Kristalgroei in de petrologie

Vergelijkbare documenten
Het groeien van kristallen

IN SLIJPPLAATJES LAACHER SEE-GESTEENTE. door J. Stemvers - van Bemmel

Naam: VULKANEN. Vraag 1. Uit welke drie lagen bestaat de aarde? Vraag 2. Hoe dik is de aardkorst gemiddeld?

Geologische wandeling door Den Haag.

5 havo 2 End. en ex. processen 1-4

Optische gesteentedeterminatie IV

Determineren van gesteente

INLEIDING TOT DE PETROLOGIE

Krachten van de natuur hoofdstuk 1B4

BEWEGENDE AARDE: KWARTET

Relatie (geo)chemische dispersiepatronen - geologie

Sneeuw & ijskristallen deel II. Waarnemingen aan kristal Kristalgroei Condities Kristallisatie Oververzadiging en nucleatie steps Macrostep vorming

De stenentuin handleiding bij de rondwandeling

GEA Leiden 22 maart Plaattektoniek: Rond Over In Door. Dr Bernd Andeweg. Aardwetenschappen, Vrije Universiteit

TWEELINGKRISTALLEN. Inleiding. Tweelingen van aragoniet. door drs. E.A.J. Burke Instituut voor Aardwetenschappen Vrije Universiteit, Amsterdam

Inleiding Waarom dit onderwerp?

EXAMEN VWO SCHEIKUNDE 1980, TWEEDE TIJDVAK, opgaven

Vulkanen. Welke soorten vulkanen zijn er, welke stoffen komen er vrij bij een uitbarsting en hoe vinden we die stoffen aan het aardoppervlak terug?

Steen. 1e college Utrecht maart 2009 HKU

Samenvatting NaSk Hoofdstuk 6: Stoffen en Moleculen

Klimaatbeheersing (3)

gea Stenen Enkele termen en begrippen

Korte aanduiding: V/erkwijze ter verwerking van alkalihalogenidezouten voor optische en scintillatietoepassingen.

Kernpunten. Conclusie en nawoord. Essay naar de temperaturen binnen de kern van de aarde. Auteur: Sebastien Immers. Copyright Augustus 2010

Woord vooraf. Schatten uit de natuur.indb :09

Proef Scheikunde Joodconcentratie & reactiesnelheid

Roeisloepwedstrijden worden beslist door te berekenen hoeveel vermogen de roeiers nodig hadden om de gehaalde gemiddelde roeisnelheid te halen.

Soorten vulkanen. Tefra vulkaan: Werkende vulkaan: Er zijn heel veel soorten vulkanen en ik ga er 6 opnoemen en er wat over vertellen dat zijn,

Alkalische Ringcomplexen in Zuid-Afrika

Geodenvorming. door P. Stemvers. F I ow - struktuur

Tentamen MATERIAALKUNDE II, code

Kristalvormen en de vorm van kristallen. Het terugvinden van vlakken met bekende Millerindices. Inleiding

Met een polarisatiemicroscoop eenvoudig vast te stellen

Samenvatting Aardrijkskunde Systeem Aarde H1

Eindexamen aardrijkskunde vwo 2008-II

Ontdekkingstocht door agaat Ben Ockeloen

Les 3 Toppen, passen, dalen

Nederlandse Samenvatting

Iets over gangen, porfieren en glazen

Opbouw van deze workshop: 1 drie verhaaltjes 2 hoofdindeling van gesteenten 3 aan het werk

Kernboodschap: Waterbeheerders houden rekening met aanhoudende droogte

De herkenning van zandmineralen

1.1 Het ontstaan van de aarde

Tentamen MATERIAALKUNDE II, code

Insluitsels in edelstenen Chris Korf

Samenvatting nanokristallen gedoteerde spectroscopie

Hydroflow de doorbraak in waterontharding!

Natuurrampen. Natuurrampen. Enkele voorbeelden... Oorzaken: bijvoorbeeld lawine, aardbeving, orkaan, overstroming, tsunami en vulkaanuitbarsting.

Samenvatting. Injectie van SiC deeltjes in Al

5,7. Werkstuk door een scholier 2362 woorden 6 januari keer beoordeeld. Natuurkunde INLEIDING

Functieonderzoek. f(x) = x2 4 x Igor Voulis. 9 december De functie en haar definitiegebied 2. 2 Het tekenverloop van de functie 2

Practische aspecten van een chemische synthese. September 2013

Gesteentepracticum Jennifer Inge Lisette Stroo

De waterconstante en de ph

Steen 2. college Utrecht oktober 2009 HKU

5 Water, het begrip ph

ZEEVISSEN NRC

Vulkanen. Voorwoord! Ik heb dit onderwerp gekozen omdat, ik een onderwerp wou dat niet vaak voor komt. En dan kan je er ook nog iets van leren. Blz.

Verzadigde en onderverzadigde dieptegesteenten

Beschrijving van enkele dieptegesteenten

2 Bemesting Meststoffen Soorten meststoffen Grondonderzoek Mestwetgeving 49

Reis naar het middelpunt der Aarde

Uitleg. Welkom bij de Beverwedstrijd Je krijgt 15 vragen, die je in maximaal 45 minuten moet beantwoorden.

Veranderingen Antwoorden

VELDSPATEN: een grote familie

Vraagstuk 1 (10 eenheden) In het algemeen zal een ferro-magnetisch lichaam zich opsplitsen in een aantal magnetische domeinen.

IJSLAND. Dr. Bernd Andeweg Aardwetenschappen Vrije Universiteit amsterdam

Werkblad bij de geoquest Vulkanen

3. Structuren in de taal

Oefenopgaven CHEMISCHE INDUSTRIE

2. Stuw Kortrijk blz Stuw Kerkweg-noord blz Stuw Portengen blz Stuw Schutterskade-west blz Stuw Schutterskade-oost blz 7

Samenvatting Scheikunde Hoofdstuk 2 stoffen en reacties

Evolutie: De ontwikkeling van het leven op aarde waarbij soorten ontstaan, veranderen en/of verdwijnen.

Tentamen MATERIAALKUNDE II, code

Naam: examennummer:.

6.2. Werkstuk door een scholier 1504 woorden 23 december keer beoordeeld. Aardrijkskunde

Belangrijke veiligheidsoverwegingen bij het gebruik van Lipo accu s:

INDONESIË. Natuurlijke en landschappelijke kenmerken

7.1 Het deeltjesmodel

Figuur 1. Schematische voorstelling van een triacylglycerol (voorbeeld).

Stoffen en Reacties 2

gea De Wannenköpfe (Eifel): een beste vindplaats voor rutiel

Een zeer lage Rijnafvoer, nog geen problemen met de watervoorziening.

Fasen: de die toestanden waarin je water (en veel andere stoffen) kunt tegenkomen.

Samenvatting (Summary in Dutch)

Werken in startende bedrijven

Soms moet de lucht omhoog omdat er een gebergte ligt. Ook dan koelt de lucht af. Er ontstaan wolken en neerslag. Dit is stuwingsregen.

Rem- en slipgedrag (2)

Metaalstructuren en toestandsdiagram. Metaalstructuren en toestandsdiagram. Metaalstructuren en toestandsdiagram. Metaalstructuren en toestandsdiagram

BUFFEROPLOSSINGEN. Inleiding

Tentamenopgave chemie B Geachte kandidaat,

Samenvatting Impliciet leren van kunstmatige grammatica s: Effecten van de complexiteit en het nut van de structuur

Transcriptie:

Onzuiverheden vormen een andere uitwendige faktor. Onzuiverheid is alles,, wat niet tot het kristal behoort. Keukenzout kristalliseert normaliter in kubusvorm uit. Voeg je aan de oplossing een toenemende hoeveelheid roodbloedloogzout (kaliumferricyanide) toe, dan komt er in de kristalvorm van de NaCI verandering. Bij geringe toevoeging is er nog de kubusvorm, bij grotere veranderen de kubusvlakken, er komen andere vlakken voor in de plaats: oktaëdervlakken. Uiteindelijk ontstaat een oktaëdervorm., Ook de graad van oververzadiging is hier van belang. Is deze groter, dan gaat de verandering van vorm gemakkelijker. Dus: er is verandering van vorm als de oververzadiging groter wordt en naarmate de hoeveelheid onzuiverheid toeneemt. Het gaat hier om heel kleine hoeveelheden. Een hoeveelheid in de grootte-orde van 10"^ (één miljoenste deel) heeft al invloed. Brookiet, titaandioxyde, kristalliseert in twee vormen uit. De platte vorm is verreweg het meest algemeen (afb. 11). De pyramidaal-prismatische vorm komt maar op drie plaatsen voor, de bekendste is in Arkansas. De platte kristalvorm komt steeds voor in gesteenten met veel kwarts, de brookiet in Arkansas is te vinden in gesteenten zonder kwarts (nefeliensyeniet). De theoretische vorm van brookiet is die van Arkansas (genotype). Waarom komt nu overal elders de platte vorm voor? De hypothese is, dat die platte vorm (fenotype) veroorzaakt wordt door een bijna overal behalve in Arkansas voorkomende onzuiverheid. Die onzuiverheid zou dan kwarts zijn. Bij nog grotere oververzadiging komen er storingen in de kristalgroei, er verschijnen uitstulpingen. Hoe groter de groeisnelheid is, hoe meer. Er komen dan vertakte kristallen: dendrieten. We kennen deze vormen allemaal van sneeuwkristallen. Deze groeien zo snel, dat niet het complete zeskantige zuiltje, met een vlakje boven en onder, wordt gevormd, maar een dendrietachtig kristal. Dit is een storing, die vaak optreedt. Kristalgroei in de petrologie door Dr. C. Maijer De gesteenten die we nu zien zijn meestal al lang of zelfs zeer lang geleden gekristalliseerd; de kristalgroei heeft dus al eerder of zelfs veel eerder plaats gevonden, zonder dat iemand het heeft zien gebeuren. Toch is er in veel gevallen nog wel iets te vertellen over de groei van de kristallen in de diverse gesteenten, door de reconstructie van een gefixeerd groeipatroon, zoals dat vooral zichtbaar wordt onder de polarisatiemicroscoop bij het bekijken van slijpplaatjes (dunne doorsneden). Het genoemde onderwerp is ook dan nog zo uitgebreid, dat ik me zal moeten beperken tot enkele voorbeelden, en wel in eerste instantie tot stollingsgesteenten, d.w.z. gesteenten waarvan de kristallen zijn gevormd door kristallisatie uit een smelt, een silicaatsmelt (hierbij laten we dus vooral de metamorfe gesteenten buiten beschouwing, waar kristallisatie op een heel andere manier plaats vindt, nl. in een vaste omgeving, kristalgroei kan daar slechts plaats vinden in plaats van en ten koste van andere, oudere nabij liggende mineralen). bij ca. 1390 C, zuivere anorthiet bij ca. 1550 C; toevoeging van anorthiet aan diopsied verlaagt nu de stollingstemperatuur van diopsied; omgekeerd verlaagt ook de toevoeging van enige diopsied aan anorthiet de kristallisatietemperatuur van anorthiet; hoe meer er wordt toegevoegd, hoe lager de kristallisatietemperaturen (vgl. de vriespuntsverlaging als bv. bij de toevoeging van zout aan water optreedt), tot bij een bepaalde minimum temperatuur, de zg. eutectische temperatuur (1270 C), diopsied en anorthiet samen en tegelijk en in een vaste onderlinge verhouding (42% anorthiet en 58% diopsied) uitkristalliseren (zie fig. D. Het uitgangsmateriaal van een stollingsgesteente is dus een silicaatsmelt. Kristallisatie, dus kristalgroei, gaat optreden als de (externe) omstandigheden zodanig veranderen dat het systeem vanuit het stabiliteitsveld van de vloeibare, gesmolten fase in die van de vaste fase overgaat, als bv. de temperatuur T zodanig daalt dat het materiaal beneden de stollingstemperatuur geraakt. De meeste gesteenten zijn echter complexe systemen, waarvan ook het kristallisatieverloop een ingewikkeld proces vormt, vooral ook omdat de aanwezigheid van het ene mineraal invloed heeft op het kristallisatieverloop (bv. stollingstemperatuur en kristallisatievolgorde) van een ander mineraal, en omgekeerd. Als voorbeeld kan dienen de eutectische kristallisatie van twee niet mengbare mineralen, bv. diopsied (CaMgSi20ö) en anorthiet (CaAl2Si20s); zuivere diopsied kristalliseert Fig. 1 : Temperatuur samenstel I ingsdiagram van het binaire systeem diopsied-anorthiet. E = eutecticum 67

Fig. 2: Temperatuur-samenstelIingsdiagram van het binaire systeem albiet-sic>2 Fig. 3 Temperatuur-samenstelIingsdiagram van het binaire systeem albiet-anorthiet (plagioklaas-reeks). Dit eutecticum geldt echter slechts voor één bepaalde druk (1 at.); bij een andere, hogere druk geldt een ander eutecticum, met een andere eutectische temperatuur en met een andere mineraalverhouding. Bijvoorbeeld het binaire (2-componenten-)systeem SiÖ2 albiet (NaAISi30s) verlaagt de eutectische temperatuur van ca. 1100 U C bij 1 at. tot 712 C bij 3000 at. waterdampdruk (PH2O) < zie fig. 2). De meeste gesteenten zijn bovendien nog aanzienlijk gecompliceerder, omdat ze gewoonlijk uit meer dan twee mineralen bestaan. Nog ingewikkelder wordt het beeld door het bestaan van mengkristallen. Een bekend voorbeeld hiervan vormt de plagioklaas-serie, een belangrijke mineraalgroep omdat de veldspaten (plagioklaas + kaliveldspaat) meer dan 50 vol.% van de aardkorst uitmaken. Alle tussenliggende leden (mengkristallen) tussen de eindleden albiet (NaAISi30s; kristallisatietemperatuur 1118 C) en anorthiet CaAl2Si208; kristallisatietemperatuur 1553 C) komen voor en worden gevormd bij tussenliggende temperaturen (zie fig. 3). De smeltpunten van de eindleden albiet en anorthiet zijn verbonden door een puntig-elliptische figuur, waarvan de bovenste curve de samenstelling van de smelt, de onderste die van het mengkristal aangeeft. Langzame kristallisatie van plagioklaas uit een smelt met samenstelling x geeft bij temperatuur T- kristallen met een anorthiet-rijkere dus Ca-rijkere samenstelling C- ; hierdoor wordt de smelt bij verdergaande kristallisatie bij dalende temperatuur albiet-rijker, dus Na-rijker; deze Na-rijkere smelt gaat reageren met de Ca-rijkere kristallen. Als de kristallen en de smelt maar voortdurend met elkaar in contact blijven, zal bij voldoende langzame afkoeling deze reactie tussen kristallen en smelt blijven voortgaan, zodanig dat bij temperatuur T2 alle smelt geheel is gekristalliseerd en de kristallen een samenstelling C2 (= de samenstelling van de oorspronkelijke smelt) hebben gekregen. Resultaat: homogene plagioklaaskristallen. Een dergelijke langzame kristallisatie vindt plaats als de magmahoeveelheid groot genoeg of de intrusie diep genoeg is om de temperatuurdaling langzaam genoeg te laten plaats vinden. Net als bij de niet-mengbare mineralen worden ook de kristallisatietemperaturen van de plagioklaas-reeks beïnvloed door veranderingen van de druk, en weer verlaagd bij stijgende druk (zie fig. 3). Als de eerst gevormde kristallen worden gescheiden van de restsmelt (uitzinken van de kristallen, wegpersen van de restsmelt) of als de kristallisatie sneller verloopt is er onvoldoende gelegenheid voor reactie tussen gevormde kristallen en overblijvende smelt, met als resultaat: zonaire kristallen, d.w.z. basischer Ca-rijkere kernen in een zuurdere Narijkere rand. Een dergelijke groeizonariteit laat ons de opeenvolgende groeistadia van deze kristallen zien en verschaft ons dus de mogelijkheid om de kristalgroei in een aantal stappen te volgen. Als voorbeeld kan dienen de sterk zonaire plagioklaas uit een klein syenodiorietlichaam uit Zuidwest Polen (zie fig. 4). Dergelijke zonaire plagioklaaskristallen met een meer anorthiet-rijkere kern in een meer albiet-rijkere rand is een vrij normaal beeld, waarschijnlijk zelfs normaler dan homogene, niet-zonaire plagioklaas, althans in stollingsgesteenten. Let ook op de veranderde kristalvorm met scheve vlakken in de kern (waarschijnlijk (011) naast (010) en (001)) en rechte, eenvoudiger begrenzingen voor de rand (waarschijnlijk slechts (010) en (001)). Fig. 4: Microfoto van idiomorf zonaire plagioklaas met labradorietkern omgeven door andesienzone in buitenste rand van oligoklaas. Syenodioriet, Zuidwest Polen. Gekruiste nicols. Ca. 70 x. 68 Gea, vol. 9 nr. 3

Deze zonariteit is de weerslag van veranderde omstandigheden tijdens de kristallisatie (bv. bij intrusie naar een hoger niveau in de korst, d.w.z. naar omstandigheden met een lagere druk) en deze gelden voor het gehele magma; dit beeld moet dus in grote lijnen in alle plagioklaaskristallen terug te vinden zijn. Dit blijkt inderdaad zo te2ijn. Nog fraaier is in het algemeen deze zonariteit van plagioklaas te zien in veldspaatkristallen uit vulkanische en subvulkanische gesteenten. Als voorbeeld een granietporfier (zie fig. 5): plagioklaasfenokristen met een uitgesproken oscillerende idiomorfe groei-zonering, welke paleo-groeilijnen vertegenwoordigen. Onregelmatige vlekkige uitdoving (= onregelmatige samenstelling) in de kern is waarschijnlijk het resultaat van gedeeltelijke resorptie van de eerste Ca-rijkere kern door reactie met de Na-rijker wordende smelt. Vooral in detail (zie fig. 6) blijkt een zeer fraai oscillerende zonaire opbouw, welke m.i. het best is te verklaren door een herhaaldelijk fluctuerende gasdruk in de magmakamer aan te nemen, mogelijk als gevolg van herhaald openen en sluiten van een toevoerpijp naar een bovenliggende vulkaan (de gasdruk in de magmakamer is in ieder geval eenvoudiger snel te variëren dan de temperatuur van het magma of zijn samenstelling). Een dergelijke fluctuerende zonariteit van de plagioklaas zou dan mogelijk te correleren zijn met de opbouw door opeenvolgende uitvloeiingen/ uitbarstingen van de bovenliggende vulkaan. Let ook hier op de veranderde kristalvorm, waarbij "scheve" vlakken (waarschijnlijk(011)) naar buiten steeds kleiner worden of soms zelfs verdwijnen; dit lijkt een bevestiging van de regel dat de snelst groeiende vlakken als eerste verdwijnen, al moeten we dit voorzichtig interpreteren in verband met het twee-dimensionale karakter van het vertoonde beeld. Het hier besproken groeiproces is in wezen vaak nog ingewikkelder. Naast voortgaande aangroei van plagioklaas met wisselende samenstelling kunnen de omstandigheden ook dermate sterk veranderen, dat niet alleen de aangroei kan stoppen, maar dat soms zelfs een deel van de gevormde plagioklaas (en eventueel andere mineralen) weer wordt opgesmolten. Als voorbeeld daarvan een groep van plagioklaas-fenokristen samengedreven (synneusis textuur) in een fijnkorrelige matrix van een granietporfier (zie fig. 7). In detail blijkt de resorptie (= weer opsmelten) uit het discordant afsnijden van een deel van de idiomorfe oscillerende groeizonering, gevolgd door een latere her-aangroei tot weer een idiomorf zonair kristal (zie fig. 8 en 9). Deze resorptiezone is ook goed te zien door een concentratie van aangeplakte en ingesloten stofdeeltjes (zie vooral fig. 7). Ook deze volgorde van kristalliseren, resorptie en weer kristalliseren is niet iets wat voor één enkel kristal geldt, maar voor het hele gesteente, gebaseerd op veranderingen in de omstandigheden tijdens de kristallisatie; dit beeld moeten we dus ook in alle andere plagioklaas-fenokristen van dit gesteente kunnen waarnemen, en dat blijkt inderdaad het geval te zijn. Deze fraaie zonaire texturen vinden we vooral duidelijk in uitvloeiingsgesteenten en ganggesteenten, maar zijn toch ook in dieptegesteenten niet ongewoon, zij het vaak minder spectaculair (alleen grote en diepe intrusies kunnen zo langzaam zijn afgekoeld dat voldoende mogelijkheid tot reactie tussen kristallen en restsmelt is opgetreden, dat geheel of vrijwel geheel homogene plagioklaaskristallen werden gevormd). In kleinere granietplutonen kunnen we dus nog wel zonaire plagioklaaskristallen vinden. Een voorbeeld hiervan is de Flamanville-graniet uit Normandië, ca. 3,5 x 5 km groot, waarin we fraaie en complexe zonaire plagioklaaskristallen vinden, soms met enkele zonaire individuen min of meer parallel bijeen gedreven (zie fig. 10), Fig. 5: Microfoto van plagioklaasfenokrist met idiomorfe groeizonering. Biotietporfieriet, Odenwald. Gekruiste nicols. Ca. 20 x. Fig. 6: Microfoto van plagioklaasfenokrist met idiomorfe oscillerende groeizonering; detail van fig. 5. Idem, ca. 75 x. Fig. 7: Microfoto van een cluster van idiomorfe zonaire plagioklaasfenokristen met resorptiezone. Granietporfier, Odenwald. Gekruiste nicols. Ca. 20 x. 69

terwijl andere een erg ingewikkelde opbouw vertonen doordat meerdere individuele kernen zijn samengedreven en door één gezamenlijke albiet-rijkere rand zijn omgroeid (zie fig. 11). In tegenstelling tot plagioklaas vertonen de meer homogene kali-veldspaatkristallen in het algemeen geen zonaire opbouw, hoewel soms geringe variaties in kristallografische eigenschappen een vaag zonair patroon laten zien. Vele andere mineralen kunnen echter wel weer een zonaire bouw vertonen, in het algemeen vooral die mineralen waarvan de samenstelling binnen het kristal rooster kan variëren, zoals bv. pyroxenen, amfibolen, soms biotiet, toermalijn, zirkoon e.d. (in metamorfe gesteenten ook granaat, epidoot, glaucofaan enz.). 8 9 Er zijn echter ook mineralen die normaliter geen zonaire opbouw vertonen, nl. die mineralen waarvan de samenstelling niet of nauwelijks kan variëren. Een duidelijk voorbeeld is kwarts, vrijwel zuivere S1O2. Toch is ook bij kwarts soms nog wel een opvallende volgorde van kristallisatie, resorptie en hernieuwde kristallisatie aan te tonen, met name in vulkanische en subvulkanische gesteenten. Een voorbeeld hiervan vormen de gedeeltelijk geresorbeerde kwarts-fenokristen met zg. "corrosion embayments" naast niet-geresorbeerde veldspaat-fenokristen in een fijnkorrelige matrix van ook kwarts en veldspaat. Dit wijst op een eerste kristallisatie van de fenokristen (= eerstelingen) van kwarts + veldspaat, waarna een deel van de kwartsfenokristen weer zijn opgesmolten (gecorrodeerd), terwijl daarna in de matrix weer kwarts en veldspaat uitkristalliseerden. Deze corrosie- of resorptieverschijnselen van de eerder gevormde kwarts-fenokristen zijn waarschijnlijk ontstaan bij het omhoog stijgen van het magma, dus bij afnemende druk, en vóór de kristallisatie van de fijnkorrelige matrix van kwarts en veldspaat, welke plaats vond na de intrusie/extrusie. (Zie fig. 12 en 13). Dit verschijnsel is dan ook te verklaren vanuit het fase-diagram van het vereenvoudigde granietsysteem, d.w.z. graniet voorgesteld door zijn drie hoofdcomponenten kwartsalbiet-orthoklaas; dit 3-componenten-systeem is op te bouwen vanuit drie 2-componenten-systemen, nl. a) het al eerder genoemde kwarts-albiet (met een eutecticum); b) kwarts-orthoklaas (ook met een eutecticum) en c) albiet-orthoklaas (mengreeks). In het 3-componenten-dia- Fig. 11: Microfoto van een complex zonair plagioklaaskristal. Flamanville-graniet, Normandië. Gekruiste nicols. Ca. 20 x. 10 Fig. 8: Microfoto van plagioklaasfenokrist met idiomorfe oscillerende groeizonering en resorptiezone welke een deel van de zonering afsnijdt; detail van fig. 7. Idem, ca. 75 x. Fig. 9: Microfoto van plagioklaasfenokrist met idiomorfe oscillerende groeizonering en resorptiezone welke een deel van de zonering afsnijdt; detail van fig. 7. Idem, ca. 75 x. Fig. 10: Microfoto van twee bijna parallel aaneen gegroeide zonaire plagioklaaskristallen. Flamanville-graniet, Normandië. Gekruiste nicols. Ca. 20 x. 70 Gea, vol. 9 nr. 3

gram kwarts-albiet-orthoklaas worden de twee eutectica van kwarts-albiet en kwarts-orthoklaas verbonden door een zg. cotectische lijn, die een kwartsveld scheidt van een veldspaatveld. Een dergelijke cotectische lijn geldt ook weer voor één bepaalde druk en ze verschuift met afnemende druk in de richting van het kwarts-hoekpunt (zie fig. 14). Een porfierisch gesteente met fenokristen van kwarts + veldspaat wijst op kristallisatie ergens op de cotectische lijn, waar kwarts en veldspaat samen kunnen kristalliseren. Wanneer een dergelijk gedeeltelijk gekristalliseerde smelt omhoog stijgt komt het in een omgeving met lagere druk. De samenstelling van de restsmelt, bij de hogere druk op grotere diepte op de cotectische lijn, valt op het hogere niveau bij lagere druk in het veldspaatveld, waar kwartskristallen instabiel zijn; dit resulteert in een verdere kristallisatie van de veldspaat, maar een gedeelte^ lijke resorptie van de kwarts-fenokristen; hierdoor verandert de samenstelling van de restsmelt, ze wordt armer aan veldspaat en rijker aan kwarts, d.w.z. de samenstelling van de restsmelt schuift in de richting van het kwartshoekpunt, d.w.z. ook in de richting van de nieuwe lagere druk cotectische lijn. Daar aangekomen kunnen weer kwarts en veldspaat samen uitkristalliseren, zoals we dat oók waarnemen in de fijnkorrelige matrix. 12 13 Fig. 12. Kwartsfenokrist met corrosion embayments. Rhyoliet uit de Esterel (Fr.), 10 x, gekruiste nicols. Fig. 13. Corrosion embayments in kwarts. Daciet uit Hongarije, 60 x, gekruiste nicols. Fig. 14. Positie van de cotectische lijn bij PH20 = 50*0, 1000, 2000 en 3000 at. in het ternaire systeem kwarts-albiet-orthoklaas (vereenvoudigd graniet-systeem). 71