520.Basisopleiding Graad 1. A. Geschiktheidtest. De honden dienen voor het begin van de proef een test te ondergaan. Ze komen in groep op het terrein, stellen zich op in rechte lijn en dan volgt de geschiktheidtest, welke als volgt verloopt: 1. a. Alle honden worden in zit geplaatst en dienen hun tanden te tonen; b. De reuen dienen in sta geplaatst te worden en krijgen een controle van de testikels. 2. Alle honden dienen de tatoeages in hun oren te tonen. 3. De honden worden in stand geplaatst en de beoordelaar dient ze alle één voor één aan te raken en/of te strelen. 4. De honden worden gemeten. (de grootte heeft geen belang, de oefening dient enkel om de honden vertrouw te maken met het gemeten worden). Agressieve of bange honden worden uitgesloten en mogen op de dag van het examen eventueel vervangen worden door een reservehond. Basisopleiding. Vijf honden doen samen vijf verplichte oefeningen. De moeilijkheidsgraad stijgt van graad-1 over Graad-2 naar Graad-3, maar het principe blijft gelijk, elke geleider moet met zijn hond in vier van de vijf oefeningen lukken. Om het V.V.D.H.-brevet te behalen, dient de geleider zowel te slagen in de geschiktheidtest als in de basisopleiding. Er zullen drie brevetten uitgereikt worden: Basisopleiding graad 1 (minimumleeftijd 10 maanden) Basisopleiding graad 2 (minimumleeftijd 12 maanden) Basisopleiding graad 3 (minimumleeftijd 14 maanden) C. Programma. Oefeningen Basisopleiding Graad 1 1. AANGELIJND VOLGEN De geleiders met hond worden op een lijn opgesteld met de hond aangelijnd aan de voet. Op bevel gaan ze recht vooruit, waarna twee linkse en rechtse hoeken volgen. Tijdens het laatste rechte stuk wordt een schot gelost door de beoordelaar. Dan volgt een keeroefening en blijft de groep staan aan de overzijde van het terrein. Opmerking : om te slagen dient de hond de ganse oefening normaal zijn geleider te volgen zonder teveel aan de lijn te trekken of uit te wijken. 2. ZIT OEFENING De groep start aan de overzijde van het terrein en geeft op teken van de beoordelaar het bevel zit. De geleiders gaan door en blijven na 20 meter op bevel staan. Op teken van de beoordelaar gaan ze allen samen hun hond ophalen. Opmerking : om te slagen mag de hond geen andere houding dan de zit aannemen en/of zijn plaats niet verlaten. 3. AFLEGGEN VAN DE HOND De groep gaat terug naar de beginstelling van oefening 1 en stelt zich op met een grote tussenruimte tussen elke geleider. Op teken van de beoordelaar gaan ze in groep vooruit en geven op zijn signaal het bevel af. De geleiders gaan door en blijven na 20 meter op bevel staan. Op aanduiding van de beoordelaar halen ze een voor een hun hond op. De andere honden dienen ter plaatse te blijven liggen.
Opmerking : Om te slagen dient de hond de ganse tijd in dezelfde houding te blijven liggen. Ook als hij zijn plaats verlaat faalt hij. 4. HEENSPRONG De geleiders stellen zich achter elkaar op. Op teken van de beoordelaar gaan ze een voor een in gewone pas langsheen de 30 cm hoge springschans. Hierbij dient de hond op het bevel hoog spontaan over de schans te springen. De geleider mag met de hond aan de lijn meewandelen langsheen de schans. Opmerking : om te slagen dient de sprong met vreugde uitgevoerd te worden. Indien de hond weigert de sprong uit te voeren of door de geleider over de schans heen geholpen wordt, faalt hij voor deze oefening. 5. AFLEGGEN IN GROEP De geleiders gaan met hun hond naar het midden van het terrein. Hier worden de honden in een halve cirkel neergelegd op een duidelijke afstand van elkaar. De geleiders gaan samen naar het einde van het terrein op het teken van de beoordelaar. De honden dienen gedurende 1 minuut op hun plaats te blijven liggen. Op het teken van de beoordelaar mogen de geleiders hun hond ophalen. Opmerking : om te slagen dienen de honden de ganse tijd rustig te blijven liggen. Indien de hond zijn plaats verlaat, faalt hij.
521. Oefeningen Basisopleiding Graad 2. 1. VOLGEN MET DOORHANGENDE LIJN bevel gaan ze recht vooruit, waarna twee linkse en rechtse hoeken volgen. Tijdens het laatste rechte stuk wordt een schot gelost door de beoordelaar. Dan volgt een keeroefening en blijft de groep staan aan de overzijde van het terrein. Opmerking : om te slagen dient de hond de ganse oefening normaal zijn geleider te volgen met doorhangende lijn. Dus niet te veel voorlopen, achterblijven of uitwijken. 2. ZIT - OEFENING De groep start aan de overzijde van het terrein en geeft op teken van de beoordelaar het bevel zit. De geleiders gaan verder en blijven na 20 meter op bevel staan. Als de honden zitten gaat een aangeduide persoon in slalom door de groep zittende honden zonder ze aan te raken. De beoordelaar laat dan de geleiders hun hond ophalen. Opmerking: om te slagen mag de hond geen andere houding aannemen dan de zit en/of zijn plaats verlaten. 3. AFLEGGEN VAN DE HOND De groep gaat terug naar de beginstelling van oefening 1 en stelt zich op met een ruime afstand tussen elke geleider. Op teken van de beoordelaar gaan de geleiders individueel vooruit en geven op zijn signaal het bevel af. De geleiders gaan door en blijven na 20 meter op bevel staan. Als de honden afliggen gaat een aangeduide persoon in slalom door de liggende honden zonder ze aan te raken. Op aanduiding van de beoordelaar gaan alle geleiders, behalve één, naar hun hond. Op aanduiding van de beoordelaar roept die ene geleider zin hond op. Daarna gaat de volgende geleider naar de beoordelaar en roept zijn hond op. De honden dienen ter plaatse te blijven liggen. Opmerking: om te slagen dient de hond de ganse tijd in dezelfde houding te blijven liggen, ook als hij zijn plaats verlaat faalt hij.
4. HEENSPRONG EN TERUGSPRONG (eventueel met eigen voorwerp) De geleiders stellen zich achter elkaar op. Op teken van de beoordelaar gaan ze in gewone pas een voor een naar de 60 cm hoge springschans. Hier dient de hond op het bevel van de geleider heen en terug over de schans te springen. Indien een voorwerp gebruikt wordt voor het springen, MOET de hond dit terugbrengen. Opmerking: om te slagen dienen beide sprongen met vreugde uitgevoerd te worden. Indien de hond weigert een der sprongen uit te voeren, of het voorwerp niet terugbrengt, faalt hij. 5. AFLEGGEN IN GROEP De geleiders gaan met hun hond naar het midden van het terrein. Hier worden de honden in een halve cirkel neergelegd. De geleiders gaan samen naar het einde van het terrein. Als de honden afliggen gaat een aangeduide persoon in slalom door de liggende honden zonder ze aan te raken. De honden dienen gedurende 2 minuten op hun plaats te blijven liggen. Op teken van de beoordelaar mogen de geleiders de honden ophalen. Opmerking: om te slagen dienen de honden rustig te blijven liggen. Indien de hond zijn plaats verlaat faalt hij. 522. Oefeningen Basisopleiding Graad 3. 1. LOS VOLGEN bevel worden de honden afgelijnd en gaan dan recht vooruit. Nu volgen twee linkse en rechtse hoeken. In het midden van het terrein gaan ze door een groep van vijf bewegende personen, zonder te stoppen. Tijdens het laatste rechte stuk wordt een schot gelost door de beoordelaar. Tenslotte volgt een keeroefening en blijft de groep staan aan de overzijde van het terrein. Opmerking: om te slagen dient de hond de ganse oefening normaal zijn geleider te volgen, dus niet teveel voorlopen, achterblijven of uitwijken. Hij mag geen geval angst of agressie vertonen in de groep mensen. 2. ZIT - OEFENING De groep start aan de overzijde van het terrein en geeft op teken van de beoordelaar het bevel zit. De geleiders gaan verder en blijven 20 meter op bevel staan. Als de honden zitten, gaat een aangeduide persoon met hond in slalom door de zittende honden. Op het teken van de beoordelaar gaan de geleiders hun hond ophalen. Opmerking: om te slagen mag de hond geen andere houding dan de zit aannemen en/of zijn plaats verlaten. 3. AFLEGGEN VAN DE HOND De groep gaat terug naar de beginstelling van oefening 1 en stelt zich op. Op teken van de beoordelaar gaan ze in groep vooruit en geven op zijn signaal het bevel af. De geleiders gaan door en blijven na 20 meter op bevel staan. Als de honden afliggen, gaat een aangeduide persoon met hond in slalom door de liggende honden. Op aanduiding van de beoordelaar roepen de geleiders een voor een hun hond op. De andere honden dienen te blijven liggen. Opmerking: om te slagen dient de hond de ganse tijd in dezelfde houding te blijven liggen. Ook als hij zijn plaats verlaat faalt hij. 4. HEENSPRONG EN TERUGSPRONG (eventueel met voorwerp)
De geleiders stellen zich achter elkaar op. Op teken van de beoordelaar gaan ze in gewone pas een voor een naar de 1 meter hoge springschans. Hier dient de hond op bevel van de geleider heen en terug over de schans te springen. Indien een voorwerp gebruikt wordt voor het springen, MOET de hond dit terug brengen. Opmerking: om te slagen dienen beide sprongen met vreugde uitgevoerd te worden. Indien de hond weigert een der sprongen uit te voeren, of het voorwerp niet terugbrengt, faalt hij. 5. AFLEGGEN IN GROEP De geleiders gaan met hun hond naar het midden van het terrein. Hier worden de honden in een halve cirkel afgelegd. De geleiders gaan samen naar het einde van het terrein. Als de honden afliggen gaat een aangeduide persoon met hond in slalom door de liggende honden zonder deze aan te raken. De honden dienen gedurende 3 minuten op hun plaats te blijven liggen. Op het teken van de beoordelaar mogen de geleiders hun honden gaan ophalen. Opmerking: om te slagen dienen de honden rustig te blijven liggen. Indien de hond zijn plaats verlaat faalt hij.
522. BOP Graad 3 Wedstrijd 1. AFOEFENING TERWIJL 2 HONDEN WEDSTRIJD SPELEN. INDIEN ER GEEN HONDEN ZIJN, DIENT DE KRINGGROEP VOOR 2 RESERVE HONDEN TE ZORGEN. De geleiders gaan op teken van de wedstrijdleider naar de aangeduide plaats. De geleiders zetten de hond aan de voet. Op teken van de wedstrijdleider geven zij het bevel af en verwijderen zij zich. De wedstrijdleider geeft aan waar de geleiders gaan staan. Als de oefeningen van de andere geleiders klaar zijn, gaan de geleiders op bevel van de wedstrijdleider de honden ophalen. Op teken van de wedstrijdleider worden de honden terug aan de voet gezet. Bij voldoende honden kunnen zij afwisselen en anders moet men 2 reserve honden voorzien. Opmerking:de honden moeten steeds rustig blijven liggen. 2. VOLGEN MET DOORHANGENDE LIJN bevel gaan ze recht vooruit, waarna twee linkse en rechtse hoeken volgen. Tijdens het laatste rechte stuk wordt een schot gelost door de wedstrijdleider. Op het einde van het terrein gaan ze door een groep van vier personen, zonder te stoppen. Dan volgt een keeroefening en blijft de groep staan aan de overzijde van het terrein. Opmerking: De hond dient de ganse oefening normaal zijn geleider te volgen met doorhangende lijn. Dus niet voorlopen, achterblijven of uitwijken. 3. LOS VOLGEN bevel worden de honden afgelijnd en gaan dan recht vooruit door de groep. De groep verlaat het terrein terwijl er twee linkse en rechtse hoeken volgen, zonder te stoppen. Tijdens het laatste stuk wordt een schot gelost door de wedstrijdleider. Tenslotte volgt de keeroefening en staat men terug in beginstelling. Opmerking: om te slagen dient de hond de ganse oefening normaal zijn geleider te volgen, dus niet voorlopen, achterblijven of uitwijken. Hij mag in geen geval angst of agressie vertonen in de groep mensen. 4. ZIT OEFENING De geleiders starten vanuit de beginstelling en geven op teken van de wedstrijdleider het bevel zit. De geleiders gaan verder en blijven na 20 stappen op bevel staan. Als de honden zitten, gaat een aangeduide persoon met hond in slalom door de zittende honden. Op het teken van de wedstrijdleider gaan de geleiders hun hond ophalen. Opmerking: de honden mogen geen andere houding dan de zit aannemen en/of hun plaats verlaten. 5. AFLEGGEN VAN DE HOND De geleiders gaan terug naar de beginstelling en stellen zich op. Op teken van de wedstrijdleider gaan de geleiders vooruit en geven op zijn signaal het bevel af. De geleiders gaan door en blijven na 20 passen op bevel staan. Als de honden afliggen, gaat een aangeduide persoon met hond in slalom door de liggende honden. Op aanduiding van de wedstrijdleider roepen de geleiders een voor een hun hond op, bij voorkeur de laagste nummer eerst. De hond komt in zit voor en op teken van de wedstrijdleider wordt de hond door de geleider aan de voet geroepen. De andere honden dienen te blijven liggen. Opmerking: de honden dienen de ganse tijd in dezelfde houding te blijven liggen en mogen hun plaats niet verlaten.
i 6. HEENSPRONG EN TERUGSPRONG (eventueel met voorwerp) De geleiders stellen zich achter elkaar op. Op teken van de wedstrijdleider gaan ze in gewone pas één voor één naar de 1 meter hoge springschrans(of 60 cm indien de hond 7 jaar en op verzoek van de geleider) en zetten de hond in voet. Hier dient de hond op bevel van de geleider heen en terug over de schans te springen. De hond komt in zit voor en wordt op teken van de wedstrijdleider door de geleider aan de voet geroepen. Indien een voorwerp gebruikt wordt voor het springen, MOET de hond dit terug brengen. Opmerking: de hond dient de beide sprongen met vreugde uit te voeren en mag de schans niet raken. 7. WILLEKEURIGE OEFENINGEN Er zijn 4 oefeningen: - de kapel (eventueel apporteren met eigen voorwerp) De geleiders stellen zich achter elkaar op. Op teken van de wedstrijdleider gaan ze in gewone pas één voor één naar de kapel zetten de hond in voet. Hier dient de hond op bevel van de geleider heen en terug over de kapel te springen. Indien men een voorwerp gebruikt, MOET de hond dit ook terug brengen. Hij komt in zitvoor en na teken van de wedstrijdleider komt hij aan de voet zitten. Opmerking: de hond dient de beide sprongen met vreugde uit te voeren. - Apporteren over de vlakke grond (blok 650 gr) => zelfde oefening als africhting De geleiders gaan één voor één terug naar de beginstelling en stellen zich op. Op teken van de wedstrijdleider gaat de geleider met het laagste nummer de oefening beginnen. De andere geleider mag zijn hond vasthouden bij de ketting of aan de leiband. De geleider gooit de blok vanuit de beginpositie weg. Op bevel van de geleider gaat de hond de apporteerblok halen. De hond komt in zit voor en lost de blok. Op teken van de wedstrijdleider wordt de hond door de geleider aan de voet geroepen. - Staan uit gewone pas De geleiders gaan naar de beginstelling. De geleiders gaan verder en na 20 passen zetten zij de hond in sta en gaan dan 30 passen vooruit. Op bevel van de wedstrijdleider draaien zij zich om en op bevel van de wedstrijdleider gaan ze de hond ophalen. Na bevel van de wedstrijdleider wordt de hond door de geleider aan de voet geroepen. - Het vooruitzenden met afliggen => zelfde oefening als africhting Deze oefening dient als laatste uitgevoerd te worden. De geleiders die hun honden af hebben liggen gaan deze ophalen en gaan terug naar de beginstelling. De geleiders gaan één voor één terug naar de beginstelling en stellen zich op. Op teken van de wedstrijdleider gaat de geleider met het laagste nummer de oefening beginnen. De geleider neemt 10 passen en stuurt zijn hond minimum 20 meter vooruit. Op bevel van de wedstrijdleider wordt de hond in af geroepen vanuit de beginpositie. Op bevel van de wedstrijdleider gaat de geleider de hond terug halen. Op het bevel van de wedstrijdleider wordt de hond terug in voet gezet. De wedstrijd duurt tot men van de plein af is, indien men de hond straft of deze vliegt uit terwijl de boordelaars de punten aan het berekenen zijn, dan kan dit tot vermindering van punten leiden op de algemene houding. Voor de start van de wedstrijd loten de twee beoordelaars twee oefeningen uit. Men weet dus pas, welke 2 oefeningen men die dag doet, op de examen-wedstrijddag zelf. i B.O.P. III Reglement vanaf 01.03.2009