ARCHEOLOGISCHE KRONIEK door H. Suurmond-van Leeuwen In november 1987 verscheen de negende jaargang van Bodemonderzoek in Leiden. In het overzichtsartikel wordt aandacht besteed aan de vele locaties in de stad waar in 1986 archeologische sporen aan het licht kwamen. Verder zijn er bijdragen over de Oude Hogewoerdspoort, de ning in de Stevenshof, waar een deel van een vlechtwand van een boerderij werd gevonden, en glasvondsten uit Leidse bodem alsmede een overzicht van vondsten uit de Romeinse tijd in de Kleine Cronesteynsepolder. Tenslotte is er een uitgebreid artikel over waterstanden in en om Leiden vanaf de late middeleeuwen, waarin een verklaring wordt gegeven voor een aantal tot nu toe niet begrepen archeologische bevindingen. Ir. In de eerste maanden van 1987 werd een deel van het parkeerterrein begrensd door de Oude Rijn, de Hooi- en Middelstegracht en het Ir. bouwrijp gemaakt ten behoeve van de bouw van een ging annex parkeergarage. Hierbij bleek dat grote delen van het terrein reeds bij de afbraak van panden in de zestigerjaren behoorlijk waren omgewoeld en de verwachte resten van oudere bebouwing grotendeels verdwenen, zodat geen middeleeuwse huisplattegronden konden worden geconstrueerd. Wel werd een veertigtal beer- en waterputten aangetroffen. De inhoud van de beerput geeft maar een beperkt beeld van de gebruiksvoorwerpen van de bewoners van de bijbehorende huizen. Het probleem is namelijk dat beerputten in de loop der tijd geregeld werden schoongemaakt en geleegd. Bij sommige geschiedde dit grondig, bij andere gelukkig iets minder zorgvuldig. Voorwerpen die kunnen worden geborgen zijn dan ook zelden compleet en van vele worden slechts enkele scherven aangetroffen. Een aantal beerputten bevatte voorwerpen van aardewerk, hout en leer en in geringe mate majolica en glas. Het meest interessant hiervan waren de vondsten uit het eind van de 14de en begin 15de eeuw. Het beeld van het keukengerei, dat hieruit naar voren komt, is dat van een beperkt 231
1. Keuze uit het gevonden aardewerk, en 15de eeuw. ment van grof aardewerk van roodbakkende klei, deels voorzien van loodglazuur. Allerlei bakfouten gedeukte en ingezakte kookpotten werden door de gebruikers kennelijk op de koop toegenomen. De voornaamste vormen zijn kookpotten op drie poten met één of twee oren (de zogenaamde etenskommen, vetvangers (ook wel spitschotels geheten), platte pannen, voorraadpotten en schotels of borden (afb. 1). Naast het rei werden ook veelvuldig kamerpotten of nachtspiegels aangetroffen. Boven het vuur hebben ongetwijfeld grote ijzeren kookpotten gehangen, deze zijn echter veelal in de bodem vergaan en hiervan wordt dan ook zelden iets teruggevonden. Drinkgerei bestond in de 14de en 15de eeuw voornamelijk uit hout en uit ongeglazuurd hardgebakken steengoed, o.a. de zogenaamde netjes, geïmporteerd uit Siegburg in het Rheinland. Onder de sten van het Ir. Driessenplein werd in vergelijking met andere locaties erg weinig steengoed aangetroffen. Hieruit zou men kunnen afleiden dat er dus veel houten goedkopere voorwerpen werden gebruikt. Enkele houten nappen en bakjes werden inderdaad gevonden. De meeste voorwerpen hiervan zullen echter wel in de open haard zijn verdwenen. Voorwerpen van grotere waarde zoals tin, brons en zilver zullen zelden in beerputten terecht zijn gekomen. Zij werden bij het onderzoek ook niet aangetroffen. Uit de gevonden leerresten kon door Archeoplan uit Delft een tweetal schoenen worden geconserveerd en gerestaureerd. 232
2. Insigne, eeuw. In december kon nog een ander (klein) deel van het terrein langs de delstegracht en de Oude Rijn, gedurende 3 weken systematisch worden onderzocht. De archeoloog drs. P. Bitter heeft nagegaan hoe breed de oospronkelijke Rijn ter plaatse is geweest, hoe de oever in de loop van de jaren is opgehoogd en wanneer de eerste bebouwing daar heeft plaatsgevonden. Aan de hand van bodemvondsten uit mestkuilen en beerputten ontstaat het beeld van een gebied dat pas omstreeks 1400 werd bebouwd; een erg eenvoudige buurt waarin onder meer kleermakers, pottenbakkers en houtbewerkers woonden. In Bodemonderzoek in Leiden 1987 zullen de resultaten van deze opgraving uitvoerig worden beschreven. Stille De illusie om na de sloop van panden van de firma Langezaal aan de Stille Rijn een profiel van de noordelijke Rijnoever te kunnen beschrijven werd verstoord door het aantreffen van zware funderingen, veel los puin, een geheel geroerde bodem, veel water, kortom een grote modderpartij. Van een onderzoek kon geen sprake zijn. Wel werd door de heer F.J.P. van Duivenvoorden met behulp van een metaaldetector een insigne uit de 15de eeuw gevonden (afb. 2). Het betreft hier een insigne met profane voorstelling. Te zien zijn twee manlijke figuren en een phallussymbool. De 233
3a en 3b. Broche, 14 eeuw voor- en achterzijde. grafie van dit soort afbeeldingen is niet of nauwelijks bekend. In het verdronken land van Zuid-Beveland (Nieuwlande) zijn in de afgelopen jaren vele tientallen van dit soort insignes aangetroffen. Verder werd een broche van tin of tinlegering gevonden, waarschijnlijk uit de 14de eeuw. Op de broche staat op één kant het inschrift: AVE MARIA GRACIA PLENA en op de andere kant: BENEDICTA TU IN RIBUS ET. De woorden zijn steeds gescheiden door drie punten. Voor het ontbrekende benedictus fructus tui was geen plaats meer (afb 3). Vestingwerken Zowel langs het Rapenburg als langs het Galgewater kwamen bij het vernieuwen van de annex het leggen van riolering funderingen van de middeleeuwse stadsomwalling aan het licht. Aan het Rapenburg werd ter hoogte van de Doelenbrug een niet nader te definiëren stuk metselwerk en ter hoogte van de Langebrug een deel van een fundament van een lopende muur, opgebouwd van kloostermoppen, gevonden. Naar het zich laat aanzien is dit een deel van een muurtoren. De langs het Rapenburg moet beschouwd worden als een van de oudste delen van de stadsommuring. Het oudste document dat melding maakt van een ter plaatse bevindt zich in het Gemeente-archief en dateert uit 1372. In 1988 worden de werkzaamheden langs het burg tussen de Langebrug en Breestraat uitgevoerd, waarbij onderzocht zal worden of er nog meer resterende funderingen aanwezig zijn, zodat mogelijk dan een definitieve conclusie uit het gevondene kan worden getrokken. Langs het Galgewater bleken ter hoogte van de panden nrs. 3 1-39 en nr. 234
4. Funderingsresten van de muurtorens Costverloren en Valkentoren. 10 funderingsresten van respectievelijk de muurtorens Valkentoren en Costverloren nog in de bodem aanwezig te zijn (afb. 4). Deze torens maakten deel uit van de bij de uitleg van 1386 gebouwde vestmuur. Omstreeks 1630, nadat de muur door de nieuwe uitleg van 1611 zijn functie had verloren, werden muur en toren gesloopt. De funderingen worden behouden en zullen in de erboven worden geaccentueerd, zodat ze net als het iets westelijker gelegen Pelicaensbolwerk in het zicht blijven. Langebrug 99 Bij de sloop van enige panden aan de Langebrug nabij de Zonneveldstraat werden in een beerput enige zware stukken bewerkt natuursteen aangetroffen. Het betreft hier delen van twee stoeppalen (afb. 5). Deze werden in de 16de en 17de eeuw veelal bij de ingang van huizen geplaatst. Er zijn uit Nederland vri veel stoeppalen bekend en gelukkig nog op een aantal plaatsen aanwezig. Voor zover bekend zijn dit echter delen van de eerste die in Leiden gevonden zijn. Een van de fragmenten is thans weer aan het stadsbeeld toegevoegd en bevindt zich in een muur achter een wooncomplex aan de Derde Binnenvestgracht. Deze muur wordt door de ontwerper gezien als een uiting van stedelijke archeologie. Voor het andere fragment wordt nog naar een bestemming gezocht. 235
5a en 5b. Fragmenten van 16de of 17de eeuw. 6a en 6b. Gesp en broche, 14de eeuw of vroeger. 236
Donkersteeg Na de brand in de Donkersteeg in januari van dit jaar werd het pand van de firma volledig gesloopt. Ten behoeve van nieuwbouw werd ter plaatse de grond ongeveer 50 cm. afgegraven en kon enig archeologisch onderzoek plaatsvinden. Een aantal boringen werd verricht om een indruk te krijgen van de opbouw van de bodem. Uit een middeleeuwse laag kwamen aardewerkfragmenten vanaf het begin van de eeuw te voorschijn. Met behulp van een metaaldetector werd uit deze laag een aantal metalen voorwerpen opgespoord. Zeer bijzonder zijn een gesp met inscriptie, vermoedelijk uit de 14de eeuw of vroeger en een broche met gestyleerde diermotieven waarvan voorlopig nog geen datum gegeven kan worden (afb. 6). NOTEN 1. Schatten uit de Schelde, Het Markiezenhof (Bergen op Zoom 1987). 2. T. Brouwer, (Zutphen 1985). 237