op [Uit]. Voor meer informatie, zie Pag. 239 "Instellingen van faxeigenschappen". Als lade 2 geïnstalleerd is, kunt u selecteren uit welke lade papier moet worden ingevoerd. Dit doet u via [Selecteer papierlade] onder de faxeigenschappen. Als u het apparaat instelt om automatisch tussen lade 1 en 2 te schakelen in deze instelling, kunt u ook de lade opgeven die het apparaat als eerst gebruikt bij [Papierladeprioriteit] onder [Papierinstellingen]. Voor meer informatie over [Selecteer papierlade], zie Pag. 239 "Instellingen van faxeigenschappen" en [Papierladeprioriteit], zie Pag. 261 "Papierinstellingen". Als het lampje brandt om aan te geven dat er een fax is ontvangen, dan is er een fax opgeslagen in het geheugen van het apparaat die niet nog is afgedrukt vanwege apparaatfouten zoals een lege papierlade of een papierstoring. Het afdrukken begint zodra het probleem is verholpen. Faxen van speciale afzenders ontvangen of afwijzen U kunt het apparaat instellen om alleen faxen van geregistreerde speciale afzenders te ontvangen (of af te wijzen). Hiermee kunt u ongewilde documenten, zoals junkfaxen, voorkomen en daarmee faxpapier besparen. Om deze functie te gebruiken, moet u eerst speciale afzenders registreren via Web Image Monitor en vervolgens selecteren of u faxen van hen wilt accepteren of afwijzen. Deze functie is niet beschikbaar met Internetfax. Speciale afzenders registreren In dit gedeelte wordt beschreven hoe u speciale afzenders registreert. Er kunnen maximaal 30 speciale afzenders worden geregistreerd. 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres in te vullen. 226
Een fax ontvangen 2. Klik op [Speciale afz.]. 3. Selecteer [Speciale afz.] in de lijst [Bestemmingstype]. 4. Selecteer het speciale afzendernummer uit de lijst (1 t/m 30). 5. Voer het faxnummer van de speciale afzender in (maximaal 20 tekens). 6. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 7. Klik op [OK]. 8. Sluit de internetbrowser. Een faxnummer kan de cijfers 0 t/m 9, en spaties bevatten. Binnenkomende faxen beperken In dit onderdeel wordt uitgelegd hoe u het apparaat in kan stellen om alleen faxen te ontvangen (of af te wijzen) van de geprogrammeerde speciale afzenders. 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres in te vullen. 2. Klik op [Systeeminstellingen]. 227
6. Een fax verzenden en ontvangen 3. Klik op het tabblad [Fax]. 4. Klik op [Actief] voor [Geverifieerde ontvangst]. 5. Klik op [Speciale afz.] of [Anders dan speciale afz.] voor [Voorwaarden voor ontvangst]. Speciale afz. Selecteer deze optie om faxen van speciale afzenders te ontvangen en faxen van alle andere afzenders af te wijzen. Anders dan speciale afz. Selecteer deze optie om faxen van bijzondere afzenders af te wijzen en faxen van alle andere afzenders te ontvangen. 6. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 7. Klik op [OK]. 8. Sluit de internetbrowser. 228
Lijsten/Rapporten met betrekking tot Fax Lijsten/Rapporten met betrekking tot Fax De lijsten en rapporten met betrekking tot de faxfunctie zijn: Configuratiepagina Hiermee wordt algemene informatie en de huidige configuratie van het apparaat afgedrukt. Faxjournaal Hiermee wordt een journaal van faxverzending en -ontvangst van de laatste 50 taken afgedrukt. TX/RX stnd-bybestndn Hiermee wordt een lijst faxtaken afgedrukt die nog in het geheugen van het apparaat wachten om te worden afgedrukt, verzonden of doorgestuurd. Snelkiesbestemming Hiermee wordt een lijst van snelkeuzebestemmingen voor scannen en faxen afgedrukt. Verkort kiesbestemming fax Hiermee wordt een lijst met ingevoerde verkorte kiesnummers afgedrukt. Op verkort kiesnr. Hiermee wordt een lijst met records gesorteerd op het registratienummer van de verkorte kiesbestemmingen. Op naam Hiermee wordt de lijst afgedrukt met de records gesorteerd op naam. Lijst spec. afzender Hiermee wordt een lijst van speciale afzenders voor faxen afgedrukt. Stroomstoringsrapport Drukt een rapport af als de stroom van het apparaat is onderbroken terwijl er een fax werd verstuurd of ontvangen, of als er afbeeldingen die in het apparaatgeheugen waren opgeslagen, verloren zijn gegaan doordat het apparaat langere tijd is uitgeschakeld. Voor meer informatie over het faxjournaal en Verzendstatus afdrukken, zie Pag. 239 "Instellingen van faxeigenschappen". Rapporten worden afgedrukt op papier van A4- of Letter-formaat. Plaats één van deze formaten papier in de lade voordat u rapporten afdrukt. Voor meer informatie over het plaatsen van papier, zie Pag. 52 "Papier plaatsen". 229
230 6. Een fax verzenden en ontvangen
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u het apparaat kunt configureren aan de hand van het bedieningspaneel. Basisbediening Gebruik de volgende procedure om de apparaatinstellingen te openen. Om te controleren tot welke categorie de functie behoort die u wilt configureren, zie Pag. 232 "Menuoverzicht". 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Instel.] op het [Home]-scherm. 3. Kies de instellingen die u wilt gebruiken. Voor een lijst met beschikbare items, zie Pag. 232 "Menuoverzicht". Als u het menu [Adresboek], [Netwerkinstellingen] of [Beheerderstoepass.] selecteert, kan u om een wachtwoord worden gevraagd. Voer het viercijferige wachtwoord in en klik vervolgens op [OK]. Voor meer informatie over het wachtwoord, zie [Vergr. beh.toepass.] in Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". 4. Om de weergegeven instellingen en waarden te bevestigen, drukt u op [OK]. 5. Om terug te keren naar het vorige item, drukt u op [Afsl.]. 231
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Menuoverzicht In dit onderdeel worden de parameters van elk menu genoemd. Voor meer informatie over het configureren van het apparaat met Web Image Monitor, zie Pag. 281 "Het apparaat configureren met hulpprogramma's". Sommige items kunnen ontbreken vanwege het modeltype of de configuratie van het apparaat. Sommige items kunnen worden geconfigureerd via Web Image Monitor. Kopieereigenschappen Voor meer informatie, zie Pag. 233 "Instellingen voor kopieereigenschappen". Scannereigenschappen Voor meer informatie, zie Pag. 237 "Instellingen scannereigenschappen". Faxeigenschappen Voor meer informatie, zie Pag. 239 "Instellingen van faxeigenschappen". Adresboek Voor meer informatie, zie Pag. 248 "Instellingen voor het adresboek". Systeeminstellingen Voor meer informatie, zie Pag. 249 "Systeeminstellingen". Papierinstell. Voor meer informatie, zie Pag. 261 "Papierinstellingen". Netwerkinstell. Voor meer informatie, zie Pag. 275 "Netwerkinstellingen". Lijst/rap. afdrukken Voor meer informatie, zie Pag. 273 "Lijsten/rapporten afdrukken". Beheerderstoepass. Voor meer informatie, zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Printereigenschappen Voor meer informatie, zie Pag. 257 "Instellingen voor printereigenschappen". 232
Instellingen voor kopieereigenschappen Instellingen voor kopieereigenschappen Item Beschrijving Waarde Papier selecteren Sorteren Type origineel Geef hier het papierformaat op dat gebruikt moet worden voor het kopiëren. Als er een lade geselecteerd is, gebruikt het apparaat alleen die lade voor afdrukken. Als er een papierformaat geselecteerd is, drukt het apparaat af vanuit de laden die het papier van het opgegeven formaat bevat, met uitzondering van de handinvoer. Als lade 1 en 2 beide papier van het opgegeven formaat bevatten, drukt het apparaat in beginsel af vanuit de lade die als voorkeurlade is opgegeven in [Papierladeprioriteit] onder [Papierinstellingen]. Zodra het papier in die lade op is, schakelt de printer automatisch over op de andere lade om verder te gaan met afdrukken. Als lade 2 niet geïnstalleerd is, worden alleen [Lade 1] en [Handinvoer] weergegeven. Configureert het apparaat om pagina's in setjes af te leveren wanneer er meerdere kopieën worden gemaakt van een document dat uit meerdere pagina's bestaat (P1, P2, P1, P2,...). Hier wordt de inhoud van de originelen weergegeven om de kopieerkwaliteit te optimaliseren. Lade 1 Lade 2 Handinvoer A4 8 1 / 2 11 Standaardinstelling: [Lade 1] Uit Aan Standaardinstelling: [Uit] Tekst/Foto Selecteer deze als het origineel zowel tekst als foto's of afbeeldingen bevat. Tekst Selecteer deze als het origineel alleen tekst bevat en geen foto's of afbeeldingen. Foto Selecteer deze optie als het origineel foto's of afbeeldingen bevat. 233
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Item Beschrijving Waarde Gebruik deze modus voor de volgende origineeltypen: Foto's Pagina's die geheel of hoofdzakelijk uit foto's of afbeeldingen bestaan, zoals pagina's in tijdschriften. Standaardinstelling: [Tekst/ Foto] Belichting Verkleinen/ vergroten Geeft de afbeeldingsbelichting op voor fotokopiëren. Geeft het percentage aan waarmee kopieën vergroot of verkleind worden. Verhoog het niveau (zwarte vierkantjes) om de dichtheid te verhogen. Standaardinstelling: De standaardinstelling is het midden van 5 instellingsniveaus. 50% 71% (A4->A5 B5- >B6) 82%(8x13->A4) 93% 100% 122%(A5->B5J) 141% (A5->A4 B6- >B5) 200% (A6->A4) 400% 50% 234
Instellingen voor kopieereigenschappen Item Beschrijving Waarde 65% 78% 93% 100% 129% 155% 200 % 400% Zoom 25-400% Standaardinstelling: [100%] Kleur aanpassen Duplex/Combin. Specificeer de kleurbalans tussen rood, groen en blauw. Verhoog het niveau (zwarte vierkantjes) om de kleurhelderheid te verhogen. Hiermee geeft u gecombineerd kopiëren op. Selecteer een kopieermodus aan de hand van uw origineel en hoe u wilt dat de kopie eruit zal zien. Voor meer informatie, zie Pag. 115 "Enkelzijdige originelen kopiëren met dubbelzijdig en gecombineerd afdrukken" en Pag. 120 "Dubbelzijdige originelen kopiëren met dubbelzijdig en gecombineerd afdrukken". Let op dat het activeren van gecombineerd kopiëren het kopiëren van identiteitskaarten automatisch uitschakelt. Standaardinstelling: De standaardinstelling is het midden van 5 instellingsniveaus. Uit 1z 2org->Cmb 2op1 1z 1z 4org->Cmb 4op1 1z 1z org->2z kopiëren 1z 4org->Cmb 2op1 2z 1z 8org->Cmb 4op1 2z 2z 1org->Cmb 2op1 1z 2z 2org->Cmb 4op1 1z 2z org->2z kopiëren 2z 2org->Cmb 2op1 2z 2z 4org->Cmb 4op1 2z 235
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Item Beschrijving Waarde Handm. 2-z scanmodus Standaardinstelling: [Uit] Z-w kwaliteitsinst. ID-kaartinstellingen Hier kunt u de afbeeldingskwaliteit voor zwartwit afdrukken opgeven. De scansnelheid bij [Fijn] is trager dan wanneer u [Snel] gebruikt. Hiermee kunt u de instellingen voor de functie IDkaart kopiëren opgeven. Snelheid Fijn Standaardinstelling: [Snel] ID-kaartformaat U kunt de scangrootte van de kopie van de ID-kaart wijzigen. Horizontaal: 50 tot 148 mm (1,90 tot 5,83 inch) Verticaal: 50 tot 216 mm (1,90 tot 8,50 inch) Standaard (horizontaal verticaal): 96 64mm (3,78 2,52 inch) ID-krt regel in mid. Geef op of u een lijn in het midden wilt trekken als u een ID-kaart kopieert. Afdruk. Niet afdrukken Standaardinstelling: [Niet afdrukken] 236
Instellingen scannereigenschappen Instellingen scannereigenschappen Item Beschrijving Waarde Scanformaat Geeft het scanformaat op volgens het formaat van het origineel. 8 1/2 14, 8 1/2 11, 8 1/2 5 1/2, 7 1/4 10 1/2, A4, B5JIS, A5, Ang.fr Standaardinstelling: [A4] Z/Wscanmodus Max. E- mailform. Belichting Geeft de scanmodus voor het scannen van zwart-wit aan via het bedieningspaneel. Geeft het maximale formaat op van een bestand dat via e-mail kan worden verstuurd. U kunt hier de afbeeldingsbelichting opgeven voor te scannen originelen. Standaard: [8 1/2 11] Halftint Het apparaat maakt afbeeldingen aan van 1 bit in zwart-wit. De afbeeldingen bevatten in dit geval alleen zwart en wit. Grijsschaal Het apparaat maakt afbeeldingen aan van 8 bit in zwart-wit. De afbeeldingen bevatten met deze instelling zwart en wit en tussenliggende grijswaarden. Standaardinstelling: [Halftint] 1 MB 2 MB 3 MB 4 MB 5 MB Geen limiet Standaardinstelling: [1 MB] Verhoog het niveau (zwarte vierkantjes) om de dichtheid te verhogen. Standaardinstelling: De standaardinstelling is het midden van 5 instellingsniveaus. 237
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Item Beschrijving Waarde Resolutie Compressie (kleur) Onbeperkt scannen Enk./Meerd. pagina's Scanorigineel U kunt hier de resolutie opgeven voor het te scannen origineel. U kunt hier de verhouding voor kleurcompressie opgeven voor JPEGbestanden. Hoe lager de compressieverhouding, hoe hoger de kwaliteit en hoe groter het bestand. Deze functie stelt het apparaat zo in dat er om volgende originelen wordt gevraagd bij het scannen via de glasplaat. Geeft aan of er, als er meerdere pagina's worden gescand, één bestand met alle gescande pagina's of dat er per gescande pagina één bestand moet worden aangemaakt. Let op dat een gescand bestand alleen meerdere pagina's kan bevatten als het bestandsformaat PDF of TIFF is. Als het bestandsformaat JPEG is, wordt er voor elke gescande pagina een apart bestand aangemaakt. Hiermee wordt de richting voor het scannen bepaald en wordt bepaald of beide zijden moeten worden gescand. 100 100dpi 150 150dpi 200 200dpi 300 300dpi 400 400dpi 600 600dpi Standaardinstelling: [300 300dpi] Laag Medium Hoog Standaardinstelling: [Medium] Uit Aan Standaardinstelling: [Uit] Meerdere pagina's Enkele pagina Standaardinstelling: [Meerdere pagina's] Simplex staand Dubbelz. staand: B naar B Dubbelz. staand: B naar O Dubbelz. liggend: B naar B Dubbelz. liggend: B naar O Standaardinstelling:[Simplex staand] 238
Instellingen van faxeigenschappen Instellingen van faxeigenschappen Ontv.instellingen Hier staan de instellingen voor het ontvangen van een fax. Item Beschrijving Waarde Ontv.modus omschak. Autom. verkleining Hier kunt u de ontvangstmodus opgeven. Laat het apparaat het formaat van een ontvangen fax verkleinen als het te groot is om op één vel papier af te drukken. Alleen fax Het apparaat beantwoordt automatisch alle binnenkomende oproepen in de faxontvangstmodus. Fax/tel(hndm) Het apparaat rinkelt als er binnenkomende oproepen worden ontvangen. Het apparaat ontvangt alleen faxen als u handmatig faxen ontvangt. Fax/antw.app. Het apparaat ontvangt automatisch faxen als er een faxoproep wordt ontvangen. In andere gevallen zal het aangesloten antwoordapparaat de oproep beantwoorden. Fax/tel(auto) Het apparaat ontvangt automatisch faxen indien een faxbeltoon wordt gedetecteerd van een inkomende oproep. Als u een oproep met de externe telefoon wilt beantwoorden terwijl het apparaat aan het bellen is, zal er een normaal telefoongesprek starten. Als u een faxtoon hoort, moet u de fax handmatig ontvangen. Standaardinstelling: [Alleen fax] Uit Aan Standaardinstelling: [Aan] 239
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Item Beschrijving Waarde Let op dat het apparaat het formaat alleen verkleint tot 74%. Als er een hogere verkleining nodig is om een fax op één vel te laten passen, zal het worden afgedrukt op aparte vellen zonder verder verkleind te worden. De standaardinstelling kan [Uit] zijn afhankelijk van de [Land]-instelling onder [Beh. toepas.]. Aant x overgn(a.app) Aant. kr over lat gn Ontv.mod. schak.tijd Geverifieerde ontvangst Geaut. ontvangstvoor w. Geeft het aantal keer aan dat het externe antwoordapparaat overgaat voordat het apparaat begint met het ontvangen van faxen in de FAX/TADmodus. Geeft het aantal keer aan dat het apparaat rinkelt voordat het apparaat begint met het ontvangen van faxen in de modus Alleen fax. Hiermee wordt bepaald hoe lang de beltoon van het apparaat overgaat voordat het apparaat begint met het ontvangen van faxen in de modus Fax/tel(auto). Hiermee zal het apparaat alleen faxen ontvangen (of afwijzen) van geregistreerde speciale afzenders. Hiermee kunt u ongewilde documenten, zoals junkfaxen, voorkomen en daarmee faxpapier besparen. Hiermee wordt bepaald of faxen van de geregistreerde speciale afzenders worden ontvangen of afgewezen. Deze instelling is beschikbaar als [Geautoriseerde ontvangst] is ingeschakeld. 1 tot 20 keer, in stappen van 1 Standaardinstelling: 5 keer 3 tot 5 keer Standaardinstelling: 3 keer 5 tot 99 seconden Standaardinstelling: 15 seconden. Actief Inactief Standaardinstelling: [Inactief] Speciale afz. Faxen van de speciale afzenders ontvangen en faxen van alle andere afzenders afwijzen. Anders dan spec. afz Faxen van de speciale afzenders afwijzen en faxen van alle andere afzenders ontvangen. 240
Instellingen van faxeigenschappen Item Beschrijving Waarde Standaardinstelling: [Speciale afz.] Bestandsontva ngstinstellingen Ontv. bestand afdr. Doorgest. best. afdr Hiermee zal het apparaat ontvangen faxen in het geheugen opslaan voordat deze worden afgedrukt of naar een vooraf opgegeven bestemming worden doorgestuurd. Gebruik Web Image Monitor om de doorstuurbestemming op te geven (voor meer informatie, zie Pag. 290 "De systeeminstellingen configureren"). Deze instelling is alleen beschikbaar op de SP C262SFNw. Stelt het apparaat zo in dat ontvangen faxen in het geheugen automatisch worden afgedrukt of dat ze worden opgeslagen om later handmatig te worden afgedrukt. Deze instelling is alleen beschikbaar op de SP C262SFNw. Het apparaat slaat de faxen in het geheugen op voor ze worden afgedrukt of verwijdert de faxen nadat ze zijn doorgestuurd. Deze instelling is alleen beschikbaar op de SP C262SFNw. Afdruk. Doorsturen Standaardinstelling: [Afdruk.] Aan De ontvangen faxen automatisch afdrukken en uit het geheugen wissen. Het apparaat drukt de ontvangen faxen af en wist ze binnen de opgegeven tijd uit het geheugen. Uit Sla de ontvangen faxen op in het geheugen voor handmatig afdrukken. Standaard: [ Aan] Aan Slaat de faxen in het geheugen op om te worden afgedrukt nadat ze zijn doorgestuurd. Uit Verwijdert de faxen uit het geheugen nadat ze zijn doorgestuurd. Standaardinstelling: [Uit] 241
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Item Beschrijving Waarde Doorsturen melden Handmatige POP Het apparaat verstuurt e-mailberichten nadat de faxen zijn doorgestuurd. De bestemming voor de e-mailberichten hangt af van hoe de doorstuurbestemming is geconfigureerd met Web Image Monitor (voor meer informatie, zie Pag. 290 "De systeeminstellingen configureren"). Deze instelling is alleen beschikbaar op de SP C262SFNw. Hiermee wordt er een verbinding gemaakt met de POP3-server om handmatig e-mailberichten op te halen. Druk op [Ja] om een verbinding met de POP3-server te maken en e- mailberichten te ontvangen. Druk op [Nee] om het voorgaande niveau van de menustructuur te verlaten zonder verbinding te maken met de POP3- server. Deze instelling is alleen beschikbaar op de SP C262SFNw. Inactief Actief Standaardinstelling: Inactief - Selecteer papierlade Item Beschrijving Waarde Selecteer papierlade Hiermee wordt de lade opgegeven voor het afdrukken van ontvangen faxen. Let op dat alleen papier van het formaat A4, Letter of Legal voor het afdrukken van faxen kan worden gebruikt. Zorg ervoor dat u een lade selecteert die papier bevat van een geldig formaat. Automatisch Het apparaat gebruikt lade 1 en 2 als ze papier van hetzelfde formaat bevatten. In dit geval begint het apparaat af te drukken vanuit de lade die als voorkeurslade is opgegeven in [Papierladeprioriteit] onder [Papierinstellingen]. Zodra het 242
Instellingen van faxeigenschappen Item Beschrijving Waarde Als lade 2 niet geïnstalleerd is, wordt alleen [Lade 1] weergegeven. papier in die lade op is, schakelt de printer automatisch over op de andere lade om verder te gaan met afdrukken. Lade 1 Lade 2 Standaardinstelling: [Automatisch] Std-by TX-best verw. Verwijdert onverstuurde faxtaken die in het geheugen van het apparaat staan. Het apparaat kan maximaal 5 faxen opslaan die nog niet verstuurd zijn. Deze functie wordt alleen uitgevoerd als deze is geselecteerd. Item Beschrijving Waarde Verw. gesel. bestand Verw. alle bestanden Om een faxtaak te verwijderen, selecteert u de gewenste taak, drukt u op [Verwijd.] en drukt u vervolgens op [Ja]. Als u op [Afsluiten] drukt zonder op [Verwijd.] te drukken, wordt het vorige niveau van de menustructuur gesloten zonder dat de faxtaak wordt verwijderd. Om de faxtaken te verwijderen, drukt u op [Alles verw] en drukt u vervolgens op [Ja]. Als u op [Afsluiten] drukt zonder op [Alles verw] te drukken, wordt het vorige niveau van de menustructuur gesloten zonder dat de faxtaken worden verwijderd. Communicatie-instel. Item Beschrijving Waarde ECMverzending Stelt het apparaat zo in dat de gegevens die tijdens de verzending verloren zijn gegaan, automatisch opnieuw worden verstuurd. Uit Aan Standaardinstelling: [Aan] 243
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Item Beschrijving Waarde ECMontvangst Kiestoondetect ie Verzendsnelhe id Ontvangstsnel heid JBIG Stelt het apparaat zo in dat de gegevens die tijdens ontvangst verloren zijn gegaan, automatisch worden ontvangen. Stelt het apparaat zo in dat er een kiestoon wordt gedetecteerd voordat het apparaat de bestemming automatisch begint te kiezen. Hiermee geeft u de verzendsnelheid op voor de faxmodem. Geeft de ontvangstsnelheid op voor de faxmodem. Hiermee schakelt u verzending en ontvangst van gecomprimeerde JBIGafbeeldingen in. Let erop dat, om deze functie te gebruiken, ook [ECM] [verzending] en [ECM-ontvangst] ingeschakeld moeten zijn. Deze functie is niet beschikbaar met Internetfax. Uit Aan Standaardinstelling: [Aan] Detecteren Niet detecteren Standaardinstelling: [Detecteren] 33.6 Kbps 14.4 Kbps 9.6 Kbps 7.2 Kbps 4.8 Kbps 2.4 Kbps Standaardinstelling: [33.6 Kbps] 33.6 Kbps 14.4 Kbps 9.6 Kbps 7.2 Kbps 4.8 Kbps 2.4 Kbps Standaardinstelling: [33.6 Kbps] Actief Inactief Standaardinstelling: [Actief] 244
Instellingen van faxeigenschappen Rapp afdrukinst. Item Beschrijving Waarde Verz.stat. afdrukken Faxjournaal afdrukken Hiermee drukt het apparaat automatisch een verzendingsrapport af nadat een fax is verzonden. Als het apparaat in Directe verzendingsmodus staat, zal de afbeelding van het origineel niet op het rapport worden gereproduceerd, zelfs als [Alleen fout (afb.)] of [Elke TX (afb.)] is geselecteerd. Let op: als er een geheugenfout optreedt bij verzending via LAN-fax, wordt er altijd een verzendingsrapport afgedrukt ongeacht hoe deze instelling is geconfigureerd. Verzendingsrapporten worden afgedrukt op papier van A4 of Letterformaat. Stelt het apparaat zo in dat er automatisch een faxjournaal wordt afgedrukt na elke 50 faxtaken (zowel verzonden als ontvangen faxen). Het faxjournaal wordt afgedrukt op A4- of Letter-papierformaat vanuit de lade die is ingesteld voor [Fax] onder [Papierladeprioriteit] in [Papierinstellingen] Alleen fout Drukt een rapport af wanneer er een verzendingsfout optreedt. Alleen fout (afb.) Drukt een rapport af met een afbeelding van het origineel wanneer er een verzendingsfout optreedt. Elke verz. Drukt een rapport af bij elke faxverzending. Elke verzend. (afb.) Drukt een rapport af met een afbeelding van het origineel bij elke faxverzending. Niet afdrukken Standaardinstelling: [Elke verzend. (afb.)] Autom. afdrukken Niet autom. afdr. Standaardinstelling: [Autom. afdrukken] Verzend.instelling Item Beschrijving Waarde Directe TX Hiermee stelt u het apparaat zo in dat er direct een fax wordt verstuurd als het origineel is gescand. Uit Selecteer deze optie als u geheugenverzending gebruikt. 245
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Item Beschrijving Waarde Aan Selecteer deze optie als een fax direct wordt verstuurd. Uitsluitend volgende fax Selecteer deze optie bij directe verzending voor uitsluitend de volgende fax. Standaardinstelling: [Uit] Resolutie Belichting Pauzetijd Autom. opnieuw proberen Hiermee geeft u de resolutie op die gebruikt wordt tijdens het scannen van originelen. 'Foto'-resolutie is niet beschikbaar voor internetfaxen. Faxen worden gestuurd met een 'Detail'-resolutie als de 'Foto'- resolutie is opgegeven. Hiermee geeft u de afbeeldingsbelichting op voor te scannen originelen. Specificeert de duur van de pauzetijd als er een pauze wordt ingevoegd in de cijfers van een faxnummer. Stelt het apparaat zo in dat de faxbestemming automatisch opnieuw wordt gekozen wanneer de lijn bezet is of er een verzendingsfout optreedt, Standaard Selecteer dit als het origineel een afgedrukt document of een document met drukletters met tekens van normale afmetingen is. Detail Selecteer dit als het origineel een document is met kleine opdruk. Foto Selecteer deze als het origineel afbeeldingen bevat zoals foto's of gearceerde tekeningen. Standaardinstelling: [Standaard] Druk op [ ] om de belichting te vergroten. Standaardinstelling: De standaardinstelling is het midden van 3 instellingsniveaus. 1 tot 15 seconden Standaardinstelling: 3 seconden. Uit Aan Standaardinstelling: [Aan] 246
Instellingen van faxeigenschappen Item Beschrijving Waarde mits het apparaat in de Geheugenverzendingsmodus staat. Het aantal keer dat een nummer opnieuw wordt geprobeerd, is vooraf ingesteld op twee of drie keer, afhankelijk van de [Land]-instelling onder [Beh. Toepas.] in intervals van vijf minuten. Faxkoptekst afdr. Faxorigineel Stelt het apparaat zo in dat er aan elke fax die u verstuurt een koptekst wordt toegevoegd. De koptekst bevat de huidige datum en tijd, de faxnaam van de gebruiker en het faxnummer van het apparaat, het taaknummer en pagina-informatie. Hiermee wordt de richting voor het faxen bepaald en wordt bepaald of faxen dubbelzijdig moet worden afgedrukt. Uit Aan Standaardinstelling: [Aan] Simplex staand Dubbelz. staand: B naar B Dubbelz. staand: B naar O Dubbelz. liggend: B naar B Dubbelz. liggend: B naar O Standaardinstelling:[Simplex staand] 247
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Instellingen voor het adresboek Item Beschrijving Waarde Snelkiezenlijst Verkortkiezenlij st Hier kunt u het faxnummer en de naam voor de snelkiesbestemmingen opgeven. U kunt maximaal 20 snelkiesbestemmingen registreren. Hier geeft u het faxnummer en de naam voor verkorte kiesbestemmingen op. U kunt maximaal 200 verkorte kiesbestemmingen registreren. Nr. Hier geeft u het snelkiesnummer op. Nummer: Hier geeft u het faxnummer voor de betreffende snelkiesbestemming op. Het faxnummer kan maximaal 40 tekens van de volgende tekens bevatten: de cijfers 0 t/m 9, pauze, " ", " " en spatie. Naam Hier geeft u de naam voor snelkiesbestemmingen op. De naam mag maximaal 20 tekens bevatten. Nr. Hier geeft u het nummer voor de verkorte kiesbestemming op. Nummer: Hier geeft u het faxnummer voor verkorte kiesbestemmingen op. Het faxnummer kan maximaal 40 tekens van de volgende tekens bevatten: de cijfers 0 t/m 9, pauze, " ", " " en spatie. Naam Hier geeft u de naam voor verkorte kiesbestemmingen op. De naam mag maximaal 20 tekens bevatten. 248
Systeeminstellingen Systeeminstellingen Volume aanpassen Hier kunt u het volume van de geluiden die het apparaat produceert opgeven. Item Beschrijving Waarde Paneeltoets toon Belvolume Dir.kz modus Geluid taakeinde Geluid taakfout Hiermee specificeert u het volume van het piepgeluid dat wordt gegeven als er op een toets wordt gedrukt. Hiermee wordt het volume van de beltoon opgegeven. Hiermee specificeert u het volume van het geluid uit de speaker als de hoorn op de haak wordt gelaten (Direct kiezen modus). Hiermee specificeert u het volume van de piepgeluiden die het apparaat maakt als een taak is voltooid. Hiermee specificeert u het volume van de pieptoon die het apparaat produceert als er een faxontvangstfout optreedt. Uit Laag Medium Hoog Standaardinstelling: [>Laag] Uit Laag Medium Hoog Standaardinstelling: [Medium] Uit Laag Medium Hoog Standaardinstelling: [Medium] Uit Laag Medium Hoog Standaardinstelling: [Medium] Uit Laag Medium Hoog Standaardinstelling: [Medium] 249
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Item Beschrijving Waarde Alarmvolume Hiermee specificeert u het volume van het alarmgeluid dat het apparaat produceert als er een bewerkingsfout optreedt. Uit Laag Medium Hoog Standaardinstelling: [Medium] I/O-timeout Item Beschrijving Waarde USB Netwerk Beveiligde afdruktaak Bepaalt hoeveel seconden het apparaat wacht voordat gegevens worden afgedrukt, als de gegevens worden onderbroken terwijl deze vanaf de computer via USB worden gestuurd. Als het apparaat geen gegevens meer ontvangt binnen de hier opgegeven tijd, zal het apparaat alleen de gegevens afdrukken die zijn ontvangen. Verleng de timeoutperiode als het afdrukken regelmatig wordt onderbroken door gegevens van andere poorten. Bepaalt hoeveel seconden het apparaat wacht voordat gegevens worden afgedrukt, als de gegevens worden onderbroken terwijl deze vanaf de computer via het netwerk worden gestuurd. Als het apparaat geen gegevens meer ontvangt binnen de hier opgegeven tijd, zal het apparaat alleen de gegevens afdrukken die zijn ontvangen. Verleng de time-outperiode als het afdrukken regelmatig wordt onderbroken door gegevens van andere poorten. Geeft aan hoeveel seconden de printer een beveiligd afdrukbestand vasthoudt als het apparaat geen 15 sec. 60 sec. 300 sec. Standaardinstelling: [60 sec.] 15 sec. 60 sec. 300 sec. Standaardinstelling: [60 sec.] 0 tot 300 seconden, in stappen van 1 seconde 250
Systeeminstellingen Item Beschrijving Waarde beveiligde afdrukbestanden kan opslaan. In deze periode kunt u het nieuwe beveiligde afdrukbestand afdrukken of verwijderen. U kunt een bestaand beveiligd afdrukbestand ook afdrukken of verwijderen zodat het nieuwe beveiligde afdrukbestand op het apparaat kan worden opgeslagen. Deze instelling is alleen beschikbaar op de SP C262SFNw. Standaardinstelling: [60 seconden] Gebr.verif. (kopie) Vaste USBpoort Bepaalt hoeveel seconden een gebruiker geverifieerd blijft nadat het papier is uitgevoerd als er wordt gekopieerd via de glasplaat. Let op dat verificatie voor andere functies onmiddellijk vervallen nadat die functie is gebruikt. Deze instelling wordt alleen weergegeven op de SP C262SFNw (als de functie Gebruikersbeperking is ingeschakeld via Web Image Monitor). Bepaalt of hetzelfde printer-/lanfaxstuurprogramma kan worden gebruikt voor meerdere printers via USB-verbinding. 5 tot 60 seconden, in stappen van 1 seconde Standaardinstelling: [30 seconden] Uit U moet het printer-/lanfaxstuurprogramma apart installeren voor afzonderlijke apparaten, omdat alle apparaten die niet het oorspronkelijke apparaat zijn, worden herkend als nieuw apparaat bij aansluiting via USB. Aan Het printer-/lanfaxstuurprogramma dat u op uw computer hebt geïnstalleerd, kan worden gebruikt met elk ander apparaat dat van 251
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Item Beschrijving Waarde hetzelfde model is als het apparaat dat oorspronkelijk voor installatie was gebruikt. Standaardinstelling: [Uit] Automatisch doorgaan Item Beschrijving Waarde Automatisch doorgaan Hiermee stelt u in dat het apparaat fouten met het papierformaat of het papiertype negeert en verder gaat met afdrukken. Het afdrukken wordt tijdelijk onderbroken wanneer een fout wordt gedetecteerd en begint automatisch weer tien seconden nadat de instellingen gedaan zijn op het bedieningspaneel. Als de afmetingen van het papier die zijn opgegeven in het bedieningspaneel, die van het papier dat in de papierlade geplaatst is of het papier dat is opgegeven voor de afdruktaak niet overeenkomen als het afdrukken opnieuw gestart wordt, kan dit tot een papierstoring leiden. Uit Aan Standaardinstelling: [Uit] Toner besparen Item Beschrijving Waarde Toner besparen Hiermee wordt het apparaat ingesteld om een kleinere hoeveelheid toner te gebruiken bij het afdrukken (uitsluitend voor afdrukken die met de kopieerfunctie gemaakt worden). Uit Aan Standaardinstelling: [Uit] Voorraden Hier vindt u informatie over verbruiksartikelen. 252
Systeeminstellingen Item Beschrijving Waarde Toner Overige voorraad Geeft aan hoeveel toner er nog in de cartridges zit. Zwart Cyaan Magenta Geel Geeft aan hoeveel verbruiksartikelen er nog zijn. De informatie over de tussenliggende transferroller, fuseereenheid en tussenliggende transferriem wordt alleen op de SP C262SFNw weergegeven. De niveau-indicatoren (zwarte vierkantjes) geven aan hoeveel toner er nog over is. U moet het verbruiksartikel vervangen als het niveau 0 is (volledig wit). De niveau-indicatoren (zwarte vierkantjes) geven aan hoeveel toner er nog over is. U moet het verbruiksartikel vervangen als het niveau 0 is (volledig wit). Anti-vochtigh.niveau Item Beschrijving Waarde Anti-vochtigh.niveau Stelt het apparaat in om afdrukken van consistente kwaliteit te produceren, zelfs als bij een hoge vochtigheidsgraad. Houd er rekening mee dat de standaardwaarde voor deze instelling niet hersteld wordt door [Alle instel. terugz.] onder [Beheerderstoepass.] uit te voeren of door [Menuinstellingen terugzetten] onder [Beheerderstoepass.] van Web Image Monitor uit te voeren. Uit Niv. 1: Zwak Selecteer deze modus als afdrukken wazig zijn. Niv. 2: Med. Selecteer deze modus als afdrukken gekruld en/of wazig zijn. Let op dat wanneer u deze modus selecteert, de eerste afdruk langer duurt dan de afdrukken daarna. Niv. 3: Sterk Selecteer deze modus als afdrukken nog steeds gekruld en/of wazig zijn als afdrukken gemaakt worden in [Niv. 2: 253
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Item Beschrijving Waarde Med.]. Let op dat deze modus meer tijd kost om de eerste afdruk te produceren dan [Niv. 2: Med.]. Standaardinstelling: [Uit] Kleurregistratie Item Beschrijving Kleurregistratie Past kleurregistratie aan indien nodig. Deze aanpassing wordt meestal automatisch uitgevoerd door het apparaat. Druk op [Ja] om de kleurregistratie aan te passen. Druk op [Nee] om het voorgaande niveau van de menustructuur af te sluiten zonder de kleurregistratie aan te passen. Autom. schoonmaken Item Beschrijving Waarde Autom. schoonmaken Hiermee stelt u het apparaat zodanig in dat de binnenkant regelmatig gereinigd wordt. U kunt wat geluiden horen als de reiniging wordt uitgevoerd. Dit geluid duidt niet op slecht functioneren. Aan Uit Standaardinstelling: [Aan] Z/W-afdruk prioriteit Item Beschrijving Waarde Z/W-afdruk prioriteit Hiermee stelt u in dat het apparaat het verbruik van de kleurentoner onderdrukt Aan Uit Standaardinstelling: [Uit] 254
Systeeminstellingen Item Beschrijving Waarde wanneer u zwart-witpagina's afdrukt. De hoeveelheid kleurentoner die wordt verbruikt tijdens opwarming voor onderhoud wordt eveneens verlaagd. Houd er rekening mee dat de standaardwaarde voor deze instelling niet hersteld wordt door [Alle instel. terugz.] onder [Beheerderstoepass.] of [Instell. terugzetten] onder [Beheerderstoepass.] van Web Image Monitor uit te voeren. Toner bijna leeg Item Beschrijving Waarde Toner bijna leeg Geeft de periode op waarna een bericht wordt gegeven dat de toner bijna op is. Houd er rekening mee dat de standaardwaarde voor deze instelling niet hersteld wordt door [Alle instel. terugz.] onder [Beheerderstoepass.] uit te voeren of door [Menuinstellingen terugzetten] onder [Beheerderstoepass.] van Web Image Monitor uit te voeren. Eerder De melding dat er weinig toner meer is, wordt weergegeven wanneer er nog ongeveer 300 pagina's met de resterende toner kunnen worden afgedrukt. Normaal De melding dat er weinig toner meer is, wordt weergegeven wanneer er nog ongeveer 200 pagina's met de resterende toner kunnen worden afgedrukt. Later De melding dat er weinig toner meer is, wordt weergegeven wanneer 255
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Item Beschrijving Waarde er nog ongeveer 100 pagina's met de resterende toner kunnen worden afgedrukt. Standaardinstelling: [Normaal] Europa) (voornamelijk Autom. uitschakelen Het apparaat schakelt automatisch uit wanneer het gedurende 2 uur of langer in energiebesparingsmodus blijft en niet met de host verbindt. Uit Aan Standaardinstelling: [Aan] 256
Instellingen voor printereigenschappen Instellingen voor printereigenschappen Lijst-/proefafd Drukt lijsten af met de configuraties van het apparaat. De lijsten worden afgedrukt op A4- of Letter-formaat door de lade te gebruiken die is ingesteld voor [Printer] onder [Papierladeprioriteit] in [Papierinstelingen]. Item Configuratiepa gina Menulijst Testpagina PCLlettertypelijst PSlettertypelijst Beschrijving Hiermee wordt algemene informatie en de huidige configuratie van het apparaat afgedrukt. Drukt de functiemenu's van het apparaat af. Hiermee drukt u een testpagina af om de voorwaarde voor enkelzijdig afdrukken te controleren. Op de testpagina staan netwerkinstellingen. Drukt de geïnstalleerde PCL-lettertypelijst af. Drukt de geïnstalleerde PostScript-lettertypelijst af. Systeem Item Beschrijving Waarde Kopieën Sub papierformaat Standaard paginaformaat Stelt het apparaat zo in dat het opgegeven aantal sets wordt afgedrukt. Deze instelling is uitgeschakeld indien het aantal af te drukken pagina's is aangegeven door het printerstuurprogramma. Stelt het apparaat zo in dat er op papier van een ander formaat wordt afgedrukt als het opgegeven papier niet is geplaatst. Andere formaten zijn vooraf ingesteld op A4 en Letter. Bepaalt welk papierformaat gebruikt moet worden als het papierformaat in de afdruktaak niet is opgegeven. 1 tot 999 Standaardinstelling: 1 Automatisch Uit Standaardinstelling: [Uit] A4, A5, A6, 8 1/2 11, 7 1/4 10 1/2, 8 1/2 13, 16K, 3 7/8 7 1/2, C6 Env, B5 JIS, B6 257
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Item Beschrijving Waarde JIS, 8 1/2 14, 51/2 8 1/2, 8 13, 8 1/4 13, 4 1/8 9 1/2, C5 Env, DL Env Standaardinstelling: [A4] Standaard: [8 1/2 11] Dubbelzijdig Blanco pag. afdr. Zwart-wit paginadetectie Foutenrapp. afdr. Stelt het apparaat zo in dat er op beide zijden van het papier wordt afgedrukt volgens de opgegeven inbindmethode. Hiermee wordt ingesteld dat het apparaat blanco pagina's afdrukt. Wanneer het afdrukken van kaften is ingesteld vanuit het printerstuurprogramma, worden kaften ingevoegd zelfs als u [Uit] selecteert. Let op: deze instelling heeft een lagere prioriteit dan de instelling voor lege pagina's van het printerstuurprogramma. Hiermee stelt u in dat het apparaat alle zwart-wit pagina's afdrukt in zwart-wit, zelfs als afdrukken in kleur is opgegeven. Hiermee wordt ingesteld dat het apparaat een foutpagina afdrukt als het apparaat een afdruk- of geheugenfout detecteert. Geen Binden Lange zijde Binden Korte zijde Standaardinstelling: [Geen] Aan Uit Standaardinstelling: [Aan] Aan Uit Standaardinstelling: [Aan] Aan Uit Standaardinstelling: [Uit] PCL-menu Hiermee worden voorwaarden opgegeven als PCL wordt gebruikt voor het afdrukken. 258
Instellingen voor printereigenschappen Item Beschrijving Waarde Richting Selecteer hier de invoerrichting van de pagina. Staand Liggend Standaardinstelling: [Staand] Formulierregel s Geeft het aantal lijnen per pagina op. 5 tot 128 Standaardinstelling: 64 Lettertypenum mer Puntgrootte Lettertypebree dte Symbolenset Geeft de ID van het standaard lettertype op dat u wilt gebruiken. Geeft de tekengrootte van het geselecteerde lettertype op. Deze instelling is alleen effectief voor een lettertype dat verscheidene ruimtes tussen lettertypes heeft (variable-space font). Specificeert het aantal tekens per inch voor het standaardlettertype. Deze instelling is alleen van toepassing op lettertypes die een vaste ruimte tussen de letters heeft (fixedspace font). Geeft de tekenset van het geselecteerde lettertype op. De volgende sets zijn beschikbaar: Standaardinstelling: 60 0 tot 89 Standaardinstelling: 0 4,00 t/m 999,75 Standaardinstelling: 12,00 punten U kunt de waarde in stappen van 0,25 wijzigen. 0,44 tot 99,99 Standaardinstelling: 10,00 tekenbreedte Roman-8, Roman-9, ISO L1, ISO L2, ISO L5, PC-8, PC-8 D/N, PC-850, PC-852, PC-858, PC-8 TK, Win L1, Win L2, Win L5, Desktop, PS-tekst, VN Intl, VN US, MS Publ, Math-8, PS Math, VN Math, Pifont, Legal, ISO 4, ISO 6, ISO 11, ISO 15, ISO 17, ISO 21, ISO 60, ISO 69, Win 3.0, MC Text, ISO L6, ISO L9, PC-775, PC-1004, Win Baltic Standaardinstelling: [PC-8] 259
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Item Beschrijving Waarde Courier lettertype Vergroot A4- breedte Van CR naar LF PCL-resolutie Selecteert een lettertype van het couriertype. Stelt het apparaat in zodat de breedte van het afdrukgebied op A4-papier groter wordt en het verkleint de marge aan de zijkant. Stelt het apparaat in zodat er een CRcode aan elke LF-code wordt toegevoegd zodat tekstgegevens duidelijk worden afgedrukt. Stelt de resolutie van de afdruk in dots per inch in. Standaard Donker Standaardinstelling: [Standaard] Aan Uit Standaardinstelling: [Uit] Aan Uit Standaardinstelling: [Uit] 600 600 1bit 600 600 2bit 600 600 4bit Standaardinstelling: [600 600 1bit] PS-menu Geeft de voorwaarden op voor het gebruik van PostScript bij het afdrukken. Item Beschrijving Waarde PS-resolutie Stelt de resolutie van de afdruk in dots per inch in. 600 600 1bit 600 600 2bit 600 600 4bit Standaardinstelling: [600 600 1bit]] Kleurprofiel Specificeert het kleurprofiel. Effen kleuren Presentatie Fotografisch Uit Standaardinstelling: [Vaste kleur] 260
Papierinstellingen Papierinstellingen Item Beschrijving Waarde Papierform.: Lade 1 A4, B5 JIS, A5, B6 JIS, A6, 8 1/2 14, 8 1/2 11, 5 1/2 8 1/2, 7 1/4 10 1/2, 8 13, 8 1/2 13, 8 1/4 13, 16K, 4 1/8 9 1/2, 3 7/8 7 1/2, C5 Env, C6 Env, DL Env, A5 LEF, 8 1/2 13 2/5, 8 1/2 13 3/5, Aangepast formaat Standaardinstelling: [A4] Papierform aat: Lade 2 Formaat papier handinvoer Bepaalt het papierformaat voor lade 2. Deze instelling wordt alleen weergegeven wanneer de optionele papierlade-eenheid is geïnstalleerd. Standaard: [8 1/2 11] A4 8 1/2 x 11 Standaardinstelling: [A4] Standaard: [8 1/2 11] A4, B5 JIS, A5, B6 JIS, A6, 8 1/2 14, 8 1/2 11, 5 1/2 8 1/2, 7 1/4 10 1/2, 8 13, 8 1/2 13, 8 1/4 13, 16K, 4 1/8 9 1/2, 3 7/8 7 1/2, C5 Env, C6 Env, DL Env, A5 LEF, 8 1/2 13 2/5, 8 1/2 13 3/5, Aangepast formaat Standaardinstelling: [A4] Papiertype : Lade 1 Bepaalt de papiersoort voor lade 1. Standaard: [8 1/2 11] Dun papier Normaal papier Medium dik papier 261
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Item Beschrijving Waarde Dik papier 1 Gerecycled papier Gekleurd papier Briefpapier Voorbedrukt papier Voorgeperforeerd papier Etikettenpapier Bankpost Karton Envelop Dik papier 2 Standaardinstelling: [Middeldik papier] Papiertype : Lade 2 Pap.soort:_ %1_ Bepaalt de papiersoort voor lade 2. Deze instelling wordt alleen weergegeven wanneer de optionele papierlade-eenheid is geïnstalleerd. Bepaalt de papiersoort voor de handinvoer. Dun papier Normaal papier Medium dik papier Dik papier 1 Gerecycled papier Gekleurd papier Briefpapier Voorbedrukt papier Voorgeperforeerd papier Standaardinstelling: [Middeldik papier] Dun papier Normaal papier Medium dik papier Dik papier 1 Gerecycled papier Gekleurd papier Briefpapier Voorgeperforeerd papier Etikettenpapier 262
Papierinstellingen Item Beschrijving Waarde Bankpost Karton Envelop Dik papier 2 Standaardinstelling: [Middeldik papier] Lade 1 prioriteit Ladepriorit eit Bepaalt hoe afdruktaken met lade 1 worden verwerkt. Bepaalt hoe afdruktaken met de handinvoer worden verwerkt. Apparaatinstelling(en) De papierinstellingen die op het bedieningspaneel van het apparaat zijn geconfigureerd, worden op alle afdruktaken toegepast. Er treedt een fout op als de papierinstellingen die in het printerstuurprogramma of in de afdrukopdracht zijn opgegeven niet overeenkomen met de apparaatinstellingen. Driver/Opdracht Als de papierlade voor een afdruktaak is opgegeven, zijn de papierinstellingen die in het printerstuurprogramma of in de afdrukopdracht zijn opgegeven van toepassing, ongeacht de apparaatinstellingen. Standaardinstelling: [Apparaatinstelling(en)] Apparaatinstelling(en) Het apparaat drukt alle afdruktaken af aan de hand van de printerinstellingen. Er treedt een fout op als de instellingen voor het papierformaat/-soort van het apparaat en het printerstuurprogramma niet overeenkomen. Driver/Opdracht Als de papierlade voor een afdruktaak is opgegeven, zijn de papierinstellingen die in het printerstuurprogramma of in de afdrukopdracht zijn opgegeven van toepassing, ongeacht de apparaatinstellingen. Elk formaat/type 263
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Item Beschrijving Waarde Het apparaat drukt alle afdruktaken af aan de hand van de instellingen in het printerstuurprogramma. Afdrukken gaat verder, zelfs als de instellingen van het apparaat en het printerstuurprogramma voor het papierformaat/-type niet overeenkomen. Echter, als het papier te klein is voor de afdruktaak, wordt de afgedrukte afbeelding bijgesneden zodat het past. Elk aangepast formaat/type Het apparaat drukt afdruktaken met een aangepast formaat af aan de hand van de instellingen in het printerstuurprogramma en afdruktaken met een standaardformaat aan de hand van de apparaatinstellingen. Voor afdruktaken met een aangepast formaat, gaat het afdrukken verder zelfs als de instellingen van het apparaat en het printerstuurprogramma voor het papierformaat/-type niet overeenkomen. Echter, als het papier te klein is voor de afdruktaak, wordt de afgedrukte afbeelding bijgesneden zodat het past. Bij taken met een standaardformaat treedt er een fout op als de instellingen voor de papierformaat/-soort van het apparaat en het printerstuurprogramma niet overeenkomen. Standaardinstelling: [Driver/Opdracht] Papierlade prioriteit Bepaalt de lade die het apparaat eerst gebruikt voor afdruktaken, het afdrukken van kopiëen of het afdrukken van faxen (lade 1 of 2). Als meerdere laden geschikt papier bevatten, wordt de eerste lade die wordt gevonden voor het afdrukken gebruikt. Als die lade leeg is, wordt automatisch overgeschakeld Printer Als automatische ladeselectie voor afdruktaken is opgegeven en zowel lade 1 als lade 2 papier bevatten dat overeenkomt met de afdruktaak, begint het apparaat met afdrukken vanuit de opgegeven lade. Lade 1 Lade 2 Kopieerapparaat 264
Papierinstellingen Item Beschrijving Waarde naar de volgende lade om het afdrukken voort te zetten. Als lade 2 niet geïnstalleerd is, wordt [Lade 2] niet weergegeven. Als [A4] of [8 1/2 11] is geselecteerd voor [Selecteer papier] onder de kopieerinstellingen en zowel lade 1 als lade 2 bevatten papier van dat formaat, zal het apparaat beginnen met afdrukken uit de opgegeven lade. Fax Lade 1 Lade 2 Als [Automatisch] geselecteerd is voor [Selecteer papierlade] in Faxeigenschappen en zowel lade 1 als lade 2 bevat papier van dat formaat, zal het apparaat beginnen met afdrukken vanuit de opgegeven lade. Lade 1 Lade 2 Standaardinstelling: [Lade 1] 265
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Instellingen van Beheerderstoepassingen Item Beschrijving Waarde Datum/tijd instellen Faxinf. programmeren. Hiermee stelt u de datum en tijd in van de interne klok van het apparaat. De standaardwaarde kan verschillen afhankelijk van de instelling in [Land] onder [Beheerderstoepass.]. Hier geeft u de faxnaam en het faxnummer van het apparaat op. Datum instellen Bepaalt de datum van de interne klok van het apparaat. Er kunnen alleen data worden ingesteld die overeenkomen met het jaar en de maand. Niet-compatibele data worden geweigerd. Standaard datumindeling: [Jaar/maand/ dag] Datumindeling: Maand/dag/jaar, Dag/maand/jaar of Jaar/maand/dag Tijd instellen Jaar: 2000 tot en met 2099 Maand: 1 t/m 12 Dag: 1 t/m 31 Bepaalt de tijd van de interne klok van het apparaat. Standaard datumindeling: [24-uursindeling] Tijdsindeling: 12-uursindeling, 24- uursindeling Nummer: AM/PM stempel: AM, PM (voor 12- uursindeling) Uur: 0 t/m 23 (voor 24-uursindeling) of 1 t/m 12 (voor 12-uursindeling) Minuten: 0 t/m 59 Bepaalt het faxnummer van het apparaat, dit kan uit maximaal 20 tekens bestaan, inclusief 0 t/m 9, spatie en "+". Naam: Hier geeft u de faxnaam van het apparaat op. Deze kan uit maximaal 20 letters, cijfers en symbolen bestaan. 266
Instellingen van Beheerderstoepassingen Item Beschrijving Waarde Kies-/pulstoon PSTN / PBX PBXtoegangsnumm er Functieprioriteit Bepaalt het lijntype van de telefoonlijn. Om deze instelling te configureren dient u contact op te nemen met uw telefoonmaatschappij om de instelling te selecteren aan de hand van uw telefoonlijn. Het selecteren van een verkeerde instelling kan tot storingen leiden in faxverzendingen. [Tel. kiessch.(20pps)] kan mogelijk niet worden weergegeven door de landinstelling van het apparaat. Hiermee bepaalt u of het apparaat direct is aangesloten op het algemeen gebruikte telefoonnetwerk (PSTN) of via een telefooncentrale die voor een bedrijf gebruikt wordt (PBX). Bepaalt het nummer dat moet worden gedraaid om toegang tot de externe lijn te krijgen als het apparaat op een PBX is aangesloten. Let op dat deze instelling overeenkomt met de instelling van uw PBX. Anders kunt u wellicht geen faxen versturen naar externe bestemmingen. Bepaalt de modus die geactiveerd wordt wanneer Pulstoon Tel. kiessch. (10PPS) Tel. kiessch. (20PPS) Standaardinstelling: [Pulstoon] PSTN PBX Standaardinstelling: [PSTN] 0 tot 999 Standaardinstelling: 9 Home Kopieerapparaat 267
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Item Beschrijving Waarde het apparaat wordt ingeschakeld of als de tijd die is opgegeven voor [Reset timer systeem] is verstreken zonder activiteit terwijl het beginscherm van de huidige modus wordt weergegeven. Fax Scanner Standaardinstelling: [Home] Reset systeem timer Energiespaarst andmodus Stelt het apparaat zo in dat het terugkeert naar de modus die is opgegeven bij [Functieprioriteit]. Deze instelling wordt ook toegepast op de time-out voor het kopiëren van het volgende document onder ID-kaart kopiëren en handmatig dubbelzijdig kopiëren. Bepaalt of dat het apparaat naar Energiespaarstandmodus, Energiespaarstandmodus 1 of Energiespaarstandmodus 2 overgaat om het stroomverbruik te verlagen. Het apparaat keert terug uit de energiespaarstand wanneer een afdruktaak wordt ontvangen, een ontvangen fax wordt afgedrukt of een willekeurige toets op het bedieningspaneel wordt ingedrukt. Ongeacht de instellingen voor Energiebesparingsmodus 1 of Energiebesparingsmodus 2 gaat het apparaat in 30 sec. 1 min. 2 min. 3 min. 5 min. 10 min. Uit Standaardinstelling: [1 min. ] Energiesp.modus 1 Het apparaat gaat over naar Energiespaarstandmodus 1 als het apparaat 30 seconden niet is gebruikt. Het kost minder tijd om terug te keren uit Energiespaarstand 1 dan uit de uitgeschakelde status of uit Energiespaarstand 2, maar het stroomverbruik in Energiespaarstand 1 is hoger in dan in Energiespaarstand 2. Uit Aan Standaardinstelling: [Uit] Energiespaarstandmodus 2 Het apparaat gaat over naar Energiespaarstandmodus 2 als de opgegeven tijd voor deze instelling is verstreken. Het apparaat verbruikt in Energiespaarstand 2 minder stroom dan in Energiespaarstand 1, maar het duurt langer om terug te keren uit Energiespaarstand 2. 268
Instellingen van Beheerderstoepassingen Item Beschrijving Waarde Energiebesparingsmodus 1 nadat het gedurende 10 minuten stil heeft gestaan. Aan (1 tot 240 minuten) Uit Standaardinstelling: [Aan] (1 minuut) Taal Land Bepaalt de taal die op het scherm en in rapporten gebruikt wordt. De standaardwaarde voor deze instelling is de taal die u heeft opgegeven tijdens de eerste set-up, die moeten worden opgegeven als het apparaat voor het eerst wordt ingeschakeld. Selecteer het land waarin het apparaat wordt gebruikt. De landcode die u specificeert bepaalt de displaynotatie van de datum en tijd en de standaardwaarden van de faxverzendingsinstellingen. Zorg ervoor dat u de correcte landcode selecteert. Het selecteren van een verkeerde landcode kan tot Engels Duits Frans Italiaans Spaans Nederlands Zweeds Noors Deens Fins Portugees Tsjechisch Hongaars Pools Russisch Brazil. Portugees Turks Arabisch Thais Algerije, Argentinië, Australië, Oostenrijk, België, Bolivië, Brazilië, Bulgarije, Canada, Chili, China, Colombia, Costa Rica, Kroatië, Cyprus, Tsjechië, Denemarken, Dominicaanse Republ., Ecuador, Egypte, El Salvador, Estland, Finland, Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Guam, Guatemala, Honduras, Hong Kong, Hongarije, IJsland, India, Ierland, Israël, Italië, 269
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Item Beschrijving Waarde storingen leiden in faxverzendingen. De standaardwaarde voor deze instelling is de landcode die u heeft opgegeven tijdens de eerste set-up, die moeten worden opgegeven als het apparaat voor het eerst wordt ingeschakeld. Japan, Jordanië, Koeweit, Letland, Libanon, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Maleisië, Malta, Mexico, Montenegro, Marokko, Nederland, Nieuw-Zeeland, Nicaragua, Nigeria, Noorwegen, Oman, Panama, Paraguay, Peru, Filipijnen, Polen, Portugal, Puerto Rico, Roemenië, Rusland, Saudi-Arabië, Senegal, Servië, Singapore, Slovakije, Slovenië, Zuid- Afrika, Spanje, Sri Lanka, Zweden, Zwitserland, Taiwan, Thailand, Trinidad en Tobago, Tunesië, Turkije, Ver. Arab. Emiraten, Verenigd Koninkrijk, Uruguay, Verenigde Staten, Venezuela, Vietnam, Maagdeneilanden, Jemen Instell. terugzetten Let op dat u de instellingen niet per ongeluk wist. Alle instell. terugzetten Zet alle apparaatinstellingen terug naar de standaardwaarden behalve de volgende: Taalinstellingen Landinstellingen Netwerkinstellingen Faxbestemmingen Druk op [Ja] om deze bewerking uit te voeren. Druk op [Nee] om het voorgaande niveau van de menustructuur af te sluiten zonder de instellingen te wissen. Netw.instel. terugz. Zet de netwerkinstellingen terug naar de standaardinstelllingen. Druk op [Ja] om deze bewerking uit te voeren. Druk op [Nee] om het voorgaande niveau van de menustructuur af te sluiten zonder de instellingen te wissen. Adresboek wissen 270
Instellingen van Beheerderstoepassingen Item Beschrijving Waarde Hiermee wist u de faxsnelkiesbestemmingen en verkorte faxbestemmingen. Druk op [Ja] om deze bewerking uit te voeren. Druk op [Nee] om het voorgaande niveau van de menustructuur af te sluiten zonder de bestemmingen te wissen. PCL6-modus Vergr. beh.toepass. IPsec Bevestiging faxnummer Stel dit in op [Universal] als u het universele stuurprogramma gebruikt en op [SP C262] als u het normale stuurprogramma gebruikt. Geef een wachtwoord op van vier cijfers om toegang te krijgen tot de menu's [Adresboek], [Netwerkinstellingen], [Install.wiz.] en [Beheerderstoepass.]. Onthoud dit wachtwoord. Hiermee selecteert u of IPsec moet worden in- of uitgeschakeld. Deze functie wordt alleen weergegeven als er een wachtwoord is opgegeven onder [Vergr. beh.toepass]. Stelt het apparaat zo in dat er gevraagd wordt een faxnummer tweemaal in te voeren als er handmatig een bestemming wordt opgegeven. Als deze functie is ingeschakeld, kunt u de functie Op de haak niet gebruiken. Universal SP C262 Standaardinstelling: [SP C262] Aan (0000 tot en met 9999) Uit Standaardinstelling: [Uit] Inactief Actief Standaardinstelling: [Inactief] Aan Uit Standaardinstelling: [Uit] 271
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Item Beschrijving Waarde Deze functie wordt alleen weergegeven als er een wachtwoord is opgegeven onder [Vergr. beh.toepass]. Scan op USB opslaan Geef op of Scannen naar USB in- of uitgeschakeld moet worden. Deze functie wordt alleen weergegeven als er een wachtwoord is opgegeven onder [Vergr. beh.toepass]. Inactief Actief Standaardinstelling: [Actief] 272
Lijsten/rapporten afdrukken Lijsten/rapporten afdrukken De configuratiepagina afdrukken 1. Druk op de toets [Home]. DUE302 2. Druk op het pictogram [Instel.] op het [Home]-scherm. 3. Druk op [Lijst/rap. afdrukken]. 4. Druk op [Configuratiepagina]. 5. Druk op [Ja]. Types lijsten/rapporten Rapporten worden afgedrukt op papier van A4- of Letter-formaat. Plaats één van deze formaten papier in de lade voordat u rapporten afdrukt. Configuratiepagina Hiermee wordt algemene informatie en de huidige configuratie van het apparaat afgedrukt. Faxjournaal Hiermee wordt een journaal van faxverzending en -ontvangst van de laatste 50 taken afgedrukt. TX/RX stnd-bybestndn Hiermee wordt een lijst faxtaken afgedrukt die nog in het geheugen van het apparaat wachten om te worden afgedrukt, verzonden of doorgestuurd. Snelkiesbestemming Hiermee wordt een lijst van snelkeuzebestemmingen voor scannen en faxen afgedrukt. Verkort kiesbestemming fax Hiermee wordt een lijst met ingevoerde verkorte kiesnummers afgedrukt. 273
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Op verkort kiesnr. Hiermee wordt een lijst met records gesorteerd op het registratienummer van de verkorte kiesbestemmingen. Op naam Hiermee wordt de lijst afgedrukt met de records gesorteerd op naam. Bestemmingslijst scanner Hiermee wordt een lijst van de scanbestemmingen afgedrukt. Scannerjournaal Hiermee wordt een scanjournaal afgedrukt voor de laatste 100 taken van Scannen naar E-mail, Scannen naar FTP en Scannen naar Map. Onderhoudspagina Hiermee wordt de onderhoudspagina afgedrukt. Lijst spec. afzender Hiermee wordt een lijst van speciale afzenders voor faxen afgedrukt. 274
Netwerkinstellingen Netwerkinstellingen Mogelijk moet u uw apparaat, afhankelijk van de instellingen die u wijzigt, opnieuw opstarten. Op sommige modellen wordt een aantal items mogelijk niet weergegeven. Wi-Fi inschakelen Item Beschrijving Waarde Wi-Fi aan Selecteer of u draadloze LAN wilt inof uitschakelen. Wanneer [Uitschakelen] is ingesteld, worden [Wi-Fi-configuratie] en [Wi-Fi Direct SSID] niet weergegeven. Uitschakelen Inschakelen Standaardinstelling: [Uitschakelen] Ethernet Item Beschrijving Waarde MAC-adres Toont het MAC-adres van het apparaat. Ethernetsnelhei d Ethernetsnelhei d instellen Toont de huidige ethernetsnelheidinstelling. Bepaalt de snelheid voor Ethernetcommunicatie. Selecteer een snelheid die overeenstemt met uw netwerkomgeving. Voor de meeste netwerken is de standaardinstelling de beste instelling. 100Mbps volledig duplex 100Mbps half duplex 10Mbps volledig duplex 10Mbps half duplex Geen ethernetverbinding Dit wordt weergegeven als er geen netwerkkabel is aangesloten. Automatische selecteren 100Mbps volledig duplex 100Mbps half duplex 10Mbps volledig duplex 10Mbps half duplex Standaardinstelling: [Automatisch selecteren] 275
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel IPv4-configuratie Item Beschrijving Waarde IPV4 DHCP IP-adres Subnetmasker Gatewayadres Methode IPadres IP-adres Wi-Fi Direct Hiermee verkrijgt het apparaat automatisch zijn IPv4-adres, subnetmasker en standaard gatewayadres van een DHCP-server. Hiermee geeft u het IPv4-adres van het apparaat op wanneer DHCP niet wordt gebruikt. Gebruik dit menu om het huidige IPadres te controleren bij gebruik van DHCP. Hiermee geeft u het subnetmasker van het apparaat op wanneer DHCP niet wordt gebruikt. Gebruik dit menu om het huidige subnetmasker te controleren bij gebruik van DHCP. Hiermee geeft u het standaard gateway-adres van het apparaat op wanneer DHCP niet wordt gebruikt. Gebruik dit menu om het standaard gateway-adres te controleren bij gebruik van DHCP. Geeft de acquisitiemethode van het IPadres weer. Hier wordt het IP-adres van Wi-Fi Direct weergegeven. Inactief Actief Standaardinstelling: [Actief] Standaardinstelling: XXX.XXX.XXX.XXX De cijfers die voor "X" staan, hangen af van uw netwerkomgeving. Standaardinstelling: XXX.XXX.XXX.XXX De cijfers die voor "X" staan, hangen af van uw netwerkomgeving. Standaardinstelling: XXX.XXX.XXX.XXX De cijfers die voor "X" staan, hangen af van uw netwerkomgeving. IP niet gereed DHCP Handmatige configuratie Standaard IP 276
Netwerkinstellingen IPV6-configuratie Item Beschrijving Waarde IPV6 IPV6 DHCP Handm. configuratieadres IP-adres (DHCP) Staatloos adres Selecteer of u IPv6 wilt in- of uitschakelen Hiermee stelt u in dat het apparaat het IPv6-adres ontvangt van een DHCPserver. Hier worden de IPv6-instellingen van het apparaat opgegeven. Hiermee wordt het IPv6-adres weergegeven dat wordt verkregen van een DHCP-server. Geeft de IPv6 staatloze adressen weer die zijn verkregen via routeradvertisement. Inactief Actief Standaardinstelling: [Inactief] Inactief Actief Standaardinstelling: [Actief] Handm. configuratie-adres Hiermee geeft u het IPv6-adres van het apparaat op wanneer DHCP niet wordt gebruikt. Kan tot 46 tekens bevatten. Voor meer informatie over het invoeren van tekens, zie Pag. 44 "Tekens invoeren". Lengte prefix Hiermee stelt u de prefixlengte in met een waarde tussen 0 en 128. Gateway-adres Bepaalt het IPv6-adres van de standaard gateway. Kan tot 46 tekens bevatten. Voor meer informatie over het invoeren van tekens, zie Pag. 44 "Tekens invoeren". Staatloos adres 1 Staatloos adres 2 Staatloos adres 3 Staatloos adres 4 277
7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel Item Beschrijving Waarde Link-plaats. adres Geef het IPv6 linklokale adres weer. Wi-Fi configuratie Item Beschrijving Waarde Verbindingsmo dus Hiermee wordt de huidige verbindingsmodus aangegeven. Ethernet Wi-Fi Wi-Fi Direct Wi-Fi-status Installatiewizar d Hiermee kunnen apparaten direct met elkaar communiceren zonder een centraal accesspoint te moeten gebruiken. Status Hiermee wordt de huidige status van de verbinding aangegeven. Mac-adres Toont het MAC-adres van het apparaat. SSID Hiermee wordt gedetailleerde informatie over de SSID weergegeven. Hiermee wordt de procedure weergegeven voor het maken van een handmatige verbinding met draadloos LAN. Het leidt u stap voor stap door de configuratie van de instellingen voor het maken van verbinding met draadloos LAN. - - - WPS Hiermee maakt u met één druk verbinding door middel van WPS (Wi- Fi Protected Setup). Voor meer informatie, zie de Installatiehandleiding. PBC PIN 278
Netwerkinstellingen Item Beschrijving Waarde Wi-Fi Direct SSID Naam Toont de huidige SSID van het apparaat. Wachtwoord Geef het wachtwoord op voor Wi-Fi Direct-verbinding. - Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor informatie over de netwerkconfiguratie. 279
280 7. Het apparaat configureren met het bedieningspaneel
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u het apparaat kunt configureren aan de hand van hulpprogramma's. Beschikbare instellingsfuncties via Web Image Monitor Gebruik Web Image Monitor om de configuratie van het apparaat vanaf een computer te wijzigen. De beschikbare bewerkingen voor Web Image Monitor zijn als volgt: De volgende bewerkingen kunnen met Web Image Monitor vanaf een computer op afstand worden uitgevoerd: De status of instellingen van het apparaat weergeven Apparaatinstellingen configureren Scan- en faxbestemmingen registreren Speciale afzenders van faxen registreren Gebruikersbeperking configureren Netwerkinstellingen configureren IPsec-instellingen configureren Rapporten afdrukken Het wachtwoord en e-mailadres van de beheerder instellen Apparaatconfiguratie terugzetten naar de fabrieksinstellingen Back-upbestanden maken van de apparaatconfiguratie De apparaatconfiguratie herstellen via back-upbestanden Datum en tijd van het apparaat configureren De energiespaarstandmodus van het apparaat configureren 281
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Web Image Monitor gebruiken Sommige items worden mogelijk niet weergegeven, afhankelijk van het modeltype dat u gebruikt. Sommige items kunnen worden geconfigureerd via het bedieningspaneel. Aanbevolen internetbrowsers Internet Explorer 6 of hoger Firefox 3.0 of hoger Safari 3.0 of later Om het apparaat te bedienen via Web Image Monitor, moet u eerst de TCP/IP- of draadloze LAN-instellingen van het apparaat instellen. Voor meer informatie, zie Pag. 275 "Netwerkinstellingen" of Pag. 307 "De netwerkinstellingen configureren". 282
Bovenste pagina weergeven Bovenste pagina weergeven Als u via Web Image Monitor toegang tot het apparaat verkrijgt, wordt de bovenste pagina in uw browservenster weergegeven. 1. Start de internetbrowser. 2. Voer in de adresbalk van de browser "http://(ip-adres van apparaat)/" in om toegang te krijgen tot dit apparaat. Als u een DNS- of WINS-server gebruikt wordt en de hostnaam van het apparaat is opgegeven, kunt u in plaats van het IP-adres de hostnaam opgeven. De bovenste pagina van Web Image Monitor wordt weergegeven. Bovenste pagina Elke pagina van Web Image Monitor is onderverdeeld in de volgende gedeeltes: 2 3 1 4 DUE316 1. Menugedeelte Als u op een menu klikt, wordt de inhoud ervan in het hoofdgedeelte weergegeven. 2. Tabbladgebied Bevat tabbladen met informatie en instellingen die u wilt bekijken of configureren. 3. Veelgest. vragen/kennisdatabase Biedt antwoord op veelgestelde vragen en andere nuttige informatie over het gebruik van dit apparaat. Om deze informatie te bekijken, is een internetverbinding vereist. 283
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's 4. Algemeen gebied Hier wordt de inhoud weergegeven van het item dat in het menugedeelte is geselecteerd. De informatie in het algemene gedeelte wordt niet automatisch bijgewerkt. Klik op [Vernieuwen] in de rechterbovenhoek van het algemene gebied om de informatie bij te werken. Klik op de button [Vernieuwen] van de internetbrowser om het volledige browserscherm bij te werken. Als er een oudere versie van een ondersteunde browser wordt gebruikt of JavaScript en cookies zijn uitgeschakeld, kunnen er weergave- en bewerkingsproblemen optreden. Als u een proxyserver gebruikt, wijzigt u de instellingen van de webbrowser indien nodig. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor meer informatie over de instellingen. De vorige pagina wordt mogelijk niet weergegeven, zelfs niet als op de knop [Vorige] in de webbrowser wordt geklikt. Als dit gebeurt, klikt u op de knop [Vernieuwen] van de webbrowser. De veelgestelde vragen/kennisdatabase zijn in bepaalde talen niet beschikbaar. De taal van de interface wijzigen Selecteer de gewenste interfacetaal uit de lijst [Taal]. 284
De systeeminformatie controleren De systeeminformatie controleren Klik op [Home] om de hoofdpagina van Web Image Monitor weer te geven. Op deze pagina kunt u de huidige systeeminformatie controleren. Deze pagina bevat drie tabbladen: [Status], [Teller] en [Apparaatinformatie]. Het tabblad Status Item Modelnaam Locatie Contact Hostnaam Apparaatstatus Toont de naam van het apparaat. Beschrijving Toont de locatie van het apparaat zoals is geregistreerd op de [SNMP]- pagina. Toont de contactinformatie van het apparaat zoals is geregistreerd op de [SNMP]-pagina. Toont de hostnaam zoals is opgegeven in de [Hostnaam] op de [DNS]- pagina. Toont de huidige berichten op het display van het apparaat. Toner Zwart Magenta Geel Cyaan Item Beschrijving Toont de resterende hoeveelheid zwarte toner. Toont de resterende hoeveelheid magenta toner. Toont de resterende hoeveelheid gele toner. Toont de resterende hoeveelheid cyaan toner. Tonerafvalfles Tus.lig. transf.eenh. Fuseereenheid Toont de resterende levensduur van de afvaltonerfles als "Status OK", "Bijna vol" of "Vol". Toont de resterende levensduur van de tussenliggende transfereenheid als "Status OK", "Vervanging binnenkort vereist" of "Vervanging vereist". Neem voor vervanging contact op met uw verkoop- of servicevertegenwoordiger. Toont de resterende levensduur van de fuseereenheid als "Status OK", "Vervanging binnenkort vereist" of "Vervanging vereist". 285
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Item Transferroller Beschrijving Neem voor vervanging contact op met uw verkoop- of servicevertegenwoordiger. Toont de resterende levensduur van de transferriem als "Status OK", "Vervanging binnenkort vereist" of "Vervanging vereist". Neem voor vervanging contact op met uw verkoop- of servicevertegenwoordiger. Papierlade Item Beschrijving Lade 1 Toont de huidige status en instelling voor papierformaat/-soort van lade 1. Lade 2 Toont de huidige status en instelling voor papierformaat/-soort van lade 2. Handinvoer Toont de huidige status en instelling voor het papierformaat/-type van de handinvoer. Als er geen authentieke printcartridge is geïnstalleerd, kan de levensduur van de toner niet goed worden aangegeven. De informatie over de tussenliggende transfereenheid, fuseereenheid en transferroller wordt alleen op de SP C262SFNw weergegeven. Informatie over lade 2 wordt alleen weergegeven als deze is geïnstalleerd. Tabblad Teller Paginateller Item Printer Scanner Beschrijving Toont het volgende voor pagina's die worden afgedrukt met de printfunctie: Totaal aantal pagina's dat is afgedrukt via de printfunctie, en lijsten/ rapporten die afgedrukt zijn vanuit het menu [Lijst-/proefafd] onder [Printereigensch.] Aantal kleurenpagina's Aantal pagina's dat in zwart-wit via de printerfunctie is afgedrukt Toont het volgende voor pagina's die worden gescand met de scanfunctie: Totaal aantal pagina's 286
De systeeminformatie controleren Item Aantal kleurenpagina's Aantal zwart-witpagina's Beschrijving Kopieerapparaat Fax Toont het volgende voor pagina's die worden afgedrukt met de kopieerfunctie: Totaal aantal pagina's Aantal kleurenpagina's Aantal zwart-witpagina's Toont het volgende voor faxen via de telefoonlijn: Totaal aantal pagina's dat is verstuurd of ontvangen Aantal verzonden pagina's Aantal ontvangen pagina's Teller in apparaat Item Teller in apparaat Zwart Cyaan Magenta Beschrijving Toont het volgende voor pagina's die worden afgedrukt met de printer, het kopieerapparaat, de faxfuncties en lijsten/rapporten: Totaal aantal pagina's Aantal kleurenpagina's Aantal zwart-witpagina's Toont het volgende voor pagina's die worden afgedrukt met de printer, het kopieerapparaat, de faxfuncties en lijsten/rapporten: Cumulatieve waarde van dekking van zwarte toner op A4-pagina (percentage) Cumulatieve waarde van verbruik van zwarte toner (geconverteerd in volledig gedekte A4-pagina's) Toont het volgende voor pagina's die worden afgedrukt met de printer, het kopieerapparaat, de faxfuncties en lijsten/rapporten: Cumulatieve waarde van dekking van cyaan toner op A4-pagina (percentage) Cumulatieve waarde van verbruik van cyaan toner (geconverteerd in volledig gedekte A4-pagina's) Toont het volgende voor pagina's die worden afgedrukt met de printer, het kopieerapparaat, de faxfuncties en lijsten/rapporten: 287
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Item Beschrijving Cumulatieve waarde van dekking van magenta toner op A4-pagina (percentage) Cumulatieve waarde van verbruik van magenta toner (geconverteerd in volledig gedekte A4-pagina's) Geel Toont het volgende voor pagina's die worden afgedrukt met de printer, het kopieerapparaat, de faxfuncties en lijsten/rapporten: Cumulatieve waarde van dekking van gele toner op A4-pagina (percentage) Cumulatieve waarde van verbruik van gele toner (geconverteerd in volledig gedekte A4-pagina's) Economy Color Prints Item Economy Color Prints (kleur) Zwart Cyaan Magenta Beschrijving Toont het aantal pagina's dat is afgedrukt in de modus Economy Color met de printfunctie. Toont het volgende voor pagina's afgedrukt in de modus Economy Color met de printerfunctie: Cumulatieve waarde van dekking van zwarte toner op A4-pagina (percentage) Cumulatieve waarde van verbruik van zwarte toner (geconverteerd in volledig gedekte A4-pagina's) Toont het volgende voor pagina's afgedrukt in de modus Economy Color met de printerfunctie: Cumulatieve waarde van dekking van cyaan toner op A4-pagina (percentage) Cumulatieve waarde van verbruik van cyaan toner (geconverteerd in volledig gedekte A4-pagina's) Toont het volgende voor pagina's afgedrukt in de modus Economy Color met de printerfunctie: Cumulatieve waarde van dekking van magenta toner op A4-pagina (percentage) Cumulatieve waarde van verbruik van magenta toner (geconverteerd in volledig gedekte A4-pagina's) 288
De systeeminformatie controleren Item Beschrijving Geel Toont het volgende voor pagina's afgedrukt in de modus Economy Color met de printerfunctie: Cumulatieve waarde van dekking van gele toner op A4-pagina (percentage) Cumulatieve waarde van verbruik van gele toner (geconverteerd in volledig gedekte A4-pagina's) Duplex Item Beschrijving Totaal aantal duplexpag. Toont het totaal aantal dubbelzijdig afgedrukte pagina's. Een vel dat dubbelzijdig is afgedrukt, telt als twee pagina's. Tabblad Apparaatinformatie Apparaatinformatie Item Firmwareversie Firmwareversie van apparaat PCL-versie PS-versie Apparaat-ID Faxkaart Totaal geheugen Beschrijving Toont de versie van de firmware die op het apparaat is geïnstalleerd. Toont het versienummer voor de firmware van de elektromotor van het apparaat. Toont de versie van de PCL-vertaler. Toont de versie van de PS-vertaler. Toont het identificatieummer van het apparaat. Toont de geïnstalleerde faxkaart (indien van toepassing). Toont het totale geheugen dat op het apparaat is geïnstalleerd. 289
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's De systeeminstellingen configureren Klik op [Systeeminstellingen] om de pagina voor configuratie van de systeeminstellingen weer te geven. Deze pagina bevat de volgende tabbladen: [Geluidsvolume aanpassen], [Papierlade-instellingen], [Kopieerapparaat], [Fax], [Lade prioriteit], [Toner besparen], [I/O time-out], [Zwart-witafdruk prioriteit] en [Snelkoppeling naar functie]. Tabblad Geluidsvolume aanpassen Geluidsvolume aanpassen Item Beschrijving Paneeltoets toon Belvolume Dir.kz modus Geluid taakeinde Geluid taakfout Alarmvolume Selecteer het volume van de piep als er op een toets wordt gedrukt en kies daarbij uit [Uit], [Laag], [Medium] of [Hoog]. Selecteer het volume van het overgaan als er een oproep wordt ontvangen en kies daarbij uit [Uit], [Laag], [Medium] of [Hoog]. Selecteer het volume van het geluid uit de luidspreker als er 'op de haak' wordt gebeld en kies daarbij uit [Uit], [Laag], [Medium] of [Hoog]. Selecteer het volume van de piep als er een taak is voltooid en kies daarbij uit [Uit], [Laag], [Medium] of [Hoog]. Selecteer het volume van de piep als er een faxverzendingsfout is opgetreden en kies daarbij uit [Uit], [Laag], [Medium] of [Hoog]. Selecteer het volume van het alarm als er een bewerkingsfout is opgetreden en kies daarbij uit [Uit], [Laag], [Medium] of [Hoog]. Tabblad Papierlade-instellingen Lade 1 Item Beschrijving Papierformaat Selecteer het papierformaat voor lade 1: A4, B5 JIS, A5, A5 (210 148 mm), B6 JIS, A6, 8 1/2 14, 8 1/2 11, 5 1/2 8 1/2, 7 1/4 10 1/2, 8 13, 8 1/2 13, 8 1/4 13, 16K, 4 1/8 9 1/2, 3 7/8 7 1/2, C5 Env, C6 Env, DL Env, 8,5 13,4, 8,5 13,6, Aangepast formaat 290
De systeeminstellingen configureren Item Beschrijving Papiersoort Selecteer de papiersoort voor lade 1: Dun papier (60-65 g/m2), Normaal papier (66-74 g/m2), Medium dik papier (75-90 g/m2), Dik papier 1 (91-105 g/m2), Gerecycled papier, Gekleurd papier, Briefpapier, Voorbedrukt papier, Geperforeerd papier, Etikettenpapier, Bankpost, Karton, Envelop, Dik papier 2 (106-160 g/m2) Lade 2 Item Beschrijving Papierformaat Selecteer het papierformaat voor lade 2: A4, 8 1/2 11 Papiersoort Selecteer de papiersoort voor lade 2: Dun papier (60-65 g/m2), Normaal papier (66-74 g/m2), Medium dik papier (75-90 g/m2), Dik papier 1 (91-105 g/m2), Gerecycled papier, Gekleurd papier, Briefpapier, Voorbedrukt papier, Geperforeerd papier Handinvoer Item Papierformaat Papiersoort Beschrijving Selecteer het papierformaat voor de handinvoer: A4, B5 JIS, A5, A5 (210 148 mm), B6 JIS, A6, 8 1/2 14, 8 1/2 11, 5 1/2 8 1/2, 7 1/4 10 1/2, 8 13, 8 1/2 13, 8 1/4 13, 16K, 4 1/8 9 1/2, 3 7/8 7 1/2, C5 Env, C6 Env, DL Env, 8,5 13,4, 8,5 13,6, Aangepast formaat Selecteer de papiersoort voor de handinvoer: Dun papier (60-65 g/m2), Normaal papier (66-74 g/m2), Medium dik papier (75-90 g/m2), Dik papier 1 (91-105 g/m2), Gerecycled papier, Gekleurd papier, Briefpapier, Geperforeerd papier, Etikettenpapier, Bankpost, Karton, Envelop, Dik papier 2 (106-160 g/m2) Lade 1 prioriteit Item Lade 1 prioriteit Beschrijving Selecteer hoe afdruktaken via lade 1 worden verwerkt. 291
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Item Systeeminstellingen Beschrijving De papierinstellingen die op het bedieningspaneel van het apparaat zijn geconfigureerd, worden op alle afdruktaken toegepast. Er treedt een fout op als de papierinstellingen die in het printerstuurprogramma of in de afdrukopdracht zijn opgegeven niet overeenkomen met de apparaatinstellingen. Driver/Opdracht Als de papierlade voor een afdruktaak is opgegeven, zijn de papierinstellingen die in het printerstuurprogramma of in de afdrukopdracht zijn opgegeven van toepassing, ongeacht de apparaatinstellingen. Prioriteit instelling handinvoer Item Beschrijving Prioriteit instelling handinvoer Selecteer hoe afdruktaken via de handinvoer worden verwerkt. Systeeminstellingen De papierinstellingen die op het bedieningspaneel van het apparaat zijn geconfigureerd, worden op alle afdruktaken toegepast. Er treedt een fout op als de papierinstellingen die in het printerstuurprogramma of in de afdrukopdracht zijn opgegeven niet overeenkomen met de apparaatinstellingen. Driver/Opdracht Als de papierlade voor een afdruktaak is opgegeven, zijn de papierinstellingen die in het printerstuurprogramma of in de afdrukopdracht zijn opgegeven van toepassing, ongeacht de apparaatinstellingen. Elk formaat/type Het afdrukken wordt voortgezet, zelfs als de instellingen voor het papierformaat/-soort van het apparaat en het printerstuurprogramma niet overeenkomen. Als het papier echter te klein is voor de afdruktaak, wordt de afdruk bijgesneden. Elk aangepast formaat/type Het apparaat drukt afdruktaken met een aangepast formaat af aan de hand van de instellingen in het printerstuurprogramma en afdruktaken met een standaardformaat aan de hand van de apparaatinstellingen. 292
De systeeminstellingen configureren Item Beschrijving Bij taken met een aangepast formaat wordt het afdrukken voortgezet, zelfs als de instellingen voor papierformaat/-soort van het apparaat en het printerstuurprogramma niet overeenkomen. Als het papier echter te klein is voor de afdruktaak, wordt de afdruk bijgesneden. Bij taken met een standaardformaat treedt er een fout op als de instellingen voor de papierformaat/-soort van het apparaat en het printerstuurprogramma niet overeenkomen. Informatie over lade 2 wordt alleen weergegeven als deze is geïnstalleerd. Tabblad Kopieerapparaat Papier selecteren Item Papier selecteren Beschrijving Selecteer het papierformaat voor het afdrukken van kopieën en kies daarbij uit: [Lade 1], [Lade 2], [Handinvoer], [A4] of [8 1/2 11]. Als er een lade geselecteerd is, gebruikt het apparaat alleen die lade voor afdrukken. Als er een papierformaat is geselecteerd, zal het apparaat de laden controleren op papier van het opgegeven papierformaat in de volgorde van de prioriteit die is ingesteld bij [Kopieerapparaat] op de [Lade prioriteit]-pagina. Als meerdere laden geschikt papier bevatten, wordt de eerste lade die wordt gevonden voor het afdrukken gebruikt. Als die lade leeg is, wordt automatisch overgeschakeld naar de volgende lade om het afdrukken voort te zetten. Informatie over lade 2 wordt alleen weergegeven als deze is geïnstalleerd. 293
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Tabblad Fax Selecteer pap.lade Item Selecteer papierlade Beschrijving Selecteer de lade voor het afdrukken van faxen en kies daarbij uit: [Automatisch], [Lade 1] of [Lade 2]. Als [Automatisch] geselecteerd is, gebruikt het apparaat lade 1 en lade 2 als ze papier van hetzelfde formaat bevatten. In dit geval begint het apparaat af te drukken vanuit de lade die als prioriteitslade is opgegeven voor [Fax] op de pagina [Lade prioriteit]. Zodra het papier in die lade op is, schakelt de printer automatisch over op de andere lade om verder te gaan met afdrukken. Alleen papier van het formaat A4, Letter of Legal kan voor het afdrukken van faxen worden gebruikt. Zorg ervoor dat u een lade selecteert die papier bevat van een geldig formaat. Als lade 2 niet geïnstalleerd is, wordt alleen [Lade 1] weergegeven. Bevestiging faxnummer Item Faxnummer bevestigen Beschrijving Schakel deze instelling in om bij het handmatig invoeren van een bestemming, het apparaat te laten vragen een faxnummer tweemaal in te invoeren. Deze instelling wordt alleen weergegeven als het beheerderwachtwoord is ingesteld op de [Beheerder]-pagina. Ontvangen faxbestand verwerken Item Beschrijving Ontvangen bestand verwerken Automatisch afdrukken Doorgest. best. afdr Selecteer of ontvangen faxen in het geheugen van het apparaat moeten worden opgeslagen voordat ze worden afgedrukt of doorgestuurd naar een bestemming die is opgegeven voor [Doorstuurbestemming]. Selecteer of faxen die in het geheugen van het apparaat worden ontvangen, automatisch worden afgedrukt of dat ze worden opgeslagen om later handmatig te worden afgedrukt. Selecteer of doorgestuurde faxen moeten worden afgedrukt. 294
De systeeminstellingen configureren Item Doorstuurresultaat melden Doorstuurbestemming Aantal doorstuurpogingen (tijd) Interval tussen doorstuurpogingen (min.) Beschrijving Selecteer of er een e-mailmelding moet worden gestuurd nadat er een fax is doorgestuurd. De bestemming voor e-mailmeldingen hangt af van hoe [Doorstuurbestemming] is ingesteld: Als deze is ingesteld met een [E-mailadres], zal de melding naar het beheerderse-mailadres worden gestuurd die is opgegeven in [Emailadres beheerder] op de pagina [Beheerder]. Als deze is ingesteld met een [Scanbestemming], zal de melding naar de meldingsbestemming worden gestuurd die is opgegeven voor de geselecteerde scanbestemming. Let op: als er geen e-mailadres voor de bestemming is opgegeven, wordt er geen melding gestuurd zelfs als deze instelling is ingeschakeld. Bepaalt de doorzendbestemming. [E-mailadres]: Voer het e-mailadres in van de bestemming. Kan tot 64 tekens bevatten. [Scanbestemming]: Selecteer een scanbestemming als doorstuurbestemming. Bepaalt hoe vaak het apparaat een fax probeert door te sturen (1 tot en met 255 keer). Bepaalt hoeveel minuten het apparaat wacht voordat er een nieuwe poging wordt gedaan (1 tot en met 255 minuten). Geverifieerde ontvangst Item Beschrijving Geverifieerde ontvangst Voorwaarden voor ontvangst Schakel deze instelling in als u wilt dat het apparaat alleen faxen ontvangt (of afwijst) van de geprogrammeerde speciale afzenders. Hiermee kunt u ongewilde documenten, zoals junkfaxen, voorkomen en daarmee faxpapier besparen. Speciale afzenders kunnen worden geprogrammeerd op de [Speciale afz.]-pagina. Hiermee wordt bepaald of faxen van de geregistreerde speciale afzenders worden ontvangen of afgewezen. Speciale afz. 295
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Item Beschrijving Faxen van de speciale afzenders ontvangen en faxen van alle andere afzenders afwijzen. Anders dan speciale afz. Faxen van de speciale afzenders afwijzen en faxen van alle andere afzenders ontvangen. [Ontvangen faxbestand verwerken] wordt alleen op de SP C262SFNw weergegeven. Informatie over lade 2 wordt alleen weergegeven als deze is geïnstalleerd. Tabblad Lade prioriteit Lade prioriteit Item Printer Kopieerapparaat Fax Beschrijving Selecteer de lade die het eerst door het apparaat wordt gecontroleerd op papier dat gebruikt kan worden en kies hierbij uit [Lade 1] of [Lade 2]. Als u voor de taak automatische ladeselectie hebt geselecteerd en meerdere lades geschikt papier bevatten, wordt de eerste gevonden lade gebruikt om af te drukken. Als die lade leeg is, wordt automatisch overgeschakeld naar de volgende lade om het afdrukken voort te zetten. Selecteer de lade die het eerst door het apparaat wordt gecontroleerd op papier dat gebruikt kan worden en kies hierbij uit [Lade 1] of [Lade 2]. Als [A4] of [8 1/2 11] is geselecteerd bij [Papier selecteren] op de [Kopieerapparaat]-pagina en er zijn meerdere laden die dit papier bevatten, dan zal de eerste lade die het apparaat detecteert voor het afdrukken worden gebruikt. Als het papier in die lade opraakt, zal het apparaat automatisch naar de volgende lade overschakelen om verder te gaan met afdrukken. Selecteer de lade die het apparaat eerst gebruikt voor printertaken en kies daarbij uit [Lade 1] of [Lade 2]. Als [Automatisch] is geselecteerd voor [Papierlade selecteren] op de pagina [Fax] en zowel lade 1 als lade 2 papier bevatten van dat formaat, zal het apparaat beginnen met afdrukken uit de opgegeven lade. Zodra het papier in die lade op is, schakelt de printer automatisch over op de andere lade om verder te gaan met afdrukken. 296
De systeeminstellingen configureren Informatie over lade 2 wordt alleen weergegeven als deze is geïnstalleerd. Het tabblad Toner besparen Toner besparen Item Toner besparen Beschrijving Schakel deze instelling in om kopieën af te drukken met een beperkte hoeveelheid toner. Tabblad I/O Time-out I/O-timeout Item Vaste USB-poort Time-out beveiligde afdruk (sec) Beschrijving Bepaalt of hetzelfde printer-/lan-faxstuurprogramma kan worden gebruikt voor meerdere printers via USB-verbinding. Als deze instelling is ingeschakeld, kan het printer/lanfaxstuurprogramma dat u op uw computer hebt geïnstalleerd, worden gebruikt met elk ander apparaat dat van hetzelfde model is als het apparaat dat oorspronkelijk voor de installatie was gebruikt. Als deze instelling is uitgeschakeld, dient u het printer-/lanfaxstuurprogramma apart te installeren voor afzonderlijke apparaten, omdat alle apparaten die niet het oorspronkelijke apparaat zijn, als nieuw apparaat worden herkend bij aansluiting via USB. Geeft aan hoeveel seconden het apparaat een beveiligd afdrukbestand vasthoudt als de printer geen beveiligde afdrukbestanden kan opslaan (0 tot 300 seconden). In deze periode kunt u het nieuwe beveiligde afdrukbestand afdrukken of verwijderen. U kunt een bestaand beveiligd afdrukbestand ook afdrukken of verwijderen zodat het nieuwe beveiligde afdrukbestand op het apparaat kan worden opgeslagen. [Time-out beveiligde afdruk (sec)] wordt alleen op de SP C262SFNw weergegeven. 297
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Het tabblad Z/W-afdruk prioriteit Z/W-afdruk prioriteit Item Z/W-afdruk prioriteit Beschrijving Schakel deze functie in als u wilt dat de printer het verbruik van de kleurentoner onderdrukt wanneer u zwart-witpagina's afdrukt. De hoeveelheid kleurentoner die wordt verbruikt tijdens opwarming voor onderhoud wordt eveneens verlaagd. 298
Bestemmingen registreren Bestemmingen registreren Scan- en faxbestemmingen kunnen worden geregistreerd met Web Image Monitor. Er kunnen tot 100 scanbestemmingen en 200 faxbestemmingen (20 snelkeuzebestemmingen en 200 verkorte kiesbestemmingen) worden geregistreerd. Raadpleeg de scan- en faxonderdelen voor meer informatie over het registreren van bestemmingen. Voor meer informatie over het registreren van scanbestemmingen, zie Pag. 134 "Scanbestemmingen registreren". Voor meer informatie over het registreren van faxbestemmingen met Web Image Monitor, zie Pag. 188 "Registreren faxbestemmingen". 299
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Speciale faxafzenders registreren Speciale faxafzenders kunnen worden geregistreerd met Web Image Monitor. Er kunnen maximaal 30 speciale afzenders worden geregistreerd. Voor meer informatie over het registreren van speciale afzenders, zie Pag. 216 "Een fax ontvangen". 300
Apparaatfuncties beperken voor gebruikers Apparaatfuncties beperken voor gebruikers U kunt instellen dat er een gebruikerscode moet worden ingevoerd als iemand bepaalde apparaatfuncties wil gebruiken. Om deze instelling in te schakelen, dient u eerst het apparaat te configureren via Web Image Monitor. Deze functie is alleen beschikbaar voor de SP C262SFNw. Om de taak die geverifieerd moet worden af te drukken, kunt u alleen het PCLprinterstuurprogramma gebruiken. Het afdrukken van dergelijke taken vanuit het PostScript 3- stuurprogramma is niet mogelijk. Voor meer informatie over het gebruik van Web Image Monitor, zie Pag. 282 "Web Image Monitor gebruiken". Gebruikersbeperkingen instellen en activeren In dit gedeelte wordt beschreven hoe u kunt instellen dat alleen bevoegde gebruikers toegang hebben tot bepaalde apparaatfuncties. Via Web Image Monitor kunt u gebruikersbeperkingen voor alle of een aantal van de onderstaande functies inschakelen. Vervolgens kunt u gebruikers registreren die deze functies kunnen gebruiken. Kopiëren (zowel kleur als zwart-wit) In kleur kopiëren Faxen versturen Scannen naar e-mail/ftp/map Scannen naar USB PictBridge-afdrukken Afdrukken (zowel kleur als zwart-wit) Kleurenafdrukken Faxen versturen via LAN-fax U kunt instellen dat functies beschikbaar zijn voor gebruikers na verificatie. Er kunnen maximaal 30 gebruikers geregistreerd worden. 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres in te vullen. 2. Klik op [Beschikbare functies beperken]. 3. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 301
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's 4. Klik op [Toepassen]. 5. Selecteer onder "Beschikbare functies" [Beperken] voor de functies die u wilt beperken. Klik vervolgens op [Toepassen]. Selecteer [Niet beperken] voor de functies die u niet wilt beperken. De instelling gebruikersbeperking wordt ingeschakeld voor de geselecteerde functie. Ga verder met de volgende stappen om gebruikers te registreren. 6. Klik op [Beschikbare functies per gebr.]. Er wordt een overzicht weergegeven van gebruikers die nu geregistreerd zijn. 7. Selecteer een gebruiker en klik vervolgens op [Wijzigen]. Het volgende venster wordt weergegeven. 8. Voer bij [Gebr.naam] een gebruikersnaam in met maximaal 16 tekens (letters of cijfers). 302
Apparaatfuncties beperken voor gebruikers 9. Voer bij [Gebr.code] de gebruikerscode in met maximaal 8 cijfers. De gebruikerscode wordt gebruikt om gebruikers te verifiëren als zij een beperkte functie proberen te gebruiken. 10. Selecteer de functies die u beschikbaar wilt maken voor de gebruiker als hij/zij zich verifieert. Niet geselecteerde functies worden niet beschikbaar voor gebruikers die onder deze gebruikerscode worden geverifieerd. 11. Klik op [Toepassen]. 12. Sluit de internetbrowser. U moet zowel een gebruikersnaam als een gebruikerscode invoeren om een gebruiker te registreren. Zorg dat de verschillende gebruikers niet dezelfde gebruikersnaam of gebruikerscode delen. Gebruikers wijzigen In dit onderdeel wordt beschreven hoe u gebruikers kunt wijzigen. 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres in te vullen. 2. Klik op [Beschikbare functies beperken]. 3. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 4. Klik op [Toepassen]. 5. Klik op [Beschikbare functies per gebr.]. Er wordt een overzicht weergegeven van gebruikers die nu geregistreerd zijn. 6. Selecteer de gebruiker die u wilt wijzigen en klik vervolgens op [Wijzigen]. 7. Wijzig de instellingen indien nodig. 8. Klik op [Toepassen]. 9. Sluit de internetbrowser. Gebruikers verwijderen In dit gedeelte wordt beschreven hoe u een gebruiker verwijdert. 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres in te vullen. 2. Klik op [Beschikbare functies beperken]. 303
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's 3. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 4. Klik op [Toepassen]. 5. Klik op [Beschikbare functies per gebr.]. Er wordt een overzicht weergegeven van gebruikers die nu geregistreerd zijn. 6. Selecteer de gebruiker die u wilt verwijderen en klik vervolgens op [Verwijderen]. 7. Bevestig dat u de geselecteerde gebruiker wilt verwijderen. 8. Klik op [Toepassen]. 9. Sluit de internetbrowser. 304
Als apparaatfuncties zijn beperkt Als apparaatfuncties zijn beperkt Bepaalde functies kunnen alleen door bevoegde gebruikers gebruikt worden. Afhankelijk van welke gebruikersfuncties beperkt zijn, zullen gebruikers worden geverifieerd via het bedieningspaneel van het apparaat of in het stuurprogramma van de printer/lan-fax. Deze functie is alleen beschikbaar voor de SP C262SFNw. Om de taak die geverifieerd moet worden af te drukken, kunt u alleen het PCLprinterstuurprogramma gebruiken. Het afdrukken van dergelijke taken vanuit het PostScript 3- stuurprogramma is niet mogelijk. De procedure in dit onderdeel is een voorbeeld dat is gebaseerd op Windows 7. De tabel hieronder laat de functies zien die beperkt kunnen worden en hoe gebruikers geverifieerd kunnen worden om die functies te gebruiken. Functie Kopiëren (zowel kleur als zwart-wit) In kleur kopiëren Faxen versturen Scannen naar e- mail/ftp/map Scannen naar USB PictBridge-afdrukken Afdrukken (zowel kleur als zwart-wit) Kleurenafdrukken Faxen versturen via LAN-fax Verificatiemethode Het apparaat vraagt om een gebruikerscode als een gebruiker op de toets [Zwart-wit starten] of [Kleur starten] drukt. De gebruiker moet een geldige gebruikerscode invoeren op het bedieningspaneel. Het apparaat vraagt om een gebruikerscode als er een digitale camera op de printer wordt aangesloten. De gebruiker moet een geldige gebruikerscode invoeren op het bedieningspaneel. De gebruiker moet een geldige gebruikerscode invoeren in het stuurprogramma van de printer of LAN-fax voordat hij/zij een afdrukopdracht kan uitvoeren. 305
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Verificatie via het bedieningspaneel 1. Als het apparaat om een gebruikerscode vraagt, drukt u op het vak, voert u een gebruikerscode in en drukt u vervolgens tweemaal op [OK]. Als u drie keer een verkeerde gebruikerscode invoert, zal het apparaat piepen en kunt u het niet meer opnieuw proberen. 2. Druk op [OK]. 3. Wanneer de printer om een gebruikerscode vraagt, voert u een gebruikerscode in. Als u een verkeerde gebruikerscode invoert, kunt u het niet meer opnieuw proberen. 4. Druk op [OK]. Verificatie via het printer- of LAN-faxstuurprogramma 1. Open het bestand dat u wilt afdrukken op uw computer. 2. Klik in het menu [Bestand] op [Afdrukken...]. 3. Selecteer onder [Printer selecteren] de naam van dit apparaat en klik vervolgens op [Voorkeuren]. 4. Klik op het tabblad [Geldige toegang] (PCL-printerstuurprogramma) of vink het vakje [Gebruikerscode] aan (LAN-fax-stuurprogramma). 5. Voer de gebruikerscode in met de cijfers van 1-8 en klik vervolgens op [OK]. 6. Voer de afdrukopdracht uit. Als er een onjuiste gebruikerscode is ingevoerd, zal de taak onmiddellijk worden geannuleerd (zonder foutmelding). 306
De netwerkinstellingen configureren De netwerkinstellingen configureren Klik op [Netwerkinstellingen] om de pagina weer te geven waarop u de netwerkinstellingen kunt configureren. Deze pagina bevat de volgende tabbladen: [Netwerkstatus], [IPv6-configuratie], [Netwerkapplicatie], [DNS], [Automatische E-mailmelding], [SNMP], [SMTP], [POP3], [Internetfax] en [Draadloos]. Mogelijk moet u uw apparaat, afhankelijk van de instellingen die u wijzigt, opnieuw opstarten. Op sommige modellen wordt een aantal items mogelijk niet weergegeven. Network Tabblad Netwerkstatus Algemene status Item Ethernetsnelheid IPP-printernaam Netwerkversie Ethernet MAC-adres Actieve interface IP-adres Wi-Fi Direct Beschrijving Toont het type en de snelheid van de netwerkverbinding. Toont de naam waarmee het apparaat op het netwerk wordt aangeduid. Toont de versie van de netwerkmodule van het apparaat (onderdeel van de printerfirmware). Toont het Ethernet MAC-adres van het apparaat. Geeft de actieve communicatiemethode weer. Hier wordt het IP-adres van Wi-Fi Direct weergegeven. TCP/IP-status Item DHCP IP-adres Subnetmasker Gateway Beschrijving Selecteer of het apparaat automatisch een dynamisch IPv4-adres moet ontvangen via DHCP. Selecteer [Actief] als u DHCP wilt gebruiken. Indien ingeschakeld kunnen onderstaande items niet worden geconfigureerd. Voer het IPv4-adres voor het apparaat in. Voer het subnetmasker van het netwerk in. Voer het IPv4-adres van de netwerkgateway in. 307
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Tabblad IPv6-configuratie IPv6 IPv6 Item Beschrijving Selecteer of u IPv6 wilt in- of uitschakelen U kunt IPv6 niet uitschakelen via Web Image Monitor als het apparaat momenteel in gebruik is in een IPv6- omgeving. Gebruik in dat geval het bedieningspaneel om [IPv6] uit te schakelen onder de Netwerkinstellingen. Indien uitgeschakeld kunnen [DHCP], [Handmatige adresconfiguratie], [Prefixlengte] en [Gateway-adres] hieronder niet worden geconfigureerd. IPv6-adres DHCP Item IP-adres (DHCP) Staatloos adres Gateway-adres Link-plaats. adres Handmatig adresconfiguratie Beschrijving Selecteer of het apparaat zijn IPv6-adres verkrijgt van de DHCP-server. Toont het IPv6-adres dat is verkregen van de DHCP-server wanneer [DHCP] is ingesteld op [Actief]. Toont tot vier staatloze automatische adressen. Toont het standaard gatewayadres van het apparaat. Toont het gelinkte lokale adres van het apparaat. Het link lokale adres is een adres dat alleen geldig is binnen het lokale netwerk (lokaal segment). Voer het IPv6-adres van het apparaat in. Kan tot 39 tekens bevatten. Lengte prefix Geef de prefixlengte een waarde tussen 0 en 128. Gateway-adres Voer het IPv6-adres voor de standaard gateway in. Kan tot 39 tekens bevatten. Het tabblad Netwerkapplicatie Verzendinstelling scanner Item Beschrijving E-mail Selecteer deze optie om de functie Scannen naar E-mail in te schakelen. 308
De netwerkinstellingen configureren Item Max. E-mailform. FTP Map Beschrijving Selecteer het maximale formaat voor scanbestanden die als bijlage van een e-mail worden verstuurd (1 tot 5 MB of geen maximale grootte). Selecteer deze optie om de functie Scannen naar FTP in te schakelen. Selecteer deze optie om de functie Scannen naar Map in te schakelen. Afdrukinstelling van netwerk Item Beschrijving IPP FTP RAW Poortnummer LPR Selecteer deze optie om afdrukken via het netwerk met behulp van Internet Print Protocol (via TCP-poort 631/80) in te schakelen. Selecteer deze optie om afdrukken via het netwerk met behulp van een ingesloten FTP-server in het apparaat (via TCP-poort 20/21) in te schakelen. Selecteer deze optie om RAW-afdrukken via het netwerk in te schakelen. Voer het TCP-poortnummer in voor RAW-afdrukken. Het geldige bereik is 1024 t/m 65535, met uitzondering van 53550 en 49999 (standaardinstelling is 9100). Selecteer deze optie om afdrukken via het netwerk met behulp van LPR/LPD (via TCP-poort 515) in te schakelen. mdns-instelling Item mdns Printernaam Beschrijving Selecteer deze optie om Multicast DNS (via UDP-poort 5353) in te schakelen. Indien uitgeschakeld kan onderstaand item niet worden geconfigureerd. Voer de naam van het apparaat in. Kan tot 32 tekens bevatten. Tabblad DNS DNS Item Beschrijving DNS-methode Selecteer of u handmatig domeinnaamservers wilt opgeven of automatisch DNS-informatie van het netwerk wilt ophalen. Indien ingesteld op 309
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Item Primaire DNS-server Secundaire DNS-server Domeinnaam IPv6 DNS-methode Primaire IPv6 DNSserver Secundaire IPv6 DNSserver IPv6-domeinnaam DNS oplossen prioriteit DNS-time-out (seconden) Hostnaam Beschrijving [Automatisch verkrijgen (DHCP)] zijn de opties [Primaire DNS-server], [Secundaire DNS-server] en [Domeinnaam] hieronder niet beschikbaar. Voer het IPv4-adres van de primaire DNS in. Voer het IPv4-adres van de secundaire DNS in. Voer de IPv4-domeinnaam voor het apparaat in. Kan tot 32 tekens bevatten. Selecteer of u de domeinserver handmatig wilt opgeven of dat het apparaat zijn DNS-informatie automatisch verkrijgt. Indien ingesteld op [Automatisch verkrijgen (DHCP)] zijn de opties [Primaire IPv6 DNS-server], [Secundaire IPv6 DNS-server] en [IPv6-domeinnaam] niet beschikbaar. Voer het IPv6-adres van de primaire IPv6 DNS-server in. Kan tot 39 tekens bevatten. Voer het IPv6-adres van de secundaire IPv6 DNS-server in. Kan tot 39 tekens bevatten. Voer de IPv6-domeinnaam voor het apparaat in. Kan tot 32 tekens bevatten. Selecteer of u prioriteit wilt geven aan IPv4 of IPv6 voor het omzetten van DNS-namen. Voer het aantal seconden in dat het apparaat wacht totdat deze een DNSaanvraag als verlopen beschouwt (1-999 seconden). Voer een hostnaam in voor het apparaat. Kan tot 15 tekens bevatten. Tabblad Automatische e-mailmeldingen E-mailmelding 1/E-mailmelding 2 Item Beschrijving Weergavenaam Voer een naam in voor de de afzender van de e-mailmelding. Kan tot 32 tekens bevatten. E-mailadres Voer een naam in voor de ontvanger van de waarschuwingsmail. Kan tot 64 tekens bevatten. 310
De netwerkinstellingen configureren Item Papierstoring Papier is op Toner bijna leeg Service bellen Toner is op Paneel open Beschrijving Selecteer deze optie als u wilt dat er een waarschuwingsmail wordt verzonden naar het opgegeven adres wanneer zich een papierstoring voordoet. Selecteer deze optie als u wilt dat er een waarschuwingsmail wordt verzonden naar het opgegeven adres wanneer het papier op is. Selecteer deze optie als u wilt dat er een waarschuwingsmail wordt verzonden naar het opgegeven adres wanneer de toner bijna leeg is. Selecteer deze optie als u wilt dat er een waarschuwingsmail wordt verzonden naar het opgegeven adres wanneer een onderhoudsbeurt vereist is. Selecteer deze optie als u wilt dat er een waarschuwingsmail wordt verzonden naar het opgegeven adres wanneer de toner op is. Selecteer deze optie als u wilt dat er een waarschuwingsmail wordt verzonden naar het opgegeven adres wanneer er een paneel openstaat. Tabblad SNMP SNMP SNMP Item Beschrijving Selecteer of het apparaat SNMP-services kan gebruiken. Trap Item Beschrijving Trap gebruiken SNMP-beheer host 1 SNMP-beheer host 2 Selecteer of het apparaat traps kan verzenden naar de managementhost (NMS). Als deze optie is uitgeschakeld, zijn [SNMP-beheer host 1] en [SNMPbeheer host 2] hieronder niet beschikbaar. Voer het IP-adres of de hostnaam van de beheerhost in. Kan tot 64 tekens bevatten. Voer het IP-adres of de hostnaam van de beheerhost in. Kan tot 64 tekens bevatten. 311
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Community Item Get Community Trapcommunity Beschrijving Voer de naam van de community in die moet worden gebruikt voor verificatie van Get-aanvragen. Kan tot 32 tekens bevatten. Voer de naam van de community in die moet worden gebruikt voor verificatie van Trap-aanvragen. Kan tot 32 tekens bevatten. Systeem Locatie Contact Item Beschrijving Voer de locatie van het apparaat in. De locatie die u hier invoert, wordt weergegeven op de hoofdpagina. Kan tot 64 tekens bevatten. Voer de contactgegevens voor het apparaat in. De contactgegevens die u hier invoert, worden weergegeven op de hoofdpagina. Kan tot 64 tekens bevatten. Tabblad SMTP SMTP Item Beschrijving Primaire SMTP-server Voer het IP-adres of de hostnaam van de SMTP/POP3-server in. Kan tot 64 tekens bevatten. Poortnummer Voer het poortnummer in voor SMTP (1-65535). Verificatiemethode Gebruikersnaam Selecteer een van de volgende verificatiemethoden: [Anoniem]: gebruikersnaam en wachtwoord zijn niet nodig. [SMTP]: het apparaat biedt ondersteuning voor NTLM- en LOGINverificatie. [POP voor SMTP]: de POP3-server wordt gebruikt voor verificatie. Wanneer u e-mails verzendt naar een SMTP-server, kunt u het beveiligingsniveau van de SMTP-server verhogen door verbinding te maken met de POP-server t.b.v. verificatie. Voer de gebruikersnaam in om u aan te melden bij de SMTP-server. Kan tot 32 tekens bevatten. 312
De netwerkinstellingen configureren Item Beschrijving Wachtwoord Voer het wachtwoord in voor aanmelding bij de SMTP-server. Kan tot 32 tekens bevatten. E-mailadres apparaat Servertime-out (seconden) Tijdzone Geef het e-mailadres van het apparaat op. Dit adres wordt gebruikt als het adres van de afzender van e-mailberichten die vanaf dit apparaat worden verstuurd, zoals e-mailmeldingen. Kan tot 64 tekens bevatten. Voer het aantal seconden in dat het apparaat wacht voordat deze een SMTP-bewerking als verlopen beschouwt (1-999). Selecteer een tijdzone aan de hand van uw geografische locatie. Als er een andere tijdzone wordt geselecteerd, kan dit leiden tot een onjuiste verzenddatum en -tijd voor e-mails die via de functie Scannen naar E-mail worden verstuurd, zelfs als de klok van het apparaat zelf juist is ingesteld. Tabblad POP3 POP3-instell. Item Beschrijving POP3-server Voer het IP-adres of de hostnaam van de POP3-server voor e- mailontvangst in. De POP3-server die hier is opgegeven, wordt gebruikt voor [POP voor SMTP]. Kan tot 64 tekens bevatten. Gebruikersaccount Voer de gebruikersnaam in voor aanmelding bij de POP3-server. Kan tot 32 tekens bevatten. Gebruikerswachtwoord Voer het wachtwoord in voor aanmelding bij de POP3-server. Kan tot 32 tekens bevatten. Verificatie Selecteer een van de volgende verificatiemethoden: [Geen]: wachtwoord wordt niet gecodeerd. [APOP-verificatie]: wachtwoord wordt gecodeerd. [Automatisch]: wachtwoord wordt wel of niet gecodeerd, afhankelijk van de POP3-serverinstellingen. 313
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Het tabblad Internetfax Item Internetfax-verzending Foutmeldingse-mail Systeemvastgelegde tekst invoegen Automatisch POP POP-server: E- mailontvangstinstelling POP-interval (minuten) Beschrijving Geef aan of de functie voor internetfaxen moet worden in- of uitgeschakeld. Selecteer of er een e-mailmelding naar de afzender van de internetfax moet worden gestuurd als de ontvangst van de e-mail niet lukt. De tekst bevat onder andere de hostnaam van het apparaat (zoals is ingesteld op de DNS-instellingenpagina), modelnaam en e-mailadres (zoals is ingesteld op de beheerdersinstellingenpagina). Selecteer of er systeemvastgelegde tekst in het tekstveld van de e-mail moet worden gezet bij het versturen van internetfaxen. De tekst bevat onder andere de hostnaam van het apparaat (zoals is ingesteld op de DNS-instellingenpagina), modelnaam en e-mailadres (zoals is ingesteld op de beheerdersinstellingenpagina). Selecteer of er een automatische verbinding met de POP3-server moet worden gemaakt om te controleren op nieuwe e-mails. Als deze instelling is ingeschakeld, zal er steeds een verbinding worden gemaakt als de tijd in [POP-interval (minuten)] voorbij is. Selecteer of e-mails op de POP3-server moeten blijven staan of dat ze verwijderd moeten worden nadat ze zijn ontvangen. [Nee]: verwijder e-mails van de server nadat ze zijn ontvangen. [E-mail opsln]: e-mail op de server laten staan nadat ze zijn ontvangen. [Alleen foutinfo opsl]: verwijder uitsluitend e-mails van de server die succesvol zijn ontvangen. Geeft aan hoeveel minuten het apparaat wacht tussen de automatische verbindingen met de POP3-server om nieuwe e-mails op te halen (2 tot 1440 minuten). [Internetfax] wordt alleen op de SP C262SFNw weergegeven. 314
De netwerkinstellingen configureren Tabblad Draadloos Status draadloos LAN Item Status draadloos LAN MAC-adres Communicatiemodus SSID Draadloze signaalstatus Draadloos Beschrijving Hiermee wordt de status van de verbinding met draadloos LAN weergegeven. Dit geeft het MAC-adres weer. Hiermee wordt de communicatiemodus weergegeven waarin het apparaat verbinding maakt. Hiermee wordt de SSID weergegeven van het toegangspunt waarmee het apparaat is verbonden. Hiermee wordt de sterkte weergegeven van het draadloze signaal dat wordt ontvangen. Hiermee kunt u opgeven of u draadloos LAN wel of niet wilt gebruiken. Wireless LAN-instellingen Item Beschrijving SSID Communicatiemodus Verificatie Codering WPA-wachtwoordzin WEP-sleutellengte Voer de SSID van het toegangspunt in. De SSID mag maximaal 32 tekens bevatten. Als u op [Scanlijst] klikt, wordt een lijst met beschikbare toegangspunten weergegeven. U kunt de SSID uit de lijst selecteren. Selecteer de modus waarin u verbinding wilt maken. Selecteer [Infrastructuur] als u het apparaat wilt verbinden met een draadloze router of toegangspunt. Selecteer [Ad-hoc] als u het apparaat rechtstreeks wilt verbinden met een apparaat met draadloos LAN. Selecteer een verificatiemethode. Selecteer een coderingsmethode. Voer de WPA-coderingssleutel in als [WPA2-PSK] of [WPA/WPA2 gemengde modus] geselecteerd is voor [Verificatie]. Selecteer 64-bits of 128-bits als de lengte voor de coderingssleutel als [WEP] is geselecteerd voor [Codering]. 315
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Item WEP verzendsleutel-id WEP-sleutelindeling WEP-sleutel Beschrijving Selecteer een ID-nummer waarmee u elke WEP-sleutel kunt identificeren in het geval er meerdere WEP-verbindingen worden geconfigureerd. Selecteer een indeling waarin u de WEP-sleutel invoert. Voer de WEP-sleutel in. Het aantal en het type tekens dat u kunt invoeren hangt af van de lengte en indeling die u voor de sleutel hebt geselecteerd. Voor meer informatie, zie: Lengte WEP-sleutel: [64-bit], Indeling: [Hexadecimaal] Maximumlengte WEP-sleutel: 10 tekens (0-9, A-F, a-f) Lengte WEP-sleutel: [64-bit], Indeling: [ASCII] Max. lengte WEP-sleutel: 5 tekens (0x20-0x7e) Lengte WEP-sleutel: [128-bit], Indeling: [Hexadecimaal] Maximumlengte WEP-sleutel: 26 tekens (0-9, A-F, a-f) Lengte WEP-sleutel: [128-bit], Indeling: [ASCII] Max. lengte WEP-sleutel: 13 tekens (0x20-0x7e) Als u de verbindingsinstellingen handmatig configureert, moet u van tevoren de SSID, de verificatiemethode of de coderingssleutel van het toegangspunt of draadloze router controleren. Wi-Fi Direct-instellingen Item SSID WPA-wachtwoordzin Voer de SSID-naam in. Beschrijving De SSID mag maximaal 32 tekens bevatten. Voer de wachtwoordzin in voor de Wi-Fi Direct-verbinding. U kunt voor een wachtwoordzin 8 t/m 32 tekens invoeren. 316
De IPsec-instellingen configureren De IPsec-instellingen configureren Klik op [IPsec-instellingen] om de pagina voor configuratie van de IPsec-instellingen te configureren. Deze pagina bevat de volgende tabbladen: [Algemene IPsec-instellingen] en [IPsec-beleidslijst]. Deze functie is alleen beschikbaar wanneer er een beheerderswachtwoord is opgegeven. Tabblad Algemene IPsec-instellingen Item IPsec-functie Standaard beleid Broadcast en multibroadcast Alle ICMP overslaan Beschrijving Geef op of u IPsec actief of inactief wilt maken. Selecteer of u het standaard IPsec-beleid wilt toestaan. Selecteer de services waarop u IPsec niet wilt toepassen: [DHCPv4], [DHCPv6], [SNMP], [mdns], [NetBIOS], [UDP-poort 53550] Selecteer of u IPsec wilt toepassen op ICMP-pakketten (IPv4 en IPv6): [Actief]: alle ICMP-pakketten worden overgeslagen zonder IPsecbeveiliging. 'ping'-opdracht (echoaanvraag en echoantwoord) niet ingesloten door IPsec. [Inactief]: sommige ICMP-berichttypen worden overgeslagen zonder IPsecbeveiliging. Tabblad IPsec-beleidslijst Item Beschrijving Nr. Naam Adresinstellingen Actie IPsec-beleidsnummer. Toont de naam van het IPsec-beleid. Toont de IP-adresfilter van het IPsec-beleid zoals hieronder: Extern adres/prefixlengte Toont de actie van de IPsec-beleidsregels als "Toestaan", "Niet toestaan" of "Beveiliging vereisen". 317
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Item Beschrijving Status Toont de status van het IPsec-beleid als "Actief" of "Inactief". Als u IPsec-beleidsregels wilt configureren, selecteert u het gewenste IPsec-beleid en klikt u op [Wijzigen] om de pagina "IPsec-beleidsinstellingen" weer te geven. Op de pagina "IPsecbeleidsinstellingen" kunnen de volgende instellingen worden geconfigureerd. IP-beleidsinstellingen Item Nr. Activiteit Naam Adrestype Lokaal adres Extern adres Lengte prefix Actie Beschrijving Geef een nummer op tussen 1 en 10 voor het IPsec-beleid. Het nummer dat u opgeeft, bepaalt de positie van het beleid in de IPsec-beleidslijst. Beleidszoekacties worden uitgevoerd op basis van de lijstvolgorde. Als het opgegeven nummer al is toegewezen aan een ander beleid, krijgt het huidige beleid het nummer van het eerdere beleid en worden het eerdere beleid en eventuele verdere beleidsregels opnieuw genummerd. Selecteer of u het beleid in of uit wilt schakelen. Voer de naam van het beleid in. Kan tot 16 tekens bevatten. Selecteer IPv4 of IPv6 als het type IP-adres dat moet worden gebruikt in IPsec-communicatie. Toont het IP-adres van deze printer. Voer het IPv4- of IPv6-adres in van het appparaat waarmee u wilt communiceren. Kan tot 39 tekens bevatten. Voer de prefixlengte van het externe adres in met een waarde tussen 1 en 128. Als u deze instelling leeg laat, wordt automatisch '32' (IPv4) of '128' (IPv6) geselecteerd. Geef op hoe de IP-pakketten worden verwerkt: [Toestaan]: IP-pakketten worden verzonden en ontvangen zonder toepassing van IPsec. [Niet toestaan]: IP-pakketten worden verworpen. [Beveiliging vereisen]: IPsec wordt toegepast op IP-pakketten die worden verzonden en ontvangen. Als u [Beveiliging vereisen] heeft geselecteerd, moet u de [IPsecinstellingen] en [IKE-instellingen] configureren. 318
De IPsec-instellingen configureren IPsec-instellingen Item Encapsulation-type Beveiligingsprotocol Verificatiealgoritme voor AH Coderingsalgoritme voor ESP Verificatiealgoritme voor ESP Levensduur Geef het encapsulation-type op: Beschrijving [Transport]: selecteer deze modus om alleen de nettolading van elk IPpakket te beveiligen wanneer er wordt gecommuniceerd met apparaten die met IPsec compatibel zijn. [Tunnel]: selecteer deze modus om elk gedeelte van elk IP-pakket te beveiligen. Dit type wordt aangeraden voor communicatie tussen beveiligingsgateways (zoals VPN-apparaten). Selecteer het beveiligingsprotocol: [AH]: hiermee wordt veilige communicatie ingesteld die alleen verificatie ondersteunt. [ESP]: hiermee wordt veilige communicatie ingesteld die zowel verificatie als gegevenscodering ondersteunt. [ESP&AH]: hiermee wordt veilige communicatie ingesteld die zowel gegevenscodering als verificatie van pakketten, inclusief pakketheaders, ondersteunt. U kunt dit protocol niet specificeren wanneer [Tunnel] is geselecteerd als [Encapsulation-type]. Geef het verificatiealgortime op dat moet worden toegepast wanneer [AH] of [ESP&AH] is geselecteerd als [Beveiligingsprotocol]: [MD5], [SHA1] Geef het coderingsalgortime op dat moet worden toegepast wanneer [ESP] of [ESP&AH] is geselecteerd als [Beveiligingsprotocol]: [Geen], [DES], [3DES], [AES-128], [AES-192], [AES-256] Geef het verificatiealgoritme op dat moet worden toegepast wanneer [ESP] is geselecteerd als [Beveiligingsprotocol]: [MD5], [SHA1] Geef de levensduur van de IPsec SA (beveiligingskoppeling) op als tijdsperiode of gegevensvolume. De SA verloopt wanneer de opgegeven tijdsperiode verloopt of als het opgegeven gegevensvolume wordt bereikt. Als u zowel een periode als een gegevensvolume opgeeft, verloopt de SA zodra een van de twee is bereikt en wordt er door middel van onderhandeling een nieuwe SA verkregen. Als u de levensduur van de SA wilt opgegeven als tijdsperiode, voert u een aantal seconden in. 319
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Item Key Perfect Forward Secrecy Beschrijving Wilt u de levensduur van de SA opgegeven als gegegevensvolume, voer dan een aantal KB in. Selecteer of u PFS (Perfect Forward Secrecy) wilt in- of uitschakelen. IKE-instellingen IKE-versie Item Coderingsalgoritme Verificatie-algoritme IKE-levensduur IKE Diffie-Hellman groep Vooraf gedeelde sleutel Key Perfect Forward Secrecy Toont de IKE-versie. Geef het coderingsalgoritme op: Beschrijving [DES], [3DES], [AES-128], [AES-192], [AES-256] Geef het verificatiealgoritme op: [MD5], [SHA1] Geef de levensduur van de ISAKMP SA op als tijdsperiode. Voer een aantal seconden in. Selecteer de IKE Diffie-Hellmangroep die moet worden gebruikt bij het genereren van de IKE-coderingssleutel: [DH1], [DH2] Geef de vooraf gedeelde sleutel op die moet worden gebruikt voor verificatie van een communicerend apparaat. Kan tot 32 tekens bevatten. Selecteer of u PFS (Perfect Forward Secrecy) wilt in- of uitschakelen. 320
Lijsten/rapporten afdrukken Lijsten/rapporten afdrukken Klik op [Lijst/rap. afdrukken] om de pagina voor afdrukrapporten weer te geven. Selecteer vervolgens een item en klik op [Afdrukken] om informatie over dat item af te drukken. Lijst/rap. afdrukken Item Configuratiepagina Faxjournaal Lijst met wachtende faxbestanden Lijst met snelkeuzebestemminge n Lijst met verkorte faxkiesnummerbestemmingen Scannerbestemmingslijs t Scannerjournaal Onderhoudspagina Beschrijving Hiermee wordt algemene informatie over het apparaat en de huidige configuratie afgedrukt. Hiermee wordt een journaal van faxverzending en -ontvangst van de laatste 50 taken afgedrukt. Voor meer informatie over het automatisch afdrukken van een faxjournaal, zie Pag. 239 "Instellingen van faxeigenschappen". Hiermee wordt een lijst faxtaken afgedrukt die nog in het geheugen van het apparaat wachten om te worden afgedrukt, verzonden of doorgestuurd. Hiermee wordt een lijst met snelkeuzebestemmingen afgedrukt. Hiermee wordt een lijst met ingevoerde verkorte kiesnummers afgedrukt. Hiermee wordt een lijst van de scanbestemmingen afgedrukt. Hiermee wordt een scanjournaal afgedrukt voor de laatste 100 taken van Scannen naar E-mail, Scannen naar FTP en Scannen naar Map. Hiermee wordt de onderhoudspagina afgedrukt. Er kunnen geen rapporten worden afgedrukt via Web Image Monitor als er andere afdruktaken actief zijn. Controleer of het apparaat niet bezig is met afdrukken voordat u rapporten afdrukt. Rapporten worden afgedrukt op papier van A4- of Letter-formaat. Plaats één van deze formaten papier in de lade voordat u rapporten afdrukt. 321
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's De beheerderinstellingen configureren Klik op [Beheerdertoepassingen] om de pagina voor configuratie van de beheerdersinstellingen te configureren. Deze pagina bevat de volgende tabbladen: [Beheerder], [Instellingen resetten], [Instellingen backuppen], [Instellingen herstellen], [Datum/tijd instellen] en [Energiespaarstand] en [PCL6-modus]. Tabblad Beheerder Beheerdersinstellingen Item Wachtwoord wijzigen Nieuw wachtwoord Nieuw wachtwoord bevestigen E-mailadres wijzigen E-mailadres beheerder Beschrijving Vink dit aan om het beheerderwachtwoord te configureren. Voer het nieuwe beheerderswachtwoord in. Kan tot 16 tekens bevatten. Voer hetzelfde wachtwoord in ter bevestiging. Vink dit aan om het beheerdere-mailadres te configureren. Voer het beheerdere-mailadres in. Als het e-mailadres van het apparaat niet is geconfigureerd op de pagina [SMTP], zal dit adres worden gebruikt als adres van de afzender van e- mails die vanaf dit apparaat verstuurd worden, zoals e-mailmeldingen en internetfaxen. Kan tot 64 tekens bevatten. Het e-mailadres van de beheerder kan uitsluitend worden geconfigureerd met SP C262SFNw. Tabblad Instellingen resetten Instell. terugzetten Item Netwerkinstell. terugzetten Menu-instellingen terugzetten Beschrijving Herstelt de instellingen die zijn geconfigureerd onder [Netwerkinstellingen] en [Beheerdertoepassingen]. Selecteer deze optie om instellingen die niet met het netwerk te maken hebben, naar hun fabriekswaarden terug te zetten. 322
De beheerderinstellingen configureren Item Scanbestemming wissen Instellingen van Beschikbare functies resetten Adresboek wissen IPsec-instellingen resetten Beschrijving Selecteer deze optie om de scanbestemmingen te wissen. Selecteer deze om de instellingen voor gebruikersbeperkingen te wissen. Selecteer deze optie om de faxbestemmingen te wissen. Selecteer deze optie om IPsec-instellingen te wissen. [IPsec-instellingen resetten] wordt alleen weergegeven als het beheerderswachtwoord is opgegeven. Tabblad Instellingen back-uppen Wanneer u het apparaat wegbrengt voor reparatie, is het belangrijk om van tevoren backupbestanden te maken. De instellingen van het apparaat worden na de reparatie teruggezet op hun standaardwaarden. Instellingen back-uppen Item Back-up van netwerkinstellingen Back-up van menuinstellingen Back-up van scanbestemmingen Back-upinstellingen voor Beschikbare functies Beschrijving Maakt een back-up van de instellingen die zijn geconfigureerd onder [Netwerkinstell.] en [Beheerdertoepassingen]. Echter, let op dat van de instelling [Max. E-mail form.] onder [Netwerkapplicatie] geen back-up wordt gemaakt. De back-up hiervan wordt gemaakt via [Back-up van menu-instellingen]. Hiermee maakt u een back-up van de instellingen die niet verwant zijn aan het netwerk. Hiermee worden scanbestemmingen in een back-upbestand opgeslagen. Hiermee worden de instellingen van gebruikersbeperkingen opgeslagen in een back-upbestand. 323
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Item Back-up van adresboek IPsec-instellingen backuppen Beschrijving Hiermee worden faxbestemmingen in een back-upbestand opgeslagen. Hiermee worden de IPsec-instellingen opgeslagen in een back-upbestand. Volg onderstaande procedure om back-upbestanden van de configuratie te maken. 1. Selecteer het keuzerondje voor het gegevenstype waarvan u back-ups wilt maken. 2. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 3. Klik op [OK]. 4. Klik op [Opslaan] in het bevestigingsvenster. 5. Ga naar de locatie waar u het back-upbestand wilt opslaan. 6. Geef een naam voor het bestand op en klik op [Opslaan]. [IPsec-instellingen back-uppen] wordt alleen weergegeven als het beheerderswachtwoord is opgegeven. Tabblad Instellingen herstellen Wanneer het apparaat terugkomt van reparatie, is het belangrijk om de apparaatinstellingen te herstellen vanuit back-upbestanden. De instellingen van het apparaat worden na de reparatie teruggezet op hun standaardwaarden. Instellingen herstellen Item Bestand om te herstellen Beschrijving Voer het pad in naar het bestand dat hersteld moet worden of klik op [Bladeren...] om het bestand te selecteren. Volg onderstaande procedure om back-upbestanden van uw configuratie te herstellen. 1. Klik op [Bladeren...]. 2. Navigeer naar de map met het back-upbestand dat u wilt herstellen. 3. Selecteer het back-upbestand en klik op [Openen]. 4. Voer indien nodig het beheerderswachtwoord in. 324
De beheerderinstellingen configureren 5. Klik op [OK]. Als de instellingen niet juist worden hersteld, verschijnt er een foutmelding. Probeer nogmaals om het bestand volledig te herstellen. Tabblad Datum/tijd instellen Datum instellen Item Beschrijving Jaar Voer het huidige jaartal in (2000 tot en met 2099). Maand Voer de huidige maand in (1 t/m 12). Dag Voer de huidige dag in (1 t/m 31). Datumindeling Selecteer de datumindeling: [MM/DD/JJJJ], [DD/MM/JJJJ] of [JJJJ/MM/ DD]. Tijd instellen Item Tijdsindeling Tijd (AM / PM) uur (0-23) uur (1-12) Beschrijving Selecteer een tijdsindeling van 24 of 12 uren. Selecteer [AM] of [PM] als er een tijdsindeling van 12 uur is geselecteerd. Voer het huidige tijdstip in als er een tijdsindeling van 24 uur is geselecteerd (0-23). Voer het huidige tijdstip in als er een tijdsindeling van 12 uur is geselecteerd (1-12). min. (0-59) Voer het huidige tijdstip in qua minuten (0-59). Tabblad Energiespaarstand Energiespaarstandmodus Item Beschrijving Energiespaarstand 1 Selecteer [Actief] als u wilt dat het apparaat overschakelt op Energiespaarstand 1 als deze zo'n 30 seconden inactief is geweest. 325
8. Het apparaat configureren met hulpprogramma's Item Energiespaarstand 2 Beschrijving Het kost minder tijd om terug te keren uit Energiespaarstand 1 dan uit de uitgeschakelde status of uit Energiespaarstand 2, maar het stroomverbruik in Energiespaarstand 1 is hoger in dan in Energiespaarstand 2. Selecteer [Actief] als u wilt dat het apparaat overschakelt op Energiespaarstand 2 nadat de periode is verstreken die is opgegegeven voor [Wachttijd (1-240 min.)] (1 tot 240 minuten). Het apparaat verbruikt in Energiespaarstand 2 minder stroom dan in Energiespaarstand 1, maar het duurt langer om terug te keren uit Energiespaarstand 2. Het apparaat komt uit de energiespaarstand als het een afdruktaak ontvangt, een ontvangen fax afdrukt of als er op de [Kopieerapparaat]-, [Start kleur]- of de [Start zwart-wit]-knop is gedrukt. Ongeacht de instellingen voor Energiebesparingsmodus 1 of Energiebesparingsmodus 2 gaat het apparaat in Energiebesparingsmodus 1 nadat het gedurende 10 minuten stil heeft gestaan. PCL6-modus PCL6-modus Item PCL6-modus Beschrijving Stel dit in op [Universal] als u gebruikmaakt van het universele stuurprogramma en op [SP C260/C262] als u gebruik maakt van het normale stuurprogramma. 326
9. Het apparaat onderhouden In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u verbruiksartikelen kunt vervangen en het apparaat kunt schoonmaken. De printcartridge vervangen Bewaar printcartridges altijd op een koele donkere plaats. Het daadwerkelijke aantal kopieën die u kunt afdrukken, hangt af van het volume en de dichtheid van afbeeldingen, het aantal pagina's dat u gelijktijdig afdrukt, de papiersoort en het papierformaat en de omgevingsomstandigheden, zoals temperatuur en luchtvochtigheid. De kwaliteit van toner verslechtert na verloop van tijd. Vroegtijdige vervanging van de printcartridge kan noodzakelijk zijn. Daarom raden we u aan altijd een nieuwe printcartridge beschikbaar te hebben. Voor een goede afdrukkwaliteit adviseert de fabrikant u de originele toner van de fabrikant te gebruiken. De fabrikant is niet aansprakelijk voor eventuele schade of kosten die kunnen voortvloeien uit het gebruik van onderdelen voor uw kantoorapparatuur die geen originele onderdelen van de fabrikant zijn. Als u probeert af te drukken terwijl de melding "Vervanging vereist: Tonercartridge (XX)" wordt weergegeven, kan de melding "Doorgaan met afdrukken?" ook weergegeven worden. Als dit gebeurt, kunt u een aantal pagina's afdrukken door op [Ja] te drukken. De afdrukkwaliteit kan echter minder zijn. Vervang de toner zo snel mogelijk. Als de melding "Doorgaan met afdrukken?" niet wordt weergegeven, vervang de toner dan onmiddellijk. Pas op dat er geen paperclips, nietjes of andere kleine voorwerpen in het apparaat vallen. Stel de printcartridge zonder afdekking niet voor een langere tijd bloot aan direct zonlicht. Raak de lichtgeleiding van de printcartridge niet aan. DUE254 327
9. Het apparaat onderhouden Raak de ID-chip aan de zijkant van de printcartridge (zoals aangegeven op de afbeelding hieronder) niet aan. DUE255 Zorg dat u bij het verwijderen van printercartridges de laserscaneenheid aan de onderkant van de bovenklep niet aanraakt (het gebied dat met de pijl in de illustratie hieronder wordt aangegeven). DUE256 Als de toner voor cyaan, magenta of geel op is, kunt u met de zwarte toner zwart-wit afdrukken blijven maken. Wijzig de kleurmodusinstelling in Zwart-wit met het stuurprogramma van het apparaat. Als de zwarte toner op is, kunt u noch in zwart-wit, noch in kleur afdrukken tot de zwarte toner is vervangen. Meldingen op het scherm Vervang de aangegeven printcartridge als één van de volgende meldingen op het scherm wordt weergegeven: "Vervanging vereist: Tonercartridge" (XX) ("XX" staat voor de kleur van de toner) Vervang de aangegeven printcartridge als één van de volgende meldingen op het scherm wordt weergegeven: "Binnenkort vervanging vereist: Tonercartridge" (XX) ("XX" staat voor de kleur van de toner) 328
De printcartridge vervangen 1. Trek aan het handvat op de voorklep en til de voorklep vervolgens voorzichtig op. DUE257 2. Til de printercartridge er voorzichtig verticaal uit, terwijl u hem in het midden vasthoudt. Beginnend vanaf achteraan worden de printcartridges in de volgorde cyaan (C), magenta (M), geel (Y) en zwart (K) geïnstalleerd. DUE259 Schud de verwijderde printcartridge niet. Als u dit wel doet, kan de overgebleven toner gaan lekken. Plaats de oude printcartridge op papier of gelijksoortig materiaal om uw werkruimte niet vuil te maken. De kleur van de toner wordt aangegeven op het etiket van elke printcartridge. 3. Haal de nieuwe printcartridge uit de verpakking en dan uit de plastic zak. DUE260 329
9. Het apparaat onderhouden 4. Houd de printcartridge vast en schud deze vijf of zes keer heen en weer. DUE261 Een gelijkmatige verspreiding van de toner in de cartridge verbetert de afdrukkwaliteit. 5. Verwijder het beschermvel van de printcartridge. DUE262 6. Controleer of de tonerkleur en plaats overeenkomen en plaats vervolgens de inktcartrigde voorzichtig in verticale richting. DUE263 330
De printcartridge vervangen 7. Houd met beide handen het midden van de bovenklep vast en sluit de klep voorzichtig. DUE264 8. Plaats het beschermvel dat u in stap 5 verwijderde op de oude printcartridge. Plaats de oude printcartridge vervolgens in de zak en in de verpakking. DUE265 Zorg dat u de oude printcartridge goed afdekt voor recycling- en milieudoeleinden. (Vooral Europa en Azië) Neem contact op met uw lokale verkoopkantoor als u uw gebruikte tonercontainer wilt weggooien. Als u de toner zelf weggooit, moet u het beschouwen als plastic afvalmateriaal. (Vooral Noord-Amerika) Raadpleeg de lokale Ricoh-website voor meer informatie over het recyclen van verbruiksartikelen. U kunt items ook recyclen volgens de gemeentelijke voorschriften of volgens de aanwijzingen van het lokale afvalverwerkingsbedrijf. 331
9. Het apparaat onderhouden De tonerafvalfles vervangen Meldingen op het scherm Vervang de tonerafvalfles als de volgende melding op het display verschijnt: "Vervanging nodig: Tonerafvalfles" Maak een tonerafvalfles klaar als de volgende melding op het display verschijnt: "Binnenkort vervanging nodig: Tonerafvalfles" Tonerafvalflessen kunnen niet worden hergebruikt. Houd de tonerafvalfles bij het verwijderen niet schuin. Zorg dat de transfereenheid geïnstalleerd is. Als de transfereenheid niet is geïnstalleerd, doe dit dan voordat u het apparaat inschakelt. Leg voordat u de gebruikte tonerafvalfles uit het apparaat haalt, papier of een soortgelijk materiaal rond de printer neer om te voorkomen dat de toner uw vloer vies maakt. 1. Trek het voorpaneel open aan de hendel en laat het voorpaneel dan voorzichtig naar beneden zakken. 2 1 DUE227 2. Schuif beide hendels op de voorklep naar voren. DUE266 332
De tonerafvalfles vervangen 3. Houd de tabs aan weerszijden van de transfereenheid vast en beweeg de transfereenheid iets naar achteren voordat u deze optilt. 2 1 DUE267 4. Houd de hendel in het midden van de afvaltonerfles vast en trek hem gedeeltelijk naar buiten zonder hem te kantelen. DUE268 5. Trek de tonerafvalfles er half uit, houd de fles stevig vast en trek deze er dan recht uit. DUE269 333
9. Het apparaat onderhouden DUE270 Til de tonerafvalfles niet op als u deze eruit trekt, om te voorkomen dat de fles de tussenliggende transfereenheid aanraakt (het gebied dat met de pijl in de illustratie hieronder wordt aangegeven). 6. Doe de dop op de fles. DUE271 DUE272 334
De tonerafvalfles vervangen DUE273 7. Houd de nieuwe tonerafvalfles in het midden vast en plaats deze voorzichtig halverwege in het apparaat. Laat de dop van de fles open. DUE274 Til de tonerafvalfles niet op tijdens het plaatsen, om te voorkomen dat de fles de tussenliggende transfereenheid aanraakt (het gebied dat met een pijl in de afbeelding hieronder wordt aangegeven). DUE275 8. Duw de tonerafvalfles naar beneden totdat deze klikt. Druk de hendel in het midden in en duw de fles helemaal naar binnen. 335
9. Het apparaat onderhouden DUE276 9. Plaats de transfereenheid op het voorpaneel. Schuif de transfereenheid over de geleiderrails in het apparaat. 10. Als het stopt, drukt u op de markering PUSH totdat u een klik hoort. DUE277 DUE278 336
De tonerafvalfles vervangen 11. Duw met beide handen het voorpaneel voorzichtig omhoog totdat deze sluit. DUE229 Druk, bij het sluiten van de voorklep, de bovenzijde van de klep stevig aan. Het is raadzaam om extra tonerafvalflessen te kopen als voorraad zodat u de flessen gemakkelijk kunt vervangen. Doe mee met het recycleprogramma voor tonerafvalflessen, zodat deze worden ingezameld voor recycling. Voor meer informatie, raadpleeg uw verkoop- of onderhoudsvertegenwoordiger. 337
9. Het apparaat onderhouden Een onderdeel vervangen Tussenliggende transfereenheid vervangen Deze functie is alleen beschikbaar voor de SP C262SFNw. Als het waarschuwingsindicatielampje op het bedieningspaneel gaat branden en het bericht "Vervanging vereist:tus.lig. Transf.eenh" verschijnt op het display, neemt u contact op met uw servicevertegenwoordiger. De fuseereenheid en transferrol vervangen Deze functie is alleen beschikbaar voor de SP C262SFNw. Als het waarschuwingsindicatielampje op het bedieningspaneel gaat branden en het bericht "Vervanging vereist:transferrol" of "Vervanging vereist:fuseereenheid" verschijnt op het display, neemt u contact op met uw verkoop- of servicevertegenwoordiger. 338
Voorzorgsmaatregelen voor het reinigen Voorzorgsmaatregelen voor het reinigen Maak het apparaat regelmatig schoon om een hoge afdrukkwaliteit te garanderen. Neem de buitenkant af met een zachte, droge doek. Als dit niet voldoende is, kunt u een zachte, vochtige doek gebruiken die goed is uitgewrongen. Als u er zo nog niet in slaagt om vlekken te verwijderen, kunt u een neutraal schoonmaakmiddel gebruiken. Neem het apparaat af met een goed uitgewrongen vochtige doek, veeg het daarna droog en laat het vervolgens goed opdrogen. Gebruik geen vluchtige chemicaliën als benzine of thinner en spuit geen insectenspray op het apparaat, om vervorming, verkleuring of barstvorming te voorkomen. Als er stof of aanslag binnen in het apparaat zit, verwijdert u deze met een schone, droge doek. U moet ten minste eenmaal per jaar de stekker uit het stopcontact verwijderen. Verwijder stof en aanslag van en rond de stekker en het stopcontact voordat u de printer weer aansluit. Opgehoopt stof en aanslag verhogen het risico op brand. Pas op dat er geen paperclips, nietjes of andere kleine voorwerpen in het apparaat vallen. 339
9. Het apparaat onderhouden De tonerdichtheidsensor schoonmaken Reinig de tonerdichtheidssensor wanneer de volgende boodschap op het bedieningspaneel verschijnt. "Reinig. dichth- sensor vereist" 1. Trek aan het handvat op de voorklep en til de voorklep vervolgens voorzichtig op. Zorg dat de ADF gesloten is. 2. Verwijder de achterste printcartridge. DUE257 DUE259 3. Schuif de hendel van de tonerdichtheid-sensor een keer naar links. DUE279 340
De tonerdichtheidsensor schoonmaken 4. Voer de printercartridge, die bij stap 2 verwijderd werd, voorzichtig verticaal in. DUE263 5. Houd met beide handen het midden van de bovenklep vast en sluit de klep voorzichtig. Let op dat uw vingers niet bekneld raken. DUE264 341
9. Het apparaat onderhouden De wrijvingsstrip en papierinvoerroller reinigen Als de wrijvingsstrip of de papierinvoerrol vuil zijn, kunnen er verschillende vellen tegelijk of juist geen vellen worden gepakt. In dit geval moeten de wrijvingsstrip en de papierinvoerrol als volgt worden gereinigd: Gebruik geen chemische reinigingsmiddelen of organische oplosmiddelen, zoals thinner of benzine. 1. Zet het apparaat uit. 2. Trek de stekker uit het stopcontact. Verwijder alle kabels uit het apparaat. 3. Trek lade 1 er voorzichtig met beide handen uit. DUE214 Plaats de lade op een vlak oppervlak. Als er papier in de lade ligt, haal dit er dan uit. 4. Veeg de wrijvingsstrips schoon met een vochtige doek. DUE280 342
De wrijvingsstrip en papierinvoerroller reinigen 5. Veeg het rubberen deel van de rol schoon met een zachte, vochtige doek. Droog de wrijvingsstrip vervolgens met een droge doek. DUE281 6. Duw de metalen plaat naar beneden totdat deze vastklikt. DUE215 7. Plaats het verwijderde papier terug in de lade en duw de lade voorzichtig in het apparaat totdat deze op zijn plaats klikt. DUE220 8. Steek de stekker van het netsnoer goed in het stopcontact. Sluit alle voorheen verwijderde interfacekabels weer aan. 9. Zet de printer aan. 343
9. Het apparaat onderhouden Als er verschillende vellen tegelijk worden gepakt of er ontstaat een storing, neem dan contact op met uw verkoop- of servicevertegenwoordiger. Als de optionele lade 2 is geïnstalleerd, maak dan de wrijvingsstrip en papierinvoerrol hiervan op dezelfde manier schoon als u deed bij lade 1. 344
De registratierol en papierlade schoonmaken De registratierol en papierlade schoonmaken De registratierol en papierlade kunnen vuil worden door papierstof als u op papier afdrukt dat niet standaard is. Maak de registratierol schoon als er witte puntjes op de afdrukken verschijnen. Gebruik geen chemische reinigingsmiddelen of organische oplosmiddelen, zoals thinner of benzine. Raak de transferrol niet aan (zoals hieronder wordt weergegeven). DUE282 1. Zet het apparaat uit. 2. Trek de stekker uit het stopcontact. Verwijder alle kabels uit het apparaat. 3. Trek lade 1 er voorzichtig met beide handen uit. DUE214 Plaats de lade op een vlak oppervlak. Als er papier in de lade ligt, haal dit er dan uit. 345
9. Het apparaat onderhouden 4. Veeg de binnenkant van de papierlade schoon met een doek. DUE283 5. Duw de metalen plaat naar beneden totdat deze vastklikt. DUE215 6. Plaats het verwijderde papier terug in de lade en duw de lade voorzichtig in het apparaat totdat deze klikt. DUE220 346
De registratierol en papierlade schoonmaken 7. Trek het voorpaneel open aan de hendel en laat het voorpaneel dan voorzichtig naar beneden zakken. 2 1 DUE227 Zorg dat u de registratierol op de plaats zet die in de illustratie hieronder met een pijltje getoond wordt. DUE284 Reinig de registratierol als afdrukken besmeurd raken na het verhelpen van een papierstoring. 8. Gebruik een zachte, vochtige doek en reinig de registratierol rondom door deze te draaien. 9. Duw met beide handen het voorpaneel voorzichtig omhoog totdat deze sluit. DUE229 Druk, bij het sluiten van de voorklep, de bovenzijde van de klep stevig aan. 347
9. Het apparaat onderhouden 10. Steek de stekker stevig in het stopcontact. Sluit alle voorheen verwijderde kabels weer aan. 11. Zet de printer aan. 348
De glasplaat reinigen De glasplaat reinigen 1. Open de ADF. Zorg ervoor dat u de invoerlade niet aanraakt bij het optillen van de ADF, anders kan de lade beschadigd raken. 2. Maak de delen die met pijlen worden aangegeven schoon met een zachte, vochtige doek en wrijf dezelfde delen met een droge doek na zodat er geen vocht achterblijft. DUE285 349
9. Het apparaat onderhouden De automatische documentinvoer schoonmaken 1. Open de ADF. Zorg ervoor dat u de invoerlade niet aanraakt bij het optillen van de ADF, anders kan de lade beschadigd raken. 2. Maak de delen die met pijlen worden aangegeven schoon met een zachte, vochtige doek en wrijf dezelfde delen met een droge doek na zodat er geen vocht achterblijft. DAC005 Wanneer u de SP C262SFNw gebruikt, gaat u verder naar stap 3. 3. Sluit de ADF. 4. Open het ADF-paneel. 2 1 DUE321 350
De automatische documentinvoer schoonmaken 5. Reinig de hieronder aangegeven onderdelen. 6. Sluit het ADF-paneel. DUE322 351
9. Het apparaat onderhouden Het apparaat verplaatsen en vervoeren In dit onderdeel worden voorzorgsmaatregelen genoemd die u dient te volgen als u het apparaat over korte of lange afstanden vervoert. Pak het apparaat in zijn oorspronkelijke verpakkingsmateriaal in als u het apparaat over een lange afstand vervoert. Controleer voordat u het apparaat verplaatst of er geen kabels meer zijn aangesloten op het apparaat. Het apparaat is een precisie-apparaat. Zorg dat u voorzichtig omgaat met het apparaat tijdens het verplaatsen. Houd het apparaat horizontaal terwijl u het verplaatst. Wees extra voorzichtig wanneer het apparaat de trap op- of afgedragen moet worden. Als lade 2 geïnstalleerd is, verwijder deze dan uit het apparaat en verplaats de lade apart van het apparaat. Verwijder de printcartridges niet tijdens het verplaatsen van het apparaat. Zorg ervoor dat u het apparaat horizontaal houdt tijdens het tillen. Verplaats het apparaat voorzichtig om te voorkomen dat er toner wordt gemorst. Stel het apparaat niet bloot aan zoutige (zee)lucht en bijtende gassen. Plaats het apparaat ook niet in ruimtes waar chemische reacties plaatsvinden (zoals in laboratoria, etc.). Doet u dit wel, dan zal het apparaat niet naar behoren werken en mogelijk defect raken. Ventilatie Als u dit apparaat langdurig of veelvoudig in een gesloten ruimte gebruikt zonder goede ventilatie, bespeurt u misschien een rare lucht. Hierdoor kan het uitgevoerde papier mogelijk ook raar gaan ruiken. Als u een rare geur ruikt, dient u regelmatig te ventileren om de werkplek aangenaam te houden. Stel het apparaat zo in dat het de lucht niet direct richting mensen blaast. Ventilatie moet meer dan 30 m 3 /u/persoon zijn. Geur van nieuw apparaat Een nieuw apparaat ruikt mogelijk apart. Deze geur zal in ongeveer een week afnemen. Als u een rare lucht bespeurt, dient u de ruimte te ventileren. 1. Controleer zorgvuldig het volgende: De stroom is uitgeschakeld. Het netsnoer is uit het stopcontact getrokken. Alle andere kabels zijn van het apparaat losgehaald. 352
Het apparaat verplaatsen en vervoeren 2. Als lade 2 geïnstalleerd is, haal deze er dan uit. 3. Til het apparaat op via de inkepingen aan beide zijden van het apparaat en verplaats het apparaat vervolgens horizontaal naar de gewenste plek. DUE287 4. Als u lade 2 verwijderd heeft, plaats deze dan terug. Als u het apparaat over langere afstand wilt verplaatsen, moet u dit goed verpakken en alle papierladen leeg maken. Zorg ervoor dat u het apparaat goed horizontaal houdt tijdens het vervoer. Aan de binnenkant van het apparaat kan toner gemorst worden als het apparaat tijdens het vervoer niet horizontaal wordt gehouden. Neem contact op met uw verkoop- of onderhoudsvertegenwoordiger voor meer informatie over het vervoeren van het apparaat. Het apparaat weggooien Vraag uw verkoop- of onderhoudsvertegenwoordiger hoe u dit apparaat het best kunt afvoeren. Waar kan ik meer informatie krijgen? Neem contact op met uw verkoop- of servicevertegenwoordiger voor meer informatie over de onderwerpen die in deze handleiding worden behandeld of om informatie te verkrijgen over onderwerpen die niet in de met het apparaat meegeleverde handleiding worden behandeld. 353
354 9. Het apparaat onderhouden
10. Problemen oplossen In dit hoofdstuk worden oplossingen beschreven voor foutmeldingen en andere problemen. Fout- en statusmeldingen op het scherm Meldingen staan op alfabetische volgorde in de tabel hieronder. "X" geeft een nummer aan in een foutcode dat afwijkend wordt weergegeven afhankelijk van een bepaalde situatie. Als de waarschuwingslampjes voortdurend branden of knipperen, schakel dan over naar uw kopieermodus en controleer de melding. Meldingen Oorzaken Oplossing 2XXX14 Het apparaat kan de ontvangen fax niet afdrukken of het geheugen van het apparaat heeft de maximale capaciteit bereikt tijdens het ontvangen van een fax, omdat het document te groot was. De papierlade was leeg. Plaats papier in de papierlade. Zie Pag. 52 "Papier plaatsen". In de papierlade was geen A4-, Letter- of Legal-papier geplaatst. Plaats papier van het juiste formaat in de lade en configureer de instellingen voor het papierformaat onder [Papierinstellingen]. Een paneel of lade stond open. Sluit het paneel of de lade. Er was een papierstoring. Verwijder het vastgelopen papier. Zie Pag. 366 "Vastgelopen papier verwijderen". Een van de printcartridges is leeg. Vervang de inktcartridge. Zie Pag. 327 "De printcartridge vervangen". De ontvangen fax was te groot. Vraag de afzender om het document opnieuw te sturen, maar nu in delen als een aantal kleinere individuele faxen of als document met een lagere resolutie. 355
10. Problemen oplossen Meldingen Oorzaken Oplossing Papierstoring orig. ADF Open ADF-paneel en verwijder papier. Beschikbr: ID-krt kopie A4 of 8 1/2 11/A5 /A6 Beschikbr: Dubbelz kopie A4/B5/LG/LT/EXE 8 13/8,25 13/8, 5 13/16K Beschikbr: Dubbelz kopie Lade 1 of lade 2 Er is een origineel vastgelopen in de ADF. ID-kaart kopiëren kon niet worden uitgevoerd, omdat de lade geen papier bevat met één van de volgende geldige formaten: A4, Letter, A5, of A6. Dubbelzijdig kopiëren kon niet worden uitgevoerd, omdat de lade geen papier van een geldig papierformaat bevat zoals A4, B5, Letter, Legal, Executive, 8 13 inch, 8 1 / 2 13 inch, Folio of 16K. Dubbelzijdig kopiëren kon niet worden uitgevoerd, omdat is ingesteld dat papier uit de handinvoer moet worden ingevoerd. Verwijder vastgelopen originelen en plaats ze opnieuw. Zie Pag. 366 "Vastgelopen papier verwijderen" en Pag. 379 "Problemen met papierinvoer". Controleer of de originelen geschikt zijn om te worden gescand. Zie Pag. 82 "Originelen plaatsen". Stel het apparaat zo in dat er wordt gekopieerd op A4- of Letter-formaat in de instelling [Selecteer papier]. Zie Pag. 233 "Instellingen voor kopieereigenschappen". Geef het papierformaat A4, Letter, A5 of A6 op voor de lade die is geselecteerd voor het afdrukken van kopieën. Zie Pag. 261 "Papierinstellingen". Selecteer de lade die papier van A4-, B5-, Letter-, Legal- of Executiveformaat (anders dan de handinvoer) bevat in de instelling [Selecteer papier]. Zie Pag. 233 "Instellingen voor kopieereigenschappen". Geef één van de volgende formaten op voor de lade die kopieën afdrukt: A4, B5, Letter, Legal, Executive, 8 13 inch, 8 1 / 2 13 inch, Folio of 16K. Zie Pag. 261 "Papierinstellingen". Geef een andere instelling op dan [Handinvoer] voor de instelling [Selecteer papier]. Zie Pag. 233 "Instellingen voor kopieereigenschappen". 356
Fout- en statusmeldingen op het scherm Meldingen Oorzaken Oplossing Bezet Kan inst. niet kopiëren. Combineren: 2 pagina's op 1 / 4 pagina's op 1 Kan niet kopiëren. Plaats origineel in ADF. Controleer papierformaat Controleer papiertype Verbinding maken mislukt De fax kon niet worden verstuurd, omdat de lijn bezet was. Gecombineerd kopiëren kon niet worden uitgevoerd, omdat de lade geen papier bevat met één van de volgende geldige formaten: A4, Letter en Legal. Gecombineerd kopiëren kan niet worden uitgevoerd omdat de originelen niet in de ADF zijn geplaatst. Het papierformaat dat is ingesteld voor het document komt niet overeen met het papierformaat in de opgegeven lade. Het papierformaat dat is ingesteld voor het document komt niet overeen met het papierformaat in de opgegeven lade. De verbinding kon niet tot stand worden gebracht. Wacht een ogenblik en verstuur de fax opnieuw. Stel het apparaat zo in dat er wordt gekopieerd op A4-, Letter- of Legalformaat in de instelling [Selecteer papier]. Zie Pag. 233 "Instellingen voor kopieereigenschappen". Geef het papierformaat A4, Letter of Legal op voor de lade die is geselecteerd voor het afdrukken van kopieën. Zie Pag. 261 "Papierinstellingen". Gebruik de ADF, zelfs als u één vel papier wilt kopiëren. Als u de glasplaat moet gebruiken, zet dan [Uit] of [Handm. 2-z scanmodus] aan in [Duplex/ Combin.] onder [Kopieereigenschappen] en probeer het opnieuw. Zie Pag. 233 "Instellingen voor kopieereigenschappen". Druk op [Pg.drv.] om het afdrukken te starten of druk op [JobReset] om de taak te annuleren. Druk op [Pg.drv.] om het afdrukken te starten of druk op [JobReset] om de taak te annuleren. Controleer of de telefoonkabel correct op het apparaat is aangesloten. 357
10. Problemen oplossen Meldingen Oorzaken Oplossing Paneel open Er is een klep open. Sluit de klep goed. Haal de telefoonlijn los van het apparaat en sluit een standaard telefoon aan. Controleer of u met de telefoon wel kunt bellen. Als u op deze manier niet kunt bellen, neem dan contact op met uw telefoonmaatschappij. Reiniging dichtheidsensor vereist Bellen is mislukt Max. E-mailform. overschreden Het apparaat kon de kleurregistratie niet aanpassen. De fax kon niet worden verstuurd. Het scanbestand is groter dan maximaal is toegestaan voor bestanden die via e-mail kunnen worden verstuurd. Maak de tonerdichtheidssensor schoon. Zie Pag. 340 "De tonerdichtheidsensor schoonmaken". Controleer of het faxnummer dat u draaide, juist is. Controleer of de bestemming een faxapparaat is. Controleer of de lijn bezet is of niet. Misschien moet u een pauze tussen gekozen nummers invoegen. Druk op [Opnieuw kiezen] na bijvoorbeeld het netnummer. Controleer of [PSTN / PBX] in [Beheerderstoepassingen] is opgegeven conform de gebruikte telefoonlijn. Zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Configureer [Resolutie] onder [Scaninstellingen] om de scanresolutie te verlagen. Zie Pag. 237 "Instellingen scannereigenschappen". Configureer [Max E-mail form.] onder [Scaninstellingen] om de maximaal toegestane grootte te verhogen. Zie Pag. 237 "Instellingen scannereigenschappen". 358
Fout- en statusmeldingen op het scherm Meldingen Oorzaken Oplossing Toegang verkr. tot bestand mislukt Druk op de knop Wissen Bestand aanmaken is mislukt Druk op de knop Wissen I-fax POP3 mislukt Toner van onafhankelijke leverancier: X Interne storing Geheugenoverloop Geheugenoverloop De functie Scannen naar USB is mislukt, omdat het apparaat geen toegang kreeg tot de USB-geheugenkaart. De functie Scannen naar USB is mislukt, omdat er niet genoeg ruimte op de USBgeheugenkaart aanwezig is. De verbinding met de POP3- server is mislukt. Er is voor de opgegeven kleur een printcartridge geïnstalleerd die niet wordt ondersteund. Er is papier vastgelopen in het apparaat. Het aantal faxtaken in het geheugen (faxen die niet zijn verstuurd of afgedrukt) heeft het maximum bereikt, dus er kunnen geen nieuwe taken worden opgeslagen. De gegevens zijn te groot of te moeilijk om af te drukken. Als u een beveiligd afdrukbestand dat is opgeslagen in het Gebruik een USB-geheugenkaart die niet met een wachtwoord beveiligd is of beveiligd is tegen schrijven. Gebruik een USB-geheugenkaart met voldoende geheugen. Controleer of de netwerkkabel correct op het apparaat is aangesloten. Controleer of de netwerkinstellingen zoals IP-adres, DNS en SMTPinstellingen juist zijn geconfigureerd (zorg ervoor dat er geen tekens met dubbele bytes worden gebruikt). Zie Pag. 307 "De netwerkinstellingen configureren". Verwijder en vervang deze door een printcartridge van een geautoriseerde verkoper. Verwijder het vastgelopen papier. Zie Pag. 366 "Vastgelopen papier verwijderen". Wacht totdat de taken in het geheugen zijn verstuurd of afgedrukt. Selecteer [600 600 dpi] in [Resolutie] onder [Printereigenschappen] om de grootte van de gegevens te verkleinen. Zie Pag. 257 "Instellingen voor printereigenschappen". 359
10. Problemen oplossen Meldingen Oorzaken Oplossing apparaat probeert af te drukken met de optie [Gradatie:] van het printerstuurprogramma op [Fijn] op het tabblad [Afdrkwal.], kan het afdrukken worden geannuleerd afhankelijk van het huidige geheugenverbruik van het apparaat. Als u afdrukt op Legalformaat met een bepaalde afdrukkwaliteitinstelling, worden af te drukken gegevens groot en kan de taak worden geannuleerd. Druk beveiligde afdrukbestanden die op het apparaat staan, af of verwijder deze en druk dan het beveiligde afdrukbestand af dat het apparaat eerder niet kon afdrukken. Een andere mogelijkheid is om het beveiligde afdrukbestand opnieuw naar het apparaat te sturen met [Gradatie:] ingesteld op [Snelheid] of [Standaard] en vervolgens het beveiligde afdrukbestand af te drukken. Bij gebruik van het PCL- of GDIprinterstuurprogramma, stelt u [Gradatie:] in [Afdrkwal.] in op [Snelheid] of [Standaard]. Bij gebruik van het PostScript 3- printerstuurprogramma, stelt u [Afdrkwal.] in [Printereigenschappen] in op [Standaard] of [Hoge kwaliteit]. Geheugenoverloop Storing: Duplexeenheid Verwijder papier Het geheugen van het apparaat heeft bijna de volledige capaciteit bereikt tijdens het scannen van de eerste pagina van het origineel om een faxtaak in het geheugen op te slaan voordat deze verstuurd wordt. Het geheugen heeft de volledige capaciteit bereikt tijdens het opslaan van een fax in het geheugen in de modus Geheugenverzending. Er is papier vastgelopen in de duplexeenheid. Stuur de fax opnieuw, maar nu in delen als een aantal kleinere individuele faxen of als document met een lagere resolutie. Verwijder het vastgelopen papier. Zie Pag. 366 "Vastgelopen papier verwijderen". 360
Fout- en statusmeldingen op het scherm Meldingen Oorzaken Oplossing Storing: Papierlade Storing: Standaardlade Storing: Lade 1 Storing: Lade 2 Netwerkcommunicati efout Netwerk is niet gereed Direct kiezen of Stop Open voorpaneel beweeg vervolgens de hendel voor de enveloppen omhoog/omlaag. Er is papier vastgelopen in de papierlade. Er is papier vastgelopen in de papieruitgang. Er is papier vastgelopen in het papierinvoergebied van lade 1. Er is papier vastgelopen in de papierlade. De verbinding met de server ging verloren tijdens het versturen of ontvangen van gegevens. Een gescand bestand kon niet verstuurd worden, omdat het apparaat geen volledige IPadresinformatie van de DHCPserver heeft gekregen. Het apparaat heeft lang in de modus Direct kiezen gestaan. De hendels van de fuseereenheid zijn niet correct geplaatst. Verwijder het vastgelopen papier. Zie Pag. 366 "Vastgelopen papier verwijderen". Verwijder het vastgelopen papier. Zie Pag. 366 "Vastgelopen papier verwijderen". Verwijder het vastgelopen papier. Zie Pag. 366 "Vastgelopen papier verwijderen". Verwijder het vastgelopen papier. Zie Pag. 366 "Vastgelopen papier verwijderen". Neem contact op met de netwerkbeheerder. Wacht totdat het apparaat de IPadresinformatie volledig heeft ontvangen en probeer de bewerking dan opnieuw uit te voeren. Leg de hoorn neer of druk op de [>Wis/ Stop]-knop. Het apparaat start alleen met afdrukken als de fuseereenheidhendels zich in de positie van het juiste papiertype bevinden. Om op een envelop af te drukken, opent u het voorpaneel en zet u de linker- en rechterhendels op de envelopmarkering. Om op papier af te drukken, opent u het voorpaneel en zet u de linker- en rechterhendel op de markering voor normaal papier. 361
10. Problemen oplossen Meldingen Oorzaken Oplossing Papier op: X Start app. opnieuw op Verwijder papier: Handinvoer Vervang tussenl. transf.riem Vervang. binnk. vereist: Tonercartridge (X) Vervang. binnk. vereist: Tonerafvalfles Vervanging vereist: Fuseereenheid Vervanging vereist: Papierinvoerroller Het papier in de opgegeven lade is op. Het apparaat dient opnieuw te worden opgestart. Het apparaat kon niet verdergaan met de afdruktaak, omdat lade 1 of lade 2 als invoerlade is opgegeven, terwijl het papier was ingesteld op de handinvoer. De transferriem is niet langer te gebruiken en dient te worden vervangen. De printcartridge is bijna leeg. De tonerafvalfles moet binnenkort vervangen worden. De fuseereenheid is niet langer te gebruiken en moet worden vervangen. De papierinvoerroller is niet langer te gebruiken en moet worden vervangen. Plaats papier in de opgegeven lade. Zie Pag. 52 "Papier plaatsen". Zet het apparaat uit en vervolgens weer aan. Verwijder het papier uit de handinvoer. Neem contact op met uw verkoopvertegenwoordiger. Bereid een nieuwe cartridge voor. Houd een nieuwe tonerafvalfles gereed. Neem contact op met uw verkoopvertegenwoordiger. Neem contact op met uw verkoopvertegenwoordiger. Vervanging vereist: Tonercartridge (X) De toner is op. Vervang de inktcartridge. Zie Pag. 327 "De printcartridge vervangen". Vervanging vereist: Transferroller Ontvangst communicatiefout De transferroller is niet langer te gebruiken en moet worden vervangen. Er is een ontvangstfout opgetreden en de fax kon niet correct worden ontvangen. Neem contact op met uw verkoopvertegenwoordiger. Neem indien mogelijk contact op met de afzender van de fax en vraag hem/haar om de fax opnieuw te versturen. 362
Fout- en statusmeldingen op het scherm Meldingen Oorzaken Oplossing Verb. netwerkscan verbr. Verb. scan-usb verbr. Serververbinding mislukt Fout antwoord server SCXXX Plaats juist papier Plaats origineel in ADF. Een gescand bestand kon niet worden verstuurd, omdat de ethernetkabel niet correct was aangesloten. De verbinding met de USBkabel ging verloren terwijl er werd gescand vanaf een computer. Een gescand bestand kon niet worden verstuurd, omdat de bestemming niet bereikt kon worden. Er is een fout opgetreden in de communicatie met de server voordat kon worden begonnen met de verzending. Er is een fatale hardwarefout opgetreden en het apparaat werkt niet meer. De lade die is ingesteld voor [Selecteer papierlade] onder [Faxeigenschappen] bevatte geen A4-, Letter- of Legalpapier. Scannen kon niet worden uitgevoerd, omdat de originelen niet in de ADF waren geplaatst, Sluit de ethernetkabel opnieuw aan en probeer de bewerking dan opnieuw uit te voeren. Sluit de USB-kabel opnieuw aan en probeer de bewerking opnieuw uit te voeren. Controleer of de bestemming juist is geregistreerd en probeer de bewerking opnieuw uit te voeren. Controleer of de bestemming juist is geregistreerd en probeer de bewerking opnieuw uit te voeren. Als het probleem hiermee niet is opgelost, neem dan contact op met de netwerkbeheerder. Neem contact op met uw verkoopvertegenwoordiger. Druk op [OK] terwijl het bericht wordt weergegeven. Er wordt een menu weergegeven waarin u het papierformaat van de huidige lade kunt wijzigen. Plaats papier met het formaat A4/Letter/ Legal in de lade en selecteer vervolgens het betreffende papierformaat. Het apparaat zal dan de fax afdrukken. Let op dat de papierformaatinstelling voor de lade onder [Papierinstellingen] gewijzigd zal worden. Zie Pag. 261 "Papierinstellingen". Gebruik de ADF, zelfs bij het scannen van originelen met A4-/Letterformaat of kleiner. 363
10. Problemen oplossen Meldingen Oorzaken Oplossing Kan glasplaat niet gebr. met inst. v [Scanformaat]. hoewel het apparaat is ingesteld om originelen die groter zijn dan A4-/Letterformaat te scannen. Als u de glasplaat moet gebruiken, stel dan A4/Letter of kleiner formaat in [Scanformaat] in onder [Scaninstellingen] en probeer het vervolgens opnieuw. Zie Pag. 178 "Scaninstellingen opgeven voor het scannen". Kopie sorteren geannuleerd Plaatsingsfout: Tonerafvalfles Verzendingscommuni catiefout Papiertype niet beschikb Niet-ondersteund app. Verw. a.u.b. Het geheugen heeft de volledige capaciteit bereikt tijdens het scannen van originelen uit de ADF om gesorteerd kopiëren uit te voeren. De tonerafvalfles is niet juist geïnstalleerd. Er is een verzendingsfout opgetreden en de fax kon niet correct worden verstuurd. Dubbelzijdig kopiëren kon niet worden uitgevoerd, omdat de lade geen geldig papiertype bevat, zoals dun, normaal, medium dik, gerecycled, gekleurd, voorbedrukt of voorgeperforeerd. De functie Scannen naar USB is mislukt, omdat er een ander USB-apparaat dan een USBgeheugenkaart, of een USBgeheugenkaart met een niet Druk op [Afsluit.] om de originelen af te drukken die wel naar het geheugen zijn gescand. Kopieer vervolgens opnieuw de originelen die in de ADF zijn achtergebleven. Verwijder de tonerafvalfles en installeer deze opnieuw. Zie Pag. 332 "De tonerafvalfles vervangen". Als de [Autom. opnieuw proberen]- instelling is ingeschakeld, zal het apparaat het nummer opnieuw kiezen. Als alle pogingen mislukken of als het apparaat in de modus Directe verzending staat, zal de fax niet worden verstuurd. Probeer de bewerking opnieuw uit te voeren. Geef een lade op met het geldige papiertype (geen handinvoer) in de instelling [Selecteer papier]. Zie Pag. 233 "Instellingen voor kopieereigenschappen". Geef een geldige papiertype op voor de lade die is geselecteerd voor het afdrukken van kopieën. Zie Pag. 261 "Papierinstellingen". Gebruik een USB-geheugenkaart die compatibel met de functie Scannen naar USB is. 364
Fout- en statusmeldingen op het scherm Meldingen Oorzaken Oplossing ondersteund bestandssysteem werd gebruikt. Niet-onderst. USBhub Verw. a.u.b. USB-verbinding verbroken Druk op de knop Wissen USBgeheugenoverloop Druk op de knop Wissen Beschermd tegen schrijvn Druk op de knop Wissen De functie Scannen naar USB is mislukt, omdat er een ander USB-apparaat dan een USBgeheugenkaart, of een USBgeheugenkaart met een niet ondersteund bestandssysteem werd gebruikt. De functie Scannen naar USB is mislukt, omdat de USBgeheugenkaart is verwijderd voor de bewerking kon worden voltooid. De functie Scannen naar USB is mislukt, omdat er niet genoeg ruimte op de USBgeheugenkaart aanwezig is. De functie Scannen naar USB is mislukt, omdat het apparaat geen toegang kreeg tot de USB-geheugenkaart. Gebruik een USB-geheugenkaart die compatibel met de functie Scannen naar USB is. Controleer of de USB-geheugenkaart stevig in het apparaat is gestoken. Trek niet aan de USB-geheugenkaart totdat "Gereed" op het display wordt weergegeven. Gebruik een USB-geheugenkaart met voldoende geheugen. Gebruik een USB-geheugenkaart die niet met een wachtwoord beveiligd is of beveiligd is tegen schrijven. De melding over de tussenliggende transfereenheid, fuseereenheid en transferroller wordt alleen op de SP C262SFNw weergegeven. 365
10. Problemen oplossen Vastgelopen papier verwijderen Als er een papierstoring optreedt, wordt één van de volgende berichten op het bedieningspaneel weergegeven: Als de waarschuwingslampjes voortdurend branden of knipperen, schakel dan over naar uw kopieermodus en controleer de melding. Meldingen Interne storing Storing: Standaardlade Storing: Papierlade Referentietitel Zie Pag. 369 "Als papier in de fuseereenheid vastloopt ". Zie Pag. 372 "Als papier in een lade vastloopt". Storing: Lade 1 Storing: Lade 2 Storing: Duplex-eenheid Verwijder papier Papierstoring orig. ADF Open ADF-paneel en en verwijder het papier. Zie Pag. 374 "Als papier in de transfereenheid vastloopt". Zie Pag. 375 "Vastgelopen papier in de scanner verwijderen". Zie de paragraaf die vermeld wordt in het bericht en verwijder het vastgelopen papier volgens de aanwijzingen. Een papierstoring verwijderen De binnenkant van de printer wordt heel heet. Raak geen onderdelen aan die de sticker " " bevatten (duidt op een heet oppervlak). Bepaalde interne onderdelen van dit apparaat worden erg heet. Wees daarom voorzichtig wanneer u vastgelopen papier verwijdert. Als u de onderdelen wel aanraakt, kunt u brandwonden oplopen. 366
Vastgelopen papier verwijderen Sommige interne onderdelen van dit apparaat kunnen kwetsbaar zijn. Raak de sensoren, connectoren, LED-lampjes of andere kwetsbare onderdelen die in deze handleiding worden getoond niet aan tijdens het verwijderen van vastgelopen papier. Dit kan een storing veroorzaken. Voor de locaties van de sensors in het apparaat en extra opties, zie de volgende illustraties. Hoofdeenheid 1 2 3 DUE292 1. DUE288 367
10. Problemen oplossen 2. DUE289 3. DUE290 Papierinvoereenheid 1 DUE320 368
Vastgelopen papier verwijderen 1. DUE291 Vastgelopen papier kan natte toner bevatten. Let erop dat u geen toner op uw handen en kleding krijgt. Bij afdrukken die direct na het oplossen van een papierstoring worden gemaakt, kan de toner onvoldoende zijn gehecht en gaan vlekken. Druk testpagina's af totdat er geen strepen toner meer op de afdrukken verschijnen. Verwijder het vastgelopen papier niet met te veel kracht. Verscheurde delen die in het apparaat achterblijven, zullen het papier opnieuw doen vastlopen en dit kan het apparaat beschadigen. Papierstoringen kunnen ervoor zorgen dat pagina's verloren gaan. Controleer uw afdruktaak op ontbrekende pagina's en druk de pagina's af die nog niet zijn afgedrukt. Als papier in de fuseereenheid vastloopt Als papier in de fuseereenheid vastloopt, volg dan de onderstaande stappen om het papier te verwijderen. Aangezien de temperatuur rondom de geleider hoog is moet u wachten totdat deze afgekoeld is voordat u op vastgelopen papier controleert. 369
10. Problemen oplossen 1. Trek het voorpaneel open aan de hendel en laat het voorpaneel dan voorzichtig naar beneden zakken. 2 1 DUE227 2. Laat de fuseereenheidhendel zakken en trek het vastgelopen papier er voorzichtig uit. DUE228 Raak de fuseereenheid niet aan. DUE243 Trek het papier naar beneden om te verwijderen. Trek het niet omhoog. 370
Vastgelopen papier verwijderen DUE244 Als u het vastgelopen papier niet kunt vinden, trek dan de hendel omlaag en controleer nogmaals. DUE245 3. Trek de fuseereenheidhendels omhoog. DUE246 371
10. Problemen oplossen 4. Duw met beide handen het voorpaneel voorzichtig omhoog totdat deze sluit. DUE229 Druk, bij het sluiten van de voorklep, de bovenzijde van de klep stevig aan. Controleer of de foutmelding is verdwenen wanneer u het paneel heeft gesloten. Als papier in een lade vastloopt Als papier in lade 1 of lade 2 vastloopt, volg dan de onderstaande stappen om het papier te verwijderen. 1. Trek het voorpaneel open aan de hendel en laat het voorpaneel dan voorzichtig naar beneden zakken. 2 1 DUE227 372
Vastgelopen papier verwijderen 2. Trek vastgelopen papier er voorzichtig uit. DUE247 Raak de fuseereenheid niet aan. DUE243 Als het papier in de transfereenheid is vastgelopen, houdt u het papier met beide handen vast en trekt u het voorzichtig naar voren eruit. DUE248 373
10. Problemen oplossen 3. Duw met beide handen het voorpaneel voorzichtig omhoog totdat deze sluit. DUE229 Druk, bij het sluiten van de voorklep, de bovenzijde van de klep stevig aan. Controleer of de foutmelding is verdwenen wanneer u het paneel heeft gesloten. Trek de papierlade niet uit de printer (lade 1). Als het papier in lade 2 is vastgelopen, maar het is moeilijk dit te traceren, trekt u lade 2 eruit. Nadat het papier is verwijderd, plaatst u lade 2 voorzichtig terug in het apparaat. Als papier in de transfereenheid vastloopt Als papier in de transfereenheid vastloopt, volg dan de onderstaande stappen om het papier te verwijderen. 1. Trek het voorpaneel open aan de hendel en laat het voorpaneel dan voorzichtig naar beneden zakken. 2 1 DUE227 374
Vastgelopen papier verwijderen 2. Verwijder voorzichtig het papier dat is vastgelopen onder de transfereenheid. DUE249 Als u het vastgelopen papier niet kunt vinden, kijkt u in het apparaat. 3. Duw met beide handen het voorpaneel voorzichtig omhoog totdat deze sluit. DUE229 Druk, bij het sluiten van de voorklep, de bovenzijde van de klep stevig aan. Controleer of de foutmelding is verdwenen wanneer u het paneel heeft gesloten. Vastgelopen papier in de scanner verwijderen Zorg ervoor dat u de invoerlade niet aanraakt bij het optillen van de ADF, anders kan de lade beschadigd raken. Als er een papierstoring optreedt in de ADF, volg dan onderstaande procedure om het vastgelopen papier te verwijderen. 375
10. Problemen oplossen 1. Open het ADF-paneel. DUE250 2. Trek voorzichtig aan het vastgelopen papier om het te verwijderen. Verwijder het vastgelopen origineel niet met te veel kracht. DUE251 3. Sluit de ADF-klep en de afdekking van de ADF-invoerlade. DUE252 4. Til de ADF op en trek voorzichtig aan het vastgelopen papier om het te verwijderen. Let erop dat u de invoerlade niet vastpakt als u de ADF optilt. Dit kan de lade beschadigen. 376
Vastgelopen papier verwijderen DUE253 5. Sluit de ADF. 377
10. Problemen oplossen Wanneer u geen testpagina kunt afdrukken Mogelijke oorzaak De stroomkabel, een USB-kabel of een netwerkkabel zijn niet goed aangesloten. Mogelijk is de poortaansluiting niet op de juiste wijze tot stand gebracht. Oplossing Zorg dat de stroomkabel, USB-kabel en netwerkkabel goed zijn aangesloten. Controleer ook of ze niet beschadigd zijn. 1. Klik in het menu [Start] op [Apparaten en printers]. 2. Klik met de rechtermuisknop op het apparaatpictogram en klik vervolgens op [Printereigenschappen]. 3. Klik op het tabblad [Poorten] en zorg vervolgens dat de poort is ingesteld als USB- of netwerkprinter. 378
Problemen met papierinvoer Problemen met papierinvoer Als het apparaat werkt, maar het papier niet wordt doorgevoerd of papier loopt telkens vast, controleer dan het apparaat en het papier. Probleem Het papier wordt niet soepel doorgevoerd. Het papier loopt vaak vast. Er worden meerdere vellen papier tegelijkertijd doorgevoerd. Oplossing Gebruik ondersteunde papiertypen. Zie Pag. 68 "Ondersteund papier". Plaats het papier op de juiste wijze, waarbij u er voor zorgt dat de zij- of eindafzettingen van de papierlade, of de papiergeleiders van de handinvoerlade juist zijn ingesteld. Zie Pag. 52 "Papier plaatsen". Als het papier gekruld is, strijk het papier dan glad. Neem het papier uit de lade en waaier het uit. Draai het papier dan om en plaats het terug in de lade. Wanneer er ruimte is tussen het papier en de zij- of eindafzettingen van de papierlade, of de papiergeleiders van de handinvoerlade, stelt u de zij- of eindafzettingen van de papierlade, of de papiergeleiders van de handinvoerlade bij om de ruimte op te heffen. Druk niet op beide zijden van het papier af als u afbeeldingen afdrukt met grote effen vlakken met kleur, want deze vlakken verbruiken veel toner. Gebruik ondersteunde papiertypen. Zie Pag. 68 "Ondersteund papier". Plaats papier maximaal zo hoog als de bovenste limietmarketing op de zij-afzetting. Zorg ervoor dat de wrijvingsstrip en papierinvoerrol schoon zijn. Zie Pag. 342 "De wrijvingsstrip en papierinvoerroller reinigen". Waaier het papier los voordat u het plaatst. Zorg er ook voor dat de randen gelijk zijn door de stapel op een vlakke ondergrond zoals een bureau te tikken. Zorg ervoor dat de zij- of eindafzettingen zich in de juiste positie bevinden. Gebruik ondersteunde papiertypen. Zie Pag. 68 "Ondersteund papier". 379
10. Problemen oplossen Probleem Het papier krijgt plooien. Het afgedrukte papier is omgekruld. Afbeeldingen worden niet afgedrukt op de juiste positie. Oplossing Plaats papier maximaal zo hoog als de bovenste limietmarketing op de zij-afzetting.. Zorg ervoor dat de wrijvingsstrip en papierinvoerrol schoon zijn. Controleer of er geen papier is toegevoegd terwijl er nog papier in de lade zat. Voeg alleen papier toe als er niets meer over is in de lade. Het papier is vochtig. Gebruik papier dat op de juiste wijze is bewaard. Zie Pag. 68 "Ondersteund papier". Het papier is te dun. Zie Pag. 68 "Ondersteund papier". Wanneer er ruimte is tussen het papier en de zij- of eindafzettingen van de papierlade, of de papiergeleiders van de handinvoerlade, stelt u de zij- of eindafzettingen van de papierlade, of de papiergeleiders van de handinvoerlade bij om de ruimte op te heffen. Controleer of de linker- en rechterhendels van de fuseereenheid op de markering voor normaal papier staan. Plaats het papier omgekeerd in de papierlade. Als het papier een grote krul heeft, haal dan wat vaker de afdrukken van de uitvoerlade af. Het papier is vochtig. Gebruik papier dat op de juiste wijze is bewaard. Zie Pag. 68 "Ondersteund papier". Selecteer [Niv. 2: Med.] of [Niv. 3: Sterk] in [Antivochtigheidsniveau] onder [Systeeminstell.]. Let op dat als u [Niveau 2: Med.] of [Niveau 3: Sterk] selecteert, de eerste afdruk wat langer duurt dan de afdrukken erna. Stel de front- en eindafzetting en beide zij-afzettingen zo in de ze overeenkomen met het papierformaat. Zie Pag. 52 "Papier plaatsen". 380
Problemen met papierinvoer Probleem Oplossing DAC606 Afbeeldingen worden diagonaal ten opzichte van de pagina afgedrukt. Wanneer er ruimte is tussen het papier en de zij- of eindafzettingen van de papierlade, of de papiergeleiders van de handinvoerlade, stelt u de zij- of eindafzettingen van de papierlade, of de papiergeleiders van de handinvoerlade bij om de ruimte op te heffen. DAC572 381
10. Problemen oplossen Problemen met de afdrukkwaliteit De status van het apparaat controleren Als er een probleem is met de afdrukkwaliteit, controleer dan eerst de toestand van het apparaat. Mogelijke oorzaak Er is een probleem met de locatie van het apparaat. Er worden niet ondersteunde papiertypen gebruikt. De instelling voor het papiertype is onjuist. Er wordt een printcartridge gebruikt die niet authentiek is. Er wordt een oude printcartridge gebruikt. Het apparaat is vuil. De kleuren gaan achteruit. Oplossing Zorg ervoor dat het apparaat op een vlakke ondergrond staat. Plaats het apparaat waar het niet is blootgesteld aan trillingen of schokken. Zorg ervoor dat het papier dat gebruikt wordt, door het apparaat ondersteund wordt. Zie Pag. 68 "Ondersteund papier". Zorg dat de instelling voor het type papier van het printerstuurprogramma overeenkomt met het type papier dat is geplaatst. Zie Pag. 66 "Het papiertype en het papierformaat opgeven met behulp van het printerstuurprogramma". Hervulde of printcartridges van andere fabrikanten/merken verlagen de afdrukkwaliteit en kunnen voor defecten zorgen. Gebruik uitsluitend authentieke Ricoh printcartridges. Printcartridges dienen voor hun vervaldatum te worden geopend en dan binnen zes maanden gebruikt te worden. Zie Pag. 327 "Het apparaat onderhouden" en maak het apparaat schoon. Kleuren kunnen achteruit gaan bij het afdrukken in kleur nadat het apparaat is verplaatst of als er een groot aantal pagina's wordt afgedrukt. Pas in dit geval de kleurregistratie aan door [Kleurregistratie] in [Systeeminstellingen] uit te voeren. 382
Problemen met de afdrukkwaliteit De instellingen van het printerstuurprogramma controleren Probleem De afgedrukte afbeelding is bevlekt. Afbeeldingen vlekken als men er over wrijft. De toner hecht dus niet goed. De afgedrukte afbeelding verschilt van de afbeelding op het computerdisplay. Wanneer u afbeeldingen afdrukt, dan is de uitvoer anders dan op het scherm. Afbeeldingen worden afgebroken, of er worden overtollige pagina's afgedrukt. PCL 5c/6, GDI Oplossing Selecteer op het tabblad [Papier] van het printerstuurprogramma [Handinvoerlade] in de lijst "Invoerlade:". Selecteer in de lijst "Papiertype:" het juiste papiertype. PostScript 3 Selecteer op het tabblad [Papier/Kwaliteit] van het printerstuurprogramma [Handinvoer] in de lijst "Papierbron". Selecteer dan in de lijst "Media" het juiste papiertype. PCL 5c/6, GDI Selecteer op het tabblad [Papier] van het printerstuurprogramma een geschikt papiertype in de lijst "Papiertype:". PostScript 3 Selecteer op het tabblad [Papier/Kwaliteit] van het printerstuurprogramma een juist papiertype in de lijst "Media". Alleen wanneer PCL 5c/6 wordt gebruikt Selecteer op het tabblad [Afdrkwal.] van het printerstuurprogramma [Raster] in de lijst "Grafische modus". Om nauwkeurig te kunnen afdrukken, geeft u de instelling voor het printerstuurprogramma op zonder de grafische opdracht te gebruiken. Voor informatie over het instellen van het printerstuurprogramma, raadpleegt u de Help-functie. Gebruik hetzelfde papierformaat dat is geselecteerd in de applicatie. Als u geen papier van het juiste formaat kunt plaatsen, gebruikt u de verkleiningsfunctie om de afbeelding te verkleinen en drukt u deze vervolgens af. Voor meer informatie over de verkleiningsfunctie, zie de helpfunctie van het printerstuurprogramma. 383
10. Problemen oplossen Probleem Afgedrukte foto's zijn onscherp. Een ononderbroken lijn wordt afgedrukt als een lijn met schuine strepen of lijkt wazig. Dunne lijnen zijn wazig, niet overal even dik of verschijnen niet. Oplossing Gebruik de instellingen van de toepassing of van het printerstuurprogramma om een hogere resolutie op te geven. Voor meer informatie over de instellingen van het printerstuurprogramma, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. Wijzig de ditherinstellingen in het printerstuurprogramma. Voor meer informatie over de ditherinstellingen, zie de Helpfunctie van het printerstuurprogramma. Wijzig de ditherinstellingen in het printerstuurprogramma. Voor meer informatie over de ditherinstellingen, zie de Helpfunctie van het printerstuurprogramma. Als het probleem zich blijft voordoen, geeft u de instellingen van de applicatie op waarin de afbeelding gecreëerd is om de dikte van de lijnen te wijzigen. 384
Problemen met de printer Problemen met de printer In dit onderdeel worden afdrukproblemen en mogelijke oplossingen daarvoor beschreven. Als het afdrukken niet goed gaat Probleem Er treedt een fout op. Er wordt een afdruktaak geannuleerd. Oplossing Als een fout optreedt tijdens het afdrukken, wijzigt u de instellingen van de computer of het printerstuurprogramma. Controleer of het pictogram van de printernaam niet langer is dan 32 alfanumerieke tekens. Maak deze korter als dit het geval is. Controleer of andere applicaties actief zijn. Sluit alle andere applicaties, want die kunnen mogelijk een conflict veroorzaken met het afdrukken. Als het probleem niet is opgelost, sluit dan ook onnodige processen. Controleer of het nieuwste printerstuurprogramma wordt gebruikt. Afdrukken op Legal-papierformaat kan worden geannuleerd, als het afdrukken wordt uitgevoerd met een bepaalde instelling voor afdrukkwaliteit. Bij gebruik van het PCL- of GDI-printerstuurprogramma, stelt u [Gradatie:] in [Afdrkwal.] in op [Snelheid] of [Standaard]. Bij gebruik van het PostScript 3- printerstuurprogramma, stelt u [Afdrkwal.] in op [Standaard] of [Hoge kwaliteit]. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. Als [I/O time-out] onder [Systeeminstell.] is ingesteld op 15 seconden, maak dan de periode langer. Een afdruktaak kan worden geannuleerd als het afdrukken herhaaldelijk wordt gestoord door gegevens van andere poorten of als er gegevens worden afgedrukt die groot zijn en veel tijd nodig hebben om te worden verwerkt. Voor meer informatie, zie Pag. 249 "Systeeminstellingen". 385
10. Problemen oplossen Probleem Er wordt een beveiligd afdrukbestand geannuleerd. Er is een aanzienlijke vertraging tussen het moment waarop de printopdracht werd gestart/ verzonden en het daadwerkelijke afdrukken. Documenten worden niet goed afgedrukt bij het gebruik van een bepaalde toepassing, of de afbeeldingsgegevens worden niet goed afgedrukt. Bepaalde tekens worden vaag of helemaal niet afgedrukt. Oplossing Het apparaat heeft al 5 taken of 5 MB aan gegevens van beveiligde afdruktaken. Druk een bestaand beveiligd afdrukbestand af of verwijder dit. Voor meer informatie, zie Pag. 95 "Afdrukken van vertrouwelijke documenten". Zelfs als het apparaat geen beveiligde afdrukbestanden meer kan opslaan, bewaart het apparaat een beveiligd afdrukbestand voor de periode die is opgegeven in [Beveiligde afdruktaak] onder [Systeeminstellingen] voordat de taak wordt geannuleerd. In deze periode kunt u het nieuwe beveiligde afdrukbestand afdrukken of verwijderen. U kunt een bestaand beveiligd afdrukbestand ook afdrukken of verwijderen zodat het nieuwe beveiligde afdrukbestand op het apparaat kan worden opgeslagen. Voor meer informatie over [Beveiligde afdruk], zie Pag. 249 "Systeeminstellingen" Alleen wanneer PCL 5c/6 wordt gebruikt Het beveiligde afdrukbestand heeft te veel pagina's of is te groot. Verminder het aantal af te drukken pagina's of druk met een lagere instelling voor [Gradatie:] in [Afdrkwal.] af. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. De verwerkingstijd hangt af van het volume van de gegevens. Een hoog datavolume, zoals documenten met veel afbeeldingen, duurt langer om te verwerken. Om het afdrukken te versnellen, kunt u de afdrukresolutie verlagen via het printerstuurprogramma. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. Het apparaat is kleur aan het kalibreren. Wacht even. Wijzig de instellingen die effect hebben op de afdrukkwaliteit. 386
Problemen met de printer Probleem Het duurt te lang voordat het afdrukken is voltooid. De afdruk wijkt af van de afbeelding op het computerscherm. Afbeeldingen worden afgebroken, of er worden overtollige pagina's afgedrukt. Oplossing Foto's en pagina's die veel gegevens bevatten, nemen veel verwerkingstijd van de printer in beslag. Wacht daarom gewoon even af wanneer u dergelijke gegevens afdrukt. Het afdrukken wordt mogelijk versneld wanneer u de instellingen met behulp van het printerstuurprogramma wijzigt. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. De gegevens zijn zo groot of complex dat het een tijdje duurt voor ze zijn verwerkt. Als "Verwerken..." op het scherm wordt weergegeven, ontvangt het apparaat gegevens. Wacht even. Als ""Verwerken..."" op het scherm wordt weergegeven, ontvangt het apparaat gegevens. Wacht even. De printer is de kleurregistratie aan het aanpassen. Wacht even. Als u bepaalde functies gebruikt, zoals vergroting en verkleining, kan de uiteindelijke lay-out er anders uitzien dan op het computerscherm. Controleer of de instellingen voor de paginaopmaak juist zijn geconfigureerd in de applicatie. Zorg ervoor dat het geselecteerde papierformaat in het dialoogvenster printereigenschappen overeenkomt met het papierformaat van het geplaatste papier. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. Mogelijk gebruikt u papier dat kleiner is dan het formaat dat in de toepassing is geselecteerd. Gebruik hetzelfde papierformaat als dat u in de toepassing heeft geselecteerd. Als u geen papier van het juiste formaat kunt plaatsen, gebruikt u de verkleiningsfunctie om de afbeelding te verkleinen en drukt u deze vervolgens af. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. 387
10. Problemen oplossen Probleem De kleur van de afdruk wijkt af van de kleur op het computerscherm. De kleur verandert aanzienlijk wanneer u deze afstelt via het printerstuurprogramma. Kleurendocumenten worden afgedrukt in zwart-wit. Oplossing De kleuren die met kleurentoner gemaakt worden, kunnen afwijken van de kleuren die op het scherm worden weergegeven, door een verschil in methode van het herproduceren van kleuren. Alleen wanneer PCL 5c/6, GDI wordt gebruikt Kleurgradatie kan er anders uitzien wanneer Aan is geselecteerd voor [Economy Color] op het tabblad [Afdrkwal.] in het dialoogvenster van het printerstuurprogramma. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. Zet het apparaat uit en zet deze vervolgens weer aan. Als de kleur op de afdruk nog steeds anders lijkt, voer dan [Kleurregistratie] uit onder [Systeeminstellingen]. Voor meer informatie, zie Pag. 249 "Systeeminstellingen". Als het probleem nog steeds niet is opgelost, neemt u contact op met uw verkoop- of servicevertegenwoordiger. Alleen wanneer PCL 5c/6, GDI wordt gebruikt Maak de instellingen voor de kleurbalans onder het tabblad [Afdrkwal.] in het dialoogvenster van het printerstuurprogramma niet te extreem. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. Het printerstuurprogramma is niet geconfigureerd voor kleurenafdrukken. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. Bij sommige toepassingen worden kleurenbestanden in zwart-wit afgedrukt. 388
Problemen met de printer Als u niet duidelijk kunt afdrukken Probleem De gehele afdruk is vaag. De toner is poederig en laat los van het papier of de afgedrukte afbeelding ziet er dof uit. Er bevinden zich vegen toner op de afdrukzijde van de pagina. Oplossing Het papier dat gebruikt wordt, kan vochtig zijn. Gebruik papier dat op de juiste wijze is bewaard. Zie Pag. 68 "Ondersteund papier". Selecteer [Niv. 1: Zwak], [Niv. 2: Med.] of [Niv. 3: Sterk] in [Anti-vochtigheidsniveau] onder [Systeeminstellingen]. Let op dat als u [Niveau 2: Med.] of [Niveau 3: Sterk] selecteert, de eerste afdruk wat langer duurt dan de afdrukken erna. Als u [Toner besparen] onder [Systeeminstell.] inschakelt, is de afdrukkwaliteit meestal minder nauwkeurig. Als u [Aan] selecteert bij [Economy Color] op het tabblad [Afdrkwal.] (PCL-printerstuurprogramma of GDIprinterstuurprogramma ) of onder [Printereigenschappen] (PostScript 3-printerstuurprogramma), zullen de afdrukken een lagere dichtheid hebben. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. De printcartridge is bijna leeg. Als "Vervanging nodig: tonercartridge (X)" ("X" staat voor de kleur van de toner) wordt weergegeven op het scherm, vervang dan de aangegeven printercartridge. Er heeft zich wellicht condens gevormd. Indien er een snelle verandering in temperatuur of luchtvochtigheid optreedt, gebruik het apparaat dan pas nadat het apparaat is geacclimatiseerd. Controleer of de fuseereenheidhendels juist zijn ingesteld. Trek de fuseereenheidhendels omhoog. Mogelijk is de papierinstelling niet juist. Misschien drukt u bijvoorbeeld af op dik papier, maar heeft u niet de instelling voor dik papier ingesteld. Controleer de papierinstellingen van het printerstuurprogramma. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. 389
10. Problemen oplossen Probleem Er verschijnen witte lijnen. DAC607 Er verschijnen horizontale lijnen op het papier. De afdrukkleur is anders dan de opgegeven kleur. Afgedrukte foto's zijn onscherp. Er ontbreekt een kleur of een afgedrukte afbeelding is gedeeltelijk vervaagd. Oplossing Controleer of het papier niet is omgekruld of gebogen. Enveloppen krullen snel en gemakkelijk. Strijk het papier glad voor het plaatsen. Zie Pag. 52 "Papier plaatsen". De tussenliggende transferriem is vies. Volg de onderstaande procedure om de riem schoon te maken: 1. Open de bovenklep terwijl het apparaat aan is. 2. Verwijder alle printcartridges uit de printer. 3. Sluit het voorpaneel voorzichtig met beide handen. 4. Als het schoonmaken is voltooid, open dan de bovenklep en zet de printcartridges weer op hun plek terug. Als het probleem nog steeds niet is opgelost, neemt u contact op met uw verkoop- of servicevertegenwoordiger. Schokken of stoten kunnen ervoor zorgen dat er lijnen op afdrukken of kopieën ontstaan en andere storingen veroorzaken. Bescherm de printer te allen tijde tegen schokken of stoten, vooral wanneer het apparaat aan het afdrukken is. Indien er lijnen verschijnen op afdrukken, zet het apparaat dan uit, wacht een paar minuten en zet het apparaat vervolgens weer aan. Voer daarna de afdruktaak opnieuw uit. Als een specifieke kleur ontbreekt, zet u het apparaat uit en daarna weer aan. Als het probleem nog steeds niet is opgelost, neemt u contact op met uw verkoop- of servicevertegenwoordiger. In sommige toepassingen moet de resolutie worden verlaagd bij afdrukken. Het papier dat gebruikt wordt, kan vochtig zijn. Gebruik papier dat op de juiste wijze is bewaard. Zie Pag. 52 "Papier plaatsen". De toner is bijna op. Als het volgende bericht op het bedieningspaneel verschijnt, vervang dan de 390
Problemen met de printer Probleem Er treedt kleurverschuiving op. Er verschijnen witte stippen. Kleurloze stippen verschijnen in afdrukken met effen kleuren. Er verschijnen witte of gekleurde strepen. De achterzijde van afdrukken is bevlekt. Oplossing printcartridge: "Vervanging nodig: tonercartridge (X)". ("X" staat voor de kleur van de toner) Zie Pag. 327 "De printcartridge vervangen". Er heeft zich wellicht condens gevormd. Indien er een snelle verandering in temperatuur of luchtvochtigheid optreedt, gebruik de printer dan pas nadat u deze heeft kunnen acclimatiseren. Voer de [Kleurregistratie] uit onder [Systeeminstellingen]. Voor meer informatie, zie Pag. 249 "Systeeminstellingen". De naastliggende registratierol of papierlade kan vuil worden van papierstof als er ander papier dan standaard papier wordt gebruikt. Veeg al het papierstof van zowel de papierlade als de registratierol. Zie Pag. 345 "De registratierol en papierlade schoonmaken". Verander de papiersoort die op dit moment geselecteerd is in de instellingen voor Papiersoort en druk daarna af. Wijzig bijvoorbeeld [Gerecycled pap.] in [Dun papier] naar [Normaal papier]. Zie Pag. 61 "Het papiertype en papierformaat opgeven via het bedieningspaneel". De toner is bijna op. Als er een foutmelding verschijnt op het bedieningspaneel, vervangt u de printercartridge van de aangegeven kleur. Zie Pag. 327 "De printcartridge vervangen". Wanneer u een vel verwijdert dat is vastgelopen, kan de binnenkant van de printer vuil zijn geraakt. Druk verschillende vellen af totdat ze schoon worden afgedrukt. Als het documentformaat het papierformaat overschrijdt, bijvoorbeeld in het geval van A4-afdrukken op B5- papier, kan de achterzijde van het daaropvolgende afgedrukte vel vlekken hebben. 391
10. Problemen oplossen Probleem Zwarte gradatie is niet natuurlijk. Volle lijnen worden afgedrukt als stippellijnen. Een fijn dot-patroon kan niet worden afgedrukt. Effen vlakken, lijnen of tekst glimmen of glanzen als ze afgedrukt worden met een mengsel van cyaan, magenta en geel. Er verschijnen spikkels op effen zwarte vlakken. Wanneer u er met uw vinger over wrijft, smeert u de afgedrukte toner uit. Oplossing Alleen wanneer PostScript 3 wordt gebruikt Selecteer [CMY + K] voor [Grijsreproductie] in het dialoogvenster van het printerstuurprogramma. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. Alleen wanneer PostScript 3 wordt gebruikt Wijzig de instelling [Dithering] in het dialoogvenster van het printerstuurprogramma. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. Alleen wanneer PostScript 3 wordt gebruikt Wijzig de instelling [Dithering] in het dialoogvenster van het printerstuurprogramma. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. Alleen wanneer PostScript 3 wordt gebruikt Selecteer [K (zwart)] voor [Grijsreproductie] in het dialoogvenster van het printerstuurprogramma. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. Alleen wanneer PostScript 3 wordt gebruikt Selecteer [CMY + K] voor [Grijsreproductie] in het dialoogvenster van het printerstuurprogramma. Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. Mogelijk zijn de papierinstellingen niet juist ingesteld. Het kan zijn dat er bijvoorbeeld op dik papier wordt afgedrukt, maar dat de instelling voor dik papier niet is opgegeven. Controleer de papierinstellingen van de printer. Zie Pag. 52 "Papier plaatsen". Controleer de papierinstellingen van het printerstuurprogramma. 392
Problemen met de printer Probleem Oplossing Voor meer informatie, zie de Help-functie van het printerstuurprogramma. Wanneer papier niet op de juiste manier wordt ingevoerd of uitgeworpen Probleem Afdrukken vallen achter het apparaat wanneer deze worden uitgevoerd. Afdrukken worden niet correct gestapeld. Het afgedrukte papier is omgekruld. Afgedrukte enveloppen komen gekreukeld uit het apparaat. Oplossing Haal de betreffende papierstopper omhoog (voorste wand voor A4/Letter, achterste wand voor afdrukken van Legalformaat). Zie Pag. 17 "Overzicht van alle apparaatonderdelen". Het papier dat gebruikt wordt, kan vochtig zijn. Gebruik papier dat op de juiste wijze is bewaard. Zie Pag. 68 "Ondersteund papier". Selecteer [Niv. 2: Med.] of [Niv. 3: Sterk] in [Antivochtigheidsniveau] onder [Systeeminstell.]. Let op dat als u [Niveau 2: Med.] of [Niveau 3: Sterk] selecteert, de eerste afdruk wat langer duurt dan de afdrukken erna. Haal de betreffende papierstopper omhoog (voorste wand voor A4/Letter, achterste wand voor afdrukken van Legal-formaat). Zie Pag. 17 "Overzicht van alle apparaatonderdelen". Plaats het papier omgekeerd in de papierlade. Als het papier een grote krul heeft, haal dan wat vaker de afdrukken van de uitvoerlade af. Het papier dat gebruikt wordt, kan vochtig zijn. Gebruik papier dat op de juiste wijze is bewaard. Selecteer [Niv. 1: Zwak], [Niv. 2: Med.] of [Niv. 3: Sterk] in [Anti-vochtigheidsniveau] onder [Systeeminstellingen]. Let op dat als u [Niveau 2: Med.] of [Niveau 3: Sterk] selecteert, de eerste afdruk wat langer duurt dan de afdrukken erna. Als u [Toner besparen] onder [Systeeminstell.] inschakelt, is de afdrukkwaliteit meestal minder nauwkeurig. Controleer of de fuseereenheidhendels juist zijn ingesteld. Laat de hendels van de fuseereenheid zakken. 393
10. Problemen oplossen Overige afdrukproblemen Probleem De toner is op en het afdrukken is gestopt. Oplossing Als de melding "Doorgaan met afdrukken?" wordt weergegeven op het bedieningspaneel, dan kunt u door op [Ja] te drukken nog een paar pagina's afdrukken, maar de afdrukkwaliteit van die pagina's kan minder zijn. 394
Kopieerproblemen Kopieerproblemen Als u geen duidelijke kopieën kunt maken Probleem De afgedrukte kopie is blanco. Het verkeerde origineel is gekopieerd. Gekopieerde pagina's zien er anders uit dan de originelen. Er verschijnen zwarte vlekken als er een fotografische afdruk wordt gekopieerd. Er wordt een moiré-patroon geproduceerd. De afgedrukte kopie is vies. Oplossing Het origineel is niet correct geplaatst. Wanneer u de glasplaat gebruikt, plaats het origineel dan met de gekopieerde zijde naar beneden. Wanneer u de ADF gebruikt, plaats originelen dan met de gekopieerde zijde naar boven. Zie Pag. 82 "Originelen plaatsen". Als u vanaf de glasplaat kopieert, zorg er dan voor dat er geen originelen in de ADF liggen. Selecteer de juiste scanmodus aan de hand van het origineeltype. Zie Pag. 128 "Scaninstellingen opgeven voor het kopiëren" Originelen kunnen vastkleven aan de glasplaat door een hoge vochtigheid. Plaats het origineel op de glasplaat en leg er dan twee of drie vellen wit papier bovenop. Laat de ADF tijdens het kopiëren open staan. Het origineel heeft waarschijnlijk gebieden met veel lijnen of stippen. Als u de instelling voor afdrukkwaliteit op [Foto] of [Telst/Foto] instelt, kan dit het probleem oplossen. Zie Pag. 178 "Scaninstellingen opgeven voor het scannen". De beeldbelichting is te hoog. Pas de belichting aan. Zie Pag. 178 "Scaninstellingen opgeven voor het scannen". De toner op het afgedrukte oppervlak is nog niet droog. Raak afgedrukte oppervlakken niet aan als er net gekopieerd is. Verwijder net afgedrukte vellen één voor één en zorg er daarbij voor dat u de afgedrukte gebieden niet aanraakt. De glasplaat of ADF is vies. Zie Pag. 327 "Het apparaat onderhouden". 395
10. Problemen oplossen Probleem Als er vanaf de glasplaat wordt gekopieerd, is het afdrukgebied van de kopie niet zo uitgelijnd als het origineel. Oplossing Voordat u originelen op de glasplaat legt, moet de toner of correctievloeistof droog te zijn. Plaats de originele kopie met de bovenkant naar beneden, zorg ervoor dat de kopie is uitgelijnd in de linker achterhoek en dat de kopie vlak op de glasplaat ligt. Wanneer u geen kopieën kunt maken zoals gewenst Probleem Gekopieerde pagina's bevinden zich niet in de juiste volgorde. De gekopieerde pagina's zijn te donker of te licht. Kan geen kopieën maken met de goede kleuren. Oplossing Wijzig op het bedieningspaneel de instelling [Sorteren] onder Kopieerinstellingen om de pagina's te sorteren zoals u dat wenst. Voor meer informatie over [Sorteren], zie Pag. 233 "Instellingen voor kopieereigenschappen". Pas de belichting aan. Zie Pag. 178 "Scaninstellingen opgeven voor het scannen". Pas de kleur aan in [Kleur aanpassen] in Kopieereigenschappen. U kunt de intensiteit van rood, groen en blauw aanpassen. Zie Pag. 233 "Instellingen voor kopieereigenschappen". 396
Scanproblemen Scanproblemen Wanneer u niet in het netwerk kunt bladeren om een gescand bestand te verzenden Probleem De volgende apparaatinstellingen zijn wellicht niet correct: IP-adres Subnetmasker Oplossing Controleer de instellingen. Zie Pag. 307 "De netwerkinstellingen configureren". Wanneer het scannen niet naar wens verloopt Probleem Het apparaat begint niet met scannen. De gescande afbeelding is vuil. De gescande afbeelding is vervormd of verplaatst. De gescande afbeelding is ondersteboven. De gescande afbeelding is blanco. De gescande afbeelding is te donker of te licht. Oplossing De ADF of de ADF-klep staat open. Sluit de ADF of ADF-klep. De glasplaat of ADF is vies. Zie Pag. 327 "Het apparaat onderhouden". Voordat u originelen op de glasplaat legt, moet de toner of correctievloeistof droog te zijn. Het origineel is verplaatst tijdens het scannen. Verplaats het origineel niet tijdens het scannen. Het origineel is ondersteboven geplaatst. Plaats het origineel in de juiste richting. Zie Pag. 82 "Originelen plaatsen". Het origineel is achterstevoren geplaatst. Wanneer u de glasplaat gebruikt, plaats het origineel dan met de gekopieerde zijde naar beneden. Wanneer u de ADF gebruikt, plaats de originelen dan met de gekopieerde zijde naar boven. Zie Pag. 82 "Originelen plaatsen". Pas de belichting aan. Zie Pag. 178 "Scaninstellingen opgeven voor het scannen". 397
10. Problemen oplossen Probleem De functies Scannen naar E-mail, Scannen naar FTP of Scannen naar Map werkt niet. Oplossing Controleer of er een USB-geheugenkaart in het apparaat is gestoken. Als er een USB-geheugenkaart is aangesloten, zijn er geen scanfuncties mogelijk vanaf het bedieningspaneel behalve Scannen naar USB. 398
Faxproblemen Faxproblemen Wanneer u geen faxberichten naar wens kunt verzenden of ontvangen Verzending Probleem Oorzaken Oplossing Kan geen bestanden verzenden. Document verschijnt blanco aan de andere kant. Afgedrukte of verzonden afbeeldingen zijn vlekkerig. Ontvangst is mogelijk, maar verzending niet. Verzending is mislukt door fout "maximale e- mailgrootte". De telefoonlijn kan afgesloten zijn. Het apparaat kan geen nieuwe faxtaak accepteren, omdat er al 5 faxen in het geheugen staan die nog niet zijn verzonden. Het origineel is ondersteboven geplaatst. De glasplaat, het scanglas, de glasplaatklep of de geleiderplaat van de ADF is vies. Er zijn regio's en telefooncentrales waar een kiestoon niet kan worden waargenomen. Als het e-mailformaat dat op het apparaat is opgegeven, te groot is, dan kan het inernetfaxdocument niet worden verzonden. Controleer of de telefoonkabel correct op het apparaat is aangesloten. Voor meer informatie, zie de Installatiehandleiding. Wacht tot één van die faxen volledig is verstuurd of gebruik de functie [Standby verz.best verw.] om onnodige faxen te verwijderen. Voor meer informatie, zie Pag. 239 "Instellingen van faxeigenschappen". Het origineel is ondersteboven geplaatst. Plaats het origineel in de juiste richting. Zie Pag. 82 "Originelen plaatsen". Maak deze schoon. Voor meer informatie over het schoonmaken van het apparaat, zie Pag. 349 "De glasplaat reinigen". Zorg ervoor dat de inkt of de correctievloeistof droog is voordat u originelen plaatst. Neem contact op met uw verkoopvertegenwoordiger. Wijzig de instelling voor [Max. E-mail form.] in [Scaninstellingen]. Voor meer informatie over het maximale e- mailformaat, zie Pag. 237 "Instellingen scannereigenschappen". 399
10. Problemen oplossen Probleem Oorzaken Oplossing Wanneer u direct kiezen of handmatig kiezen gebruikt, dan verschijnt "Ontvangen..." en is verzending niet toegestaan. LAN-faxstuurprogramma werkt niet. Als het apparaat het formaat van het origineel niet kan waarnemen als u op de toets [Zwart-wit starten] heeft gedrukt, dan is het bezig met een ontvangstbewerking. De ingevoerde log-in gebruikersnaam, het log-in wachtwoord of de coderingssleutel voor het stuurprogramma is onjuist. Druk op [Scanformaat] onder [Scaninstellingen], selecteer het scanformaat en verzend het document opnieuw. Controleer uw log-in gebruikersnaam, het log-in wachtwoord of de coderingssleutel voor het stuurprogramma en voer deze juist in. Neem, voor meer informatie over deze functie, contact op met uw beheerder. Ontvangst Probleem Oorzaken Oplossing Kan geen bestanden ontvangen. Het lampje Bestand ontvangen gaat aan en het ontvangen document wordt niet afgedrukt. Het apparaat drukt ontvangen faxdocumenten niet af. De telefoonlijn kan afgesloten zijn. Het apparaat kan niet afdrukken, want het papier of de toner is op. [Faxeigenschappen] is geconfigureerd om ontvangen documenten op te slaan. Controleer of de telefoonkabel correct op het apparaat is aangesloten. Voor meer informatie, zie de Installatiehandleiding. Plaats papier in de lade. Vervang de tonercartridge. De papierlade bevat geen papier van het juiste formaat. Plaats papier met het juiste formaat in de papierlade. Druk de faxdocumenten af met een internetbrowser of de functie 'Opgeslagen ontvangstbestand afdrukken'. Voor meer informatie over het afdrukken van ontvangen faxen die zijn opgeslagen in het geheugen, zie Pag. 225 "Faxen die zijn opgeslagen in het geheugen afdrukken" en Pag. 294 "Tabblad Fax". 400
Faxproblemen Probleem Oorzaken Oplossing Het apparaat was niet in staat om ontvangen faxdocumenten af te drukken. Het papier is op. Plaats papier in de lade. Afdrukken Probleem Oorzaken Oplossing De afdruk is scheef. Er treden geregeld papierstoringen op. Afgedrukte kopieën zitten aan elkaar, wat leidt tot een papierstoring. Het papier is scheef ingevoerd. Het maximaal aantal vellen dat in de papierlade zit, overschrijdt de maximale capaciteit van de lade. De zijafscheiding van de papierlade is te strak ingesteld. Het papier is te dik of te dun. Er wordt bedrukt papier gebruikt. Vellen kleven aan elkaar. Vellen kleven aan elkaar. Plaats het papier op de juiste wijze. Voor meer informatie over het plaatsen van papier, zie Pag. 52 "Papier plaatsen". Plaats papier niet hoger dan de bovenste limietmarketing binnenin de papierlade. Knijp de afscheiding enigszins in en pas de positie aan. Gebruik het aanbevolen papier. Voor meer informatie over aanbevolen papier, zie Pag. 68 "Ondersteund papier". Plaats geen vellen die reeds gekopieerd of bedrukt zijn. Waaier de vellen grondig voordat u ze plaatst. Helpt dit niet, kijk dan of het lukt wanneer u de vellen één voor één invoert. Waaier de vellen grondig voordat u ze plaatst. Helpt dit niet, kijk dan of het lukt wanneer u de vellen één voor één invoert. 401
10. Problemen oplossen Probleem Oorzaken Oplossing Kopieerpapier raakt gekreukeld. Randen van de vellen zijn besmeurd. Er verschijnen zwarte lijnen op de afdruk die op de bestemming wordt gemaakt. De achtergrond van ontvangen afbeeldingen is vies. De afbeeldingen op de achterkant van de pagina verschijnen op de kopie. De ontvangen afbeelding is te licht. Er wordt bedrukt papier gebruikt. Het papier is te dun. U gebruikt papier dat niet wordt aanbevolen. De glasplaat, het scanglas, de glasplaatklep of de geleiderplaat van de ADF is vies. De beeldbelichting is te hoog. Wanneer u vochtig, ruw of bewerkt papier gebruikt, kunnen sommige afdrukgebieden niet volledig worden geproduceerd. De beeldbelichting is te laag ingesteld. Het origineel van de verzonden fax is afgedrukt op te dun papier. Plaats geen vellen die reeds gekopieerd of bedrukt zijn. Gebruik het aanbevolen papier. Voor meer informatie over aanbevolen papier, zie Pag. 68 "Ondersteund papier". Gebruik het aanbevolen papier. Voor meer informatie over aanbevolen papier, zie Pag. 68 "Ondersteund papier". Maak de onderdelen schoon. Voor meer informatie over het schoonmaken van het apparaat, zie Pag. 349 "De glasplaat reinigen". Pas de belichting aan. Zie Pag. 178 "Scaninstellingen opgeven voor het scannen". Gebruik het aanbevolen papier. Voor meer informatie over aanbevolen papier, zie Pag. 68 "Ondersteund papier". Verhoog de afbeeldingsbelichting. Voor meer informatie over het wijzigen van de belichting, zie Pag. 128 "Instelling van de afbeeldingsdichtheid". Vraag de afzender om het origineel op dikker papier af te drukken en het opnieuw te faxen. 402
Faxproblemen Wanneer er een fout via een rapport of e-mail wordt gemeld Wanneer er een rapport op het apparaat wordt afgedrukt Foutrapport Er wordt een Foutenrapport afgedrukt als een document niet succesvol kan worden verzonden of ontvangen. Mogelijke oorzaken zijn o.a. een probleem met het apparaat of ruis op de telefoonlijn. Als er een fout optreedt tijdens verzending, verzend het origineel dan opnieuw. Vraag aan de afzender om het document opnieuw te versturen wanneer er een fout plaatsvindt tijdens het ontvangen. Als een fout regelmatig voorkomt, neem dan contact op met uw leverancier. De kolom "Pagina" geeft het totaal aantal pagina's weer. Stroomstoringsrapport Net na een stroomstoring moet de interne batterij voldoende worden opgeladen om te voorkomen dat in de toekomst gegevens verloren gaan. Houd tot circa 24 uur na de stroomstoring de stekker van het apparaat in het stopcontact, met de stroom ingeschakeld. Zelfs als de stroom uit staat, zal de inhoud van het geheugen van het apparaat (bijv. geprogrammeerde nummers) niet verloren gaan. Dit zijn onder andere faxdocumenten die zijn opgeslagen in het geheugen met Geheugenverzending of -ontvangst. Als er een bestand is gewist uit het geheugen, dan wordt er automatisch een Stroomstoringsprapport afgedrukt zodra de stroom weer wordt hersteld. Dit rapport kan worden gebruikt om verloren bestanden te identificeren. Als een document dat is opgeslagen voor Geheugenverzending verloren is gegaan, stuur deze dan nogmaals. Als een document ontvangen door Geheugenontvangst verloren is gegaan, vraag de afzender dan om het opnieuw te versturen. Foutenrapport (e-mail) Het Foutenrapport (e-mail) wordt afgedrukt door het apparaat als het niet in staat is om een foutmelding per e-mail te verzenden. Voor meer informatie over e-mailmeldingen van fouten, zie Pag. 404 "Als een foutmelding per e- mail ontvangen wordt". Verzendfoutrapport Het Verzendfoutrapport wordt afgedrukt door het apparaat als het niet in staat is om een foutmelding per e-mail te verzenden. Voor meer informatie over e-mailmeldingen van verzendfouten, zie Pag. 404 "Als een foutmelding per e-mail ontvangen wordt". 403
10. Problemen oplossen Als een foutmelding per e-mail ontvangen wordt Foutmelding e-mail Het apparaat verzendt een e-mail aan de afzender als het niet in staat is om een bepaald e- mailbericht via de internetfaxfunctie succesvol te ontvangen. Een "cc" van deze melding wordt ook naar het e-mailadres van de beheerder gestuurd als het adres is gespecificeerd. Als een inkomende internetfax van een andere partij de SMTP-server overslaat, wordt er geen foutmailberichtgeving verstuurd aan de afzender; ook niet als ontvangst niet succesvol is. U kunt ervoor kiezen de e-mailfoutmelding te verzenden via Web Image Monitor. Voor meer informatie, zie Pag. 307 "De netwerkinstellingen configureren". Als er geen bezorgingsfout per e-mail kan worden verzonden, dan wordt de bezorgingsfout (e-mail) door het apparaat afgedrukt. Als er een fout optreedt terwijl een e-mail via SMTP wordt ontvangen, dan verstuurt de SMTPserver een bezorgingfout per e-mail naar degene van wie het document afkomstig is. Bezorgingsfouten van de server via e-mail De verzendende server verzendt deze bezorgingsfout per mail naar degene van wie het e- mailbericht afkomstig is dat niet succesvol kan worden verzonden (vanwege redenen zoals het opgeven van een onjuist e-mailadres). Als een internetfaxverzending de SMTP-server overslaat, zelfs als verzending niet succesvol is, dan zal de server geen foutbericht sturen. Na het afdrukken van een bezorgingsfout die door de server is verstuurd, wordt de eerste pagina van het verzonden document afgedrukt. Melding van verzendfout per mail versturen Als een e-mail niet kan worden verzonden wegens een verzendfout, stuurt het apparaat een foutmelding per e-mail naar de afzender. Als een e-mail niet kan worden verzonden met de doorstuurfunctie, wordt de foutmelding per e-mail verzonden naar het betreffende bezorgingsadres. Als er ook een door de gebruiker geregistreerd e-mailadres of een e-mailadres van de beheerder is, wordt de foutmelding per e-mail naar dat adres verzonden. Als er geen foutmelding per e-mail kan worden verzonden, dan wordt er een Verzendfoutrapport door het apparaat afgedrukt. Foutcode De tabel hieronder geeft de betekenis van de foutcodes aan die onder "Resultaten" op het Faxjournaal of het verzendstatusrapport kunnen worden weergegeven, en wat u kunt doen als er een bepaalde foutcode wordt weergegeven. 404
Faxproblemen "X" geeft een nummer aan in een foutcode dat afwijkend wordt weergegeven afhankelijk van de situatie. Foutcode Oplossing 1XXX11 1XXX21 1XXX22 tot en met 1XXX23 1XXX32 tot en met 1XXX84 Er is een origineel in de ADF vastgelopen tijdens het versturen van een fax in de modus Directe verzending. Verwijder vastgelopen originelen en plaats ze opnieuw. Zie Pag. 379 "Problemen met papierinvoer". Controleer of de originelen geschikt zijn om te worden gescand. Zie Pag. 82 "Originelen plaatsen". De verbinding kon niet tot stand worden gebracht. Controleer of de telefoonkabel correct op het apparaat is aangesloten. Trek de telefoonkabel uit het apparaat en sluit de kabel op de telefoon aan. Controleer of u met de telefoon wel kunt bellen. Als u op deze manier niet kunt bellen, neem dan contact op met uw telefoonmaatschappij. Blijft het probleem aanhouden, neem dan contact op met uw verkoop- of servicevertegenwoordiger. Het draaien van een nummer mislukt bij het versturen van faxen. Controleer of het faxnummer dat u draaide juist is. Controleer of de bestemming een faxapparaat is. Controleer of de lijn bezet is of niet. Misschien moet u een pauze tussen gekozen nummers invoegen. Druk op [Opnieuw kiezen] na bijvoorbeeld het netnummer. Controleer of [PSTN / PBX] onder [Beheerderstoepassingen] juist is ingesteld voor uw verbindingsmethode op het telefoonnetwerk. Zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Er is een fout opgetreden tijdens het versturen van een fax. Controleer of de telefoonkabel correct op het apparaat is aangesloten. Trek de telefoonkabel uit het apparaat en sluit de kabel op de telefoon aan. Controleer of u met de telefoon wel 405
10. Problemen oplossen Foutcode Oplossing kunt bellen. Als u op deze manier niet kunt bellen, neem dan contact op met uw telefoonmaatschappij. Blijft het probleem aanhouden, neem dan contact op met uw verkoop- of servicevertegenwoordiger. 2XXX14 2XXX32 t/m 2XXX84 Het apparaat kan de ontvangen fax niet afdrukken of het geheugen van het apparaat heeft de maximale capaciteit bereikt tijdens het ontvangen van een fax, omdat het document te groot was. De papierlade was leeg. Plaats papier in de papierlade. Zie Pag. 52 "Papier plaatsen". De lade die is ingesteld voor [Selecteer papierlade] onder [Faxeigenschappen] bevatte geen papier van A4-, Letter- of Legal-formaat. Plaats papier van het juiste formaat in de lade en configureer de instellingen voor het papierformaat onder [Papierinstellingen]. Een paneel of lade stond open. Sluit het paneel of de lade. Er was een papierstoring. Verwijder het vastgelopen papier. Zie Pag. 366 "Vastgelopen papier verwijderen". Een van de printcartridges is leeg. Vervang de inktcartridge. Zie Pag. 327 "De printcartridge vervangen". De ontvangen fax was te groot. Vraag de afzender om het document opnieuw te sturen, maar nu in delen als een aantal kleinere faxen of als document met een lagere resolutie. Er is een fout opgetreden tijdens het ontvangen van een fax. Controleer of de telefoonkabel correct op het apparaat is aangesloten. Trek de telefoonkabel uit het apparaat en sluit de kabel op de telefoon aan. Controleer of u met de telefoon wel kunt bellen. Als u op deze manier niet kunt bellen, neem dan contact op met uw telefoonmaatschappij. Blijft het probleem aanhouden, neem dan contact op met uw verkoop- of servicevertegenwoordiger. 406
Faxproblemen Foutcode Oplossing 3XXX11 3XXX12 3XXX13 3XXX14 3XXX33 De verbinding met de server is mislukt tijdens het versturen van een internetfax. Controleer of de netwerkkabel correct op het apparaat is aangesloten. Controleer of de netwerkinstellingen zoals IP-adres, DNS en SMTP-instellingen juist zijn geconfigureerd (zorg ervoor dat er geen tekens met dubbele bytes worden gebruikt). Zie Pag. 307 "De netwerkinstellingen configureren". Het versturen van een e-mail is mislukt tijdens het versturen van een internetfax. Er staat een fout in de koptekst van de e-mail. Controleer of de netwerkinstellingen zoals IP-adres, DNS en SMTPinstellingen juist zijn geconfigureerd (zorg ervoor dat er geen tekens met dubbele bytes worden gebruikt). Zie Pag. 307 "De netwerkinstellingen configureren". Het versturen van een e-mail is mislukt tijdens het versturen van een internetfax. Er staat een fout in de koptekst van de e-mail. Controleer of de netwerkinstellingen zoals IP-adres, DNS en SMTPinstellingen juist zijn geconfigureerd (zorg ervoor dat er geen tekens met dubbele bytes worden gebruikt). Zie Pag. 307 "De netwerkinstellingen configureren". Het versturen van een e-mail is mislukt tijdens het versturen van een internetfax. Er bevond zich een fout in het geconverteerde TIFFbestand. Controleer of de netwerkinstellingen zoals IPadres, DNS en SMTP-instellingen juist zijn geconfigureerd (zorg ervoor dat er geen tekens met dubbele bytes worden gebruikt). Zie Pag. 307 "De netwerkinstellingen configureren". Het geheugen van het apparaat bereikte de maximale capaciteit tijdens het versturen van een internetfax. De fax was te groot. Stuur het document opnieuw, maar nu in delen als een aantal kleinere faxen of als document met een lagere resolutie. 407
10. Problemen oplossen Foutcode Oplossing 4XXX21 4XXX22 4XXX23 4XXX24 4XXX25 4XXX26 De verbinding met de server is mislukt tijdens het ontvangen van een internetfax. Controleer of de netwerkkabel correct op het apparaat is aangesloten. Controleer of de netwerkinstellingen zoals IP-adres, DNS en POP3-instellingen juist zijn geconfigureerd (zorg ervoor dat er geen tekens met dubbele bytes worden gebruikt). Zie Pag. 307 "De netwerkinstellingen configureren". Het ontvangen van een e-mail is mislukt tijdens het ontvangen van een internetfax. De opdracht LIST voor de POP3-server is mislukt. Vraag de afzender om de e-mailinstellingen te controleren. Het ontvangen van een e-mail is mislukt tijdens het ontvangen van een internetfax. Er staat een fout in de koptekst van de e-mail. Vraag de afzender om de e-mailinstellingen te controleren. Het ontvangen van een e-mail is mislukt tijdens het ontvangen van een internetfax. Er staat een fout in de koptekst van de e-mail. Vraag de afzender om de e-mailinstellingen te controleren. De e-mail had een ongeldig contenttype of er werd een bestandtype ontvangen dat niet wordt ondersteund (zoals PDF of JPEG). Vraag de afzender om het bestandstype te controleren. Het ontvangen van een e-mail is mislukt tijdens het ontvangen van een internetfax. Er staat een fout in het tekstgedeelte van de e-mail. Vraag de afzender om de e-mailinstellingen te controleren. Het ontvangen van een e-mail is mislukt tijdens het ontvangen van een internetfax. Er bevond zich een fout in het ontvangen TIFF-bestand (als gevolg van een situatie die niet wordt aangegeven 408
Faxproblemen Foutcode Oplossing door de foutcodes 4XXX43 t/m 4XXX45). Vraag de afzender om het TIFF-bestand te controleren. 4XXX42 4XXX43 4XXX44 4XXX45 4XXX46 Het ontvangen van een e-mail is mislukt tijdens het ontvangen van een internetfax. Er staat een fout in de koptekst van de e-mail. Vraag de afzender om de e-mailinstellingen te controleren. Een TIFF-bestand kon niet juist via internetfax worden ontvangen. De comprimeermethode van het ontvangen TIFF-bestand was geen MH/MR/MMR. Vraag de afzender om het TIFF-bestand te controleren. Een TIFF-bestand kon niet juist via internetfax worden ontvangen. De resolutie van het TIFF-bestand werd niet ondersteund of de breedte van het TIFF-bestand was A3 of B4. Vraag de afzender om het TIFF-bestand te controleren. Een TIFF-bestand kon niet juist via internetfax worden ontvangen. De indeling van het TIFF-bestand was geen TIFF-S/F. Vraag de afzender om het TIFF-bestand te controleren. Het geheugen van het apparaat bereikte de maximale capaciteit tijdens het ontvangen van een internetfax. De fax was te groot. Vraag de afzender om het document opnieuw te sturen, maar nu in delen als een aantal kleinere faxen of als document met een lagere resolutie. 409
10. Problemen oplossen Veelvoorkomende problemen In dit onderdeel wordt beschreven hoe u algemene problemen kunt oplossen die kunnen optreden bij de bediening van dit apparaat. Probleem Mogelijke oorzaak Oplossing Het apparaat kan niet worden aangezet. Er wordt een foutmelding op het scherm van het apparaat weergegeven. Pagina's worden niet afgedrukt. Pagina's worden niet afgedrukt. Het apparaat maakt een vreemd geluid. Het volume van de geluiden van het apparaat staat te luid. Het volume van de geluiden van het apparaat staat te laag. De stroomkabel is niet op de juiste wijze aangesloten. Er is een fout opgetreden. Het apparaat is bezig met opwarmen of ontvangt gegevens. De interfacekabel is niet correct aangesloten. De verbruiksartikelen zijn niet goed geplaatst. Het volume staat ingesteld op 'hoog'. Het volume staat ingesteld op uit of 'laag'. Zorg dat de stekker goed in het stopcontact is bevestigd. Controleer of het stopcontact functioneert door er een ander werkend apparaat op aan te sluiten. Zie Pag. 355 "Fout- en statusmeldingen op het scherm". Wacht tot "Afdrukken..." op het scherm wordt weergegeven. Als "Verwerken..." op het scherm wordt weergegeven, ontvangt het apparaat gegevens. Haal de kabel los en sluit deze opnieuw aan. Controleer of de interfacekabel van het juiste type is. Controleer of de verbruiksartikelen op de juiste wijze zijn geïnstalleerd. Pas het volume van de piepjes, oproepen, luidsprekergeluiden en alarmgeluiden aan. Voor meer informatie, zie Pag. 249 "Systeeminstellingen". Pas het volume van de piepjes, oproepen, luidsprekergeluiden 410
Veelvoorkomende problemen Probleem Mogelijke oorzaak Oplossing en alarmgeluiden aan. Voor meer informatie, zie Pag. 249 "Systeeminstellingen". Het is mogelijk dat de netwerkinstellingen niet goed geconfigureerd zijn of dat de 3G-dongle niet goed aangesloten is. Gebruik Web Image Monitor om de instelling te controleren en om te controleren of er kan worden afgedrukt. Als het probleem blijft bestaan, neem dan contact op met uw servicevertegenwoordiger. Als deze problemen blijven aanhouden, schakel dan de stroom uit, haal de stekker uit het stopcontact en neem contact op met uw verkoop- of onderhoudsvertegenwoordiger. 411
412 10. Problemen oplossen
11. Netwerkinstellingen configureren in OS X In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe u het apparaat op het netwerk kunt aansluiten en hoe u de netwerkinstellingen kunt instellen als u OS X gebruikt. De configuratie hangt af van de communicatie-omgeving van uw systeem. Het apparaat aansluiten op een bedraad netwerk De volgende procedure wordt uitgelegd met OS X 10.11 als voorbeeld. Een USB-kabel gebruiken 1. Schakel uw computer in. 2. Plaats de meegeleverde cd-rom in het cd-romstation van uw computer. Wanneer uw computer geen Cd-rom loopwerk heeft, download dan een installatiebestand van onze website. 3. Dubbelklik op het pictogram van het cd-romstation. 4. Dubbelklik op de map [macos]. 5. Dubbelklik op de map van het stuurprogramma dat u wilt installeren. 6. Volg de instructies in de installatiewizard. 7. Klik op [Close] in het dialoogvenster [Summary]. 8. Start System Preferences op. 9. Klik op [Printers & Scanners]. Controleer of het apparaat automatisch wordt herkend. Plug-and-play verschijnt dan in de printerlijst. 10. Klik op de knop [+]. Als [Add Printer or Scanner...] verschijnt, klikt u daarop. 11. Klik op [Default]. 12. Selecteer de printer waarbij "USB" in de kolom [Kind] staat. 13. Selecteer de printer die u gebruikt in het pop-upmenu [Use:]. 14. Klik op [Add]. 413
11. Netwerkinstellingen configureren in OS X 15. Sluit System Preferences af. De configuratie is voltooid. Een Ethernet-kabel gebruiken 1. Schakel uw computer in. 2. Plaats de meegeleverde cd-rom in het cd-romstation van uw computer. Wanneer uw computer geen Cd-rom loopwerk heeft, download dan een installatiebestand van onze website. 3. Dubbelklik op het pictogram van het cd-romstation. 4. Dubbelklik op de map [macos]. 5. Dubbelklik op de map van het stuurprogramma dat u wilt installeren. 6. Volg de instructies in de installatiewizard. 7. Klik op [Close] in het dialoogvenster [Summary]. 8. Start System Preferences op. 9. Klik op [Printers & Scanners]. 10. Klik op de knop [+]. Als [Add Printer or Scanner...] verschijnt, klikt u daarop. 11. Klik op [Default]. 12. Selecteer de printer waarbij "Bonjour" in de kolom [Kind] staat. Als de naam van de printer niet wordt weergegeven, selecteert u het pictogram dat overeenkomt met uw netwerkomgeving (TCP/IP, enz.). 13. Selecteer de printer die u gebruikt in het pop-upmenu [Use:]. 14. Klik op [Add]. 15. Klik op [Duplexer] in het scherm [Setting up] en klik vervolgens op [OK]. 16. Sluit System Preferences af. 17. Druk op het pictogram [Instel.] op het [Home]-scherm. 18. Druk op [Netwerkinstellingen]. 19. Druk op [IPv4-configuratie]. 20. Druk op [IPv4 DHCP]. 21. Selecteer [Aan] om automatisch het IP-adres te verkrijgen of [Uit] om het IP-adres handmatig op te geven. Als u [Aan] heeft geselecteerd, gaat u verder met stap 25. 22. Vul het IPv4-adres van het apparaat in bij [IP-adres]. 414
Het apparaat aansluiten op een bedraad netwerk 23. Vul het subnetmasker in bij [Subnetmasker]. 24. Vul het gatewayadres in bij [Gateway Address]. 25. Druk op [OK]. 26. Zet het apparaat uit en vervolgens weer aan. De configuratie is voltooid. 415
11. Netwerkinstellingen configureren in OS X Het apparaat aansluiten op een draadloos netwerk Er zijn vier manieren om het apparaat aan te sluiten aan een draadloos netwerk: Met behulp van de Wi-Fi-installatiewizard Zie Pag. 416 "Met behulp van de Wi-Fi-installatiewizard". Met behulp van de knop WPS Zie Pag. 418 "Met behulp van de knop WPS". Met behulp van een pincode Zie Pag. 419 "Met behulp van een pincode". Het printerstuurprogramma installeren De volgende procedure wordt uitgelegd met OS X 10.11 als voorbeeld. 1. Schakel uw computer in. 2. Plaats de meegeleverde cd-rom in het cd-romstation van uw computer. Wanneer uw computer geen Cd-rom loopwerk heeft, download dan een installatiebestand van onze website. 3. Dubbelklik op het pictogram van het cd-romstation. 4. Dubbelklik op de map [macos]. 5. Dubbelklik op de map van het stuurprogramma dat u wilt installeren. 6. Volg de instructies in de installatiewizard. 7. Klik op [Close] in het dialoogvenster [Summary]. Met behulp van de Wi-Fi-installatiewizard U heeft een router (access point) nodig om verbinding te maken. De SSID en coderingssleutel controleren De SSID en coderingssleutel voor de router (access point) zijn wellicht afgedrukt op een etiket dat op de router (access point) is aangebracht. Voor meer informatie over de SSID en coderingssleutel, zie de handleiding van de router (access point). Instellingen via het bedieningspaneel configureren Voordat u de volgende procedure uitvoert, moet u het printerstuurprogramma installeren volgens de procedure in Pag. 416 "Het printerstuurprogramma installeren". 416
Het apparaat aansluiten op een draadloos netwerk Zorg ervoor dat de ethernetkabel van het apparaat is ontkoppeld. 1. Controleer of de router (access point) correct werkt. 2. Druk op de toets [Home]. DUE302 3. Druk op het pictogram [Instel.] op het [Home]-scherm. 4. Druk op [Netwerkinstellingen]. 5. Als u om een wachtwoord wordt gevraagd, voer het wachtwoord dan met de cijfertoetsen in en druk vervolgens op [OK]. U kunt een wachtwoord voor toegang tot het menu [Netwerkinstellingen] opgeven in [Vergr. beh.toepass.] onder het menu [Beheerderstoepass.]. 6. Druk op [Wi-Fi inschakelen]. 7. Druk op [Inschakelen]. 8. Zet het apparaat uit en vervolgens weer aan. 9. Druk op het pictogram draadloos LAN. 10. Druk op [Installatiewizard]. 11. Als u om een wachtwoord wordt gevraagd, voer het wachtwoord dan met de cijfertoetsen in en druk vervolgens op [OK]. U kunt een wachtwoord voor toegang tot het menu [Wi-Fi-configuratie] instellen in [Vergr. beh.toepass.] onder het menu [Beheerderstoepass.]. 12. Druk op de SSID van de router (access point) in de lijst met gevonden SSID's. 13. Voer de coderingssleutel met de cijfertoetsen in en druk vervolgens op [Verb.]. In de wachtwoordzin kunt u ofwel 8 tot 63 ASCII-tekens (0x20-0x7e) ofwel 64 hexadecimale cijfers (0-9, A-F, a-f) invullen. 14. Controleer het resultaat. De verbinding is geslaagd: U heeft de configuratie van de Wi-Fi-instellingen voltooid. De verbinding is mislukt: 417
11. Netwerkinstellingen configureren in OS X Controleer de configuratie voor de router (access point) en probeer opnieuw verbinding te maken. Met behulp van de knop WPS U heeft een router (access point) nodig om verbinding te maken. Voordat u de volgende procedure uitvoert, moet u het printerstuurprogramma installeren volgens de procedure in Pag. 416 "Het printerstuurprogramma installeren". Zorg ervoor dat de ethernetkabel van het apparaat is ontkoppeld. 1. Controleer of de router (access point) correct werkt. 2. Druk op de toets [Home]. DUE302 3. Druk op het pictogram [Instel.] op het [Home]-scherm. 4. Druk op [Netwerkinstellingen]. 5. Als u om een wachtwoord wordt gevraagd, voer het wachtwoord dan met de cijfertoetsen in en druk vervolgens op [OK]. U kunt een wachtwoord voor toegang tot het menu [Netwerkinstellingen] opgeven in [Vergr. beh.toepass.] onder het menu [Beheerderstoepass.]. 6. Druk op [Wi-Fi inschakelen]. 7. Druk op [Inschakelen]. 8. Zet het apparaat uit en vervolgens weer aan. 9. Druk op het pictogram draadloos LAN. 10. Druk op [WPS]. 11. Als u om een wachtwoord wordt gevraagd, voer het wachtwoord dan met de cijfertoetsen in en druk vervolgens op [OK]. U kunt een wachtwoord voor toegang tot het menu [Wi-Fi-configuratie] instellen in [Vergr. beh.toepass.] onder het menu [Beheerderstoepass.]. 418
Het apparaat aansluiten op een draadloos netwerk 12. Druk op [PBC]. 13. Druk op [Verb.]. "Wacht 2 minuten a.u.b." verschijnt en het apparaat begint verbinding te maken via de PBCmethode. 14. Druk binnen twee minuten op de knop WPS op de router (access point). Raadpleeg de handleiding van de router (access point) voor meer informatie over het gebruik van de knop WPS. 15. Controleer het resultaat. De verbinding is geslaagd: Druk op [OK] om terug te keren naar het scherm dat wordt weergegeven in stap 12 en druk vervolgens op de toets [Home] om terug te keren naar het beginscherm. U heeft de configuratie van de Wi-Fi-instellingen voltooid. De verbinding is mislukt: Druk op [OK] om terug te keren naar het scherm dat wordt weergegeven in stap 12. Controleer de configuratie voor de router (access point) en probeer opnieuw verbinding te maken. Met behulp van een pincode U heeft een router (access point) nodig om verbinding te maken. Om verbinding te maken een behulp van de pincode, moet u een computer gebruiken die is aangesloten op de router (access point). Voordat u de volgende procedure uitvoert, moet u het printerstuurprogramma installeren volgens de procedure in Pag. 416 "Het printerstuurprogramma installeren". Zorg ervoor dat de ethernetkabel van het apparaat is ontkoppeld. 1. Controleer of de router (access point) correct werkt. 2. Open het configuratievenster van de PIN-code (internetpagina) voor de router (access point) op uw computer. 419
11. Netwerkinstellingen configureren in OS X 3. Druk op de toets [Home]. DUE302 4. Druk op het pictogram [Instel.] op het [Home]-scherm. 5. Druk op [Netwerkinstellingen]. 6. Als u om een wachtwoord wordt gevraagd, voer het wachtwoord dan met de cijfertoetsen in en druk vervolgens op [OK]. U kunt een wachtwoord voor toegang tot het menu [Netwerkinstellingen] opgeven in [Vergr. beh.toepass.] onder het menu [Beheerderstoepass.]. 7. Druk op [Wi-Fi inschakelen]. 8. Druk op [Inschakelen]. 9. Zet het apparaat uit en vervolgens weer aan. 10. Druk op het pictogram draadloos LAN. 11. Druk op [WPS]. 12. Als u om een wachtwoord wordt gevraagd, voer het wachtwoord dan met de cijfertoetsen in en druk vervolgens op [OK]. U kunt een wachtwoord voor toegang tot het menu [Wi-Fi-configuratie] instellen in [Vergr. beh.toepass.] onder het menu [Beheerderstoepass.]. 13. Druk op [PIN]. 14. Controleer de pincode. Schrijf de pincode op voor het geval dat u ze zou vergeten. 15. Voer de pincode van het apparaat in (8 cijfers) op de internetpagina van de router (toegangspunt). (de internetpagina in stap 2) 16. Voer WPS (PIN-systeem) uit vanaf de internetpagina van de router (access point). 17. Druk op [Verb.]. "Wacht 2 minuten a.u.b." en de verbinding via de PIN-methode start. 18. Controleer het resultaat. De verbinding is geslaagd: 420
Het apparaat aansluiten op een draadloos netwerk Druk op [OK] om terug te keren naar het scherm dat wordt weergegeven in stap 13 en druk vervolgens op de toets [Home] om terug te keren naar het beginscherm. U heeft de configuratie van de Wi-Fi-instellingen voltooid. De verbinding is mislukt: Druk op [OK] om terug te keren naar het scherm dat wordt weergegeven in stap 13. Controleer de configuratie voor de router (access point) en probeer opnieuw verbinding te maken. 421
422 11. Netwerkinstellingen configureren in OS X
12. Bijlage In dit hoofdstuk worden de specificaties en de verbruiksmaterialen van het apparaat beschreven. Verzending met IPsec Het apparaat ondersteunt het IPsec-protocol voor veiligere communicatie. Wanneer toegepast, codeert IPsec gegevenspakketten op de netwerklaag met een gedeelde sleutelcodering. Het apparaat gebruikt uitwisseling van coderingssleutels om een gedeelde sleutel te maken voor zowel afzender als ontvanger. Voor nog betere beveiliging kunt u de gedeelde sleutel ook verlengen op basis van een geldigheidsperiode. IPsec wordt niet toegepast op gegevens die zijn verkregen via DHCP, DNS of WINS. Besturingssystemen die compatibel zijn met IPsec zijn Windows 7 of later, Windows Server 2008 of later, OS X 10,9 of later, Red Hat Enterprise Linux 6 of later. Bepaalde instellingen worden echter niet ondersteund, afhankelijk van het besturingssysteem. Zorg ervoor dat de IPsecinstellingen die u opgeeft, overeenkomen met de IPsec-instellingen van het besturingssysteem. Als u geen toegang tot Web Image Monitor als gevolg van problemen met de IPsec-configuratie heeft, dan dient u IPsec uit te schakelen via [Beheerderstoepassingen] op het bedieningspaneel en log daarna in op Web Image Monitor. Voor meer informatie over het opgeven van de IPsec-instelling met Web Image Monitor, zie Pag. 317 "De IPsec-instellingen configureren". Voor meer informatie over het in- en uitschakelen van IPsec met behulp van het bedieningspaneel, zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Codering en verificatie door IPsec IPsec bevat twee hoofdfuncties: de coderingsfunctie die zorgt voor de beveiliging van de gegevens en de verificatiefunctie waarmee de zender van de gegevens en de integriteit van de gegevens wordt geverifieerd. De IPsec-functie van dit apparaat ondersteunt twee beveiligingsprotocollen: het ESPprotocol dat beide IPsec-functies tegelijkertijd inschakelt en het AH-protocol dat alleen de verificatiefunctie inschakelt. ESP-protocol Het ESP-protocol biedt een veilige verzending via zowel codering als verificatie. Dit protocol biedt geen headerverificatie. Voor een succesvolle codering moeten zowel de zender als de ontvanger hetzelfde coderingsalgoritme en dezelfde coderingssleutel instellen. Het coderingsalgoritme en de coderingssleutel worden automatisch opgegeven. 423
12. Bijlage Voor een succesvolle verificatie moeten de zender en de ontvanger hetzelfde verificatiealgoritme en dezelfde verificatiesleutel instellen. Het verificatiealgoritme en de verificatiesleutel worden automatisch opgegeven. AH-protocol Het AH-protocol biedt uitsluitend een veilige verzending via de verificatie van pakketjes, met inbegrip van headers. Voor een succesvolle verificatie moeten de zender en de ontvanger hetzelfde verificatiealgoritme en dezelfde verificatiesleutel instellen. Het verificatiealgoritme en de verificatiesleutel worden automatisch opgegeven. AH Protocol + ESP Protocol Indien gecombineerd, bieden het ESP- en het AH-protocol een veilige verzending via zowel codering als verificatie. Deze protocollen bieden geen headerverificatie. Voor een succesvolle codering moeten zowel de zender als de ontvanger hetzelfde coderingsalgoritme en dezelfde coderingssleutel instellen. Het coderingsalgoritme en de coderingssleutel worden automatisch opgegeven. Voor een succesvolle verificatie moeten de zender en de ontvanger hetzelfde verificatiealgoritme en dezelfde verificatiesleutel instellen. Het verificatiealgoritme en de verificatiesleutel worden automatisch opgegeven. Sommige bedieningssystemen gebruiken de term "Compliantie" in plaats van "Verificatie". Security Association Dit apparaat gebruikt uitwisseling van coderingssleutels als methode om de sleutel in te stellen. Bij deze methode moeten voor zowel de afzender als de ontvanger overeenkomsten worden opgegeven zoals het IPsec-algoritme en de IPsec-sleutel. Dergelijke overeenkomsten vormen een SA (Security Association). IPsec-communicatie is alleen mogelijk als de SA-instellingen van de ontvanger en zender identiek zijn. De SA-instellingen worden automatisch geconfigureerd op de apparaten van beide partijen. Voordat de IPsec SA echter kan worden ingesteld, moeten de instellingen van de ISAKMP SA (fase 1) automatisch geconfigureerd zijn. Hierna worden de instellingen voor IPsec SA (fase 2), die de daadwerkelijke IPsec-transmissie mogelijk maken, automatisch geconfigureerd. Ter verbetering van de beveiliging kan ook de SA regelmatig automatisch worden geüpdatet door een geldigheidperiode (tijdslimiet) toe te passen voor de instellingen ervan. Voor uitwisseling van de coderingssleutel ondersteunt het apparaat alleen IKEv1. In de SA kunnen meerdere instellingen worden geconfigureerd. 424
Verzending met IPsec Instellingen 1-10 U kunt 10 aparte sets met SA-details configureren (zoals verschillende gedeelde sleutels en IPsecalgoritmen). IPsec-beleidsregels worden een voor een doorzocht, te beginnen bij [No.1]. Configuratieproces voor instellingen van uitwisseling van coderingssleutel In dit onderdeel wordt de procedure uitgelegd voor het bepalen van handmatige instellingen voor de coderingssleutel. Apparaat 1. Stel de IPsec-instellingen in op Web Image Monitor. Computer 1. Stel op de computer dezelfde IPsecinstellingen in als op het apparaat. 2. Schakel IPsec-instellingen in. 2. Schakel IPsec-instellingen in. 3. Bevestig IPsec-verzending. Nadat IPsec is geconfigureerd, kunt u de ping-opdracht gebruiken om te controleren of de verbinding goed tot stand is gebracht. Omdat de respons langzaam is tijdens de eerste sleuteluitwisseling, kan het controleren of de overdracht tot stand is gebracht enige tijd duren. Als u geen toegang tot Web Image Monitor als gevolg van problemen met de IPsec-configuratie heeft, dan dient u IPsec uit te schakelen via [Beheerderstoepassingen] op het bedieningspaneel en log daarna in op Web Image Monitor. Voor meer informatie over het uitschakelen van IPsec met behulp van het bedieningspaneel, zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". De instellingen opgeven voor de uitwisseling van de coderingssleutel Deze functie is alleen beschikbaar wanneer er een beheerderswachtwoord is opgegeven. 1. Open de internetbrowser en verkrijg toegang tot het apparaat door het IP-adres ervan in te vullen. 2. Klik op [IPsec-instellingen]. 3. Klik op het tabblad [IPsec-beleidslijst]. 4. Selecteer het nummer van de instelling die u wilt bewerken in de lijst en klik op [Wijzigen]. 425
12. Bijlage 5. Wijzig de IPsec-gerelateerde instellingen naar wens. 6. Voer het beheerderswachtwoord in en klik vervolgens op [Toepassen]. 7. Klik op het tabblad [Algemene IPsec-instellingen] en selecteer [Actief] in [IPsec-functie]. 8. Geef zo nodig [Standaard beleid], [Broadcast en multibroadcast] en [Alle ICMP overslaan] op. 9. Voer het beheerderswachtwoord in en klik vervolgens op [Toepassen]. U kunt een wachtwoord voor de beheerder opgeven in het tabblad [Beheerder]. Opgeven van de IPsec-instellingen op de computer Geef precies dezelfde instellingen op voor de IPsec SA-instellingen op uw computer als voor de IPsecinstellingen op het apparaat. Instellingsmethodes verschillen afhankelijk van het bedieningssysteem van de computer. In de volgende procedure wordt ter illustratie Windows 7 in een IPv4-omgeving gebruikt. 1. Klik in het menu [Start] op [Configuratiescherm], klik op [Systeem en beveiliging] en klik vervolgens op [Systeembeheer]. 2. Dubbelklik op [Lokaal beveiligingsbeleid] en klik vervolgens op [IP-beveiligingsbeleid op lokale computer]. 3. Klik in het menu "Actie" op [IP-beveiligingsbeleid maken...]. De Wizard IP-beveiligingsbeleid wordt weergegeven. 4. Klik op [Volgende]. 5. Voer in "Naam" een naam in voor het beveiligingsbeleid en klik vervolgens op [Volgende]. 6. Haal het vinkje uit het selectievakje "Activeer de standaard responsregel" weg en klik vervolgens op [Volgende]. 7. Selecteer "Eigenschappen bewerken" en klik vervolgens op [Afsluiten]. 8. Bij het tabblad "Algemeen" klikt u op [Instellingen...]. 9. Voer in "Een nieuwe sleutel verifiëren en genereren na elke" dezelfde geldigheidsperiode (in minuten) in die ook op het apparaat is opgegeven bij [IKE-levensduur]. Klik tot slot op [Methodes...]. 10. Controleer of de instellingen voor het coderingsalgoritme ("Codering"), hash-algoritme ("Integriteit") en de IKE Diffie-Hellman groep ("Diffie-Hellman groep") in "Voorkeur voor de volgorde van beveiligingsmethoden" allemaal overeenkomen met de instellingen op het apparaat in [IKE-instellingen]. Als de instellingen niet worden weergegeven, klik dan op [Toevoegen...]. 11. Klik twee keer op [OK]. 426
Verzending met IPsec 12. Klik op [Toevoegen...] bij het tabblad "Regels". De Wizard Beveiligingsregels wordt weergegeven. 13. Klik op [Volgende]. 14. Selecteer "Deze regel specificeert geen tunnel" en klik vervolgens op [Volgende]. 15. Selecteer het netwerktype voor IPsec en klik vervolgens op [Volgende]. 16. Klik op [Toevoegen...] in de IP-filterlijst. 17. Voer in [Naam] een IP-filternaam in en klik vervolgens op [Toevoegen...]. De Wizard IP-filter wordt weergegeven. 18. Klik op [Volgende]. 19. Voer bij [Beschrijving] een naam of gedetailleerde informatie over het IP-filter in en klik vervolgens op [Volgende]. U kunt ook op [Volgende] klikken en verder gaan met de volgende stap zonder informatie in dit veld in te voeren. 20. Selecteer "Mijn IP-adres" bij "Bronadres" en klik vervolgens op [Volgende]. 21. Selecteer "Een specifiek IP-adres of subnet" in "Bestemmingsadres", voer het IP-adres van het apparaat in en klik vervolgens op [Volgende]. 22. Selecteer bij IPsec-protocol de optie "Elk" en klik op [Volgende]. 23. Klik op [Voltooien] en klik vervolgens op [OK]. 24. Selecteer het IP-filter dat u zojuist heeft aangemaakt en klik op [Volgende]. 25. Klik op [Toevoegen...] in de filteractie. De wizard Filteractie wordt weergegeven. 26. Klik op [Volgende]. 27. Voer in [Naam] een filteractienaam in en klik vervolgens op [Volgende]. 28. Selecteer "Bepaal beveiliging" en klik op [Volgende]. 29. Selecteer een van de opties voor computers waarmee mag worden gecommuniceerd en klik op [Volgende]. 30. Selecteer "Aangepast" en klik op [Instellingen...]. 31. Wanneer [ESP] is geselecteerd voor het apparaat in [Beveiligingsprotocol] onder [IPsecinstellingen], selecteert u [Gegevensintegriteit en -versleuteling (ESP)] en configureert u de volgende instellingen: Stel de waarde van [Integriteitsalgoritme] in op dezelfde waarde als [Verificatiealgoritme voor ESP] zoals opgegeven op het apparaat. Stel de waarde van [Coderingssalgoritme] in op dezelfde waarde als [Coderingsalgoritme voor ESP] zoals opgegeven op het apparaat. 427
12. Bijlage 32. Wanneer [AH] is geselecteerd voor het apparaat in [Beveiligingsprotocol] onder [IPsecinstellingen], selecteert u [Gegevens- en adresintegriteit zonder versleuteling (AH)], configureert u de volgende instellingen: Stel de waarde van [Integriteitsalgoritme] in op dezelfde waarde als [Verificatiealgoritme voor AH] zoals opgegeven op het apparaat. Schakel het selectievakje [Gegevensintegriteit en -versleuteling (ESP)] uit. 33. Wanneer [ESP&AH] is geselecteerd voor het apparaat in [Beveiligingsprotocol] onder [IPsec-instellingen], selecteert u [Gegevens- en adresintegriteit zonder versleuteling (AH)] en configureert u de volgende instellingen: Stel de waarde van [Integriteitsalgoritme] onder [Gegevens- en adresintegriteit zonder versleuteling (AH)] in op dezelfde waarde als [Verificatiealgoritme voor AH] zoals opgegeven op het apparaat. Stel de waarde van [Versleutelingsalgoritme] onder [Gegevensintegriteit en -versleuteling (ESP)] in op dezelfde waarde als [Versleutelingsalgoritme voor ESP] zoals opgegeven op het apparaat. 34. In de Sessiesleutelinstellingen selecteert u "Nieuwe sleutel genereren, elke" en voert u dezelfde geldigheidsperiode (in [Seconden] of [Kbytes]) in als de periode die is opgegeven voor [Levensduur] op het apparaat. 35. Klik op [OK] en vervolgens op [Volgende]. 36. Klik op [Voltooien]. Als u IPv6 gebruikt, moet u deze procedure herhalen vanaf Stap 12 en ICMPv6 opgeven als uitzondering. Wanneer u bij stap 22 bent aangekomen, selecteert u [58] als het protocolnummer voor het type doelprotocol "Overige" en stelt u [Onderhandelen over beveiliging] in op [Toestaan]. 37. Selecteer het filter dat u zojuist heeft aangemaakt en klik op [Volgende]. 38. Selecteer een van de opties voor een verificatiemethode en klik op [Volgende]. 39. Klik op [Voltooien] en vervolgens tweemaal op [OK]. Het nieuwe IP-beveiligingsbeleid (IPsec-instellingen) is ingesteld. 40. Selecteer het beveiligingsbeleid dat u zojuist heeft aangemaakt, klik er met de rechtermuisknop op en klik op [Toewijzen]. De IPsec-instellingen op de computer zijn ingeschakeld. Als u de IPsec-instellingen van de computer wilt uitschakelen, selecteert u het beveiligingsbeleid, drukt u op de rechter muisknop en klikt u vervolgens op [Toewijzing ongedaan maken]. 428
Verzending met IPsec IPsec in- en uitschakelen met behulp van het bedieningspaneel Deze functie is alleen beschikbaar wanneer er een beheerderswachtwoord is opgegeven. 1. Druk op het pictogram [Instel.] op het [Home]-scherm. 2. Druk op [Beheerderstoepass.]. 3. Druk op [IPsec]. 4. Druk op [Aan] of [Uit]. U kunt een wachtwoord voor toegang naar het menu [Beheerderstoepassingen] instellen onder [Vergr. beh.toepass]. Voor meer informatie over [Vergr. beh.toepass.], zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". U kunt op [Exit] drukken om terug te gaan naar het vorige niveau van de menustructuur. 429
12. Bijlage Opmerkingen over de toner Er kan geen juiste werking worden gegarandeerd als er toner van een ander merk wordt gebruikt. Afhankelijk van de afdrukvoorwaarden zijn er gevallen waarin de printer niet het aantal vellen kan afdrukken dat in de specificaties is opgegeven. Vervang de printcartridge als de afgedrukte afbeelding plotseling bleek of vaag wordt. Als u dit apparaat voor het eerst gebruikt, maak dan gebruik van de printcartridge die bij het apparaat geleverd wordt. Als deze cartridge niet bij de eerste keer gebruikt wordt, kunnen de volgende problemen optreden: "Vervang. binnk. vereist:" tonercartridge (XX) wordt weergegeven voordat de toner opraakt. "Vervanging vereist:" tonercartridge (XX) wordt weergegeven als de toner opraakt, maar in plaats daarvan worden afgedrukte beelden ineens bleek of vaag. Er wordt rekening gehouden met de levensduur van de fotogeleider, die in de printcartridge is ingebouwd, bij de weergave van het bericht "Vervang. binnk. vereist:" tonercartridge (XX). Als de fotogeleider niet meer werkt voordat de toner op is, is het mogelijk dat "Vervang. binnk. vereist:" tonercartridge (XX) wordt weergegeven. 430
Specificaties van het apparaat Specificaties van het apparaat In dit onderdeel worden de specificaties van het apparaat gegeven. Algemene functie Specificaties Item Beschrijving Configuratie Afdrukmethode Maximaal papierformaat voor scannen via de glasplaat Maximaal papierformaat voor scannen via de ADF Maximaal papierformaat om af te drukken Opwarmtijd (23 C, 71,6 F) Papierformaten Papiertype Papieruitvoercapaciteit (80 g/m 2, 20 lb) Papierinvoercapaciteit (80 g/m 2, 20 lb) ADF-capaciteit (80 g/m 2, 20 lb) Geheugen Bureaumodel Laser electrostatische beeldoverdracht A4, Letter (8 1 / 2 11 inch) Legal (8 1 / 2 14 inch) Legal (8 1 / 2 14 inch) 30 seconden of minder Voor meer informatie, zie Pag. 68 "Ondersteund papier". Voor meer informatie, zie Pag. 68 "Ondersteund papier". 150 vellen Lade 1 250 vellen Lade 2 500 vellen Handinvoer 1 vel SP C260SFNw 35 vellen SP C262SFNw 50 vellen 256MB 431
12. Bijlage Item Beschrijving Stroomvereisten 220-240 V, 6 A, 50/60 Hz 120-127 V, 11 A, 60 Hz Stroomverbruik Het stroomniveau wanneer de hoofdstroomschakelaar uitgeschakeld staat en de stekker van het netsnoer in het stopcontact zit: 1 W of minder Stroomverbruik Het stroomniveau wanneer de hoofdstroomschakelaar uitgeschakeld staat en de stekker van het netsnoer in het stopcontact zit: 1 W of minder Geluid Afmetingen van het apparaat (Breedte x Diepte x Hoogte) Maximaal 1300 W of minder Gereed 60,7 W Tijdens het afdrukken Kleur: 404W Z&W: 331W Maximaal 1300 W of minder Gereed 58,2 W Tijdens het afdrukken Kleur: 404W Z&W: 331W Geluidssterkteniveau Stand-by: 40 db (A) Tijdens het afdrukken: Kleur: 64 db (A) Zwart-wit: 63 db (A) Geluidsdrukniveau Stand-by: 34 db (A) Tijdens het afdrukken: Kleur: 58 db (A) Zwart-wit: 57 db (A) SP C260SFNw 420 493 460 mm (16,6 19,5 18,2 inch) 432
Specificaties van het apparaat Item Gewicht (apparaat zelf met verbruiksartikelen) Beschrijving SP C262SFNw 420 493 473 mm (16,6 19,5 18,7 inch) SP C260SFNw 29 kg of minder SP C262SFNw 30 kg of minder Geluidssterkteniveau en geluidsdrukniveau zijn gemeten volgens ISO 7779. Het geluidsdrukniveau wordt gemeten vanaf de plaats van een omstander. Printerfunctiespecificaties Item Beschrijving Afdruksnelheid Zwart-wit: 21 pagina's per minuut (Enkelzijdig/letter), 12 pagina's per minuut (Dubbelzijdig/letter) Kleur: 21 pagina's per minuut (Enkelzijdig/letter), 12 pagina's per minuut (Dubbelzijdig/letter) Resolutie Afdruksnelheid vd 1e afdruk Interface Printertaal Lettertypen (PCL6, PCL5c, PostScript3) 600 600 dpi 14 seconden of minder Ethernet (10BASE-T, 100BASE-TX) USB 2.0 Wi-Fi USB2.0 Host PCL6, PCL5c, GDI, PostScript3, PictBridge 80 lettertypen 433
12. Bijlage Kopieerfunctiespecificaties Item Maximale resolutie (scannen en afdrukken) Afdruksnelheid vd 1e kopie (A4, bij 23 C, 71,6 F) Gradatie Kopieersnelheid bij meerdere kopieën (Andere landen dan Europese landen) Glasplaat Beschrijving Scannen: 600 600 dpi Afdrukken: 600 600 dpi ADF Scannen: 300 600 dpi Afdrukken: 600 600 dpi 20 seconden of minder Scannen: 256 niveaus Afdrukken: vierledige waarde Bij het kopiëren van meerdere enkelzijdige originelen (enkelzijdig afdrukken) 20 pagina's per minuut (A4) 21 pagina's per minuut (letter (81/2 11 inch) Bij het één voor één kopiëren van meerdere kopieën van enkelzijdige originelen (enkelzijdig afdrukken) Zwart-wit: 20 pagina's per minuut Kleur: 12 pagina's per minuut Bij het één voor één kopiëren van meerdere kopieën van dubbelzijdige originelen (dubbelzijdig scannen, enkelzijdig afdrukken) (uitsluitend voor SP C262SFNw) Zwart-wit: 20 pagina's per minuut Kleur: 12 pagina's per minuut Bij het één voor één kopiëren van meerdere kopieën van dubbelzijdige originelen (dubbelzijdig scannen, dubbelzijdig afdrukken) (uitsluitend voor SP C262SFNw) Zwart-wit: 12 pagina's per minuut 434
Specificaties van het apparaat Reproductieverhouding Item Beschrijving Kleur: 12 pagina's per minuut Vaste verhouding 50%, 71%, 82%, 93%, 122%, 141%, 200%, 400% Aantal kopieën 99 50%, 65%, 78%, 93%, 129%, 155%, 200%, 400% Zoomverhouding 25% tot 400% Specificaties van de scanfunctie Item Maximaal scangebied (horizontaal verticaal) Maximale resolutie bij scannen vanaf het bedieningspaneel (Scannen naar e-mail, Scannen naar FTP, Scannen naar Map, Scannen naar USB) Maximale resolutie bij scannen vanaf een computer (TWAIN) Maximale resolutie bij scannen vanaf een computer (WIA) Gradatie Beschrijving Glasplaat 216 297 mm (8,5 11,7 inch) ADF 216 356 mm (8,5 14 inch) Glasplaat 600 600 dpi ADF 300 300 dpi Glasplaat 19200 19200 dpi ADF 600 600 dpi 600 600 dpi Invoer: 16 bit kleurverwerking 435
12. Bijlage Item Beschrijving Uitvoer: 8 bit kleurverwerking Scantijd Zwart-wit: 5 seconden of minder Kleur: 10 seconden of minder (A4/600 dpi/gecomprimeerd) Dit is exclusief overdrachtstijd. ADF-doorvoer Zwart-wit: 20 afbeeldingen per minuut (300 600 dpi) Kleur: 12 afbeeldingen per minuut (300 600 dpi) Interface Ethernet (10BASE-T, 100BASE-TX), USB 2.0, Wi-Fi Verzendbare bestandsindelingen Adresboek TIFF, JPEG, PDF Maximaal 100 items Aantal keer opnieuw kiezen: 1 Faxfunctiespecificaties Faxverzending en ontvangst Item Beschrijving Toegangslijn Overdrachtmodus Algemeen gebruikt telefoonnetwerk (Public switched telephone networks, PSTN) Telefooncentrale van het bedrijf (Private branch exchange, PBX) ITU-T Groep 3 (G3) Scanregeldichtheid 8 dots per mm 3,85 regels per mm (200 100 dpi) 8 dots per mm 7,7 regels per mm (200 200 dpi) Verzendingstijd 3 seconden (8 dots per mm 3,85 regels per mm, 33,6 kbps, MMR, ITU-T # 1 tabel) 436
Specificaties van het apparaat Item Beschrijving Overdrachtssnelheid Gegevenscompressiemethoden Geheugencapaciteit Adresboek 33,6 kbps tot 2400 bps (automatische terugkoppeling) MH, MR, MMR, JBIG 100 vellen (8 dots per mm 3,85 regels per mm, MMR, ITU-T # 1 tabel) Verkort kiezen 200 items Snelkiezen 20 items Aantal keer opnieuw kiezen voor faxen 1 Internetfax verzenden en ontvangen Item Beschrijving Interface Communicatieprotocollen Verzendingsfunctie E-mailformaat Verificatiemethode Origineelformaat Ethernet (10BASE-T, 100BASE-TX), Wi-Fi Verzending SMTP, TCP/IP Ontvangst E-mail POP3, TCP/IP Een onderdeel/meerdere onderdelen, MIMEconversie Bijlagevormen (verzending): TIFF-S (MHcodering) Bijlagevormen (ontvangst): TIFF-S/TIFF-F (MH/MR/MMR-codering) SMTP-AUTH, POP voor SMTP, A-POP A4 (lengte is maximaal 356 mm) 437
12. Bijlage Item Beschrijving Scanregeldichtheid 8 dots per mm 3,85 regels per mm (200 100 dpi) 8 dots per mm 7,7 regels per mm (200 200 dpi) Apparaatspecificaties van bestemmingen Communicatieprotocollen Verzending SMTP, TCP/IP Ontvangst POP3, TCP/IP E-mailformaat Indeling MIME, Base64 Type inhoud Image/tiff Meerdere/gemixte delen (text/plain, image/tiff (bijgevoegde bestandsformaten)) Gegevensindeling Profiel TIFF-S Codering MH Origineelformaat A4 Resolutie (dpi) 200 100, 200 200 Papiertoevoereenheid TK1220 Papiercapaciteit 500 vellen 438
Specificaties van het apparaat Papierformaat Voor meer informatie, zie Pag. 68 "Ondersteund papier". Afmetingen (Breedte Diepte Hoogte) 400 450 127 mm (15,8 17,8 5 inch) Papiergewicht Voor meer informatie, zie Pag. 68 "Ondersteund papier". Gewicht Minder dan 4 kg (8,9 lb.) 439
12. Bijlage Verbruiksartikelen Onze producten worden ontworpen om te voldoen aan de hoogste eisen van kwaliteit en functionaliteit en wij raden u aan om de verbruiksartikelen uitsluitend te kopen van een officiële dealer. Printcartridge Printcartridge Gemiddeld aantal af te drukken pagina's per cartridge *1 Zwart Cyaan Magenta SP C260DNw/SP C260SFNw: (voornamelijk in Europa en Azië) 2000 pagina's SP C262DNw/SP C262SFNw: (voornamelijk in Europa en Azië) 4500 pagina's (voornamelijk in Noord-Amerika) 4.500 pagina's, 6.500 pagina's SP C260DNw/SP C260SFNw: (voornamelijk in Europa en Azië) 1600 pagina's SP C262DNw/SP C262SFNw: (voornamelijk in Europa en Azië) 4000 pagina's (voornamelijk in Noord-Amerika) 4.000 pagina's, 6.000 pagina's SP C260DNw/SP C260SFNw: (voornamelijk in Europa en Azië) 1600 pagina's SP C262DNw/SP C262SFNw: (voornamelijk in Europa en Azië) 4000 pagina's 440
Verbruiksartikelen Printcartridge Gemiddeld aantal af te drukken pagina's per cartridge *1 (voornamelijk in Noord-Amerika) 4.000 pagina's, 6.000 pagina's Geel SP C260DNw/SP C260SFNw: (voornamelijk in Europa en Azië) 1600 pagina's SP C262DNw/SP C262SFNw: (voornamelijk in Europa en Azië) 4000 pagina's (voornamelijk in Noord-Amerika) 4.000 pagina's, 6.000 pagina's *1 Het aantal afdrukbare pagina's is gebaseerd op pagina's die voldoen aan de norm ISO/IEC 19798 en op de belichting die als fabrieksstandaard is ingesteld. ISO/IEC 19798 is een internationale meetstandaard voor het afdrukken van pagina's, die door de IOS (International Organization for Standardization) wordt bepaald. Voor meer informatie over verbruiksmaterialen, zie onze website. Als printcartridges niet worden vervangen wanneer dit nodig is, wordt het afdrukken onmogelijk. Het is raadzaam om extra printcartridges te kopen als voorraad zodat u ze gemakkelijk kunt vervangen. Het feitelijke aantal afgedrukte pagina's is afhankelijk van de grootte en dichtheid van de afbeelding, het aantal pagina's dat tegelijk moet worden afgedrukt, het papiertype, het papierformaat en omgevingsfactoren als temperatuur en vochtigheid. Printcartridges kunnen minder lang mee gaan dan aangegeven staat, vanwege verslechtering gedurende de gebruiksperiode. Printcartridges (verbruiksartikelen) vallen niet onder de garantie. Neem in geval van problemen toch contact op met de winkel waar u hem heeft gekocht. Als u het apparaat voor de eerste keer gebruikt, gebruik dan de printcartridges die met het apparaat zijn meegeleverd. De meegeleverde printcartridges zijn goed voor ongeveer 1000 pagina's. Dit apparaat voert regelmatig een zelfreinigingsprogramma uit en gebruikt toner gedurende deze handeling om de kwaliteit te handhaven. Om een reinigingsfout te voorkomen, moet u misschien een printercartridge vervangen zelfs als deze nog niet helemaal leeg is. 441
12. Bijlage Tonerafvalfles Naam Gemiddeld aantal af te drukken pagina's per cartridge *1 Waste Toner Bottle SP C220 25.000 pagina's *1 A4/Letter 5% testblad; 3 pagina's per taak; 50% afdrukken in zwart-wit/kleur. Het feitelijke aantal afgedrukte pagina's is afhankelijk van de grootte en dichtheid van de afbeelding, het aantal pagina's dat tegelijk moet worden afgedrukt, het papiertype, het papierformaat en omgevingsfactoren als temperatuur en vochtigheid. Als de tonerafvalfles niet wordt vervangen wanneer dit nodig is, wordt het afdrukken onmogelijk. Het is raadzaam om extra tonerafvalflessen te kopen als voorraad zodat u de flessen gemakkelijk kunt vervangen. 442
Apparaatinformatie Apparaatinformatie Gebruikersinformatie over elektrische en elektronische apparaten (voornamelijk Europa en Azië) Voor gebruikers in landen waar het symbool zoals hier is afgebeeld is gespecificeerd in de nationale wetgeving aangaande de verwerking van elektronisch afval Onze producten bevatten hoogwaardige componenten en zijn ontworpen om het recyclen te vergemakkelijken. Onze producten of productverpakkingen zijn gemarkeerd met het onderstaande symbool. Het symbool geeft aan dat het product niet mag worden behandeld als huishoudelijk afval. Als u het apparaat wilt afdanken, doe dit dan via de aangewezen afvalverzamelingsystemen die hiervoor ter beschikking gesteld zijn. Door deze instructies na te leven, bent u zeker dat dit product op de juiste manier wordt verwerkt en helpt u de mogelijke nadelige gevolgen voor het milieu en de openbare gezondheid, die het resultaat kunnen zijn van een foutieve verwerking van het product, te beperken. Het recyclen van producten is ten behoeve van het behoud van de natuurlijke grondstoffen en ter bescherming van het milieu. Voor meer informatie over inzamelsystemen en de recycling van dit product neemt u contact op met de winkel waar u het product gekocht heeft, of met uw plaatselijke dealer of verkoop-/ servicevertegenwoordiger. Alle overige gebruikers Als u dit product wilt afvoeren, neem dan contact op met uw gemeente of provincie, de winkel waar u dit product gekocht heeft, uw plaatselijke dealer of uw verkoop-/servicevertegenwoordiger. Voor gebruikers in India Dit product, inclusief componenten, verbruiksartikelen, onderdelen en reserveonderdelen, voldoet aan de "India E-waste Rule". Deze wet verbiedt het gebruik van lood, kwik, zeswaardig chroom, polybrome bifenyls of polybrome difenyle ethers in hogere concentraties dan 0,1 % van het gewicht en 0,01 % voor cadmium, behalve voor de uitzonderingen vermeld in deze wet. 443
12. Bijlage Opmerking m.b.t. het batterij-/accusymbool (alleen voor EU-landen) Overeenkomstig de Batterijrichtlijn 2006/66/EC artikel 20, Informatie voor eindgebruikers, bijlage II, wordt het hierboven weergegeven symbool weergegeven op batterijen en accu's. Dit symbool geeft aan dat in de Europese Unie gebruikte batterijen en accu's gescheiden van uw huishoudelijke afval afgevoerd moeten worden. In de EU bestaan aparte inzamelingssystemen voor elektrische en elektronische apparaten, maar ook voor batterijen en accu's. Zorg ervoor dat u deze op de juiste wijze inlevert bij uw lokale afvalinzamelings-/recyclingcentrum. Milieuadviezen voor gebruikers (voornamelijk Europa) Gebruikers in de EU, Zwitserland en Noorwegen Rendement van verbruiksartikelen Raadpleeg de Gebruikershandleiding of de verpakking van het verbruiksartikel voor deze informatie. Gerecycled papier Het apparaat kan gerecycled papier verwerken dat is geproduceerd volgens de Europese norm EN 12281:2002 of DIN 19309. Voor producten die gebruik maken van de EP-printtechnologie, kan het apparaat afdrukken op papier van 64 g/m 2. Dit papier bevat minder ruwe materialen en is gemaakt met een lagere hoeveelheid nieuw gewonnen grondstoffen. Dubbelzijdig afdrukken (indien van toepassing) Met dubbelzijdig afdrukken maakt u gebruik van beide zijden van het papier. Dit bespaart papier en vermindert het aantal vellen per afgedrukt document. We raden u aan om dubbelzijdig afdrukken standaard in te schakelen, zodat u altijd dubbelzijdig afdrukt. Recycleprogramma voor toner- en inktcartridges U kunt toner- en inktcartridges gratis inleveren, zodat deze gerecycled worden. Dit gebeurt in overeenstemming met de milieuvoorschriften van uw gemeente. Voor meer informatie over het recycleprogramma, zie onze website of raadpleeg uw servicevertegenwoordiger. https://www.ricoh-return.com/ 444
Apparaatinformatie Energiezuinig De hoeveelheid elektriciteit die een apparaat verbruikt is zowel afhankelijk van zijn specificaties als van de manier waarop u er gebruik van maakt. Het apparaat is speciaal ontworpen om uw elektriciteitskosten te verminderen door over te schakelen naar de modus 'Gereed' nadat de laatste pagina is afgedrukt. Indien nodig kan het apparaat vanuit deze modus direct afdrukken. Als u geen extra afdrukken meer hoeft te maken en de opgegeven tijdsperiode verstrijkt, schakelt het apparaat over naar de energiespaarstand. In deze modi verbruikt het apparaat minder elektriciteit (Watt). Als het apparaat weer moet afdrukken, heeft het iets langer nodig om te herstellen uit de energiespaarstand dan uit de modus 'Gereed'. Als u een maximale energiebesparing wilt behalen, adviseren wij u om de standaardinstelling voor elektriciteitsbeheer te gebruiken. Producten die voldoen aan de Energy Star-vereisten zijn altijd energiezuinig. Kennisgeving voor gebruikers van een draadloze LAN-interface (voornamelijk Europa) Verklaring van conformiteit Melding aan gebruikers in de EER-landen Dit product voldoet aan de essentiële vereisten en voorwaarden van Richtlijn 2014/53/EU. De CE-verklaring van overeenstemming is beschikbaar via de volgende URL: http://www.ricoh.com/ products/ce_doc2/ en selecteer het betreffende product. Gebruikte frequentieband: 2400-2483,5 MHz maximaal radiofrequentievermogen: minder dan 20,0 dbm Omdat deze apparatuur stralingsonderdelen bevat, is het niet de bedoeling om deze apparatuur dichtbij een menselijk lichaam te gebruiken. Wij bevelen u dan ook aan om het apparaat tenminste 20 cm van u vandaan te zetten. OPMERKINGEN VOOR GEBRUIKERS MET BETREKKING TOT DE FAXEENHEID (NIEUW ZEELAND) Het recht op een Telepermit voor aansluitapparatuur geeft alleen aan dat Telecom bevestigt het apparaat aan de minimum voorwaarden voor verbinding met het netwerk voldoet. Het geeft verder geen goedkeuring van het product door Telecom, noch biedt het enige vorm van garantie. Bovenal 445
12. Bijlage biedt het geen zekerheid dat het product juist zal werken in combinatie met een ander product met een Telepermit van een ander merk of model, noch houdt het in dat het product compatibel is met alle netwerkdiensten van Telecom. Dit apparaat is niet geschikt, onder welke conditie dan ook, voor juist gebruik met een hogere snelheid dan waar het voor ontworpen is. Telecom accepteert geen enkele verantwoordelijkheid indien er moeilijkheden ontstaan onder zulke omstandigheden. Het geheugen van apparaten die op de telefoonpoort zijn aangesloten kan worden gewist als dit faxapparaat gedurende lange tijd online is. Om dit te voorkomen, moeten dergelijke apparaten een batterij bevatten of de mogelijkheid bieden om een back-up van het geheugen te maken. Dit apparaat kan rinkelen als er bepaalde andere apparaten op dezelfde lijn zijn aangesloten. Als dit gebeurt, mag dit niet gemeld worden bij de klantenservice van uw telecombedrijf (Telecom Faults Service). Dit apparaat moet niet gebruikt worden in omstandigheden die kunnen leiden tot overlast bij andere Telecom-klanten. Apparatuur met een Telepermit mag alleen worden aangesloten op de externe telefoonpoort. De externe telefoonpoort is niet specifiek ontworpen voor apparatuur met een aansluiting met drie draden en deze reageert mogelijk niet op een binnenkomend oproepsignaal bij aansluiting op deze poort. Opmerkingen voor gebruikers in de staat Californië (opmerkingen voor gebruikers in de VS) Perchloormaterialen - speciale behandeling is mogelijk van toepassing. Zie: www.dtsc.ca.gov/ hazardouswaste/perchlorate Opmerkingen voor gebruikers in de Verenigde Staten Deel 15 van de FCC-bepalingen N.B.: Dit apparaat is getest en voldoet aan de limieten voor een klasse B digitaal apparaat, volgens Deel 15 van de FCC-bepalingen. Deze limieten zijn ervoor om redelijke bescherming te bieden tegen schadelijke interferentie in een woonomgeving. Dit apparaat genereert en gebruikt energie van radiofrequentie en kan deze uitstralen. Als het niet overeenkomstig de instructies geïnstalleerd en gebruikt is, kan schadelijke interferentie aan radiocommunicatie veroorzaken. Er is echter geen garantie dat interferentie niet in een particuliere installatie zal plaatsvinden. Als het apparaat schadelijke interferentie aan radio- of televisieontvangst veroorzaakt (dit kan bepaald worden door het apparaat aan en uit te zetten), kan de gebruiker de interferentie oplossen met een van de volgende maatregelen. Verplaats de ontvangstantenne. 446
Apparaatinformatie Let op: Vergroot de afstand tussen het apparaat en de ontvanger. Verbind het apparaat met een stopcontact op een ander circuit dan waar de ontvanger op aan gesloten is. Raadpleeg de dealer of een ervaren radio-/tv-monteur voor hulp. Deze zender mag niet in de buurt van een andere antenne of zender worden geplaatst of worden gebruikt in combinatie met een andere antenne of zender. Wijzigingen of aanpassingen die niet expliciet door de verantwoordelijke partij voor de naleving goedgekeurd zijn, kunnen het recht van de gebruiker om het apparaat te bedienen ongeldig maken. Deze apparatuur voldoet aan de FCC-grenzen voor stralingsblootstelling die zijn ingesteld voor een ongecontroleerde omgeving en voldoet aan de FCC-radiofrequentie (RF) blootstellingsrichtlijnen. Deze apparatuur heeft dusdanig lage RF energieniveaus dat deze voldoet zonder evaluatie van de maximaal toelaatbare blootstelling (MPE). Maar het is wenselijk dat deze wordt geïnstalleerd en bediend zodat de radiator zich op ten minste 20 cm afstand bevindt van de persoon die het apparaat bedient (exclusief ledematen zoals handen, polsen, voeten en enkels). Certificatie Dit apparaat voldoet aan Deel 15 van de FCC-bepalingen. Bediening is afhankelijk van de twee volgende voorwaarden: (1) Het apparaat mag geen schadelijke interferentie veroorzaken en (2) het apparaat moet een ontvangen interferentie accepteren, inclusief interferentie die tot ongewenste werking kan leiden. Deel 68 van de FCC-bepalingen betreffende fax 1. Dit apparaat voldoet aan Deel 68 van de FCC-bepalingen en -vereisten overgenomen door de ACTA. Op het paneel van dit apparaat zit een sticker met onder andere een productidentificatie in de indeling US:AAAEQ##TXXXXX. Op verzoek moet dit nummer aan de telefoonmaatschappij gegeven worden. 2. Dit apparaat gebruikt de RJ11C USOC aansluiting. 3. Een plug en aansluiting gebruikt om dit apparaat te verbinden aan het telefoonnetwerk van het gebouw moeten voldoen aan de Deel 68 FCC-bepalingen en -vereisten overgenomen door de ACTA. Een goedgekeurd telefoonsnoer en modulaire plug worden bij dit product geleverd. Het is ontworpen om te verbinden met een compatibele modulaire aansluiting die ook goedgekeurd is. Zie de installatie-instructies voor meer informatie. 4. De REN wordt gebruikt om te bepalen hoeveel apparaten aan een telefoonlijn verbonden mag worden. Te veel REN's op een telefoonlijn kunnen er voor zorgen dat apparaten niet rinkelen bij een inkomende oproep. In de meeste (maar niet alle) gebieden, moet het totaal aantal REN's niet groter zijn dan vijf (5.0). Om er achter te komen hoeveel apparaten met een lijn verbonden mag 447
12. Bijlage zijn (zoals bepaald door het totaal REN's), neemt u contact op met de plaatselijke telefoonmaatschappij. De REN voor dit product is deel van de productidentificatie met de indeling US:AAAEQ##TXXXXX. De cijfers weergegeven door ## zijn de REN zonder decimaal (bijv. 03 is een REN van 0,3). 5. Als dit apparaat schade aan het telefoonnetwerk aanbrengt, zal de telefoonmaatschappij u van tevoren inlichten dat een tijdelijke beëindiging van de dienst nodig mag zijn. Als waarschuwing vooraf niet haalbaar is, zal de telefoonmaatschappij de klant zo snel mogelijk inlichten. U krijgt ook informatie over uw rechten om een klacht in te dienen bij de FCC als u dat nodig acht. 6. De telefoonmaatschappij kan wijziging aanbrengen in de faciliteiten, apparatuur, bediening of procedures die de werking van het apparaat kunnen beïnvloeden. Als dit gebeurt, zal de telefoonmaatschappij u vooraf waarschuwen zodat u de nodige aanpassingen kunt maken om een ondoorbroken service te behouden. 7. Als u problemen ervaart met dit apparaat kunt u contact opnemen met Ricoh Americas Corporation Customer Support Department at 1-800-FASTFIX. U kunt hier ook terecht voor reparatie of garantie-informatie. Als het apparaat problemen veroorzaakt met uw telefoonnetwerk, kan de telefoonmaatschappij u verzoeken het apparaat te ontkoppelen tot het probleem opgelost is. 8. In het geval van bedieningsproblemen (documentstoring, kopieerstoring, communicatiefout), zie de handleiding geleverd bij dit apparaat voor instructies over het oplossen van het probleem. 9. Verbinding met service van derde partij is onderhevig aan staatstarieven. Neem contact op met de betreffende openbare voorzieningen voor meer informatie. 10. Als uw huis voorzien is van speciaal bedraad alarmapparatuur verbonden met de telefoonlijn, moet u ervoor zorgen dat dit apparaat uw alarmsysteem niet uitschakelt. Als u vragen heeft over wat het alarmsysteem zal uitschakelen, kunt u contact opnemen met uw telefoonmaatschappij of gekwalificeerde installateur. BIJ HET PROGRAMMEREN VAN ALARMNUMMERS EN/OF MAKEN VAN TESTOPROEPEN NAAR ALARMNUMMERS: 1. Blijf aan de lijn en leg kort de reden van uw oproep uit voor u ophangt. 2. Voer dergelijke zaken uit op een rustig tijdstip, zoals 's ochtends vroeg of 's avonds laat. De Telephone Consumer Protection Act of 1991 bepaalt dat het onwettig is voor iemand om een computer of ander elektronisch apparaat, zoals fax, te gebruiken voor het verzenden van berichten, tenzij het bericht duidelijk in een marge boven of onder aan elke verzonden pagina of op de eerste pagina van de verzending, de datum en tijd van verzenden en een identificatie van het bedrijf of de instelling of ander individu die het bericht verzendt en het telefoonnummer van het verzendapparaat of bedrijf, instelling of individu bevat. Het telefoonnummer mag geen 900-nummer of ander nummer zijn waarvan de kosten de lokale of lange-afstandstarieven overschrijden. Om deze informatie in uw fax te programmeren, moet u de volgende stappen volgen: volg de programmeringsprocedure van de faxkoptekst in het programmeerhoofdstuk van de gebruiksaanwijzing om de bedrijfsidentificatie en het telefoonnummer van de terminal of het bedrijf in te voeren. Deze informatie wordt met uw document verzonden in de koptekst. Naast deze informatie dient u ook de datum en tijd in uw apparaat te programmeren. 448
Apparaatinformatie Opmerkingen voor gebruikers van draadloze apparaten in Canada Dit apparaat voldoet aan de normen van het Canadese industriële, vrij van vergunning gestelde RSS. Bediening is afhankelijk van de twee volgende voorwaarden: (1) Dit apparaat mag geen schadelijke interferentie veroorzaken en (2) Dit apparaat moet een ontvangen interferentie accepteren, inclusief interferentie die tot ongewenste werking kan leiden. Deze apparatuur voldoet aan de IC-blootstellingsgrenzen voor straling die van kracht zijn voor een ongecontroleerde omgeving en voldoet aan RSS-102 van de IC-radiofrequentie (RF) blootstellingsrichtlijnen. Deze apparatuur moet zodanig worden geïnstalleerd en bediend dat de radiator zich op ten minste 20 cm afstand bevindt van de persoon die het apparaat bedient (exclusief ledematen zoals handen, polsen, voeten en enkels). Remarques à l'attention des utilisateurs canadiens d'appareils sans fil Le présent appareil est conforme aux CNR d'industrie Canada applicables aux appareils radio exempts de licence. L'exploitation est autorisée aux deux conditions suivantes : (1) l'appareil ne doit pas produire de brouillage, et (2) l'utilisateur de l'appareil doit accepter tout brouillage radioélectrique subi, même si le brouillage est susceptible d'en compromettre le fonctionnement. Cet équipement est conforme aux limites d exposition aux rayonnements énoncées pour un environnement non contrôlé et respecte les règles d exposition aux fréquences radioélectriques (RF) CNR-102 de l IC. Cet équipement doit être installé et utilisé en gardant une distance de 20 cm ou plus entre le radiateur et le corps humain. (à l exception des extrémités : mains, poignets, pieds et chevilles) Opmerkingen voor Canadese gebruikers met betrekking tot de faxeenheid Dit product voldoet aan de van toepassing zijnde technische specificaties van Innovation, Science and Economic Development Canada. Het Ringer Equivalence Number (REN) geeft het maximale aantal apparaten aan dat op één telefooninterface kan worden aangesloten. De verbinding van een telefooninterface kan uit een willekeurige combinatie van apparaten bestaan, met als enige eis dat het totaal van REN's van alle apparaten niet meer is dan vijf. 449
12. Bijlage Remarques à l'attention des utilisateurs canadiens Le présent produit est conforme aux spécifications techniques applicables d'innovation, Sciences et Développement économique Canada L'indice d'équivalence de la sonnerie (IES) sert à indiquer le nombre maximal de dispositifs qui peuvent être raccordés à une interface téléphonique. La terminaison d'une interface peut consister en une combinaison quelconque de dispositifs, à la seule condition que la somme des IES de tous les dispositifs n'excède pas cinq. ENERGY STAR-programma ENERGY STAR -programmavereisten voor beeldmateriaal De ENERGY STAR -programmavereisten voor beeldmateriaal moedigen milieubehoud aan via het promoten van energiebesparende computers en andere kantooruitrustingen. Het programma ondersteunt de ontwikkeling en verdeling van producten met energiebesparende functies. Het is een open programma waaraan fabrikanten op vrijwillige basis kunnen deelnemen. Beoogde producten zijn computers, beeldschermen, printers, faxapparaten, kopieerapparaten, scanners, en multifunctionele apparaten. De Energy Star-normen en -logo's zijn internationaal uniform. Energie besparen Dit apparaat is uitgerust met de volgende energiespaarstanden: Energiespaarstand 1 en Energiespaarstand 2. Als het apparaat een bepaalde periode niet gebruikt is, gaat het apparaat automatisch over op de energiespaarstand. Het apparaat keert terug uit de energiespaarstand wanneer een afdruktaak wordt ontvangen, een ontvangen fax wordt afgedrukt of een willekeurige toets wordt ingedrukt. 450
Apparaatinformatie Energiespaarstand 1 Het apparaat gaat over naar Energiespaarstandmodus 1 als het apparaat 30 seconden niet is gebruikt. Het kost minder tijd om terug te keren uit Energiespaarstand 1 dan uit de uitgeschakelde status of uit Energiespaarstand 2, maar het stroomverbruik in Energiespaarstand 1 is hoger in dan in Energiespaarstand 2. Energiespaarstand 2 Het apparaat gaat over naar Energiespaarstandmodus 2 als de opgegeven tijd voor deze instelling is verstreken. De printer verbruikt in Energiespaarstand 2 minder stroom dan in Energiespaarstand 1, maar het duurt langer om terug te keren uit Energiespaarstand 2. Specificaties Energiespaarstand 1 Energieverbruik *1 44,2 W 42,6 W Standaardtijd Hersteltijd *1 30 seconden 10 seconden of minder Energiespaarstand 2 Energieverbruik *1 1,3 W Standaardtijd Hersteltijd *1 1 minuut 30 seconden Duplexfunctie *2 Standaard *1 De hersteltijd en het energieverbruik kunnen variëren afhankelijk van de staat en de omgeving van het apparaat. *2 Behaalt ENERGY STAR-energiebesparingen; product is volledig gekwalificeerd als het geleverd (of gebruikt) wordt met een lade voor dubbelzijdig afdrukken en de functie dubbelzijdig afdrukken als optie ingeschakeld is. Voor meer informatie over de energiespaarstanden, zie Pag. 266 "Instellingen van Beheerderstoepassingen". Als het apparaat 24 uur achter elkaar in Energiespaarstand 2 staat, zal het apparaat automatisch naar de normale status terugkeren en zelf onderhoud uitvoeren. 451
12. Bijlage Handelsmerken Adobe en Acrobat zijn geregistreerde handelsmerken of handelsmerken van Adobe Systems Incorporated in de Verenigde Staten en/of in andere landen. Android en Google Play zijn handelsmerken of geregistreerde handelsmerken van Google Inc. OS X, TrueType App Store en Safari zijn handelsmerken van Apple Inc., geregistreerd in de Verenigde Staten en andere landen. Firefox is een geregistreerd handelsmerk van Mozilla Foundation. ios is een handelsmerk of gedeponeerd handelsmerk van Cisco in de Verenigde Staten en andere landen en wordt onder licentie gebruikt. Java is een geregistreerd handelsmerk van Oracle en/of haar dochterondernemingen. LINUX is het gedeponeerde handelsmerk van Linus Torvalds in de Verenigde Staten en in andere landen. Microsoft, Windows, Windows Server, Windows Vista en Internet Explorer zijn geregistreerde handelsmerken of handelsmerken van Microsoft Corporation in de Verenigde Staten en/of andere landen. Mopria en het Mopria logo zijn handelsmerken van Mopria Alliance, Inc. PCL is een geregistreerd handelsmerk van Hewlett-Packard Company. QR Code is een geregistreerd handelsmerk van DENSO WAVE INCORPORATED in Japan en in andere landen. Red Hat is een geregistreerd handelsmerk van Red Hat, Inc. Wi-Fi en Wi-Fi Direct zijn geregistreerde handelsmerken van Wi-Fi Alliance. De correcte naam van Internet Explorer 6 is Microsoft Internet Explorer 6. De officiële namen van de Windows-besturingssystemen zijn: De productnamen van Windows Vista zijn als volgt: Microsoft Windows Vista Ultimate Microsoft Windows Vista Business Microsoft Windows Vista Home Premium Microsoft Windows Vista Home Basic Microsoft Windows Vista Enterprise 452
Handelsmerken De productnamen van Windows 7 zijn als volgt: Microsoft Windows 7 Starter Microsoft Windows 7 Home Premium Microsoft Windows 7 Professional Microsoft Windows 7 Ultimate Microsoft Windows 7 Enterprise De productnamen van Windows 8.1 zijn als volgt: Microsoft Windows 8.1 Microsoft Windows 8.1 Pro Microsoft Windows 8.1 Enterprise De productnamen van Windows 10 zijn als volgt: Microsoft Windows 10 Home Premium Microsoft Windows 10 Pro Microsoft Windows 10 Enterprise Microsoft Windows 10 Education De productnamen van Windows Server 2008 zijn als volgt: Microsoft Windows Server 2008 Foundation Microsoft Windows Server 2008 Standard Microsoft Windows Server 2008 Enterprise Microsoft Windows Server 2008 Datacenter Microsoft Windows Server 2008 voor systemen op Itanium-basis Microsoft Windows Web Server 2008 Microsoft Windows HPC Server 2008 De productnamen van Windows Server 2008 R2 zijn als volgt: Microsoft Windows Server 2008 R2 Foundation Microsoft Windows Server 2008 R2 Standard Microsoft Windows Server 2008 R2 Enterprise Microsoft Windows Server 2008 R2 Datacenter Microsoft Windows Server 2008 R2 voor systemen op Itanium-basis Microsoft Windows Web Server R2 2008 Microsoft Windows HPC Server R2 2008 De productnamen van Windows Server 2012 zijn als volgt: Microsoft Windows Server 2012 Foundation 453
12. Bijlage Microsoft Windows Server 2012 Essentials Microsoft Windows Server 2012 Standard Microsoft Windows Server 2012 Datacenter De productnamen van Windows Server 2012 R2 zijn als volgt: Microsoft Windows Server 2012 R2 Foundation Microsoft Windows Server 2012 R2 Essentials Microsoft Windows Server 2012 R2 Standard Microsoft Windows Server 2012 R2 Datacenter De productnamen van Windows Server 2016 zijn als volgt: Microsoft Windows Server 2016 Datacenter Microsoft Windows Server 2016 Standard Microsoft Windows Server 2016 Essentials Andere productnamen in deze handleiding dienen alleen ter aanduiding en kunnen handelsmerken zijn van hun respectievelijke eigenaren. Wij maken geen enkele aanspraak op enig recht op deze merken. Schermafbeeldingen van Microsoft-producten zijn afgedrukt met toestemming van Microsoft Corporation. 454
INDEX A Aanbevolen papier... 84 ADF...350 ADF (Automatische documentinvoer)... 84, 350 Adresboek...134, 248 adresboek (LAN-Fax)... 215 Adresboek (LAN-fax)... 211 Afbeeldingsbelichting... 206 Afbeeldingsdichtheid... 128 Afdrukfuncties... 104 Afdrukgebied...79 Afdrukinstelling van het netwerk... 308 Afdrukken Afdrukken op enveloppen... 58 Basiswerking... 92 Combineren...87 Duplex... 87 Specificaties...433 Afdrukkwaliteitfuncties... 104 Afdrukteller... 286 Afdrukuitvoerfuncties...105 Algemene IPsec-instellingen...317 Algemene status... 307 Alleen faxen...219 Apparaatinformatie...289 B Basisbediening... 231 Basiswerking...144 Bedieningspaneel...23 Bedieningstoepassingen... 43 Beheerderinstellingen... 322 Beheerdersinstellingen...322 Beheerderswachtwoord...15, 266 Beheerderwachtwoord...322 Belichting... 179 Beveiligde afdruk... 96 Bevestiging faxnummer...294 Binnenkant... 22 Bovenste pagina... 283 Broadcastfunctie...202 Buitenkant...17 C Codering...423 Community...311 Configuratiepagina...273, 321 D Datum instellen... 325 De fuseereenheid en transferrol vervangen...338 Direct kiezen...204 Directe verzending...194 Disclaimer... 14 DNS-instelling...309 Doorsturen...222, 223 Draadloze instellingen...315 Duplex...289 E E-mailmelding 1... 310 E-mailmelding 2... 310 Economy Color Prints...288 Een fax annuleren... 210 Een fax versturen... 196 Een kopie annuleren... 111 Een verzending annuleren...198 Energiespaarstand... 325, 450 F Fax Een fax ontvangen... 216 Een fax verzenden... 194 LAN-Fax...209 Lijsten/Rapporten... 229 Registreren bestemmingen... 188 Specificaties...436 Workflows voor het instellen van de fax...184 FAX/TAD-modus...219 FAX/TEL automatische modus... 219 FAX/TEL handmatige modus... 218 Faxapparaatscherm...185 Faxbestemmingen... 188, 190, 192, 299 Faxeigenschappen...239 Faxen afdrukken...225 Faxjournaal...273 Foutmeldingen... 355 455
Fuseereenheid... 338 G Gebruikersbeperking... 15 Gebruikerscode...305 Gebruikersfunctie beperken...301 Gebruikersfuncties beperken... 305 Geheugenverzending...194 Geluidsvolume aanpassen... 290 Geverifieerde ontvangst... 227, 295 Glasplaat... 349 H Handelsmerken... 452 Handinvoer... 57, 291 Het apparaat configureren De configuratiepagina afdrukken...273 Het bedieningspaneel gebruiken... 231 Het apparaat onderhouden De printcartridge vervangen...327 Het apparaat reinigen... 339, 342, 349 Het apparaat schoonmaken... 350 Het kopieerapparaatscherm... 108 Het papiertype en het papierformaat opgeven..66 Het scannerscherm...132 I I/O time-out... 297 IKE-instellingen... 317 Informatie controleren Instellingen printerstuurprogramma...90 Informatie registeren Bestemmingen... 134 Informatie registreren e-mailadres...153 Faxnummer...266 FTP-server... 157 Map... 144 Inleiding...13 Instelling voor datum...325 Instelling voor datum en tijd... 325 Instelling voor tijd... 325 Instellingen back-uppen... 323 Instellingen Draadloos LAN... 315 Instellingen herstellen...324 Instellingen papierlade... 261 Instellingen resetten...322 Instellingen van automatische e-mailmeldingen......310 Instellingen van Beheerderstoepassingen...266 Instellingen voor datum en tijd... 187 Internetfax... 220, 314 Internetfax verzenden en ontvangen...437 IPsec-beleidsinstellingen...317 IPsec-instellingen... 317 IPsec-verzending...423 IPv6-configuratie... 308 IPv6-omgeving... 308 K Kopieereigenschappen... 233 Kopiëren Basiswerking...110 Combineren...115, 120 Dubbelzijdig kopiëren...120 Dubbelzijdige kopie... 115 ID-kaart kopiëren...125 Kopiëren op enveloppen... 58 Scaninstellingen... 128 Specificaties...434 Vergroten...113 Verkleinen...113 L Lade 1... 52 Lade 1 prioriteit... 291 Lade 1 uittrekken... 55 Lade 2... 291 Lade prioriteit...296 LAN-fax...209 Lijst met opties... 15 Lijst met scannerbestemmingen... 273 Lijst met snelkeuzebestemmingen...273 Lijst met verkorte faxkiesnummer-bestemmingen......273 Lijst met wachtende faxbestanden... 273, 321 Lijsten... 229, 273, 321 M mdns-instelling...308 Meerdere taken tegelijk uitvoeren... 38 456
Menuoverzicht...232 Modelspecifieke informatie... 13 N Netwerkapplicatie... 308 Netwerkinstellingen...275, 307 Netwerkinstellingen configureren als u OS X gebruikt Ethernet... 414 USB... 413 Netwerkinstellingen configureren wanneer u OS X gebruikt Draadloos LAN...416 Het stuurprogramma installeren...416 Netwerkstatus... 307 Niet aanbevolen papiertypen...78 O Onderhoudspagina... 273, 321 Ondersteund papier...68 Ontvangen faxbestand verwerken... 294 Ontvangstmodus... 216 Opmerkingen... 430 Opnieuw kiezen...203 Opties instellen... 88 Origineel... 83 Origineeltype... 129 Originelen plaatsen...82 P Paginateller...286 Papier bewaren... 79 Papier komt niet overeen... 93 Papier plaatsen...52 Papierformaat... 61 Papierinvoereenheid TK1220...26 Papierinvoereenheid TK1220 bevestigen... 26 Papierlade... 285 Papierlade-instellingen... 290 Papierstoring...366, 369, 372, 374, 375 Papiertoevoereenheid TK1220... 438 Papiertype en -formaat opgeven... 64 Papiertypen...70 Bankpost...70 Briefpapier...70 Dik papier 1... 70 Dik papier 2... 70 Dun papier... 70 Envelop...70 Etikettenpapier... 70 Gekleurd papier... 70 Geperforeerd papier...70 Gerecycled papier... 70 Karton... 70 Middelmatig dik papier... 70 Normaal papier...70 Voorbedrukt papier... 70 PCL6... 326 PictBridge... 99, 101 POP3-instellingen...313 Printcartridge...327, 440 Printereigenschappen... 257 Prioriteit instelling handinvoerlade...290 Problemen oplossen... 395, 397, 399 Fout- en statusmeldingen op het scherm... 355 Overige problemen...378, 379, 382, 385, 410 R Rapporten... 273, 321 Rechtstreeks afdrukken...99 Registreren informatie Bestemmingen... 188 Reinigen... 339, 340, 342, 349 Resolutie... 180, 207 S SA (Security Association)... 424 Scanbestemmingen... 134, 140, 141, 160, 299 Scanformaat... 178 Scanfunctie... 435 Scannen Bestemmingen registreren... 134 SANE... 177 Scaninstellingen... 178 Scannen naar e-mail... 153 Scannen naar FTP... 157 Scannen naar map... 144 Scannen naar USB...161 TWAIN...169 WIA...173 Scannen naar e-mail...134, 153 457
Scannen naar FTP...134, 157 Scannen naar map...134 Scannerbestemmingslijst...321 Scannereigenschappen...237 Scannerjournaal...273 Schoonmaken...345 Schutblad...215 Selecteer pap.lade...294 Selecteer papier... 293, 294 SMTP-instellingen...312 SNMP-instellingen... 311 Speciale afzenders... 226 Specificaties...431, 433, 434, 435, 436 Standaardinstellingen... 322 Statusinformatie... 285 Statusmeldingen... 355 Systeem...311 Systeeminformatie... 285 Systeeminstellingen... 249, 290 Verkorte kiesbestemming...202 Verplaatsing... 352 Vertrouwelijk document... 95 Verzendingsmodus...194 Verzendinstelling scanner...308 W Wat u met dit apparaat kunnen doen Printerfunctie...87 Wat u met dit apparaat kunt doen Faxfunctie...183 Kopieerfunctie... 107 Scannerfunctie...131 Web Image Monitor...282 Z Z/W-afdruk prioriteit...298 T Taak annuleren...93 Taal...284 TCP/IP-status... 307 Tekens invoeren...44 Tellerinformatie...286 Toets opnieuw kiezen... 160 Toner... 285 Toner besparen... 297 Tonerafvalfles...332, 442 Transferrol...338 Trap... 311 Tussenliggende transfereenheid... 338 Tussenliggende transfereenheid vervangen... 338 TWAIN-scannen... 169 Tijd instellen... 325 U Uitwisseling van coderingssleutel... 425 V Verbruiksartikelen...440 Verificatie... 423 Verkort kiezen...190, 192 458
MEMO 459
MEMO 460 NL NL M0AX-8626
2017
NL NL M0AX-8626