Fiscale actualiteiten zorg Pagina 1 Oktober 2016
Voorwoord Het met Prinsjesdag bekend gemaakte Belastingplan 2017 bevat een aantal elementen die, bij ongewijzigde invoering, voor uw organisatie van belang kunnen zijn. Hoewel de nieuwe wetgeving in beginsel pas vanaf 1 januari 2017 effectief zou worden, zijn er twee maatregelen die mogelijk nu al actie vergen. Het betreft vooral de verruiming van het begrip bouwterrein in de omzetbelasting. Daarnaast is er een aanvulling op het al eerder met u gedeelde vervallen van de fictieve dienstbetrekking voor commissarissen. Ten aanzien van de overige te verwachten wetswijzigingen vragen wij alleen uw aandacht voor een beoogde wijziging in de generieke vrijstelling vennootschapsbelasting. Deze is ons inziens vooral van belang voor de organisaties die door de gewijzigde bekostigingsvorm van bijvoorbeeld de jeugdzorg sinds 2015 geacht kunnen worden een onderneming te drijven. Tot slot treft u in deze nieuwsbrief een aantal fiscale thema s die de afgelopen maanden doorlopend in de publiciteit zijn geweest, zoals het vervallen van de VAR-verklaringen en het gaan werken met modelovereenkomsten, alsmede de verhuurdersheffing. In dit nummer: Voorwoord 2 Omzetbelasting 3 Verruimde uitleg van het begrip bouwterrein 3 Toepassing btw-vrijstellingen gedecentraliseerde zorg 3 Loonbelasting 4 Gebruikelijkheidscriterium van de werkkostenregeling 4 Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie en medisch specialisten 4 Vervallen fictieve dienstbetrekking toezichthouders 5 Vennootschapsbelasting 5 Opteren belastingplicht (jeugdzorg- en/of welzijns)stichtingen (etc.) 5 Verhuurdersheffing 6 Verhuurdersheffing in specifieke situatie individuele en buitensporige last 6 Wetsvoorstel Wijziging Wet maatregelen woningmarkt 2014 7 Fiscale actualiteiten zorg is een uitgave van Verstegen accountants en belastingadviseurs, bestemd voor relaties in de Zorgsector. Vragen over of naar aanleiding van deze nieuwsbrief kunt u stellen via: Redactie: mr. G.E. (Gosse) Hoekstra RB L.G.J. (Bert) Mostert RA geregeldindezorg@verstegenaccountants.nl gh@verstegenaccountants.nl bm@verstegenaccountants.nl Bij het samenstellen van deze uitgave is uiterste zorgvuldigheid in acht genomen. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor mogelijk onjuiste of onvolledige informatie of voor schade die als gevolg hiervan ontstaat. Gezien het algemene karakter van de uitgave kunnen wij niet instaan voor toepassingsmogelijkheden in specifieke situaties. Alle rechten voorbehouden Pagina 2
Omzetbelasting Verruimde uitleg van het begrip bouwterrein Bij de overdracht van een onroerende zaak is in beginsel overdrachtsbelasting verschuldigd. Het tarief bedraagt 2% voor woningen en 6% voor andere onroerende zaken. In uitzonderingssituaties kan echter omzetbelasting verschuldigd zijn. Daarvan is bijvoorbeeld sprake ingeval van de overdracht van een zogeheten bouwterrein. Het tarief is dan 21%. Met een beoogde inwerkingtreding per 1 januari aanstaande wordt als bouwterrein in de zin van de wet op de omzetbelasting beschouwd onbebouwde grond die kennelijk is bestemd om te worden bebouwd met één of meer gebouwen. De Nederlandse wet wordt daarmee in overeenstemming gebracht met de ruimere definitie van de Europese btwrichtlijn. Het gevolg is dat voor thans lopende projecten, waarbij volgens de huidige Nederlandse wettelijke bepalingen geen sprake is van een bouwterrein, ten onrechte uitgegaan wordt van een heffing van overdrachtsbelasting waardoor na de wetswijziging ineens een substantieel hoger bedrag aan omzetbelasting verschuldigd is. Indien u meent dat dit bij u aan de orde kan zijn, geven wij in overweging contact met ons op te nemen. Toepassing btw-vrijstellingen gedecentraliseerde zorg Op 20 september jl. heeft de staatssecretaris in een brief aan de Tweede Kamer uitspraken gedaan over de toepassing van de btw-vrijstellingen in het kader van de gedecentraliseerde zorg (Wmo en jeugdwet) en de zorg in de zorgverzekeringswet. Met de decentralisatie van de zorgmarkt zijn tevens de toepasselijke btw-vrijstellingen aangepast. De staatssecretaris heeft in de brief aan de Tweede Kamer expliciet aangegeven dat met deze wijzigingen geen inhoudelijke wijziging van de btw-vrijstellingen is beoogd. Hetgeen vóór de wijzigingen in de zorgmarkt (en de aanpassingen van de btw-vrijstellingen) was vrijgesteld, is ook nu vrijgesteld. Zekerheidshalve heeft de staatssecretaris de volgende situaties verduidelijkt: - De verleende Wmo-dienst is ook vrijgesteld van omzetbelasting indien sprake is van een eigen bijdrage van 100% van degene die een Wmo-voorziening krijgt. - Winst beogende wijkverpleging is vrijgesteld van de heffing van omzetbelasting. - De btw-vrijstellingen voor jeugdzorg kunnen worden toegepast ongeacht of sprake is van het beogen van winst door de betreffende instelling. - Er zullen regels worden opgesteld waardoor het uitlenen van personeel in de Wmo of de Jeugdwet vaker onder de btw-vrijstelling kunnen worden gebracht. Het is nog niet bekend of en zo ja welke voorwaarden hierbij worden gesteld. Pagina 3
Loonbelasting Gebruikelijkheidscriterium van de werkkostenregeling Onder de werkkostenregeling kunnen vergoedingen en verstrekkingen worden aangewezen als eindheffingsbestanddeel, waardoor de vergoedingen en verstrekkingen niet tot het loon voor de loonheffing van de werknemer wordt gerekend. Om een vergoeding of verstrekking aan te mogen wijzen als eindheffingsbestanddeel dient er aan het gebruikelijkheidscriterium te worden voldaan. Tot en met 2015 werd er voldaan aan het gebruikelijkheidscriterium indien de hoogte van de vergoeding of verstrekking niet in belangrijke mate (30%) hoger is dan in overeenkomstige omstandigheden gebruikelijk is. Het is onduidelijk wanneer een vergoeding of verstrekking nog als gebruikelijk wordt aangemerkt. Tot voor kort veronderstelde de Belastingdienst dat tot een bedrag van 2.400 per jaar per werknemer in ieder geval voldaan is aan het gebruikelijkheidscriterium. Onlangs heeft de rechtbank Noord-Holland ten gunste van de inhoudingsplichtige uitspraak gedaan. In deze casus werden in 2012 en 2013 aan de directie van een besloten vennootschap gratis aandelen verstrekt. De aandelen hadden een waarde van respectievelijk circa 430.000 en 76.000 en werden door de inhoudingsplichtige aangemerkt als eindheffingsbestanddeel. De Belastingdienst stelde zich op het standpunt dat niet voldaan werd aan het gebruikelijkheidscriterium en legde naheffingsaanslagen loonbelasting op. De rechtbank meent dat de Belastingdienst niet heeft bewezen dat de verstrekking van de aandelen niet voldoet aan het gebruikelijkheidscriterium en als eindheffingsbestanddeel aangewezen hadden mogen worden. De rechtbank heeft dan ook de naheffingsaanslagen vernietigd. Vanaf 2016 dient naast de hoogte van de vergoeding of verstrekking tevens de aard van de vergoeding of verstrekking gebruikelijk te zijn. Hoewel de rechtbank daar in de onderhavige casus geen uitspraak over heeft gedaan, zou het oordeel van de rechtbank vermoedelijk niet anders zijn geweest. Met de onderhavige uitspraak wordt nog niet duidelijk wanneer er is voldaan aan het gebruikelijkheidscriterium. Wel valt hieruit af te leiden dat de bewijslast voor het gebruikelijkheidscriterium bij de Belastingdienst ligt. Het zal voor de Belastingdienst niet eenvoudig zijn om te bewijzen dat hier niet aan wordt voldaan. Het is nog onzeker of de Belastingdienst in beroep gaat. Bij een eventueel vervolg, zullen wij u hierover informeren. Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie en medisch specialisten Op 1 mei 2016 is de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie in werking getreden. De VAR-verklaring is komen te vervallen en de modelovereenkomsten zijn geïntroduceerd. Tot 1 mei 2017 geldt een gewenningsperiode en hanteert de Belastingdienst een terughoudend handhavingsbeleid. Pagina 4
Vanaf 1 mei 2017 wordt iedereen geacht bekend te zijn met de modelovereenkomsten en de werking daarvan. Vanaf dat moment zal door de Belastingdienst een risicogericht handhavingsbeleid worden gehanteerd. Hierbij zal als eerste in de risicovolle sectoren en/of branches worden gecontroleerd. Tot voor kort was niet bekend welke sectoren en/of branches als risicovol aangemerkt zouden worden. Ingevolge een op 29 september jl. ingediende en op 4 oktober jl. aangenomen motie van Tweede Kamerlid mevrouw M. Li Vos bestaat er bij medische specialisten relatief veel kans op schijnzelfstandigheid. Wie medisch specialisten inzet op basis van een modelovereenkomst kan daardoor mogelijk als één van de eersten het handhavingsbeleid ervaren. Vervallen fictieve dienstbetrekking toezichthouders In onze nieuwsbrieven van februari en maart jl. hebben wij aandacht besteed aan het per 1 januari 2017 vervallen van de fictieve dienstbetrekking voor toezichthouders. In het Belastingplan 2017 is de aangekondigde afschaffing opgenomen. Daarin is echter ook vastgelegd dat de organisatie voor de toezichthouder die anders dan als ondernemer actief is verplicht is om één keer per jaar aan de Belastingdienst door te geven welke beloning die toezichthouder heeft ontvangen. Hierbij is verwezen naar het Handboek Loonheffingen 2016 waarin het volgende is beschreven: Als u iemand betaalt die niet als ondernemer bij u werkt en ook niet bij u in (fictieve) dienstbetrekking is, moet u die betalingen aan ons aanleveren. Dat geldt voor betalingen in geld en voor betalingen in natura. Volgens het wetsvoorstel moeten deze gegevens over de uitbetaalde bedragen aan derden vóór 1 februari van het jaar na het jaar waarin de bedragen zijn betaald aan de Belastingdienst worden doorgegeven middels het zogenoemde IB 47 formulier. Vooralsnog lijkt er met de enkele verwijzing naar het Handboek geen wettelijke basis in het wetsvoorstel te zijn opgenomen. Onzeker is daarom of deze verplichting tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel behouden blijft. Wij zullen dat uiteraard volgen. De verplichting geldt in ieder geval niet voor de toezichthouder die ondernemer is. Er hoeft ook geen opgaaf gedaan te worden voor de toezichthouder die heeft gekozen voor optingin. Volledigheidshalve merken wij op dat bij een keuze voor opting-in nu ongeveer het moment gekomen is om dat in gang te zetten. Vennootschapsbelasting Opteren belastingplicht (jeugdzorg- en/of welzijns)stichtingen (etc.) Zoals gemeld in onze nieuwsbrief van maart jl. onderkennen wij in de vanaf 2015 door menig gemeente gevolgde werkwijze om aan bijvoorbeeld jeugdzorg niet langer subsidies te verstrekken, maar te contracteren met de aanbieder (een stichting) het risico dat het zogeheten Subsidiebesluit niet langer kan worden toegepast en de betreffende instellingen mogelijk VPB-aangifte moeten gaan doen. Pagina 5
De Belastingdienst (en het Ministerie) hebben nog geen eenduidig standpunt ingenomen. Er worden ook nog niet stelselmatig aangiften uitgereikt. Dat laat onverlet dat uw organisatie er ingeval van een verliessituatie belang bij kan hebben een aangifte te doen. Alleen een naar aanleiding van een aangifte in een beschikking vastgesteld verlies kan immers verrekend worden met eventuele latere in aanmerking te moeten nemen winsten. Probleem is dat bij een stichting die een fiscaal resultaat behaalt dat kleiner is dan de vrijstellingsgrenzen van de zogeheten generieke vrijstelling deze vrijstelling automatisch wordt toegepast. Dit tenzij binnen zes maanden na afloop van het boekjaar schriftelijk aan de Belastingdienst verzocht is de vrijstelling achterwege te laten en tot uitreiking van een aangifte over te gaan. De termijn van zes maanden bleek in de praktijk al erg kort en is dat zeker in de onzekere situatie voor bijvoorbeeld de genoemde jeugdzorgorganisaties. Met Prinsjesdag is een wetsvoorstel ingediend dat er bij ongewijzigde invoering toe leidt dat de termijn voor indienen van het optieverzoek wordt verlengd van zes maanden tot aan het moment dat uiterlijk een aangifte vennootschapsbelasting gedaan kan worden. Wanneer u meent dat de bovenstaande situatie op u van toepassing kan zijn, adviseren wij u nu al een standpunt in te nemen. Verhuurdersheffing Verhuurdersheffing in specifieke situatie individuele en buitensporige last Eind september heeft de rechtbank Gelderland geoordeeld dat de verhuurdersheffing bij een verhuurder van hofjeswoningen leidt tot een zodanig buitensporige last dat deze heffing achterwege moet blijven. De rechtbank volgt het standpunt van de belastingplichtige dat verhuurders van hofjeswoningen een bijzondere positie innemen. Sloop of uitponding van deze woningen is niet goed mogelijk en ook was de financiële speelruimte beperkt. De rechtbank komt tot de conclusie dat de verhuurdersheffing zonder nadere maatregelen leidt tot een structurele verliessituatie. Vermindering van uitgaven aan onderhoud of verlaging van de afschrijving acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden niet mogelijk. Een huurverhoging komt in casu niet alleen in strijd met de doelstellingen van de belastingplichtige, maar bovendien zou een huurverhoging van bijna 15% noodzakelijk zijn. Er resteert dan alleen een verkoop van de woningen. Dit acht de rechtbank echter een te vergaande inbreuk op het eigendomsrecht van de betreffende verhuurder. De jurisprudentie over de verhuurdersheffing blijft casuïstisch. De bovenstaande uitspraak lijkt enige ruimte te bieden. Onduidelijk is nog of er beroep wordt ingesteld. Ook is onzeker hoe deze uitspraak zich verhoudt tot onderstaande aangekondigde wetswijziging. Pagina 6
Wetsvoorstel Wijziging Wet maatregelen woningmarkt 2014 In onze nieuwsbrief van augustus jl. hebben wij aandacht besteed aan het voorstel van Minister Blok om de zogeheten heffingsvrije voet te verhogen van 10 naar 25 woningen. Inmiddels is het hiertoe strekkende wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer. Andere wijzigingen die in dit wetsvoorstel zijn opgenomen zijn onder andere: Gemeenten in de krimpgebieden, de Achterhoek en Noordoost Fryslân, worden toegevoegd aan de gebieden waar de heffingsvermindering voor sloop en samenvoeging van woningen kan worden aangevraagd. Het invoeren van een nieuwe heffingsvermindering voor goedkope nieuwbouw. Hierbij gaat het om woningen die in de periode 2017-2021 worden gebouwd en een huurprijs hebben onder de huurtoeslaggrens. De heffingsvermindering zal 20.000 per woning bedragen in zogenoemde schaarstegebieden, 10.000 per woning in de rest van Nederland. Het tarief van de verhuurdersheffing wordt verhoogd naar 0,569%. Afhankelijk van de voorgang van de parlementaire behandeling zal het wetsvoorstel op 1 januari 2017 of op 1 januari 2018 in werking treden. Pagina 7