Onteigening in de gemeente Oss

Vergelijkbare documenten
Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.

ONTEIGENING TEN BEHOEVE VAN DE ONTWIKKELING VAN HET BEDRIJVENTERREIN BPMAA

Onteigening in de gemeente Apeldoorn

Onteigening in de gemeente Arnhem

Onteigening in de gemeente Doetinchem

Onteigening in de gemeente Leeuwarden VROM

Onteigening in de gemeente Barendrecht

Vestiging voorkeursrecht plangebied "Ten noorden van de Nieuwe Maasdijk" in Heusden

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Onteigening in de gemeente Amsterdam

Onteigening in de gemeente Hilversum VROM

Onteigening in de gemeente Utrecht

Aanwijzing van gronden ter onteigening in de gemeente Beesel

Onteigening in de gemeente Venlo VROM

Onteigening in de gemeente Amsterdam

Onteigening in de gemeente Oisterwijk VROM

Onteigening in de gemeente Eindhoven VROM

Doelstelling van onderhavig plan is het juridisch-planologisch mogelijk maken van de bouw van maximaal één woning op voornoemde locatie.

Wijziging van de onteigeningswet

Onteigening Lisbloemstraat 9 t/m 19 (Kleiwegkwartier) (nr. 604)

categorie/agendanr. stuknr. B. en W RA A 11 04/696 Onderwerp: Bezwaarschrift Sluyter Advocaten tegen besluit raad m.b.t.

Onteigening in de gemeente De Bilt


RAADSVOORSTEL Rv. nr.: B&W-besluit d.d.: B&W-besluit nr.:

gemeente eijsdervmargraten

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Afdeling 3.4A Informatie over samenhangende besluiten

Zienswijzenrapport. 1 e Herziening Zeelandsedijk 28-30a te Volkel. NL.IMRO.0856.BPZlndsedyk2830a01-ON01

RAADSVOORSTEL EN ONTWERPBESLUIT

: M.P.C. Gadella - Van Gils

Onteigening in de gemeente Amsterdam VROM

het bezwaarschrift van de heer M.H.A. Pörteners, Koningstraat 5, 6129 BD Berg aan de Maas

Wet voorkeursrecht gemeenten

Toelichting over de behandeling van:

Gemeente Aalten. Bestemmingsplan. Buitengebied. Groot Deunkweg Aalten 6

RAADSVOORSTEL Inclusief erratum d.d. 13 september Rv. nr.: B en W-besluit d.d.: B en W-besluit nr.: 11.

het oprichten van een appartementengebouw Onyxdijk 167 te Roosendaal

Onteigening in de gemeenten Culemborg en Geldermalsen

Voorstel. (2003) nummer 103

AAN DE GEMEENTERAAD. Nummer : 2007/78 Datum : 20 september 2007 : Vestiging voorkeursrecht ex artikel 8 Wvg 'Vroonlandseweg en Goessestraatweg'

Vestiging voorkeursrecht plangebied "Ten noorden van de Nieuwe Maasdijk" in Heusden

TOELICHTING. Compositie 5 stedenbouw bv Boschstraat GB Breda info@c5s.nl

Zienswijze Schipper De zienswijze die naar voren gebracht wordt, kan als volgt worden weergegeven:

Beschikking omgevingsvergunning uitgebreide procedure

Ambtelijke bijstand: Janke Bolt 1

Transcriptie:

VROM Onteigening in de gemeente Oss Percelen begrepen in het bestemmingsplan Besluit van 6 augustus 2002 no. 02.003640 tot gedeeltelijke goedkeuring van het besluit van de raad van Oss van 12 oktober 2001, no. 172, tot onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 juni 2002 no. MJZ 2002045250, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken, en van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Directoraat- Generaal Openbaar Bestuur. Gelezen de brief van burgemeester en wethouders van Oss van 21 december 2001, kenmerk S/GZnr.2001. Gelet op Titel IV van de onteigeningswet, Titel V van de Gemeentewet en Titel 10.2 van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad van State gehoord (advies van 4 juli 2002 no. W08.02.0247/V). Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 30 juli 2002 no. MJZ 2002063369, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken. Beschikken bij dit besluit over de goedkeuring van het besluit van de raad van Oss van 12 oktober 2001, no. 172, tot onteigening ingevolge artikel 77, eerste lid, aanhef en onder 1, van de onteigeningswet, ten name van die gemeente, van de bij dat besluit aangewezen percelen kadastraal bekend gemeente Oss, sectie B, nos. 5473, 5498, 5524, 5535 en 5536. Overwegingen Ingevolge voornoemd artikel 77 van de onteigeningswet kan, zonder voorafgaande verklaring bij de wet dat het algemeen nut onteigening vordert, onteigening plaatsvinden onder meer ten behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan. De ter onteigening aangewezen percelen zijn begrepen in het, inmiddels onherroepelijk goedgekeurde, bestemmingsplan van de gemeente Oss. Blijkens het raadsbesluit tot onteigening wenst de gemeente Oss de daarin bedoelde gronden in eigendom te verkrijgen ter uitvoering van evengenoemd bestemmingsplan. De in het onteigeningsplan begrepen gronden zijn in meergenoemd bestemmingsplan aangewezen voor Bedrijfsdoeleinden I, II en III (a/b/c), Bedrijvenpark I en II, Verkeersdoeleinden alsmede voor Hoogspanningsleiding en Gastransportleiding. Het betreft hier (deels) globale bestemmingen, welke door burgemeester en wethouders van Oss niet nader overeenkomstig artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening behoeven te worden uitgewerkt. De door de gemeente Oss ter plaatse voorgestane wijze van planuitvoering behelst, zo heeft het ter zake ingestelde onderzoek uitgewezen, de (verdere) realisering van een bedrijfsterrein, genaamd Vorstengrafdonk. In de wijze van planuitvoering is onder meer inzicht verschaft door middel van overlegging van de bij voornoemd bestemmingsplan behorende kaarten, de voorschriften met de daarin opgenomen beschrijving in hoofdlijnen en een stedenbouwkundig plan (een verkavelingsmodel), de toelichting met de daarin opgenomen kaarten alsmede een beeldkwaliteitsplan. Zo is uit deze stukken en uit het onderzoek gebleken, dat het betrokken bedrijventerrein bruto ongeveer 100 hectare zal omvatten, waarvan netto 70 hectare uitgeefbaar zal zijn. De overige 30 hectare zal worden benut voor openbare voorzieningen, zoals wegen, waterberging, openbaar groen, voet- en fietspaden. In het bestemmingsplan zijn, zo is verder gebleken, drie segmenten te onderscheiden. De zogenoemde noordzone heeft als uitgangspunt een goede overgang naar het landschap. In dit segment komen kleinschalige bedrijven met een kavelomvang vanaf 3.000 m 2. De middenzone wordt het functioneel en economisch verkavelde centrale deel met zwaardere en/of grootschalige bedrijven. Met kavels van minimaal 5.000 m 2 binnen de zone BIa; vervolgens kavels van minimaal 15.000 m 2 binnen de zone BIb en tenslotte kavels van minimaal 30.000 m 2 binnen de zones BIc en BIIIb. De zuid- en oostzone dienen een parkachtig karakter te krijgen met kantoorgerichte bedrijven, met in de oostzone een minimale kavelomvang van 7.500 m 2. Het bedrijventerrein Vorstengrafdonk dient, zo staat onder meer in de toelichting op het bestemmingsplan aangegeven, een hoogwaardig terrein te worden, voor met name de distributie- en transportsector. Aan de inrichting van het bedrijventerrein worden, zo is verder uit de overgelegde stukken en uit het onderzoek gebleken, hoge en vrij stringente eisen gesteld voor wat betreft het type bedrijven (met zoveel mogelijk arbeidsplaatsen), inrichting en kavelomvang. Om die reden is op bladzijde 10 van de toelichting op het bestemmingsplan reeds een stedenbouwkundig plan (een verkavelingmodel) opgenomen. Dit plan is door middel van diverse tekeningen in de toelichting daarna verduidelijkt. De inrichting van het toekomstige bedrijventerrein is nog verder gedetailleerd in het eerdergenoemde Beeldkwaliteitsplan, dat eveneens onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan. Het raadsbesluit tot onteigening heeft overeenkomstig artikel 84, eerste lid, van de onteigeningswet, na rectificatie, met ingang van 21 december 2001 gedurende vier weken voor een ieder ter inzage gelegen op de secretarie van de gemeente Oss. Binnen deze termijn zijn tegen het raadsbesluit bij Ons schriftelijk bedenkingen naar voren gebracht door: Uit: Staatscourant 12 september 2002, nr. 175 / pag. 20 1

a. H.J.L. Hofmans en A.W.J.A. Post- Hofmans beiden te Oss, b. W.G.F. Bens en A.P.M. Bens- Ruijs beiden te Oss, c. mr H. Zeilmaker te Nijmegen namens M.M. van Tongeren te Berghem en d. mr R.D. Boesveld te Arnhem namens A.C.J. Overgaauw en A.E.M. Overgaauw-Westgeest beiden te Oss. Aan artikel 86, tweede lid, van de onteigeningswet, inhoudende dat degenen, die tijdig ingevolge het derde lid van artikel 84 van die wet bedenkingen naar voren hebben gebracht, door Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de gelegenheid worden gesteld zich te doen horen, is voldaan. Overwegingen ten aanzien van de naar voren gebrachte bedenkingen De reclamanten onder a., rechthebbenden op het mede ter onteigening aangewezen perceel kadastraal bekend gemeente Oss, sectie B, no. 5473, merken in de eerste plaats op, dat zij met klem bestrijden, dat zij, zoals door de gemeente wordt gesteld, geen (mondelinge) zienswijzen omtrent het onderwerpelijke onteigeningsplan naar voren hebben gebracht. Voorts merken de reclamanten kort samengevat op, dat zij gezien hun bedrijfsactiviteiten, al dan niet met behulp van de gemeente of een onafhankelijke derde, bereid en in staat moeten worden geacht het bestemmingsplan ter plaatse van het onderwerpelijke perceel zelf te ontwikkelen. Zij zijn voornemens aldaar een bedrijfshal te realiseren. Ten aanzien van het gestelde van de reclamanten inzake hun beweerdelijk mondeling naar voren gebrachte zienswijzen overwegen Wij, dat in artikel 80 van de onteigeningswet is bepaald dat op de voorbereiding van de beslissing tot onteigening van de gemeenteraad de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing is. Voorts is bepaald, dat het gemeentebestuur toepassing geeft aan de artikelen 3:11, 3:12 en 3:13 van de Algemene wet bestuursrecht. In artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald, dat het bestuursorgaan de desbetreffende stukken voor een periode van ten minste vier weken ter inzage legt voor hen aan wie ingevolge artikel 3:13 de gelegenheid wordt geboden hun zienswijze naar voren te brengen. In voornoemd artikel 3:13 is bepaald, dat belanghebbenden hun zienswijze (over in casu het onteigeningsplan) naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren kunnen brengen. Uit de overgelegde stukken is gebleken, dat het onderwerpelijke onteigeningsplan met ingang van 7 juni 2001 gedurende vier weken ter visie heeft gelegen op de secretarie van de gemeente Oss. In de kennisgeving van de tervisielegging van dat onteigeningsplan in het Brabants Dagblad van 6 juni 2001 stond onder meer vermeld, dat gedurende de termijn van vier weken belanghebbenden hun zienswijzen schriftelijk naar voren konden brengen. Voor het naar voren brengen van mondelinge zienswijzen werden belanghebbenden verzocht om binnen genoemde termijn contact op te nemen met de Afdeling grondzaken van de gemeente Oss. In het geschrift met bedenkingen hebben de reclamanten gesteld, dat zij gedurende de bedoelde termijn (telefonisch) contact hebben gezocht met een met name genoemde ambtenaar van de Afdeling grondzaken, welke ambtenaar voor hen het vaste aanspreekpunt was. Deze ambtenaar heeft de reclamanten doorverwezen naar een door de gemeente ingeschakeld taxatiebureau. Op 14 juni 2001 is, zo is gebleken, een gesprek geweest met een medewerker van dat bureau. Tijdens dat gesprek hebben de reclamanten (nogmaals) kenbaar gemaakt het bestemmingsplan ter plaatse van hun perceel zelf te willen ontwikkelen. Meergenoemd taxatiebureau heeft naar aanleiding van dit gesprek op 19 juni 2001 een brief naar het gemeentebestuur gestuurd, waarin verslag wordt uitgebracht van het onderhoud op 14 juni 2001. De gemeente heeft een en ander evenwel niet opgevat als een mondelinge zienswijze. In het kader van het horen als bedoeld in artikel 86 van de onteigeningswet hebben de reclamanten gesteld, dat zij genoemde gesprekken wel degelijk hebben bedoeld als een mondelinge zienswijze. Gelet op de vorengeschetste omstandigheden, te weten de gesprekken die hebben plaatsgevonden binnen de termijn waarin zienswijzen tegen de voorgenomen onteigening naar voren konden worden gebracht, overwegen Wij dat het niet overtuigend is dat er geen sprake is geweest van het op mondelinge wijze naar voren brengen van zienswijzen door de reclamanten. Er zijn dan ook termen aanwezig de reclamanten in hun bij Ons ingediende bedenkingen te ontvangen. Ten aanzien van de vorenaangehaalde bedenkingen van de reclamanten inzake het zelf realiseren van de op hun grond geprojecteerde bestemmingen dient vooreerst in het algemeen het volgende te worden overwogen. In het kader van een voorgenomen onteigening zal moeten zijn aangetoond, dat zonder de voorgestelde grondverwerving door de gemeente het doel waarvoor wordt onteigend niet of niet in de door de gemeente gewenste vorm te bereiken is. Voorts is van belang, dat indien een grondeigenaar, al dan niet in samenwerking met anderen, bereid en in staat is zelf de op zijn grond rustende bestemming(en) te verwezenlijken, onteigening voor dat doel in beginsel niet noodzakelijk is. Dit beginsel kan uitzondering lijden, indien door de gemeente ter verwezenlijking van de betrokken bestemming(en) een andere vorm van planuitvoering wordt gewenst dan de eigenaar voor ogen staat. In een dergelijk geval is onteigening echter slechts dan gerechtvaardigd, indien is aangetoond, dat aan die andere vorm van planuitvoering in het publiek belang dringend behoefte bestaat. De vorm van planuitvoering welke in het publiek belang geboden is, staat overigens in eerste aanleg ter beoordeling van het gemeentebestuur. Of de betrokken grondeigenaren zelf daadwerkelijk tot planuitvoering zullen (kunnen) overgaan, hangt dan ook in hoofdzaak af van de vorm van planuitvoering. Aangezien onteigening een zo zware ingreep is, dat deze een uiterste middel moet blijven, zal een deugdelijke grondslag aanwezig moeten zijn. Deze grondslag is niet aanwezig als het bestemmingsplan met toelichting dermate vaag is dat daaraan niet kan worden ontleend waarop uitvoering van het plan in feite zal neerkomen. In een onteigeningsprocedure moet kunnen worden beoordeeld of de onteigening in haar voorgestelde omvang noodzakelijk is. Om zowel de grondeigenaren als de Kroon een duidelijk beeld te verschaffen in de planuitvoeringsvorm die de gemeenteraad in het publiek belang het meest gewenst acht, moet de gemeentelijke beleidsvi- Uit: Staatscourant 12 september 2002, nr. 175 / pag. 20 2

sie daarover duidelijk kenbaar zijn gemaakt. Deze beleidsvisie kan worden verwoord in het bestemmingsplan, in de bijbehorende plantoelichting of op andere wijze bij afzonderlijk raadsbesluit. In geval van uit te werken bestemmingsplannen kan de benodigde duidelijkheid onder andere worden geboden door middel van een (ontwerp)besluit tot uitwerking ex artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Bij globale bestemmingen die niet behoeven te worden uitgewerkt is de in een beschrijving in hoofdlijnen vermelde manier waarop de aan de gronden toegekende doeleinden worden nagestreefd, een geschikt middel om de vereiste duidelijkheid te verschaffen. Daarnaast kan uiteraard ook de plantoelichting een functie vervullen. In voorkomende gevallen kan tevens worden teruggevallen op een afzonderlijk raadsbesluit, op een inrichtings/verkavelingsplan, een beeldkwaliteitsplan dan wel bij grotere projecten op een masterplan. Ten aanzien van het gestelde van de reclamanten in dezen dient in het bijzonder het volgende te worden overwogen. Het betrokken perceel van de reclamanten, ter grootte van 9.380 m 2, is ingevolge het ter uitvoering staande bestemmingsplan met name aangewezen voor Verkeersdoeleinden en Bedrijfsdoeleinden (BIII/b). Het perceel maakt deel uit van de eerder beschreven middenzone, alwaar bedrijfskavels van minimaal 3 hectare (30.000 m 2 ) gepland zijn. Het voor bedrijfsdoeleinden bestemde gedeelte van het onderwerpelijke is ongeveer 4.500 m 2 groot. Een en ander betekent dat een kleine bedrijfskavel aldaar van hooguit 0,5 hectare, zoals de reclamanten voor ogen staat, in strijd moet worden geacht met (de uitgangspunten van) het bestemmingsplan en met de door de gemeente in het publiek belang gewenste vorm van planuitvoering. De gemeente heeft de reclamanten overigens, zo heeft het onderzoek verder uitgewezen, per brief van 3 januari 2002 aangeboden een recht van voorkeur te verlenen tot het aankopen van een bedrijfskavel ter grootte van circa 1 hectare aan de noordzijde van het plan Vorstengrafdonk. De reclamanten onder b., rechthebbenden op het mede ter onteigening aangewezen perceel kadastraal bekend gemeente Oss, sectie B, no. 5524, merken op, dat zij de gemeente kenbaar hebben gemaakt de bestemming(en) op het onderwerpelijke perceel zelf te willen en kunnen realiseren overeenkomstig de voorschriften van het ter uitvoering staande stemmingsplan, het uitgiftebeleid van de gemeente Oss en rekening houdend met het kwantitatieve en kwalitatieve beleid van de gemeente ten aanzien van de inrichting en ontwikkeling van het gehele bestemmingsplan. In dit verband merken zij verder op, dat ter wille van de continuïteit van hun bedrijf hun uitgangspunt tot nu toe is geweest om in minnelijke sfeer met de gemeente tot overeenstemming te geraken. Een en ander houdt volgens de reclamanten verband met het feit, dat de gemeente zou beschikken over een voor hun bedrijf gunstig gelegen perceel ruilgrond alsmede met het feit dat met de gemeente afspraken te maken zijn over de waterhuishouding van het gebied waarin hun bedrijf is gelegen. Indien in minnelijk overleg geen overeenstemming kan worden bereikt dan zal op andere wijze in de continuïteit van hun bedrijfsvoering voorzien moeten worden. Eerst in dat kader wordt volgens de reclamanten het zelf realiseren van het bestemmingsplan ter plaatse van het onderwerpelijke perceel een serieuze optie. Ten aanzien van de zojuist aangehaalde bedenkingen overwegen Wij vooreerst dat in het algemeen niet eerder tot onteigening behoort te worden overgegaan, dan nadat een redelijke doch vruchteloos gebleken poging is ondernomen om hetgeen onteigend moet worden langs minnelijke weg te verwerven. Aan deze eis is naar Ons oordeel genoegzaam voldaan, indien voor de eerste tervisielegging van het onteigeningsplan met de onderhandelingen over de minnelijke verwerving een aanvang is gemaakt en ten tijde van het nemen van het raadsbesluit tot onteigening voldoende aannemelijk is dat die onderhandelingen vooralsnog niet tot het gewenste resultaat zullen leiden. Te dien aanzien heeft het onderzoek uitgewezen, dat het betrokken perceel van de reclamanten is gelegen in de hiervoor omschreven zogenaamde noordzone van het bestemmingsplan, alwaar op en rondom het onderwerpelijke perceel een zestal bedrijfskavels zijn gepland van minimaal 3.000 m 2. Slechts een van deze kavels is geheel gesitueerd op het meergenoemde perceel. Het onderzoek heeft echter uitgewezen, dat de reclamanten in feite in het geheel geen plannen hebben om zelf tot het deels verwezenlijken van het bestemmingsplan over te gaan. Gebleken is verder, dat de reclamanten een melkveehouderij exploiteren. Namens de reclamanten is in het kader van het onderzoek gesteld, dat een dergelijk bedrijf over voldoende landbouwgronden moet kunnen beschikken, al dan niet in eigendom of pacht. De gemeente Oss heeft de reclamanten, zo is verder gebleken, compensatiegronden (met bijbetaling) aangeboden. De verwachting is uitgesproken, dat over deze aanbieding alsnog overeenstemming kan worden bereikt, doch door de reclamanten zou aan die overeenstemming een oplossing voor een afwateringsprobleem, dat zij hebben met het waterschap, hebben gekoppeld. Gezien het vorenstaande zijn Wij van oordeel, dat de gemeente naar Ons oordeel teneinde op een redelijk tijdstip tot uitvoering van het desbetreffende bestemmingsplan te kunnen overgaan in beginsel tot onteigening heeft kunnen besluiten. Bij het uitblijven van minnelijke overeenstemming zal de schadeloosstelling op grond van artikel 40 van de onteigeningswet plaatsvinden op basis van een volledige vergoeding van alle schade die de eigenaar (eigenaren) rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn (hun) zaak lijdt (lijden). De hoogte van de vergoeding staat thans niet ter beoordeling, aangezien de vaststelling daarvan geschiedt in het kader van de gerechtelijke procedure. De onteigeningswet voorziet overigens niet in een verplichting tot het aanbieden van vervangende grond. De reclamante onder c., rechthebbende op het mede ter onteigening aangewezen perceel kadastraal bekend gemeente Oss, sectie B, no. 5535, merkt op, dat zij voor het verlies van haar eigendom gecompenseerd wenst te worden met een bedrijfskavel op het te realiseren bedrijventerrein. De gemeente heeft volgens de reclamante aangegeven hiertoe, zij het in de beleving van de gemeente onverplicht, bereid te zijn en doet voorkomen alsof zij met het oog op verdere onderhandelingen in afwachting is van nadere gegevens van haar kant over de op deze kavel te stichten bedrijfsgebouwen en de te Uit: Staatscourant 12 september 2002, nr. 175 / pag. 20 3

plegen bedrijfsvoering. De reclamante stelt deze informatie al in september 2000 te hebben verstrekt en kan het verzoek van de gemeente om het verstrekken van informatie derhalve niet plaatsen. De reclamante is bevreesd dat de gemeente in het geheel niet van plan is om haar een vervangende bedrijfskavel aan te bieden. Ten aanzien van deze bedenkingen overwegen Wij, dat ingevolge het bestemmingsplan Bedrijventerrein Vorstengrafdonk en het stedenbouwkundig plan het nabij de Rijksweg N321 gelegen perceel van de reclamante ingericht zal worden als park. Ter plaatse zal ook een fietspad worden gerealiseerd. Voorts bevinden zich aldaar transportleidingen in de grond. De gemeente heeft de reclamante, zoals in het raadsvoorstel ter zake van 18 september 2001 staat vermeld, een schriftelijk bod gedaan maar de reclamante en haar echtgenoot geven de voorkeur aan compensatiegrond. Zoals eveneens in het eerdergenoemde raadsvoorstel staat vermeld en in het kader van het onderzoek ook is bevestigd, is de gemeente bereid een bedrijfskavel te verkopen. Gezien echter de aard van de bedrijfsactiviteiten, namelijk een handelsonderneming in textiel, acht de gemeente het niet wenselijk een kavel aan te bieden in de door reclamante gewenste zichtlocatie. Nu de gemeente vóór de eerste tervisielegging van het onteigeningsplan met de onderhandelingen over de minnelijke verwerving van de grond van de reclamante een aanvang heeft gemaakt en het ten tijde van het nemen van het raadsbesluit voldoende aannemelijk was, dat minnelijke verwerving vooralsnog niet tot de mogelijkheden behoort, heeft de gemeenteraad teneinde op een redelijk tijdstip tot de uitvoering van het onderwerpelijke bestemmingsplan te kunnen overgaan in beginsel tot onteigening van de desbetreffende grond kunnen besluiten. Het minnelijk overleg, dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden. De onteigeningswet voorziet, zoals bij de reclamanten onder b. reeds overwogen, overigens niet in een verplichting tot het aanbieden van vervangende grond. De schadeloosstelling zal op grond van artikel 40 van de onteigeningswet plaatsvinden op basis van een volledige vergoeding van alle schade die de eigenaar (eigenares) rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn (haar) zaak lijdt. De hoogte van de vergoeding staat thans niet ter beoordeling, aangezien de vaststelling daarvan geschiedt in het kader van de gerechtelijke procedure. Gezien het vorenstaande kunnen de bedenkingen van de reclamanten onder a., b. en c. er niet toe leiden, dat aan het raadsbesluit tot onteigening geheel of gedeeltelijk de goedkeuring wordt onthouden. De reclamanten onder d., rechthebbenden op de mede ter onteigening aangewezen percelen kadastraal bekend gemeente Oss, sectie B, nos. 5498 en 5536, verwijzen in hun geschrift met bedenkingen allereerst naar hun bij het gemeentebestuur ingediende geschrift met zienswijzen van 3 juli 2001, waarvan de inhoud in de bedenkingen als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. De reclamanten merken kort samengevat op, dat zij, in overleg met de gemeente en met behulp van professionele derden, bereid en in staat zijn het bestemmingsplan Bedrijventerrein Vorstengrafdonk, voor zover hun gronden daarin zijn aangewezen voor bedrijfsdoeleinden, zelf te (doen) realiseren overeenkomstig de door de gemeente gewenste vorm en fasering, zoals met name neergelegd in dat plan en het gelijknamige beeldkwaliteitsplan. Zij zullen op korte termijn met een projectontwikkelaar een definitieve samenwerkingsovereenkomst aangaan ter verwezenlijking van de op hun gronden rustende bestemmingen. De gemeenteraad onderkent, zo gaan de reclamanten verder, dat voor de huiskavel, zijnde een deel van het perceel, no. 5498, anders dan voor de overige gronden binnen het plangebied hoe dan ook niet geldt dat grondruil nodig is om zelf tot verwezenlijking te kunnen overgaan. Aan grondruil wil de gemeente evenwel niet meewerken, omdat de reclamanten dan anders zouden worden behandeld dan eigenaren die hun gronden eerder aan de gemeente hebben verkocht. Volgens de reclamanten kan dit geen reden zijn om een beroep op het zelf realiseren van het bestemmingsplan te passeren. In het kader van het horen als bedoeld in artikel 86 van de onteigeningswet is een samenwerkingsovereenkomst, gedateerd 4 april 2002, met een projectontwikkelaar overgelegd. Voorts is nogmaals gesteld, dat naar hun oordeel in de oostzone de op hun grond geprojecteerde bedrijfskavels kunnen worden gerealiseerd en dat in het middengebied een uitruil van gronden wenselijk zal zijn. Voorop staat, aldus de reclamanten, dat zij met de gemeente wensen samen te werken met inachtneming van de regiefunctie van de gemeente. Gezien hun omvangrijke grondpositie in een deel van het middengebied zijn de reclamanten van mening, dat zij een zeer gerechtvaardigd belang hebben en ook de mogelijkheid hebben om tot een grondruil met de gemeente te komen. Voor de beoordeling van deze bedenkingen verwijzen Wij vooreerst naar hetgeen Wij in het algemeen hebben overwogen bij de reclamanten onder a. indien een grondeigenaar bereid en in staat is zelf de op zijn grond rustende bestemming(en) te verwezenlijken. Te dien aanzien overwegen Wij voorts in het bijzonder het volgende. Uit de overgelegde stukken en uit het ter zake ingestelde onderzoek is gebleken, dat blijkens het eerdergenoemde stedenbouwkundig plan (verkavelingsmodel) op het in de oostzone gelegen gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente Oss, sectie B, no. 5498, een tweetal ((nagenoeg) gehele) bedrijfskavels zijn gepland. De zogenaamde huiskavel, waarop zich de boerderij (woning en bijgebouwen) van de reclamanten bevindt, is gelegen in deze oostzone van het bestemmingsplan. Blijkens het eerdergenoemde raadsvoorstel is de gemeente voornemens aldaar vanwege de etalagefunctie en de beoogde hoogwaardige presentatie de gronduitgifte zelf ter hand nemen. De gemeente acht onteigening van dat perceelsgedeelte ook noodzakelijk omdat de zojuistbedoelde boerderij geamoveerd moet worden en het nog geenszins vaststaat of en wanneer de eigenaar daartoe wel bereid is. Met betrekking hiertoe merken Wij op, dat de gemeente aan de realisatoren voor wat betreft de beoogde regiefunctie en hoogwaardige presentatie van de toekomstige bebouwing nadere eisen kan stellen, waaraan de reclamanten zich, zo is in het kader van het horen gesteld, uiteraard zullen Uit: Staatscourant 12 september 2002, nr. 175 / pag. 20 4

conformeren. Voorts zijn de reclamanten, zo is verder gesteld, zich bewust van het feit, dat bij uitvoering van de plannen hun huidige boerderij zal moeten worden geamoveerd en dat zij daarom op zoek zijn naar vervangende huisvesting. Onder deze omstandigheden, te weten de eerdergenoemde samenwerkingsovereenkomst en het gestelde van de reclamanten in dezen, zijn Wij van oordeel, dat de reclamanten voorshands bereid en in staat moeten worden geacht het bestemmingsplan in die oostzone zelf te doen verwezenlijken. Gelet hierop dient aan het raadsbesluit voor zover het strekt tot onteigening van het gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente Oss, sectie B, no. 5498, zoals nader aangegeven op de bij dit besluit behorende lijst en kaart, de goedkeuring te worden onthouden. De overige gronden van de reclamanten zijn merendeel gelegen in de eerderbeschreven zogenoemde middenzone. Aldaar zullen kavels met een minimale oppervlakte van 1,5 hectare respectievelijk 3 hectare groot worden gerealiseerd. Artikel 3, lid 3b, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften geeft aan dat het stedenbouwkundig plan (verkavelingsmodel) als leidraad geldt voor de ontwikkeling van het gehele bedrijventerrein, terwijl de kavelgrootten worden genoemd in de artikelen 3 en 4 van die voorschriften. Een en ander betekent dat niet of nauwelijks afgeweken kan worden van de beoogde vorm van uitvoering. Met de gemeente zijn Wij dan ook van oordeel, dat op de ter onteigening aangewezen gronden van de reclamanten in de middenzone, gelet op de eigendomsgrenzen ten opzichte van de beoogde verkaveling, geen enkele afzonderlijke bedrijfskavel kunnen worden gevormd. Op het grootste deel van die gronden zijn vier grote kavels van minimaal 3 hectare gepland. Alles overziende zijn Wij van oordeel, dat de reclamanten weliswaar bereid maar in de huidige eigendomssituatie niet in staat zijn het bestemmingsplan aldaar te realiseren, althans in de vorm die de gemeente voor ogen staat. Nu daarbij de gemeente om haar moverende redenen geen grondruil wil aangaan, moet worden geoordeeld, dat het bestemmingsplan bij handhaving van de bestaande eigendomssituatie door de reclamanten niet gerealiseerd kan worden in de beoogde doelmatige vorm van uitvoering. Het minnelijk overleg, dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden. De onteigeningswet voorziet, zoals bij de reclamanten onder b. en c. reeds is overwogen, overigens niet in een verplichting tot het aanbieden van vervangende grond en evenmin in een verplichting tot het aanbieden van grondruil. De schadeloosstelling zal op grond van artikel 40 van de onteigeningswet plaatsvinden op basis van een volledige vergoeding van alle schade die de eigenaar (eigenares) rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn (haar) zaak lijdt. De hoogte van de vergoeding staat thans niet ter beoordeling, aangezien de vaststelling daarvan geschiedt in het kader van de gerechtelijke procedure. Overige overwegingen Zoals hiervoor overwogen dient aan het raadsbesluit, voor zover het strekt tot onteigening van het gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente Oss, sectie B, no. 5498, zoals nader aangegeven op de bij dit besluit behorende lijst en kaart, de goedkeuring te worden onthouden. De verwerving van de overige in het onteigeningsplan begrepen gronden moet in het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Oss worden geacht en er bestaan ook overigens te dien aanzien geen termen aan het raadsbesluit tot onteigening de goedkeuring te onthouden. Beslissing Wij hebben goedgevonden en verstaan: het besluit van de raad van Oss van 12 oktober 2001, no. 172, goed te keuren, behoudens voor zover het strekt tot onteigening van het gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente Oss, sectie B, no. 5498, zoals nader aangegeven op de bij dit besluit behorende lijst en kaart, aan welk deel van het raadsbesluit de goedkeuring wordt onthouden. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met het raadsbesluit in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State. s-gravenhage, 6 augustus 2002. Beatrix. De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, H.G.J. Kamp. Volgnummer Perceel kadastraal Grootte van het Grootte van het Grootte van het Grootte van het van het grond- bekend gemeente perceel volgens door de raad ter gedeelte ten aan- gedeelte ten aanplan Berghem de registers van onteigening aan- zien waarvan zien waarvan het kadaster gewezen gedeelte goedkeuring goedkeuring wordt verleend wordt onthouden Sectie Nummer ha a ca ha a ca ha a ca ha a ca 4 B 5498 08 55 40 08 55 40 ±06 00 90 ±02 54 50 Behoort bij Koninklijk besluit van 6 augustus 2002, no. 02.003640. Uit: Staatscourant 12 september 2002, nr. 175 / pag. 20 5

Raadsbesluit Onteigening Bedrijventerrein Vorstengrafdonk Volgnummer: 172 Sector/Afdeling: S/GZ De raad van de gemeente Oss; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 18 september 2001; gelet op de artikelen 108 en 147 lid 2 van de Gemeentewet en het bepaalde in het Burgerlijk Wetboek; overwegende, dat het in verband met de uitvoering van het bestemmingsplan noodzakelijk is dat de gemeente Oss de beschikking krijgt over de in genoemd bestemmingsplan gelegen percelen; dat genoemd bestemmingsplan op 15 september 2000 door de raad van de gemeente Oss is vastgesteld en vervolgens op 6 maart 2001 door Gedeputeerde Staten van Noord- Brabant is goedgekeurd; dat het beeldkwaliteitplan waarin opgenomen het kavelinrichtingsplan voor het gelijknamige bestemmingsplan, alsmede het bestemmingsplan Geluidszone en boscompensatie Vorstengrafdonk als onderdelen aan het onteigeningsplan zijn toegevoegd; dat de gemeente Oss er nog niet in is geslaagd om omtrent de verwerving van de in het bestemmingsplan gelegen percelen met alle eigenaren tot overeenstemming te geraken; dat ingevolge artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht gedurende een periode van vier weken, te weten vanaf 7 juni 2001 tot 5 juli 2001, voor eenieder ter inzage is gelegd het plan tot onteigening als bedoeld in artikel 80 van de Onteigeningswet; dat van deze ter inzagelegging ingevolge artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht tevoren door een publicatie in de Nederlandse Staatscourant, nummer 106, van 6 juni 2001, het Brabants Dagblad van 6 juni 2001 en het streekblad Oss Actueel van 6 juni 2001, alsmede door aanpakking op de gebruikelijke wijze aan het gemeentehuis openbare bekendmaking is gedaan, waarbij ingevolge artikel 3:13 van de Algemene wet bestuursrecht is gewezen op de mogelijkheid voor belanghebbenden tot het naar voren brengen van zienswijzen; dat de eigenaren van de in het onteigeningsplan opgenomen percelen per aangetekende brief van 5 juni 2001 van de voorgenomen onteigening in kennis zijn gesteld; dat binnen de termijn, genoemd in artikel 3:13 van de Algemene wet bestuursrecht zienswijzengeschriften zijn ingediend en wel door: Mr. W.H.J.O. Wolters van het advocatenkantoor De Kempenaer Advocaten te Arnhem namens A.C.J. Overgaauw en A.E.M. Overgaauw- Westgeest, wonende te Oss aan de Paalgravenlaan 1; H. Zeilmaker van het advocaten- en notarissenkantoor Dirkzwager Uit: Staatscourant 12 september 2002, nr. 175 / pag. 20 6

Advocaten en Notarissen te Nijmegen namens M.M. van Tongeren, wonende te Berghem, Hoefstraat 8; W.G.F. Bens en A.P.M. Bens-Ruys, wonende te Oss aan de Munlaan 15; dat in het voorstel van burgemeester en wethouders van 4 september 2001 uitvoerig is weergegeven, dat de zienswijzen verwoord in de hiervoor genoemde zienswijzengeschriften en de namens de familie Overgaauw en door de heer W.G.F. Bens tijdens de vergadering van de raadscommissie Stadsontwikkeling van 17 september 2001 gegeven toelichting op de betreffende zienswijzengeschriften, hen geen aanleiding geven om voor te stellen de voorgenomen onteigening uit te stellen of in te trekken, noch om in het onteigeningsplan veranderingen aan te brengen; dat de gemeenteraad zich met die beoordeling van burgemeester en wethouders verenigt, deze tot de zijne maakt en in dit besluit als ingelast beschouwt; gelet op het advies van de raadscommissie van Stadsontwikkeling van 17 september 2001; gelet op de Onteigeningswet; besluit: I. De hiervoor genoemde zienswijzengeschriften ingediend door of namens A.C.J. Overgaauw en A.E.M. Overgaauw-Westgeest te Oss, M.M. van Tongeren te Berghem en W.G.F. Bens en A.P.M. Bens-Ruijs te Oss ongegrond te verklaren. II. Ter onteigening ten name van de gemeente Oss in het belang van de ruimtelijke ontwikkeling aan te wijzen de gebouwde en ongebouwde eigendommen, gelegen in het bij raadsbelsuit van 15 september 2000 vastgestelde bestemmingsplan Bedrijventerrein Vorstengrafdonk, welk plan op 6 maart 2001 door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant is goedgkeurd. Bedoelde percelen zijn opgenomen in de bij dit besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte grondplantekening en lijst, deel uitmakende van het onteigeningsplan Bedrijventerrein Vorstengrafdonk. Op genoemde lijst zijn vermeld de grootten van de percelen volgens de openbare registers van het Kadaster en voorzover niet het gehele perceel wordt onteigend de grootte van het te onteigen deel, alsmede de namen van de eigenaren en mede-eigenaren van elk van deze percelen volgens de openbare registers van het Kadaster. III. Te bepalen dat: a. geen dagvaarding als bedoeld in artikel 18 van de Onteigeningswet zal worden gedaan dan nadat onherroepelijk zal zijn beslist omtrent de goedkeuring van de gegeven bestemmingen aan de onder II. genoemde percelen, namelijk de bestemmingen bedrijfsdoeleinden I, II en III (BI, BII en BIII), bedrijvenpark I en II (BPI en BPII), groenvoorzieningen en verkeersdoeleinden ; b. het onteigeningsbesluit vervalt wanneer en voorzover aan het onder II. bedoelde bestemmingsplan tot in hoogste instantie de goedkeuring wordt onthouden. Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 12 oktober 2001. De gemeenteraad voornoemd, De voorzitter. De secretaris. Onteigeningsplan Vorstengrafdonk - Lijst van te onteigenen Percelen Grond Te van de in de gemeente Oss gelegen percelen en wel in de kadastrale gemeente Oss en bij plan onteigenen het kadaster bekend nummer grootte Als Ter grootte Sectie en Eigenaar van nummer ha a ca ha a ca 1. 1 69 60 cultuurgrond 1 69 60 B 5524 Bens, Wilhelmus Gerardus Franciscus, geboren 10 januari 1963, g.m. Ruys, Antonia Petronella Maria, wonende te Oss, Munlaan 15 2. 0 93 80 bos 0 93 80 B 5473 Ieder voor de onverdeelde helft: - Hofmans, Anna Wilhelmina Johanna Adriana, geboren 27 augustus 1964, wonende te Oss, Litherweg 68; - Hofmans, Henricus Johannes Lambertus, geboren 22 december 1969, wonende te Oss, Orseleindstraat 35; - rechthebbende op een zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3 onder B, van de Belemmeringenwet Privaatrecht: N.V. Noordbrabantse Energiemaatschappij (PNEM), gevestigd te s-hertogenbosch. 3. 8 55 40 boederij 8 55 40 B 5498 Overgaauw, Arnoldus Cornelis Jozef, geboren 2 maart 1933, g.m. Uit: Staatscourant 12 september 2002, nr. 175 / pag. 20 7

Grond Te van de in de gemeente Oss gelegen percelen en wel in de kadastrale gemeente Oss en bij plan onteigenen het kadaster bekend nummer grootte Als Ter grootte Sectie en Eigenaar van nummer ha a ca ha a ca opstallen Westgeest, Apolonia Elisabeth Maria, geboren 18 juni 1933, wonende te Oss, Paalgravenlaan 1. cultuurgrond Rechthebbende op een zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3 onder B, van de Belemmeringenwet Privaatrecht: - N.V. Waterleidingmaatschappij Oost-Brabant, gevestigd te s-hertogenbosch; - N.V. Noordbrabantse Energiemaatschappij (PNEM) gevestigd te s-hertogenbosch. 4. 5 95 90 cultuurgrond 5 95 90 B 5536 Overgaauw, Arnoldus Cornelis Jozelf, geboren 2 maart 1933, g.m. Westgeest, Apolonia Elisabeth Maria, geboren 18 juni 1933, wonende te Oss, Paalgravenlaan 1. Rechthebbende op een zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3 onder B, van de Belemmeringenwet Privaatrecht: - N.V. Waterleidingmaatschappij Oost-Brabant, gevestigd te s-hertogenbosch; - N.V. Nederlandse Gasunie, gevestigd te Groningen. 5. 0 38 70 weiland 0 38 70 B 5535 Van Tongeren, Marianne Maria, geboren 30 november 1959, wonende te Berghem, Hoefstraat 8; Rechthebbende op twee zakelijk rechten als bedoeld in art. 5, lid 3 onder B, van de Belemmeringenwet Privaatrecht: N.V. Nederlandse Gasunie, gevestigd te Groningen. Behoort bij besluit van de raad der gemeente Oss, dd. 12 oktober 2001 nr. 172. Uit: Staatscourant 12 september 2002, nr. 175 / pag. 20 8