Bachelor Thesis Invloed van (echt)scheiding op de eigenwoningregeling

Vergelijkbare documenten
Bachelor Thesis. Invloed van (echt)scheiding op de eigenwoningregeling. Lennart van der Heijde Administratienummer:

Bachelor Thesis De eigenwoningregeling bij (echt)scheiding

Echtscheiding en eigen woning

De invloed van (echt)scheiding op de eigenwoningregeling

De invloed van (echt)scheidingen op de eigenwoningregeling

Bachelor Thesis Fiscale Economie INVLOED VAN (ECHT)SCHEIDING OP DE EIGENWONINGREGELING

BACHELOR THESIS. Invloed van (echt)scheiding op de eigenwoningregeling

De fiscale gevolgen van echtscheiding en de eigen woning

Bachelor Thesis Invloed van (echt)scheiding op de eigenwoningregeling

Bachelor Thesis Toerekening van de inkomsten uit eigen woning bij gehuwden in gemeenschap van goederen

De invloed van art Wet IB 2001 op de eigenwoningregeling

Eigen woning en scheiding. Stappenplan. Eigen woning

Om de bijleenregeling uit te leggen worden de volgende termen gebruikt:

Bachelor Thesis. De gevolgen van (echt)scheiding voor de eigenwoningregeling

Dossier. Eigen woning en echtscheiding

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA DEN HAAG

Belastingdienst. Het echtscheidingsconvenant en de eigen woning Fiscale aandachtspunten

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Kluwer Online Research

Beëindiging van het fiscaal partnerschap & de eigen woning

DE FISCALE GEVOLGEN VAN DE ECHTSCHEIDING VOOR DE EIGEN WONING MASTERTHESIS

Tilburg University. Eigen woning en echtscheiding Gubbels, Nicole. Published in: Fiscaal Praktijkblad

Tilburg University. Echtscheiding en renteaftrek voor de eigen woning Hoogeveen, Mascha

2.5 Scheiden en fiscaliteit, een gecompliceerd huwelijk? John van Vliet Fred Thielemans Robbert Maassen

U of uw fiscale partner verkoopt een eigen woning of heeft een eigenwoningreserve

Tilburg University. Echtscheiding en de eigen woning Hoogeveen, Mascha. Published in: Inkomstenbelasting en de gevolgen van (echt)scheiding

Tilburg University. Echtscheiding en de eigen woning Hoogeveen, Mascha. Published in: Inkomstenbelasting en de gevolgen van (echt)scheiding

Je eigen woning en de Belastingdienst in 2012

Workshop Echtscheiding. Erasmus Universiteit Rotterdam 19 juni 2015

Wat kunt u wanneer als aftrekposten voor uw huis opvoeren? En wat niet?

Vragen en antwoorden over fiscale partnerregeling en heffingskortingen

Casus 1. EW en verkoop, 3.111, lid 2. Aanstaande EW, 3.111, lid 3

Overdrachtsbelasting. Vrijstelling; verdeling gemeenschap samenwoners

Belastingdienst. Inkomstenbelasting Vragen en antwoorden over de fiscale partnerregeling en heffingskortingen 2013

HRo - Inkomstenbelasting - Niet-winst -- Deel 2

De eigen woning. Programma. Wat is een Eigen Woning, 3.111, lid 1. Algemeen Echtscheiding Bijleenregeling & Kapitaalverzekering

Directoraat-generaal Belastingdienst, Cluster Fiscaliteit. Besluit van 26 april 2013, nr. DGB 2013/201M

ECLI:NL:RBNNE:2016:2318

Saldo van inkomsten en aftrekposten van de eigen woning die uw hoofdverblijf was

Als u een woning koopt

Als u gaat scheiden. Let op! PA 960-1Z81FD (2126)

Hoe zit het met op al bestaande hypotheken vanaf ?

2. Verdeling gemeenschap tussen samenwoners

Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds Wijziging van het besluit van 5 juli 2010, nr. DGB2010/872M, Stcrt. 2010, nr.

Saldo van inkomsten en aftrekposten van de eigen woning die uw hoofdverblijf was

Artikel fiscale aspecten van de eigen woning bij scheiding. Mr Frank van den Barselaar MFP

Als u gaat scheiden. Let op! PA 960-1Z71FD (1019)

Huwelijksvermogensrecht en verzekeringen, moet je ze gescheiden zien?

kennisdocument Eigen woning

Inleiding. Hoofdlijnen nieuw huwelijksvermogensrecht. Enige hoofdlijnen van de huidige eigenwoningregeling. Casuïstiek.

Saldo van inkomsten en aftrekposten van de eigen woning die uw hoofdverblijf was

Checklist Eigen woning Van aankoop tot verkoop

Belastingdienst. Inkomstenbelasting Vragen en antwoorden over de fiscale partnerregeling en heffingskortingen 2015

Huwelijksvermogensrecht journaal. Oktober 2015

Belastingdienst. Inkomstenbelasting Vragen en antwoorden over de fiscale partnerregeling en heffingskortingen 2014

Alumni-Mfp. Actualiteiten estate planning. Theo Hoogwout woensdag 12 februari 2014

Gemeenschap tussen samenwoners of gehuwden met huwelijkse voorwaarden zonder beperkte gemeenschap van woning

Vragenlijst effectief verdelen huwelijkse voorwaarden

Box 3: belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

Vijf jaar Wet IB 2001; Kapitaalverzekeringen. Herman M. Kappelle. 1. Wat wilde de wetgever bereiken?

Signalering. Stappenplan fiscale beoordeling werkruimte

Tip! Het onderbrengen van het bedrijfspand in een aparte bv maakt een toekomstige bedrijfsoverdracht gemakkelijker te structureren en te financieren.

2. Verschil tussen het huidige standaard huwelijksgoederenstelsel en het nieuwe standaard huwelijksgoederenstelsel

Toetstermen RFEA particulier: kennis

Rechtspraak.nl - LJN: BW0614 Pagina 1 van 6 pagina 1 van 6

Split Online Congres CIVIELE ASPECTEN VAN DE EIGEN WONING IN DE ECHTSCHEIDING MR. DR. E.W.J. EBBEN MAART 2014

Eigenwoningreserve of verkoop eigen woning

Toelichting jaaropgave hypotheken

Als u een woning koopt

UITLEG AANPAK AFWIKKELING LIJFRENTE BIJ SCHEIDING EN VASTLEGGING IN CONVENANT

Fiscale Praktijkreeks. Echtscheiding. Fiscale en juridische gevolgen. Tweede druk. Kavelaars-Niekoop FM

Welkom! Duidelijkheid vaststellen eigenwoningschuld! Drs. J.O. (Jasper) Horsthuis

Gebruiksvergoeding. mr. L.S. Timmermans SmeetsGijbels

Van der Helm Consultancy

Tweede Kamer der Staten-Generaal

U kunt daarbij denken aan kosten zoals notariskosten, taxatiekosten, afsluitprovisie en bijvoorbeeld de kosten voor de Nationale Hypotheekgarantie.

Huwelijks- en partneraansprakelijkheid voor belastingschulden Mr. G.H. Ulrich, Professional Support Lawyer bij Hertoghs advocatenbelastingkundigen

Tweede Kamer der Staten-Generaal

De invloed van het huwelijksgoederenregime op de terbeschikkingstelling van artikel 3:92 Wet IB 2001

Informatiebijeenkomst van

Onderwerpen: Wet op de inkomstenbelasting 2001

Transcriptie:

Bachelor Thesis Invloed van (echt)scheiding op de eigenwoningregeling Auteur: Jiske Bruggeman Anr: 492608 Opleiding: Fiscale Economie Datum: December 2010 Examencommissie: prof. mr. I.J.F.A. van Vijfeijken mr. N.C.G. Gubbels

Inhoudsopgave Hoofdstuk Een Inleiding 3 Hoofdstuk Twee Eigenwoningforfait Paragraaf 2.1 Eigen woning 5 Paragraaf 2.1.1 Wie geniet het inkomen uit de eigen woning? 5 Paragraaf 2.2 Eigenwoningforfait 6 Paragraaf 2.3 Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld 7 Paragraaf 2.4 Duurzaam gescheiden leven 8 Paragraaf 2.5 Eigenwoningforfait bij (echt)scheiding 8 Hoofdstuk Drie Hypotheekrenteaftrek Paragraaf 3.1 Hypotheekrenteaftrek 9 Paragraaf 3.2 De bijleenregeling 9 Paragraaf 3.3 30-jaarstermijn 9 Paragraaf 3.4 Hypotheekrenteaftrek bij (echt)scheiding 10 Hoofdstuk Vier Gevolgen van (echt)scheiding voor het eigenwoningforfait en de hypotheekrenteaftrek Paragraaf 4.1 Gemeenschap van goederen 11 Paragraaf 4.1.1 Situatie waarin de woning ten verkoop wordt aangeboden 11 Paragraaf 4.1.2 Situatie waarin een van beiden in de woning achter blijft 11 Paragraaf 4.2 Huwelijkse voorwaarden 13 Paragraaf 4.2.1 Situatie waarin de woning ten verkoop wordt aangeboden 13 Paragraaf 4.2.2 Situatie waarin de eigenaar in de woning blijft 14 Paragraaf 4.2.3 Situatie waarin de eigenaar de woning verlaat 14 Hoofdstuk Vijf Uitspraak Gerechtshof s-gravenhage Paragraaf 5.1 Inleiding 16 Paragraaf 5.2 Uitspraak Rechtbank s-gravenhage 16 Paragraaf 5.3 Uitspraak Gerechtshof s-gravenhage 17 Paragraaf 5.4 Analyse uitspraken Rechtbank en Gerechtshof s-gravenhage 17 1

Hoofdstuk Zes Conclusie Paragraaf 6.1 Wat is de invloed van echtscheiding op de eigenwoningregeling? 20 Paragraaf 6.2 Knelpunten met betrekking tot de eigenwoningregeling in geval van echtscheiding 21 Literatuurlijst 23 Jurisprudentieregister 24 2

Hoofdstuk Een Inleiding Het aantal echtscheidingen is de laatste decennia sterk toegenomen. 1 De fiscale behandeling met betrekking tot de eigen woning vormt een belangrijk onderdeel bij de afwikkeling van de echtscheidingsprocedure. Het Gerechtshof s-gravenhage 2 heeft op 14 april 2010 uitspraak gedaan over de vraag of de gehele hypotheekrente aan te merken is als kosten met betrekking tot de eigenwoningschuld. Het Gerechtshof vernietigt hierbij een eerder gedane uitspraak van de Rechtbank s-gravenhage 3. Naar aanleiding van deze uitspraak verdiep ik mij in de problematiek rondom de echtscheiding en de eigenwoningregeling. Daarbij ga ik onderzoeken hoe in echtscheidingssituaties de eigenwoningregeling in elkaar zit, hoe deze werkt en of de heffing sluitend is. Dit brengt mij dan ook tot de volgende probleemstelling: Wat is de invloed van de echtscheiding op de eigenwoningregeling en in hoeverre zorgt de eigenwoningregeling in geval van echtscheiding voor een sluitende heffing? De hoofdregel is dat de eigenwoningregeling geldt voor de belastingplichtige die een eigen woning 4 heeft en deze gebruikt als hoofdverblijf. In dat geval mogen bepaalde kosten worden afgetrokken van het in box 1 te belasten inkomen, te denken valt aan de kosten van de eigenwoningschuld. Als echtgenoten de gezamenlijke eigendom hebben van de woning en besluiten om duurzaam gescheiden te gaan leven, zou zonder aanvullende regeling voor degene die de woning verlaat de eigenwoningregeling niet meer gelden. Er wordt immers niet meer voldaan aan het vereiste dat de woning moet dienen als hoofdverblijf. Om de periode tussen het duurzaam gescheiden gaan leven en het moment waarop de eigendom is toegewezen aan de belastingplichtige die in de woning blijft wonen te overbruggen heeft de wetgever een voorziening opgenomen in art. 3.111, vierde lid 5 : Een woning wordt voor ten hoogste twee jaren na het tijdstip waarop de woning de belastingplichtige niet langer anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat mede aangemerkt als eigen woning indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat gedurende die periode de woning zijn gewezen partner anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat 6. De eigen woning kan zodoende nog twee jaar als eigen woning kwalificeren, ondanks dat de belastingplichtige de woning heeft verlaten. Een vereiste van de regeling is dat de gewezen partner in 1 Wobma en De Graaf, Scheiden en weer samenwonen, Bevolkingstrends, vierde kwartaal 2009. 2 Hof s-gravenhage 14 april 2010, LJN BM1858. 3 Rechtbank s-gravenhage 27 augustus 2009, LJN BJ9040. 4 Zie art. 3.111 lid 1 Wet IB 2001. 5 Zie ook N.C.G. Gubbels, Inkomstenbelasting en de eigen woning (deel 1:tijdens leven), WPNR, 2003 6542. 6 Art. 3.111 lid 4 Wet IB 2001. 3

de woning blijft wonen. Met de gewezen partner worden zowel de gehuwden als de fiscale partners bedoeld. Ik zal me in deze thesis verdiepen in de aspecten van de eigenwoningregeling die een rol spelen bij de echtscheiding. In hoofdstuk twee wordt het eigenwoningforfait behandeld. In hoofdstuk drie worden de gevolgen van echtscheiding met betrekking de hypotheekrenteaftrek besproken, ook wordt hier de bijleenregeling en de 30-jaarstermijn toegelicht. Vervolgens worden in hoofdstuk vier allerlei situaties behandeld en uitgewerkt die bij (echt)scheiding kunnen voorkomen. Daarna wordt in hoofdstuk vijf ingegaan op de eerder genoemde uitspraak van het Gerechtshof s-gravenhage. Ten slotte zal ik afsluiten met een conclusie, waarin een koppeling wordt gemaakt naar de probleemstelling. 4

Hoofdstuk Twee Eigenwoningforfait 2.1 Eigen woning Onder een eigen woning wordt volgens art. 3.111 eerste lid Wet IB 2001 verstaan: een gebouw( ) voorzover dat de belastingplichtige of personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat op grond van eigendom. Ook moeten zowel de voordelen uit eigen woning als de kosten en lasten op de belastingplichtige en zijn partner drukken en moet de waardeverandering hen grotendeels aangaan. 7 Een waardeverandering gaat de belastingplichtige grotendeels aan als hij een belang van ten minste 50% heeft bij de waardeontwikkeling van zijn woning. 8 De kosten en lasten drukken op de belastingplichtige indien hij de kosten en lasten betaalt die toerekenbaar zijn aan zijn eigen woning. 9 Indien men gehuwd is in gemeenschap van goederen en de rente uit de gemeenschap wordt betaald, drukt de rente bij ieder voor 50%. 10 Op grond van art.3.111 eerste lid onderdeel a Wet IB 2001 is de rente alleen aftrekbaar als zij op de belastingplichtige drukt. Volgens Heithuis is de vraag wie van beide echtgenoten de hypotheekrente kan aftrekken bepalend wie de contractspartij bij de bank is. 11 Indien beide echtgenoten contractspartner bij de bank zijn dan is volgens hem 50% van de hypotheekrente bij iedere echtgenoot in beginsel aftrekbaar, mits voldaan wordt aan de andere eisen van art.3.111 eerste lid Wet IB 2001. Wil men volledige hypotheekrente aftrekken bij de achterblijver dan zal men ervoor moeten zorgen dat die echtgenoot als enige in civielrechtelijke zin is verbonden voor de hypothecaire lening,aldus Heithuis. 12 Het is niet noodzakelijk om de eigendom van een woning te hebben om voor de eigenwoningregeling in aanmerking te komen, de eigenaar van de woning trekt zijn partner mee in de eigenwoningregeling. 13 2.1.1 Wie geniet het inkomen uit de eigen woning? Hoofdregel voor het aangeven van het eigenwoningforfait is dat degene die gerechtigd is tot de woning de voordelen uit de eigen woning aangeeft, of bij de gezamenlijke eigendom in de mate waarin ieder gerechtigd is. 14 Op deze hoofdregel bestaat een uitzondering, belastingplichtigen die gehuwd zijn 7 Art.3.111 eerste lid onderdeel a Wet Inkomstenbelasting 2001. 8 Besluit Staatssecretaris van Financiën van 24 november 2009, nr. CPP2009/2342M, onderdeel 1.3. 9 Besluit Staatssecretaris van Financiën van 24 november 2009, nr. CPP2009/2342M, onderdeel 1.4. 10 R.M. Kavelaars-Niekoop, Echtscheiding, fiscale geschriften nr.15, Sdu uitgevers. 11 E.J.W. Heithuis, Een tweetal kwesties met betrekking tot de eigenwoningregeling in de inkomstenbelasting, WFR 2009/1365. 12 E.J.W. Heithuis, Een tweetal kwesties met betrekking tot de eigenwoningregeling in de inkomstenbelasting, WFR 2009/1365. 13 I.J.F.A. van Vijfeijken, Inkomstenbelasting en de gevolgen van (echt)scheiding, Sdu uitgevers, 2007, p.150. 14 Zie ook R.M. Kavelaars-Niekoop, Echtscheiding, fiscale geschriften nr.15, Sdu uitgevers, 4.3. 5

of gekozen hebben voor het fiscale partnerschap kunnen bij de aangifte zelf de verhouding aangeven. De inkomsten uit eigen woning zijn namelijk gemeenschappelijke inkomensbestanddelen. 15 Indien de belastingplichtigen geen partner van elkaar zijn maar wel gezamenlijk een eigen woning hebben, worden op grond van art.3.115 Wet IB 2001 de voordelen voor elk van hen in aanmerking genomen naar de mate waarin zij juridisch gezien tot de woning gerechtigd zijn. 16 In de gevallen waarin belastingplichtigen zijn gehuwd zijn zij beiden voor de helft gerechtigd tot de eigen woning, dit houdt in dat ieder de helft van de inkomsten uit eigen woning geniet. Als belastingplichtigen duurzaam gescheiden gaan leven 17, bestaat er de mogelijkheid om voor het jaar waarin zij gescheiden zijn gaan leven nog te kwalificeren als fiscale partners. 18 Indien belastingplichtigen zijn gehuwd op huwelijkse voorwaarden en degene die achterblijft in de woning de volledige eigendom heeft, is de woningverlater niet meer gerechtigd tot de inkomsten uit de woning en zodoende hoeft hij geen eigenwoningforfait aan te geven. 2.2 Eigenwoningforfait Een woning vormt een bron van inkomen als zij als hoofdverblijf dient. Er moet voldaan zijn aan de vereisten van art. 3.111, eerste lid Wet IB 2001. De eigenaar van de woning moet de huurwaarde van de eigen woning opgeven in box 1, vervolgens kan hij onderhoudskosten, lasten en afschrijvingen daarvan aftrekken. 19 Het bepalen van de huurwaarde kan veel uitvoeringsproblemen opleveren, vooral discussies over de waarde van de kosten die voor aftrek in aanmerking komen, waardoor de wetgever besloten heeft om het eigenwoningforfait in te voeren. 20 De netto-opbrengst van de eigen woning wordt vastgesteld op een percentage van de waarde van de woning. Het eigenwoningforfait is afhankelijk van de waarde van de eigen woning. Andere voordelen en inkomsten dan het eigenwoningforfait komen niet in aanmerking om als voordeel uit eigen woning te kwalificeren. 21 In het eigenwoningforfait wordt jaarlijks al rekening gehouden met de onderhoudskosten, ongeacht of deze kosten wel of niet gemaakt zijn. In hoofdstuk drie zal verder ingegaan worden op de kosten die de eigenaar van de woning nog wel in aftrek mag brengen, namelijk de hypotheekrente. 15 Art. 2.17 vijfde lid Wet Inkomstenbelasting 2001. 16 I.J.F.A. van Vijfeijken, Inkomstenbelasting en de gevolgen van (echt)scheiding, Sdu uitgevers,2007, p.46. 17 Wanneer belastingplichtigen duurzaam gescheiden gaan leven wordt behandeld in paragraaf 2.4. 18 Art. 2.17 zevende lid Wet Inkomstenbelasting 2001. 19 Zie ook Noordermeer Van Loo, De fiscale waardering van de eigen woning in de Wet IB 2001, FTV, april 2004. 20 Zie ook H.P.A.M. van Arendonk, Wegwijs in de inkomstenbelasting, Sdu uitgevers, 2007, 6.2.3.1. 21 Art. 3.112 eerste lid Wet Inkomstenbelasting 2001. 6

De eigenwoningwaarde, die gebruikt wordt bij de berekening van het eigenwoningforfait, wordt vastgesteld met behulp van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). De gemeenten zijn belast met de uitvoering van de Wet WOZ en zij bepalen dan ook de waarde van de woningen. Het eigenwoningforfait geldt slechts voor één woning, namelijk voor de woning die als hoofdverblijf ter beschikking staat. Als de belastingplichtige en zijn partner ieder een eigen woning hebben waarin zij wonen moeten zij, mits ze fiscaal partner of gehuwd zijn, kiezen welke woning als eigen woning wordt gerekend. De andere woning wordt belast in box 3. Als er een keuze gemaakt is welke woning kwalificeert als eigen woning moet worden bepaald wie het gemeenschappelijke inkomensbestanddeel aangeeft. Het saldo van de hiervoor besproken inkomsten uit eigen woning en de in hoofdstuk drie te bespreken aftrekposten met betrekking tot de eigen woning vormen een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel. 22 Dit houdt in dat de belastingplichtigen kunnen kiezen in welke verhouding zij het belaste inkomsten uit eigen woning aangeven. De voordelen uit eigen woning en de aftrekbare kosten moeten in dezelfde verhouding aangegeven worden, het is niet mogelijk dat de ene belastingplichtige het eigenwoningforfait aangeeft en zijn partner de kosten in aftrek brengt. 2.3 Aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld Voormalig Tweede Kamerlid Hillen kwam in oktober 2001 met een initiatiefvoorstel 23 om het eigenwoningforfait te maximeren tot het bedrag van de aftrekbare kosten. Het forfait kon daardoor nooit hoger zijn dan het bedrag dat de eigenaar van de woning als aftrekbare kosten mocht aftrekken. 24 De Raad van State vindt dat het voorstel in strijd is met het bronkarakter van de eigenwoningregeling. Uiteindelijk is de regeling, zij het in een andere vorm dan het voorstel, op 1 januari 2005 opgenomen in art. 3.123a van de Wet inkomstenbelasting 2001. De strekking van de regeling bleef wel hetzelfde, het inkomen uit eigen woning kan nooit meer dan 0 bedragen. Als de woningeigenaar geen eigenwoningschuld meer heeft, bedraagt zijn inkomen uit eigen woning zonder deze regeling een bedrag ter grootte van het totale eigenwoningforfait. Door de invoering van art.3.123a Wet IB 2001 kan de woningeigenaar een bedrag dat overeenkomt met het eigenwoningforfait aangeven als aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld. Zijn inkomen uit eigen woning is in dit geval 0. Het doel van deze regeling is om aflossing van de eigenwoningschuld te stimuleren en om ervoor te zorgen dat de belastingplichtige de aankoop van een nieuwe woning meer met eigen vermogen gaat 22 Zie ook H.M. Kappelle, Fiscale aspecten van de eigen woning, Sdu uitgevers, 2007. 23 Kamerstukken II 2001/02, 28 056, nr.2 24 Zie ook L.W. Sillivis en M.L.M. van Kempen, Cursus belastingrecht, inkomstenbelasting 2010/2011, Kluwer, 2010, 3.6.3.E. 7

financieren. De regeling heeft ook als doel om voor woningeigenaren die geen of een geringe eigenwoningschuld hebben een lastenverlichting te bewerkstelligen. 2.4 Duurzaam gescheiden leven Als echtgenoten de gezamenlijke eigendom hebben van de woning en besluiten om duurzaam gescheiden te gaan leven, zou zonder aanvullende regeling voor degene die de woning verlaat de eigenwoningregeling niet meer gelden. Maar wanneer gaat de periode in dat belastingplichtigen duurzaam gescheiden gaan leven? Volgens vaste jurisprudentie is dat wanneer de situatie ontstaat dat ieder zijn eigen leven leidt zonder rekening te (hoeven) houden met de ander. 25 Als de belastingplichtige tijdelijk ergens anders gaat wonen om van een (echtelijke)ruzie bij te komen en de mogelijkheid openhoudt om nog terug te komen, blijft de woning nog een eigen woning. 26 2.5 Eigenwoningforfait bij (echt)scheiding Indien één van de partners de volledige eigendom heeft over de woning en als gevolg van echtscheiding de woning verlaat, heeft hij op grond van art.3.111 vierde lid Wet IB 2001 nog een eigen woning. De eigenaar moet het eigenwoningforfait aangeven, hij kan vervolgens een bedrag ter grootte van het eigenwoningforfait aftrekken als alimentatie in de zin van art.3.101 eerste lid onderdeel b Wet IB 2001. 27 Bovenstaande situatie is slechts een kleine uitwerking waaruit blijkt wie het eigenwoningforfait aan moet geven. In hoofdstuk vier worden allerlei situaties behandeld en zal dieper worden ingegaan op allerlei situaties, hierin zal duidelijk worden hoe het eigenwoningforfait behandeld dient te worden in geval van (echt)scheiding. 25 Zie ook I.J.F.A. van Vijfeijken, Inkomstenbelasting en de gevolgen van (echt)scheiding, Sdu uitgevers, 2007, p.18. 26 I.J.F.A. van Vijfeijken, Inkomstenbelasting en de gevolgen van (echt)scheiding, Sdu uitgevers, 2007, p.19. 27 Zie ook A.C. Rijkers, Echtscheiding en eigen woning, Tribuut 2006-04. 8

Hoofdstuk Drie Hypotheekrenteaftrek 3.1 Hypotheekrenteaftrek Er zijn bepaalde kosten met betrekking tot de eigen woning aftrekbaar van het progressief te belasten inkomen. Het gaat om het gezamenlijke bedrag van de renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die behoren tot de eigenwoningschuld. 28 Bij het bepalen van de eigenwoningschuld speelt de bijleenregeling een rol, daar wordt in paragraaf 3.2 dieper op in gegaan. De rentekosten zijn beperkt aftrekbaar, namelijk voor een periode van maximaal 30 jaar. 29 3.2 De bijleenregeling De bijleenregeling is op 1 januari 2004 door de wetgever ingevoerd. De regeling is te uitgebreid om hier volledig te beschrijven daarom richt ik me op de gevolgen van de regeling in geval van echtscheiding. Als de woning niet meer als eigen woning kwalificeert, komt de bijleenregeling om de hoek kijken. Als de oude eigen woning verkocht wordt voor een hoger bedrag dan de eigenwoningschuld, is deze meerwaarde niet meer aan te nemen als nieuwe eigenwoningschuld bij de aankoop van een nieuwe woning. De meerwaarde wordt opgenomen in een eigenwoningreserve. De bijleenregeling blijft drie jaar gelden, als de belastingplichtige binnen drie jaar een nieuwe woning aanschaft, komt de eigenwoningreserve in mindering op de eigenwoningschuld. Als de belastingplichtige binnen drie jaar geen nieuwe woning aanschaft vervalt de eigenwoningreserve. 30 Voor 1 januari 2010 kon in de gevallen waarin werd verhuisd naar een goedkopere woning een eigenwoningschuld worden aangegaan voor ten hoogste het bedrag dat gelijk is aan de vorige eigenwoningschuld, dit was de zogenoemde goedkoperwonenregeling. De nieuwe eigenwoningschuld kon niet hoger zijn dan de lening die is aangegaan voor de goedkopere eigen woning. 31 Deze regeling is vervallen per 1 januari 2010. 32 3.3 30-jaarstermijn Als gevolg van het invoeren van de Wet IB 2001 is de hypotheekrente beperkt aftrekbaar, namelijk voor een periode van 30 jaar. Na deze periode gaat de lening van box 1 naar box 3, de lening kwalificeert immers niet meer als eigenwoningschuld. 28 Art. 3.120, eerste lid sub a Wet IB 2001. 29 Art. 3.120 tweede lid Wet IB 2001. 30 Besluit van 26 augustus 2010, nr. DGB2010/3057M,onderdeel 1.5. 31 Besluit van 20 februari 2007, nr. CPP2006/1942M, onderdeel 3. 32 Besluit van 26 augustus 2010, nr. DGB2010/3057M onderdeel 3. 9

Het is in het geval van echtscheiding belangrijk om vast te stellen wie sinds 2001 de hypotheekrente in aftrek heeft gebracht. Voor degene die de hypotheekrente sinds 2001 in aftrek heeft gebracht geldt dat de jaren die al voor aftrek in aanmerking zijn gekomen van de 30-jaarstermijn afgaan. 33 In gevallen waarin de woning en de hypothecaire lening in de huwelijksgemeenschap valt is het bij scheiding van belang wie er gedurende het huwelijk 34 de hypotheekrente heeft betaald. 35 Stel de man blijft in de woning achter en hij heeft gedurende het huwelijk van zes jaar de hypotheekrente betaald, dan heeft hij met betrekking tot die eigenwoningschuld nog 24 jaar recht op hypotheekrenteaftrek. Heeft de woningverlater, in dit geval de vrouw, de rente heeft betaald dan heeft de man nog 30 jaar recht om zijn hypotheekrente af te trekken. Als bij echtscheiding de woning en de schuld aan een van beiden wordt toegewezen, is het mogelijk dat degene die in de woning achterblijft een nieuwe schuld aan moet gaan. Dit kan het geval zijn in een situatie waarin de (oude) gemeenschappelijke woning een hogere waarde heeft dan het bedrag waarvoor een hypothecaire lening is aangegaan. In dat geval kan het zijn dat degene die in de woning achterblijft de helft van het verschil tussen de huidige waarde en de hypothecaire lening aan de woningverlater moet betalen. Voor deze nieuwe schuld begint een nieuwe termijn van 30 jaar te lopen. 36 3.4 Hypotheekrenteaftrek bij (echt)scheiding In het geval dat echtelieden besluiten uit elkaar te gaan is het van belang om te kijken naar de huwelijksvorm. Het is belangrijk om te weten of de woning gezamenlijk eigendom is of dat de woning van één van beiden is. Indien de woning gezamenlijk bezit is dan kan ieder zijn deel van de hypotheekrente aftrekken van het in box 1 te belasten inkomen uit werk en woning. 37 Als de woning van één van beiden is en de eigenaar achterblijft in de woning dan is op het moment van gescheiden gaan leven de hypotheekrente geheel aftrekbaar bij de eigenaar. 38 In hoofdstuk vier zal uitvoeriger worden ingegaan op bovenstaande problematiek. Er wordt dan gekeken op grond van welk artikelen de hypotheekrente aftrekbaar is; ook worden er in dit hoofdstuk allerlei verschillende situaties die bij (echt)scheiding kunnen voorkomen behandeld en uitgewerkt. 33 L.W. Sillivis en M.L.M. van Kempen, Cursus belastingrecht, inkomstenbelasting 2010/2011, Kluwer, 2010, 3.6.6.A.d2e. 34 Of tijdens de periode van het geregistreerde partnerschap. 35 Zie ook: M.J.J.R. van Mourik, De eigen woning in de Wet IB 2001, Amersfoort: Sdu uitgevers, 2007, 5.6.6.2. 36 Zie ook: L.W. Sillivis en M.L.M. van Kempen, Cursus belastingrecht, inkomstenbelasting 2010/2011, Kluwer, 2010, 3.6.6.A.d2e. 37 Art.3.121 Wet Inkomstenbelasting 2001. 38 Zie ook: A.C. Rijkers, Echtscheiding en eigen woning, Tribuut 2006-04. 10

Hoofdstuk Vier Gevolgen van (echt)scheiding voor het eigenwoningforfait en de hypotheekrenteaftrek 4.1 Gemeenschap van goederen De wettelijke gemeenschap van goederen bevat alle goederen en schulden van ieder der echtgenoten 39, er zijn enkele uitzonderingen op deze hoofdregel maar deze laat ik bij de behandeling met betrekking tot de echtscheiding buiten beschouwing. Ik ga er in deze paragraaf vanuit dat de eigen woning tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort. In paragraaf 4.2 worden situaties behandeld waarin de woning niet in de huwelijksgemeenschap valt. 4.1.1 Situatie waarin de woning ten verkoop wordt aangeboden In het geval de echtelieden besluiten uit elkaar te gaan en de woning te verkopen, houdt de woning voor beiden op een eigen woning te zijn. Dit kan leiden tot onbedoelde situaties en daarom heeft de wetgever een fictie 40 opgenomen. De woning blijft in dat geval aangemerkt als eigen woning, mits de woning de belastingplichtigen ter beschikking heeft gestaan en zij aannemelijk kunnen maken dat de woning bestemd is voor verkoop. 41 In deze situatie hoeft er geen eigenwoningforfait aangegeven te worden. Wel bestaat er de mogelijkheid om de hypotheekrente in box 1 af te trekken, deze mogelijkheid blijft gedurende een periode van 24 maanden aanwezig. Met ingang van 1 januari 2011 treedt een nieuw wetsvoorstel 42 in werking, dit voorstel houdt in dat de hierboven genoemde periode bij verkoop van de voormalige eigen woning verlengd wordt met een jaar. De woningeigenaren kunnen de hypotheekrente bij verkoop van de voormalige eigen woning dan gedurende een periode van 36 maanden aftrekken. Deze termijnverlening is tijdelijk, per 1 januari 2013 gaat de termijn van 24 maanden weer gelden. 43 4.1.2 Situatie waarin één van beiden in de woning achter blijft In deze situatie moet onderscheid gemaakt worden tussen de periode dat de echtscheiding nog niet is uitgesproken maar dat de echtgenoten al wel duurzaam gescheiden gaan leven en de periode waarin de eigen woning is toewezen aan één van beiden doordat de echtscheiding is uitgesproken. 39 Art. 1:94 eerste en tweede lid Burgerlijk Wetboek. 40 Art.3.111 vierde lid Wet Inkomstenbelasting 2001. 41 Art.3.111 tweede lid Wet Inkomstenbelasting 2001. 42 Kamerstukken II 2010/11, 32 395, nr.14. 43 Kamerstukken II 2010/11, 32 395, nr.14. 11

Als het gaat om de periode dat de woning nog niet is toegewezen aan één van beiden maar dat zij al wel duurzaam gescheiden zijn gaan leven, geldt dat voor beiden de woning nog kwalificeert als eigen woning. Per 1 januari 2011 wordt op grond van de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 het partnerbegrip in de Algemene Wet Rijksbelastingen en in de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 gewijzigd. 44 De wijziging houdt in dat voor ongehuwd samenwonenden de keuzemogelijkheid om als partners te kwalificeren vervalt. 45 In eerste instantie leek het erop dat deze wetswijziging fiscaal ongunstig uitkwam in gevallen van echtscheiding. Het partnerschap kwam als gevolg van de wijziging pas te vervallen als de partners niet meer in dezelfde woning wonen en indien zij een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank hebben ingediend. 46 De woningverlater kon in de periode tussen het verlaten van de woning en het moment van het uitspraken van de scheiding door de rechter de hypotheekrente niet meer aftrekken. Dit gevolg is volgens de staatssecretaris onwenselijk, hij heeft deze fout herstelt; in de gevallen waarin men duurzaam gescheiden gaat leven geldt dat de vertrekker nog gedurende twee jaar recht heeft op hypotheekrente aftrek. 47 De uitwerking van de situaties voor en na de wetswijziging blijven hetzelfde, de achterblijver heeft een eigen woning op grond van art.3.111 eerste lid Wet IB 2001. Hij kan zijn deel van de hypotheekrente aftrekken en hij is verplicht de helft van het eigenwoningforfait aan te geven. De woning is voor de vertrekker ook een eigen woning maar dan op grond van de fictie van art.3.111 vierde lid Wet IB 2001. De vertrekker kan gedurende een periode van maximaal 24 maanden zijn deel van de hypotheekrente aftrekken. Daar tegenover staat dat hij de helft van het eigenwoningforfait moet aangeven. Als de achterblijver binnen die periode de woning verlaat, vervalt de fictie voor de vertrekker, de woning wordt dan door geen van beiden meer bewoond. Dan is er de vraag of art.3.111 vierde lid Wet IB 2001 nog geldt als de woning is toegewezen binnen de tweejaarstermijn. In een besluit 48 heeft de staatssecretaris aangegeven dat de termijn doorloopt, ook al is de boedel verdeeld. Volgens Rijkers schiet de wettekst in dit geval over haar doel heen, de band tussen schuld en woning is geheel verbroken. 49 44 Laatstelijk gewijzigd bij wet van 23 december 2009, Stb. 2009, 611. 45 Besluit Staatssecretaris van Financiën van 5 november 2010, nr. DB2010/181U. 46 Besluit Staatssecretaris van Financiën van 5 november 2010, nr. DB2010/181U. 47 Kamerstukken II 2010, 32 505, nr.17. 48 Besluit van 30 november 2001, nr. CPP2001/3035M (V-N 2001/65.2). 49 A.C. Rijkers, Echtscheiding en eigen woning, Tribuut 2006/04. 12

Hoogeveen is van mening dat de fictie moet vervallen zodra de eigendom van de woning conform de afspraak tussen ex-echtelieden bij de juiste persoon is terechtgekomen. 50 Als de woning wordt toegewezen aan de achterblijver nadat de tweejaarstermijn verlopen is, heeft dit geen consequenties meer voor de eigenwoningregeling. De woning is immers een volledige woning voor de achterblijver, hij kan dan de hypotheekrente volledig aftrekken van zijn in box 1 belastbare inkomen. Ook moet hij het volledige eigenwoningforfait aangeven. Voor de woningverlater geldt dat de woning op het moment van verstrijken van de tweejaarstermijn verschuift naar box 3. 4.2 Huwelijkse voorwaarden Indien men ervoor kiest om niet in de wettelijke gemeenschap van goederen te trouwen, kan men door de notaris een overeenkomst met huwelijkse voorwaarden laten maken. Deze huwelijkse voorwaarden hebben als gevolg dat er geen gemeenschappelijke bezittingen zijn, ook vermogenstoenamen blijven buiten de gemeenschap. De overeenkomst van huwelijkse voorwaarden wordt ook wel koude uitsluiting genoemd. De partners kunnen er ook voor kiezen om bij huwelijkse voorwaarden een beperkte gemeenschap van goederen aan te gaan, bij deze gemeenschap is een combinatie van privé en gemeenschappelijke bestanddelen mogelijk. Tevens is het mogelijk dat men ervoor kiest om huwelijkse voorwaarden op te laten maken en dat de woning dan behoort tot de gemeenschap. De fiscale behandeling van de woning is hetzelfde als de woning in de gemeenschap van goederen, dit is behandeld in paragraaf 4.1. 4.2.1 Situatie waarin de woning ten verkoop wordt aangeboden In deze situatie kwalificeert de woning voor beiden niet meer als eigen woning, er wordt namelijk niet meer voldaan aan het vereiste van art.3.111 eerste lid Wet IB 2001 dat het aan de belastingplichtige als hoofdverblijf ter beschikking staat. Voor de eigenaar van de woning geldt de verhuisfictie 51, zodoende kan de woning nog maximaal 24 maanden kwalificeren als eigen woning. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de 30-jaarstermijn, deze termijn is besproken in paragraaf 3.3. De hypotheekrente is gedurende een periode van maximaal 36 maanden aftrekbaar in box 1 van zijn belastbare inkomen uit werk en woning. De voordelen uit eigen woning worden bij verkoop gesteld op nihil 52, de eigenaar hoeft geen eigenwoningforfait aan te geven. 50 I.J.F.A. van Vijfeijken, Inkomstenbelasting en de gevolgen van (echt)scheiding, Sdu uitgevers, 2007, p.153. 51 Art.3.111 tweede lid Wet Inkomstenbelasting 2001. 52 Art.3.112 vierde lid Wet Inkomstenbelasting 2001. 13

In de situatie waarin de woning ten verkoop wordt aangeboden zijn de voordelen uit eigen woning nihil en de betaalde hypotheekrente komt volledig voor aftrek in aanmerking, mits de 30-jaarstermijn niet is verstreken. 4.2.2 Situatie waarin de eigenaar in de woning blijft De woning vormt voor de eigenaar een eigen woning op grond van artikel 3.111 eerste lid Wet IB 2001. De eigenaar moet het volledige eigenwoningforfait in aanmerking nemen, zijn volledige hypotheekrente is aftrekbaar. 53 Als de woningverlater een schuld heeft met betrekking tot de eigen woning dan is de rente van deze schuld aftrekbaar in box 1, de woningverlater heeft immers op grond van art.3.111 vierde lid Wet IB 2001 een eigen woning. 4.2.3 Situatie waarin de eigenaar de woning verlaat Op het moment dat de eigenaar de woning verlaat, kwalificeert de woning niet meer als eigen woning op grond van art.3.111 eerste lid Wet IB 2001. Echter geldt hier een fictie, op grond van art. 3.111 vierde lid Wet IB 2001 wordt de woning alsnog aangemerkt als eigen woning. De eigenaar moet het volledige eigenwoningforfait aangeven. Aangezien hij geen woongenot heeft kan hij het bedrag ter grootte van het eigenwoningforfait op grond van art. 6.3 tweede lid Wet IB 2001 aftrekken als alimentatie. De achterblijver moet de ontvangen alimentatie aangeven als ontvangen periodieke verstrekking. 54 De volledige kosten voor de hypotheekrente van de eigenaar komen voor aftrek in aanmerking. De achterblijver heeft geen eigen woning meer op het moment dat de eigenaar de woning verlaat. Dit zorgt ervoor dat degene die in de woning blijft wonen, de achterblijver, per saldo het eigenwoningforfait aangeeft en dat de eigenaar de hypotheekrente kan blijven aftrekken, dit geldt alleen als de achterblijver geen eigenwoningschuld heeft. Stel dat de achterblijver een schuld heeft die ziet op de eigen woning, dan is de rente van deze schuld niet aftrekbaar. De achterblijver heeft op grond van art.3.111 eerste lid Wet IB 2001 geen eigen woning, de achterblijver bezit immers geen eigendom van de woning. Ook wordt de achterblijver niet meegetrokken door art. 3.111 vierde lid Wet IB 2001 omdat de eigenaar niet in de woning blijft wonen. De vraag is hier echter of voor toepassing van art.3.111 vierde lid Wet IB 2001 vereist is dat de woningverlater eigendomsrechten heeft. Volgens Hoogeveen hoeft deze bepaling niet zo strikt 53 Op grond van art. 3.120 eerste lid Wet Inkomstenbelasting 2001. 54 A.C. Rijkers, Echtscheiding en eigen woning, Tribuut 2006-04. 14

uitgelegd te worden. 55 In dat geval kan de woningverlater, als hij een schuld met betrekking tot de eigen woning heeft, de rente in box 1 aftrekken. De woningverlater hoeft geen eigenwoningforfait in aanmerking te nemen. 55 I.J.F.A. van Vijfeijken, Inkomstenbelasting en de gevolgen van (echt)scheiding, Sdu uitgevers, 2007, p.159. 15

Hoofdstuk Vijf Uitspraak Gerechtshof s-gravenhage 5.1 Inleiding Op 14 april 2010 heeft het Gerechtshof s-gravenhage 56 uitspraak gedaan over de vraag of de gehele hypotheekrente aan te merken is als kosten met betrekking tot de eigenwoningschuld. In deze zaak gaat het over belanghebbende [X], hij is op 5 september 1990 in gemeenschap van goederen gehuwd met mevrouw [Y]. Op 1 augustus 2004 zijn zij duurzaam gescheiden gaan leven, en in 2005 is het huwelijk ontbonden. In de periode van 1 augustus 2004 tot 1 oktober 2004 woonde Y in de woning. Vanaf 1 oktober 2004 heeft Y de woning verlaten en woont belanghebbende X weer in de woning. De woning is gefinancierd met een hypothecaire lening die door beiden is aangegaan. De hypothecaire lening is verstrekt op basis van het inkomen van X, hij heeft de volledige hypotheekrente over het jaar 2004 betaald. Hij heeft in zijn aangifte 2004 het gehele op dat jaar betrekking hebbende bedrag aan hypotheekrente op zijn inkomen in mindering gebracht. Vaststaat dat belanghebbende en mevrouw Y nooit hebben gekozen voor het fiscale partnerschap van art. 2.17 zevende lid Wet IB 2001 voor het jaar 2004. De Inspecteur is van mening dat belanghebbende slechts de helft van de hypotheekrente op zijn inkomen in mindering kan brengen. De andere helft van de hypotheekrente is volgens de Inspecteur als alimentatie in aftrek toegestaan. 5.2 Uitspraak Rechtbank s-gravenhage Op 27 augustus 2009 heeft de Rechtbank s-gravenhage 57 uitspraak gedaan over de hierboven beschreven situatie. De Rechtbank heeft geoordeeld dat van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen in de zin van art. 2.17 vijfde lid Wet IB 2001 geen sprake is omdat belanghebbende niet het hele jaar dezelfde partner heeft gehad. Er moet volgens de Rechtbank onderscheid gemaakt worden tussen de periode van 1 januari tot 1 augustus 2004 en van 1 augustus tot en met 31 december 2004. Voor de periode van 1 januari tot 1 augustus waren belanghebbende en Y elkaars partner en geldt op grond van art.2.17 eerste lid Wet IB 2001 dat de in die periode genoten inkomensbestanddelen moeten worden toegerekend aan de partner die ze genoten heeft of op wie ze hebben gedrukt. Belanghebbende moet volgens de Rechtbank worden aangemerkt als degene op wie deze rentelasten hebben gedrukt aangezien de hypothecaire lening is verstrekt op basis van zijn inkomen. De Rechtbank stelt belanghebbende gelijk. 56 Hof s-gravenhage 14 april 2010, LJN BM1858. 57 Rechtbank s-gravenhage 27 augustus 2009, LJN BJ9040. 16

In de periode van 1 augustus tot en met 31 december 2004 zijn belanghebbende en Y geen partners meer zodat art.2.17 tweede tot en met zevende lid Wet IB 2001 niet van toepassing is. De Rechtbank is van oordeel dat de in deze periode betaalde hypotheekrente slechts voor de helft als aftrekbare kosten met betrekking tot de eigen woning in aanmerking genomen kan worden. De Rechtbank stelt de Inspecteur dan ook in het gelijk met betrekking tot de andere helft van de betaalde hypotheekrente. De Inspecteur heeft de andere helft terecht als alimentatie in aftrek toegelaten. 5.3 Uitspraak Gerechtshof s-gravenhage De Inspecteur is het oneens met de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot de periode 1 januari tot 1 augustus 2004 en is in hoger beroep gegaan. De vraag is of de hypotheekrente in deze periode volledig in aftrek gebracht mag worden of slechts voor de helft. De Inspecteur is van mening dat slechts de helft voor aftrek in aanmerking komt. De belanghebbende en de Rechtbank zijn van mening dat de volledige hypotheekrente in deze periode in aftrek genomen mag worden. Het Gerechtshof stelt dat van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen in de zin van art.2.17 vijfde lid van de Wet geen sprake is. De hypotheekrente ook al heeft belanghebbende die volledig betaald en heeft de ex-echtgenote in het jaar 2004 geen inkomen genoten heeft, voor de helft op belanghebbende gedrukt als bedoeld in art. 2.17 eerste lid van de Wet in samenhang met art.3.121 van de Wet. 58 Het Gerechtshof stelt de Inspecteur in het gelijk. Belanghebbende mocht in de periode van 1 januari tot 1 augustus 2004 slechts de helft van de hypotheekrente als aftrek met betrekking tot de eigenwoningschuld in aanmerking nemen omdat de helft aan hem toe te rekenen is. 5.4 Analyse uitspraken Rechtbank en Gerechtshof s-gravenhage Voor de Rechtbank en het Gerechtshof is het duidelijk dat er geen sprake is van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen omdat er niet gekozen is voor het fiscale partnerschap. Art.2.17 zevende lid Wet IB 2001 geeft aan dat in de gevallen waarin de belastingplichtige een deel van het jaar een partner heeft gehad, hij voor de toepassing van dit artikel geacht wordt het hele jaar die partner te hebben gehad indien zij daar gezamenlijk voor kiezen. In deze situatie hebben belanghebbende en zijn ex-echtgenote niet gekozen voor het fiscale partnerschap, daardoor is er terecht geen sprake van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen. Het verschil tussen beide uitspraken zit hem in de vraag of belanghebbende de helft of juist het hele bedrag van de hypotheekrente uit de huwelijkse periode mag aftrekken. 58 Hof s-gravenhage 14 april 2010, LJN BM1858 r.o. 6.1. 17

De Rechtbank stelt dat X en Y gedurende de periode van 1 januari tot 1 augustus partners waren op grond van art.1.2 eerste lid Wet IB 2001. Daardoor geldt derhalve de regel van art.2.17 eerste lid Wet IB 2001 zodat de in die periode genoten inkomensbestanddelen moeten worden toegerekend aan de partner die ze heeft genoten of op wie ze hebben gedrukt. Een vaststaand feit is dat X vanaf het begin van het huwelijk alleenverdiener is geweest en de hypothecaire lening op basis van zijn inkomen is verstrekt. De Rechtbank is van mening dat de rentelasten volledig op X hebben gedrukt omdat de hypotheekrente geheel ten laste van zijn inkomen is gekomen. Hierbij heeft de Rechtbank in aanmerking genomen dat van Y, gelet op haar leeftijd en gezondheidstoestand, niet verlangd kan worden dat zij in haar eigen levensonderhoud voorziet. Het Gerechtshof stelt dat X slechts de helft van de hypotheekrente mag aftrekken omdat de hypotheekrente voor de helft op hem heeft gedrukt, ondanks dat het gehele bedrag voor zijn rekening is gekomen. Het Gerechtshof is tot dit oordeel gekomen door zich te beroepen op art.2.17 eerste lid in samenhang met art.3.121 Wet IB 2001. Zowel de Rechtbank als het Gerechtshof stellen dat inkomensbestanddelen op grond van art.2.17 eerste lid Wet IB 2001 in aanmerking worden genomen bij degene door wie ze zijn genoten of op wie deze drukken. De vraag die in deze situatie speelt is: op wie drukt de hypotheekrente? Zoals al eerder is aangegeven stelt de Rechtbank dat de rente in zijn geheel drukt op X, het Gerechtshof stelt dat de rente slechts voor de helft op X drukt. Ik ben het eens met de visie van Heithuis,deze is in paragraaf 2.1 al aan bod gekomen, dat voor de vraag op wie de hypotheekrente drukt het bepalend is wie de contractspartij bij de bank is. 59 Als de hypothecaire lening door beiden is aangegaan, is volgens Heithuis 50% van de hypotheekrente aftrekbaar bij iedere echtgenoot. In dit geval zijn zowel X als Y contractspartner voor de bank, de hypothecaire lening staat immers op naam van beiden, dus drukt de rente op beiden voor de helft. Deze zienswijze ondersteunt de uitspraak van het Gerechtshof en strookt niet met de uitspraak van de Rechtbank. De redactie van Vakstudie Nieuws heeft zich ook uitgelaten over deze kwestie en stelt dat tijdens de huwelijkse periode de hypotheekrente op beide partners voor de helft drukt. 60 Hieruit valt af te leiden dat zij zich aansluiten bij de uitspraak van het Gerechtshof. Ik kan me dan ook totaal niet vinden in de uitspraak van de Rechtbank dat de hypotheekrente volledig op X drukt omdat hij de rente heeft betaald. 59 E.J.W. Heithuis, Een tweetal kwesties met betrekking tot de eigenwoningregeling in de inkomstenbelasting, WFR 2009/1365. 60 Onder aantekening in V-N 2010/40.20. 18

Het lijkt erop dat Hoogeveen het hiermee eens is, zij stelt dat de voormalige partners de lasten van de gemeenschap gezamenlijk moeten dragen, zodat de rente op beide echtelieden drukt. Het maakt hierbij niet uit wie de rente betaalt, de rente is bij ieder voor de helft aftrekbaar. 61 Op 2 september 2010 heeft de Rechtbank s-gravenhage in een soort gelijke situatie uitspraak gedaan. 62 Het ging in deze zaak om een situatie waarin eiser en zijn ex-echtgenote in gemeenschap van goederen waren gehuwd en de hypotheekschuld op naam van beiden stond. In deze situatie betaalde de ex-echtgenote de volledige hypotheekrente en heeft de eiser de woning verlaten. De Rechtbank besliste dat de eiser de helft van de verschuldigde hypotheekrente in aftrek mag brengen, ieder is namelijk draagplichtig voor de schuld. Dit omdat eiser en ex-echtgenote hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de op de woning betrekking hebbende schuld. Deze uitspraak bevestigt eerder genoemde zienswijze dat de hypotheekrente op beide partners voor de helft drukt indien zij gehuwd zijn in gemeenschap van goederen. 61 I.J.F.A. van Vijfeijken, Inkomstenbelasting en de gevolgen van (echt)scheiding, Sdu uitgevers, 2007, p.164. 62 Rechtbank s-gravenhage 2 september 2010, LJN BO0442. 19

Hoofdstuk Zes Conclusie In dit hoofdstuk zal ingegaan worden op de volgende probleemstelling: Wat is de invloed van de echtscheiding op de eigenwoningregeling en in hoeverre zorgt de eigenwoningregeling in geval van echtscheiding voor een sluitende heffing? 6.1 Wat is de invloed van echtscheiding op de eigenwoningregeling? Met de invoering van art.3.111 vierde lid Wet IB 2001 is een voorziening in de wet opgenomen voor situaties waarin partners duurzaam gescheiden gaan leven en daardoor één van beiden de woning verlaat. Dit artikel bewerkstelligt dat de woningverlater voor de inkomstenbelasting nog een eigen woning heeft. Partners gaan pas duurzaam gescheiden leven indien ieder zijn eigen leven leidt zonder rekening te (hoeven) houden met de ander. Indien partners in het jaar waarin zij duurzaam gescheiden gaan leven, kiezen voor het fiscale partnerschap 63 dan kunnen zij de belastbare inkomsten uit eigen woning in een onderlinge verhouding verdelen. De voordelen uit eigen woning en de daarbij behorende aftrekposten behoren namelijk tot de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen. De woning kwalificeert voor beiden nog als eigen woning indien belastingplichtigen duurzaam gescheiden gaan leven, de woning van beiden is en de hypotheekschuld op naam van beiden is verstrekt. Het gevolg is dat zowel de achterblijver als de woningverlater ieder zijn deel van de hypotheekrente kan aftrekken, hier staat tegenover dat zij ieder de helft van het eigenwoningforfait moeten aangeven. De woningverlater stelt in dit geval de woning ter beschikking aan de achterblijver en kan daardoor zijn deel van het eigenwoningforfait aftrekken als alimentatie. De achterblijver moet zijn deel van het eigenwoningforfait en de ontvangen alimentatie aangeven als ontvangen periodieke verstrekking, per saldo betaalt hij het hele eigenwoningforfait. Indien de woning van één van beiden is en de eigenaar blijft in de woning wonen dan moet hij het eigenwoningforfait aangeven, hij kan zijn volledige hypotheekrente aftrekken. Indien de eigenaar de woning verlaat dan geldt de fictie van art.3.111 vierde lid Wet IB 2001, de woning kwalificeert voor de eigenaar nog als eigen woning. In beginsel moet hij het gehele eigenwoningforfait aangeven en kan hij zijn hypotheekrente volledig aftrekken. Echter de eigenaar geniet nu geen woongenot, hij stelt zijn woning ter beschikking aan zijn ex-echtgenote. Het is gevolg is dat de eigenaar het bedrag ter grootte van het eigenwoningforfait kan aftrekken als alimentatie. De 63 Keuze kan gemaakt worden door een beroep te doen o.g.v. art.2.17 zevende lid Wet Inkomstenbelasting 2001. 20

ex-echtegenote die in de woning is achtergebleven moet de ontvangen alimentatie aangeven als ontvangen periodieke verstrekking. 6.2 Knelpunten met betrekking tot de eigenwoningregeling in geval van echtscheiding Er zijn naar mijn mening twee situaties waarin het niet geheel duidelijk is hoe de eigenwoningregeling bij echtscheiding werkt. De eerste situatie is de situatie waarin de woningverlater de volledige eigendom heeft en waarin de achterblijver een schuld met betrekking tot de woning heeft. De tweede situatie speelt in het jaar waarin partners duurzaam gescheiden gaan leven. Er kan dan onduidelijkheid bestaan over de vraag wie de hypotheekrente mag aftrekken gedurende de huwelijkse periode als één van beiden de hypotheekrente heeft betaald. In de situatie waarin de woningverlater de volledige eigendom bezit en waarin de achterblijver een schuld met betrekking tot de eigen woning heeft kan er mijns inziens onduidelijkheid bestaan over de werking van de eigenwoningregeling. Volgens de wettekst kan de achterblijver in deze situaties de rente met betrekking tot deze schuld niet aftrekken van zijn belastbare inkomen in box 1. De achterblijver heeft geen eigen woning meer op grond van art.3.111 eerste lid Wet IB 2001 omdat hij niet voldoet aan het eigendomsvereiste. Ook wordt de achterblijver niet meegetrokken door art.3.111 vierde lid Wet IB 2001 omdat de eigenaar niet in de woning blijft wonen. Het is de vraag of voor de werking van art.3.111 vierde lid Wet IB 2001 vereist is dat de woningverlater het eigendom over de woning bezit. Hoogeveen is van mening dat deze uitkomst niet de bedoeling van de wetgever geweest kan zijn. Ik deel haar mening ook dat het voor de werking van art. 3.111 vierde lid niet noodzakelijk is dat de belastingplichtige eigendomsrechten van de woning heeft. 64 Mijns inziens zorgt de eigenwoningregeling in dit geval niet voor een sluitende heffing. In de situatie waarin de achterblijver geen eigendom bezit maar wel een eigenwoningschuld heeft is, als de wettekst gevolgd wordt, de hypotheekrente niet in zijn geheel aftrekbaar in box 1 terwijl het eigenwoningforfait wel volledig aangegeven dient te worden in box 1. De oplossing is naar mijn mening gevonden in de redenering van Hoogeveen. Als art.3.111 vierde lid Wet IB 2001 ook geldt voor de achterblijver die geen eigendom bezit maar wel een schuld met betrekking tot de woning heeft, dan wordt er een sluitende heffing bereikt. In dat geval komen zowel het eigenwoningforfait als de hypotheekrenteaftrek in box 1 terecht. Kortom, met betrekking tot deze situatie is mijn aanbeveling een kleine aanpassing van de wettekst waardoor er duidelijkheid wordt verschaft en de sluitende heffing gerealiseerd kan worden. 64 I.J.F.A. van Vijfeijken, Inkomstenbelasting en de gevolgen van (echt)scheiding, Sdu uitgevers, 2007, p.159. 21

De andere situatie waarin er onduidelijkheid kan ontstaan met betrekking tot de eigenwoningregeling bij echtscheiding is bij de vraag wie en voor welk bedrag de hypotheekrente mag aftrekken in het jaar waarin partners duurzaam gescheiden gaan leven. In hoofdstuk vijf is dit probleem al aan de orde gekomen. Het was in deze situatie onduidelijkheid wie welk bedrag aan hypotheekrente uit de huwelijkse periode mag aftrekken. 65 Voor de vraag wie de hypotheekrente mag aftrekken is het van belang om na te gaan op wie de hypotheekrente drukt. In alle gevallen waarin de hypotheekschuld door beiden is aangegaan drukt mijns inziens de hypotheekrente uit de huwelijkse periode op iedere echtgenoot voor 50%. Ik sluit me dan ook aan bij de redenering van Heithuis, hij stelt dat de hypotheekrente drukt bij degene die contractspartner is bij de bank. 66 De hypotheekschuld is door beiden aangegaan, zij zijn beiden contractspartner bij de bank, zodoende drukt de hypotheekrente bij ieder voor 50%. Dat leidt ertoe dat de hypotheekrente bij ieder voor 50% aftrekbaar is, dit lijkt mij ook de bedoeling van de wetgever. Hierover zijn echter de meningen verdeeld. Zo heeft Rechtbank s-gravenhage 67 op 27 augustus 2009 geoordeeld dat de hypotheekrente drukt op degene bij wie de hypotheekrente geheel ten laste van het inkomen is gekomen, de hypothecaire lening is destijds ook op basis van zijn inkomen verstrekt. Naar mijn mening is dit onjuist en ik sluit me aan bij de visie van Hoogeveen, zij geeft aan dat het niet uitmaakt wie de rente betaalt, de voormalige partners moeten de lasten van de gemeenschap gezamenlijk dragen zodat de rente op beide echtelieden drukt. 68 Het Gerechtshof s-gravenhage 69 heeft op 14 april 2010 de uitspraak van de Rechtbank vernietigd. Het Hof heeft beslist dat de hypotheekrente op beide echtgenoten drukt ondanks dat het gehele bedrag voor rekening van één van hen kwam. Deze uitspraak toont aan dat er verschillende visies zijn met betrekking tot de vraag op wie de hypotheekrente drukt. Het antwoord lijkt toch gegeven te zijn op 2 september 2010 door Rechtbank s- Gravenhage 70. De Rechtbank bevestigt in deze uitspraak dat de ex-echtgenoot de helft van de hypotheekrente mag aftrekken, hierbij is het niet van belang wie feitelijk de rente heeft betaald. Kortom, naar mijn mening heeft de Rechtbank door deze uitspraak duidelijkheid verschaft en is de hypotheekrente tijdens de huwelijkse periode aftrekbaar bij degene op wie hij drukt, hierbij is het niet van belang wie de hypotheekrente heeft betaald. 65 Ervan uitgaande dat er in deze situatie niet geopteerd is voor het fiscale partnerschap. 66 E.J.W. Heithuis, Een tweetal kwesties met betrekking tot de eigenwoningregeling in de inkomstenbelasting, WFR 2009/1365. 67 Rechtbank s-gravenhage 27 augustus 2009, LJN BJ9040. 68 I.J.F.A. van Vijfeijken, Inkomstenbelasting en de gevolgen van (echt)scheiding, Sdu uitgevers, 2007, p.164. 69 Hof s-gravenhage 14 april 2010, LJN BM1858. 70 Rechtbank s-gravenhage 2 september 2010, LJN BO0442. 22

Literatuurlijst H.P.A.M. van Arendonk, Wegwijs in de inkomstenbelasting, SFFU, 2007. A.J.M. Arends, De eigenwoningregeling vanaf 2004 rechtvaardiger?, WPNR 2004-6561. F. van den Barselaar, De eigen woning bij echtscheiding: een praktische handleiding, EB 2005-9. C. Bruijsten en M.L.A. van Rij, Hypotheekrenteaftrek:verleden, heden en toekomst, WFR, 2007-119. R.P. van den Dool, De fiscale positie van de eigen woning, WFR 2010-758. J.F. Giele, Onverdeeld laten eigendom voormalige echtelijke woning, EB 2005-4. N.C.G. Gubbels, Bij wie is de hypotheekrente aftrekbaar?, WPNR 2007-6702. N.C.G. Gubbels, Inkomstenbelasting en de eigen woning (deel I:tijdens leven), WPNR 2003-6542. E.J.W. Heithuis, Een tweetal kwesties met betrekking tot de eigenwoningregeling in de inkomstenbelasting, WFR 2009-1365. T.C. Hoogwout, Echtscheiding en de eigen woning, EB 2007-7/8. H.M. Kappelle e.a., Fiscale aspecten van de eigen woning, Sdu uitgevers, 2007. R.M. Kavelaars-Niekoop, Echtscheiding, fiscale geschriften nr.15, Sdu uitgevers. Leidraad voor juridische auteurs, Deventer: Kluwer 2004. M.J.J.R. van Mourik, De eigen woning in de Wet IB 2001, Amersfoort: Sdu uitgevers, 2006, 5.6.6.2. Noordermeer Van Loo, De fiscale waardering van de eigen woning in de Wet IB 2001, FTV, april 2004. A.C. Rijkers, Echtscheiding en eigen woning, Tribuut 2006-04. L.W. Sillivis en M.L.M. van Kempen, Cursus belastingrecht, inkomstenbelasting 2010/2011, Kluwer, 2010. I.J.F.A. van Vijfeijken (red.), Inkomstenbelasting en de gevolgen van (echt)scheiding, Amersfoort: Sdu uitgevers, 2007. Wobma en De Graaf, Scheiden en weer samenwonen, Bevolkingstrends, vierde kwartaal 2009, <http://www.cbs.nl/nr/rdonlyres/69c3ff3a-d853-46ce-a2d5-ba37a0d19dd4/0/2009k4b15 p14art.pdf> Vakstudie nieuws 2009/63.21. Vakstudie nieuws 2010/40.20. 23

Jurisprudentieregister Hof s-gravenhage 14 april 2010, LJN BM1858. Rechtbank s-gravenhage 2 september 2010, LJN BO0442. Rechtbank s-gravenhage 27 augustus 2009, LJN BJ9040. Besluit Staatssecretaris van Financiën van 30 november 2001, nr. CPP2001/3035M. Besluit Staatssecretaris van Financiën van 27 januari 2006, nr. CPP2005/2574M. Besluit Staatssecretaris van Financiën van 20 februari 2007, nr. CPP2006/1942M. Besluit Staatssecretaris van Financiën van 24 november 2009, nr. CPP2009/2342M. Besluit Staatssecretaris van Financiën van 26 augustus 2010, nr. DGB2010/3057M. Besluit Staatssecretaris van Financiën van 5 november 2010, nr. DB2010/181U. Kamerstukken II 2001/02, 28 056, nr.2 Kamerstukken II 2010/11, 32 395, nr.14. Wet van 23 december 2009, Stb. 2009, 611. 24